Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200026800-VI nr. 40

26 800 VI
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangesten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2000

nr. 40
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 2 november 1999

Inleiding

Op 4 juni en op 18 september van dit jaar heb ik u gemeld welk gevolg er is gegeven aan de toezegging die ik u op 23 november 1998 deed om de bestuurlijke informatie op het terrein Jeugd te verbeteren. Ik heb u gemeld dat er een programma (Verbetering Bestuurlijke Informatievoorziening Jeugd, BIV-jeugd) in het leven is geroepen, waarbinnen projecten ter hand worden genomen. Het eerste project, het project Verantwoordingsinformatie Jeugd en Geweld (VI-JG), zo meldde ik u op 4 juni, betreft de intensiveringsgelden uit het regeerakkoord. Het gaat daarbij om een bedrag dat oploopt van ruim 16 miljoen in 1999 tot ruim 75 miljoen in 2002. Vanaf 2000 is voor de aanpak van de jeugdcriminaliteit en voor Justitie in de Buurt bovenop de hier genoemde bedragen 20 miljoen per jaar beschikbaar.

De keuze voor juist dit onderwerp, de intensiveringsgelden, is niet toevallig. Het gaat in essentie om de vragen die de Werkgroep Van Zijl heeft geformuleerd (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998 1999, 26 347, nr. 2, pag. 6):

– Aan welke maatregelen worden de uitgetrokken middelen op dit gebied besteed?

– Welke resultaten zijn daarmee bereikt?

– Hoeveel jongeren maken gebruik van de betrokken voorziening c.q. welk deel van de harde-kern jongeren wordt daarmee bereikt?

Ook in het antwoord op de vragen in de motie van het lid Kalsbeek-Jasperse c.s. (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998 1999, 25 600 VI, nr. 67) wordt ingegaan op het onderwerp verantwoordingsinformatie.

In juli 1999 bereikten mij naar aanleiding van de brief van 4 juni 28 vragen van de vaste commissie voor Justitie. Deze vragen zijn op 18 september beantwoord en hadden zowel betrekking op de elf projecten die vanuit de intensiveringsgelden worden gefinancierd als op het project VI-JG. Over VI-JG werd toegezegd u in november 1999 te informeren over de manier (de vorm en de inhoud) waarop ik u met ingang van het jaar 2000 jaarlijks de verantwoordingsinformatie doe toekomen. Dit tijdstip (mei 2000) is gekoppeld aan het traject «Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording».

Er is bij deze brief een voorbeeld bijgevoegd over besteding van de intensiveringsgelden bij de Raad voor de Kinderbescherming. Eind van deze maand zal ik komen met dergelijke informatie over de andere projecten die uit de intensiveringsgelden Jeugd en Geweld worden gefinancierd.

Tevens wil ik u nu informeren over de stand van zaken in de verdere ontwikkeling van het programma BIV-jeugd.

Verantwoording Intensiveringsgelden Jeugd en Geweld

De Werkgroep van Zijl heeft in de vragen aan Justitie de nadruk gelegd op de verbinding tussen de doelstellingen die worden beoogd, de middelen die hiervoor worden ingezet, de inspanningen die worden verricht en de resultaten die worden geboekt. Hoewel een dergelijke gedachtegang natuurlijk opgaat voor het overgrote deel van het projectmatige en reguliere werk, is besloten om de concretisering toe te spitsen op de intensiveringsgelden Jeugd en Geweld. Deze middelen worden besteed aan elf verschillende projecten en activiteiten. In hoofdlijnen gaat het daarbij om verlichten van problematiek (doorlooptijden, wachttijden) in de justitieorganisaties, om het ontwikkelen van nieuwe instrumenten om het hoofd te kunnen bieden aan de groei van de jeugdcriminaliteit en om nieuwe preventiemethoden.

Binnen het traject om te komen tot een andere opzet van de begrotingen, het traject Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording, heeft het project VI-JG de status van «voorhoedeproject» gekregen. Dit houdt in dat de resultaten van het project, en met name de manier waarop verantwoording wordt afgelegd, ook van betekenis zijn voor de verantwoording over een veel breder beleidsterrein dan het jeugdbeleid.

Naast de Jeugd en Geweld projecten, wordt er door het VI-JG projectteam ook een aantal projecten en activiteiten uit het Van Montfransprogramma volgens dezelfde methodiek beschreven.

Er zijn tussen mei 1999 en oktober 1999 gestandaardiseerde rapportageformats ontwikkeld, die zullen worden gebruikt om betrokkenen binnen en buiten het departement te informeren. Voor zover mogelijk zijn deze nu gevuld met de uit de projecten afkomstige informatie. De periode december 1999 tot en met maart 2000 zal worden besteed aan het vullen van de rapportageformats met de realisatiegegevens over het jaar 1999.

Hieronder treft u een tabel aan waarin is weergegeven welke informatie wordt verzameld en wat onder de hier gehanteerde begrippen wordt verstaan. Het is een generiek format, het kan en zal naar behoefte op onderdelen worden aangepast.

Programma/projectNaam
OmschrijvingEen inleidend gedeelte over het project (eventueel puntsgewijs). Wie of wat is het?
 Waaraan is het geld beschikbaar gesteld en welk resultaat wil men bereiken?
AanleidingWat heeft ertoe geleid dat men besloten heeft om actie te ondernemen, wat is de prikkel geweest die tot actie heeft geleid?
Algemeen doelWaarom wordt het project uitgevoerd? Welk effect wordt beoogd; het gaat hierbij om beoogde effecten in relatie tot de problematiek.
Resultaat doelDe concrete resultaten die men in de komende periode (korte en lange termijn; voor zover bekend) wil gaan behalen. Resultaten moeten zo mogelijk «SMART» worden geformuleerd: specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdsgebonden. Voor zover mogelijk geformuleerd in de vorm van proces- of prestatie-indicatoren.
VerantwoordelijkheidsverdelingHoe zit de projectorganisatie in elkaar? Wie is verantwoordelijk voor het resultaat? Wie is de Opdrachtgever, de Projectleider?
Start datumStartdatum van project.
Beoogde einddatumEinddatum Waar mogelijk: hoe loopt het project verder na de einddatum: wordt het een vaste activiteit; was het iets eenmaligs; hoe wordt het opgenomen in de staande organisatie?
StatusStand van zaken op de aangegeven datum (aangeven in uitputting budget, fase project et cetera).
Budget (R.A.)Het beschikbaar gestelde budget uitgesplitst over de vier jaar
Afspraken over bestedingWaaraan wordt het geld in de komende jaren uitgegeven? Specificatie per jaar van de te ondernemen activiteiten.
Afspraken over verantwoordingWelke verantwoordingsmomenten zijn er? En op welke manier komt het project ter sprake op deze momenten?
ResultaatmetingHoe wordt het resultaat gemeten? Door wie wordt gemeten? Op welk moment wordt gemeten? Wat gaat gemeten worden en wat gaat niet gemeten worden? Hoe wordt het resultaat uiteindelijk gerapporteerd?
EffectmetingVindt er een beleidsevaluatie plaats?
(doelbereiking)Vindt er een duidelijke terugkoppeling op het algemeen doel plaats? Met andere woorden: is het effect bereikt dat je wilde bereiken? Zijn er positieve of negatieve neveneffecten opgetreden?
Efficiëntiemeting(doelmatigheid) Welk waarborg is er dat de resultaten op een kosteneffectieve manier bereikt zijn?
Resultaten (over het voorafgaande jaar)Afhankelijk van de aard van het project, de resultaten, afgezet tegen de resultaatdoelen. De middelen die werkelijk zijn besteed.

In een bijlage bij deze brief treft u, vooruitlopend op de rapportage in mei 2000, de informatie aan die tot op heden beschikbaar is over één van de projecten/activiteiten die gefinancierd wordt uit de Intensiveringsgelden Jeugd en Geweld. Het moge duidelijk zijn dat realisatiecijfers over 1999 op dit moment nog niet voorhanden zijn. In de rapportage van mei 2000 zullen wel realisatiecijfers worden opgenomen.

Dergelijke informatie als in het voorbeeld over alle projecten zal u voor eind november worden toegezonden, waarbij de nadruk zal liggen op informatie over doelen, middelen en resultaten.

Over één van de projecten kan vooralsnog niet volgens het format worden gerapporteerd. Het gaat daarbij om het onderwerp Wachtlijsten Jeugdzorg. In de brief van september (het antwoord op de vragen 10 en 11) heb ik u gemeld dat er over de wachtlijsten nog geen meerjarenafspraken zijn gemaakt. Tevens meldde ik u dat de beschikbare middelen (3,3 miljoen, prijspeil 1998) zullen worden ingezet om het relatieve gebrek aan voorzieningen in de provincie Flevoland te verminderen. Inmiddels is met de Provincie Flevoland overeenstemming bereikt over de besteding van het bedrag:

– Uitbreiding dagbehandeling jonge kinderen met 24 plaatsen, met ingang van oktober 1999.

– Uitbreiding van de leefgroep voor kinderen van 8 tot 14 jaar met 8 plaatsen, ingaande oktober 1999.

– Uitbreiding «Families First» met 40 gezinnen, ingaande juli 1999.

– Uitbreiding pleegzorg met 60 plaatsen (17 met ingang van januari 1999, 43 met ingang van juli 1999).

– Aanpassingen in de huisvesting en noodverbanden. Over de concrete invulling hiervan vindt nog nader overleg plaats.

In de rapportage van mei 2000 zullen realisatiecijfers worden opgenomen.

Stand van zaken in het programma BIV-jeugd

Het doel van het programma BIV-jeugd is verbetering te brengen in de kwantiteit en kwaliteit van de bestuurlijke informatievoorziening op het terrein jeugd. Er is gekozen voor een aanpak waarin verschillende projecten worden uitgevoerd die op deelterreinen tot concrete verbeteringen leiden. Dit heeft voordelen voor de beheersbaarheid van projecten en biedt ook de mogelijkheid om relatief snel te reageren op actuele kwesties. Twee projecten zijn actueel.

Er zal een project worden gestart dat tot doel heeft de levering van gegevens op gang te brengen uit de betrokken Justitieorganisaties (de Gezinsvoogdijinstellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en de Justitiële Jeugdinrichtingen) aan het Centraal Informatiepunt Jeugdzorg (het CIJ). De CIJ-informatie heeft enerzijds betrekking op de Planning en Control informatie van de bij de jeugdzorg betrokken organisaties en heeft anderzijds betrekking op informatie die ontstaat door gegevens over de individuele minderjarigen met elkaar in verband te brengen. Het CIJ zal een grote rol spelen in de beleidsverantwoording over de jeugdzorg. De totstandkoming van het CIJ, onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Ministerie van VWS en het Ministerie van Justitie blijkt in de laatste fase tegen een aantal juridische, organisatorische en infrastructurele problemen aan te lopen. In het bijzonder zullen de gevolgen van de privacywetgeving voor het inrichten van een databank met onder andere persoonsgegevens goed onderzocht moeten worden. Daarnaast zijn de administratieve organisatie voor het registreren van de gegevens en hiervoor benodigde aanpassingen van de geautomatiseerde systemen een onderwerp van dit project.

Op basis van een startnotitie wordt een plan van aanpak opgesteld dat ertoe moet leiden dat in januari 2000 een project gestart kan worden teneinde de levering van gegevens in de tweede helft van 2000 op gang te brengen.

In het verschiet ligt voorts een project dat zich zal gaan bezighouden met de problemen rond de informatievoorziening bij Halt-Nederland. In het voorjaar van 2000 zal een «quick-scan» worden uitgevoerd. Afhankelijk van de resultaten daarvan wordt besloten hoe een en ander verder wordt aangepakt.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

VI-JB Versnelling Civiele Zaken

Programma/projectVersnelling civiele zaken
OmschrijvingDe Raad voor de Kinderbescherming adviseert o.a. in civiele zaken: – Beschermingszaken – Scheiding- en omgangszaken – Overige civiele zaken Er is in het regeerakkoord geld ter beschikking gesteld voor de verkorting van de doorlooptijden en reductie van de wachtstapels van civiele zaken bij de Raad voor de Kinderbescherming. Dit houdt in dat extra capaciteit wordt ingezet.
AanleidingEr werd door de Raad niet aan de afgesproken normen voldaan. De Raad had hier zelf al acties op ondernomen, zoals procesverbeteringen. Omdat dit onvoldoende effect sorteerde is besloten om extra geld beschikbaar te stellen om de afhandeling van civiele zaken te versnellen.
Algemeen doelHet belangrijkste doel van het versnellen van de civiele zaken is dat getracht wordt om in het belang van het kind zo snel mogeijk tot een adequate reactie te komen op gesignaleerde probleem. Het neveneffect is dat met de versnelling van civiele zaken er tegelijkertijd een kwaliteitsverbetering wordt bereikt.
Resultaat doelHet aannemen van extra Raadsmedewerkers om zo meer zaken sneller te kunnen afhandelen. Dit moet leiden tot een verlaging van de doorlooptijden en een verkleining van de wachtstapels. De Raad heeft zich in haar jaarplan 1999 ten doel gesteld om per 31 december 1999 de wachtstapels ten opzichte van het niveau op 30 juni 1998 te halveren. Op 30 juni 1998 was de wachtstapel voor Beschermingszaken 763 zaken, dit moet op 31 december 1999 380 zaken zijn. Op 30 juni 1998 was de wachtstapel voor S&O-zaken 610 zaken, dit moet op 31 december 1999 310 zaken zijn. Op 30 juni 1998 was de wachtstapel voor overige civiele zaken 474 zaken, dit moet op 31 december 1999 240 zaken zijn.Overeenkomstig de bestaande kwaliteitscriteria (multi-disciplinair werken) bestaat er een vaste verhouding tussen uitvoerende medewerkers en andere raadsmedewerkers, zoals interne gedragsdeskundigen, unitmanagers, praktijkleiders en administratief medewerkers.
 Met de Raad worden nog nadere afspraken gemaakt over de vertaling van inzet extra personeel naar aantallen zaken.
 Jaar: 1999200020012002
 Aantal fte's11233350
VerantwoordelijkheidsverdelingDe uitvoering van civiele zaken en dus ook de versnelling daarvan is de verantwoordelijkheid van de Raad voor de Kinderbescherming. De sturing van de van de RvK gebeurt per 1 januari 2000 rechtstreeks door de directeur-generaal Preventie Jeugd en Sancties. De DG wordt geadviseerd door de centrale beheersstaven voor wat betreft de bedrijfsvoering en door de Directie PJS over beleidszaken. De Raad krijgt zelf de beschikking over het budget. Er zijn managementafspraken gemaakt met de Raad over het aantal zaken dat hij moet afhandelen voor een bepaald budget. Met de Raad is overeenstemming bereikt dat hij voor het extra geld meer en sneller civiele zaken afhandelt.
Start datumDe Raad had zelf al actie ondernomen, maar de impuls voor meer fte's dateert van het begin van het Regeerakkoord. Het geld is per 1 januari 1999 vrijgekomen. Vanaf dat moment was het mogelijk om extra fte's aan te nemen. 1 Januari 1999 is derhalve de startdatum, maar werving selectie en de interne bedrijfsopleiding betekenen wel dat de productie door nieuwe medewerkers met een vertraging van ongeveer een half jaar op gang komt.
Beoogde einddatumHet betreft een structurele verhoging van de productie.
StatusPer 31 augustus is er gerapporteerd over de doorlooptijden. Voor de civiele zaken bleken de gemiddelde doorlooptijden onder de gestelde normen te liggen. Gekeken naar het totaal aantal zaken dat een langere doorlooptijd had dan de gestelde norm blijkt dat meer dan 50% van de zaken een langere doorlooptijd heeft dan de gestelde norm. In de loop van dit jaar is gebleken dat de instroom van civiele zaken aan het dalen is. Dit wordt ook in het jaar 2000 verwacht.
Budget (R.A.)1999200020012002
 1,1 mln.2,3 mln.3,3 mln.5,0 mln.
Afspraken over bestedingEr zijn afspraken gemaakt tussen DPJS en de Raad om in eerste instantie het extra vrijgekomen geld te gebruiken voor de versnelling van de civiele zaken. In de procesbeschrijvingen van de diverse civiele zaken zijn normen gesteld met betrekking tot doorlooptijden. Voor 1999 wordt het extra geld gebruikt om deze normen te halen. Als dit gelukt is, zal in de volgende jaren het budget gebruikt worden voor kwaliteitverbeteringen en realisering van daarvoor benodigde randvoorwaarden. Hierover worden begin 2000 afspraken gemaakt met DPJS, nadat de prestatiegetallen over het eerste jaar bekend zijn.