﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26670-4/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2000-2001</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.5__2.14" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST50228</ordernr>
    <vergjaar>2000-2001</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 670</nummer>
      <naam>Grensoverschrijdende projecten</naam>
    </onderw>
    <onderw>
      <nummer>27 242</nummer>
      <naam>Grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>4</nummer>
      <titel>VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG</titel>
      <datum>Vastgesteld 11 december 2000</datum>
      <al>De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> heeft op 8 november 2000 overleg gevoerd met staatssecretaris
De Vries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en staatssecretaris
Bos van Financiën over:</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">– de brief van de staatssecretarissen van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties en van Financiën d.d. 7 juli 2000 inzake
het kabinetsstandpunt grensoverschrijdende projecten (26 670, nr. 3);</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="vet">– de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 26 juli 2000 inzake het kabinetsstandpunt
grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking (27 242, nr. 1).</nadruk>
      </al>
      <al>Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit. </al>
      <tuskop letat="vet">Vragen en opmerkingen uit de commissie</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">De Cloe</nadruk> (PvdA) beschouwt het overzicht
dat middels beide aan de orde zijnde brieven wordt gegeven als een nuttig
en informatief handvat om verder op pad te gaan met grensoverschrijdende activiteiten.
Met betrekking tot de grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking (27 242,
nr. 1) mist hij evenwel nog steeds een duidelijke departementale coördinatie
en afstemming, evenals een heldere visie van de regering om te komen tot verbetering
van het bestuurlijk karakter waarbinnen de grensoverschrijdende samenwerking
plaatsvindt. Er zouden meer gestructureerde initiatieven ten aanzien van dit
onderwerp ontplooid moeten worden. Het mag niet zo zijn dat wanneer zich een
volgend aspect aandient, het via een apart verdrag weer een paar jaar duurt
voordat vervolgstappen worden gezet. Dat het soms wel degelijk snel kan, bewijst
de totstandkoming van het politieverdrag rond EK 2000, dat allerlei bevoegdheden
dwars over de grenzen heen regelde.</al>
      <al>De heer De Cloe moet verder tot zijn spijt constateren dat tot nu toe
weinig gehoor is gegeven door de euregio's aan de oproep van de Tweede Kamer
om te komen met een reactie op het kabinetsstandpunt over de grensoverschrijdende
bestuurlijke samenwerking. De enige die zich wat dat betreft positief onderscheidt,
is de provincie Limburg die blijk geeft van volop aandacht en support voor
dit onderwerp. Het is van belang dat het kabinet ook de andere
gebieden aanspoort om inhoudelijk en financieel een bijdrage te leveren aan
met name het Expertisecentrum grensoverschrijdende samenwerking (ECGS) in
Maastricht.</al>
      <al>Schijnbaar concentreert de structurele samenwerking zich vooralsnog op
één hoofdpunt, te weten de euregio's. Daarbij moet overigens
weer een onderscheid gemaakt worden tussen euregio's van oudsher, voornamelijk
in Duitsland, die al langer bestaan en waar sprake is van goede samenwerking
en euregio's, vooral in Brabant, die pas zijn ontstaan op het moment dat de
grote gelden van Europa binnenkwamen. Ook de vormgeving van de euregio's is
compleet verschillend en leidt tot onduidelijkheid, onder andere waar het
gaat om de vraag wie wat controleert. De ene euregio is bijvoorbeeld een openbaar
lichaam, waaraan wat gemakkelijker taken kunnen worden overgedragen, terwijl
de andere qua vormgeving ongrijpbaar is en de suggestie in zich bergt dat
die slechts ingesteld is om genoemd Europees geld binnen te halen. Vanwege
de controle en de continuïteit zou de heer De Cloe dan ook graag zien
dat er een betere bestuurlijke inbedding komt van de euregio's, waarbij zijn
voorkeur uitgaat naar een publiekrechtelijke status.</al>
      <al>De provincie Limburg heeft in haar streven naar inhoudelijke optuiging
van de euregio's, deze gebieden gevraagd om meer steun wat betreft de cofinanciering.
In dat kader doet zij samen met nog twee specifieke euregio's de suggestie
om het Arnhemoverleg te reanimeren. Naar verluidt, is de staatssecretaris
evenwel voornemens om een splitsing in genoemd overleg aan te brengen. Waarop
is dit voornemen gebaseerd en is dit wel de goede weg? In hoeverre vindt hierover
overleg plaats met het interprovinciaal overleg (IPO) en de Vereniging van
Nederlandse gemeenten (VNG)?</al>
      <al>Met betrekking tot de grensoverschrijdende projecten heeft de Duitse Bondskanselier
Schröder zich positief over de aanpassing van het Verdrag van Anholt
uitgelaten. Aangezien hij dit weekend in Nederland is voor onder meer een
gesprek met premier Kok, is dat tevens een goede gelegenheid om hem hierop
in stimulerende zin nader aan te spreken, juist waar het op dit beleidsterrein
nog steeds aan echte voortgang ontbreekt.</al>
      <al>In 1998 is door de Kamer verzocht om het opzetten van een experiment in
Zuid-Limburg, maar tot nu toe is er formeel nog steeds niets geregeld. In
ieder geval dient, ook ten behoeve van eventuele investeerders, helder aangegeven
te worden wat de verdere marsroute omtrent de inwerkingtreding van genoemd
verdrag is en hoe het nader zal worden ingevuld.</al>
      <al>De heer De Cloe zou niet graag zien dat, zoals de staatssecretaris van
BZK tijdens de begrotingsbehandeling heeft aangegeven, het ECGS regionaal
begrensd is. Het expertisecentrum is destijds opgezet met als uitgangspunt
dat het zich zou bezighouden met het totale aspect van de grensoverschrijdende
samenwerking en dat het zich dus niet alleen beperkt tot Limburg. Juist waar
er meerdere kenniscentra zijn, zoals Informatievoorziening en stimulering
grensoverschrijdende samenwerking van EZ en het steunpunt Grensstreek van
Financiën, geeft de heer De Cloe de voorkeur aan meer eenduidigheid en
bundeling van alle kennis in het ECGS in plaats van allerlei centra in stand
te houden die naast elkaar werken.</al>
      <al>Hij zet vraagtekens bij de eerder gedane uitspraak van de staatssecretaris
van BZK geen heil te zien in de grenslandtoets omdat die de wetgeving terzake
alleen maar zou vertragen. Op het moment dat getoetst wordt, kan bijvoorbeeld
boven water komen dat iets voor Nederland in totaliteit goed is, maar voor
de grensstreek nadelig. Het resultaat van een dergelijke toets behoeft weliswaar
niet altijd even gunstig uit te pakken, maar het is wel van belang die te
plegen. Bovendien behoeft die niet vertragend te werken op wetgeving, want
bij de opstelling ervan kan wel degelijk aangegeven worden wat het gevolg
en de doorwerking ervan is voor de grensstreek. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Weekers</nadruk> (VVD) heeft op zichzelf waardering
voor de brieven, maar constateert evenals de heer De Cloe dat daarin vooralsnog
een duidelijke visie van het kabinet ontbreekt op de grensoverschrijdende
samenwerking, met name de toekomstige rol, plaats en samenstelling van de
euregio's. Hoe kijken de bewindslieden bijvoorbeeld aan tegen de verschillen
in structuur van de regio's en wat is naar hun oordeel de meest wenselijk
structuur in dit verband?</al>
      <al>Wat betreft de samenwerking met andere departementen op dit beleidsterrein
is meer coördinatie nodig. Op dit moment worden knelpunten nog te zeer
ad hoc opgepakt. Het lijkt erop dat soms de ene hand van het kabinet niet
weet wat de andere hand doet.</al>
      <al>De uitspraak in het kabinetsstandpunt over de grensoverschrijdende bestuurlijke
samenwerking d.d. 13 juli jl. dat voor een goede grensoverschrijdende samenwerking
en voor het bestaansrecht van de euregio een hechte bestuurlijke inbedding
noodzakelijk is, roept de vraag op hoe het kabinet hieraan invulling wenst
te geven.</al>
      <al>Aangezien op grond van het Beneluxverdrag er wat betreft grensoverschrijdende
samenwerking meer mogelijk is dan op basis van het Verdrag van Anholt, is
de staatssecretaris van BZK bezig om laatstgenoemd verdrag aan te passen.
Worden de bevoegdheden conform het Beneluxverdrag in de praktijk ook daadwerkelijk
gebruikt en, zo ja, wat zijn de ervaringen daarmee? Waarom reageert Duitsland
tot nu toe zo terughoudend waar het aanpassing van het Verdrag van Anholt
betreft?</al>
      <al>Met betrekking tot het grensoverschrijdend bedrijventerrein (GOB) Avantis
(Aken en Heerlen) verneemt de heer Weekers graag of het inderdaad zal lukken
om, zoals eerder aangegeven door het kabinet, nog dit jaar met een ontwerpverdrag
te komen en wanneer het feitelijk tot uitvoering kan worden gebracht.</al>
      <al>De staatssecretaris van BZK is voornemens om samen met zijn collega's
in Duitsland en België een gids uit te brengen, waarin de verschillende
verantwoordelijkheden en bevoegdheden op organisatorisch gebied, met name
ten aanzien van de rampenbestrijding, worden vermeld. Wat is de reactie van
zijn ambtgenoten daarop en hoe participeren andere betrokken overheden daarin?
Staan de neuzen wel dezelfde kant op?</al>
      <al>Op blz. 20 van het kabinetsstandpunt over grensoverschrijdende bestuurlijke
samenwerking wordt melding gemaakt van nog bestaande problemen op het gebied
van wet- en regelgeving, problemen van technische aard en problemen door cultuurverschillen.
Op welke wijze worden die problemen aangepakt?</al>
      <al>De heer Weekers sluit zich aan bij de opmerkingen van de heer De Cloe
over het Arnhemoverleg en de grenslandtoets.</al>
      <al>Met het oog op de expertise en de invloed van met name lagere overheden
op de Europese besluitvorming is het een goede ontwikkeling dat op 30 maart
jl. het Nederlandse huis der provincies te Brussel is geoperationaliseerd.</al>
      <al>De permanente vertegenwoordiging die de voorstellen van de Europese Commissie
beoordeelt, werkt op dit moment nauw samen met IPO en VNG. Kan reeds enig
inzicht gegeven worden in de resultaten ervan? Uit reacties van met name de
provincie Limburg blijkt dat er behoefte bestaat bij provincies die grenzen
aan het buitenland om hierin te participeren. Ziet de staatssecretaris van
BZK daartoe mogelijkheden, zonder dat dit de snelheid van de processen frustreert?
Het zou in ieder geval goed zijn wanneer bij de beoordeling van de voorstellen
van de Commissie ook mensen worden betrokken met een meer praktische blik.</al>
      <al>Hoewel het niet de bedoeling is om de plaatsen waar op dit moment bepaalde
kennis aanwezig is, over te hevelen naar het ECGS, zou dit centrum wel heel
goed kunnen functioneren als een soort grenslandportaal dat in staat is om
eenieder met vragen door te geleiden naar de juiste vraagbaak. </al>
      <al>Het rapport «Ondernemen in de grensstreek» dat anderhalf jaar
geleden is uitgebracht, beschrijft een aantal praktische ervaringen met de
wat terughoudende Duitse opstelling terzake van grensoverschrijdende projecten,
met name waar het gaat om de fiscale aspecten. Hoe ervaart de staatssecretaris
van Financiën zelf de samenwerking met de Bondsrepubliek op dit punt?</al>
      <al>Er worden tot nu toe intensieve pogingen gedaan door het kabinet om grensoverschrijdende
arbeid gemakkelijker te maken. Het nieuwe belastingstelsel leidt er terecht
toe dat bepaalde belastingvoordelen ook ten goede komen aan grensarbeiders.
Daarnaast is het een goede ontwikkeling dat in de Veegwet een aanpassing is
verricht ten aanzien van de overdracht van de heffingskorting van de niet-werkende
partner. Wellicht dat de staatssecretaris van Financiën de bij sommige
grensarbeiders aanwezige ongerustheid over voor hen eventuele nadelige effecten
van het nieuwe belastingregime weg kan nemen.</al>
      <al>Het stemt tot tevredenheid dat het kabinet ook hard werkt aan een betere
coördinatie tussen fiscaliteit en sociale zekerheid. Begin dit jaar is
aangekondigd dat er met België overeenstemming is over een nieuw belastingverdrag.
Wanneer kan de Kamer daarvan kennis nemen en kan al iets meer duidelijkheid
gegeven worden over een in het vooruitzicht gestelde compensatieregeling in
verband met de effecten van dat verdrag? Komt er ook een regeling om mensen
die in Nederland wonen en in Duitsland werken te compenseren en zo ja, wanneer?
Wat is overigens de stand van zaken rond het zogenaamde kapstokartikel en
het aanvullend protocol?</al>
      <al>In februari jl. is in Heerlen het steunpunt Grensstreek geopend dat fungeert
als belastinginformatiepunt. Wat zijn de tot nu toe daarmee opgedane ervaringen
en is de beoogde proef waarbij Nederlandse en Duitse belastingambtenaren als
vraagbaak dienen, reeds gestart? Wordt bij die proef ook het aspect van arbitrage
ingebouwd, opdat cliënten klip en klaar vernemen wat hun rechtspositie
is in fiscale zin en op het gebied van sociale zekerheid? Indachtig de eerdere
toezegging van toenmalig staatssecretaris Vermeend over het aangaan van samenwerking
op dit punt met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid teneinde
genoemd steunpunt uit te breiden met expertise op het gebied van sociale zekerheid,
vraagt de heer Weekers naar de voortgang op dit punt.</al>
      <al>Tijdens het algemeen overleg d.d. 16 december 1999 (26 670, nr. 2)
is door de staatssecretaris van BZK aangegeven dat de minister van VWS zou
werken aan een verdrag met Duitsland over grensoverschrijdende gezondheidszorg.
Is dat verdrag inmiddels gereed en wordt een vergelijkbaar verdrag met België
gesloten? Wanneer komt er een concreet plan van aanpak voor grensoverschrijdende
spoedeisende medische hulpverlening? Overigens zou er naar het oordeel van
de heer Weekers in zijn algemeenheid een plan van aanpak moeten komen dat
betrekking heeft op alle in de voortgangsrapportage genoemde aanbevelingen,
inclusief tijdpad.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Van der Hoeven</nadruk> (CDA) constateert dat
in deze stukken een achterliggende visie ontbreekt op de vraag hoe om te gaan
met grensoverschrijdende samenwerking in het Europa van morgen, hetgeen te
betreuren is aangezien de overheid juist ook op dit terrein tot keuzes wordt
gedwongen. Als er geen met elkaar afgesproken kader is waarbinnen die samenwerking
kan worden geplaatst, is het wel heel erg moeilijk om genoemde keuzes te maken.
Het roept het gevaar op dat die keuzes arbitrair worden.</al>
      <al>De Europese Unie als zodanig mag dan wellicht gezien worden als een voorbeeld
van voortschrijdende samenwerking en integratie, maar gelet op de haarvaten
van Europa in de vorm van onder meer de euregio's blijkt het toch lastig om
alle verordeningen en richtlijnen om te zetten in tastbare resultaten waar
de burgers profijt van hebben. Er bestaan dus wel degelijk nog praktische
barrières. In dat licht is het niet verwonderlijk dat met
name de desbetreffende grensbewoners weinig enthousiasme kunnen opbrengen
voor Europa.</al>
      <al>Beide nota's die nu ter bespreking voorliggen, geven een onthutsend beeld
van de traagheid en stroperigheid van de grensoverschrijdende samenwerking
op bijna elk terrein. Mevrouw Van der Hoeven doet in dit verband een oproep
aan beide bewindslieden om waar mogelijk tot versnelling van de verdere uitvoering
te komen, waarbij zij bijzondere aandacht vraagt voor de versterking van de
politie in Zuid-Limburg en voor de reeds meermalen aangevraagde bestuurlijke
proefprojecten in de Limburgse euregio.</al>
      <al>Met betrekking tot grensoverschrijdende projecten is inmiddels een verdrag
tussen Nederland en Duitsland in het vooruitzicht gesteld, maar nog steeds
is niet duidelijk wanneer dat daadwerkelijk tot stand zal komen. Het is te
hopen dat het een feit zal zijn voordat de korenwolven het gehele Avantisterrein
in Limburg hebben gekraakt. Hoe ver staat het daarnaast met de voorbereidingen
inzake het desbetreffende verdrag tussen Nederland en België? Zou het
Beneluxverdrag op dit punt niet een kader kunnen bieden?</al>
      <al>Voorwaarde voor totstandkoming van het ECGS dient naar het oordeel van
mevrouw Van der Hoeven te zijn dat het een duidelijke meerwaarde heeft in
de vorm van een soort helpdesk dat via een eenloketfunctie kanaliserend kan
optreden waar het gaat om de verschillende projecten.</al>
      <al>Het Anholtverdrag zal volgens het kabinet worden aangepast om onder andere
de instelling van een gemeenschappelijk grensoverschrijdend publiekrechtelijk
lichaam mogelijk te maken. Wanneer zal dat geëffectueerd worden en welke
bevoegdheden zal dat publiekrechtelijk lichaam dan krijgen? De indruk bestaat
vooralsnog dat met name de competentieverschillen tussen de Bond en de deelstaten
tot veel problemen leiden.</al>
      <al>Inzake de verschillen in medezeggenschapsregelingen wordt in de brief
over de grensoverschrijdende projecten verwezen naar het Europese niveau.
Hoewel er op dat niveau inderdaad een aantal zaken moeten worden opgepakt,
betreft het hier bij uitstek een onderwerp dat om meer praktische oplossingen
vraagt, waarbij onder meer verwezen kan worden naar de oplossing waarmee Esso
Benelux inmiddels is gekomen.</al>
      <al>Wat betreft de grensoverschrijdende politiële samenwerking wil mevrouw
Van der Hoeven graag nader geïnformeerd worden over de voortgang in het
kader van Dinxperlo/Suderwick en Baarle-Nassau/Baarle-Hertog.</al>
      <al>Binnenkort wordt tussen Nederland en België een verdrag gesloten
waardoor de transnationale universiteit Limburg een stap dichterbij lijkt
te komen, hetgeen een goede ontwikkeling is. Biedt dit overigens niet tevens
een aanzet om de transnationale faculteit Nederland/Duitsland mogelijk te
maken?</al>
      <al>Met betrekking tot het zogenaamde kapstokartikel in het nieuwe belastingverdrag
tussen Nederland en Duitsland zou mevrouw Van der Hoeven graag vernemen hoe
het staat met de nadere uitwerking en de acceptatiegraad aan Duitse zijde.
In het bijzonder zijn hierbij aandachtspunten de BTW-kwestie en het rijden
in een auto met een kenteken van een ander land.</al>
      <al>Op blz. 23 van de voortgangsrapportage over de grensoverschrijdende projecten
(26 670, nr. 3) staat met betrekking tot het heffen van belastingen en
premies bij grensarbeiders onder meer, dat het nog niet vaststaat in hoeverre
de Nederlandse pendelaar die in Duitsland werkzaam is, aldaar een beroep op
behandeling als inwoner van Duitsland kan doen en dat het volgens de Duitse
nationale wetgeving in elk geval wel mogelijk is als ten minste 90% van het
wereldinkomen van de pendelaar (voor gehuwden 90% van het gezamenlijke inkomen)
ter belastingheffing aan Duitsland toekomt. Hoe vaak komt het echter voor
dat gehuwden beiden pendelaars zijn? Als de een pendelaar is en de ander niet,
zou deze regelgeving wel eens niet toepasbaar kunnen zijn, met alle gevolgen
van dien. Relevant hierbij dient veeleer te zijn dat in de betrokken landen
dezelfde keuze wordt gemaakt waar het gaat om woonstaat of werkstaat,
dat er sprake is van een integrale opzet en dat bij wijzigingen in de wetgeving
aan beide kanten een grenslandeffecttoets plaatsvindt.</al>
      <al>Het kabinetsstandpunt over de grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking
bevat weliswaar veel informatie die evenwel niet altijd even veelbelovend
is. Zo is er reden tot zorg over de naleving van de Europese regelgeving op
decentraal niveau. Uit onderzoek blijkt dat de mate van naleving bij gemeentes
slechts 25% is. Hoe wordt dit probleem aangepakt en welke positie is hierbij
weggelegd voor het kenniscentrum Europadecentrale overheden?</al>
      <al>De grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking kent zowel een privaatrechtelijke
variant, euregio Maas-Rijn, als een publiekrechtelijke variant, euregio Rijn-Waal.
Wat zijn de mogelijkheden en eventueel belemmeringen voor een verdere uitgroei
bijvoorbeeld waar het gaat om een hechte en bestendige bestuurlijke inbedding?</al>
      <al>Tijdens de onlangs gehouden Beneluxconferentie in Baarle-Nassau/Baarle-Hertog
over grensoverschrijdend ambulancevervoer is onder andere naar voren gekomen
dat er heel veel behoefte bestaat aan het inrichten van een helpdesk op dat
punt om zodoende beter in te kunnen spelen op de verschillende praktische
problemen en vragen. Zien de bewindslieden mogelijkheden om die helpdeskfunctie
te faciliëren?</al>
      <al>Het Gemeenschappelijk orgaan Baarle is in 1998 opgericht en heeft een
eigen statuut, maar onduidelijk is welke feitelijke bevoegdheden dit orgaan
heeft en over welke financiële faciliteiten het beschikt. Daarnaast verneemt
mevrouw Van der Hoeven graag wat de meerwaarde, de agenda en de doelstellingen
zijn van het bestuurlijk overleg tussen Nederland en Duitsland en dat tussen
Nederland en België.</al>
      <al>Ten aanzien van de grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking ligt
een indrukwekkende waslijst van initiatieven en projecten voor, maar de opgave
is vervolgens om gezamenlijk die samenwerking duidelijker op de maatschappelijke
en politieke kaart te zetten. Wil men mensen interesseren voor Europa, dan
moet begonnen worden in de regio. Geconstateerd moet evenwel worden dat, alle
goede bedoelingen ten spijt, er juist ten aanzien van het probleemoplossend
vermogen van de euregio's, nog sprake is van een groot aantal knelpunten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Hoekema</nadruk> (D66) heeft uit de lappendekken
en wirwar aan gegevens die beide brieven bevatten als hoofdpunten kunnen destilleren:
stimuleren, synchroniseren, weghalen van belemmeringen en informeren. Er zijn
op z'n minst vijf niveaus waarop die vier taken aangepakt kunnen worden, te
weten Brussel, rijksoverheid, provincie, de gemeentes en de grensoverschrijdende
lichamen. Een en ander levert aldus een nogal ingewikkelde matrix op. Hoewel
meer visie en coördinatie ten aanzien van dit beleidsonderwerp nodig
zijn, heeft de heer Hoekema tegelijkertijd het gevoel dat in dezen het oude
Chinese spreekwoord «laat duizend bloemen bloeien» ook wel van
toepassing is. De overheid moet weliswaar aanjagen, belemmeringen weghalen
en informeren, maar daar behoeft niet strikt vanuit de mal van Den Haag een
eenduidig model op te worden toegepast. Is het bijvoorbeeld echt een probleem
dat sommige euregio's publiekrechtelijk van karakter zijn en andere privaatrechtelijk?
Is wat dat betreft synchronisatie echt gewenst?</al>
      <al>Het eerste aandachtspunt betreft de, ook tijdens een enige tijd geleden
plaatsgevonden werkbezoek van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties aan Limburg, duidelijk naar voren gekomen problemen op
het gebied van de grensoverschrijdende samenwerking op medisch terrein. Deze
problemen die zowel het ambulancevervoer betreffen als meer praktische kwesties,
zoals verschillen in ziektekostenverzekering, met alle administratieve belemmeringen
van dien, vragen om een snelle oplossing. </al>
      <al>Daarnaast is het van belang dat bij grensoverschrijdende rampen en ongevallen
gekomen wordt tot een zeer goede afstemming. Hoewel er in de stukken al een
en ander over wordt gemeld, zou de heer Hoekema van de staatssecretaris van
BZK graag vernemen op welke specifieke punten er te dien aanzien nog belemmeringen
zijn. Zijn bijvoorbeeld de belemmeringen waarvan destijds sprake was bij de
AWACS-ramp bij Geilenkirchen inmiddels weggenomen?</al>
      <al>Het project met betrekking tot Baarle-Nassau/Baarle-Hertog is deels een
voorbeeld van hoe het wel moet en deels een voorbeeld van hoe het juist niet
moet. Ook hierbij moet de rijksoverheid in ieder geval haar eigen beperkingen
kennen, aangezien de gemeentes het uiteindelijk zelf moeten doen, hetgeen
onverlet laat dat diezelfde rijksoverheid samen met de provincie Noord-Brabant
de taak heeft om beide gemeentes aan te jagen en te stimuleren, ook met subsidie
voor ambtelijke bijstand. De vraag rijst in dit verband of wat betreft Baarle
niet uitgegaan zou kunnen worden van een hoger ambitieniveau in de vorm van
een grensoverschrijdend openbaar lichaam in plaats van het huidige gemeenschappelijk
orgaan, zodat haar kansen om werkelijk tot een Europese gemeente door te groeien
worden vergroot. Tevens is van belang dat de betrokken gemeentes zelf vaart
zetten in het proces met name door een gezamenlijk raadhuis te laten bouwen.</al>
      <al>Refererend aan de opzet in Dinxperlo-Suderwick, waarbij sprake is van
een gemeenschappelijk politiebureau, is de heer Hoekema benieuwd te vernemen
of de staatssecretaris van BZK van plan is dezelfde werkwijze toe te passen
op andere grensgemeentes en zo ja, wat daartoe de mogelijkheden zijn.</al>
      <al>Treffend is overigens de uitspraak van dezelfde staatssecretaris over
de harmonisatie van nationale medezeggenschapsregelingen, ook gegeven de subsidiariteit.
Los van zijn Europese achtergrond dringt zich overigens wel de vraag op wat
hij als liberaal van een dergelijke harmonisatie vindt.</al>
      <al>De heer Hoekema vraagt vervolgens aan de staatssecretaris van Financiën
of er met betrekking tot de fiscale harmonisatie, onder andere met het oog
op het weghalen van fiscale belemmeringen voor grensarbeid, een taak is weggelegd
voor Europees commissaris Bolkestein dan wel of dit iets is wat Nederland
bilateraal met België en Duitsland tot stand dient te brengen. Het is
ter stimulering van grensarbeid in ieder geval van belang dat het beginsel
van het in de werkstaat in aanmerking laten komen voor belasting- en premieheffing
wettelijk geïmplementeerd wordt.</al>
      <al>De schriftelijke uiteenzetting over het vennootschapsrecht geeft aan dat
er met name ten opzichte van Duitsland nog de nodige verschillen bestaan op
dit punt. Op welke manier zullen die worden weggenomen?</al>
      <al>Tijdens een dit voorjaar afgelegd werkbezoek aan Sluis-Aardenburg is de
heer Hoekema er door de plaatselijke autoriteiten op gewezen dat er weliswaar
sprake is van een sterke oriëntatie op België maar dat er tot nu
toe wat betreft de grensoverschrijdende samenwerking weinig resultaat wordt
geboekt. Hij verzoekt de verantwoordelijk staatssecretaris om Zeeland in stimulerende
zin te wijzen op de mogelijkheden van deze samenwerking.</al>
      <al>Met name vanwege zijn voorlichtende en informerende rol richting gemeentes
en provincies is het van enorm belang dat het kenniscentrum coördinatie
Europadecentrale overheden verder goed van de grond komt. Waar tegelijkertijd
gemeentes en provincies via IPO en VNG dan wel rechtstreeks in Brussel verkeren,
moet er in die zin voor worden opgepast dat in Nederland activiteiten worden
overgedaan die reeds in Brussel plaatsvinden. Tevens is er het risico dat
gemeentes en provincies met voorbijgaan aan Den Haag rechtstreeks zaken gaan
doen in Brussel.</al>
      <al>Waar onlangs de minister van Justitie in de Kamer heeft toegegeven dat
er nog heel weinig terecht is gekomen van het kenniscentrum Europees recht,
is het wellicht zinnig dat de staatssecretaris van BZK eerstgenoemde hierop
in meer aanjagende zin aanspreekt. </al>
      <al>Zeer positief acht de heer Hoekema de toets bij de fiches terzake van
de nieuwe Commissievoorstellen voor de decentrale overheden, hetgeen een zeer
belangrijke vooruitgang is, ook bezien in het licht van de Europese wet- en
regelgeving.</al>
      <al>Hij sluit zich aan bij de prangende vraag van voorgaande sprekers wanneer
het verdrag over de grensoverschrijdende samenwerking met betrekking tot bedrijfsterreinen
tot stand komt en wanneer de aanpassing van het Anholtverdrag een feit zal
zijn. Zal laatstgenoemde aanpassing inderdaad leiden tot dezelfde structuur
als die van het Beneluxverdrag, waarbij burgerbindende besluiten kunnen worden
genomen? Wordt dat Beneluxverdrag op dit ogenblik overigens al ten volle benut?</al>
      <al>Er mag van worden uitgegaan dat het ECGS een meerwaarde heeft en terecht
stelt het kabinet dat dit een voorbeeldfunctie voor de rest van Europa moet
hebben. De heer Hoekema heeft sowieso de indruk dat waar het gaat om de praktijk
van de grensoverschrijdende samenwerking, Nederland het helemaal niet zo slecht
doet, gemeten naar de Europese schaal, hetgeen overigens niet wegneemt dat
het binnen niet al te lange termijn met een eigen actieplan zou moeten komen
teneinde de belemmeringen die er nog zijn weg te nemen, waarbij het Arnhemoverleg
op een meer structurele leest zou dienen te worden geschoeid en er goed geluisterd
moet worden naar klachten van burgers en ondernemers. Daar er nog steeds Nederlandse
wetten en regels zijn die het samenwerken met het buitenland in de praktijk
belemmeren, zou het dienstig zijn hiervan een inventarisatie te maken. In
dat licht pleit de heer Hoekema er ook voor dat de grenslandtoets met iets
meer welwillendheid wordt benaderd dan tot nu toe uit de stukken tot uitdrukking
komt.</al>
      <tuskop letat="vet">Antwoord van de regering</tuskop>
      <al>De <nadruk type="vet">staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties</nadruk> geeft aan dat er de afgelopen jaren sprake is van een spectaculaire
ontwikkeling van de Europese Unie. De totstandkoming van de interne markt
in betrekkelijk weinig jaren heeft de verwachtingen van de sceptici op dit
punt duidelijk gelogenstraft. Dat op die Europese markt een Europese munt
tot stand komt, is iets wat zeer weinigen zes tot zeven jaar geleden voor
mogelijk hadden gehouden. Daarnaast zijn de politie- en justitiesamenwerking
in de Unie een integraal onderdeel uit gaan maken van het werk van wat vroeger
vooral een economische doelorganisatie was. Genoemde ontwikkelingen hebben
gevolgen voor zowel de decentrale overheden in de lidstaten als voor onder
anderen bewoners van de grensstreek. De belemmeringen die burgers, ondanks
de geschetste ontwikkeling van de Unie, nog steeds in hun dagelijks leven
ervaren, nopen tot een extra inspanning van de decentrale en centrale overheden
om die weg te nemen, teneinde de Unie ook concreet gestalte te geven.</al>
      <al>Hoewel in de gehele Unie grensoverschrijdende samenwerking in een hogere
versnelling is gekomen, moet wel geconstateerd worden dat het tempo als zodanig
zeer wisselt van land tot land. De staatssecretaris heeft de indruk dat de
intensiteit van de samenwerking langs de Nederlandse buitengrenzen grosso
modo hoger ligt dan die langs de buitengrenzen van veel andere EU-lidstaten.
Dat neemt niet weg dat er tussen Nederland, België en Duitsland nog steeds
sprake is van verschillende ambitieniveaus en dat de neuzen van die landen
wat dat betreft dus niet dezelfde richting uitwijzen. Om die reden heeft de
staatssecretaris samen met de staatssecretaris van Financiën besloten
om een extra impuls te geven, teneinde de resterende knelpunten zo snel mogelijk
weg te nemen. Derhalve wordt het onderwerp hoger op de politieke agenda geplaatst
in Den Haag, in de regio's en in het samenwerkingsverband met België
en Duitsland. Er is dus wel degelijk sprake van ambitie, hoewel beseft moeten
worden dat er ook grenzen aan zijn, die onder andere te maken hebben
met een andere competentieverdeling tussen de diverse lagen van de overheid
aan weerszijden van de grens.</al>
      <al>Op een viertal punten streeft het kabinet naar intensivering van het beleid
terzake. Het eerste betreft de gevolgen van Europese regelgeving voor de Nederlandse
decentrale overheden. Vorig jaar is een Europaoverleg tussen het rijk, IPO
en VNG ingesteld, onder voorzitterschap van BZK, waarin nieuwe voorstellen
van de Commissie, Interreg-programma's en dergelijke worden besproken op hun
relevantie voor decentrale overheden. Evaluatie van dit overleg is voorzien
in 2002. De eerste ervaringen zijn positief. Er is in heel Europa overigens
een trend waarneembaar waarbij decentrale overheden vestigingen openen in
Brussel. Zo is er het Nederlandse huis der provincies. Ook het ministerie
van Buitenlandse Zaken is van oordeel dat er sprake is van goed en constructief
overleg tussen de Nederlandse permanente vertegenwoordiging en die vestigingen
van decentrale overheden.</al>
      <al>Daarnaast is er het streven te komen tot het kenniscentrum Europadecentrale
overheden, dat zich zal moeten richten op de gevolgen van bestaand en nieuw
Europees beleid en regelgeving voor de decentrale overheden in geheel Nederland,
waarbij «meer transparantie» het kernbegrip is. De decentrale
overheden blijven overigens zelf verantwoordelijk voor de naleving van de
EU-regels.</al>
      <al>Verder zijn er beleidsintensiveringen ten behoeve van de euregio's. Vooralsnog
wisselen de euregio's sterk in aard en effectiviteiten. Hoewel de staatssecretaris
in beginsel voorstander is van een aanpak in de trant van «laat duizend
bloemen bloeien» kan hij evenwel niet om de vaststelling heen dat er
duidelijk voordelen zitten aan de meest vergaande constructie die de verdragen
met Duitsland en de Benelux in dezen mogelijk maken. Het is van belang dat
er voldoende bestuurlijk draagvlak wordt gecreëerd door de decentrale
overheden in Nederland, Duitsland en België, hetgeen het best kan geschieden
door middel van een grensoverschrijdend openbaar lichaam, dat namelijk besluiten
kan nemen die de deelnemers binden. De Beneluxovereenkomst gaat zelfs een
stap verder, waar deze ook derden kan binden. De besprekingen met Duitsland
zijn er dan ook op gericht om via aanpassing van het Anholtverdrag ook die
optie mogelijk te maken. Een tweede voordeel van een grensoverschrijdend openbaar
lichaam is dat het rechtspersoonlijkheid heeft en derhalve zelf middelen kan
verwerven en beheren. Het is uiteraard aan de decentrale overheden zelf om
voor die constructie te kiezen. In dat licht is de staatssecretaris voornemens
om aan de hand van een «peer review» samen met de euregio's tegen
het licht te houden wat de verschillende ervaringen zijn en om de Kamer daarover
in een volgend halfjaarlijks verslag te informeren. De indruk bestaat overigens
dat nogal wat euregio's naar binnen zijn gekeerd. Ook de rol van de provincies
in dit verband dient ook nader onder de loep te worden genomen. Aan de oostgrens
zijn de provincies niet echt vertegenwoordigd in de euregio's, terwijl dat
aan de zuidgrens wel het geval is.</al>
      <al>Het Arnhemoverleg is enigszins stil komen te liggen. De euregio's verschillen
zoveel dat ze niet veel samen doen, ook niet richting het rijk. Er wordt voorgesteld
te komen tot een splitsing in twee deeloverleggen, omdat de Nederlands-Belgische
problemen nogal wat blijken te verschillen van de Nederlands-Duitse. Voorzover
de euregio's dat zelf zouden willen, dient de aandacht vooral gericht te worden
op de praktijk van de problemen, waarbij gebruik zou kunnen worden gemaakt
van de deskundigheid van het Beneluxsecretariaat. Dat zou ook van dienst kunnen
zijn waar het gaat om het probleem van het identificeren van bepalingen in
wetgeving die grensoverschrijdend bestuurlijke samenwerking in de weg staan.
Vaak wordt namelijk door de Nederlandse decentrale overheden in nogal abstracte
termen gesproken over grensproblemen, zonder dat helder is wat ze precies
omvatten.</al>
      <al>De staatssecretaris benadrukt weinig te klagen te hebben over de samenwerking met de collega's in het kabinet inzake het dossier van de
grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking. Zo verschijnt zeer binnenkort
een uitvoerige kabinetsnota van de bewindslieden van onderwijs over de internationale
dimensie van het onderwijs. Overigens bestaat de indruk dat er geen juridische
belemmeringen van majeure aard zijn die samenwerking met hogescholen en universiteiten
in Duitsland in de weg zouden staan op het gebied van de grensoverschrijdende
faculteiten.</al>
      <al>Een ander element van de intensivering is het voornemen om te starten
met een jaarlijks politiek overleg met de gewesten en Länder aan de andere
kant van de grens, onder meer vanwege het feit dat die bestuurslagen nogal
wat eigen bevoegdheden hebben die in Nederland door het rijk worden uitgeoefend.
Er kan derhalve niet alleen worden volstaan met een dialoog met Brussel en
Berlijn. Tot nu toe is hierop uitgesproken positief gereageerd door de regeringen
van Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen, een reactie van Belgische kant moet
nog komen. De gedachte is om genoemd overleg toe te spitsen op concrete punten,
zoals politiesamenwerking.</al>
      <al>Binnenkort ontvangen de staatssecretaris en de minister van BZK de betrokken
bewindslieden uit Noordrijn-Westfalen, waarbij geprobeerd zal worden nadere
afspraken te maken over grensoverschrijdende politiesamenwerking. Of Dinxperlo/Suderwick
daarvan deel uit zal maken, is op dit moment niet te overzien. Overigens is
het wel de bedoeling dat in algemene zin wordt gekeken naar intensivering
van de politiesamenwerking met Duitsland, dus niet alleen met de deelstaten
maar ook met de Bond zelf. Daarnaast zal de Kamer begin volgend jaar een evaluatie
ontvangen van de politiesamenwerking tussen België en Nederland tijdens
het EK 2000.</al>
      <al>Een ander aandachtspunt in het overleg met België en Duitsland is
de rampenbestrijding. Naar verwachting kunnen zeker met Duitsland op afzienbare
termijn hierover nadere afspraken worden gemaakt. Ten aanzien van België
zijn intussen de nodige initiatieven genomen op met name het punt van de samenwerking
op het gebied van de ambulancehulpverlening. De staatssecretaris zegt vervolgens
toe de suggestie inzake een helpdeskfunctie in relatie tot grensoverschrijdend
ambulancevervoer door te sluizen naar de minister van VWS.</al>
      <al>Met betrekking tot de grensoverschrijdende projecten wordt vooruitgang
geboekt, zij het dat het allemaal nog wel wat sneller zou kunnen. Zo is Nedersaksen
inmiddels toegetreden tot het overleg over de grensoverschrijdende bedrijventerreinen.
Ook zijn er voor de bedrijventerreinen vorderingen waar het gaat om het instellen
van paritaire commissies die de praktische problemen aanpakken. Er is er een
gestart op 28 september jl. in Europark (Coevorden-Emlichheim). Er komt er
binnenkort een in Avantis (Heerlen-Aken) die zal bestaan uit vertegenwoordigers
van de provincie Limburg, de Bezirksregiering Keulen en de gemeentes Heerlen
en Aken. Daarnaast wordt gekeken naar de ontwikkeling van een bedrijventerrein
Berg-Emmerich.</al>
      <al>Bondskanselier Schröder heeft zich onlangs uitgesproken voor totstandkoming
van een verdrag tussen Nederland en Duitsland over grensoverschrijdende bedrijventerreinen.
Zo'n signaal helpt zeer, juist waar de competentieverdeling in Duitsland wat
ingewikkelder is dan die in Nederland. Van Nederlandse zijde wordt er veel
energie in gestoken. De staatssecretaris geeft aan zelf hierover te hebben
gesproken met zijn Duitse ambtgenoot. De staatssecretaris van Buitenlandse
Zaken en de Nederlandse ambassadeur in Berlijn zijn op dit vlak ook zeer actief,
terwijl ook de minister-president hierover herhaaldelijk overleg heeft met
zijn ambtgenoot. Naar verwachting zal met betrekking tot genoemd verdrag voor
het eind van dit jaar een memorandum of understanding worden getekend, dat
een stappenplan zal omvatten om dat verdrag dichterbij te brengen. Naar de
staatssecretaris hoopt, zal in dat plan tevens een verwijzing worden opgenomen
om het Anholtverdrag zodanig te wijzigen dat de zo-even genoemde
paritaire commissies publiekrechtelijke, dus burgerbindende besluiten kunnen
nemen.</al>
      <al>Bij de opzet van de grensoverschrijdende bedrijventerreinen behoort ook
sprake te zijn van meer transparantie voor alle betrokkenen ten aanzien van
juridische problemen in de grensstreken. In dat licht kan het prima initiatief
van Limburg worden gezien tot oprichting van het ECGS. Voorwaarde hierbij
dient dan wel te zijn dat er nauwe afstemming is met de overige informatiepunten,
onder andere op fiscaal gebied, bijvoorbeeld via elektronische uitwisseling
van gegevens. Het kenniscentrum zou zich niet alleen op Limburg maar op alle
Nederlandse grensgebieden moeten richten en zal moeten fungeren als een soort
virtual helpdesk die doorverwijst naar gespecialiseerde instanties, maar dan
wel via één loket. Het kabinet is bereid om dit instituut gedurende
drie jaar van een startsubsidie te voorzien. De staatssecretaris spreekt in
dit licht de bereidheid uit om bij de decentrale overheden langs de grens
te bepleiten dat men een actief aandeel neemt in het centrum, opdat er in
de grensstreek voldoende draagvlak ontstaat om het instituut zelf van voldoende
middelen te gaan voorzien. Het gaat niet aan dat provincies en gemeentes in
de grensgebieden als het ware achterover gaan leunen in de overigens onterechte
veronderstelling dat het rijk toch wel zal blijven financieren. Het is overigens
van belang dat de beginfase niet al te ambitieus van opzet is. Men kan beter
klein beginnen en iets snel en goed van de grond tillen, dan te lang bezig
blijven met een zeer brede benadering die misschien minder draagvlak genereert.
In dat licht is vooralsnog het initiatief toegesneden op het grootste knelpunt
op korte termijn, namelijk de bedrijvenproblematiek. In de afspraken met Limburg
is vastgelegd dat het centrum zich in de eerste plaats richt op informatievoorziening
ten behoeve van grensarbeiders en bedrijven die overwegen zich op een grensoverschrijdend
bedrijventerrein (GOB) of in een grensoverschrijdende verzamelgebouw te vestigen.
Overigens is het zinnig om de rol en de financiële basis van dit initiatief
aan de orde te stellen in het Arnhemoverleg en om er ook in Beneluxverband
nader over van gedachten te wisselen, teneinde de mogelijkheden van het bereiken
van synergie zoveel mogelijk te benutten.</al>
      <al>Hoewel de gedachte van een grenslandtoets sympathiek is, is die buitengewoon
moeilijk systematisch uitvoerbaar. De eerste horde is dat een regeling waarbij
bijvoorbeeld Nederland en Duitsland allerlei uitzonde- ringsbepalingen en
preferentiële arrangementen zouden overeenkomen voor grensregio's, de
toets van het mededingingsbeleid van Brussel moet kunnen doorstaan. Een belangrijker
argument is dat van de reciprociteit. Bij een grenslandtoets zou het idealiter
zo moeten zijn dat de betrokken landen aan beide kanten van de grens hun wetgeving
onderling afstem- men. Het probleem is evenwel dat Nederland aan twee landen
grenst, België aan vier en Duitsland aan negen. Beseft moet dan ook worden
dat het voor België en in het bijzonder Duitsland buitengewoonlijk moeilijk
is om de nationale wetgeving uitsluitend aan te passen aan die van Nederland.
Liever dan een generieke abstracte toetsing vanuit Den Haag ziet de staatssecretaris
dan ook dat aan de hand van signalering van concrete problemen in de grensregio's,
dus van onderop, wordt nagegaan hoe tot oplossingen kan worden gekomen.</al>
      <al>De medezeggenschapsregelingen zijn in Brussel nog steeds in bespreking.
Het Franse voorzitterschap doet een poging om de problemen op dat punt te
overwinnen, maar de vorderingen zijn nog niet echt florissant te noemen. Mocht
het uiteindelijk in Europees verband niet lukken om tot meer eenduidigheid
terzake te komen, dan zal bezien moeten worden of bilateraal tot meer afstemming
gekomen kan worden. De suggestie van mevrouw Van der Hoeven om hierbij dan
ook te betrekken de praktische oplossingen zoals die gevonden zijn door bepaalde
bedrijven, zal de staatssecretaris graag doorgeven aan zijn ambtgenoot van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid. </al>
      <al>De gang van zaken in Baarle is nog steeds punt van aandacht. Op verzoek
van de gemeente Baarle-Nassau is door het ministerie van BZK nagegaan of er
juridische belemmeringen bestaan voor twee initiatieven om de samenwerking
in Baarle te intensiveren, te weten realisering van een gemeenschappelijk
gemeentehuis en aanstelling van een gemeenschappelijke gemeentesecretaris.
Aan Nederlandse zijde bestaat voor geen van beide enige juridische belemmering.
Het is dus een kwestie van politieke wil op lokaal niveau. Met betrekking
tot de bestuursambtenaar heeft de staatssecretaris onlangs tijdens een werkbezoek
getracht te bevorderen dat zowel de gemeente als de provincie wat meer bestuurlijke
soepelheid aan de dag zouden leggen. Er is nu in redelijk overleg gekozen
voor een constructie waarbij de provinciale subsidie geleidelijk wordt verminderd
en naar verwachting zal de gemeente geleidelijk de kosten op zich nemen. Ten
aanzien van de rol van de rijksoverheid zit er wat dat betreft niet meer in.
Men heeft de voordelen van samenwerking, dus moet men er ook de kosten van
accepteren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">staatssecretaris van Financiën</nadruk> merkt
met betrekking tot de voortgang en het tijdpad rond het wegnemen van de fiscale
belemmeringen bij grensoverschrijdende projecten op dat de totstandkoming
van het grote belastingverdrag met Duitsland enigszins is vertraagd, onder
andere als gevolg van het feit dat er ook in dat land een grote belastinghervorming
gaande is en men aldaar niet de benodigde ambtelijke capaciteit vrij kan maken
ten behoeve van genoemd verdrag. Overigens behoeft dit beide landen niet op
dit specifieke onderdeel te weerhouden om op korte termijn tot een oplossing
te komen, aangezien er gekozen is voor opstelling van een aanvullend protocol
bij het huidige, nog vigerende verdrag, waarin voornamelijk bijzondere regels
worden neergelegd met betrekking tot de heffing van inkomsten- en vennootschapsbelasting
over de winst van bedrijven die zich op een grensoverschrijdend bedrijventerrein
vestigen. Naar verwachting zal dat in december, uiterlijk januari in concept
gereed zijn, waarna het medio 2001 voor implementatie in aanmerking komt.</al>
      <al>Ten aanzien van de teruggaaf van de BTW ziet Duitsland geen kans, gezien
de vele landsgrenzen, om alleen langs de grens met Nederland de problemen
op te lossen. Wel is men bereid mee te werken aan vanuit Brussel geregisseerde
oplossingen.</al>
      <al>Voor de totstandkoming van het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland
en België is grofweg sprake van hetzelfde tijdpad als geldt voor eerdergenoemd
protocol. Er wordt op dit moment nog gewerkt aan de gemeenschappelijke toelichting.
Naar aanleiding van de totstandkoming van dat nieuwe verdrag is een aantal
compensatiemechanismen voor grensarbeiders van toepassing, aangezien er wordt
overgegaan van het heffen op woonstaatbeginsel naar het heffen op werkstaatbeginsel,
hetgeen met name gevolgen heeft voor aftrekposten die het woonland toekent.
In het kader van het nieuw verdrag met Duitsland is geen behoefte aan dergelijke
compensatie omdat aldaar de heffing op werkstaatbeginsel ook onder het huidige
verdrag reeds wordt toegepast. Een en ander betekent overigens niet dat daarmee
wat betreft grensarbeiders helemaal geen sprake is van meer of minder wenselijke
effecten. Inkomenseffecten als gevolg van Nederlandse wetgeving kunnen wel
degelijk beïnvloed worden door de in België en Duitsland gehanteerde
belastingregimes. In ieder geval is bij de totstandkoming van het Nederlandse
nieuwe belastingstelsel voor de 21ste eeuw, inclusief de Veegwet, geprobeerd
een zo evenwichtig mogelijke oplossing te vinden voor de problematiek van
de grensarbeiders.</al>
      <al>Met betrekking tot de vraag of gelet op de fiscale harmonisatie, onder
andere met het oog op het weghalen van fiscale belemmeringen voor grensarbeid,
een taak is weggelegd voor Europees commissaris Bolkestein, merkt de staatssecretaris
op dat het raakvlak met Europa er veeleer op neerkomt dat het
een aantal kaders heeft bepaald waarbinnen de fiscale afspraken, ook in bilateraal
verband, zich dienen te bewegen. Voorzover de staatssecretaris bekend, is
er geen sprake van beleidsvoornemens of te duiden initiatieven van de zijde
van de desbetreffende commissaris op dit punt.</al>
      <al>Wat betreft het team grensoverschrijdend werken en ondernemen (GWO) is
inmiddels door het ministerie van financiën van de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
toegezegd dat deze voor de periode van een jaar zal deelnemen, terwijl Nedersaksen
heeft aangegeven voor een periode van vier tot zes weken te zullen participeren.
Daarnaast is de Nederlandse belastingdienst bezig om samen met Noordrijn-Westfalen
een tweetalige brochure ten behoeve van de voorlichting over de fiscale aspecten
die verbonden zijn aan het grensoverschrijdend werken en ondernemen te ontwikkelen.
Momenteel is de status van de samenwerking er overigens vooral een van informatie-uitwisseling.
Het is wel de verwachting dat in een volgende fase van de proef elementen
aan de orde zullen komen, zoals gemeenschappelijk boekenonderzoek en het gemeenschappelijk
volgen van fiscale trajecten.</al>
      <al>Wat betreft de opmerking van mevrouw Van der Hoeven dat België en
Luxemburg een oplossing hebben voor de situatie dat een ingezetene een voertuig
met buitenlands kenteken mag rijden merkt de staatssecretaris op dat een dergelijke
oplossing niet bekend is. Nadat hij kennis heeft genomen van die oplossing
zal bezien worden of een dergelijke oplossing ook iets is voor Nederland.</al>
      <al>Met betrekking tot fiscaliteit en sociale zekerheid is er contact geweest
met Sociale Zaken. Tot nu toe blijkt de behoefte aan grensoverschrijdende
samenwerking op het gebied van de sociale zekerheid minder groot dan wanneer
het gaat om fiscale zaken. De staatssecretaris zegt overigens toe hierover
nog nader contact op te nemen met Sociale Zaken zodat in de volgende rapportage
in januari de laatste stand van zaken op dat punt meegedeeld kan worden.</al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
        <naam>De Cloe</naam>
        <functie>De griffier van de commissie,</functie>
        <naam>De Gier</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling: Leden: Schutte (RPF/GPV), Te Veldhuis (VVD), ondervoorzitter,
De Cloe (PvdA), voorzitter, Van den Berg (SGP), Van de Camp (CDA), Scheltema-de
Nie (D66), Van der Hoeven (CDA), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA),
Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Dankers (CDA), Hoekema (D66), Rijpstra
(VVD), O. P. G. Vos (VVD), Rehwinkel (PvdA), Wagenaar (PvdA), Luchtenveld
(VVD), De Boer (PvdA), Duijkers (PvdA), Verburg (CDA), Rietkerk (CDA), Halsema
(GroenLinks), Kant (SP), Balemans (VVD), De Swart (VVD).</al>
    <al>Plv. leden: Rouvoet (RPF/GPV), Van Beek (VVD), Zijlstra (PvdA),
Ravestein (D66), Van Wijmen (CDA), Bakker (D66), Balkenende (CDA), Barth (PvdA),
Gortzak (PvdA), Rabbae (GroenLinks), Wijn (CDA), Dittrich (D66), Cherribi
(VVD), Van den Doel (VVD), Van Oven (PvdA), Apostolou (PvdA), Cornielje (VVD),
Kuijper (PvdA), Belinfante (PvdA), Mosterd (CDA), Eurlings (CDA), Van Gent
(GroenLinks), Poppe (SP), Essers (VVD), Nicolaï (VVD).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>