﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26670-3/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1999-2000</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.4__2.13" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST47146</ordernr>
    <vergjaar>1999-2000</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 670</nummer>
      <naam>Grensoverschrijdende projecten</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>3</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
EN VAN FINANCIEN</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>'s-Gravenhage,  <datum>30 juni 2000</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 2 juli 1999 heeft het kabinet de aanbevelingen uit de rapporten «De
grens nader verkend» (1999) en «Ondernemen in de grensstreek»
(1998) overgenomen (vgl. Kamerstukken II 1998/99, 26 670, nr. 1). Toen
werd toegezegd dat het kabinet voornemens is halfjaarlijks aan beide Kamers
te rapporteren over de voortgang betreffende de uitvoering van de aanbevelingen.
Op 16 december 1999 hebben de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en de vaste commissie voor Financiën uit de Tweede Kamer overleg gevoerd
met de staatssecretarissen De Vries (BZK) en Vermeend (Financiën) over
de uitvoering van bovengenoemd kabinetsstandpunt. Van dat overleg hebben de
commissies een beknopt verslag uitgebracht (Kamerstuk 26 670, nr. 2).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tijdens dat algemeen overleg is afgesproken dat de eerstvolgende halfjaarlijkse
rapportage over de uitvoering van de aanbevelingen in de zomer 2000 zal plaatsvinden.
Vele activiteiten ter uitvoering van het kabinetsstandpunt bevonden zich in
december 1999 nog in een aanloopfase. Dit werd in niet onbelangrijke mate
mede veroorzaakt door het vele overleg dat – gelet op de Duitse staatsstructuur –
tussen de bij de grensoverschrijdende projecten betrokken Duitse instanties
nodig bleek. Tijdens het algemeen overleg van 16 december 1999 is de Kamer
hierover geïnformeerd. Per door het kabinet overgenomen aanbeveling treft
u hierbij de voortgang en stand van zaken aan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tijdens het algemeen overleg werden vanuit de Kamer enkele vragen gesteld
die wel een grensoverschrijdend karakter hebben, maar die als zodanig geen
betrekking hebben op de aanbevelingen uit de rapporten «De grens nader
verkend» en «Ondernemen in de grensstreek». Zij betreffen
vooral de thema's sociale zekerheid en grensarbeid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Waar het vragen betreft over de voorlichting inzake de socialeverzekeringsproblematiek
van de grensarbeiders en over de daarmee samenhangende effecten voor de ontwikkeling
van de euregionale arbeidsmarkt, zij opgemerkt dat over deze problematiek
de staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Financiën
bij brief van 20 september 1999 (Kamerstuk 26 834, nr. 1) en bij brief
van 15 december 1999 (Kamerstuk 26 834, nr. 2) een notitie aan de voorzitter
van de Tweede Kamer hebben gezonden. Naar aanleiding daarvan is een groot
aantal schriftelijke vragen gesteld. De vragen zowel als de antwoorden daarop
komen aan de orde in een nota die beide bovengenoemde bewindspersonen deze
zomer aan de Kamer doen toekomen. In dat verband wordt ook ingegaan op de
voorlichting inzake de socialeverzekeringsproblematiek van grensarbeiders
en op de euregionale arbeidsmarkt, zodat hier volstaan wordt met een verwijzing
daarnaar.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,</functie>
        <naam>G. M. de Vries</naam>
        <functie>De Staatssecretaris van Financiën,</functie>
        <naam>W. J. Bos </naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">Voortgangsrapportage van de staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties inzake aanbevelingen rapport «De grens
nader verkend»</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 1: Gestreefd moet worden naar een beperkt,
op praktische punten toegesneden verdrag inzake grensoverschrijdende bedrijventerreinen
tussen Nederland, de bondsrepubliek Duitsland en de Länder Noordrijn-Westfalen
en Nedersaksen. De inhoud van een dergelijk verdrag wordt geschetst in de
par. 3.2 en 3.3 [van het rapport «De grens nader verkend»].</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 15 december 1999 heeft in Berlijn op politiek niveau overleg tussen
Nederland en Duitsland plaatsgevonden over de wenselijkheid van de totstandkoming
van bovenbedoeld verdrag. Aan dat overleg namen aan Nederlandse kant de heer
De Vries, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
en aan Duitse kant mevrouw Zypries, staatssecretaris in het federale ministerie
van Binnenlandse Zaken in Berlijn, deel. Uitkomst van de bespreking was dat
een tripartiete Nederlands-Duitse werkgroep ingesteld zou worden welke is
belast met de voorbereiding van het verdrag. Hierin is Nederland vertegenwoordigd
door ambtenaren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Buitenlandse
Zaken. Van Duitse zijde nemen op federaal niveau ambtenaren van de ministeries
van Binnenlandse Zaken, Justitie en Buitenlandse Zaken aan de besprekingen
deel, terwijl daarnaast een vertegenwoordiger van de <nadruk type="cur">Staatskanzlei</nadruk> van Noordrijn-Westfalen van de werkgroep deel uitmaakt. Verwacht
wordt dat ook de deelstaat Nedersaksen betrokken zal worden bij de werkzaamheden
van de gemengd Nederlands-Duitse ambtelijke commissie, gelet op het feit dat
het beoogde verdrag zal gelden voor de gehele Nederlands-Duitse grensstreek.
Inmiddels heeft Nedersaksen inderdaad aan de Bondsregering verzocht deel te
kunnen nemen aan de werkgroep.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tijdens het overleg op 15 december 1999 nam mevrouw Zypries op zich de
tripartiete werkgroep voor de eerste maal bijeen te roepen. De eerste vergadering
heeft inmiddels plaatsgevonden op 3 mei jl. Reden voor het aanmerkelijke tijdsverloop
tot de eerste vergadering was een verschil van inzicht tussen de Bondsregering
en Noordrijn-Westfalen over de constitutionele merites van het door Düsseldorf
voorgestane keuzemodel inzake het toepasselijke nationale recht. De Bondsregering
was – en is – van oordeel dat het strijdig is met de Duitse Grondwet
aan ondernemers een keuzevrijheid qua toepasselijk rechtsregime te laten.
Men heeft voorts grote aarzeling die keuze over te laten aan een publiekrechtelijk
lichaam dat niet uitsluitend uit Duitse autoriteiten of ambtsdragers bestaat.
Daarnaast moest worden vastgesteld dat tussen de Bondsregering en de regering
in Düsseldorf niet gelijk wordt gedacht over de reikwijdte van de bevoegdheden
van de deelstaten in hun verkeer met het buitenland.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de vergadering op 3 mei werd als Duits standpunt weergegeven dat het
hiervoor genoemde keuzerecht qua toepasselijk rechtsregime geen begaanbare
weg is wegens de grondwettelijke bezwaren ervan. Anderzijds werd beklemtoond
dat ook de Duitse regering grote waarde hecht aan de totstandkoming van een
verdrag dat een aantal praktische en juridische knelpunten uit de weg ruimt.</al>
      <al>Als alternatief voor een systeem waarin een keuzerecht centraal staat,
werd het «Meistbegünstigungsprinzip» naar voren gebracht.
Dit principe houdt in dat in het te ontwerpen verdrag aan de betrokken Nederlandse
en Duitse overheden in algemene termen de bevoegdheid wordt toegekend om,
op een aantal in het verdrag te noemen terreinen, af te wijken van het eigen
recht en in plaats daarvan de inhoudelijke rechtsnormen van de buurstaat toe
te passen, indien dat voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein
gunstiger is. Voorts zou het verdrag dynamische verwijzingen moeten bevatten.
Dat wil zeggen dat, indien (delen van) de betreffende Duitse of Nederlandse
regels in de toekomst wijzigen, de aangepaste regelgeving niettemin binnen
de termen van het verdrag valt. Belangrijkste juridische gevolg van het gesuggereerde
systeem is dat in strikt formele zin nationaal recht van toepassing blijft,
doch dat materieel gesproken de toepassing van dat recht verruimd wordt tot
het niveau van de buurstaat.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze gewijzigde insteek is voor Nederland aanvaardbaar. Het gaat er immers
om te komen tot een verdrag dat op zo eenvoudig mogelijke wijze de als belemmerend
gevoelde verschillen tussen de Nederlandse en de Duitse wetgeving wegneemt.
Als niet te onderschatten voordeel van de gewijzigde aanpak kan worden gezien
dat die spoort met de Duitse Grondwet. Voor intern-Duitse discussies over
mogelijke «Verfassungswidrigkeit» lijkt in die optiek dan ook
weinig aanleiding te bestaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het verdrag zal zich in hoofdzaak richten op de volgende gebieden:</al>
      <al>– bouwen</al>
      <al>– milieu</al>
      <al>– bedrijfsvoering en exploitatie</al>
      <al>Aan weerszijden van de grens wordt nu de relevante regelgeving geïnventariseerd
en bezien welke delen daarvan in het verdrag moeten worden opgenomen. Op basis
van die inventarisatie zal de werkgroep op 20 september a.s. voor de tweede
keer bijeenkomen, en wel in Den Haag. Het streven is tijdens die vergadering
een romptekst voor het ontwerp-verdrag vast te stellen. Op basis daarvan zal
worden voortgewerkt, zodanig dat per ultimo dit jaar een ontwerp-verdrag voorhanden
is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het verdrag zal overigens ook geregeld moeten worden in welke taal/talen
aanvragen tot verlening van vergunningen voor nieuwe bedrijven die zich op
een GOB willen vestigen, moeten zijn gesteld. In Nederland kan hierbij worden
aangesloten bij de Algemene wet bestuursrecht waar in afdeling 2.2 het gebruik
van de taal in het bestuurlijk verkeer is geregeld. Tevens zal worden bezien
op welke wijze de verlening van de bedoelde vergunningen moet worden geregeld.
Gevolg van de gewijzigde aanpak is dat dit in beginsel kan geschieden door
de bevoegde decentrale overheid in kwestie (d.w.z. de Nederlandse overheden
op het Nederlandse deel van het GOB en de Duitse autoriteiten op het Duitse
deel van het GOB), al dan niet conform het advies van een paritaire commissie
ingesteld krachtens het nieuwe verdrag (paritaire commissie heeft adviserende
bevoegdheid).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In mijn brief van 13 juni aan mijn ambtgenoot staatssecretaris Zypries
van het ministerie van Binnenlandse Zaken in Berlijn heb ik blijk gegeven
van mijn waardering voor de bereidheid aan Duitse kant om te komen tot een
nieuw Nederlands-Duits verdrag specifiek toegesneden op de GOB's. Met het
verdrag wordt beoogd de praktische problemen voortvloeiend uit de verschillen
in Nederlandse en Duitse regelgeving te mitigeren zodat de ontwikkeling en
exploitatie van GOB's niet onnodig wordt geremd. Tevens heb ik er bij mevrouw
Zypries op aangedrongen dat op zo kort mogelijke termijn de totstandkoming
van het verdrag wordt gerealiseerd, zodat aan investeerders de gevraagde duidelijkheid
wordt verschaft over de regels die voor een GOB zullen gelden. Op deze wijze
kan worden bevorderd dat in grensregio's de economische ontwikkeling niet
langer onnodig wordt gehinderd door verschillen in de regelgeving aan weerszijden
van de grens die, juist als gevolg van de nabijheid van de staatsgrens, in
de grensregio's aan den lijve worden ervaren. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Overigens heb ik gemerkt dat in Zuid-Nederland en België in toenemende
mate belangstelling bestaat voor het voornemen van ons land om samen met Duitsland
te komen tot een bilateraal verdrag inzake GOB's. Ik ben daarom voornemens
na te gaan in hoeverre in het zuiden van Nederland daadwerkelijk plannen in
ontwikkeling zijn om grensoverschrijdende bedrijventerreinen te realiseren.
Wanneer dit het geval is en wanneer blijkt dat verschillen in regelgeving
tussen België en Nederland de concretisering van dergelijke plannen in
de weg staat, ben ik bereid met mijn Belgische ambtgenoten te bespreken of
ook totstandkoming van een Nederlands-Belgisch verdrag inzake GOB's moet worden
overwogen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 2: Voor de periode tot de inwerkingtreding
van het verdrag dient een paritaire Duits-Nederlandse commissie van deskundigen
te worden ingesteld die de vestiging van bedrijven op het GOB Aken-Heerlen
bevordert.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals reeds was opgemerkt in het kabinetsstandpunt inzake grensoverschrijdende
projecten (Kamerstukken II 1998/1999, 26 670, nr. 1), is het kabinet
er zich terdege van bewust dat het nog enige tijd kan duren voordat het onder
aanbeveling 1 bedoelde verdrag tot stand zal zijn gekomen. Daarom moet ten
koste van alles worden voorkomen dat op korte termijn het elan en het commitment
betreffende het GOB Aken-Heerlen vermindert of zelfs verloren gaat. Om die
reden acht het kabinet het van het grootste belang dat in de periode tussen
nu en de inwerkingtreding van het verdrag voorzieningen worden getroffen die
een dergelijk risico tegengaan. Tegen die achtergrond is het kabinet van oordeel
dat uitvoering van aanbeveling 2 voortvarend ter hand moet worden genomen.
Ook van Duitse zijde is hierop aangedrongen. Van wezenlijk belang is het dat
de betrokken lokale en regionale overheden aan de Duitse en Nederlandse kant
van de grens zich verantwoordelijk voelen voor de instelling van een paritaire
commissie van deskundigen die bedrijven adequaat kan informeren over de thans
geldende vestigingsvoorwaarden op het GOB Aken-Heerlen. In dat licht is het
naar het oordeel van het kabinet positief te waarderen dat de provincie Limburg
in 1999 reeds haar expertise heeft aangeboden voor de in te stellen commissie
van deskundigen, temeer omdat de provincie direct betrokken is bij het initiatief
om te komen tot de oprichting van een expertisecentrum voor grensoverschrijdende
problematiek.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de afgelopen maanden is de Euregio Rijn-Waal in samenwerking met de
ministeries van Economische Zaken in Den Haag en Düsseldorf begonnen
met de uitvoering van een project «Informatievoorziening en stimulering
grensoverschrijdende bedrijventerreinen», waarmee ervaring opgedaan
zou kunnen worden bij het opzetten van GOB's. Het Euregio-project heeft een
looptijd van twee jaar. In het project worden de volgende vier deelprojecten
onderscheiden:</al>
      <al>a. informatiedocument voor investeerders GOB's;</al>
      <al>b. inrichtingen ondersteuning paritaire commissie;</al>
      <al>c. ondersteuning en stimulering grensoverschrijdende initiatieven Nederlands-Duits
grensgebied;</al>
      <al>d. atlas samenwerkingsverbanden en werkgroepen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In opdracht van de Euregio Rijn-Waal is het bureau Buck Consultants International
in Nijmegen (verder te noemen: BCI) ingeschakeld bij de uitvoering van het
project. BCI heeft een faciliterende rol: het bewaken van de agenda en van
de voortgang van het project, alsmede het vastleggen van de uitkomsten van
de besprekingen die in het kader van het project plaatsvinden. In dit verband
speelt BCI allereerst een ondersteunende rol voor de op te richten paritaire
commissie van het GOB Aken-Heerlen en desgewenst ook voor GOB's elders aan
de Nederlands-Duitse grens. Daarnaast stelt BCI, op basis van
de ervaringen van hierboven bedoelde GOB's, een inventarisatie van knelpunten
op die, waar mogelijk, in het kader van het voorgestelde verdrag opgelost
moeten worden. BCI zal om die reden regelmatig terugkoppelen naar de interdepartementale
werkgroep in Den Haag, die op basis van aanbeveling 3 is ingesteld, en naar
de paritaire commissie van deskundigen welke in eerste instantie is voorzien
voor het GOB Aken-Heerlen. In een later stadium kunnen ook voor de andere
GOB's dergelijke commissies worden ingericht. Hiermee wordt gewaarborgd dat
zowel ten behoeve van de werkgroep als ook ten behoeve van het nieuwe verdrag
de informatie inzake knelpunten beschikbaar is. Tevens worden in het kader
van bovengenoemd Euregio-project 8 tot 10 platformdiscussies georganiseerd
ten behoeve van overheden en andere betrokken partijen bij de ontwikkeling
van grensoverschrijdende bedrijventerreinen langs de Nederlandse oostgrens.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Sinds de start van het Euregio-project «Informatievoorziening en
stimulering grensoverschrijdende bedrijventerreinen» is een reeks bijeenkomsten
gehouden. Tijdens de eerste bijeenkomst op 7 september 1999 werd het project
voorgesteld. Tijdens de tweede bijeenkomst op 8 december 1999 werd door dr.
W. Försterling van de <nadruk type="cur">Staatskanzlei</nadruk> van Noordrijn-Westfalen
een uiteenzetting gegeven over de elementen die in het beoogde verdrag inzake
GOB's moeten worden geregeld. Verder werd ingegaan op de mogelijke taken van
de in te stellen paritaire commissie voor het GOB Aken-Heerlen. Uit de besprekingen
werd duidelijk dat vooralsnog, d.w.z. in de fase voorafgaand aan de totstandkoming
van het verdrag, de commissie zich ertoe dient te beperken bedrijven adequaat
te informeren over de thans geldende vestigingsvoorwaarden op het GOB Aken-Heerlen.
De paritaire commissie is in deze fase niet bevoegd namens de lokale overheden
vergunningen af te geven dan wel anderszins bindende besluiten voor burgers
en investeerders te nemen; die bevoegdheid komt in deze fase alleen de betrokken
overheden aan de Nederlandse dan wel Duitse kant van de grens toe. Wel kan
de paritaire commissie een belangrijke rol spelen bij de inventarisatie van
knelpunten die in het verdrag geregeld moeten worden. Algemeen werd geconstateerd
dat ook met deze beperkte taakopdracht de in aanbeveling 2 voorgestelde instelling
van een paritaire commissie alleszins zinvol is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een derde bijeenkomst werd belegd op 24 mei van dit jaar. Toen is met
name gesproken over de invulling en taakstelling van de paritaire commissie
voor het GOB Avantis in Aken-Heerlen. Gedacht wordt aan de instelling van
een paritair samengestelde Centrale Publieke Werkgroep Avantis (voortaan:
CPWA) die de verdere ontwikkeling van het grensoverschrijdende bedrijventerrein
Heerlen-Aken begeleidt en stimuleert. De CPWA zal bestaan uit vertegenwoordigers
van de openbare lichamen stad Aken, gemeente Heerlen, provincie Limburg en
Regierungsbezirk Keulen. Deze instanties kunnen de oprichting van de CWPA
formaliseren door deze als grensoverschrijdend samenwerkingsverband in te
richten. Binnen het Anholtverdrag wordt deze mogelijkheid nu al geboden (vgl.
aanbeveling 5). De nadere uitwerking van de Centrale Publieke Werkgroep Avantis
is voorzien op een vervolgbijeenkomst die op 30 juni plaatsvindt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tevens is tijdens de bijeenkomst op 24 mei ingegaan op een informatiedocument
dat in het kader van het Euregio-project is ontwikkeld ten behoeve van ondernemers
die hun bedrijf willen vestigen op grensoverschrijdende bedrijventerreinen.
Het concept-document verschaft (potentiële) investeerders inzicht in
de verschillen tussen Nederland en Duitsland die voor ondernemers van belang
zijn. Hierbij valt te denken aan voor het bedrijfsleven relevante verschillen
in regelgeving inzake rechtspersonen (vgl. ook aanbeveling 11) en voor ondernemingsof
medezeggenschapsraden (vgl. aanbeveling 7), verschillen in bouw- en milieuregelgeving, het onderscheid tussen de belastingsystemen en de stelsels
voor sociale zekerheid, alsmede verschillen in ontslag- en vakantieregelingen
voor werknemers. In dit informatiedocument wordt gewerkt met een algemeen
deel over regelgeving in beide landen en een specifiek deel, waarin per thema
de contactpersonen in de betreffende gemeenten en regionale overheidsorganisaties
worden genoemd. Hierdoor zal het informatiedocument voor het gehele Nederlands-Duitse
grensgebied bruikbaar zijn. BCI, dat dit document in het kader van het Euregio-project
heeft opgesteld, zal het conceptdocument aanvullen en nader uitwerken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uiteraard zijn de ervaringen van het GOB Avantis niet uniek in die zin,
dat ook andere GOB-initiatieven langs onze oostgrens evenzeer geconfronteerd
worden met verschillen in regelgeving tussen Nederland en Duitsland. Naar
het oordeel van het kabinet is het om die reden wenselijk dat ook voor de
overige GOB-initiatieven aan de Nederlands-Duitse grens de instelling van
paritaire Duits-Nederlandse commissies wordt overwogen. Tussen de afzonderlijke
commissies is, naar het oordeel van het kabinet, ruimte voor personele unies.
Na inwerkingtreding van het verdrag zullen de commissies van deskundigen een
belangrijke rol blijven spelen (vgl. aanbeveling 4). Mede om die reden is
het van belang dat de ervaringen van alle GOB-initiatieven – en dus
ook de eventuele knelpunten als gevolg van verschillen tussen Nederlandse
en Duitse regelgeving – worden betrokken bij de werkzaamheden van de
commissie die het verdrag voorbereidt. In het kader van het Euregio-project
«Informatievoorziening en stimulering grensoverschrijdende bedrijventerreinen»
wordt hier ook aandacht aan gegeven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 9 mei van dit jaar werd een bijeenkomst belegd voor contactpersonen
die betrokken zijn bij alle GOB-initiatieven langs de Nederlands-Duitse grens.
Tijdens deze bijeenkomst is ingegaan op de ontwikkelingskansen van GOB's in
zijn algemeenheid. Daar werd tevens het GOB Avantis (Aken-Heerlen) gepresenteerd.
Gebleken is dat de belangrijkste vragen van potentiële investeerders
bij vestiging op een GOB zijn:</al>
      <al>a. Rechtsvormkeuze;</al>
      <al>b. Toepassing bouw- en milieuregelgeving;</al>
      <al>c. Toepassing belastingregelgeving.</al>
      <al>De ervaring van Avantis leert dat het belangrijk is om aan (potentiële)
investeerders duidelijkheid te verschaffen over het beleid met betrekking
tot bovenstaande thema's bij vestiging op GOB's. Een paritaire commissie van
deskundigen kan hierbij een belangrijke rol spelen. Avantis verklaarde zich
bereid om andere GOB-initiatieven te laten delen in de opgedane ervaring bij
de ontwikkeling van Avantis. Tijdens de vergadering gaven alle GOB-initiatieven
inzicht in hun functioneren en ervaringen. Uit deze ervaringen blijkt vooralsnog
dat vooral knelpunten worden ervaren op de volgende terreinen:</al>
      <al>a. verschillen in wetgeving voor arbeidsbemiddeling en in sociale regelgeving
tussen Nederland en Duitsland;</al>
      <al>b. belastingtechnische en juridische verschillen in Nederlandse en Duitse
regelgeving;</al>
      <al>c. het per land toewijzen van Europese structuurfondsgelden, zodat deze
ook bij gemeenschappelijke, grensoverschrijdende projecten slechts aan de
«eigen kant» van de landsgrens kunnen worden aangewend;</al>
      <al>d. verschillen in bouw- en milieuregelgeving tussen Nederland en Duitsland;</al>
      <al>e. complexiteit met betrekking tot opzetten van grensoverschrijdende publiek-private
samenwerking voor de ontwikkeling en exploitatie van een GOB.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In dit verband zij opgemerkt dat het kabinet ernaar streeft dat de laatste
twee elementen zullen worden geregeld in het voorgestelde verdrag. De beide eerste elementen zullen waar mogelijk elders geregeld moeten
worden (zie hieronder de aanbevelingen 6–8 van het rapport «De
grens nader verkend» en de aanbevelingen die betrekking hebben op het
rapport van de fiscale werkgroep «Ondernemen in de grensstreek»).
Het knelpunt inzake aanwending van Europese structuurfondsgelden kan niet
bilateraal tussen Nederland en Duitsland worden geregeld, en zal in overleg
met de Europese Commissie aan de orde worden gesteld.</al>
      <al>Tijdens de bijeenkomst van 9 mei is afgesproken dat in het kader van het
Euregio-project «Informatievoorziening en stimulering grensoverschrijdende
bedrijventerreinen» contact zal worden onderhouden met de diverse GOB-initiatieven
(een vervolgvergadering is voor de herfst gepland). Verder zullen in het kader
van dit project desgewenst deze initiatieven worden ondersteund met diverse
activiteiten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 3: Er dient een kleine, permanente, interdepartementale
werkgroep te worden ingesteld die in Den Haag kan fungeren als aanspreekpunt
voor vergelijkbare werkgroepen in Düsseldorf en Bonn [Berlijn] en voor
de paritaire commissies voor de bedrijventerreinen. Tevens zou deze werkgroep
belast moeten worden met de voorbereiding aan Nederlandse kant van het verdrag
met de Duitse partners.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gedurende het afgelopen half jaar is de permanente interdepartementale
werkgroep Grensoverschrijdende Projecten Nederland-Duitsland gemiddeld één
maal per maand bijeengekomen. De werkgroep is belast met de voortgangsbewaking
m.b.t. de aanbevelingen uit het rapport «De grens nader verkend».
Over de voortgang wordt gerapporteerd tijdens de bijeenkomsten van de werkgroep.
Ieder betrokken ministerie is verantwoordelijk voor de uitvoering van de aanbeveling
betreffende dit ministerie en levert een schriftelijke bijdrage voor de halfjaarlijkse
voortgangsrapportage van deze aanbeveling aan beide Kamers.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de departementale werkgroep zijn de ministeries BZK, BZ, Financiën,
SZW, EZ, VROM en OCenW vertegenwoordigd. Middels de deelname van Financiën
aan de werkgroep is tevens de afstemming tussen de interdepartementale werkgroep
en de fiscale werkgroep, belast met de uitvoering van de aanbevelingen in
het rapport «Ondernemen in de grensstreek», gewaarborgd. Gelet
op de ondersteunende rol van Buck Consultants International bij de uitvoering
van het project «Informatie en bevordering grensoverschrijdende bedrijventerreinen»
van de Euregio Rijn-Waal en bij de werkzaamheden van de paritaire commissie
van het GOB Aken-Heerlen (op termijn mogelijk ook van GOB-commissies elders
aan de Nederlands-Duitse grens) woont dit bureau de vergaderingen van de werkgroep
als waarnemer bij.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Taken van de interdepartementale werkgroep:</al>
      <al>– de werkgroep coördineert de uitvoering van de aanbevelingen
van het rapport «De grens nader verkend»;</al>
      <al>– de werkgroep onderhoudt contacten met Duitse partners (de Bond
en de beide deelstaten Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen), met name met betrekking
tot de voorbereiding van een verdrag inzake de GOB's. Hiervoor is een sub-werkgroep
ingesteld, bestaande uit 4 leden van de reguliere werkgroep Grensoverschrijdende
Projecten Nederland-Duitsland (aanbeveling 1);</al>
      <al>– de werkgroep is aanspreekpunt voor de paritaire Nederlands-Duitse
commissie(s) van deskundigen voor de afzonderlijke GOB's aan de Nederlands-Duitse
grens (aanbeveling 2);</al>
      <al>– de werkgroep fungeert als contactpunt voor de ontwikkeling van
het ECGS; het Expertise Centrum Grensoverschrijdende Samenwerking (aanbeveling
4);</al>
      <al>– de werkgroep is betrokken bij de voorbereiding van een wijziging
c.q. aanpassing van het Anholt-verdrag inzake bestuurlijke grensoverschrijdende
samenwerking aan de Nederlands-Duitse grens (aanbeveling 5).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de toekomst zal de werkgroep:</al>
      <al>– fungeren als aanspreekpunt voor Berlijn, Düsseldorf en Hannover;
en tevens</al>
      <al>– fungeren als contactpunt voor regionale activiteiten betreffende
GOB's.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 4: Op korte termijn zou, liefst in de vorm
van een of meer virtuele loketten, een pilot inzake informatievoorziening
moeten worden gestart t.b.v. ondernemers die zich op het GOB Aken-Heerlen,
het Technologiepark Herzogenrath of in de gemeente Kerkrade willen vestigen.
Tijdens de pilot worden voorstellen ontwikkeld om de informatievoorziening
structureel te verbeteren.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In Zuid-Limburg wordt het Expertise Centrum Grensoverschrijdende Samenwerking
(ECGS) ontwikkeld. Er vindt regelmatig afstemming plaats tussen de werkgroep
Grensoverschrijdende Projecten Nederland-Duitsland resp. het coördinerend
ministerie BZK en de provincie Limburg over de ontwikkeling van het ECGS,
die gedeeltelijk ondersteund wordt met overheidssubsidie ten bedrage van f 200 000
voor 1999 en f 200 000 voor 2000.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een eerste onderdeel van het ECGS wordt herfst 2000 operationeel. Het
ECGS draagt op dit moment nog een Limburgs stempel, maar zal zich op termijn
ontwikkelen tot informatiepunt op het terrein van informatieverstrekking en
kennisontwikkeling ten aanzien van grensoverschrijdende bedrijventerreinen
(voortaan: GOB) langs de gehele Nederlandse grens. Door samenwerking met andere
instanties, koppeling van hun databases en het instellen van virtuele in plaats
van fysieke loketten wil het ECGS alle aanwezige en nog te verwerven kennis
met betrekking tot GOB's bundelen en deze overeenkomstig de wensen van de
regering toegankelijk maken voor bedrijven die overwegen zich op een GOB te
vestigen evenals voor werknemers die in bedrijven (willen) werken die gevestigd
zijn op een GOB. Het Expertisecentrum zal kortom niet opnieuw het wiel gaan
uitvinden of de taak overnemen van reeds goed functionerende specialistische
kenniscentra, maar fungeert als primaire ingang.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naar aanleiding van het kabinetsstandpunt inzake de aanbevelingen uit
het rapport van de fiscale werkgroep is, teneinde de informatievoorziening
op fiscaal terrein richting ondernemers en werknemers in de Duits-Nederlandse
grensstreek te verbeteren, in februari 2000 het «Steunpunt Grensstreek»
geopend; het belastinginformatiepunt op initiatief van de belastingdienst
en het ministerie van Financiën. Met het oog op een duidelijke informatiestroom
in de richting van GOB's, werknemers en bedrijven acht de regering het wenselijk
dat het ECGS en het «Steunpunt Grensstreek» hun taken in onderlinge
afstemming bepalen. Teneinde dit te bereiken is een overlegplatform in het
leven geroepen waaraan ambtelijk BZK en ambtelijk Financiën, de belastingdienst
en de provincie Limburg deelnemen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In navolging van het kabinetsstandpunt reikt de draagwijdte van de te
verzamelen informatie van het ECGS verder dan de grenzen van Limburg met Duitsland
en België en omvat de gehele Nederlands-Duitse en Nederlands-Belgische
grens.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het ECGS kan, mede met het oog op Europese gelden, worden gepositioneerd
als een pilot voor de opzet van soortgelijke expertisecentra in andere landen.
Daarnaast is een groot voordeel van de vestiging in Zuid-Limburg
de snelle toegang tot de expertise van en de mogelijkheden tot samenwerking
met universiteiten in Maastricht, Luik, Aken en Diepenbeek en de hier gevestigde
leerstoelen gericht op de grensoverschrijdende samenwerking.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 5: Het Anholt-verdrag inzake bestuurlijke
grensoverschrijdende samenwerking dient te worden aangepast, zodanig dat op
basis van dat verdrag ingestelde openbare lichamen de bevoegdheid krijgen
besluiten te nemen die burgers rechtstreeks binden. Aldus wordt het Anholt-verdrag
op gelijke hoogte gebracht met het parallelle Benelux-verdrag, dat deze mogelijkheid
reeds kent. Artikel 24 van de Duitse Grondwet, dat destijds aan deze bevoegdheidstoedeling
in de weg stond, is inmiddels aangepast.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tijdens mijn bespreking met mijn Duitse ambtsgenoot, mevrouw Zypries,
is afgesproken dat in het kader van de verdragsonderhandelingen in de Duits-Nederlandse
werkgroep prioriteit zou worden gegeven aan de totstandkoming van een nieuw
verdrag inzake de GOB's. Toen was nog niet duidelijk welke rol de betrokken
lokale overheden (dan wel een grensoverschrijdend publiekrechtelijk samenwerkingsverband
van deze overheden) zouden dienen te spelen bij de vergunningsverlening aan
nieuwe bedrijven die zich op een GOB willen vestigen. Op dit moment verlenen
decentrale overheden op lokaal dan wel provinciaal (Regierungsbezirks)niveau
nog de vergunningen aan investeerders die zich op een GOB wensen te vestigen.
In het licht van de gewijzigde aanpak die hiervoor onder aanbeveling 1 is
geschetst, zal de ambtelijke werkgroep moeten bezien of hiermee ook in de
toekomst kan worden volstaan, of dat andere oplossingen denkbaar zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Te overwegen valt of aan lokale overheden langs de Nederlands-Duitse grens
uitdrukkelijk de ruimte moet worden gelaten dat zij met betrekking tot GOB's
mogen overgaan tot instelling van een gemeenschappelijk grensoverschrijdend
publiekrechtelijk orgaan dat de bevoegdheid krijgt bindende besluiten ter
zake van (investeerders op) GOB's te treffen. Dit is nu nog niet mogelijk,
ook niet op basis van het Anholt-verdrag.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een eventuele instelling van een gemeenschappelijk orgaan voor een GOB
zou in het nieuwe verdrag voor de GOB's geregeld kunnen worden. Ook zou de
instelling van een openbaar lichaam, maar dan niet uitsluitend toegespitst
op GOB's, geregeld kunnen worden in het kader van het Anholt-verdrag. In het
laatste geval zou het Anholt-verdrag zodanig moeten worden gewijzigd dat op
basis van dat verdrag ingestelde openbare lichamen de bevoegdheid krijgen
besluiten te nemen die burgers, en dus ook investeerders, rechtstreeks binden.
Een dergelijke aanpassing van het Anholt-verdrag lijkt in principe mogelijk
omdat artikel 24 van de Duitse Grondwet thans geen formele belemmering meer
zou zijn voor aanpassing van het Anholt-verdrag als bedoeld in aanbeveling
5. De Bondsregering en de regering in Düsseldorf leken tijdens de vergadering
van 3 mei op dit punt overigens niet gelijk te denken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 6: Onderdeel van het in aanbeveling 1 bedoelde
verdrag zou kunnen zijn een nadere afspraak met Duitsland op grond van artikel
17 van EU-verordening 1408/71, waarin ten behoeve van de rechtspositie van
grensarbeiders een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van de verordening.
Ten behoeve van grensarbeiders zouden voorts begrijpelijk geformuleerde en
goed toegelichte formulieren moeten worden gemaakt, te verstrekken door sociale-verzekeringsinstanties
en belastingdiensten.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Volgens de hoofdregel van de EU-verordening 1408/71 is een grensarbeider
aan de sociale-zekerheidswetgeving onderworpen in de staat waar hij
werkzaam is. Dit kan voor grensarbeiders tot problemen leiden, met name in
de situatie dat de sociale-zekerheidswetgeving van de werkstaat en de belastingwetgeving
van de woonstaat van toepassing is. De discoördinatie tussen belasting-
en premieheffing kan leiden tot jaarlijkse schommelingen in de door grensarbeiders
verschuldigde belastingen en premies. Dergelijke ongewenste effecten treden
bijvoorbeeld in de relatie tussen Nederland en België op onder de zogenoemde
grensarbeidersregeling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit probleem kan in beginsel op twee manieren worden ondervangen. Men
zou – conform de aanbeveling – een regeling met Duitsland kunnen
treffen op basis van artikel 17 van de EU-verordening. De grensarbeiders zouden
op grond van deze regeling niet langer in de werkstaat zijn onderworpen aan
de sociale-zekerheidswetgeving maar in de woonstaat. Voor de belastingheffing
zou in het belastingverdrag met Duitsland dan een overeenkomstige regeling
getroffen moeten worden. Een andere mogelijkheid is de eventuele discoördinatie
op te heffen door de grensarbeiders voor zowel de belastingheffing als de
sociale zekerheid te onderwerpen aan de wetgeving van de werkstaat. Deze benadering
vormt het uitgangspunt van het fiscale beleid zoals dat door Nederland wordt
gehanteerd in onderhandelingen over belastingverdragen. Voor een nadere toelichting
op dit beleid kan onder meer worden verwezen naar de notitie «Uitgangspunten
van het beleid op het terrein van het internationaal (Verdragen)recht»
(Kamerstukken II 1997/1998, 25 087, nr. 4).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de relatie met België is onlangs in het kader van de onderhandelingen
over het nieuwe belastingverdrag overeenstemming bereikt over een regeling
waarbij de belastingheffing van grensarbeiders in de werkstaat zal plaatsvinden.
Na de inwerkingtreding van het verdrag zullen de belasting- en premieheffing
voor deze groep niet langer uiteenlopen. Aan de mogelijke nadelige gevolgen
van een werkstaatheffing – denk aan het niet langer in aftrek kunnen
brengen van hypotheekrente – wordt tegemoetgekomen via een regeling
die ertoe zal leiden dat dergelijke aftrekposten de facto effect sorteren.
Ook in de relatie met Duitsland – waar thans reeds een werkstaatheffing
van toepassing is en het probleem van de discoördinatie zich dus niet
voordoet – vinden de onderhandelingen over een nieuw belastingverdrag
plaats op basis van de hiervoor beschreven uitgangspunten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Omdat de fiscale regelingen met België en Duitsland een oplossing
zullen bieden voor de grensarbeidersproblematiek die het gevolg is van het
uiteenlopen van belasting- en premieheffing, is niet langer nodig om een oplossing
na te streven op basis van de onderhavige aanbeveling via het maken van afspraken
met deze landen over de premieheffing op basis van artikel 17 van EU-verordening
1408/71.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 7: Nederland en Duitsland zouden in EU-verband
aandacht moeten vragen voor de grote verschillen in medezeggenschapsregelingen
tussen de lidstaten.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Frankrijk zal tijdens haar EG-voorzitterschap (2e helft 2000) een start
maken met de bespreking van het voorstel van de Europese Commissie met betrekking
tot harmonisatie van nationale medezeggenschapsregelingen. Zolang deze medezeggenschapsregelingen
nog niet Europees geharmoniseerd zijn zal bij de keuze van het medezeggenschapssysteem
in bedrijven op grensoverschrijdende bedrijventerreinen het werkstaat principe
kunnen worden gehanteerd, in aansluiting op de fiscale regelingen. In het
instellingsbesluit van het GOB zal dit principe moeten worden vastgelegd. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 8: Tussen de voor arbeidsomstandigheden
bevoegde instanties dienen praktische afspraken te worden gemaakt over wie
waar en waarop gaat inspecteren.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gelet op de nieuwe aanpak zoals onder aanbeveling 1 geschetst, ontvalt
de grond aan aanbeveling 8, zoals die was verwoord. Immers onder het principe
van de «Meistbegünstigung» blijven in Nederland en Duitsland
de respectieve arbeidsinspecties volledig bevoegd op het eigen territoir.
Zulks neemt niet weg dat ook onder het nieuwe stelsel van «Meistbegünstigung»
aanleiding zal zijn voor afspraken over arbeidsinspectie om te voorkomen dat
op tweeërlei wijze het inhoudelijk geldende recht wordt uitgelegd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 9: Het rapport EURES dient, wat de problemen
betreft op het gebied van ziektekosten, te worden aangeboden aan de minister
van VWS, met het verzoek de daarin gedane aanbevelingen te bespreken met haar
Duitse ambtgenoot.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het EURES rapport is bij brief van 20 oktober 1999 aangeboden aan de minister
van VWS, met het verzoek de daarin gedane aanbevelingen te bespreken met haar
Duitse ambtgenoot. Een aantal van de in het rapport geschetste problemen op
het gebied van ziektekosten is inmiddels opgelost. Zo doet het probleem dat
het Duitse «Pflegegeld» niet meer exportabel is zich na een uitspraak
van het Europese Hof van Justitie in de zaak Molenaar (1999) niet meer voor.
De «Pflegegeld»-verzekering moet blijkens dit arrest als uitkering
bij ziekte in de zin van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 worden aangemerkt.
Dit heeft tot gevolg dat Duitse verzekeraars aan personen die in Duitsland
verzekerd zijn en in een andere lidstaat wonen het «Pflegegeld»
moeten uitkeren.<voetref refid="v12.1" nr="1"></voetref> Daarnaast is in februari 1999
de personele werkingssfeer van Verordening (EEG) nr. 1408/71 uitgebreid met
studenten, waardoor de in het EURES rapport geschetste problematiek rond studenten
niet langer speelt en zij meelopen in de coördinatiemechanismen van de
Europese sociale zekerheidsverordening.<voetref refid="v12.2" nr="2"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>De minister van VWS is geen voorstander van de in het rapport voorgestelde
wijziging van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 ten behoeve van de groep gepensioneerde
grensarbeiders.<voetref refid="v12.3" nr="3"></voetref></al>
      <al>Dit zou discriminatie binnen een categorie verzekerden opleveren, omdat
gepensioneerde grensarbeiders hierdoor meer rechten zouden krijgen dan andere
gepensioneerde grensbewoners. De voorkeur van de minister gaat uit naar vergroting
van de keuzevrijheid van alle grensbewoners. Om die reden is er een verdrag
tussen Nederland en Duitsland in voorbereiding waarin de mogelijkheid wordt
geopend dat de bevoegde autoriteiten overeenkomen dat alle verzekerden, inclusief
gepensioneerde grensarbeiders, op het grondgebied van de andere staat medische
zorg kunnen inroepen. Het beoogde verdrag zal ook gelden voor meeverzekerde
familieleden van gepensioneerde grensarbeiders (vgl. Kamerstukken II 1999/00,
26 670, nr. 2, blz. 6).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 10: Wat de op de grens gevestigde ondernemingen
betreft zou het rechtsregime van toepassing moeten zijn van het land waarin
het grootste deel van de bedrijfsvestiging ligt, tenzij in het in aanbeveling
1 genoemde verdrag of in een andere bilaterale afspraak anders is bepaald.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze aanbeveling zal worden meegenomen in het kader van de besprekingen
van de Nederlands-Duitse werkgroep die het verdrag inzake de GOB's voorbereidt
(zie aanbeveling 1). </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 11: Bij de Duitse autoriteiten zou moeten
worden bepleit mogelijk te maken dat Nederlandse rechtspersonen in Duitsland
kunnen ondernemen, zonder dat zij door de Duitse rechter worden aangemerkt
als Handelsgesellschaft.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals in het rapport «De grens nader verkend» wordt benadrukt,
geldt als uitgangspunt dat in Duitsland het Duitse rechtssysteem geldt en
in Nederland het Nederlandse. Dit betekent dat een gebied waar een ander rechtsregime
van toepassing is, letterlijk zijn eigen grenzen kent. Daarmee rijzen problemen
die met name op een GOB direct voelbaar zijn. Bedrijven die vestiging op een
GOB overwegen, zullen dan ook onherroepelijk te maken krijgen met de wetgeving
van het land van vestiging. Dit is de consequentie van het verschil tussen
de Nederlandse en de Duitse staatsinrichting. Met betrekking tot aanbeveling
11 is het relevant, dat de bevoegdheden op het terrein van het vennootschapsrecht
in beide landen nationaal geregeld zijn. Dit betekent, zoals in hoofdstuk
5 en paragraaf 7.3 van «De grens nader verkend» uiteengezet,
dat de oplossing voor een dergelijk verschil niet kan worden gevonden in het
instellen van een regionale autoriteit met (wetgevende) bevoegdheden die nu
aan de nationale overheid zijn voorbehouden. Het voor een bepaald gebied afstaan
van dergelijke bevoegdheden aan een (grensoverschrijdende) autoriteit verdraagt
zich niet met het Nederlands rechtssysteem. Het overdragen van bevoegdheden
aan een grensoverschrijdend openbaar lichaam is in het kader van het Anholt-verdrag
beperkt tot de bevoegdheden van de deelnemende autoriteiten: d.w.z. de betrokken
decentrale overheden, aan Nederlandse kant de provincie en gemeente(n). Zo
kunnen nationale bevoegdheden op het terrein van het vennootschapsrecht niet
ingebracht worden in een dergelijk orgaan als dat op basis van het Anholt-verdrag
wordt ingesteld. Zoals aangegeven in par. 7.3 van «De grens nader verkend»
geeft Nederland de voorkeur aan een praktische oplossing, neer te leggen in
het nieuwe verdrag met Duitsland.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De verschillen tussen het Nederlandse en Duitse vennootschapsrecht zijn
zowel in het licht van de Europese eenwording als ook praktisch gezien met
betrekking tot GOB's verreikend. In het Nederlands recht geldt dat niet-Nederlandse
rechtspersonen worden erkend als rechtspersonen (Verdrag betreffende de onderlinge
erkenning van vennootschappen en rechtspersonen, Trb. 1968, 113). Dit is verder
uitgewerkt in de regels voor buitenlandse rechtspersonen (Stb. 1997, 679)
en heeft een praktische neerslag gevonden in het Handelsregisterbesluit 1996
(Stb. 1997, 417). Een onderneming opgericht volgens het Duitse vennootschapsrecht,
kan dus als «Duitse» rechtspersoon in Nederland werkzaam zijn.
Het Nederlands vennootschapsrecht gaat uit van het principe van de plaats
van oprichting, hier verder aan te duiden als de «oprichtingsregel».
In Duitsland kent men dergelijke regelgeving niet. Het Duitse vennootschapsrecht
gaat uit van het principe van de «siège réel», in
het Duits aangeduid als <nadruk type="cur">Sitztheorie.</nadruk> De in Duitsland
geldende <nadruk type="cur">Sitztheorie</nadruk> gaat bij het bepalen van
de rechtspersoonlijkheid van een vennootschap uit van het op de plaats van
haar hoofdvestiging geldende recht. Indien een buitenlandse rechtspersoon
in Duitsland het centrum van zijn bestuursactiviteit heeft, zal de rechter
deze rechtspersoon aanmerken als een Handelsgesellschaft, een rechtsvorm die
niet een kapitaalbeschermingsregime kent als de Nederlandse BV of NV. Dit
geldt ook, wanneer een in Nederland opgerichte BV die daadwerkelijk in ons
land actief is, mettertijd zijn feitelijke bestuursactiviteit naar Duitsland
verlegt. Een Nederlandse BV die in Duitsland wil ondernemen zal derhalve,
om een zekere kapitaalbescherming te realiseren, een GmbH moeten oprichten.
Deze onder het Duits vennootschapsrecht gestelde eis vormt voor de ontwikkeling
van een GOB een in de ogen van de Nederlandse regering ongewenste belemmering,
waarvan overigens de vraag is of zij zich wel verdraagt met Europese regelgeving. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door een recente uitspraak van het Europees Hof van Justitie (in het zgn.
Centros-arrest van 9 maart 1999) is niet duidelijk in hoeverre de <nadruk type="cur">Sitztheorie</nadruk> in overeenstemming is met Europese regelgeving.
In de Duitse vakliteratuur op het terrein van het vennootschapsrecht wordt
in toenemende mate door vakjuristen de opvatting gehuldigd, dat het <nadruk type="cur">Centros-arrest</nadruk> noopt tot het opgeven van de in Duitsland
geldende <nadruk type="cur">Sitztheorie.</nadruk> Navraag bij de <nadruk type="cur">Staatskanzlei</nadruk>van Noordrijn-Westfalen leert evenwel dat deze conclusie
voorbarig is, omdat bovengenoemd arrest van het Europees Hof van Justitie
een andere casus betreft, waardoor nog geen definitieve opheldering is gegeven
over de geldigheid van de Duitse <nadruk type="cur">Sitztheorie.</nadruk> Dit
neemt niet weg, dat de juridische status van de <nadruk type="cur">Sitztheorie</nadruk> in het licht van Europese regelgeving (art. 43 en 48 van het EG-verdrag –
vroeger art. 52 en 58 – die vestigingsvrijheid voor ondernemingen garandeert)
als gevolg van het <nadruk type="cur">Centros-arrest</nadruk> wel ter discussie
staat. Met het oog hierop heeft het Bundesgerichtshof op 30 maart 2000 besloten,
om de principiële rechtsvraag inzake de <nadruk type="cur">Sitztheorie</nadruk> voor te leggen aan het Europees Hof van Justitie. Het betreft een
casus van een Nederlandse BV die als rechtspersoon volgens Nederlands recht
in Duitsland werkzaam is, en daarom volgens de geldende Duitse <nadruk type="cur">Sitztheorie</nadruk> niet rechtsbekwaam zou zijn. Het Bundesgerichtshof zal
eerst het oordeel van het Europees Hof van Justitie afwachten, alvorens een
uitspraak in deze zaak zal worden gedaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Geconcludeerd kan worden dat aanbeveling 11 nog niets van zijn actualiteit
heeft verloren. Deze conclusie wordt ook gedeeld door het ministerie van Economie,
Middenstand, Technologie en Verkeer van Noordrijn-Westfalen. Omdat versoepeling
van de Duitse Sitztheorie zou kunnen bijdragen aan het vereenvoudigen van
het proces van vestiging en uitbreiding van bedrijven en ondernemingen in
grensgebieden, incl. de GOB's, zal Nederland er bij Duitsland op blijven aandringen
dat de wetgeving aan Duitse kant wordt versoepeld, hetzij door het loslaten
van de <nadruk type="cur">Sitztheorie</nadruk> hetzij door een specifieke
regeling in het kader van het nieuwe verdrag inzake GOB's.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 12: Met betrekking tot politiële samenwerking
en brandweer kunnen nieuwe aanvullende regelingen worden getroffen op basis
van bestaande afspraken of overeenkomsten (Nederlands-Duitse bijstandsovereenkomst;
Nederlands-Duits Memorandum of Understanding).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nog deze zomer zal ervaring worden opgedaan met het politieverdrag met
België voor het EK2000. Op het gebied van de operationele politietaakuitvoering
is dit verdrag uniek, omdat aan een buitenlandse politiedienst bevoegdheden
worden toegekend voor het optreden in ons land en aan Nederlandse politieambtenaren
op het grondgebied van België, dit alles binnen bepaalde kaders. Het
betreft een vernieuwende aanpak van de politiesamenwerking op het vlak van
de openbare orde handhaving. In de tweede helft van dit jaar zal een evaluatie
van het politieoptreden en de internationale politiesamenwerking plaatsvinden,
terwijl het verdrag met België in artikel 14 heeft bepaald dat uiterlijk
zes maanden na afloop van de looptijd van dit verdrag de beide ministers van
Binnenlandse Zaken van beide landen een verslag uitbrengen over de doeltreffendheid
en de effecten van dit verdrag in de praktijk. Dit verslag zal ook aan beide
parlementen worden gezonden. De uitkomst van vorenstaande zal van groot belang
kunnen zijn voor de politiesamenwerking met Duitsland.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de grensoverschrijdende politiële samenwerking doen zich in de
dagelijkse praktijk soms knelpunten voor. Diverse politiekorpsen hebben aandacht
gevraagd voor problemen die om een oplossing vragen en dat niet alleen aan
de oostgrens maar eveneens aan de zuidgrens. In dat verband zijn te noemen
de politiesamenwerking in Dinxperlo/Süderwick en in Baarle-Nassau/Baarle-Hertog. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De problematiek van de politiesamenwerking op de grensoverschrijdende
bedrijventerreinen is niet anders dan de problematiek van de grensoverschrijdende
politiesamenwerking buiten het gebied van de bedrijventerreinen. Daarom is
een algehele regeling geboden voor de politiesamenwerking aan de hele oost-
en zuidgrens, die mede soelaas biedt voor de problematiek van de bedrijventerreinen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Teneinde te kunnen bezien op welke onderwerpen grensoverschrijdende bevoegdheden
noodzakelijk zijn, worden thans de algemene knelpunten in kaart gebracht aan
de hand van gesprekken en dossieranalyse. Zowel een bedrijventerrein als ook
andere vormen van grensoverschrijdende politiesamenwerking (bijvoorbeeld een
gezamenlijk politiebureau) worden in de inventarisatie meegenomen. Onlangs
hebben de eerste gesprekken plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van de
Directie Politie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en vertegenwoordigers
van de politie die zich bezig houden met grensoverschrijdende politiesamenwerking.
Na de inventarisatie van de knelpunten die bij de grensoverschrijdende politiesamenwerking
worden gevoeld, zal een onderzoek geïnitieerd worden naar de juridische
mogelijkheden om tegemoet te komen aan deze problematiek. De minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is voornemens om de inventarisatie
nog voor 1 augustus aanstaande aan de betrokken politie grensregio's aan te
bieden teneinde te bezien of overeenstemming bestaat over de gesignaleerde
knelpunten. Vervolgens zal de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
in overleg met de minister van Justitie de knelpunten voorleggen aan de desbetreffende
bewindslieden in zowel Duitsland als België, met het doel tot een gezamenlijke
aanpak te komen. Deze binationale aanpak zal gericht zijn op het analyseren
van de knelpunten en het vinden van oplossingen in de vorm van nadere regelgeving.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties deelt de conclusie
van het rapport «De grens nader verkend» dat een verdrag inzake
grensoverschrijdende bedrijventerreinen geen betrekking dient te hebben op
algemene strafrechtelijke en politiële regels. Executieve bevoegdheden
zullen in een afzonderlijk verdrag moeten worden geregeld indien er zwaarwegende
belangen zijn de politie grensoverschrijdende executieve bevoegdheden te verlenen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van
brandweer zal zo spoedig mogelijk een voortgangsrapportage aan de Kamer aangeboden
worden.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanbeveling 13: Voor de inzet van een buitenlands particulier
beveili- gingsbedrijf moet worden bezien in hoeverre wederzijdse erkenning
van vakkwalificaties mogelijk is.</tuskop>
      <al>Inmiddels wordt door het ministerie van Justitie een aanvang gemaakt met
nader onderzoek om vast te stellen in hoeverre deze aanbeveling kan worden
gerealiseerd. Hierbij gaat aandacht uit naar de thans geldende kaders voor
Duitse en Nederlandse eisen op dit gebied. Bezien zal worden in hoeverre bijvoorbeeld
bepaalde ontheffingen verleend kunnen worden, waarbij recht gedaan wordt aan
de diverse belangen die de bestaande stelsels beogen te beschermen. Gelet
op de bijzondere situatie van de GOB's zal het ministerie van Justitie bezien
of hier een specifieke oplossing moet worden gecreëerd. Hierover zal
nader worden bericht in de volgende halfjaarlijkse rapportage.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 14: Alle betrokkenen dienen actief mee
te werken aan de vorming van een transnationale hogeschoolstructuur van de
Hogeschool Limburg en de Fachhochschule Aachen. Zolang een formele
fusie nog niet binnen bereik ligt dient die situatie zoveel mogelijk te worden
benaderd.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Overleg over «transnationale instellingen» maakt deel uit
van het door OCenW in samenwerking met de buurlanden Vlaanderen, Noordrijnland-Westfalen,
Nedersaksen en Bremen gevoerde grenslandenbeleid. De Hogeschool Limburg en
de Fachhochschule Aachen werken in dit kader al geruime tijd intensief samen.
De Hogeschool Limburg ontvangt van het Ministerie van OCenW in het kader van
de stimuleringsregeling grensoverschrijdende samenwerking hoger onderwijs
1997–2000 (kenmerk WO/BL-96025866) subsidie om de structurele samenwerking
met de Fachhochschule Aachen tot stand te brengen. De Fachhochschule Aachen
heeft een subsidie toegezegd gekregen van het Ministerium für Schule
und Weiterbildung, Wissenschaft und Forschung van Noordrijn-Westfalen. Er
wordt gewerkt aan verschillende gezamenlijke opleidingen die moeten leiden
tot bi-diplomering. Vorig jaar is een gezamenlijke opleiding multimedia en
communicatie van start gegaan waaraan de Hogeschool Limburg (NL), de Fachhochschule
Aachen (D) en de Hogeschool Hasselt (VLA) deelnemen. Dit jaar is de opleiding
voorgelegd aan de Adviescommissie onderwijsaanbod (ACO; artikel 6.3 WHW).
De Hogeschool Limburg is nog in afwachting van het ACO-besluit. Dit jaar nemen
reeds Vlaamse en Nederlandse studenten deel aan de opleiding, nog geen Duitse
studenten omdat het Ministerium für Schule und Weiterbildung, Wissenschaft
und Forschung in Düsseldorf nog geen formele toestemming voor de opleiding
heeft verleend. Het doel van de instellingen is om een transnationale faculteit
op te richten. In 2002 zal de faculteit volgens de planning van de instellingen
moeten zijn gerealiseerd. De bestuurders van de betrokken instellingen onderzoeken
op dit moment nog allerlei financieringstechnische en juridische zaken. Op
instellingsniveau is sprake van zelfregie waarbij OCenW, waar nodig, investeert
in de randvoorwaarden. Waar blijkt dat de instellingen zelf bepaalde zaken
niet kunnen oplossen beziet OCenW waar belemmeringen kunnen worden weggenomen
in lijn met de internationaliseringsnota «Kennis: geven en nemen»
(Kamerstukken II 1999/00, 22 452, nr. 12).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Regeling stimulering grensoverschrijdende samenwerking hoger onderwijs
1997 – 2000 loopt dit jaar af. In opdracht van OCenW doet het Center
for Higher Education Policy Studies (CHEPS) van de Universiteit Twente in
dat kader een onderzoek met als doel het inventariseren en evalueren van de
ervaringen met grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van het hoger
onderwijs . Het onderzoeksrapport van het CHEPS wordt in het najaar 2000 verwacht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 15: Er dient gebruik te worden gemaakt
van de wettelijke mogelijkheid op het Nederlandse deel van het GOB Aken-Heerlen
een dependance van de Rheinisch-Westfälische Technische Hochschule te
vestigen.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vanuit de Nederlandse wetgeving bezien bestaan er geen belemmeringen voor
de Rheinisch-Westfälische Technische Hochschule om een dependance te
vestigen op het Nederlandse deel van de GOB Aken-Heerlen. </al>
      <tuskop letat="vet">Voortgangsrapportage van de staatssecretaris van Financiën
inzake aanbevelingen rapport «Ondernemen in de grensstreek»</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Algemeen</tuskop>
      <al>In juli 1999 heeft het kabinet in de reactie op het rapport «Ondernemen
in de grensstreek» aangegeven in beginsel positief te staan tegenover
een nadere uitwerking van de aanbevelingen van de fiscale werkgroep. Onderkend
werd daarbij dat de belangrijkste aanbevelingen alleen gerealiseerd kunnen
worden met medewerking van de Duitse autoriteiten. Ook tijdens het algemeen
overleg op 16 december 1999 is door de staatssecretaris van Financiën
benadrukt dat de voortgang bij de uitwerking van de aanbevelingen sterk afhankelijk
is van de onderhandelingen met andere autoriteiten. In de relatie met Duitsland
worden de onderhandelingen over de uitvoering van de aanbevelingen op twee
niveaus gevoerd.</al>
      <al>Allereerst betreft dat de onderhandelingen over een nieuw Nederlands-Duits
belastingverdrag. Zoals in het overleg met de vaste commissie voor Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties en de vaste commissie voor Financiën op
16 december 1999 door mijn ambtsvoorganger reeds is aangegeven, is met Duitsland
in beginsel overeenstemming bereikt over het opnemen van een kapstokartikel
in het nieuwe belastingverdrag. Op basis van dit artikel zullen bijzondere
fiscale regelingen kunnen worden getroffen voor grensoverschrijdende bedrijventerreinen.</al>
      <al>De nadere uitwerking van de aanbevelingen wordt voorts besproken door
een ambtelijke werkgroep die op initiatief van Nederland in het leven is geroepen.
Deze werkgroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van de ministeries van
Financiën van Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland, alsmede van de
deelstaten Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen. Sinds de instelling in maart
2000 is de werkgroep reeds tweemaal bijeen geweest; van beide zijden wordt
op constructieve en positieve wijze gezocht naar oplossingen voor de problemen
waarmee ondernemers en werknemers in de grensstreek worden geconfronteerd.
De aanbevelingen van de Commissie-Wöltgens vormen daarbij het uitgangspunt
van de besprekingen.</al>
      <tuskop letat="vet">Aanbevelingen</tuskop>
      <al>In het rapport «Ondernemen in de grensstreek» zijn tien aanbevelingen
op het terrein van de fiscaliteit opgenomen. Onderstaand wordt per aanbeveling
verslag gedaan van de voortgang bij de uitwerking.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 1: Voor de winstsfeer is de volgende aanbeveling
gedaan:</nadruk>
      </al>
      <al>– een grensoverschrijdend experiment;</al>
      <al>– in een beperkt gebied, zijnde de grensoverschrijdende bedrijventerreinen
in Heerlen/Vaals/Kreisfreie Stadt Aachen en Kerkrade/Herzogenrath;</al>
      <al>– voor alle daar gevestigde ondernemingen;</al>
      <al>– waarbij voor de duur van het experiment de toepassing van het
v.i.-model wordt toegestaan (de ondernemer die zich aan de andere kant van
de grens vestigt, blijft in het eigen land belast);</al>
      <al>– en een regeling wordt getroffen om bij toetreding tot of beëindiging
van het experiment afrekening over de fiscale en stille reserves uit te stellen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het rapport-Wöltgens is de aanbeveling gedaan om voor de belastingheffing
van ondernemingswinsten het zogenoemde v.i.-model in te voeren waarbij een
Nederlandse of een Duitse ondernemer die zich op een grensoverschrijdend bedrijventerrein
(hierna: GOB) vestigt in eigen land belast blijft, ook als hij zich vestigt
op het deel van een GOB dat op het grondgebied van het andere land ligt. Zowel
in de besprekingen over de herziening van het Nederlands-Duitse
belastingverdrag als in het overleg van de Nederlands-Duitse werkgroep is
dit punt ter sprake gebracht. Een en ander heeft ertoe geleid dat in de tekst
van een nieuw Nederlands-Duits belastingverdrag een algemene kapstok-bepaling
zal worden opgenomen, die het mogelijk maakt dat Nederland en Duitsland een
bijzondere regeling overeen kunnen komen ter zake van de belastingheffing
van ondernemingen die gevestigd zijn op een GOB. Aanvankelijk gingen daarbij
de gedachten uit naar een in de tijd begrensd experiment. De opzet van GOB's
(Coevorden-Emlichheim en Heerlen-Aken) is evenwel van dien aard dat voor een
meer permanente benadering van de hiermee verbonden problematiek zal worden
gekozen.</al>
      <tuskop letat="cur">Basis voor een bijzondere regeling</tuskop>
      <al>Gegeven de onzekerheid omtrent de tijd die gemoeid zou kunnen zijn met
het gereed komen en in werking treden van een nieuw Nederlands-Duits belastingverdrag
terwijl de ontwikkeling van GOB's aan de Nederlands-Duitse landsgrens onverminderd
doorgaat, oordeelde de Nederlands-Duitse werkgroep een regeling wenselijk
die op kortere termijn soelaas zou kunnen bieden. De Nederlands-Duitse werkgroep
heeft zich daarom voorgenomen nog dit najaar te komen met een ontwerp voor
een aanvullend protocol bij het huidige Nederlands-Duitse belastingverdrag.
Naar verwachting van de werkgroep zou daarmee ten minste een jaar eerder een
bijzondere regeling – mits over de inhoud op korte termijn overeenstemming
kan worden bereikt – van toepassing kunnen worden voor de belastingheffing
van ondernemers op GOB's.</al>
      <tuskop letat="cur">Hoofdlijnen van de regeling voor GOB's</tuskop>
      <al>In de besprekingen van de Nederlands-Duitse werkgroep met betrekking tot
de belastingheffing van ondernemingswinsten beginnen de contouren van een
regeling zich concreet af te tekenen. In de zomermaanden zal een eerste concept
voor een regeling op schrift worden gesteld dat vervolgens in september a.s.
in de werkgroep zal worden besproken. De regeling zal voorzien in een belastingheffing
over de ondernemingswinst in het land waar de onderneming is, of wordt geacht
te zijn gevestigd ook al is (een deel van) de onderneming op het GOB op het
grondgebied van het andere land gelegen. De regeling zal verder voorschriften
bevatten ter zake van boekenonderzoeken door controleambtenaren van de vestigingsstaat
van de onderneming op het in het andere land gelegen deel van het GOB. De
vraag of fiscale afrekening over de stille reserves van de onderneming als
regel voor een aantal jaren zou kunnen worden uitgesteld in het geval dat
een onderneming een GOB verlaat en zich in het andere land vestigt dan waar
het tot dan toe gevestigd was (of geacht werd te zijn gevestigd), oogstte
aan Duitse zijde geen bijval. Een dergelijk uitstel wordt daarentegen wel
gerechtvaardigd geacht indien een onderneming bij een onvrijwillig vertrek
van een GOB door de afrekening over haar stille reserves in ernstige liquiditeitsproblemen
zou geraken. De werkgroep onderzoekt de mogelijkheden om de in dergelijke
gevallen optredende «onbedoelde hardheid» te vermijden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 2: In de sfeer van de indirecte belastingen
is met betrekking tot de teruggaaf van de door een ondernemer in een ander
land betaalde BTW de volgende aanbeveling gedaan:</nadruk>
      </al>
      <al>– een experiment in de relatie met Duitsland;</al>
      <al>– voor ondernemers die zijn gevestigd op een grensoverschrijdend
bedrijventerrein in Heerlen/Vaals/Kreisfreie Stadt Aachen en Kerkrade/Herzogenrath;</al>
      <al>– waarbij teruggaaf van BTW kan worden gevraagd in de staat van
vestiging; </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de werkgroep wordt van Duitse zijde terughoudend gereageerd bij de
uitwerking van deze aanbeveling. Weliswaar wordt van Duitse zijde erkend dat
een gewijzigde teruggaafprocedure voor de BTW waarbij de ondernemer de in
het buitenland betaalde BTW in eigen land kan terugvragen, tot een belangrijke
administratieve lastenverlichting kan leiden. De Duitse delegatie is echter
van mening dat dit vraagstuk primair op Europees niveau moet wordt opgelost.
Het voorstel dat de Europese Commissie in 1998 heeft gedaan voor een herziening
van de teruggaafprocedure zou in dit verband uitkomst moeten brengen.</al>
      <al>De onderhandelingen over het voorstel van de Europese Commissie verlopen
moeizaam. Om die reden is van Nederlandse zijde in de werkgroep voorgesteld
om – vooruitlopend op de uitkomsten van de discussie in Europees verband –
een tijdelijke regeling op experimentele basis te treffen voor ondernemers
op grensoverschrijdende bedrijventerreinen. De besprekingen hierover zijn
gaande.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 3: Met betrekking tot de BTW die verschuldigd
is ter zake van grensoverschrijdend personenvervoer komt de werkgroep tot
de aanbeveling:</nadruk>
      </al>
      <al>– een experimentele regeling te treffen in de relatie met België
en Duitsland;</al>
      <al>– voor ondernemers die gevestigd zijn in de Euregio Maas-Rijn; en</al>
      <al>– actief zijn in het personenvervoer;</al>
      <al>– waarbij van de BTW die verschuldigd is ter zake van in het andere
land verrichte vervoersdiensten aangifte kan worden gedaan in het land van
vestiging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De werkgroep heeft een nadere analyse gemaakt van de problemen die zich
bij de heffing van BTW bij het personenvervoer in de Nederlands-Duitse grensstreek
voordoen. Uit deze analyse is naar voren gekomen dat de groep ondernemers
die zowel in Nederland als Duitsland aangifte moet doen – dit is de
categorie waarop de aanbeveling ziet – uiterst beperkt is. Het merendeel
van de ondernemers die lokale vervoersdiensten met openbare lijndiensten en
taxi's in de grensstreek verricht, heeft slechts met de belastingdienst van
het eigen land te maken bij de afhandeling van de fiscale verplichtingen.</al>
      <al>Van Duitse zijde is een praktische regeling getroffen waarbij Nederlandse
vervoersondernemingen niet in de heffing worden betrokken voor vervoersdiensten
tot 10 kilometer op het grondgebied van Duitsland. De lokaal opererende vervoersondernemingen
blijken dan ook vooral aangifte in Duitsland te doen indien er een recht op
teruggaaf bestaat. Ook van Nederlandse zijde wordt een praktische regeling
gehanteerd waardoor de Duitse vervoersondernemingen die opereren in de grensstreek
doorgaans niet in Nederland zijn geregistreerd. Slechts enkele busondernemingen
die aanspraak maken op teruggaaf van de in Nederland betaalde BTW, zijn bij
de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen Buitenland in Heerlen geregistreerd.</al>
      <al>Omdat de analyse van de werkgroep heeft uitgewezen dat zich voor lokale
vervoersondernemingen in de Nederlands-Duitse grensstreek geen noemenswaardige
problemen voordoen bij de afhandeling van de fiscale verplichtingen, ziet
de werkgroep af van het uitwerken van een experimentele regeling. Wel zal
deze aanbeveling nog worden besproken met de Belgische autoriteiten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 4: Met betrekking tot de informatievoorziening
en de klachtenafhandeling zijn de volgende aanbevelingen gedaan:</nadruk>
      </al>
      <al>– het inrichten van gezamenlijke informatiepunten van de Nederlandse
en Duitse belastingdienst in de Nederlandse-Duitse grensstreek, waaronder
een informatiepunt op een van de bedrijventerreinen in de Zuid-Limburgse grensstreek,
waar ondernemers en grensarbeiders tijdens spreekuren terecht
kunnen met vragen over onder meer de fiscaliteit, de sociale zekerheid en
het ondernemingsrecht;</al>
      <al>– het door de belastingdienst laten ontwikkelen van een brochure
in de Nederlandse en Duitse taal ten behoeve van werknemers en ondernemers
die grensoverschrijdend werkzaam zijn;</al>
      <al>– de ontwikkeling van een Duitse vertaling van het Nederlandse C-biljet
en de toelichting daarbij; evenzo zou bij de Duitse autoriteiten moeten worden
aangedrongen op de vervaardiging van een Nederlandstalig aangiftebiljet voor
grensarbeiders en/of een Nederlandstalige toelichting daarbij;</al>
      <al>– het organiseren van periodiek lokaal overleg tussen de Nederlandse
en Duitse fiscale autoriteiten om klachten, verzoeken en vragen te behandelen
die op fiscaal terrein zijn gerezen. Voor Zuid-Limburg zou daarbij gedacht
kunnen worden aan een locatie in het Eurode Business Center dat op de grens
tussen Kerkrade en Herzogenrath is gelegen.</al>
      <tuskop letat="cur">Informatiesteunpunt</tuskop>
      <al>In het algemeen overleg van 16 december 1999 is met betrekking tot deze
aanbeveling reeds melding gemaakt van de oprichting van het Team Grensoverschrijdend
Werken en Ondernemen (hierna: team GWO) te Heerlen. Het team GWO is in februari
2000 geopend en beantwoordt aan een behoefte om specifieke vragen te stellen
over het onderwerp werken en ondernemen in de grensstreek. Aanvankelijk ontving
het team 200 vragen per week, maar dit aantal is inmiddels gegroeid naar een
kleine 400. Dit aantal vragen is voor een belastingtelefoon niet groot, maar
het betreft hier veelal complexe vragen die aanzienlijk meer tijd kosten dan
de gemiddelde vragen bij de belastingtelefoon. Daarnaast is gebleken dat ook
veel vragen over de problematiek van de grensstreek bij andere belastingtelefoons
of eenheden worden gesteld.</al>
      <al>Voor Nederland wordt gebruik wordt gemaakt van een gratis telefoonnummer.
Vanuit Duitsland blijkt het op dit moment technisch (nog) niet mogelijk om
het team GWO te bellen via een gratis telefoonnummer. Mensen die vanuit het
buitenland bellen moeten daarom voor het deel van het gesprek dat in het buitenland
ligt betalen. Daarnaast is er ook een gewoon telefoonnummer bij de Belcentrale
in Utrecht in gebruik genomen.</al>
      <tuskop letat="cur">Samenwerking met Duitsland</tuskop>
      <al>In de Nederlands-Duitse werkgroep is gesproken over de mogelijkheid om
een gezamenlijk Nederlands-Duits informatiesteunpunt op te zetten. In dit
kader is van Nederlandse zijde voorgesteld om te komen tot een proef waarbij
Duitse ambtenaren in het team GWO zullen werken. Indien overeenstemming wordt
bereikt over dit voorstel, in het bijzonder met de deelstaten Noordrijn-Westfalen
en Nedersaksen die op dit terrein bevoegd zijn, zal de proef in oktober 2000
kunnen starten. Voorgesteld is de proef vooralsnog te laten eindigen op 31
december 2001. In juni en december 2001 zal een evaluatie plaatsvinden.</al>
      <al>De Duitse belastingdienst zal de kosten van het eigen personeel en de
kosten voor de koppeling met de Duitse informatiesystemen voor zijn rekening
neemt. Gedurende de proef zullen de Duitse ambtenaren gebruik kunnen maken
van de infrastructuur van team GWO.</al>
      <tuskop letat="cur">Vertaling bestaande formulieren, aangiftebiljetten en
brochures</tuskop>
      <al>Door de belastingdienst is de werkgroep schriftelijke communicatie ingesteld.
Deze werkgroep onderzoekt in hoeverre de brochures op het terrein van de belastingheffing
en de sociale zekerheid moeten worden aangepast. Daarbij wordt tevens bezien
welk materiaal voor vertaling in het Duits in aanmerking komt.
In dat kader worden gemeld dat de brochure«Wonen in Nederland en werken
in Duitsland» reeds verkrijgbaar is in een Duitse versie.</al>
      <al>De Duitse belastingdienst zal aan de hand van eigen en Nederlandse brochures
bezien in hoeverre het in Duitsland beschikbare informatiemateriaal beter
kan worden afgestemd op de specifieke behoeften van de ondernemers en werknemers
in de grensstreek. Een en ander zal op korte termijn moeten leiden tot een
verbetering van de bestaande producten.</al>
      <al>In vervolg op deze onderzoeken zullen de belastingdiensten van Noordrijn-Westfalen
en Nederland gezamenlijk proberen het informatiemateriaal te combineren. Uitgangspunt
daarbij is dat het informatiemateriaal handzaam, leesbaar en laagdrempelig
blijft voor Duitse en Nederlandse belastingplichtigen.</al>
      <tuskop letat="cur">Regionale steunpunten</tuskop>
      <al>Met het oog op de inrichting van regionale steunpunten is binnen de belastingdienst
een werkgroep opgericht. Deze werkgroep regionale steunpunten heeft na onderzoek
geadviseerd om langs de grenzen met Duitsland en België regionale steunpunten
in te richten. Bij deze regionale steunpunten zullen periodiek spreekuren
worden gehouden voor ondernemers en werknemers in de grensstreek. Voor de
spreekuren wordt vooralsnog gedacht aan een proef van een jaar.</al>
      <al>De Duitse belastingdienst heeft laten weten ook iets te voelen voor de
inrichting van regionale steunpunten met gezamenlijke Nederlandse-Duitse spreekuren.
Een voorstel wordt door de werkgroep in overleg met de Duitse belastingdienst
voorbereid. De gedachten gaan daarbij uit naar een aantal regionale steunpunten
in de omgeving van de plaatsen Heerlen, Venlo, Nijmegen, Enschede en mogelijk
Coevorden. Wat betreft de exacte lokatie van deze steunpunten zal nog overleg
moeten worden gevoerd met de Duitse belastingdienst.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 5: Het hanteren van een vaste regel met
betrekking tot de vestigingsplaats van op de grens gelegen ondernemingen.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De aanbeveling met betrekking tot het hanteren van een vaste regel bij
de vaststelling van de vestigingsplaats van een op de grens gelegen onderneming
is besproken in de Nederlands-Duitse werkgroep. Daarbij zijn van Nederlandse
zijde enkele suggesties gedaan voor een beslisregel die op dit moment door
Duitsland worden bestudeerd. Over de wenselijkheid om in de regeling voor
GOB's een dergelijke beslisregel op te nemen is de werkgroep eensgezind. Definitieve
besluitvorming over de op te nemen beslisregel zal naar verwachting in september
a.s. kunnen plaatsvinden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Overigens heeft aanbeveling 10 van het rapport «De grens nader verkend»
betrekking op dezelfde problematiek. Gelet hierop verdient het de voorkeur
om voor het algemene en het fiscale rechtsregime tot eenzelfde oplossing te
komen. Een en ander zal tussen de algemene en de fiscale werkgroep worden
afgestemd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 6: De werkgroep beveelt met betrekking
tot de belastingheffing van grensarbeiders aan:</nadruk>
      </al>
      <al>– goed te keuren dat buitenlandse alleenverdieners die slechts een
gedeelte van het jaar in Nederland werken, kunnen worden ingedeeld in tariefgroep
3;</al>
      <al>– in Duitsland zou een overeenkomstige regeling moeten worden bepleit
voor Nederlandse alleenverdieners.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De problematiek die zich voordoet met betrekking tot de tariefgroepindeling
van buitenlandse alleenverdieners zal zich onder de Wet inkomstenbelasting
2001 niet meer voordoen. Buitenlandse belastingplichtigen zullen dan kunnen
opteren voor een behandeling als binnenlands belastingplichtige en zodoende
aanspraak kunnen maken op toepassing van de heffingskorting. Indien een buitenlandse
belastingplichtige slechts een gedeelte van het jaar in Nederland werkt, zal
er naar rato aanspraak kunnen worden gemaakt op de heffingskorting. Ook buitenlandse
belastingplichtigen die als werknemer onder de loonbelasting vallen en niet
opteren voor een behandeling als binnenlands belastingplichtige, zullen via
toepassing van de loonbelastingtabellen feitelijk gebruik kunnen maken van
de heffingskorting.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 7: Het verlenen van uitstel voor de afdracht
van loonbelasting ter zake van Nederlandse werknemers die in Duitsland werkzaam
zijn voor de uitvoering van een bouwwerk of constructiewerkzaamheden gedurende
de periode dat er nog geen duidelijkheid bestaat over de vraag of er sprake
is van een vaste inrichting;</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De aanbeveling voor het verlenen van uitstel van afdracht loonbelasting
zal door de Nederlands-Duitse werkgroep nader worden bezien. De vraag of een
tegemoetkomende regeling kan worden getroffen is onder meer afhankelijk van
de uitvoerbaarheid van een dergelijke regeling. Daarop wordt gestudeerd. De
voldoening van loonbelasting zal overigens als gevolg van de aanstaande inwerkingtreding
van het Nederlands-Duitse bijstandsverdrag in de hier bedoelde gevallen zijn
verzekerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 8: Voor de invordering van gemeentelijke
belastingen wordt aanbevolen:</nadruk>
      </al>
      <al>– de reikwijdte van het Invorderingsverdrag met Duitsland uit te
breiden tot de gemeentelijke belastingen;</al>
      <al>– de drempel van 1500 waarboven bijstand bij invordering in het
andere land wordt verleend voor de gemeentelijke belastingen te verlagen tot
200.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot de aanbeveling inzake de invordering van gemeentelijke
belastingen speelt het op 22 mei 1999 met Duitsland getekende verdrag inzake
de wederzijdse administratieve bijstand bij de invordering van belastingschulden
een belangrijke rol. Dit verdrag is in eerste aanleg beperkt tot de directe
belastingen, maar kan desgewenst door de bevoegde autoriteiten worden uitgebreid
naar andere belastingen. Indien het verdrag in de praktijk bevredigend blijkt
te werken in de sfeer van de directe belastingen, zal een uitbreiding van
de werkingssfeer tot de gemeentelijke belastingen met de Duitse autoriteiten
worden opgenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 9: De werkgroep ondersteunt het idee om
in het nieuwe Nederlands-Duitse belastingverdrag een «kapstok»-bepaling
op te nemen.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De gedachte om in een nieuw Nederlands-Duits belastingverdrag een algemene
«kapstok»-bepaling op te nemen op basis waarvan bijzondere regelingen
voor grensoverschrijdende bedrijventerreinen kunnen worden getroffen, is inmiddels
door de Duitse autoriteiten in principe aanvaard. Kortheidshalve zij verwezen
naar hetgeen hierover bij aanbeveling 1 is opgemerkt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 10: De werkgroep beveelt aan het heffen
van belastingen en premies bij grensarbeiders in één staat (de
woonstaat of de werkstaat) te laten plaatsvinden.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot deze aanbeveling zij erop gewezen dat het heffen van
belastingen en premies van grensarbeiders in één staat een van
de uitgangspunten van het Nederlandse fiscale verdragsbeleid vormt. Ziehiervoor de nota «Internationaal fiscaal (verdrags)beleid»
(Kamerstukken II 1997/98, 25 087, nr. 4).</al>
      <al>In de onderhandelingen over het nieuwe verdrag met Duitsland is, voor
wat betreft de belastingheffing over het salaris van pendelaars, overeenstemming
bereikt over het beginsel dat belastingheffing en premieheffing volksverzekeringen
zoveel mogelijk in hetzelfde land zouden dienen te geschieden. Daarmee zal
dit uitgangspunt van het Nederlandse fiscale verdragsbeleid in het herziene
verdrag met Duitsland verwezenlijkt worden.</al>
      <al>In hoeverre de Nederlandse pendelaar, die in Duitsland werkzaam is, aldaar
een beroep op behandeling als inwoner van Duitsland kan doen staat nog niet
vast. Volgens de Duitse nationale wetgeving is dat in elk geval mogelijk als
ten minste 90% van het wereldinkomen van de pendelaar (voor gehuwden 90% van
het gezamenlijke inkomen) ter belastingheffing aan Duitsland toekomt, hetgeen
bijvoorbeeld het geval is als hij zijn inkomen verkrijgt uit een door hem
in Duitsland bij een Duitse werkgever verrichte dienstbetrekking. Over de
toepassing van de inwonerbehandeling beneden de grens van 90% vindt nog overleg
plaats met Duitsland in het kader van de onderhandelingen over de verdragsherziening.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tijdens de besprekingen van de werkgroep werd voorts onderkend dat het
bestaande arsenaal van wet- en regelgeving betreffende de belastingheffing
over salarissen van werknemers tekort schiet ingeval een persoon in dienstbetrekking
werkzaam is in een onderneming die fysiek exact op de Nederlands-Duitse landsgrens
is gelegen. Zonder nadere regelgeving zouden situaties van dubbele belastingheffing
of dubbele vrijstelling van bedoelde salarissen niet ondenkbaar zijn. Voor
die gevallen lijkt naar het oordeel van de werkgroep een oplossing daarin
te liggen dat wordt aangesloten bij de vestigingsplaats van de desbetreffende
onderneming, zoals die op basis van de bij aanbeveling 5 bedoelde beslisregel
is vastgesteld. Als een dergelijke onderneming aan de hand van deze regels
wordt geacht in een van de landen te zijn gevestigd, dan worden de in die
onderneming werkzame personen geacht hun werkzaamheden op het grondgebied
van dat land te vervullen en worden met betrekking tot de door hen genoten
salarissen de normale verdragsregels toegepast. Voor andere situaties acht
de werkgroep op dit moment geen nadere of bijzondere regelgeving naast de
bestaande wet- en regelgeving nodig. </al>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v12.1" nr="1">
    <al>Zie EURES-rapport, aanbevelingen 111D, blz. 23–24 en
208 NL-D, blz. 31–32.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v12.2" nr="2">
    <al>Zie EURES-rapport, aanbeveling 211D, blz. 33.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v12.3" nr="3">
    <al>Zie EURES-rapport, aanbeveling 210 D, blz. 33.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>