﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26670-6/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2000-2001</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.6__3.1" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST54766</ordernr>
    <vergjaar>2000-2001</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 670</nummer>
      <naam>Grensoverschrijdende projecten</naam>
    </onderw>
    <onderw>
      <nummer>27 556</nummer>
      <naam>Internationale aspecten van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>6</nummer>
      <titel>VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG</titel>
      <datum>Vastgesteld 12 juli 2001</datum>
      <al>De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> heeft op 14 juni 2001 overleg gevoerd met staatssecretaris
G. M. de Vries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en staatssecretaris
Bos van Financiën over:</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">–</nadruk> de voortgangsrapportage Kabinetsstandpunt
grensoverschrijdende projecten (26 670, nr. 5);</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">–</nadruk> de nota inzake internationale aspecten
van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding (27 556, nr. 2);</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">–</nadruk> het rapport «Grensoverschrijdende
communicatie met België» (BZK-00–1056);</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">–</nadruk> verklaring over intensivering van
grensoverschrijdende samenwerking tussen Nederland en Noordrijn-Westfalen
(BZK-00-1085);</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">–</nadruk> verklaring van de regeringen van Nederland
en de Bondsrepubliek Duitsland met deelname van de regeringen van het land
Nedersaksen en het land Noordrijn-Westfalen inzake grensoverschrijdende bedrijventerreinen
(BZK-01-13).</al>
      <al>Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit. </al>
      <tuskop letat="vet">Vragen en opmerkingen uit de commissie</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">De Cloe</nadruk> (PvdA) constateert op grond
van de voorliggende stukken en het toenemende aantal reacties van regio's,
provincies, gemeenten etc. dat er de laatste maanden wat meer beweging komt
in de totstandkoming van de grensoverschrijdende samenwerking, hoewel het
einddoel nog niet in zicht is en realisering ervan nog de nodige inspanningen
zal blijven vergen. Nadat twee jaar geleden gepoogd is dit onderwerp volop
in beeld te brengen, is het in ieder geval verheugend te kunnen constateren
dat dit nu volop in discussie is. In dit verband kan onder andere gerefereerd
worden aan de inmiddels door Nederland gesloten overeenkomsten met de Länder
Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen en aan de verklaring van de regering van
Nederland en de Bondsrepubliek met deelname van de regeringen van beide genoemde
Länder, ook wel het Memorandum van Aken genoemd. In feite zijn deze resultanten,
waaronder de vorming van paritaire commissies, een praktische tussenstap,
in de zin dat vanwege het Verdrag van Anholt Nederland en de Bondsrepubliek
nog niet echt aan de slag kunnen met de publiekrechtelijke vormgeving, hetgeen
in de praktische zin nog beperkingen met zich brengt. Wanneer zal naar de
inschatting van beide bewindslieden overigens bedoelde aanpassing van het
Verdrag van Anholt een feit zijn? Zijn de werkgroepen die gevormd zijn in
Coevorden en Heerlen inmiddels in staat om de overige betrokken departementen
voldoende te betrekken bij het overleg?</al>
      <al>Vervolgens is de heer De Cloe benieuwd te vernemen of het in de voortgangsrapportage
kabinetsstandpunt grensoverschrijdende projecten d.d. 30 januari 2001
(26 670, nr. 5) vermelde voornemen inzake het in maart 2001 van start
doen gaan van het grensinfopunt, tot uitvoering is gebracht. Zijn, gelet op
het feit dat het hier een initiatief betreft dat zich niet alleen op Limburg
maar op het gehele Nederlandse grensgebied richt, de overige grensregio's
al actief benaderd om te participeren? Bij brief van 8 juni jl. maakt de provincie
Limburg melding van praktische en inhoudelijke tegenslagen rondom de realisatie
van het grensinfopunt en doet op grond daarvan de suggestie om beoogd infopunt
op enigerlei wijze onder te brengen bij het steunpunt grensstreek van de belastingdienst
in Heerlen. Gelet op de geconstateerde perikelen tot nu toe is ook de heer
De Cloe er voorstander van om alle desbetreffende taken op het gebied van
de informatieverstrekking en kennisontwikkeling ten aanzien van grensoverschrijdende
projecten die oorspronkelijk toebedeeld zijn aan het grensinfopunt, onder
te brengen bij dat steunpunt. Tevens zou dan bezien kunnen worden in hoeverre
het departement van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daarbij een rol kan spelen
in verband met aspecten van sociale zekerheid.</al>
      <al>Waar ook in de overeenkomsten met Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen nadrukkelijk
wordt verwezen naar de euregio's, mag ervan worden uitgegaan dat die nog niet
van tafel zijn. Het is dan ook van belang dat er meer zicht komt op de positie
van de euregio's binnen de grensoverschrijdende samenwerking.</al>
      <al>Vervolgens is de heer De Cloe benieuwd te vernemen in hoeverre, uiteraard
met inachtneming van de Wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs, de
Open Universiteit in Heerlen mogelijkheden heeft om grensoverschrijdend te
opereren.</al>
      <al>Met betrekking tot de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied
van de bestrijding van rampen en ongevallen is met name het onderdeel van
de communicatie een punt van zorg, hetgeen ook moge blijken uit de recente
ervaringen met de brand in Hazeldonk. Er is geen grens zichtbaar maar wel
merkbaar op het moment dat er zich een ongeval of een ramp voordoet. Wat is
de reactie van de bewindslieden hierop?</al>
      <al>In het recente schrijven van het kabinet inzake Baarle-Nassau wordt melding
gemaakt van een evaluatie die GS van Noord-Brabant onlangs hebben doen toekomen
aan het ministerie van BZK, maar er wordt niet aangegeven wat die evaluatie
heeft opgeleverd. Waar uit eerdere signalen al is gebleken van terugtrekkende
bewegingen van de provincie waar het gaat om de financiering van de support
aan Baarle-Nassau, roept dit de vraag op of uit genoemde evaluatie naar voren
komt dat de provincie zich nog verder gaat terugtrekken. Zo dat laatste het
geval is, roept de heer De Cloe de staatssecretaris van BZK op om bij de provincie
met klem te wijzen op het belang van bevordering van de grensoverschrijdende
samenwerking in Baarle-Nassau en om tevens zijn Belgische collega nog eens
te doordringen van dat belang.</al>
      <al>In een recente uitgave van de VNG pleit de staatssecretaris van BZK voor
experimenten wat betreft grensoverschrijdende samenwerking. Deze uitspraak
is des te opvallender waar hij bij aanvang van deze kabinetsperiode in reactie
op een kamerbrede suggestie om te komen tot dergelijke experimenten, die suggestie
van de hand wees, onder het argument dat experimenten net zoveel tijd kosten
als het veranderen van wetgeving. Wat is de reden van deze omslag in denken
van de staatssecretaris? </al>
      <al>Uit signalen van de regio Oost-Nederland komt naar voren dat een aantal
projecten van grensoverschrijdende samenwerking die deel uitmaken van het
desbetreffende regioconvenant nog niet echt goed van de grond komen. Zijn
de bewindslieden bereid te bevorderen dat dit alsnog gaat gebeuren?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook de heer <nadruk type="vet">Weekers</nadruk> (VVD) kan zich niet aan
de indruk onttrekken dat er voortgang lijkt te komen met betrekking tot de
grensoverschrijdende projecten en de grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking.
Daarnaast blijkt uit de voorliggende rapportages dat er op een groot aantal
punten gehoor is gegeven aan de vragen die door de Kamer tijdens voorgaande
overleggen over dit onderwerp naar voren zijn gebracht.</al>
      <al>Aangaande het memorandum van Aken is het de heer Weekers nog niet duidelijk
of in de uitwerking van het daarin opgenomen vijfpuntenplan concreet gewerkt
wordt aan een verdrag om de regelgeving zodanig te versoepelen dat Duitse
ondernemingen zich binnen het kader van grensoverschrijdende bedrijventerreinen
kunnen vestigen op Nederlands grondgebied, maar wel onder de Duitse wetgeving
blijven vallen. Op die manier is de grens niet alleen fysiek maar ook in de
dagelijkse beleving verdwenen. Bovendien zal dit de afwikkeling van een aantal
procedures vergemakkelijken, onder andere ten aanzien van bouwen, milieu,
vervoer, afvalwater en veterinaire zaken. Het is van belang dat een verdrag
tot stand komt voor de experimenteergebieden dat bepaalde stukjes nationale
wetgeving overruled.</al>
      <al>Vervolgens is de heer Weekers benieuwd wanneer de aanpassing van het Verdrag
van Anholt een feit zal zijn. Is al enige duidelijkheid te geven over de bestuurlijke
structuur van het desbetreffende openbaar lichaam dat in het leven zal worden
geroepen?</al>
      <al>Buiten bestaande euregio's is een soort grensoverschrijdende WGR-regio'saan
het ontstaan. Aken is inmiddels samenwerking gestart met Parkstad Limburg.
Zijn de bewindslieden bereid dit initiatief, dat als voorbeeld voor andere
projecten, zoals Baarle-Nassau, kan dienen, middels een stimuleringsbijdrage
mede van de grond te krijgen?</al>
      <al>Het is teleurstellend te moeten constateren dat er weinig voortgang blijkt
te zitten in het project rond het grensinfopunt. Is het ontbreken van medefinanciering
door de betrokken decentrale overheden hiervan soms een van de oorzaken? Wel
verdient het waardering dat inmiddels het fiscale steunpunt grensstreek in
Heerlen operationeel is en dat de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
op 1 februari jl. heeft toegezegd dat dit steunpunt zal worden uitgebreid
met expertise op het terrein van sociale zekerheid en wettelijke ziektekostenverzekeringen.
De heer Weekers sluit zich aan bij de suggestie van de heer De Cloe om genoemd
grensinfopunt op enigerlei wijze onder te brengen bij het steunpunt grensstreek
te Heerlen, zodat er één loket kan worden geformeerd waar men
terechtkan met vragen en opmerkingen en waar tevens arbitrage kan plaatsvinden.
Naar hij heeft begrepen, zijn inmiddels ook Duitse ambtenaren werkzaam op
het steunpunt. Hoe verloopt die samenwerking tot nu toe en ligt het tevens
in de bedoeling om Belgische ambtenaren toe te voegen aan het steunpunt?</al>
      <al>In Duitsland is recentelijk een fiscale wet ingevoerd op basis waarvan
een voorheffing moet worden betaald van 15% van de aanneemsom. Waar deze regeling
geldt voor zowel Duitse ondernemers als buitenlandse ondernemers, bestaat
de grote vrees dat eerstgenoemden heel snel vrijstelling zullen krijgen en
dat de buitenlandse ondernemers daarentegen veel hinder van deze regeling
zullen ondervinden. Is de staatssecretaris van Financiën bereid hierover
het overleg aan te gaan met zijn Duitse ambtgenoot?</al>
      <al>De heer Weekers is vol lof over de regeringsnota over de internationale
aspecten van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding en met name
over de daarin verwoorde initiatieven. De Europese Commissie wil dat
interventieteams daadwerkelijk fysieke grensoverschrijdende bijstand kunnen
verlenen bij rampen. Daartoe worden een trainingsprogramma en een gemeenschappelijk
operationeel systeem opgezet. Opvallend is evenwel dat de spoedeisende medische
hulpverlening daarbij niet wordt genoemd. Wat is hiervan de reden en wordt
nog contact gezocht met het ministerie van VWS over genoemde interventieteams?
Ligt het niet voor de hand om de een aantal jaren geleden opgerichte sigmateams
hiervoor in te zetten?</al>
      <al>Verder is opvallend dat er in Europa nog weinig kennis blijkt te zijn
op het gebied van rampengeneeskunde. Dit roept de vraag op wat de stand van
zaken in Nederland is op dit gebied. De Europese Commissie heeft inmiddels
wel subsidie verstrekt voor het formuleren van beleidsuitgangspunten voor
samenwerking op het gebied van disaster medicine. Wanneer worden hiervan de
eerste resultaten verwacht en wat is de bijdrage van Nederland op dit vlak?</al>
      <al>Daarnaast is de heer Weekers benieuwd te vernemen of de Nederlandse plannen
met betrekking tot grensoverschrijdende rampenbestrijding aansluiten bij die
van de buurlanden. Vinden er ook gezamenlijke oefeningen plaats door rampenbestrijdingsteams
in grensregio's? Met name gelet op de aanwezigheid in grensgebieden van bedrijven
die onder de Seveso-richtlijn vallen, is het van belang dat bij een eventuele
ramp aldaar, de afstemming qua hulpverlening optimaal is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Van der Hoeven</nadruk> (CDA) memoreert dat
ruim een week geleden voor de eerste keer een gezamenlijke vergadering heeft
plaatsgevonden van de raden van Maastricht, Heerlen, Aken, Luik en Hasselt,
hetgeen als een prima initiatief kan worden bestempeld, en zij koppelt er
de vraag aan of de staatssecretaris van BZK mogelijkheden ziet om binnen deze
Belgisch/Nederlands/Duitse euregio tot een bestuurlijk experiment te komen.
Waar er aldaar behoefte is aan vergaande samenwerking en afstemming zou het
goed zijn wanneer de rijksoverheid zelf een signaal afgeeft daaraan ook belang
te hechten.</al>
      <al>Met betrekking tot de voorliggende rapportage over de internationale aspecten
van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding vraagt mevrouw Van der
Hoeven of de verworvenheden van het EK 2000 in dat kader inmiddels zijn geïnstitutionaliseerd.
Daarnaast zou zij graag vernemen of de eerder aangekondigde begin 2001 te
houden grensoverschrijdende rampenoefening, inmiddels daadwerkelijk heet plaatsgevonden
en zo ja, wat daarvan de bevindingen zijn.</al>
      <al>De uitkomsten van het onderzoek dat het kabinet laat verrichten naar de
verschillende vormen die er bestaan binnen de euregionale en andersoortige
grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden worden aan het eind van dit jaar
verwacht. Het zou mevrouw Van der Hoeven evenwel een lief ding waard zijn
als de presentatie van dit onderzoek ook binnen de regio's een bepaald gewicht
krijgt. In dat licht verzoekt zij de staatssecretaris van BZK dan ook om begin
volgend jaar een soort euregiodag te organiseren en om hiervoor met name de
euregio's aan de zuid- en oostkant van onze grenzen uit te nodigen.</al>
      <al>De insteek met betrekking tot de euregio's is dat deze op dezelfde manier
kunnen profiteren van de bestaande verdragen. Het feit dat er qua reikwijdte
en qua rechtspersoonlijkheid nog steeds verschillen zijn tussen het Verdrag
van Anholt en het Beneluxverdrag werkt de samenwerking en het gebruikmaken
van elkaars kennis niet echt in de hand.</al>
      <al>De ontwikkelingen rond het grensinfopunt zijn als zeer teleurstellend
te betitelen. Er is hierdoor onnodig een momentum verloren gegaan. Ook wanneer
het grensinfopunt uiteindelijk ondergebracht zal worden bij het steunpunt
Grensstreek te Heerlen, blijft de vraag hoe om te gaan met de overige aspecten
van het over en weer uitwisselen van informatie, zodat de toegankelijkheid
voor de verschillende euregio's gewaarborgd wordt. Voorkomen moet in ieder
geval worden dat er per euregio een steunpunt in het leven geroepen
wordt. In dit verband is mevrouw Van der Hoeven ook benieuwd naar de samenwerking
in het kader van EURES en naar het functioneren van het bureau voor Belgische
zaken en het bureau voor Duitse zaken.</al>
      <al>Parkstad Limburg is momenteel druk bezig om een eigen bestuurlijke structuur
te vinden op basis van een verregaande verplichtende samenwerking. Specifiek
voor Parkstad Limburg vanwege haar ligging zijn de nauwe contacten met Aken/Herzogenrath.
Waar men aan Duitse zijde behoorlijk enthousiast blijkt te zijn op dit punt,
spreekt mevrouw Van der Hoeven de hoop en de verwachting uit dat van Nederlandse
zijde eenzelfde positieve houding wordt ingenomen ten aanzien van niet alleen
Parkstad Limburg maar ook onder andere Baarle-Hertog/Baarle-Nassau en Coevorden-Emlichheim,
waarbij een financiële startbijdrage vanuit de rijksoverheid zeer wel
van pas zou komen. Aan de hand van de opgedane ervaringen kan dan verder gewerkt
worden aan de kennisontwikkeling.Bij de Nederlands-Duitse samenwerking wordt
nog steeds aangelopen tegen de taakverdeling tussen Berlijn enerzijds en de
deelstaten anderzijds. Hoe ver is de staatssecretaris inmiddels gevorderd
met zijn inzicht in deze problematiek?</al>
      <al>Waar mevrouw Van der Hoeven heeft vernomen dat er nog onduidelijkheid
is over de cofinanciering inzake de INTERREG III-projecten, hoort zij graag
welke afspraken terzake gemaakt zijn tussen de diverse ministeries en tussen
de Nederlandse regering en Brussel. Het zou bijzonder jammer zijn als tengevolge
van genoemde onduidelijkheid er in de regio's het beeld ontstaat dat bepaalde
partijen niet mee willen werken, waardoor zaken blijven liggen en, erger nog,
eventueel zelfs middelen terugvloeien naar Brussel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Hoekema</nadruk> (D66) sluit zich aan bij de
onlangs in het personeelsblad van het ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties gedane constatering dat de staatssecretaris van BZK de
grensoverschrijdende samenwerking echt op de politieke agenda heeft gezet
en hij complimenteert beide bewindslieden met de aanjaagfunctie die zij tot
nu toe hebben vervuld.</al>
      <al>Tijdens de Europese Raad die morgen in Gothenburg begint, zal, hoewel
niet formeel geagendeerd, naar verwachting ook ingegaan worden op de toekomst
van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het regionaal beleid en de structuurfondsen
alsmede de financiering daarvan. Met een aanzienlijke uitbreiding van de EU
voor de boeg, is het evident dat er het nodige zal veranderen op die beleidsonderdelen,
waarop Nederland zich dan ook tijdig dient in te stellen, in de zin dat de
rijksoverheid, de provincies, de regio's, de landsdelen en de gemeenten in
hun eigen programma's en budgetten ruimte moeten maken voor de grensoverschrijdende
samenwerking. In dit verband laat zich ook de vraag stellen naar de toekomst
van de euregio's. Uitgangspunt moet zijn «hoe effectiever, hoe beter»,
maar tegelijkertijd is wel duidelijk dat regionaal beleid zowel in de optiek
van Den Haag als in de optiek van Brussel heel belangrijk wordt.</al>
      <al>Voor de heer Hoekema heeft vooralsnog de eerste prioriteit zodanige aanpassing
van het Verdrag van Anholt dat bindende besluiten kunnen worden genomen en
er sprake is en een eigen rechtspersoonlijkheid en een eigen budget. Wanneer
zal naar de inschatting van de bewindslieden genoemde aanpassing een feit
zijn?</al>
      <al>Wat betreft de agenda voor het grensoverschrijdende verkeer is hij benieuwd
te vernemen of naast bedrijventerreinen en rampenbestrijding daarvan bijvoorbeeld
ook infrastructuur en water onderdeel uitmaken. Hoe breed is het scala aan
onderwerpen in dit verband?</al>
      <al>Naast de paritaire commissie voor het GOB Avantis (Heerlen-Aken) is een
paritaire commissie ingericht voor het GOB Europark GmbH (Coevorden-Emlichheim).
Kan inmiddels aangegeven worden hoe die commissies functioneren? Er zijn signalen
dat een en ander ten aanzien van het bedrijventerrein bij Coevorden
niet vlekkeloos verloopt. Zijn er andere bestuurlijke perikelen die de volle
wasdom van dat terrein belemmeren?</al>
      <al>De heer Hoekema is in tegenstelling tot de heer De Cloe nog niet toe aan
de conclusie om het grensinfopunt onder te brengen bij het steunpunt Grensstreek,
gelet op de nodige haken en ogen die zijns inziens aan een dergelijke integratie
verbonden kunnen zijn. Kan overigens aangegeven worden waarom het grensinfopunt
als zodanig niet echt van de grond blijkt te komen? In de voorliggende rapportage
over grensoverschrijdende projecten wordt met betrekking tot het grensinfopunt
onder meer opgemerkt dat het van belang is dat additionele financiële
steun onder de decentrale overheden en overige actoren aan de Nederlands-Duitse
en Nederlands-Belgische grens wordt verkregen. Wat moet in dit verband worden
verstaan onder die overige actoren?</al>
      <al>Hoewel harmonisatie van wetgeving de koninklijke weg behoort te zijn en
te blijven, is het van belang dat waar dat praktisch gezien noodzakelijk is,
de lagere overheden de mogelijkheid hebben om bijvoorbeeld op het punt van
vuilverwerking, nationale wetgeving te derogeren. Hoe staat de staatssecretaris
daartegenover?</al>
      <al>Verder is het van belang dat bij grensoverschrijdende rampen en ongevallen
gekomen wordt tot een goede afstemming. De ervaringen met de AWACS-ramp bij
Geilenkirchen destijds, hebben aangetoond dat die afstemming nog niet vlekkeloos
is. Kan overigens al iets gemeld worden over de resultaten van de stafoefening
die dit voorjaar heeft plaatsgevonden? In hoeverre is er in ieder geval op
papier de garantie dat de aansluiting van de verschillende diensten goed geregeld
is?</al>
      <al>Enigszins teleurgesteld is de heer Hoekema over de passage in eerdergenoemde
voortgangsrapportage over de situatie in Baarle-Nassau/Baarle-Hertog. Hoewel
politiek correct geschreven, geeft die bijvoorbeeld te weinig informatie over
hoe de evaluatie van de provincie Noord-Brabant is uitgepakt. De ambtelijke
ondersteuning door BZK waarvan melding wordt gemaakt, hield niet bepaald over.
Verder blijkt het project van het gemeenschappelijk gemeentehuis niet goed
van de grond te komen. Is de staatssecretaris bereid om in dezen meer aan
te jagen, teneinde dit unieke project te realiseren dat iets weg heeft van
een Europese gemeente avant la lettre?</al>
      <al>Wat betreft de politiesamenwerking is het essentieel dat voortgebouwd
wordt op de ervaringen die op dat gebied zijn opgedaan met het EK 2000. Gerefereerd
kan onder meer worden aan de opzet in Dinxperlo-Suderwick waar sprake is van
een gemeenschappelijk bureau.</al>
      <al>Hoewel de suggestie van de heer Weekers inzake Parkstad Limburg op zichzelf
sympathiek klinkt, moet ervoor worden opgepast dat niet allerlei samenwerkingsprojecten
van gemeenten die vanwege geheel andere motieven dan grensoverschrijdende
samenwerking zijn gestart, gefinancierd worden uit subsidiepotten die bedoeld
zijn voor grensoverschrijdende samenwerking. Waar het gaat om de specifieke
problematiek van Aken-Herzogenrath is een dergelijk initiatief op zichzelf
prima, maar gerealiseerd moet worden dat er tevens samenwerkingsrelaties in
de buurt van de grens zijn, ten aanzien waarvan niet echt een grensoverschrijdende
problematiek aan de orde is.</al>
      <al>Aan de staatssecretaris van Financiën vraagt de heer Hoekema wanneer
het aanvullend protocol bij het Duits-Nederlandse belastingverdrag een feit
zal zijn. Wordt daarin dan tevens de winstbelasting inzake grensoverschrijdende
bedrijventerreinen geregeld? Waar het Europese traject inzake de btw-teruggave
moeizaam verloopt, is hij benieuwd te vernemen welke pogingen de staatssecretaris
onderneemt om met Duitsland te komen tot een adequate regeling op dit punt. </al>
      <tuskop letat="vet">Het antwoord van de bewindslieden</tuskop>
      <al>De <nadruk type="vet">staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties</nadruk> heeft evenals voorgaande sprekers, de indruk dat er nu echt beweging
komt in de grensoverschrijdende samenwerking, hetgeen mede het resultaat is
van de vele energie die de desbetreffende medewerkers van de diverse betrokken
departementen maar in het bijzonder van BZK hierin met name de afgelopen maanden
hebben gestoken. Inmiddels zijn twee kabinetsnota's uitgebracht, een over
de grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking en een over de internationale
aspecten van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding. Daarnaast zijn
recentelijk twee gemeenschappelijke verklaringen inzake grensoverschrijdende
samenwerking ondertekend met Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen, en een inzake
grensoverschrijdende bedrijventerreinen met de Bond, en met deelname van beide
deelstaten. Het ligt in de bedoeling om op korte termijn ook met Vlaanderen
een dergelijke gemeenschappelijke verklaring inzake grensoverschrijdende samenwerking
te ondertekenen. De afspraken hiertoe staan voor de herfst van dit jaar op
de rol. De staatssecretaris zou een dergelijke overeenkomst ook graag met
Wallonië sluiten, hoewel dit naar zijn indruk meer tijd zal vergen. Het
is van belang om uiteindelijk te komen tot een stelsel van raamafspraken met
de regio's die Nederland omringen. Het is bepaald de bedoeling van het kabinet
om dit soort overleg niet alleen te beperken tot bedrijventerreinen en andere
onderwerpen die primair op het terrein van BZK liggen. De agenda is dus breed,
die afhankelijk van de actualiteiten pragmatisch wordt ingevuld. Verwezen
kan onder andere worden naar de rol hierbij van de staatssecretarissen van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Financiën en van Buitenlandse Zaken.</al>
      <al>Het uitgangspunt van het kabinet terzake van de aanpassing van het Verdrag
van Anholt is om bij wijze van spreken via de voordeur binnen te komen en
zo dit niet mocht lukken via de achterdeur. De voordeur is wijziging van het
verdrag zodanig dat het dezelfde constructie toelaat die reeds in het Beneluxverdrag
is opgenomen. Door de federale structuur van de Bondsrepubliek blijkt dat
een niet eenvoudige opgave te zijn. Gremia binnen de Duitse federale overheid
staan niet bepaald te springen bij de gedachte dat er een verdrag met Nederland
wordt gesloten dat niet alleen door de Bond maar door de Bond plus enige Länder
wordt gesloten. De Duitse staatssecretaris van binnenlandse zaken heeft inmiddels
een brief gestuurd aan Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen met de vraag wat
beide Länder qua verdragsrechtelijke constructie wenselijk vinden. Op
5 juni jl. heeft minister-president Kok M. P. Clement van Noordrijn-Westfalen
verzocht snel te willen antwoorden op die brief. Hetzelfde verzoek heeft de
staatssecretaris zelf op 7 juni jl. gedaan aan Nedersaksen. De achterdeur
houdt in dat op bedrijventerreinen toegespitste afspraken worden gemaakt in
een speciaal bedrijventerreinenverdrag, ook dat met de doelstelling om grensoverschrijdende
openbare lichamen mogelijk te maken. Daarnaast zou in dat verdrag bij voorkeur
ruimte moeten worden geschapen voor bedrijven om op bepaalde onderdelen gebruik
te maken van de zogeheten «meestbegunstigingssclausule», d.w.z.
af te wijken van het eigen recht en in plaats daarvan de inhoudelijke rechtsnormen
van de buurstaat toe te passen. In het geval zich bijvoorbeeld een bedrijf
uit de landbouwsector aanmeldt voor vestiging komt het probleem van de veterinaire
controles om de hoek kijken, waarbij naar het oordeel van de staatssecretaris
alsdan zo pragmatisch mogelijk dient te worden gehandeld. Hij gaat ervan uit
dat de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, die toch enige voetsporen
in Brussel heeft staan, dan ook bereid is om binnen de grenzen van de rechtsstaat
te zoeken naar praktische oplossingen die problemen kunnen overwinnen. De
paritaire commissies zijn ervoor om een en ander verder in kaart te brengen,
daarbij ondersteund door een apart consultancybureau, genaamd
Buck Consultants International uit Nijmegen. Er zijn geen signalen dat de
paritaire commissies niet zouden vorderen met hun werkzaamheden of dat het
niet zou boteren waar het gaat om Coevorden-Emlichheim.</al>
      <al>Het Rijk heeft in het kader van het grensinfopunt tot nu toe drie keer
twee ton beschikbaar gesteld, hetgeen meer is dan de provincie Limburg heeft
bijgedragen. Daarnaast geeft de staatssecretaris aan reeds eind vorig jaar
een brief geschreven te hebben aan alle commissarissen van de Koningin van
de grensprovincies met daarin het verzoek het initiatief van het grensinfopunt
financieel en personeel te ondersteunen. Helaas is daarop tot nu toe van geen
van hen een reactie binnengekomen. Tevens heeft de staatssecretaris in diverse
speeches melding gemaakt van genoemd initiatief en het belang ervan onderstreept.
Informeel heeft hij wel begrepen dat gedeputeerden uit Drenthe, Groningen
en Gelderland belangstelling zouden hebben getoond, maar hij heeft niet de
indruk dat dit al heeft geleid tot vergaande financiering. Waar het gaat om
de synergie met het steunpunt grensstreek te Heerlen heeft hij overigens de
indruk dat ook de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorstander
is van bundeling. Het is dan ook van belang dat tussen de betrokken bewindslieden
hierover nadere werkafspraken worden gemaakt. Al met al, is het in dezen beter
om deze ene vogel in de hand te voeden dan te wachten totdat er tien in de
lucht zijn.</al>
      <al>Het is bepaald niet de bedoeling van het kabinet om de euregio's compleet
af te schrijven. Het desbetreffende onderzoek is ingesteld om inzicht te verkrijgen
in de best practices van de euregio's qua bestuursvorm, beleidsterreinen,
democratische controle en de rol van de bevolking, met als uiteindelijk doel
de grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking hechter te verankeren. Hij
neemt met graagte overigens de suggestie van mevrouw Van der Hoeven over om
de presentatie van de resultaten van genoemd onderzoek te combineren met een
grote bijeenkomst met de euregio's.</al>
      <al>De heer Hoekema heeft terecht gewezen op het risico dat als gevolg van
de uitbreiding van de Unie na 2006 de structuurfondsen minder rijkelijk beschikbaar
zullen zijn voor Nederlandse grensregio's. In de tussentijd moet er dus een
draagvlak zijn binnen die regio's, ook financieel, teneinde de samenwerking
ook na 2006 te kunnen voortzetten. Grensprovincies en grensgemeenten moeten
zich de vraag stellen hoe ze meerjarig omgaan met hun eigen belangen. Daarbij
hoort ook een financiële verantwoordelijkheid, die in de ogen van de
staatssecretaris primair decentraal is, daar het te ver gaat om als rijksoverheid
reguliere taken van grensprovincies en grensgemeenten te subsidiëren.
In dat licht is hij geen voorstander van een stimuleringsbijdrage vanuit het
Rijk om het initiatief tot samenwerking tussen Aken en Parkstad Limburg van
de grond te krijgen. Wel is hij bereid om in samenspraak met de staatssecretaris
van Economische Zaken te bezien of uit de INTERREG-gelden een gemeenschappelijke
financiering voor bepaalde experimentele grensoverschrijdende bestuursvormen
mogelijk is, waarbij het overigens primair de taak van de decentrale overheden
is om met concrete voorstellen te komen. Wanneer deze exercitie tot resultaat
heeft geleid, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.</al>
      <al>Uit de vragen die zijn gesteld over Baarle-Nassau en Baarle-Hertog maakt
de staatssecretaris tot zijn spijt op dat hij verzuimd heeft de desbetreffende
rapportage van de provincie aan de Kamer te sturen. Hij zal ervoor zorgdragen
dat deze de Kamer alsnog bereikt. Kernpunt uit de rapportage is dat de provincie
positief oordeelt over de ontwikkeling van Baarle-Nassau als zelfstandige
gemeente en dat de ambtelijke organisatie zich aldaar zodanig ontwikkelt dat
de gemeente ook in de toekomst adequaat is toegerust om taken en functies
naar behoren te kunnen vervullen. Verder wordt vastgesteld dat de financiële
positie van Baarle-Nassau gezond is en dat het beschikt over een goed weerstandsvermogen.
Daarnaast wordt geconstateerd dat de samenwerking tussen Baarle-Nassau
en Baarle-Hertog zich goed ontwikkelt, waarbij het statuut van het gemeenschappelijk
orgaan Baarle een belangrijke meerwaarde vervult. Ondank haar relatief beperkte
omvang acht het college van GS van Noord-Brabant de gemeente in staat ambtelijk
en bestuurlijk op een behoorlijke en verantwoorde wijze te functioneren en
haar taken en functies adequaat te behartigen. De staatssecretaris kan zich
soms overigens niet aan de indruk onttrekken dat het enthousiasme in Den Haag
voor de samenwerking tussen de Baarles wat groter is dan die van sommige betrokkenen
aldaar. Hij heeft de indruk dat er ook in de chemie tussen lokale bestuurders
hier en daar nog wel wat te verbeteren valt. Het antwoord op de vraag van
de heer Hoekema over het gemeenschappelijk gemeentehuis zal schriftelijk worden
gegeven.</al>
      <al>De staatssecretaris is voorstander van experimenten wat betreft grensoverschrijdende
samenwerking waar het gaat om de wetgeving zoals geschetst in de verdragsvorm,
zijnde een vernieuwend instrument van wetgeving. Derogatie van nationale wetgeving
bij wijze van experiment is evenwel niet het eerst in aanmerking komende instrument
vanwege het gevaar van precedentwerking.</al>
      <al>Hij neemt goede nota van de opmerking van de heer De Cloe over signalen
uit de regio Oost-Nederland dat een aantal projecten van grensoverschrijdende
samenwerking die deel uitmaken van het desbetreffende regioconvenant nog niet
echt goed van de grond komen, en zegt toe de GROS-paragraaf in het Regioconvenant
Oost-Nederland te bezien.</al>
      <al>Met betrekking tot de grensoverschrijdende rampenbestrijding is inmiddels
een werkgroep ingesteld met Noordrijn-Westfalen die voor de herfst met voorstellen
zal komen. Er is eveneens een dergelijke werkgroep met Nedersaksen in het
leven geroepen. Er is een grensoverschrijdende oefening gepland op 25 oktober
a.s. te Heerlen. Volgend jaar is in Nedersaksen een grensoverschrijdende oefening
gepland rond de kerncentrale in Lingen. Er is door BZK inmiddels ook subsidie
verstrekt ten behoeve van gezamenlijke oefeningen in België. Verder wordt
op het ogenblik hard gewerkt aan grensoverschrijdende rampenplannen. In Limburg
is in samenwerking met de Duitse partners reeds zo'n plan tot stand gekomen.
Met België vinden onder de paraplu van de Benelux heel concrete en hoopgevende
gesprekken plaats over grensoverschrijdende ambulancehulpverlening, waarbij
de verwachting is dat in de tweede helft van dit jaar concrete vooruitgang
kan worden geboekt. De staatssecretaris is voornemens om in contact te treden
met het ministerie van VWS om te bezien of een dergelijk initiatief ook in
samenwerking met Duitsland kan worden opgezet. Met het ministerie van Verkeer
en Waterstaat vindt overleg plaats over grensoverschrijdende regelgeving voor
communicatie, waarbij België en Duitsland inmiddels gevraagd is om hun
frequentiebeleid aan te passen. Ook wordt overlegd over de wederzijdse erkenning
van sirenes en zwaailichten. Ten aanzien van rampengeneeskunde is een Europese
werkgroep ingesteld die wordt voorgezeten door Nederland. Op dit moment loopt
er nationaal onderzoek naar de voorbereiding op ongevallen met nucleaire,
chemische en bacteriologische risicofactoren. Heden wordt aan de minister
van VWS een rapport aangeboden van de Gezondheidsraad, waarin wordt gewezen
op de risico's van terroristische aanslagen met bacteriologische wapens. Er
is over dit onderwerp nog een onderzoek gaande, dat aan het eind van het jaar
tot resultaten moet leiden.</al>
      <al>Ten aanzien van de interventieteams is door de Nederlandse regering besloten,
overigens los van het EU-initiatief terzake, om een eigen eenheid in het leven
te roepen op het gebied van search and rescue, die landelijk en internationaal,
zoals in het kader van de NAVO, de VN en de EU, ondersteuning kan geven bij
rampen. Het gaat daarbij om het beschikbaar stellen van deskundigheid die
Nederland op dat gebied heeft en die deels ligt op het terrein van de brandweer
en deels op het terrein van de geneeskundige hulpverlening. Overigens
is in het EU-initiatief wel degelijk ook een geneeskundige component opgenomen,
in het kader waarvan onder andere wordt gekeken naar de beschikbaarheid van
antiserums over en weer in de lidstaten.</al>
      <al>De staatssecretaris is niets bekend van belemmeringen als gevolg van de
Wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs waar het gaat om de mogelijkheden
van bijvoorbeeld de Open Universiteit in Heerlen om grensoverschrijdend te
opereren. Hij heeft veeleer de indruk dat de samenwerking op dat punt goed
van de grond komt. Er is bijvoorbeeld reeds een tripartiete opleiding gestart
door Gent, Heerlen en Aken. Daarnaast is een nota van OCW verschenen over
grensoverschrijdende onderwijssamenwerking. De staatssecretaris zal de kwestie
m.b.t. de OU voorleggen aan minister Hermans en hierop in de komende rapportage
die in augustus is voorzien, nader ingaan.</al>
      <al>Voorzover de staatssecretaris bekend, is er namens zijn collega van EZ
met betrekking tot de cofinanciering in relatie tot INTERREG III een reactie
uitgegaan aan de secretaris van het Arnhemoverleg, die ook ter kennis is gebracht
aan de Kamer. Hij heeft verder nog niet de gelegenheid gehad om hierover met
de heer Ybema nader van gedachten te wisselen.</al>
      <al>Er is binnen de Europese Commissie een witboek inzake governance in voorbereiding,
waarin ook zal worden ingegaan op de rol van decentrale overheden en de Europese
integratie. Daarnaast zijn er heel interessante bestuurlijke initiatieven
van gemeenten en provincies zowel binnen als buiten de EU waar te nemen op
dit punt. Er ontwikkelen zich daar netwerken die een bestuurlijk potentieel
hebben en dus ook een adequate reactie van rijkszijde vergen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">staatssecretaris van Financiën</nadruk> geeft
te kennen slechts te kunnen gissen naar de redenen waarom het met betrekking
tot het initiatief van de provincie Limburg inzake het grensinfopunt kennelijk
niet helemaal is verlopen zoals men het daar wel verwacht had. Het is hem
in ieder geval niet bekend dat er specifieke financieringsproblemen aan ten
grondslag liggen. Veeleer lijkt het erop dat men aldaar in eerste instantie
te veel hooi op de vork heeft genomen door in één keer een informatiepunt
op te zetten dat in feite alles tegelijk verzorgt. Het steunpunt Grensstreek
te Heerlen is daarentegen veel organischer gegroeid, waarmee goede ervaringen
zijn opgedaan. In eerste instantie is het steunpunt in puur fiscale zin gaan
opereren. Vervolgens is de samenwerking op dat gebied met Duitsland opgezet,
die ook goed functioneert. Inmiddels worden pogingen ondernomen om met de
Belgen tot een vergelijkbare samenwerking te komen binnen het steunpunt. De
volgende stap is om de samenwerking op het terrein van de sociale zekerheid
meer gestalte te geven. Te denken valt daarbij onder meer aan de mogelijkheid
om medewerkers van het bureau Belgische zaken en het bureau Duitse zaken te
detacheren bij het steunpunt. Indachtig deze gehele ontwikkeling is er wat
betreft de staatssecretaris geen enkel probleem om nog een stap verder te
gaan door de taken die in eerste instantie door de provincie Limburg toebedeeld
zijn aan het grensinfopunt, verder te integreren in het steunpunt. Een van
de mogelijkheden daarbij is het toewerken naar een gezamenlijk callcenter,
van waaruit de doorverwijzing van vragen naar die instanties die ze het best
kunnen beantwoorden, het meest effectief kan plaatsvinden.</al>
      <al>Over de problematiek van de voorheffing is overleg gevoerd met Duitsland.
De regeling is nu zodanig aangepast dat die Europeesrechtelijk toegestaan
is. Er is dus geen sprake van discriminatie tussen binnenlandse en buitenlandse
ondernemingen. Overigens was de oorspronkelijke regeling niet bedoeld om «Nederlanders
te pesten», maar om illegale arbeid en belastingfraude te bestrijden,
hetgeen legitieme doelen zijn. Er wordt nu gepoogd om met de Duitse autoriteiten
afspraken te maken over de vraag of ook de Nederlandse belastingdienst kan
verklaren dat Nederlandse bouwbedrijven fiscaal betrouwbaar zijn
en in aanmerking komen voor vrijstelling van voorheffing.</al>
      <al>Over voorzetting van de besprekingen over het aanvullend protocol bij
het Nederlands-Duitse belastingverdrag, waarin onder andere de winstbelasting
van ondernemingen op grensoverschrijdende bedrijventerreinen zal worden geregeld,
is tot voor kort steeds bijna maandelijks contact geweest met de Duitsers.
Sinds het laatste overleg zijn de Duitsers evenwel niet meer in staat geweest
om capaciteit vrij te maken voor verdere besprekingen en onderhandelingen
over het protocol en over het verdrag zelf. Er is overigens geen reden om
aan te nemen dat dit gebaseerd is op politieke onwil van Duitse zijde. In
persoonlijke contacten of anderszins zal door Nederland in ieder geval blijvend
worden aangedrongen op voortzetting van de dialoog. Er is de voorzichtige
hoop dat het zal lukken in september of oktober alsnog bij elkaar te komen
om spijkers met koppen te slaan.</al>
      <al>Met betrekking tot de btw-teruggave is er vooralsnog helemaal geen sprake
van enige voortgang. Eerder is door Nederland gepoogd om deze kwestie bilateraal
te regelen, maar de Duitsers hebben de voorkeur gegeven aan een Europese regeling
op dit punt.</al>
      <tuskop letat="vet">Nadere gedachtewisseling</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">De Cloe</nadruk> (PvdA) zou graag zien dat,
in navolging van de actiepunten zoals opgesomd in de bijlage bij de nota inzake
internationale aspecten van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding,
voortaan in volgende rapportages over de grensoverschrijdende samenwerking
een overzicht wordt opgenomen van de stand van zaken waar het gaat om de uitvoering
van actiepunten en beleidsuitgangspunten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Weekers</nadruk> (VVD) verzoekt beide bewindslieden
om in de volgende voortgangsrapportage die naar verwachting in augustus zal
verschijnen, specifieker in te gaan op de beoogde ontwikkelingen rond het
steunpunt Grensstreek te Heerlen.</al>
      <al>Verder verneemt hij graag wanneer de staatssecretaris van BZK meer zicht
denkt te hebben op totstandkoming van de beoogde aanpassing van het Verdrag
van Anholt.</al>
      <al>Onder verwijzing naar zijn opmerkingen in eerste termijn over het memorandum
van Aken in relatie tot het vergemakkelijken van een aantal procedures, onder
andere ten aanzien van bouwen, milieu, vervoer, afvalwater en veterinaire
zaken, zou de heer Weekers graag zien dat, zodra een paritaire commissie in
voorkomende gevallen een signaal hieromtrent uit doet gaan, de staatssecretaris
het desbetreffende dienstonderdeel, ook al hoort dat thuis bij een ander departement,
erbij betrekt om ervoor te zorgen dat een praktisch werkbare oplossing wordt
bereikt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Van der Hoeven</nadruk> (CDA) gaat ervan uit
dat, waar met betrekking tot de cofinanciering in relatie tot INTERREG III
een rol is weggelegd voor meer ministeries dan alleen dat van EZ, de staatssecretaris
van BZK in dezen een coördinerende rol zal vervullen teneinde het risico
te vermijden dat ze zich aan hun verplichtingen onttrekken.</al>
      <al>Waar de grensoverschrijdende samenwerking van karakter en inhoud verandert,
met name vanwege de ontwikkelingen van de Europese Unie, is het goed te kunnen
constateren dat deze staatssecretaris van BZK tot nu toe een uitstekende bijdrage
levert aan de dynamiek van dit geheel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Hoekema</nadruk> (D66), enigszins nieuwsgierig
geworden door de opmerkingen van de staatssecretaris van BZK over het witboek
van de Europese Commissie over governance, vraagt hem naar zijn bereidheid
om hierover nader van gedachten te wisselen met de vaste commissie voor BZK
dan wel met de commissie voor Europese Zaken. </al>
      <al>Met instemming neemt hij kennis van de praktische benadering die beide
bewindslieden kiezen met betrekking tot het steunpunt grensstreek te Heerlen.</al>
      <al>Ten slotte spreekt hij zijn verbazing erover uit dat zo'n groot land als
Duitsland het zo zwaar laat afweten op het punt van de totstandkoming van
het aanvullend protocol.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties</nadruk> acht zich niet in staat op dit moment aan te geven wanneer de aanpassing
van het Verdrag van Anholt een feit zal zijn, aangezien een en ander sterk
afhankelijk is van het afronden van de interne Duitse discussie.</al>
      <al>Indien de paritaire commissies signalen mochten uitzenden die actie op
korte termijn vergen, zal de staatssecretaris daarop uiteraard reageren.</al>
      <al>Hij is graag bereid de opmerkingen van mevrouw Van der Hoeven over INTERREG
onder de aandacht te brengen van zijn collega van EZ.</al>
      <al>Het is uiteraard aan de Kamer zelf om te bepalen in welke commissie zij
het witboek van de Europese Commissie over governance wil bespreken.</al>
      <al>Het overzicht waarom de heer De Cloe vroeg, zal in de halfjaarlijkse rapportage
inzake grensoverschrijdende samenwerking worden opgenomen.</al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,</functie>
        <naam>De Cloe</naam>
        <functie>De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,</functie>
        <naam>De Gier</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling: Leden: Te Veldhuis (VVD), ondervoorzitter, De Cloe (PvdA),
voorzitter, Van den Berg (SGP), Van de Camp (CDA), Scheltema-de Nie (D66),
Van der Hoeven (CDA), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Hoekema (D66),
Rijpstra (VVD), O. P. G. Vos (VVD), Rehwinkel (PvdA), Wagenaar (PvdA),
Luchtenveld (VVD), De Boer (PvdA), Duijkers (PvdA), Verburg (CDA), Rietkerk
(CDA), Halsema (GroenLinks), Kant (SP), Balemans (VVD), De Swart (VVD), De
Pater-van der Meer (CDA) en Slob (ChristenUnie).</al>
    <al>Plv. leden: Van Beek (VVD), Zijlstra (PvdA), Ravestein (D66), Van Wijmen
(CDA), Bakker (D66), Balkenende (CDA), Barth (PvdA), Gortzak (PvdA), Dittrich
(D66), Cherribi (VVD), Van den Doel (VVD), Van Oven (PvdA), Apostolou (PvdA),
Cornielje (VVD), Kuijper (PvdA), Belinfante (PvdA), Mosterd (CDA), Th. A. M.
Meijer (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Van Splunter (VVD), Nicolaï
(VVD), Wijn (CDA), Rouvoet (ChristenUnie) en Rabbae (GroenLinks).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>