﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26670-5/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2000-2001</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.5__2.14" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST51082</ordernr>
    <vergjaar>2000-2001</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 670</nummer>
      <naam>Grensoverschrijdende projecten</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>5</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
EN VAN FINANCIËN</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag,  <datum>30 januari 2001</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 2 juli 1999 heeft het kabinet de aanbevelingen uit de rapporten «De
grens nader verkend» (1999) en «Ondernemen in de grensstreek»
(1998) overgenomen (vgl. Kamerstukken II 1998/1999, 26 670, nr. 1). Toen
is toegezegd dat het kabinet voornemens is halfjaarlijks te rapporteren over
de voortgang betreffende de uitvoering van de aanbevelingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij brief van 30 juni 2000 is de eerste periodieke rapportage aan u aangeboden.
Naar aanleiding van deze voortgangsrapportage en het kabinetsstandpunt Grensoverschrijdende
Bestuurlijke Samenwerking (Kamerstukken II 1999/2000, 27 242, nr. 1)
heeft de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op
8 november 2000 overleg gevoerd met de staatssecretarissen De Vries (BZK)
en Bos (Financiën). Van dat overleg heeft de commissie een beknopt verslag
uitgebracht (Kamerstukken II 2000/2001, 26 670, nr. 4).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tijdens het algemeen overleg is afgesproken dat de eerstvolgende halfjaarlijkse
rapportage over de uitvoering van de aanbevelingen in beide rapporten de Kamer
in januari 2001 zal worden aangeboden. Per door het kabinet overgenomen aanbeveling
treft u hierbij de voortgang en stand van zaken aan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tijdens het algemeen overleg werden vanuit de Kamer enkele vragen gesteld
die wel een grensoverschrijdend karakter hebben, maar die als zodanig geen
betrekking hebben op de aanbevelingen uit de rapporten «De grens nader
verkend» en «Ondernemen in de grensstreek». </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Waar het vragen betreft over de grensoverschrijdende samenwerking op de
terreinen gezondheidszorg en onderwijs zij opgemerkt dat de vakdepartementen
de Kamer hierover separaat zullen berichten.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,</functie>
        <naam>G. M. de Vries</naam>
        <functie>De Staatssecretaris van Financiën,</functie>
        <naam>W. J. Bos </naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">Voortgangsrapportage van de staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties inzake aanbevelingen rapport «De grens
nader verkend»</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 1: Gestreefd moet worden naar een beperkt,
op praktische punten toegesneden verdrag inzake grensoverschrijdende bedrijventerreinen
tussen Nederland, de Bondsrepubliek Duitsland en de Länder Noordrijn-Westfalen
en Nedersaksen. De inhoud van een dergelijk verdrag wordt geschetst in de
par. 3.2 en 3.3 [van het rapport«De grens nader verkend»].</tuskop>
      <al>Aandacht op hoog politiek niveau voor het wegnemen van knelpunten die
men bij de ontwikkeling van grensoverschrijdende bedrijventerreinen (voortaan:
GOB's) tegenkomt ten gevolge van verschillen in nationale wet- en regelgeving
heeft in de afgelopen zes maanden sterk bijgedragen tot het versnellen van
de onderhandelingen m.b.t. de voorbereiding van het verdrag inzake de ontwikkeling
van grensoverschrijdende bedrijventerreinen. Door verschillende Nederlandse
en Duitse bewindspersonen verantwoordelijk op dit terrein is erop aangedrongen
dat wordt gezocht naar praktische oplossingen. Mede hierdoor kon een flinke
impuls worden gegeven aan de voortgang van dit dossier. Dit blijkt uit het
feit dat het afgelopen half jaar twee Nederlands-Duitse verklaringen op dit
terrein werden ondertekend.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De eerste, de gemeenschappelijke verklaring van Nederland en Noordrijn-Westfalen
inzake grensoverschrijdende samenwerking<voetref refid="v3.1" nr="1"></voetref> werd
op 16 november 2000 ondertekend door de minister van Binnenlandse Zaken
van het <nadruk type="cur">Land</nadruk> Noordrijn-Westfalen en de minister
en staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland.
In de verklaring wordt benadrukt dat met de Europese eenwording de belangstelling
voor intensivering van grensoverschrijdende samenwerking toeneemt en dat intensivering
van de contacten tussen de diverse bestuurlijke niveaus van het Koninkrijk
der Nederlanden en het <nadruk type="cur">Land</nadruk> Noordrijn-Westfalen
de ontwikkeling van het grensgebied op een zinvolle manier bevordert. Tegen
deze achtergrond worden alle inspanningen die bijdragen aan de realisering
van grensoverschrijdende bedrijventerreinen en intensievere grensoverschrijdende
lokale en regionale samenwerking verwelkomd. De tweede, de gemeenschappelijke
Nederlands-Duitse verklaring inzake grensoverschrijdende bedrijventerreinen<voetref refid="v3.2" nr="2"></voetref>, werd op 7 december 2000 in Aken ondertekend door
de staatssecretaris van het Bondsministerie van Binnenlandse Zaken, de minister
van Bonds- en Europa-aangelegenheden van het <nadruk type="cur">Land</nadruk>
Noordrijn-Westfalen, de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van het <nadruk type="cur">Land</nadruk> Nedersaksen en de Nederlandse staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze verklaring wordt in het vervolg
aangeduid als het Memorandum van Aken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook op ambtelijk niveau werd het overleg voortgezet. Op 20 september vond
in Den Haag de tweede onderhandelingsronde van de Nederlands-Duitse ambtelijke
werkgroep, belast met de voorbereiding van het verdrag inzake de ontwikkeling
van GOB's, plaats. Bij het verschijnen van de vorige halfjaarlijkse voortgangsrapportage
in juni 2000 (Kamerstukken II 1999/2000, 26 670, nr. 3) waren in deze
werkgroep de Nederlandse rijksoverheid, de Duitse federale overheid en het <nadruk type="cur">Land</nadruk> Noordrijn-Westfalen vertegenwoordigd. Gelet op het
feit dat het beoogde verdrag zal gelden voor de gehele Nederlands-Duitse grensstreek
werd ook deelname van het <nadruk type="cur">Land</nadruk> Nedersaksen aan
het vervolg van de besprekingen van groot belang geacht. Hierin is inmiddels
voorzien. De aldus uitgebreide Nederlands-Duitse werkgroep heeft tijdens haar
overleg van 20 september een vijf-puntenplan opgesteld om daarmee zo spoedig
mogelijk tot praktische oplossingen voor de gesignaleerde problemen bij de
realisering van GOB's te komen. Met het vijf-puntenplan, dat is
opgenomen in het hiervoor genoemde Memorandum van Aken, wordt beoogd oplossingen
te vinden voor de moeilijkheden die het gevolg zijn van verschillen in nationale
wet- en regelgeving. Deze vijf punten, die desgewenst parallel kunnen worden
doorgevoerd, behelzen het volgende:</al>
      <al>1. Het eerste punt betreft de instelling van gemeenschappelijke organen <nadruk type="cur">(Duits: kommunale Arbeitsgemeinschaften)</nadruk> voor GOB's, die
fungeren als centrale aanspreekpunten en adviesinstanties voor investeerders.
Omdat ieder GOB eigen problemen kent, is het noodzakelijk dat voor elk bedrijventerrein
een paritaire commissie wordt ingesteld. De verschillende paritaire commissies
wisselen hun bevindingen onderling uit. Met het oog op efficiënte besluitvorming
zal een paritaire commissie uit ten hoogste 6 personen bestaan. Voor de samenstelling
van de commissie zijn de betrokken decentrale overheden aan weerszijden van
de grens verantwoordelijk. De vorming van een dergelijke commissie is mogelijk
op basis van de op 23 mei 1991 te Isselburg-Anholt ondertekende overeenkomst
inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen Nederland, de Duitse Bondsregering,
en de <nadruk type="cur">Länder</nadruk> Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen,
volgens welke alleen lagere overheden met eigen bevoegdheden aan een grensoverschrijdend
samenwerkingsverband kunnen deelnemen.<voetref refid="v4.1" nr="1"></voetref> Omdat
een <nadruk type="cur">Regierungsbezirk</nadruk> geen eigen autonome bevoegdheden
bezit, kunnen ambtenaren van een <nadruk type="cur">Regierungsbezirk op basis
van dit verdrag geen zitting nemen in een grensoverschrijdend samenwerkingsverband
en dus ook niet in een paritaire commissie voor een GOB. In tegenstelling
tot de Nederlandse gemeenten en provincies is het Duitse Regierungsbezirk</nadruk> namelijk geen lagere overheid met eigen autonome bevoegdheden, maar
een gedeconcentreerde dienst van een <nadruk type="cur">Land</nadruk> waarin
territoriaal een aantal «nationale» taken worden behartigd. Deze
uitsluiting van deelname wordt gezien als een belemmering voor het goed functioneren
van een paritaire commissie omdat op het niveau van het <nadruk type="cur">Regierungsbezirk</nadruk> wel relevante besluiten inzake GOB's worden getroffen.</al>
      <al>2. Waar op basis van het Anholt-Verdrag ambtenaren van een <nadruk type="cur">Regierungsbezirk</nadruk> formeel niet aan de werkzaamheden van een paritaire
commissie kunnen deelnemen, wordt hun deelname op basis van punt 2 van het
Memorandum van Aken wel mogelijk gemaakt. Punt 2 van het Memorandum van Aken
maakt namelijk de instelling van grensoverschrijdende gemeenschappelijke organen <nadruk type="cur">(Duits: grenzüberschreitende Arbeitsgemeinschaften)</nadruk>
als tussenstap naar de oprichting van grensoverschrijdende openbare lichamen <nadruk type="cur">(Duits: grenzüberschreitende Einrichtung)</nadruk> mogelijk.
In deze organen zal worden overlegd over door de nationale bestuursorganen
te nemen beslissingen teneinde op basis van de nationale rechtsordes verenigbare/
coherente bestuursrechtelijke beslissingen te nemen voor de planning, inrichting
en exploitatie van GOB's. De leden van deze organen worden benoemd door de
betrokken overheden op lokaal en regionaal niveau.</al>
      <al>3. Punt drie betreft de instelling van in eerste instantie nationale en
later binationale groepen van deskundigen die de ontwikkeling van GOB's begeleiden.
De experts hebben niet alleen tot taak kennis te nemen van de knelpunten die
zijn gesignaleerd door de onder punt 1 en 2 genoemde gemeenschappelijke organen,
maar ook te komen met suggesties om de problemen op te lossen. De suggesties
kunnen liggen op het vlak van aanpassing van nationale regelgeving, eventueel
van Europees recht. Zo kunnen elementen in de Duitse en Nederlandse nationale
wet- en regelgeving, die een belemmerende rol spelen bij de verdere ontwikkeling
van grensoverschrijdende bedrijventerreinen, waar mogelijk weggenomen worden. </al>
      <al>4. Indien aanpassing van nationale regelgeving geen soelaas biedt, is
een verdergaande stap noodzakelijk. Dit is geregeld in het vierde punt van
het Memorandum van Aken. Hiermee wordt beoogd te komen tot een volkenrechtelijk
kader dat de instelling van grensoverschrijdende lichamen (<nadruk type="cur">Duits: grenzüberschreitende Einrichtungen</nadruk>), die eigen publiekrechtelijke
bevoegdheden kunnen uitoefenen en derden rechtstreeks bindende besluiten nemen,
mogelijk maakt. Zoals reeds aangegeven is dit op basis van het Anholt-Verdrag
nu niet toegestaan.</al>
      <al>5. Het vijfde punt van het Memorandum van Aken behelst de wijziging van
de bestuurlijke organisatie van de grensoverschrijdende gemeenschappelijke
organen op grond waarvan de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden
aan hen kan worden overgedragen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met opname van deze vijf punten in het Memorandum van Aken hebben de betrokken
regeringen de intentie uitgesproken de grensoverschrijdende samenwerking door
middel van de ontwikkeling en het gebruik van GOB's te intensiveren en uit
te breiden. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan onderdelen uit het kabinetsstandpunt
inzake het rapport «De grens nader verkend» (Kamerstukken II,
1998/1999, 26 670, nr. 1).</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 2: Voor de periode tot de inwerkingtreding
van het verdrag dient een paritaire Duits-Nederlandse commissie van deskundigen
te worden ingesteld die de vestiging van bedrijven op het GOB Aken-Heerlen
bevordert.</tuskop>
      <al>In opdracht van Euregio Rijn-Waal voert het bureau Buck Consultants International
(hierna: BCI) momenteel het project «Informatievoorziening en stimulering
grensoverschrijdende bedrijventerreinen» uit. In het kader van dit project
is sinds de vorige voortgangsrapportage (Kamerstukken II 1999/2000, 26 670,
nr. 3) een aantal overlegronden georganiseerd tussen de gemeente Heerlen,
de stad Aken, de provincie Limburg en het <nadruk type="cur">Regierungsbezirk</nadruk>Keulen over de wijze waarop een paritaire commissie voor Heerlen-Aken
kan worden ingevuld. Als resultaat van deze overlegronden is op 7 december
jongstleden door de vier eerder genoemde partijen een overeenkomst ondertekend
voor de oprichting van de zogenaamde Centrale Ambtelijke Werkgroep Avantis
(verder te noemen: CAWA). Deze formalisering van CAWA vond plaats nadat Nederland,
Duitsland en de <nadruk type="cur">Länder</nadruk> Noordrijn-Westfalen
en Nedersaksen hiertoe de mogelijkheid hadden geopend door middel van ondertekening
van het Memorandum van Aken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De CAWA is samengesteld uit één ambtelijke afvaardiging
per partij en:</al>
      <al>• fungeert als coördinatiepunt in het kader van de bestuurlijke
procedures met betrekking tot het bedrijventerrein Avantis en heeft in het
bijzonder ook de taak deze procedures te versnellen;</al>
      <al>• adviseert in dit kader bedrijven die zich eventueel op het terrein
willen vestigen, projectontwikkelaars en andere aanvragers;</al>
      <al>• kan, voor zover het recht van de betreffende staten dit toelaat,
juridisch zelfstandige, maar zakelijk samenhangende bescheiden van de verschillende
(organen van) partijen coördineren en indien nodig of op wens van investeerders
bundelen, zodat in vergunningen eenvoudiger relaties kunnen worden gelegd
met (onderdelen van) andere vergunningen en daarop betrekking hebbende regelingen.<voetref refid="v5.1" nr="1"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naast de CAWA zijn de vier partijen overeengekomen dat er een stuurgroep
wordt ingericht die bestaat uit de burgemeester van de gemeente Heerlen, de <nadruk type="cur">Oberbürgermeister</nadruk> van de stad Aken, de Commissaris
van de Koningin in de provincie Limburg en de <nadruk type="cur">Regierungspräsident</nadruk> voor Keulen. De stuurgroep is belast met afstemmingsvragen
op het gebied van grensoverschrijdende bestuurlijke aangelegenheden, om:</al>
      <al>• fundamentele vragen uit de werkgroep op te pakken;</al>
      <al>• richtinggevende besluiten te nemen;</al>
      <al>• de hoofdlijnen van het voorlichtingsbeleid af te stemmen;</al>
      <al>• de bestuurlijke activiteiten met betrekking tot het realiseren
van stedenbouwkundige en economische ontwikkelingen af te stemmen;</al>
      <al>• werkzaamheden met de betreffende contactpersonen in een groter
kader te coördineren;</al>
      <al>• vragen met betreffende regeringen en andere bestuurlijke niveaus
af te stemmen;</al>
      <al>• het project Avantis te stimuleren, en;</al>
      <al>• de grensoverschrijdende samenwerking in haar geheel te stimuleren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naast de oprichting van een paritaire commissie voor het GOB Avantis (Heerlen-Aken)
is een paritaire commissie ingericht voor het GOB Europark GmbH (Coevorden-Emlichheim).
Deze commissie is sinds 28 september 2000 operationeel en werd ingesteld tijdens
een werkbezoek van de Europaminister van het <nadruk type="cur">Land</nadruk>
Nedersaksen en de Nederlandse staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
aan het GOB.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De vlotte operationalisering van beide paritaire commissies illustreert
de grote behoefte in de grensstreek aan regelgeving die een intensievere grensoverschrijdende
bestuurlijke samenwerking van decentrale overheden mogelijk maakt. De paritaire
commissies zullen in 2001 de door hen gesignaleerde knelpunten op regelmatige
basis terugkoppelen naar de interdepartementale werkgroep (zie ook aanbevelingen
1 en 3) en naar Buck Consultants International.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 3: Er dient een kleine, permanente, interdepartementale
werkgroep te worden ingesteld die in Den Haag kan fungeren als aanspreekpunt
voor vergelijkbare werkgroepen in Düsseldorf en Bonn [Berlijn] en voor
de paritaire commissies voor de bedrijventerreinen. Tevens zou deze werkgroep
belast moeten worden met de voorbereiding aan Nederlandse kant van het verdrag
met de Duitse partners.</tuskop>
      <al>De permanente interdepartementale werkgroep Grensoverschrijdende Projecten
Nederland-Duitsland coördineert de uitvoering van de aanbevelingen van
het rapport «De grens nader verkend». Daarnaast fungeert de werkgroep
als aanspreekpunt voor de Duitse partners in Berlijn, Düsseldorf en Hannover
en voor de Nederlands-Duitse paritaire commissies voor de afzonderlijke GOB's
aan de Nederlands-Duitse grens (vgl. aanbeveling 2). Voorts fungeert de werkgroep
als contactpunt voor de realisering van het Grensinfopunt, dat op initiatief
van de provincie Limburg ontwikkeld wordt (vgl. aanbeveling 4).</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 4: Op korte termijn zou, liefst in de vorm
van een of meer virtuele loketten, een pilot inzake informatievoorziening
moeten worden gestart t.b.v. ondernemers die zich op het GOB Aken-Heerlen,
het Technologiepark Herzogenrath of in de gemeente Kerkrade willen vestigen.
Tijdens de pilot worden voorstellen ontwikkeld om de informatievoorziening
structureel te verbeteren.</tuskop>
      <al>De provincie Limburg ontwikkelt in regelmatige afstemming met het Rijk
een virtueel loket op het terrein van informatieverstrekking en kennisontwikkeling
ten aanzien van grensoverschrijdende bedrijventerreinen, grensarbeid en grensoverschrijdend
ondernemen ten behoeve van het gehele Nederlandse grensgebied. In de laatste
voortgangsrapportage van juni 2000 (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 670,
nr. 3) werd de verwachting uitgesproken dat dit zogenoemde Grensinfopunt
operationeel zou worden in het najaar van 2000, maar de provincie Limburg
heeft aangegeven dat zij daartoe nog wat meer tijd nodig heeft.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit een in opdracht van de provincie Limburg samengesteld rapport van
het Economisch Technologisch Instituut Limburg (ETIL) over de realisering
van het Grensinfopunt blijkt dat het draagvlak voor het initiatief onder instanties
die informatie verschaffen over de aandachtsgebieden grensoverschrijdend werken
en ondernemen vrij sterk is en dat de bereidheid tot samenwerking aanwezig
is. Voorts blijkt dat met name onder particulieren en bedrijfsleven in de
grensstreek een duidelijke behoefte bestaat aan de aanwezigheid van een grensinfopunt.
Gelet op bovengenoemde onderzoeksresultaten en gelet op het feit dat het hier
een initiatief betreft dat zich niet alleen op Limburg maar op het gehele
Nederlandse grensgebied richt is het van belang dat additionele financiële
steun onder de decentrale overheden en overige actoren aan de Nederlands-Duitse
en Nederlands-Belgische grens wordt verkregen. De provincie Limburg heeft
aangekondigd zich hiervoor te willen inzetten. Conform mijn toezegging tijdens
het algemeen overleg op 8 november heb ik bij de overige decentrale overheden
langs de grens reeds een actieve deelname in het Grensinfopunt bepleit.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit een aanvullende ETIL-rappportage blijkt dat het zowel financieel als
technisch gezien mogelijk is het beoogde Grensinfopunt op korte termijn operationeel
te maken. Wel is het dan nodig dat het centrum binnenkomende vragen of data
niet zelf verwerkt maar een doorgeleidingsfunctie naar andere kennisdragende
instanties vervult. Om die reden heb ik er bij de provincie op aangedrongen
dat het Grensinfopunt in maart 2001 van start gaat.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Conform het kabinetsstandpunt (Kamerstukken II, 1998/1999, 26 670,
nr. 1) is het de bedoeling dat het Grensinfopunt en het fiscale Steunpunt
Grensstreek hun plannen waar mogelijk onderling afstemmen. Daartoe vindt nu
al op regelmatige basis overleg plaats waaraan de belastingdienst, de Sociale
Verzekeringsbank (Bureaus voor Belgische resp. Duitse Zaken), de provincie
Limburg en de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en
Financiën deelnemen (zie ook aanbeveling 4 «Ondernemen in de grensstreek»).</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 5: Het Anholt-Verdrag inzake bestuurlijke
grensoverschrijdende samenwerking dient te worden aangepast, zodanig dat op
basis van dat verdrag ingestelde openbare lichamen de bevoegdheid krijgen
besluiten te nemen die burgers rechtstreeks binden. Aldus wordt het Anholt-Verdrag
op gelijke hoogte gebracht met het parallelle Benelux-Verdrag, dat deze mogelijkheid
reeds kent. Artikel 24 van de Duitse Grondwet, dat destijds aan deze bevoegdheidstoedeling
in de weg stond, is inmiddels aangepast.</tuskop>
      <al>Op dit moment maakt het Anholt-Verdrag de oprichting van grensoverschrijdende
samenwerkingsverbanden van decentrale overheden mogelijk, maar kunnen deze
geen besluiten nemen, die derden, zoals burgers of bedrijven, rechtstreeks
binden. Die mogelijkheid bestaat wel bij de grensoverschrijdende samenwerking
tussen Nederland en België.<voetref refid="v7.1" nr="1"></voetref> Het is de uitdrukkelijke
wens van de Nederlandse regering dat deze mogelijkheid ook wordt gecreëerd
ten behoeve van de mede-overheden langs de Nederlands-Duitse grens. Deze wens
leeft ook aan Duitse kant, zoals blijkt uit het Memorandum van Aken van 7 december
2000 en de gemeenschappelijke verklaring van Nederland en Noordrijn-Westfalen
inzake grensoverschrijdende samenwerking van 16 november 2000 (vgl. aanbeveling
1). </al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 6: Onderdeel van het in aanbeveling 1 bedoelde
verdrag zou kunnen zijn een nadere afspraak met Duitsland op grond van artikel
17 van EU-verordening 1408/71, waarin ten behoeve van de rechtspositie van
grensarbeiders een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van de verordening.
Ten behoeve van grensarbeiders zouden voorts begrijpelijk geformuleerde en
goed toegelichte formulieren moeten worden gemaakt, te verstrekken door sociale-verzekeringsinstanties
en belastingdiensten.</tuskop>
      <al>Volgens de hoofdregel van de EU-verordening 1408/71 is een grensarbeider
aan de sociale-zekerheidswetgeving onderworpen in de staat waar hij werkzaam
is. Dit kan voor grensarbeiders tot problemen leiden, met name in de situatie
dat de sociale-zekerheidswetgeving van de werkstaat en de belastingwetgeving
van de woonstaat van toepassing is. De discoördinatie tussen belasting-
en premieheffing kan leiden tot jaarlijkse schommelingen in de door grensarbeiders
verschuldigde belastingen en premies. Dergelijke ongewenste effecten treden
bijvoorbeeld in de relatie tussen Nederland en België op onder de zogenoemde
grensarbeidersregeling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een mogelijkheid om de eventuele discoördinatie op te heffen is de
grensarbeiders voor zowel de belastingheffing als de sociale zekerheid te
onderwerpen aan de wetgeving van de werkstaat. Deze benadering vormt het uitgangspunt
van het fiscale beleid zoals dat door Nederland wordt gehanteerd in onderhandelingen
over belastingverdragen. Voor een nadere toelichting op dit beleid kan onder
meer worden verwezen naar de notitie «Uitgangspunten van het beleid
op het terrein van het internationaal (verdragen)recht», (Kamerstukken
II 1997/1998, 25 087, nr. 4).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de relatie met België is onlangs in het kader van de onderhandelingen
over het nieuwe belastingverdrag overeenstemming bereikt over een regeling
waarbij de belastingheffing van grensarbeiders in de werkstaat zal plaatsvinden.
Na de inwerkingtreding van het verdrag zullen de belasting- en premieheffing
voor deze groep niet langer uiteenlopen. Aan de mogelijke nadelige gevolgen
van een werkstaatheffing – denk aan het niet langer in aftrek kunnen
brengen van hypotheekrente – wordt tegemoetgekomen via een regeling
die ertoe zal leiden dat dergelijke aftrekposten de facto effect sorteren.
Ook in de relatie met Duitsland – waar thans reeds een werkstaatheffing
van toepassing is en het probleem van de discoördinatie zich dus niet
voordoet – vinden de onderhandelingen over een nieuw belastingverdrag
plaats op basis van de hiervoor beschreven uitgangspunten.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 7: Nederland en Duitsland zouden in EU-verband
aandacht moeten vragen voor de grote verschillen in medezeggenschapsregelingen
tussen de lidstaten.</tuskop>
      <al>In de raadswerkgroep sociale vraagstukken in Brussel hebben onder Frans
voorzitterschap besprekingen plaatsgevonden op ambtelijk niveau over het voorstel
van de Europese Commissie voor een richtlijn «tot instelling van een
algemeen kader voor informatie en raadpleging van werknemers». De Kamer
is reeds in augustus 2000 via een BNC-fiche (SOZA-00–626) geïnformeerd
over de inhoud van het voorstel en de eerste beoordeling/inzet van Nederland.
Het is het Franse voorzitterschap niet gelukt dit dossier af te ronden. Op
de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid op 20 december 2000 is een
grote mate van overeenstemming bereikt. Het Zweedse voorzitterschap zal het
dossier proberen de eerste helft van 2001 af te ronden.</al>
      <al>Met de totstandkoming van deze richtlijn zal een algemeen Europees kader
worden gevormd voor de opzet van nationale medezeggenschap en zullen
de bestaande verschillen tussen Nederland en Duitsland opgelost worden.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 8: Tussen de voor arbeidsomstandigheden bevoegde
instanties dienen praktische afspraken te worden gemaakt over wie waar en
waarop gaat inspecteren.</tuskop>
      <al>Gelet op de nieuwe aanpak zoals onder aanbeveling 1 geschetst, ontvalt
de grond aan aanbeveling 8, zoals die was verwoord. Immers onder het principe
van de «Meistbegünstigung» blijven in Nederland en Duitsland
de respectieve arbeidsinspecties volledig bevoegd op het eigen territoir.
Zulks neemt niet weg dat ook onder het nieuwe stelsel van «Meistbegünstigung»
aanleiding zal zijn voor afspraken over inspecties op de werkplek om te voorkomen
dat op tweeërlei wijze het inhoudelijk geldende Europese recht wordt
uitgelegd.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 9: Het rapport EURES dient, wat de problemen
betreft op het gebied van ziektekosten, te worden aangeboden aan de minister
van VWS, met het verzoek de daarin gedane aanbevelingen te bespreken met haar
Duitse ambtgenoot.</tuskop>
      <al>In de vorige voortgangsrapportage (Kamerstukken II 1999/2000, 26 670,
nr. 3) die de Kamer bij brief van 30 juni 2000 is aangeboden, wordt onder
aanbeveling 9 aangekondigd dat er een verdrag inzake de sociale zekerheid
tussen Nederland en Duitsland in voorbereiding is waarin de mogelijkheid wordt
geopend dat de bevoegde autoriteiten overeenkomen dat alle verzekerden, inclusief
gepensioneerde grensarbeiders en hun meeverzekerde familieleden, op het grondgebied
van de andere staat medische zorg kunnen inroepen. Voorzien wordt dat de parlementaire
goedkeuringsprocedure voor het «Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale zekerheid ter aanvulling van
communautaire regelingen», waarin dit wordt geregeld, op korte termijn
in gang wordt gezet.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 10: Wat de op de grens gevestigde ondernemingen
betreft zou het rechtsregime van toepassing moeten zijn van het land waarin
het grootste deel van de bedrijfsvestiging ligt, tenzij in het in aanbeveling
1 genoemde verdrag of in een andere bilaterale afspraak anders is bepaald.</tuskop>
      <al>Deze aanbeveling wordt meegenomen in het kader van de besprekingen van
de Nederlands-Duitse werkgroep die belast is met de uitvoering van de in het
Memorandum van Aken gestelde afspraken (vgl. aanbeveling 4 «Ondernemen
in de grensstreek»).</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 11: «Bij de Duitse autoriteiten zou
moeten worden bepleit mogelijk te maken dat Nederlandse rechtspersonen in
Duitsland kunnen ondernemen, zonder dat zij door de Duitse rechter worden
aangemerkt als Handelsgesellschaft.»</tuskop>
      <al>Volgens de geldende Duitse <nadruk type="cur">Sitztheorie</nadruk> zou
een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap waarvan de hoofdvestiging
in Duitsland is gevestigd, niet rechtsbekwaam zijn. In Duitsland worden de
naar Nederlands recht opgerichte BV's en/of NV's met het centrum van hun bestuursactiviteit
in Duitsland als Handelsgesellschaft aangemerkt. Deze Duitse rechtsregel is
van belang indien Nederlandse bedrijven overwegen zich te vestigen op het
Duitse gedeelte van een GOB. Geredeneerd vanuit het concept van een gezamenlijke
aanpak voor de GOB's zou idealiter de betekenis van de landsgrens voor bedrijven
op een GOB gemitigeerd moeten worden. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals in de voorgaande periodieke rapportage van juni 2000 (Kamerstukken
II 1999/2000, 26 670, nr. 3) reeds werd aangegeven staat de juridische
status van deze <nadruk type="cur">Sitztheorie</nadruk> ter discussie. Dit
in het licht van Europese regelgeving (art. 43 en 48 EG-verdrag) volgens welke
vestigingsvrijheid voor ondernemingen gegarandeerd is. Het Bundesgerichtshof
heeft in maart 2000 deze kwestie inzake de vestigingstheorie als prejudiciële
vraag voorgelegd aan het Europees Hof van Justitie. Duitsland wacht momenteel
het oordeel van het Hof af.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Van Nederlandse zijde wordt intussen bezien of er mogelijkheden bestaan
om een specifieke regeling in het kader van een nieuw verdrag inzake GOB's
te treffen, zoals bedoeld in aanbeveling 11. Daardoor zou bij vestiging en
uitbreiding van bedrijven en ondernemingen op GOB's langs de Duits-Nederlandse
grens niet meer rekening hoeven te worden gehouden met verschillen in de Nederlandse
en Duitse regelgeving ter zake van de <nadruk type="cur">Sitztheorie</nadruk>,
en de gevolgen die dat met zich mee brengt voor de bedrijfsuitoefening.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 12: Met betrekking tot politiële samenwerking
en brandweer kunnen nieuwe aanvullende regelingen worden getroffen op basis
van bestaande afspraken of overeenkomsten (Nederlands-Duitse bijstands-overeenkomst;
Nederlands-Duits Memorandum of Understanding).</tuskop>
      <al>De grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van brandweer en rampenbestrijding
was een van de onderwerpen waarover de Minister en de Staatssecretaris van
Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland en de Minister van
Binnenlandse Zaken van Noordrijn-Westfalen op 16 november jl. afspraken hebben
gemaakt. Deze afspraken zijn neergelegd in een onderdeel van de reeds eerder
genoemde gemeenschappelijke verklaring inzake intensivering van de grensoverschrijdende
samenwerking tussen Nederland en Noordrijn-Westfalen. Wij hebben onder meer
afgesproken dat wij bestaande belemmeringen binnen het kader van onze bevoegdheden
zoveel mogelijk zullen wegnemen. Daarbij willen wij bijzondere aandacht schenken
aan de spoedeisende medische hulpverlening en het gebruik door hulpverleningsvoertuigen
van bijzondere optische en geluidssignalen. Wij stimuleren een versterking
van de samenwerking tussen decentrale overheden op het gebied van de preparatie
(planvorming). Er wordt een permanent gremium gevormd van vertegenwoordigers
van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland,
het ministerie van Binnenlandse Zaken van Noordrijn-Westfalen, van de aan
Duitsland grenzende provincies, van de betrokken <nadruk type="cur">Regierungsbezirke</nadruk> en van de euregio's. Taak van dit gremium is de wederzijdse verstrekking
van informatie over en de uitwerking van probleemoplossingen die niet op lokaal
niveau of op het niveau van een euregio verwezenlijkt kunnen worden. Voorts
zullen het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland
en het ministerie van Binnenlandse Zaken van Noordrijn-Westfalen, zo mogelijk
tezamen met de ministeries van Nedersaksen en België, een brochure uitgeven
waarin de bevoegdheden worden omschreven van de autoriteiten en functionarissen
in het grensgebied aan weerszijden van de grens. In de eerste helft van 2001
zal een grensoverschrijdende stafoefening op het gebied van brandweer en rampenbestrijding
plaatsvinden. Het Nederlandse ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
zal hieraan financieel bijdragen. Ook Noordrijn-Westfalen streeft ernaar deze
oefening financieel te ondersteunen.</al>
      <al>Voor het overige verwijs ik naar de nota «internationale aspecten
van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding», die bij brief
van 7 december 2000 aan de Kamer is aangeboden (vgl. Kamerstukken II,
2000/2001, 27 556, nr.1). </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor wat betreft de grensoverschrijdende politiesamenwerking met Noordrijn-Westfalen
is afgesproken dat een probleemanalyse opgesteld zal worden naar aanleiding
waarvan praktijkgerichte wenselijke situaties worden beschreven. In samenwerking
met de politieautoriteiten in het grensgebied en het ministerie van Binnenlandse
Zaken van Noordrijn-Westfalen zal het Nederlands Instituut voor Politiesamenwerking
(NCIPS), in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
deze gegevens in kaart brengen. Op basis daarvan zullen de departementen voorstellen
voor een gemeenschappelijk juridisch kader ontwikkelen, dat uitoefening van
politiële bevoegdheden in het grensgebied van het andere land mogelijk
maakt, voor zover dringende omstandigheden dit in een bepaald geval vereisen.
Deze afspraak is een uitwerking van bovengenoemde gemeenschappelijke verklaring
met Noordrijn-Westfalen van 16 november 2000.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 13: Voor de inzet van een buitenlands particulier
beveili-gingsbedrijf moet worden bezien in hoeverre wederzijdse erkenning
van vakkwalificaties mogelijk is.</tuskop>
      <al>Door het ministerie van Justitie is nader onderzoek ingesteld om vast
te stellen in hoeverre deze aanbeveling kan worden gerealiseerd. Voor het
onderhavige grensoverschrijdende project met Duitsland wordt daartoe onderzocht
welke mogelijkheden er zijn om tijdelijk ontheffing te verlenen. Hierbij zal
getracht worden recht te doen aan de diverse belangen die de bestaande stelsels
beogen te beschermen. De minister van justitie zal naar verwachting uiterlijk
maart 2001 uitsluitsel kunnen geven over deze ontheffing.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 14: Alle betrokkenen dienen actief mee te
werken aan de vorming van een transnationale hogeschoolstructuur van de Hogeschool
Limburg en de Fachhochschule Aachen. Zolang een formele fusie nog niet binnen
bereik ligt dient die situatie zoveel mogelijk te worden benaderd.</tuskop>
      <al>Ten opzichte van de vorige berichtgeving inzake de transnationale hogeschoolstructuur
van de Hogeschool Limburg en de Fachhochschule Aachen in de periodieke rapportage
van juni 2000 (Kamerstukken II 1999/2000, 26 670, nr.3) kan worden gemeld
dat de Adviescommissie onderwijsaanbod positief heeft geadviseerd over de
nieuwe opleiding Communication- and Multimediadesign, waaraan de Hogeschool
Limburg (NL), de Fachhochschule Aachen (D) en de Hogeschool Hasselt (VLA)
deelnemen. Dat betekent dat de opleiding in het studiejaar 2001–2002
van start kan gaan. Tot dat moment wordt het programma nog aangeboden als
specialisatie van een andere opleiding. Wanneer ook formele toestemming is
verkregen van het <nadruk type="cur">Ministerium für Schule, Wissenschaft
und Forschung</nadruk> van het <nadruk type="cur">Land</nadruk> Noordrijn-Westfalen
is dit een concrete stap in de richting van het doel van beide instellingen
om in 2002 de transnationale opleiding te realiseren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het kader van door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
gemaakte afspraken met de Duitse <nadruk type="cur">Länder</nadruk> Noordrijn-Westfalen,
Nedersaksen, Bremen en het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in België
(het zogenoemde «grenslandenbeleid») wordt naast bovengenoemd
initiatief vanuit de instellingen ook gewerkt aan de vorming van andere transnationale
initiatieven. Over deze grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van
hoger onderwijs zal de Kamer binnenkort apart worden geïnformeerd in
de voortgangsrapportage van OCenW inzake de internationaliseringsnota «Kennis:
geven en nemen», mede op basis van het onderzoek naar de inventarisatie
en evaluatie van de ervaringen met grensoverschrijdende samenwerking op het
gebied van het hoger onderwijs, het Center for Higher Education
Policy Studies (CHEPS) van de Universiteit Twente in opdracht van OCenW heeft
uitgevoerd.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 15: Er dient gebruik te worden gemaakt van
de wettelijke mogelijkheid op het Nederlandse deel van het GOB Aken-Heerlen
een dependance van de Rheinisch-Westfälische Technische Hochschule te
vestigen.</tuskop>
      <al>Sinds de voortgangsrapportage van 30 juni 2000 is de stand van zaken omtrent
deze aanbeveling ongewijzigd. </al>
      <tuskop letat="vet">Voortgangsrapportage van de staatssecretaris van Financiën
inzake aanbevelingen rapport «Ondernemen in de grensstreek»</tuskop>
      <al>In het rapport «Ondernemen in de grensstreek» zijn tien aanbevelingen
op het terrein van de fiscaliteit opgenomen. Onderstaand wordt per aanbeveling
verslag gedaan van de voortgang bij de uitwerking van de aanbevelingen sedert
de halfjaarlijkse rapportage aan Kamer van 30 juni 2000 (Kamerstukken II 1999/2000,
26 670, nr. 3). Daarnaast wordt nader ingegaan op twee vragen die tijdens
het overleg met de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
d.d. 8 november 2000 opkwamen (Kamerstukken II 1999/2000, 26 670,
nr. 4).</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 1: Fiscale behandeling in de winstsfeer van
ondernemingen die op een grensoverschrijdend bedrijventerrein (GOB) gevestigd
zijn.</tuskop>
      <al>De constructieve samenwerking binnen de Nederlands-Duitse werkgroep heeft
ertoe geleid dat inmiddels overeenstemming bestaat over de inhoud van een
bijzondere regeling voor de belastingheffing over de winst van ondernemingen
die op een GOB gevestigd zijn. De werkgroep is voornemens in het eerste kwartaal
van dit jaar nogmaals bijeen te komen. Naar verwachten kan dan de definitieve
tekst van de bijzondere regeling worden vastgesteld. Deze regeling zal door
middel van een aanvullend protocol worden opgenomen in het huidige Nederlands-Duitse
belastingverdrag. Daartoe is besloten teneinde de bijzondere regeling zo spoedig
mogelijk in werking te doen treden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de hoofdlijnen van de regeling zij verwezen naar de voortgangsrapportage
van 30 juni 2000. Toepassing van de bijzondere regeling zal voor alle ondernemingen
op het GOB regel zijn. Het staat derhalve niet ter keuze van de ondernemer
of de bijzondere regeling met betrekking tot zijn onderneming wordt toegepast.
Vestiging op een GOB heeft dus tot gevolg dat de bijzondere regeling zal worden
toegepast. Invoering van een keuzemogelijkheid zou naar het oordeel van de
werkgroep de uitvoering van de regeling in dit stadium te complex maken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Thans wordt onderzocht in hoeverre controleambtenaren van een land controleactiviteiten
kunnen verrichten bij ondernemingen die op het GOB gevestigd zijn aan de andere
kant van de landsgrens.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De beslissing of een bedrijventerrein wordt aangemerkt als een GOB in
de hier bedoelde zin, wordt genomen door de bevoegde autoriteiten in onderling
overleg op de voet van het bestaande Nederlands-Duitse belastingverdrag. Voor
zowel de fiscaliteit als de overige regelingen zal de aanwijzing als GOB op
dezelfde gronden plaatsvinden en dus ook tot dezelfde resultaten dienen te
leiden. Daarom zal voorgesteld worden dat de aanwijziging als GOB in onderling
overleg tussen de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en Financiën plaats zal vinden.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 2: In de sfeer van de indirecte belastingen
is met betrekking tot de teruggaaf van de door een ondernemer in een ander
land betaalde BTW de volgende aanbeveling gedaan:</tuskop>
      <al>– een experiment in de relatie met Duitsland;</al>
      <al>– voor ondernemers die zijn gevestigd op een grensoverschrijdend
bedrijventerrein in Heerlen/Vaals/Kreisfreie Stadt Aachen en Kerkrade/Herzogenrath;</al>
      <al>– waarbij teruggaaf van BTW kan worden gevraagd in de staat van
vestiging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de werkgroep is van Duitse zijde om politieke redenen afwijzend gereageerd
op Nederlandse voorstellen om te komen tot een verdere uitwerking
van deze aanbeveling. Weliswaar wordt van Duitse zijde erkend dat een gewijzigde
teruggaafprocedure voor de BTW waarbij de ondernemer de in het buitenland
betaalde BTW in eigen land kan terugvragen, tot een administratieve lastenverlichting
kan leiden. De Duitse delegatie heeft zich echter steeds op het standpunt
gesteld dat dit vraagstuk primair op Europees niveau moet wordt opgelost.
Het voorstel dat de Europese Commissie in 1998 heeft gedaan voor een herziening
van de teruggaafprocedure zou in dit verband uitkomst moeten brengen.</al>
      <al>De onderhandelingen over het voorstel van de Europese Commissie verlopen
moeizaam. Om die reden is van Nederlandse zijde voorgesteld om – vooruitlopend
op de uitkomsten van de discussie in Europees verband – een tijdelijke
regeling op experimentele basis te treffen voor ondernemers op grensoverschrijdende
bedrijventerreinen. Om de hiervoor genoemde redenen bleek echter ook een dergelijke
beperkte oplossing voor Duitsland niet bespreekbaar.</al>
      <al>Over dit onderwerp zal met België nog contact worden opgenomen.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 3: Met betrekking tot de BTW die verschuldigd
is ter zake van grensoverschrijdend personenvervoer komt de werkgroep tot
de aanbeveling:</tuskop>
      <al>– een experimentele regeling te treffen in de relatie met België
en Duitsland;</al>
      <al>– voor ondernemers die gevestigd zijn in de Euregio Maas-Rijn; en</al>
      <al>– actief zijn in het personenvervoer;</al>
      <al>– waarbij van de BTW die verschuldigd is ter zake van in het andere
land verrichte vervoersdiensten aangifte kan worden gedaan in het land van
vestiging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De werkgroep heeft een nadere analyse gemaakt van de problemen die zich
bij de heffing van BTW bij het personenvervoer in de Nederlands-Duitse grensstreek
voordoen. Uit deze analyse is naar voren gekomen dat de groep ondernemers
die zowel in Nederland als Duitsland aangifte moet doen – dit is de
categorie waarop de aanbeveling ziet – uiterst beperkt is. Het merendeel
van de ondernemers die lokale vervoersdiensten met openbare lijndiensten en
taxi's in de grensstreek verricht, heeft slechts met de belastingdienst van
het eigen land te maken bij de afhandeling van de fiscale verplichtingen.
Van Duitse zijde is een praktische regeling getroffen waarbij Nederlandse
vervoersondernemingen niet in de heffing worden betrokken voor vervoersdiensten
tot 10 kilometer op het grondgebied van Duitsland. De lokaal opererende vervoersondernemingen
blijken dan ook vooral aangifte in Duitsland te doen indien er een recht op
teruggaaf bestaat. Ook van Nederlandse zijde wordt een praktische regeling
gehanteerd waardoor de Duitse vervoersondernemingen die opereren in de grensstreek
doorgaans niet in Nederland zijn geregistreerd. Slechts enkele busondernemingen
die aanspraak maken op teruggaaf van de in Nederland betaalde BTW, zijn bij
de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen Buitenland in Heerlen geregistreerd.
Omdat de analyse van de werkgroep heeft uitgewezen dat zich voor lokale vervoersondernemingen
in de Nederlands-Duitse grensstreek geen noemenswaardige problemen voordoen
bij de afhandeling van de fiscale verplichtingen, ziet de werkgroep af van
het uitwerken van een experimentele regeling.</al>
      <al>Wel zal deze aanbeveling nog worden besproken met de Belgische autoriteiten.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 4: Met betrekking tot de informatievoorziening
en de klachtenafhandeling zijn de volgende aanbevelingen gedaan:</tuskop>
      <al>– het inrichten van gezamenlijke informatiepunten van de Nederlandse
en Duitse belastingdienst in de Nederlandse-Duitse grensstreek, waaronder
een informatiepunt op een van de bedrijventerreinen in de Zuid-Limburgse grensstreek,
waar ondernemers en grensarbeiders tijdens spreekuren terecht
kunnen met vragen over onder meer de fiscaliteit, de sociale zekerheid en
het ondernemingsrecht;</al>
      <al>– het door de belastingdienst laten ontwikkelen van een brochure
in de Nederlandse en Duitse taal ten behoeve van werknemers en ondernemers
die grensoverschrijdend werkzaam zijn;</al>
      <al>– de ontwikkeling van een Duitse vertaling van het Nederlandse C-biljet
en de toelichting daarbij; evenzo zou bij de Duitse autoriteiten moeten worden
aangedrongen op de vervaardiging van een Nederlandstalig aangiftebiljet voor
grensarbeiders en/of een Nederlandstalige toelichting daarbij;</al>
      <al>– het organiseren van periodiek lokaal overleg tussen de Nederlandse
en Duitse fiscale autoriteiten om klachten, verzoeken en vragen te behandelen
die op fiscaal terrein zijn gerezen. Voor Zuid-Limburg zou daarbij gedacht
kunnen worden aan een locatie in het Eurode Business Center dat op de grens
tussen Kerkrade en Herzogenrath is gelegen.</al>
      <al>• Informatiesteunpunt</al>
      <al>In de notitie van 21 juni 2000, nummer AFP 2000-536, is met betrekking
tot deze aanbeveling gemeld dat het Team Grensoverschrijdend Werken en Ondernemen
(hierna: team GWO) te Heerlen is gestart en beantwoordt aan een behoefte aan
informatie op specifieke vragen over het onderwerp «werken en ondernemen
in de grensstreek».</al>
      <al>Voor Nederland wordt gebruik gemaakt van een gratis telefoonnummer. Vanuit
Duitsland blijkt het op dit moment technisch (nog) niet mogelijk om het team
GWO te bellen via een gratis telefoonnummer. Mensen die vanuit het buitenland
bellen moeten daarom voor het deel van het gesprek dat in het buitenland ligt
betalen. Daarnaast is er ook een gewoon telefoonnummer bij de Belcentrale
in Utrecht in gebruik genomen. Met de belastingdiensten van Noordrijn-Westfalen
en Nedersaksen, ondersteund door het centrale ministerie van Financiën,
is overeengekomen om een proef te starten waarbij Duitse ambtenaren in het
team GWO zullen werken. Aan de proef wordt voor de periode van 1 november
2000 tot en met 31 december 2001 deelgenomen door ambtenaren van de belastingdienst
van Noordrijn-Westfalen. De belastingdienst van Nedersaksen zal de proef kritisch
volgen en gedurende 4–6 weken een tweetal ambtenaren ervaring laten
opdoen met het werken in het team GWO. De proef wordt gezamenlijk met de Duitse
belastingdienst geëvalueerd. Eind juni 2001 wordt een tussenrapportage
gemaakt die begin december 2001 wordt gevolgd door een eindrapportage.</al>
      <al>• Enquête</al>
      <al>Uit de resultaten van een beperkte telefonische enquête blijkt dat
het team GWO in het afgelopen jaar voldeed aan een zekere vraag. De vragenstellers
blijken over het algemeen tevreden te zijn over de deskundigheid van de ambtenaren
alsmede over de duidelijkheid en de snelheid van de gegeven antwoorden. Voor
zover dit nodig is wordt men over het algemeen naar de juiste instantie doorverwezen.
De meeste vragen worden gesteld door particulieren (ca. 90%). In dit percentage
zijn begrepen de ondernemers die namens hun personeel vragen stellen. De aard
van de vragen ligt voornamelijk op het terrein van de inkomstenbelasting en
de sociale verzekeringen. Vragen die betrekking hebben op het terrein van
de heffing en inning van de sociale verzekeringen worden door het team GWO
beantwoord. Eenvoudige vragen die betrekking hebben op de uitkeringen van
de sociale verzekeringen worden indien mogelijk in overleg met het Bureau
Belgische Zaken of het Bureau Duitse Zaken beantwoord, maar complexe vragen
worden aan voornoemde bureau's ter behandeling overgedragen. De resterende
vragen (ca. 10%) worden gesteld door ondernemers en hebben voornamelijk betrekking
op de omzetbelasting (voornamelijk op het gebied van de intracommunautaire
transacties, het verrichten van diensten in het buitenland en
de teruggaaf van buitenlandse BTW).</al>
      <al>• Vertaling bestaande formulieren, aangiftebiljetten en brochures</al>
      <al>De werkgroep Schriftelijke Communicatie is in samenwerking met de belastingdienst
van Noordrijn-Westfalen, ondersteund door het Duitse Bondsministerie van Financiën,
gestart met de ontwikkeling van een tweetalige brochure. Het uitgangspunt
is daarbij dat het informatiemateriaal handzaam, leesbaar en laagdrempelig
blijft voor Duitse en Nederlandse belastingplichtigen.</al>
      <al>• Regionale steunpunten</al>
      <al>De werkgroep regionale steunpunten heeft na onderzoek geadviseerd om langs
de grenzen met Duitsland en België regionale steunpunten in te richten.
Bij deze regionale steunpunten zullen naar behoefte spreekuren worden gehouden
voor ondernemers en werknemers in de grensstreek. Met de belastingdiensten
van Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen is afgesproken om gezamenlijk meerdere
regionale steunpunten in te richten.</al>
      <al>Inmiddels is reeds een begin gemaakt met de organisatie van de gezamenlijke
spreekuren. Wat betreft de organisatie van deze gezamenlijke spreekuren zal
zoveel mogelijk worden aangesloten bij de bestaande (informele) praktijk in
de regio's Enschede/Winterswijk en Nijmegen en zullen nieuwe initiatieven
worden ontplooid in de regio's Coevorden, Venlo/Roermond en Heerlen. Waar
mogelijk zal voor wat betreft de sociale zekerheid aan de Duitse grens met
het Bureau Duitse Zaken en aan de Belgische grens met het Bureau Belgische
Zaken wordt samengewerkt. Daarnaast wordt de samenwerking met de euregio's
en de Kamers van Koophandel geïntensiveerd of opgestart. Bij de te organiseren
spreekuren worden, op dezelfde wijze als dit thans gebeurt op plaatsen waar
reeds informele spreekuren worden gehouden, vragenstellers altijd geholpen.
Dit betekent dat, waar het gaat om andere dan fiscale vragen, de vragensteller
indien gewenst wordt begeleid tot aan het juiste loket. Dit betekent dat de
ambtenaar ervoor zorgt dat tijdens het spreekuur daadwerkelijk een afspraak
wordt gemaakt met de juiste instantie.</al>
      <al>• België</al>
      <al>De aanbevelingen in het rapport van de Commissie-Wöltgens zijn met
name gericht op de Nederlandse-Duitse grens. In enkele aanbevelingen wordt
echter ook op het belang van een regeling met België gewezen. Dit is
onder meer het geval in aanbeveling 3 (BTW en personenvervoer), een terrein
waarop de problemen zich vooral in de relatie met België lijken voor
te doen. Ook een uitbreiding van de faciliteiten die thans worden opgezet
voor de informatievoorziening naar de Nederlands-Belgische grensstreek (aanbeveling
4) lijkt gewenst. Gezien de gevolgen van de belastingherziening (invoering
keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen, heffingskorting) en de wijzigingen
van het verdrag met België (overgang van woonstaat- naar werkstaatheffing
voor grensarbeiders) ligt het voor de hand om op het terrein van de informatievoorziening
te komen tot een samenwerking met de Belgische autoriteiten. Het streven is
erop gericht om hierover overleg te starten op politiek of hoog ambtelijk
niveau.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 5: Het hanteren van een vaste regel met betrekking
tot de vestigingsplaats van op de grens gelegen ondernemingen.</tuskop>
      <al>In de bijzondere regeling voor de belastingheffing op GOB's zal ook een
beslisregel worden opgenomen voor het bepalen van de vestigingsplaats van
ondernemingen die op de landsgrens liggen. In het rapport-Wöltgens is
de aanbeveling gedaan om voor de belastingheffing van ondernemingswinsten
het zogenoemde v.i.-model in te voeren waarbij een Nederlandse ondernemer
die zich op een GOB vestigt geacht wordt in Nederland te zijn gevestigd (en
als gevolg daarvan in eigen land belast blijft), ook als hij zich vestigt
op het deel van een GOB dat op het grondgebied van het andere land ligt. Voor <nadruk type="cur">ondernemingen van natuurlijke personen</nadruk> die exact op de
landsgrens gelegen zijn zal daarbij hetzelfde uitgangspunt worden gehanteerd
als voor ondernemingen waarvan de vestiging volledig aan de andere zijde van
de grens is gelegen. In die gevallen wordt uitgegaan van de woonplaats van
de ondernemer. Problemen lijken zich in deze gevallen alleen te kunnen voordoen
als de ondernemer op de grens woont, hetgeen zich bijvoorbeeld zou kunnen
voordoen als hij boven zijn onderneming op een GOB woont, die op zijn beurt
op de landsgrens ligt. Het huidige Nederlands-Duitse belastingverdrag biedt
voldoende instrumenten om te beslissen in welk land een dergelijke ondernemer
geacht wordt zijn woonplaats te hebben.</al>
      <al>Met betrekking tot <nadruk type="cur">ondernemingen van lichamen</nadruk>
kunnen zich problemen van dezelfde aard voordoen. In beginsel wordt een lichaam
geacht te zijn gevestigd in de staat waar diens feitelijke leiding is gevestigd.
Als echter de feitelijke leiding van een onderneming zich fysiek bevindt op
het terrein van de onderneming van het lichaam terwijl die onderneming is
gelegen op de landsgrens, zou het kunnen voorkomen dat niet kan worden vastgesteld
in welk land de feitelijke leiding (en daarmee de vestigingsplaats) van het
lichaam is gelegen. Voor die gevallen heeft de Nederlands-Duitse werkgroep
een aanvullende en tevens eenvoudig hanteerbare beslisregel in de regeling
opgenomen. In die gevallen wordt het lichaam namelijk geacht te zijn gevestigd
in het land waar de door de onderneming op het GOB benutte oppervlakte het
grootst is (zie ook aanbeveling 11 «De grens nader verkend»).
Met betrekking tot de indirecte belastingen is tijdens de laatste bijeenkomst
van de werkgroep in september van Duitse zijde toegezegd een briefwisseling
tussen de autoriteiten van beide landen voor te bereiden waarin deze problematiek
wordt geregeld.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 6 tot en met 9: Sinds de voortgangsrapportage
van 30 juni 2000 is de stand van zaken omtrent deze aanbevelingen niet gewijzigd.</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 10: De werkgroep beveelt aan het heffen van
belastingen en premies bij grensarbeiders in één staat (de woonstaat
of de werkstaat) te laten plaatsvinden.</tuskop>
      <al>Voor het probleem van tekortschietende huidige wet- en regelgeving betreffende
de belastingheffing over salarissen van personen die werkzaam zijn in een
onderneming die op de landsgrens is gelegen, heeft de werkgroep een oplossing
geformuleerd. Deze oplossing bestaat daarin dat <nadruk type="cur">alleen
voor deze gevallen</nadruk> de hier bedoelde werknemers geacht worden hun
dienstbetrekking uit te oefenen in het land waar de desbetreffende onderneming
geacht wordt te zijn gevestigd. Eveneens alleen voor deze gevallen zal in
de, door de werkgroep voorgestelde, regeling belasting- en premieheffing van
het salaris van de betrokken werknemers – vooruitlopend op een dienovereenkomstige
regeling in een nieuw Nederlands-Duits belastingverdrag – in hetzelfde
land plaatsvinden.</al>
      <tuskop letat="vet">Vragen die tijdens het overleg met de Vaste Commissie
voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 8 november 2000 opkwamen</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">1. Gebruik in België van in Luxemburg ingeschreven
wagens:</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Mevrouw Van der Hoeven merkte op dat tussen België
en Luxemburg afspraken zijn gemaakt ter zake van het gebruik van auto's met
een Luxemburgs kenteken in België. Verzocht werd om weer te geven hoe deze regeling luidt en of een dergelijke regeling ook van toepassing
zou kunnen tussen Nederland en haar buurlanden</nadruk>.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De regeling in België heeft te maken met de heffing van verkeersbelasting
en de zogenaamd «in verkeers stellings belasting». Dit zijn nationale
Belgische heffingen. De laatstgenoemde belasting is te vergelijken met de
Nederlandse Belasting op Personen- en Motorvoertuigen (BPM). In deze wet is
reeds een regeling opgenomen voor de auto's die in een ander land dan Nederland
zijn geregistreerd maar worden gebruikt door personen die in Nederland woonachtig
zijn. Er zijn in dat verband twee soorten vrijstellingen van de belasting:
één voor werknemers die door hun werkgever een auto ter beschikking
gesteld hebben gekregen. Deze hebben een volledige vrijstelling van BPM. De
tweede vrijstelling geldt voor ondernemers zelf: deze hebben slechts een vrijstelling
voor het woon-werk en het zakelijke verkeer dat met de «buitenlandse»
auto wordt afgelegd binnen Nederland. De vraag is of het wenselijk is om deze
regeling aan te passen voor ondernemers die hun onderneming uitoefenen op
een GOB. De vrijstellingen in de Belgische «in verkeers stellings belasting»
zijn soortgelijk aan de beschreven vrijstellingen in de Wet BPM.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">2. Vraag van de heer Weekers (VVD). Er zou van de zijde
van het ministerie van Soziale Zaken en Werkgelegenheid weinig behoefte bestaan
om in de huidige informatievoorzieningen in de grensstreek met de belastingdienst
mee te lopen. De heer Weekers vroeg zich af of die geringe behoeft bij SoZaWe
bestaat of vanuit de maatschappij.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op dit moment vindt er reeds samenwerking met het ministerie van Soziale
Zaken en Werkgelegenheid plaats en deze verloopt langs twee kanalen. In de
eerste plaats is er een interdepartementale werkgroep onder voorzitterschap
van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en wordt
waar nodig op ad-hoc basis samen gewerkt. Daarnaast bestaat er reeds een intensieve
samenwerking tussen enerzijds de Belastingdienst (team GWO) en de Sociale
Verzekeringsbank, een uitvoeringsorganisatie van SoZaWe, en de Bureaus Belgische
en Duitse Zaken anderzijds (zie ook de passage vermeld onder het kopje Regionale
steunpunten, aanbeveling 4). </al>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v3.1" nr="1">
    <al>Gemeenschappelijke verklaring van Nederland en Noordrijn-Westfalen inzake
grensoverschrijdende samenwerking 2000 in: Staatscourant nr. 233, 1 december
2000.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v3.2" nr="2">
    <al>Gemeenschappelijke verklaring van de regering van Nederland en de regering
van de Bondsrepubliek Duitsland, met deelname van de regeringen van het <nadruk type="cur">Land</nadruk> Nedersaksen en het <nadruk type="cur">Land</nadruk>
Noordrijn-Westfalen inzake grensoverschrijdende bedrijventerreinen (Memorandum
van Aken) in: Staatscourant nr. 249, 22 december 2000.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.1" nr="1">
    <al>Nederlands-Duitse overeenkomst tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten
(Anholt-Verdrag) (Trb. 1991, 102).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v5.1" nr="1">
    <al>NB: De wettelijke taken en bevoegdheden van de betreffende overheidsinstanties
worden door deze overeenkomst niet aangetast of beperkt.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v7.1" nr="1">
    <al>Benelux-Overeenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale
samenwerkingsverbanden of autoriteiten (Trb. 1986, 160).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>