Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200026800-VI nr. 43

26 800 VI
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2000

nr. 43
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 november 1999

Hierbij wil ik u informeren over de stand van zaken met betrekking tot de toezeggingen die gedaan zijn tijdens het algemeen overleg over vermiste personen dat plaatsvond met de vaste commissie voor Justitie op 16 juni 1999. (26 200 VI, nr. 57)

Hieronder volgt een opsomming van de tijdens dit algemeen overleg gedane toezeggingen met per toezegging een toelichting over de stand van zaken.

1. De Tweede Kamer niet in JBZ-verband maar separaat informeren over de uitkomsten van de evaluatie van de in de lidstaten van de Europese Unie genomen maatregelen om de internationale samenwerking met betrekking tot vermiste personen te verbeteren.

Deze evaluatie is inmiddels afgerond en ter kennis gebracht van de Europese werkgroep politiële samenwerking. Naar aanleiding van de uitkomsten van de vragenlijst bevat de evaluatie een aantal conclusies, die aldus kunnen worden samengevat. Momenteel beschikken slechts zeven lidstaten over een coördinatiepunt voor zowel vermiste personen als niet-geïdentificeerde stoffelijke overschotten. Voorts past een groot aantal lidstaten nog geen onderverdeling toe in categorieën vermiste personen. Nog geen enkele lidstaat beschikt over een separate DNA databank voor vermiste personen en niet-geïdentificeerde stoffelijke overschotten; wel zijn vier lidstaten bezig daartoe voorbereidingen te treffen. Vier staten gebruiken reeds het VICLAS systeem ook in het kader van vermiste personen (VICLAS: Violent Crime Linkage Analysis System). Ten slotte wordt geconcludeerd dat mede vanwege de problemen die de lidstaten ondervinden op een aantal praktische gebieden, het wenselijk is dat een bijeenkomst van deskundigen wordt georganiseerd. Deze laatste conclusie van de evaluatie is tevens een van de drie aanbevelingen die Nederland op grond van de conclusies voorgesteld heeft. De andere twee aanbevelingen betreffen uitvoering van de conclusies van de Raad van maart 1998 inzake nationale coördinatiepunten en inzake het instellen van categorieën vermiste personen en het bevorderen van maatregelen inzake het oprichten in de lidstaten van DNA databanken voor vermiste personen en niet-geïdentificeerde stoffelijke overschotten.

Een eerste inleidende bespreking over de evaluatie heeft plaatsgevonden in de Europese werkgroep politiële samenwerking van november jl., welke een vervolg zal hebben in december a.s. Een aantal lidstaten heeft zich inmiddels reeds positief uitgelaten over de evaluatie en met name over de daarin voorgestelde internationale bijeenkomst van deskundigen.

In dit verband is relevant te vermelden dat de werkgroep Vermiste personen inmiddels een voorstel heeft ontwikkeld om op nationaal niveau te komen tot de opzet van een DNA-databank voor vermiste personen. Zo'n databank zou een belangrijk hulpmiddel kunnen zijn bij het vergelijken van gegevens over vermiste personen met die van gevonden stroffelijke overschotten. Het voorstel zal binnenkort in consultatie worden gebracht.

2. De Tweede Kamer nader informeren over de praktische gang van zaken bij grensoverschrijdende samenwerking.

Onmiddellijk na de melding van een vermissing bestaat behoefte om in de nabije omgeving bekendheid te geven aan de vermissing. In de grensgebieden wordt ten behoeve van dit doel gebruik gemaakt van een intranetwerk, genaamde Euregional Multi-media Information Exchange (EMMI). Dit systeem maakt het mogelijk om snel gegevens uit te wisselen met aangrenzende regio's in Duitsland en België. Met behulp van EMMI kan bijvoorbeeld onmiddellijk per e-mail een foto van een vermiste worden verspreid in aangrenzende gebieden in Duitsland en België. Overigens is ook de samenwerking in grensgebieden gebaat bij uitvoering van de bovengenoemde Europese aanbeveling om te komen tot nationale coördinatiepunten voor vermiste personen en aangetroffen stoffelijke overschotten in alle lidstaten. Immers, op voorhand valt niet uit te maken waar een vermiste verblijft; de persoon in kwestie kan in korte tijd een grote afstand hebben afgelegd.

3. Bezien of de voorlichting over procedures inzake de afhandeling van meldingen van vermiste personen alsnog in de opleiding basispolitiezorg kan worden opgenomen.

In overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en met het LSOP is inmiddels besloten dat de voorlichting over de genoemde procedures vanaf het eerste kwartaal van het jaar 2000 een vast onderdeel zal uitmaken van de opleiding basispolitiezorg. Momenteel wordt daarvoor het onderwijsmateriaal ontwikkeld.

4. De mogelijkheden nagaan om de bestaande Web-site op Internet waarop foto's van vermiste minderjarigen onder de achttien jaar kunnen worden geplaatst uit te breiden met de mogelijkheid foto's van vermiste meerderjarigen op Internet te plaatsen.

De plaatsing van de foto van een vermiste meerderjaringe op Internet zonder diens uitdrukkelijke toestemming behoort in beginsel tot de mogelijkheden, maar daarbij moeten wel bepaalde zorgvuldigheidseisen en procedures in acht worden genomen. Van belang is onder meer zoveel mogelijk te voorkomen dat foto's worden geplaatst van vermisten die niet wensen te worden opgespoord. De werkgroep Vermiste personen ontwikkelt momenteel een voorstel voor de te stellen zorgvuldigheidseisen en procedures.

5. De Tweede Kamer informeren over het onderzoek van de Rijksuniversiteit Utrecht op het gebied van vermiste personen ten behoeve van de politionele opsporing.

In feite gaat het hierbij om twee onderzoeken. Omdat het van belang is zo snel mogelijk na aangifte vast te stellen wat de vermoedelijke oorzaak van vermissing is richt één onderzoek zich op de vraag welke kenmerken aanwijzingen leveren voor de aard van de vermissing (weglopen, zelfdoding, misdrijf, etc). Een tweede onderzoek betreft de vraag waar in geval van zelfdoding of ongeluk zoekacties de meeste kans van slagen hebben. Het ziet er naar uit dat in een aantal gevallen, gegeven bepaalde omstandigheden, een redelijk nauwkeurige schatting gemaakt kan worden van waar de vermiste gevonden kan worden. Gevallen van langdurige vermissing worden verzameld en geanalyseerd om na te gaan waarom deze mensen verdwijnen en waar ze terug gevonden worden. Daarnaast wordt onderzoek uitgevoerd naar het zwerfgedrag van demente personen. Deze personen lopen een ernstig risico om na vermissing door uitputting om het leven te komen. Daarom is het van belang deze vermisten snel terug te vinden. Deze onderzoeken worden komend voorjaar afgerond en de resultaten worden verwerkt in het in 2000 te verschijnen «Handboek Vermiste Personen». Dit handboek is een herziene versie van het in 1996 onder de politie verspreide CRI themaboek «Vermiste Personen; registratie en opsporing».

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals