﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26726-4/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1999-2000</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.1__2.4" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST41217</ordernr>
    <vergjaar>1999-2000</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 726</nummer>
      <naam>Wijziging van de Werkloosheidswet in verband met wijziging van de instroom
in de wachtgeldfondsen alsmede enkele andere wijzigingen in de Werkloosheidswet</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>4</nummer>
      <titel>VERSLAG</titel>
      <datum>Vastgesteld 18 oktober 1999</datum>
      <al>De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref>, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet,
heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de
hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen genoegzaam zullen zijn beantwoord,
acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid. </al>
      <tuskop letat="vet">ALGEMEEN </tuskop>
      <tuskop letat="vet">1. Vervallen van eis dat 26 weken in dezelfde sector gewerkt
moet zijn om de eerste zes maanden van de WW-uitkering ten laste van het wachtgeldfonds
te brengen</tuskop>
      <al>De leden van de fracties van PvdA, VVD, CDA, D66, RPF en GPV hebben met
belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de PvdA-fractie lezen dat een deel van de rechtstreekse instroom
in het Algemene Werkloosheidsfonds (Awf) te verklaren is door zogenaamde herlevingsgevallen.
Welke deel is dat, uitgedrukt in een percentage van de totale instroom in
ontslagwerkloosheid?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de VVD-fractie delen de mening van de regering dat prikkels
een uitstekend instrument zijn ter voorkomen van onnodig beroep op ons sociale
zekerheidsstelsel. In dat kader kunnen deze leden begrip opbrengen voor de
gedachte van de regering dat het verlengen van de wachtgeldperiode naar 6
maanden per 1 januari 1998 ter stimulering van het terugdringen van kortdurende
werkloosheid, lijkt te worden ondergraven doordat een groot gedeelte van de
instroom in de Werkloosheidswet (WW) direct ten laste van het Awf wordt gebracht.
Deze leden begrijpen dat dit vooral komt doordat slechts dan uitkeringen ten
laste van het wachtgeldfonds kunnen worden gebracht indien een werknemer 26
weken in dezelfde sector heeft gewerkt.</al>
      <al>De regering spreekt over «afwenteling van kosten naar het Awf»
in de huidige situatie. Deze leden vragen of dit een vermoeden is dan wel
dat zij feitelijke gegevens heeft waaruit blijkt dat in de huidige situatie
daadwer-kelijk sprake is van afwenteling, hetgeen bijvoorbeeld
zou blijken uit het wisselen van sector kort voor de periode van 26 weken
is beëindigd en kort voor een beroep op de WW wordt gedaan. Zijn hierover
gegevens voorhanden? In welke mate was hier ook al sprake van toen wachtgeldperiode
nog 13 weken bedroeg? In welke sectoren komt wisseling (voor het einde van
de 26-weeksperiode) het meest frequent voor? De leden van de VVD-fractie begrijpen
dat ook de sectoroverschrijdende mobiliteit is toegenomen waardoor directe
financiering door het Awf ook is toegenomen. Zij vragen de regering wel aan
te geven waarom zij, in tegenstelling tot het verleden, het nu wel terecht
vindt dat bedrijfstakken/sectoren moeten opdraaien voor de kosten van ontslag
van een werknemer die pas kort in de bedrijfstak/sector werkzaam is.</al>
      <al>Hoewel de aan het woord zijnde leden de grondgedachte van de regering
in beginsel sympathiek vinden – meer prikkels en minder afwenteling
van kosten van (kortdurende) werkloosheid – wensen zij hun hierover
gestelde vragen eerst beantwoord te zien alvorens te kunnen bepalen of zij
met het regeringsvoorstel kunnen instemmen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie zijn het eens met de nadruk die gelegd wordt
op het voorkomen van instroom. Preventie is de beste weg om het beroep op
WW te verminderen. Inmiddels zijn er enkele maatregelen genomen om de uitstroom
te bevorderen, zoals de Wet experimenten WW. Dit is echter het eerste voorstel
van de regering gericht op beperking van de instroom in de WW. De leden van
de CDA-fractie herinneren aan de brief van de staatssecretaris Hoogervorst
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d.18 januari 1999, waarin een pakket
aan maatregelen gepresenteerd werd. De nu voorgestelde wijziging met betrekking
tot. de wachtgeldfondsen maakte daar geen onderdeel van uit. Wat is de achtergrond
daarvan, zo vragen deze leden.</al>
      <al>Tevens vragen zij naar de evaluatie van de verlenging van de wachtgeldperiode
van 13 weken naar 6 maanden. In de voornoemde brief worden wel enkele andere
maatregelen genoemd. Zo worden genoemd de mogelijkheden van premiedifferentiatie,
versterking van de poortwachterfunctie en het toekennen van meer gewicht aan
het feitelijk arbeidsverleden voor de bepaling van duur van de WW-uitkering.
Worden deze maatregelen nog steeds overwogen, zo vragen de aan het woord zijnde
leden. De leden van de CDA-fractie vinden vooral een verkenning naar de mogelijkheden
van premiedifferentiatie binnen een sector om de kortdurende werkloosheid
te beperken relevant. Zij vragen daarom of het niet logischer is voorstellen
met betrekking tot beperking van de WW-instroom in samenhang te bezien als
ook de evaluatie van de verlenging van de wachtgeldperiode beschikbaar is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de D66-fractie vinden het wenselijk dat jaarlijks het gedeelte
van de instroom in de werkloosheid dat onmiddellijk ten laste wordt gebracht
van het AWf verminderd. De lasten moeten volgens hen daar kunnen worden neergelegd
waar ze veroorzaakt worden. Zij zien het als een stimulans voor werkgevers
om op sectorniveau de kortdurende werkloosheid terug te dringen. Daarom hebben
zij destijds ingestemd met de verlenging van de wachtgeldperiode van 13 weken
naar 6 maanden. Daarmee komen de over de eerste zes maanden van werkloosheid
te betalen WW-uitkeringen ten laste van de wachtgeldfondsen en is een deel
van de werkloosheidslasten van het AWf naar de sectorale wachtgeldfondsen
verschoven. De leden achten het niet wenselijk dat het effect van deze maatregel
wordt ondergraven en steunen daarom de onderhavige wetswijziging om het mogelijk
te maken dat een wachtgeldfonds wordt belast met de uitkeringslasten van een
werknemer die nog maar kort in de sector werkzaam is. Deze leden vinden het
niet langer vanzelfsprekend dat deze lasten door het AWf moeten worden gedragen.
Zij vinden het goed verdedigbaar om de sector waar de ontslagbeslissing valt
te confronteren met de kosten daarvan, ook als de desbetreffende
werknemer nog geen 6 maanden in die sector heeft gewerkt. Zijn er nog andere
maatregelen in voorbereiding om het beroep op het AWf terug te dringen? Worden
bijvoorbeeld de zogenaamde herlevingsgevallen hierbij betrokken, zo vragen
de leden van de D66-fractie?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fracties van RPF en GPV stellen dat het belangrijkste
onderdeel van het wetsvoorstel zonder twijfel is het laten vervallen van de
eis dat 26 weken in dezelfde sector gewerkt moet zijn om de eerste zes maanden
van de WW-uitkering ten laste van het wachtgeldfonds te brengen. Deze leden
hebben begrip voor de argumentatie die de regering hierbij hanteert. Zij onderschrijven
het uitgangspunt dat, indien mogelijk, de lasten daar neergelegd kunnen worden
waar ze veroorzaakt worden. In dit stadium zijn zij er nog niet van overtuigd
dat de beoogde wijziging zondermeer zal leiden tot een rechtvaardiger verdeling
van de lasten.</al>
      <al>Het is de leden van de fracties van RPF en GPV niet duidelijk in welke
mate de door de regering genoemde aanleiding heeft bijgedragen aan de totstandkoming
van dit wetsvoorstel. Kan worden aangegeven hoe vaak de afgelopen jaren sprake
is geweest van herlevingsgevallen en hoe vaak op grond van artikel 90, eerste
lid, onderdeel a, WW (uitkering alleen ten laste van wachtgeldfonds als de
werknemer 26 weken in dezelfde sector heeft gewerkt), een beroep is gedaan
op het AWf in relatie tot het totale beroep op dat fonds? Wat dat laatste
betreft vragen zij zich af hoe zij de opmerking dat het om relatief weinig
gevallen ging, moeten plaatsen. </al>
      <tuskop letat="vet">2. Wijziging van de bevoegdheid tot vrijstelling van de
verplichtingen gericht op arbeidsinpassing</tuskop>
      <al>Bij wie rustte de bevoegdheid voor de vaststelling van de IOSV 1997, zo
vragen de leden van de PvdA-fractie. Heeft het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) sinds het deze bevoegdheid heeft, daarvan gebruik gemaakt?
Zo ja, hoe vaak en op wat voor manier? Zo nee, is de mogelijkheid wel besproken
in het Lisv-bestuur en/of in overleg met de minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid? Op welke manier wil de regering na het overdragen van de
bevoegdheden op korte termijn daarvan gebruik maken?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering voorstelt de bevoegdheid
van het Lisv om werknemers vrij te stellen van een aantal verplichtingen gericht
op arbeidsinpassing over te laten gaan naar de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid. Deze leden delen de mening van de regering dat zulk een
belangrijk activeringsinstrument de techniek verre van overstijgt en daarom
niet bij een zelfstandig bestuursorgaan als het Lisv thuishoort maar bij de
minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Zoals de regering terecht aangeeft,
is dit mede relevant gelet op de toekomstige invoering van de sollicitatieplicht
voor mensen van 57,5 jaar en ouder. Wanneer denkt de regering overigens dat
zulks feitelijk zijn beslag zal krijgen als gekeken wordt naar de kansen van
ouderen op de arbeidsmarkt in de huidige situatie van krapte, de komende introductie
van een wettelijk discriminatieverbod op leeftijd bij sollicitaties en het
groeiende besef van het belang van een leeftijdsbewust personeelsbeleid bij
sociale partners die thans aan een SER-advies mede over een verhoogde ouderenparticipatie
werken? Deze leden zouden dit advies vergezeld van een regeringsstandpunt
ter zake, mede in het licht van de discussie over de sollicitatieplicht voor
ouderen, ruim voor de begrotingsbehandeling van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid tegemoet willen zien en vragen de regering dit klip
en klaar te bevestigen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie nemen met instemming kennis van de voorgestelde
wijziging van de bevoegdheid tot vrijstelling van verplichtingen
gericht op arbeidsinspanning. Onder welke voorwaarden wil de regering overgaan
tot een sollicitatieplicht voor mensen ouder dan 57,5 jaar, zo vragen deze
leden. En onderschrijft de regering de stelling dat op dit moment de arbeidsmarktkansen
van deze groep te laag is om hiertoe over te gaan? De leden van de CDA-fractie
vragen verder op welke wijze de minister van zijn bevoegdheid gebruik zal
maken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de D66-fractie achten de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing
belangrijke instrumenten in het beleid gericht op activering en bij het bevorderen
van de uitstroom uit de WW. Om die reden vinden deze leden het verstandig
dat de bevoegdheid tot vrijstelling van deze verplichtingen overgaat naar
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De vraag van vrijstelling
van de sollicitatieverplichting, van vrijstelling van de verplichting een
aanbod van passende arbeid te aanvaarden en van vrijstelling van de verplichting
mee te werken aan een noodzakelijke scholing, zijn essentieel in het kader
van de reïntegratie van werklozen. Naar de mening van deze leden kan
de minister met deze bevoegdheid een betere stimulans geven aan bepaalde groepen
werklozen die veel moeite hebben met het vinden van een nieuwe baan. Deze
leden vragen zich af of naast de arbeidsmarktpositie van ouderen, ook gedacht
wordt aan de verbetering van deze positie van allochtonen. </al>
      <tuskop letat="vet">3. Financiële effecten</tuskop>
      <al>De leden van de PvdA-fractie vragen of het percentage van 11%, zoals genoemd
op blz. 3 van de memorie van toelichting, een deel herlevingsgevallen bevat
en zo ja, welk deel?</al>
      <al>Tevens vragen zij op grond waarvan een besparing van 20 miljoen wordt
verondersteld? Hoe kan een individuele werkgever zijn ontslaggedrag in zo'n
korte tijd wijzigen als gevolg van een sectorale premie die met een behoorlijke
vertraging doorwerkt?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de VVD-fractie begrijpen dat het wetsvoorstel door de stimulans
voor werkgevers tot een verminderde instroom van de ontslagwerkloosheid zal
leiden waardoor een besparing van f 20 mln. zal kunnen worden gerealiseerd.
Deze leden willen graag inzicht krijgen in de wijze van berekening van dit
bedrag. Zij vragen de regering naast de genoemde daling van de Awf-premie,
ook aan te geven in welke mate verwacht wordt dat de wachtgeldpremie zal stijgen,
zulks aangegeven per verschillende sector. Al met al zijn deze leden verheugd
over het feit dat een en ander per saldo tot een lastenvermindering zal leiden.</al>
      <al>Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie de regering waarom de wijziging
van artikel I, onderdeel T, onder 3, niet ook onder het algemene deel van
de memorie van toelichting is gebracht omdat dit net als de vrijstelling van
de verplichting gericht op arbeidsinpassing geen technische maar een beleidsmatige
wijziging behelst. Kan de regering aangeven, zo vragen deze leden, of de huidige
situatie tot onbeheersbaarheid van de subsidie-uitgaven heeft geleid dan wel
zal leiden. Zij kunnen het voorstel van de regering overigens ten principale
billijken maar zouden het wel graag meer uitgebreid gemotiveerd zien. Kan
concreet en overzichtelijk zowel kwalitatief als kwantitatief worden aangeven
welke wachtgeldfondsen welke subsidieplafonds kennen, waar en in hoeverre
er subsidieweigering heeft plaatsgevonden en wat het oordeel van de regering
daarover is?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen een nadere toelichting op de wijze
waarop de sectoren, zoals genoemd in de memorie van toelichting, die te maken
krijgen met stijging van wachtgeldpremies in staat zijn om de instroom ook
daadwerkelijk te beïnvloeden. Ook vragen zij om een nadere toelichting
op de verwachting dat de voorgestelde maatregel een voldoende
financiële prikkel geeft om ontslagbeslissingen op bedrijfsniveau te
beïnvloeden, daar de premie-effecten beperkt zijn.</al>
      <al>De leden van de CDA-fractie constateren dat in dit wetsvoorstel een relatie
gelegd wordt tussen de hoogte van de premie en het gedrag ten aanzien van
ontslag en instroom WW. Tevens constateren zij dat bij de vaststelling van
de AWf-premies voor 2000 naast de verwachting omtrent het aantal uitkeringen
en de fondspositie ook een «evenwichtige lastenontwikkeling» wordt
betrokken. De premies wordt boven lastendekkend niveau vastgesteld vanwege
dit laatste argument. Hoe verhoudt zich dit tot elkaar, zo vragen deze leden.
Wat is de achterliggende motivering om de premie op deze wijze vast te stellen?
Op welke wijze draagt dit bij aan een evenwichtige lastenontwikkeling?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten aanzien van de financiële effecten willen de leden van de fractie
van D66 weten met welk percentage de instroom in ontslagwerkloosheid, die
de wekeneis niet in één sector volmaakt, zal afnemen door de
voorgestelde wetswijziging. Verder willen zij weten waarop de veronderstelde
besparing van 20 miljoen is gebaseerd. Kan het zijn dat de premie voor het
AWf minder daalt dan dat de premie voor het wachtgeldfonds stijgt? In hoeverre
heeft deze maatregel dan negatieve gevolgen voor de economische bedrijvigheid?
Is de mogelijke kostenstijging voor met name het midden- en kleinbedrijf en
de sector gezondheidszorg wel verantwoord, zo vragen deze leden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fracties van RPF en GPV hebben geconstateerd dat de regering
rekent op een besparing van 20 miljoen als gevolg van verminderde instroom
in de ontslagwerkloosheid. Zij hebben de indruk dat deze verwachting nogal
optimistisch is en vraagt om een nadere onderbouwing. Is de conclusie gerechtvaardigd
dat de regering van oordeel is dat een aanzienlijk deel van de ontslagwerkloosheid
onnodig is en dus te voorkomen?</al>
      <al>De nu voorgestelde maatregel zal naar het oordeel van de leden van de
leden van de fracties van RPF en GPV neerkomen op de introductie van een vorm
van premiedifferentiatie op sectorniveau in de WW. Deze leden verzoeken de
regering meer duidelijkheid te geven over de gevolgen die de voorgestelde
maatregel zal hebben voor de verschillende sectoren. In de toelichting op
het wetsvoorstel worden de sectoren genoemd waarin de premie voor het wachtgeldfonds
naar verwachting het meest zal toenemen. De premie-effecten zullen gemiddeld
genomen beperkt kunnen zijn. Is uitgesloten dat de lasten voor werkgevers
hierdoor toch fors toenemen? Dit aspect blijft in de toelichting onderbelicht.
Bovendien wordt er geen rekening gehouden met het feit dat in elk van deze
sectoren geldt dat de «goeden» met de «kwaden» moeten
lijden. Dat is echter inherent verbonden aan de gekozen systematiek.</al>
      <al>Aansluitend vragen deze leden de regering in te gaan op de verwachte gedragseffecten
van de voorgestelde wijziging van het eerste lid van artikel 90. Hoe reëel
is het te verwachten dat de individuele werkgever zijn ontslagbeleid zal aanpassen,
als de premies in zijn sector marginaal zullen stijgen? In het licht daarvan
informeren deze leden naar de resultaten van premiedifferentiatie in de WAO,
zoals die tot nu toe bekend zijn. Bij de introductie daarvan werd gevraagd
naar de te verwachten gedragseffecten van de individuele werkgever. Zullen
gedragseffecten niet pas zijn te verwachten, als sprake is van substantiële
premiestijgingen? Verwacht de regering dat de voorgestelde wijziging van de
WW ertoe zal leiden dat binnen de sectoren afspraken zullen worden gemaakt
over het ontslagbeleid? In het verlengde hiervan vragen deze leden of de regering
eventuele verdergaande premiedifferentiatie in de WW in de nabije toekomst
wil uitsluiten.  </al>
      <tuskop letat="vet">ARTIKELEN </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Artikel I, onderdeel R, onder 1</tuskop>
      <al>De leden van de fracties van RPF en GPV informeren of uit de toelichting
op dit onderdeel moet worden afgeleid dat nu al vaststaat hoe hoog de premies
voor het AWf en voor alle wachtgeldfondsen per 1 januari 2000 zullen zijn,
als het wetsvoorstel wordt aangenomen?</al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
        <naam>Terpstra</naam>
        <functie>De griffier voor dit verslag,</functie>
        <naam>Nava </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel
(D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Rosenmöller (GL), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten
(CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD),
Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Visser-van Doorn
(CDA), De Wit (SP), Harrewijn (GL), Balkenende (CDA), Smits (PvdA), Verburg
(CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Örgü (VVD), Van der Staaij
(SGP), Santi (PvdA), Wilders (VVD).</al>
    <al>Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes
(D66), Hamer (PvdA), Van Gent (GL), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Kortram
(PvdA), Blok (VVD), Hofstra (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66),
Klein Molekamp (VVD), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Vendrik (GL), Mosterd
(CDA), Schoenmakers (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA), Wagenaar (PvdA), Middel
(PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA), De Vries (VVD).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>