﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26670-1/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1998-1999</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.1__2.4" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST36398</ordernr>
    <vergjaar>1998-1999</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 670</nummer>
      <naam>Grensoverschrijdende projecten</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>1</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
EN VAN FINANCIËN</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>'s-Gravenhage,  <datum>5 juli 1999</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>In november 1997 is tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen in de
Eerste Kamer over de Rijksbegroting 1998 toegezegd dat het kabinet serieus
en met een positieve houding zou kijken naar mogelijkheden om knelpunten weg
te nemen waar men in Limburg tegenaan liep bij de realisering van grensoverschrijdende
projecten. Het ging meer in het bijzonder om het grensoverschrijdend bedrijventerrein
Aken-Heerlen en het samenwerkingsverband Eurode tussen de gemeenten Kerkrade
(NL) en Herzogenrath (D).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ter uitvoering van die toezegging werden voorjaar 1998 twee werkgroepen
ingesteld: een algemene en een fiscale werkgroep. De algemene werkgroep beval
in haar rapportage «De grens nader verkend»<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> onder meer aan te komen tot een op grensoverschrijdende bedrijventerreinen
toegesneden verdrag tussen Nederland, de Bondsrepubliek Duitsland, Noordrijn-Westfalen
en Nedersaksen. Een dergelijk verdrag zou langs de gehele Nederlands-Duitse
grens moeten gelden. De fiscale werkgroep heeft in haar rapport «Ondernemen
in de grensstreek»<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> aanbevelingen gedaan
die ertoe moeten leiden dat de fiscale belemmeringen voor ondernemers die
zich vestigen op grensoverschrijdende bedrijventerreinen worden weggenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In beide rapporten wordt onderkend dat de belangrijkste aanbevelingen
alleen kunnen worden gerealiseerd met medewerking van de Duitse autoriteiten.
Om die reden zijn beide rapporten in het Duits vertaald en onder de aandacht
gebracht van de autoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland en de deelstaat
Noordrijn-Westfalen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 2 juli 1999 heeft de Ministerraad de aanbevelingen van beide werkgroepen
overgenomen. De eerste ondergetekende wordt belast met de uitvoering van de
aanbevelingen van de algemene werkgroep, de tweede ondergetekende wordt belast
met de uitvoering van de aanbevelingen van de fiscale werkgroep. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bijgaand doen wij u de kabinetsreacties ter zake beide rapporten toekomen.
Het kabinet is voornemens beide Kamers der Staten-Generaal halfjaarlijks te
rapporteren over de voortgang van de uitvoering van de aanbevelingen.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,</functie>
        <naam>G. M. de Vries</naam>
        <functie>De Staatssecretaris van Financiën,</functie>
        <naam>W. A. F. G. Vermeend </naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">KABINETSREACTIE OP HET RAPPORT «ONDERNEMEN IN DE
GRENSSTREEK» </tuskop>
      <tuskop letat="vet">1. Algemeen</tuskop>
      <al>In november 1997 heeft de Eerste Kamer tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen
aandacht gevraagd voor de problemen die zich voordoen bij het opzetten van
grensoverschrijdende projecten in het zuiden des lands. In zijn reactie heeft
de minister-president toegezegd te zullen laten bezien of voor concrete praktische
knelpunten binnen de grenzen van de verdragen en de bestaande wetgeving oplossingen
kunnen worden gevonden.</al>
      <al>Tijdens een symposium ter gelegenheid van het 75-jarige ABP in december
1997 over het regionale beleid in Zuid-Limburg heeft de staatssecretaris van
Financiën toegezegd om de fiscale problemen van het grensoverschrijdend
ondernemen door een werkgroep te laten onderzoeken. Uiteindelijk hebben deze
gebeurtenissen geleid tot het opzetten van twee werkgroepen: een algemene,
ambtelijke werkgroep onder leiding van de heer A.Ch.M. Rijnen van het ministerie
van Binnenlandse Zaken en een fiscale werkgroep onder leiding van de heer
drs. M.A.M. Wöltgens, burgemeester van Kerkrade. Tussen beide werkgroepen
bestond een personele unie waarmee een goede afstemming van de werkzaamheden
werd verzekerd. De fiscale werkgroep kende een gemengde samenstelling met
zowel Limburgse als Haagse vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven en de
overheid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De taakopdracht van de fiscale werkgroep heeft zich in het bijzonder toegespitst
op de problemen die zich voordoen bij de vestiging van ondernemingen op grensoverschrijdende
bedrijventerreinen. Met name in de grensstreek tussen Zuid-Limburg en Duitsland
zijn de laatste jaren initiatieven ontplooid om dergelijke bedrijventerreinen
van de grond te krijgen. Het onderzoek van de werkgroep heeft zich daarom
primair gericht op het inventariseren van de problemen die zich in deze grensregio
voordoen. Het onderzoek heeft zich niet beperkt tot de problemen die aan de
Nederlandse kant van de grens spelen, maar was ook gericht op de problemen
aan de Duitse kant.</al>
      <al>Op 14 november 1998 heeft de fiscale werkgroep haar rapport «Ondernemen
in de grensstreek» aangeboden aan de staatssecretaris van Financiën.
In dit rapport is een brede inventarisatie gemaakt van de fiscale knelpunten
waarmee men in de grensstreek te maken krijgt alsmede een lijst met aanbevelingen
opgenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het rapport wordt onderkend dat de belangrijkste aanbevelingen van
de fiscale werkgroep alleen gerealiseerd kunnen worden met medewerking van
de Duitse autoriteiten. Om die reden is het rapport in het Duits vertaald
en onder de aandacht gebracht van de autoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland
en het Land Nordrhein-Westfalen. Mocht de medewerking van Duitse kant worden
verkregen, dan is er sprake van een belangrijke doorbraak op fiscaal terrein. </al>
      <tuskop letat="vet">2. Rapport «Ondernemen in de grensstreek» </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Korte inhoud van het rapport</tuskop>
      <al>Het rapport begint met een beschrijving van de bijzondere structuur van
de grensregio's (hoofdstuk 2). Geconstateerd wordt dat de regels en voorzieningen
aan weerszijden van de grens sterk verschillen. Deze verschillen doen zich
sterker gevoelen naar mate het integratieproces sterker voortschrijdt. Binnen
een in te stellen eurozône zouden wet- en regelgeving van aangrenzende
staten op elkaar kunnen worden afgestemd, bijvoorbeeld via het
treffen van bijzondere regelingen voor «grensondernemers».</al>
      <al>De werkgroep heeft vervolgens een brede inventarisatie gemaakt van de
problemen die zijn verbonden aan het ondernemen in de grensstreek (hoofdstuk
3). Wellicht het belangrijkste probleem doet zich voor bij ondernemers die
een onderneming in het buurland willen starten. Deze krijgen met twee fiscale
stelsels te maken hetgeen aanzienlijke extra administratieve lasten met zich
meebrengt. Wordt een Nederlandse onderneming naar Duitsland verplaatst, dan
kan de onderneming bovendien te maken krijgen met een afrekening over de fiscale
en stille reserves. Dit kan bij de onderneming tot liquiditeitsproblemen leiden.</al>
      <al>Ook in de sfeer van de indirecte belastingen doen zich grensoverschrijdende
problemen voor. Zo verloopt de teruggaaf van in het buitenland betaalde BTW
via een complexe en administratief omslachtige procedure. Een meer specifiek
probleem betreft de verplichting bij het grensoverschrijdend personenvervoer
om voor de BTW onderscheid te maken tussen het in Nederland verrichte vervoer
en het vervoer dat in de buurlanden plaatsvindt. Ook deze regeling leidt voor
de betrokken ondernemers tot extra administratieve lasten.</al>
      <al>Een derde terrein waarop de werkgroep de problemen in kaart heeft gebracht,
betreft de informatievoorziening aan grensondernemers en -arbeiders. Voorts
is er een overzicht gegeven van diverse andere problemen die zich in de grensstreek
kunnen voordoen, zoals onduidelijkheid over de vestigingsplaats van ondernemingen,
de samenloop van belasting- en premieheffing bij grensarbeiders, de tariefgroepindeling
van alleenverdieners, de heffing van loonbelasting van werknemers die werkzaam
zijn bij een vaste inrichting in het andere land en de problemen die zich
voordoen bij de invordering van gemeentelijke belastingen.</al>
      <al>Vervolgens heeft de werkgroep een verkenning uitgevoerd van de mogelijke
oplossingsrichtingen. Daarbij heeft de werkgroep een aantal duidelijke kaders
gehanteerd. Zo dienen oplossingen – gelet op de taakopdracht van de
werkgroep – te passen binnen de kaders van de bestaande wetgeving en
de verdragen. Voorts zou een oplossing geen strijd mogen opleveren met het
gelijkheidsbeginsel. In verband daarmee heeft de werkgroep in een aantal gevallen
regelingen op experimentele basis voorgesteld met beperkingen aan de duur
en de geografische reikwijdte. </al>
      <tuskop letat="cur">Aanbevelingen</tuskop>
      <al>Binnen deze randvoorwaarden is door de fiscale werkgroep een lijst met
aanbevelingen opgesteld. In het kort worden de volgende maatregelen voorgesteld:</al>
      <al>1. De invoering van een vaste-inrichtingsmodel (v.i.-model) waarbij een
ondernemer die zich op een grensoverschrijdend bedrijventerrein in het andere
land vestigt, in eigen land belast blijft.</al>
      <al>2. De teruggaaf van de door een ondernemer in een ander land betaalde
BTW zou in eigen land moeten kunnen plaatsvinden.</al>
      <al>3. De aangifte van de BTW die in een ander land verschuldigd is ter zake
van grensoverschrijdend personenvervoer, zou in eigen land moeten plaatsvinden.</al>
      <al>4. Voor de informatievoorziening en de afhandeling van klachten van grensondernemers
en -arbeiders zouden gezamenlijke informatiepunten moeten worden ingericht.
Tevens zouden tweetalige brochures en aangiftebiljetten voor grensondernemers
en -arbeiders moeten worden ontwikkeld. </al>
      <al>5. Voor ondernemingen die op de grens zijn gelegen, zou een vaste regel
met betrekking tot de vestigingsplaats moeten worden gehanteerd.</al>
      <al>6. Goedgekeurd zou moeten worden dat buitenlandse alleenverdieners die
slechts een gedeelte van het jaar in ons land werken, kunnen worden ingedeeld
in tariefgroep 3.</al>
      <al>7. Uitstel zou moeten worden verleend voor de afdracht van loonbelasting
ter zake van Nederlandse werknemers die in Duitsland werkzaam zijn voor de
uitvoering van een bouwwerk of constructiewerkzaamheden gedurende de periode
dat er geen duidelijkheid bestaat over de vraag of er sprake is van een vaste
inrichting.</al>
      <al>8. De reikwijdte van het Invorderingsverdrag met Duitsland zou moeten
worden uitgebreid tot de gemeentelijke belastingen, waarbij de drempel voor
invordering zou moeten worden verlaagd tot f 200.</al>
      <al>9. In het nieuwe belastingverdrag met Duitsland zou een «kapstok»-bepaling
moeten worden opgenomen op basis waarvan bijzondere regelingen voor grensoverschrijdende
bedrijventerreinen kunnen worden getroffen.</al>
      <al>10. In de onderhandelingen over een herziening van de belastingverdragen
met Duitsland en België zou de gedachte moeten worden ingebracht dat
het heffen van belastingen en premies van grensarbeiders in één
staat moet plaatsvinden.</al>
      <al>  De werkgroep komt bij een aantal aanbevelingen met oplossingen in de
vorm van experimenten, een werkwijze waarbij op beperkte schaal de effecten
en de praktische uitvoerbaarheid van een maatregel kan worden onderzocht.
Deze experimenten moeten worden gezien als een eerste stap op de weg naar
meer permanente vormen van (fiscale) grensoverschrijdende samenwerking en
afstemming in de grensstreek. Het kabinet onderschrijft het belang van een
dergelijke stapsgewijze aanpak op basis van experimenten. Uit een evaluatie
van de voorgestelde maatregelen zal moeten blijken of toepassing op ruimere
schaal haalbaar is. </al>
      <tuskop letat="vet">3. Verspreiding van het rapport</tuskop>
      <al>Het rapport «Ondernemen in de grensstreek» is onder de aandacht
gebracht van de instanties die betrokken zijn bij de problematiek van het
grensoverschrijdend ondernemen. Daarbij is een Duitse vertaling van het rapport
toegezonden aan de minister van Financiën van de Bondsrepubliek Duitsland
en de minister-president van de deelstaat Nordrhein-Westfalen.</al>
      <al>Voorts is het rapport voorgelegd aan de landsadvocaat teneinde zijn standpunt
te vernemen over de vraag of het gelijkheidsbeginsel in het geding zou kunnen
komen indien uitvoering wordt gegeven aan de aanbevelingen van de werkgroep. </al>
      <tuskop letat="vet">4. Reacties op het rapport</tuskop>
      <al>De reacties die op het rapport zijn ontvangen, onderstrepen het belang
dat bij betrokkenen wordt gehecht aan het oplossen van de problemen waarmee
ondernemers in de grensstreek worden geconfronteerd. Het kabinet is verheugd
dat er ook van Duitse zijde positieve reacties zijn ontvangen. Het overleg
met de Duitse autoriteiten over de uitvoering van de aanbevelingen zal op
korte termijn worden opgestart.</al>
      <al>De landsadvocaat meent in zijn advies over het rapport dat het binnen
een zorgvuldig overheidsbeleid passend kan zijn om door experimenten met een beperkte duur ervaring op te doen met toekomstig beleid. Wel meent
hij dat een beperking van de geografische reikwijdte van dergelijke experimenten –
verschillende door de werkgroep voorgestelde experimenten zijn beperkt tot
bepaalde grensoverschrijdende bedrijventerreinen – de problematiek van
het gelijkheidsbeginsel oproept. Bij de uitwerking van de aanbevelingen zal
dan ook nader worden bezien in welke gebieden experimenten zullen worden uitgevoerd. </al>
      <tuskop letat="vet">5. Kabinetsstandpunt</tuskop>
      <al>Hierna wordt voor ieder van de aanbevelingen van de fiscale werkgroep
het standpunt van het kabinet weergegeven. In beginsel staat het kabinet positief
tegenover een nadere uitwerking van de aanbevelingen van de werkgroep. Wel
dient te worden bedacht dat voor invoering van de meeste aanbevelingen de
medewerking van de Duitse autoriteiten vereist is. Ook de werkgroep wees hier
in het rapport reeds op.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 1: Voor de winstsfeer wordt door de werkgroep de volgende
aanbeveling gedaan:</nadruk>
      </al>
      <al>– een grensoverschrijdend experiment;</al>
      <al>– in een beperkt gebied, zijnde de grensoverschrijdende bedrijventerreinen
in Heerlen/Vaals/Kreisfreie Stadt Aachen en Kerkrade/Herzogenrath;</al>
      <al>– voor alle daar gevestigde ondernemingen;</al>
      <al>– waarbij voor de duur van het experiment de toepassing van het
v.i.-model wordt toegestaan (de ondernemer die zich aan de andere kant van
de grens vestigt, blijft in het eigen land belast);</al>
      <al>– en een regeling wordt getroffen om bij toetreding tot of beëindiging
van het experiment afrekening over de fiscale en stille reserves uit te stellen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de sfeer van de directe belastingen stelt de werkgroep het zogenaamde
vaste-inrichtingsmodel of v.i.-model voor. In dit model kan een ondernemer
die zich aan de andere kant van de grens op een grensoverschrijdend bedrijventerrein
vestigt, opteren voor belastingheffing in het eigen land. In dat geval wordt
er gedurende een bepaalde periode aangenomen dat de onderneming geen vaste
inrichting in het andere land heeft en de aldaar behaalde winst in het eigen
land belast.</al>
      <al>Het kabinet staat positief tegenover deze aanbeveling en meent dat hiermee
de administratieve lasten van ondernemers die zich over de grens vestigen,
in belangrijke mate kunnen worden beperkt. Ook kan het v.i.-model een oplossing
bieden voor de verplichte afrekening die zich kan voordoen in geval van een
bedrijfsverplaatsing over de grens.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In dit verband kan ook nog worden gewezen op een eerder aangekondigde
regeling voor project-BV's die in het verlengde van deze aanbeveling van de
werkgroep ligt. In het rapport van de werkgroep Fiscale Infrastructuur<voetref refid="v6.1" nr="1"></voetref> is de mogelijkheid naar voren gebracht om naar Nederlands
recht opgerichte lichamen die geheel in het buitenland zijn gevestigd en daar
activiteiten met behulp van een vaste inrichting verrichten (een zogenoemde
project-BV) gelijk te stellen met een buitenlandse deelneming. Deze gedachte
is meegenomen bij de in voorbereiding zijnde wijziging van het fiscale eenheidsregime.
De regeling voor project-BV's is van belang voor situaties waarin ondernemingen
in de vorm van een rechtspersoon worden gedreven. Door de project-BV aan te
merken als buitenlandse deelneming komt de belastingplicht voor de vennootschapsbelasting
te vervallen en daarmee ook de daarmee verband houdende administratieve problematiek.
De regeling voor project-BV's zal op korte termijn aan de Kamer worden voorgelegd. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 2: In de sfeer van de indirecte belastingen komt de werkgroep
met betrekking tot de teruggaaf van de door een ondernemer in een ander land
betaalde BTW tot de volgende aanbevelingen:</nadruk>
      </al>
      <al>– een experiment in de relatie met Duitsland;</al>
      <al>– voor ondernemers die zijn gevestigd op een grensoverschrijdend
bedrijventerrein in Heerlen/Vaals/Kreisfreie Stadt Aachen en Kerkrade/Herzogenrath;</al>
      <al>– waarbij teruggaaf van BTW kan worden gevraagd in de staat van
vestiging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinet erkent dat de invoering van een gewijzigde teruggaafprocedure
voor de BTW waarbij de ondernemer de in het buitenland betaalde BTW in eigen
land kan terugvragen, tot een belangrijke administratieve lastenverlichting
kan leiden. Het kabinet zal de invoering van een dergelijke maatregel dan
ook bevorderen. Voor de vraag of een teruggaafprocedure haalbaar is, zal rekening
moeten worden gehouden met de relevante Europees-rechtelijke aspecten in de
afweging moeten worden betrokken. De Europese Commissie heeft in 1998 een
voorstel gedaan voor een herziening van de teruggaafprocedure. De onderhandelingen
over dit voorstel verlopen moeizaam. Afgewacht zal moeten worden of de Europese
Commissie – vooruitlopend op de uitkomsten van de discussies in Europees
verband – bereid zal zijn met een «eigen» Nederlands-Duitse
regeling in te stemmen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 3: met betrekking tot de BTW die verschuldigd is ter
zake van grensoverschrijdend personenvervoer komt de werkgroep tot de aanbeveling:</nadruk>
      </al>
      <al>– een experimentele regeling te treffen in de relatie met België
en Duitsland;</al>
      <al>– voor ondernemers die gevestigd zijn in de Euregio Maas-Rijn; en</al>
      <al>– actief zijn in het personenvervoer;</al>
      <al>– waarbij van de BTW die verschuldigd is ter zake van in het andere
land verrichte vervoersdiensten aangifte kan worden gedaan in het land van
vestiging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook het voorstel om de BTW die verschuldigd is ter zake van in het andere
land verrichte vervoersdiensten door de ondernemer te laten betalen in het
land van vestiging, wordt door het kabinet positief beoordeeld. De aanbeveling
zal aan de autoriteiten van Duitsland en België worden voorgelegd. Ook
hier gelden overigens de voorbehouden met betrekking tot de aspecten van Europeesrechtelijke
aard die bij aanbeveling 2 reeds aan de orde kwamen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 4: Met betrekking tot de informatievoorziening en de
klachtenafhandeling doet de werkgroep de volgende aanbevelingen:</nadruk>
      </al>
      <al>– het inrichten van gezamenlijke informatiepunten van de Nederlandse
en Duitse belastingdienst in de Nederlandse-Duitse grensstreek, waaronder
een informatiepunt op een van de bedrijventerreinen in de Zuid-Limburgse grensstreek,
waar ondernemers en grensarbeiders tijdens spreekuren terecht kunnen met vragen
over onder meer de fiscaliteit, de sociale zekerheid en het ondernemingsrecht;</al>
      <al>– het door de belastingdienst laten ontwikkelen van een brochure
in de Nederlandse en Duitse taal ten behoeve van werknemers en ondernemers
die grensoverschrijdend werkzaam zijn;</al>
      <al>– de ontwikkeling van een Duitse vertaling van het Nederlandse C-biljet
en de toelichting daarbij; evenzo zou bij de Duitse autoriteiten moeten worden
aangedrongen op de vervaardiging van een Nederlandstalig aangiftebiljet voor
grensarbeiders en/of een Nederlandstalige toelichting daarbij;</al>
      <al>– het organiseren van periodiek lokaal overleg tussen de Nederlandse
en Duitse fiscale autoriteiten om klachten, verzoeken en vragen
te behandelen die op fiscaal terrein zijn gerezen. Voor Zuid-Limburg zou daarbij
gedacht kunnen worden aan een locatie in het Eurode Business Center dat op
de grens tussen Kerkrade en Herzogenrath is gelegen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinet deelt de opvattingen van de werkgroep met betrekking tot de
informatievoorziening en de klachtenafhandeling in de grensstreek. Recent
heeft de staatssecretaris van Financiën in antwoord op vragen van het
Tweede-Kamerlid Weekers aangegeven het instellen van een gezamenlijk informatiepunt
van de Nederlandse en Duitse belastingdienst in de grensstreek gewenst te
vinden (Aanhangsel Handelingen nr. 1040, vergaderjaar 1998/99). Daaraan gekoppeld
zou periodiek overleg tussen de Nederlandse en Duitse autoriteiten kunnen
plaatsvinden voor de afhandeling van klachten op fiscaal terrein. Vooruitlopend
op de instelling van een gezamenlijk steunpunt heeft de staatssecretaris van
Financiën aangekondigd zo spoedig mogelijk een Nederlands steunpunt te
zullen instellen.</al>
      <al>Binnen de Belastingdienst wordt hierbij gedacht aan de inrichting van
een virtueel loket (belastingtelefoon, Internet) en verschillende fysieke
loketten. Op dit moment worden gezamenlijk met het Duitse Steueramt reeds
spreekuren voor grenswerkers gehouden bij de Belastingdienst te Nijmegen en
Enschede. De inrichting van het steunpunt zal op korte termijn kunnen worden
voltooid.</al>
      <al>Bij de instelling van dit steunpunt zal afstemming plaatsvinden met de
plannen van de algemene werkgroep voor het opzetten van een pilot project
met een of meer virtuele loketten voor informatievoorziening in de grensstreek.</al>
      <al>Met betrekking tot de ontwikkeling van brochures voor werknemers en ondernemers
in de grensstreek is voor de Nederlands-Belgische grensstreek een brochure
«Werken in de Belgische grensstreek» beschikbaar. In de relatie
met Duitsland is een Nederlandstalige brochure «Wonen in Nederland en
werken in Duitsland» beschikbaar. Een Duitstalige brochure voor diegenen
die in Duitsland wonen en in Nederland werken is momenteel in ontwikkeling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 5: Het hanteren van een vaste regel met betrekking tot
de vestigingsplaats van op de grens gelegen ondernemingen.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De aanbeveling van de werkgroep met betrekking tot het hanteren van een
vaste regel bij de vaststelling van de vestigingsplaats van een op de grens
gelegen onderneming zal worden meegenomen in het overleg met de Duitse autoriteiten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 6: De werkgroep beveelt met betrekking tot de belastingheffing
van grensarbeiders aan:</nadruk>
      </al>
      <al>– goed te keuren dat buitenlandse alleenverdieners die slechts een
gedeelte van het jaar in Nederland werken, kunnen worden ingedeeld in tariefgroep
3;</al>
      <al>– in Duitsland zou een overeenkomstige regeling moeten worden bepleit
voor Nederlandse alleenverdieners.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De wenselijkheid om te komen tot een aanpassing van de tariefindeling
van buitenlandse alleenverdieners zal nader worden onderzocht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 7: Het verlenen van uitstel voor de afdracht van loonbelasting
ter zake van Nederlandse werknemers die in Duitsland werkzaam zijn voor de
uitvoering van een bouwwerk of constructiewerkzaamheden gedurende de periode
dat er nog geen duidelijkheid bestaat over de vraag of er sprake is van een
vaste inrichting.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinet is het met de werkgroep eens dat de afdracht van loonbelasting
voor in Duitsland verrichte werkzaamheden in bepaalde situaties een zekere
hardheid met zich mee kan brengen. De aanbeveling van de werkgroep met betrekking
tot het verlenen van uitstel van afdracht van loonbelasting zal daarom nader
worden bezien; daarbij zal de vraag of een tegemoetkomende regeling wordt
getroffen met name afhankelijk zijn van de uitvoerbaarheid van een dergelijke
regeling. De voldoening van loonbelasting zal als gevolg van de recente ondertekening
van het Nederlands-Duitse bijstandsverdrag in de hier bedoelde gevallen zijn
verzekerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 8: Voor de invordering van gemeentelijke belastingen
wordt aanbevolen:</nadruk>
      </al>
      <al>– de reikwijdte van het Invorderingsverdrag met Duitsland uit te
breiden tot de gemeentelijke belastingen;</al>
      <al>– de drempel van f 1500 waarboven bijstand bij invordering
in het andere land wordt verleend voor de gemeentelijke belastingen te verlagen
tot f 200.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot de aanbeveling inzake de invordering van gemeentelijke
belastingen wordt gewezen op het op 22 mei 1999 met Duitsland getekende verdrag
inzake de wederzijdse administratieve bijstand bij de invordering van belastingschulden.
Dit verdrag is in eerste aanleg weliswaar beperkt tot de directe belastingen,
maar de werkingssfeer kan door de bevoegde autoriteiten in onderling overleg
worden uitgebreid tot andere belastingen. In antwoord op vragen van de Tweede-Kamerleden
Kamp (brief van 24 maart 1997, kenmerk AFZ97/900) en Soutendijk-Van Appeldoorn
(brief van 10 februari 1998, kenmerk AFZ98/269) over het innen van parkeerbelastingen
van buitenlanders is door de staatssecretaris van Financiën aangegeven
dat, indien het verdrag in de praktijk bevredigend blijkt te werken, Nederland
en Duitsland kunnen overeenkomen het verdrag ook op andere belastingen –
zoals de parkeerbelastingen – toe te passen. In dat kader kan dan tevens
de drempel voor het verlenen van bijstand bij invordering worden bezien.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 9: De werkgroep ondersteunt het idee om in het nieuwe
Nederlands-Duitse belastingverdrag een «kapstok»-bepaling op te
nemen.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De gedachte om in een nieuw Nederlands-Duits belastingverdrag een algemene
«kapstok»-bepaling op te nemen op basis waarvan bijzondere regelingen
voor grensoverschrijdende bedrijventerreinen kunnen worden getroffen, is aan
de Duitse autoriteiten voorgelegd. Daarop is van die zijde met instemming
gereageerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 10: De werkgroep beveelt aan het heffen van belastingen
en premies bij grensarbeiders in één staat (de woonstaat of
de werkstaat) te laten plaatsvinden.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot de wenselijkheid van het heffen van belastingen en
premies van grensarbeiders in één staat zij erop gewezen dat
dit een van de uitgangspunten van het Nederlandse fiscale verdragsbeleid vormt.
Zie hiervoor de nota «Internationaal fiscaal (verdrags)beleid»
(Kamerstukken II 1997/98, 25 087, nr. 4).  </al>
      <tuskop letat="vet">KABINETSSTANDPUNT INZAKE GRENSOVERSCHRIJDENDE BEDRIJVENTERREINEN
AAN DE NEDERLANDS-DUITSE GRENS </tuskop>
      <tuskop letat="vet">1. Algemeen</tuskop>
      <al>Zoals al vaker in het verleden het geval was, vervult de Nederlands-Duitse
grensstreek ook nu weer een voortrekkersrol waar het gaat om de ontwikkeling
van nieuwe vormen van grensoverschrijdende samenwerking tussen lokale en regionale
overheden. Het grensoverschrijdend bedrijventerrein (GOB) Aken-Heerlen en
het samenwerkingsverband Eurode tussen de gemeente Kerkrade en de Duitse buurgemeente
Herzogenrath zijn hiervan, ook in Europees perspectief gezien, sprekende voorbeelden.
De verwezenlijking van beide projecten is inmiddels een eindweegs gevorderd.
Desalniettemin stuit men thans op problemen die niet dan met inschakeling
van hogere bestuursniveaus kunnen worden opgelost.</al>
      <al>In november 1997, tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen in de Eerste
Kamer over de rijksbegroting 1998, is van verschillende zijden de aandacht
van de regering gevraagd voor genoemde grensoverschrijdende projecten in Zuid-Limburg.
De regering werd verzocht zich in te spannen om de daar gevoelde problemen
tot een oplossing te brengen. De minister-president heeft toegezegd serieus
en met een positieve houding te zullen kijken naar mogelijkheden om (praktische)
belemmeringen en knelpunten weg te nemen. Daarbij zouden de reeds lopende
initiatieven en de betrokkenheid van meerdere departementen moeten worden
bekeken.</al>
      <al>Van meet af aan was duidelijk dat bij een grensoverschrijdend project
als het GOB Aken-Heerlen verschillende departementen in beeld komen, nl. de
ministeries van Financiën, Economische Zaken, Binnenlandse Zaken, Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Voorjaar
1998 werden ter uitvoering van de toezegging aan de Eerste Kamer twee afzonderlijke
werkgroepen ingesteld: een werkgroep specifiek voor de fiscale problematiek
(was reeds door de staatssecretaris van Financiën toegezegd) en een algemene
werkgroep die een aantal van de overige problemen van de grensoverschrijdende
projecten in Zuid-Limburg diende te verkennen. Via een personele unie is ervoor
gezorgd dat de werkzaamheden van beide werkgroepen op elkaar konden worden
afgestemd, zodat overlappingen werden voorkomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De fiscale werkgroep had tot taak een inventarisatie te maken van de fiscale
knelpunten, met name betreffende de vestiging van ondernemingen op grensoverschrijdende
bedrijventerreinen. Zij werd voorgezeten door drs. M.A.M. Wöltgens, burgemeester
van Kerkrade, en heeft op 14 november 1998 haar rapport «Ondernemen
in de grensstreek» aangeboden aan de staatssecretaris van Financiën.</al>
      <al>De algemene werkgroep «Grensoverschrijdende samenwerking regio Limburg»
had tot taak na te gaan welke juridische en praktische belemmeringen en knelpunten
bij de verschillende grensoverschrijdende activiteiten in regio Limburg worden
gevoeld, in het bijzonder bij het grensoverschrijdend bedrijventerrein Aken-Heerlen
en de samenwerking tussen de gemeenten Kerkrade en Herzogenrath. De werkgroep
werd gevraagd aan te geven in hoeverre die praktische belemmeringen en knelpunten
binnen de bestaande juridische kaders kunnen worden weggenomen of verminderd.
Deze ambtelijke werkgroep, voorgezeten door mr. A.Ch.M. Rijnen, werkzaam bij
het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, heeft op 31
maart 1999 haar rapport «De grens nader verkend» aangeboden aan
de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.</al>
      <al>Zowel de fiscale als de algemene werkgroep kende een gemengde, Haags-Limburgse
samenstelling. Daarmee werd tot uitdrukking gebracht dat de drie
bestuursniveaus – provincie en gemeenten in Limburg en van rijkswege
de ministeries in Den Haag – een gezamenlijke missie hebben bij de oplossing
van de onderhavige problematiek.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Inherent aan grensoverschrijdende samenwerking is dat aan beide zijden
van een grens de politieke en bestuurlijke wil bestaat een als gemeenschappelijk
gevoeld probleem op te lossen. Dat geldt in casu allereerst voor het lokale
niveau; daar is de politieke en bestuurlijke wil overigens in zeer ruime mate
aanwezig. Die wil dient echter ook op andere, hogere bestuursniveaus aanwezig
te zijn, indien de tussenkomst of medewerking van die niveaus noodzakelijk
is voor het welslagen van een grensoverschrijdend project. Daarvoor is gezamenlijk
optrekken van Nederlandse en Duitse instanties (de laatste zowel op deelstaats-
als op federaal niveau) onontbeerlijk. Vanuit dat besef heeft de algemene
werkgroep contact gezocht met de deelstaatregering van Noordrijn-Westfalen
en met de federale regering in Bonn. De algemene werkgroep heeft op grond
daarvan geconstateerd dat er, sedert de regeringswisseling in Noordrijn-Westfalen
in september 1998, evenals overigens ook bij de federale regering in Bonn,
een positieve omslag in de houding jegens het concept van grensoverschrijdende
bedrijventerreinen heeft plaatsgevonden. Het kabinet is verheugd over deze
recente ontwikkeling, omdat uit de rapporten naar voren komt dat in een aantal
situaties de voorgestelde oplossingen alleen kunnen worden gevonden in aanpassing
van bestaande, dan wel in totstandbrenging van nieuwe internationale overeenkomsten
tussen Nederland en Duitsland. Die ontwikkeling in Duitsland was voor de werkgroep
aanleiding zich buiten haar strikte taakopdracht te begeven, in die zin dat
in overleg met de Duitse partners is gezocht naar mogelijkheden om, ook buiten
de bestaande regelgeving om, tot oplossingen te geraken. </al>
      <tuskop letat="vet">2. Rapport «De grens nader verkend» </tuskop>
      <tuskop letat="cur">2.1 Korte inhoud van het rapport</tuskop>
      <al>Het rapport van de algemene werkgroep bevat, afgezien van de conclusies
en aanbevelingen, drie delen. In het eerste deel wordt een beschrijving gegeven
van het GOB Aken-Heerlen en van het samenwerkingsverband Eurode (hoofdstuk
2). Beide projecten staan naar het oordeel van de werkgroep model voor bestaande
en toekomstige grensoverschrijdende projecten langs de gehele Nederlands-Duitse
grens. Het kabinet deelt die opvatting.</al>
      <al>Het tweede deel van het rapport handelt over de maatregelen die volgens
de werkgroep nodig zijn om het concept van grensoverschrijdende bedrijventerreinen
te realiseren. Daarbij is enerzijds gekeken naar de noodzaak om tussen Nederland
en Duitsland overeenstemming te bereiken over regelgeving inzake GOB's. Anderzijds
is ook gekeken naar de behoefte aan een adequate informatievoorziening van
ondernemers die overwegen zich op een GOB te vestigen. Ook voor toekomstige
werknemers zou een dergelijk informatiepunt van vitaal belang zijn. Het is
de werkgroep een en andermaal gebleken dat de voortgang van GOB's niet alleen
wordt gehinderd door verschillen in regelgeving aan weerszijden van de grens,
maar ook door een gebrekkige informatievoorziening (hoofdstuk 3 en 4).</al>
      <al>Tenslotte wordt in het derde deel per hoofdstuk een inhoudelijk beleidsterrein
behandeld:</al>
      <al>– bestuurlijke grensoverschrijdende samenwerking (hoofdstuk 5); </al>
      <al>– arbeidsmarkt en sociaal beleid (hoofdstuk 6);</al>
      <al>– economische samenwerking (hoofdstuk 7);</al>
      <al>– openbare orde en veiligheid (hoofdstuk 8) en</al>
      <al>– onderwijs (hoofdstuk 9). </al>
      <al>Op overeenkomstige wijze zijn de verschillende facetten en knelpunten
die van invloed kunnen zijn op het welslagen van GOB's en van bestuurlijke
grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden aan de Nederlands-Duitse grens
in kaart gebracht. In zijn algemeenheid is het kabinet van oordeel dat de
bevindingen van de werkgroep van groot belang zijn, temeer ook omdat het rapport
praktische aanbevelingen bevat om bestaande belemmeringen voor het realiseren
van samenwerking weg te nemen. De aanbevelingen zijn in extenso opgenomen
in par. 2.2.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De kern van het probleem waar de werkgroep op is gestuit, kan als volgt
worden weergegeven. De beide projecten in Zuid-Limburg, het GOB Aken-Heerlen
en het samenwerkingsverband Eurode, dreigen in de huidige realiseringsfase
aan te lopen tegen complexen van regelgeving die naar hun aard op nationaal
niveau geheel zijn «dichtgeregeld», en waarbij dus geen vrije
beslissingsruimte bestaat voor andere instanties, zoals bijvoorbeeld gemeenten
of provincies. De beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid vereisen
in ons rechtsstelsel – maar ook in het Duitse – nu eenmaal dat
bijvoorbeeld het belastingrecht, het arbeidsrecht en het sociale zekerheidsrecht
door de nationale overheid uitputtend worden geregeld. Deze domeinen verschillen
daarin nogal van bijvoorbeeld het bouwrecht, het ruimtelijke-ordeningsrecht
en het milieurecht. Dit impliceert dat de frictie tussen nationale wetgevingen
langs de grens niet alleen scherp voelbaar wordt, maar ook dat die frictie
niet kan worden gemitigeerd door de lokale overheden, omdat hun ter zake geen
bevoegdheden toekomen.</al>
      <al>Decentralisatie van bevoegdheden biedt in dezen geen oplossing, omdat
de aard van de materie zich daartegen verzet. De oplossing van deze problematiek
zal dan ook gezocht moeten worden in een betere inhoudelijke afstemming van
de betrokken regels aan weerszijden van de grens. Dat zou kunnen gebeuren
via een bilaterale Nederlands-Duitse actie, maar ook via harmonisatie of coördinatie
vanuit Brussel. Welke weg men ook kiest, duidelijk is dat die de nodige tijd
zal kosten.</al>
      <al>Vanuit de Limburgse regio heeft men ten aanzien van het GOB Aken-Heerlen
geruime tijd ingezet op het zogeheten tapkraanmodel teneinde dit lastige probleem
het hoofd te bieden. Kern van dit model is de vrijheid van bedrijven die zich
op dit GOB willen vestigen om, per sector van wetgeving waarmee men te maken
krijgt, te kiezen tussen Duitse of Nederlandse regelgeving, ongeacht of men
zich op het Duitse of op het Nederlandse deel van het terrein vestigt. Bepalend
voor de rechtskeuze zou moeten zijn welk recht voor een bedrijf het aantrekkelijkst
is. Het tapkraanmodel is met name ontwikkeld om de fricties tussen de dichtgeregelde
complexen van wetgeving te ondervangen. Inmiddels zijn – vooral ook
van Duitse zijde – zoveel bezwaren tegen dit model naar voren gebracht,
dat het tapkraanmodel op de korte en middellange termijn slechts in zeer beperkte
mate toepasbaar moet worden geacht en derhalve slechts een bescheiden bijdrage
kan leveren aan een duurzame oplossing. </al>
      <tuskop letat="cur">2.2 Aanbevelingen</tuskop>
      <al>De algemene werkgroep is vervolgens tot de conclusie gekomen dat daar
waar gerechtvaardigde Limburgse ambities stuiten op «harde» verschillen
in nationale wetgeving en het tapkraanmodel geen uitkomst biedt, gestreefd
moet worden om langs andere weg de bestaande juridische kaders te verruimen
temeer omdat, zoals reeds is opgemerkt, zowel aan Nederlandse als Duitse zijde
de betrokken regeringen de problemen onderkennen en de politieke wil bestaat
die op te lossen. Tegen die achtergrond doet de werkgroep de volgende aanbevelingen:</al>
      <al>1. Gestreefd moet worden naar een beperkt, op praktische punten
toegesneden verdrag inzake grensoverschrijdende bedrijventerreinen tussen
Nederland, de Bondsrepubliek Duitsland en de Länder Noordrijn-Westfalen
en Nedersaksen. De inhoud van een dergelijk verdrag wordt geschetst in de
par. 3.2 en 3.3 van het rapport.</al>
      <al>2. Voor de periode tot de inwerkingtreding van het verdrag dient een paritaire
Duits-Nederlandse commissie van deskundigen te worden ingesteld die de vestiging
van bedrijven op het GOB Aken-Heerlen begeleidt.</al>
      <al>3. Er dient een kleine, permanente, interdepartementale werkgroep te worden
ingesteld die in Den Haag kan fungeren als aanspreekpunt voor vergelijkbare
werkgroepen in Düsseldorf en Bonn en voor de paritaire commissies voor
de bedrijventerreinen. Tevens zou deze werkgroep belast moeten worden met
de voorbereiding aan Nederlandse kant van het verdrag met de Duitse partners.</al>
      <al>4. Op korte termijn zou, liefst in de vorm van een of meer virtuele loketten,
een pilot inzake informatievoorziening moeten worden gestart ten behoeve van
ondernemers die zich op het GOB Aken-Heerlen, het Technologiepark Herzogenrath
of in de gemeente Kerkrade willen vestigen. Tijdens de pilot worden voorstellen
ontwikkeld om de informatievoorziening structureel te verbeteren.</al>
      <al>5. Het Anholt-verdrag inzake bestuurlijke grensoverschrijdende samenwerking
dient te worden aangepast, zodanig dat op basis van dat verdrag ingestelde
openbare lichamen de bevoegdheid krijgen besluiten te nemen die burgers rechtstreeks
binden. Aldus wordt het Anholt-verdrag op gelijke hoogte gebracht met het
parallelle Benelux-verdrag, dat deze mogelijkheid reeds kent. Artikel 24 van
de Duitse Grondwet, dat destijds aan deze bevoegdheidstoedeling in de weg
stond, is inmiddels aangepast.</al>
      <al>6. Onderdeel van het in aanbeveling 1 bedoelde verdrag zou kunnen zijn
een nadere afspraak met Duitsland op grond van artikel 17 van EU-verordening
1408/71, waarin ten behoeve van de rechtspositie van grensarbeiders een uitzondering
wordt gemaakt op de hoofdregel van de verordening.<voetref refid="v13.1" nr="1"></voetref>
Ten behoeve van grensarbeiders zouden voorts begrijpelijk geformuleerde en
goed toegelichte formulieren moeten worden gemaakt, te verstrekken door sociale-verzekeringsinstanties
en belastingdiensten.</al>
      <al>7. Nederland en Duitsland zouden in EU-verband aandacht moeten vragen
voor de grote verschillen in medezeggenschapsregelingen tussen de lid-staten.</al>
      <al>8. Tussen de voor arbeidsomstandigheden bevoegde instanties dienen praktische
afspraken te worden gemaakt over wie waar en waarop gaat inspecteren.</al>
      <al>9. Het rapport van EURES<voetref refid="v13.2" nr="2"></voetref> dient, wat de problemen
betreft op het gebied van ziektekosten, te worden aangeboden aan de minister
van VWS, met het verzoek de daarin gedane aanbevelingen te bespreken met haar
Duitse ambtgenoot.</al>
      <al>10. Wat de op de grens gevestigde ondernemingen betreft zou het rechtsregime
van toepassing moeten zijn van het land waarin het grootste deel van de bedrijfsvestiging
ligt, tenzij in het in aanbeveling 1 bedoelde verdrag of in een andere bilaterale
afspraak anders is bepaald. </al>
      <al>11. Bij de Duitse autoriteiten zou moeten worden bepleit mogelijk te maken
dat Nederlandse rechtspersonen in Duitsland kunnen ondernemen, zonder dat
zij door de Duitse rechter worden aangemerkt als Handelsgesellschaft.</al>
      <al>12. Met betrekking tot politiële en brandweersamenwerking kunnen
nieuwe aanvullende regelingen worden getroffen op basis van bestaande afspraken
of overeenkomsten (Nederlands-Duitse bijstandsovereenkomst; Nederlands-Duits
Memorandum of Understanding).</al>
      <al>13. Voor de inzet van een buitenlands particulier beveiligingsbedrijf
moet worden bezien in hoeverre wederzijdse erkenning van vakkwalificaties
mogelijk is.</al>
      <al>14. Alle betrokkenen dienen actief mee te werken aan de vorming van een
transnationale hogeschoolstructuur van de Hogeschool Limburg en de Fachhochschule
Aachen. Zolang een formele fusie nog niet binnen bereik ligt dient die situatie
zoveel mogelijk te worden benaderd.</al>
      <al>15. Er dient gebruik te worden gemaakt van de wettelijke mogelijkheid
op het Nederlandse deel van het GOB Aken-Heerlen een dependance van de Rheinisch-Westfälische
Technische Hochschule te vestigen.</al>
      <al>16. Dit rapport dient zo spoedig mogelijk te worden vertaald in het Duits
en vervolgens verspreid te worden onder de instanties en organisaties die
in Duitsland bij de beide onderhavige projecten zijn betrokken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit het rapport van de werkgroep blijkt dat de aanbevelingen 1 tot en
met 7 het resultaat zijn van nauwe contacten tussen de werkgroep en ambtelijke
vertegenwoordigers van de deelstaatregering van Noordrijn-Westfalen. Dit is
een belangrijke aanwijzing dat voor verwezenlijking van die aanbevelingen
politiek draagvlak bestaat bij de verantwoordelijke instanties in Düsseldorf.
Het kabinet is hierover zeer verheugd. </al>
      <tuskop letat="vet">3. Verspreiding van het rapport</tuskop>
      <al>Het rapport «De grens nader verkend» is bij brief van 1 april
aangeboden aan de Tweede Kamer<voetref refid="v14.1" nr="1"></voetref> en
vervolgens onder de aandacht gebracht van alle overheden en instanties die
momenteel actief betrokken zijn bij de ontwikkeling van GOB's aan de Nederlands-Duitse
grens. Aan Nederlandse kant betreft dit de gemeenten Heerlen, Bergen, Gennep,
's-Heerenberg, Coevorden en Denekamp. Tevens werd het rapport toegezonden
aan de grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden van lagere overheden in
Nederland en Duitsland, t.w. het eerder genoemde Eurode en verder de vijf
zogeheten Euregio's (Eems Dollard Regio, EUREGIO, Euregio Rijn-Waal, Euregio
Rijn-Maas Noord en Euregio Maas-Rijn). De provincie Limburg werd eveneens
om een reactie gevraagd. De hierboven genoemde instanties kregen de gelegenheid
om tot 1 juni jl. hun reacties en bevindingen inzake het rapport kenbaar te
maken. Verschillende instanties hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.
Voorts is de Duitse vertaling van het rapport door de staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegezonden aan de minister van
Binnenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland en aan de minister-president
van Noordrijn-Westfalen. </al>
      <tuskop letat="vet">4. Reacties op het rapport</tuskop>
      <al>De reacties zijn nagenoeg alle positief en de aanbevelingen van het rapport
worden onderschreven. De provincie Limburg bijvoorbeeld spreekt zijn waardering
uit voor de erkenning van de problemen die zich voordoen bij
grensoverschrijdende samenwerking, meer specifiek in het kader van de ontwikkeling
van het GOB Aken-Heerlen. Naar het oordeel van de gemeente Heerlen is de verdienste
van het rapport hierin gelegen, dat op samenhangende wijze de problemen aan
de grens zijn verkend. Hierdoor is de werkgroep erin geslaagd te komen met
praktische aanbevelingen die, wanneer ze worden gerealiseerd, van belang zijn
voor het slechten van grensproblemen. De gemeente Kerkrade noemt het rapport
een doorbraak ten aanzien van de ambities van het samenwerkingsverband Eurode.
Ook de Eems Dollard Regio onderstreept het belang van het rapport. Het kabinet
is verheugd te kunnen vaststellen dat uit de reacties van de meest betrokken
overheden waardering spreekt voor het rapport. Hiermee wordt geïllustreerd
dat er draagvlak bestaat voor de oplossingen die door de algemene werkgroep
zijn gesuggereerd. </al>
      <tuskop letat="vet">5. Standpuntbepaling inzake de aanbevelingen</tuskop>
      <al>Hierna wordt per aanbeveling een standpunt van het kabinet gegeven. Op
een enkele plaats wordt voorts nader ingegaan op de in par. 4 genoemde reacties.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 1: Gestreefd moet worden naar een beperkt, op praktische
punten toegesneden verdrag inzake grensoverschrijdende bedrijventerreinen
tussen Nederland, de Bondsrepubliek Duitsland en de Länder Noordrijn-Westfalen
en Nedersaksen. De inhoud van een dergelijk verdrag wordt geschetst in de
par. 3.2 en 3.3 van het rapport.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mede gelet op de positieve reacties aan Nederlandse en Duitse zijde onderschrijft
het kabinet van de harte deze aanbeveling. Het kabinet wenst nog eens het
belang te onderstrepen van het feit dat een gelijksoortig voorstel in Düsseldorf
waarschijnlijk op een positief onthaal kan rekenen. Aan Nederlandse zijde
zal de aanbeveling worden uitgevoerd door of onder auspiciën van een
conform aanbeveling 3 in te stellen interdepartementale werkgroep. In dat
kader zal tevens kunnen worden bezien in hoeverre andere lokale initiatieven
(bijvoorbeeld het Eurode Business Center in Kerkrade) onder de werking van
het verdrag kunnen worden gebracht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 2: Voor de periode tot de inwerkingtreding van het verdrag
dient een paritaire Duits-Nederlandse commissie van deskundigen te worden
ingesteld die de vestiging van bedrijven op het GOB Aken-Heerlen begeleidt.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinet is er zich van bewust dat het nog enige tijd kan duren voordat
het onder aanbeveling 1 bedoelde verdrag tot stand zal zijn gekomen. Ten koste
van alles moet evenwel worden voorkomen dat op korte termijn het elan en het
commitment betreffende het GOB Aken-Heerlen vermindert of zelfs verloren gaat.
Daarom is het wenselijk dat in de periode tussen nu en de inwerkingtreding
van het verdrag voorzieningen worden getroffen die een dergelijk risico tegengaan.
In dat licht juicht het kabinet de aanbeveling toe om reeds op korte termijn
over te gaan tot de instelling van een paritaire Duits-Nederlandse commissie
van deskundigen. Ook van Duitse zijde is hierop aangedrongen. Van wezenlijk
belang is het om lokale overheden te betrekken bij de werkzaamheden van de
paritaire commissie. In dat licht waardeert het kabinet het zeer positief
dat de provincie Limburg reeds zijn expertise heeft aangeboden voor de in
te stellen commissie van deskundigen, temeer omdat de provincie ook actief
betrokken is bij de plannen te komen tot de oprichting van een expertisecentrum
voor grensoverschrijdende problematiek.</al>
      <al>Naar het oordeel van het kabinet is het tevens wenselijk dat ook voor
de overige GOB's aan de Duits-Nederlandse grens de instelling van soortgelijke paritaire Duits-Nederlandse commissies wordt overwogen. Tussen
de afzonderlijke paritaire commissies is, naar het oordeel van het kabinet,
ruimte voor personele unies. Na inwerkingtreding van het voorgestelde verdrag
zullen de commissies van deskundigen een belangrijke rol blijven spelen (vgl.
aanbeveling 4).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 3: Er dient een kleine, permanente, interdepartementale
werkgroep te worden ingesteld die in Den Haag kan fungeren als aanspreekpunt
voor vergelijkbare werkgroepen in Düsseldorf en Bonn en voor de paritaire
commissies voor de bedrijventerreinen. Tevens zou deze werkgroep belast moeten
worden met de voorbereiding aan Nederlandse kant van het verdrag met de Duitse
partners.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Omdat voor de opstelling van het hierboven genoemde bilaterale verdrag
tussen Nederland en Duitsland periodiek overleg nodig zal zijn over de precieze
inhoud van het verdrag en over de eventuele beperkingen waarmee de GOB's in
de tussenliggende periode worden geconfronteerd, is er voor het kabinet alle
aanleiding de aanbeveling volmondig te onderschrijven. In dat licht verwelkomt
het kabinet tevens de suggestie dat zowel in Düsseldorf als in Bonn vergelijkbare
interdepartementale werkgroepen worden ingesteld die over en weer, en met
de werkgroep in Den Haag, contacten zullen onderhouden. Van wezenlijk belang
is dat ook aan Duitse zijde deze behoefte wordt gevoeld. Het kabinet zegt
toe dat het zich binnenkort zal beraden over de instelling van bedoelde werkgroep
en over de wijze waarop de werkgroep zal rapporteren, teneinde te voorkomen
dat in de voortgang van het proces onnodige vertraging optreedt. De uiteindelijke
concretisering van de periodieke contacten tussen de werkgroepen aan Nederlandse
en Duitse zijde, alsmede de terugkoppeling met de paritaire commissies voor
de bedrijven is primair de verantwoordelijkheid van de in te stellen interdepartementale
werkgroep.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 4: Op korte termijn zou, liefst in de vorm van een of
meer virtuele loketten, een pilot inzake informatievoorziening moeten worden
gestart ten behoeve van ondernemers die zich op het GOB Aken-Heerlen, het
Technologiepark Herzogenrath of in de gemeente Kerkrade willen vestigen. Tijdens
de pilot worden voorstellen ontwikkeld om de informatievoorziening structureel
te verbeteren.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinet beseft terdege dat grensoverschrijdende samenwerkingsprojecten
bijna altijd worden geconfronteerd met verschillen in nationale wetgevingen
die in sommige gevallen het welslagen van samenwerkingsprojecten ernstig kunnen
vertragen. Met name voor burgers en ondernemers is het vrijwel ondoenlijk
om alle consequenties en mogelijkheden van de regelgeving aan Nederlandse
en Duitse zijde te overzien. Het wekt dan ook geen verbazing dat in nagenoeg
alle reacties wordt gewezen op het grote belang van een proef inzake informatievoorziening
ten behoeve van ondernemers die zich op het GOB Aken-Heerlen, het Technologiepark
Herzogenrath of in de gemeente Kerkrade willen vestigen. Daarbij wordt er
terecht op gewezen dat de problematiek niet alleen speelt in Zuid-Limburg,
maar ook elders langs de Duits-Nederlandse grens. In dat licht oordeelt het
kabinet zeer positief over de vergevorderde plannen van de provincie Limburg
om, samen met andere partners (te weten de Universiteit Maastricht, Arbeidsvoorziening,
werkgeversorganisaties, vertegenwoordigers van Heerlen, Kerkrade, Vaals en
Maastricht) vorm te geven aan een informatiepunt voor vragen over grensoverschrijdende
samenwerking. Bij dit zogeheten Expertise Centrum Grensoverschrijdende Samenwerking
(ECGS) wordt gedacht aan het opzetten van een pilot-project met een of meer
virtuele loketten voor informatievoorziening en doorverwijzing.
Bij deze plannen kan wellicht ook de belastingdienst worden betrokken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 5: Het Anholt-verdrag inzake bestuurlijke grensoverschrijdende
samenwerking dient te worden aangepast, zodanig dat op basis van dat verdrag
ingestelde openbare lichamen de bevoegdheid krijgen besluiten te nemen die
burgers rechtstreeks binden. Aldus wordt het Anholt-verdrag op gelijke hoogte
gebracht met het parallelle Benelux-verdrag, dat deze mogelijkheid reeds kent.
Artikel 24 van de Duitse Grondwet, dat destijds aan deze bevoegdheidstoedeling
in de weg stond, is inmiddels aangepast.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinet stelt met voldoening vast dat artikel 24 van de Duitse Grondwet
thans geen formele belemmering meer is voor de aanpassing van het Anholt-verdrag
als bedoeld in de aanbeveling. Het kabinet zegt toe dat met het oog op de
uitvoering van de aanbeveling contact zal worden gezocht met Duitse instanties
die voor aanpassing van het verdrag verantwoordelijk zijn. In dat kader zal
tevens worden bezien in hoeverre andere concrete problemen die voortvloeien
uit de intensivering van grensoverschrijdende samenwerking, mede kunnen worden
opgelost door hetzij aanpassing van het Anholt-verdrag dan wel aanpassing
van bilaterale overeenkomsten. In dat verband wordt in de reacties onder meer
gewezen op nu nog onduidelijke (fiscale en sociale zekerheids-) regeling voor
personeel werkzaam bij organen ingesteld op basis van het Anholt-verdrag.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 6: Onderdeel van het in aanbeveling 1 bedoelde verdrag
zou kunnen zijn een nadere afspraak met Duitsland op grond van artikel 17
van EU-verordening 1408/71, waarin ten behoeve van de rechtspositie van grensarbeiders
een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van de verordening. Ten behoeve
van grensarbeiders zouden voorts begrijpelijk geformuleerde en goed toegelichte
formulieren moeten worden gemaakt, te verstrekken door sociale-verzekeringsinstanties
en belastingdiensten.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinet beseft terdege dat intensivering van grensoverschrijdende
samenwerking door middel van GOB's opnieuw -en nog eens in versterkte mate –
de aandacht vestigt op de problemen bij grensarbeid op het terrein van sociale
verzekeringen en belastingen. In 1997 is over deze materie, zij het in meer
algemene zin en derhalve niet toegespitst op GOB's, een rapport van EURES
(EURopean Employment Services) verschenen dat destijds aan het kabinet is
aangeboden. Thans wordt in het rapport «De grens nader verkend»
opnieuw aandacht gevraagd voor het EURES-onderzoeksverslag. In het verlengde
daarvan merkt de werkgroep op dat een groot deel van de problemen zou kunnen
worden opgelost door middel van een bilaterale afspraak met Duitsland op grond
van artikel 17 van EEG-verordening 1408/71. Een dergelijke algemene bilaterale
afspraak tussen Nederland en Duitsland zou voor alle grensarbeiders langs
de Nederlands-Duitse grens van belang zijn. Realisering van een dergelijke
afspraak blijkt in de praktijk evenwel nog op grote moeilijkheden te stuiten
wegens afbakeningsproblemen. Mocht derhalve blijken dat vooralsnog de groep
van grensarbeiders niet voldoende is te markeren, dan stelt de werkgroep voor
dat wordt nagegaan of het niet haalbaar en wenselijk is dat voor werknemers
die werkzaam zijn bij bedrijven gevestigd op GOB's een specifieke op GOB's
toegespitste regeling wordt getroffen. Dit zou kunnen plaatsvinden in het
kader van het in aanbeveling 1 bedoelde verdrag.</al>
      <al>Het kabinet is van oordeel dat de door de werkgroep voorgestelde oplossingsrichting
een goed handvat lijkt te bieden om – althans voor de GOB's –
de problematiek van loontrekkenden te regelen in de geest van het EURES-rapport.
Dit geldt met name, indien mocht blijken dat het op korte termijn
nog niet goed mogelijk is in meer algemene zin uitvoering te geven aan de
EURES-aanbevelingen ter zake problemen bij grensarbeid op het terrein van
sociale verzekeringen en belastingen. Het kabinet is derhalve bereid om de
merites van beide door de werkgroep voorgestelde varianten nader te onderzoeken.
Met betrekking tot het tweede deel van de aanbeveling huldigt het kabinet
de opvatting dat het onder aanbeveling 4 genoemde Expertise Centrum Grensoverschrijdende
Samenwerking bij voorlichting van grensarbeiders een nuttige rol kunnen vervullen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 7: Nederland en Duitsland zouden in EU-verband aandacht
moeten vragen voor de grote verschillen in medezeggenschapsregelingen tussen
de lid-staten.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinet zal deze kwestie zowel in bilateraal overleg met Duitsland
als ook breder EU-verband aan de orde stellen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 8: Tussen de voor arbeidsomstandigheden bevoegde instanties
dienen praktische afspraken te worden gemaakt over wie waar en waarop gaat
inspecteren.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinet kan volledig instemmen met deze aanbeveling. De bedoelde instanties
zullen ter zake worden geïnformeerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 9: Het rapport van EURES dient, wat de problemen betreft
op het gebied van ziektekosten, te worden aangeboden aan de minister van VWS,
met het verzoek de daarin gedane aanbevelingen te bespreken met haar Duitse
ambtgenoot.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinet is graag bereid aan deze aanbeveling uitvoering te geven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 10: Wat de op de grens gevestigde ondernemingen betreft
zou het rechtsregime van toepassing moeten zijn van het land waarin het grootste
deel van de bedrijfsvestiging ligt, tenzij in het in aanbeveling 1 bedoelde
verdrag of in een andere bilaterale afspraak anders is bepaald.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinet is bereid na te gaan of ook aan Duitse zijde kan worden ingestemd
met deze praktische benadering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 11: Bij de Duitse autoriteiten zou moeten worden bepleit
mogelijk te maken dat Nederlandse rechtspersonen in Duitsland kunnen ondernemen,
zonder dat zij door de Duitse rechter worden aangemerkt als Handelsgesellschaft.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de contacten met Duitsland zal dit punt eveneens aan de orde worden
gesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 12: Met betrekking tot politiële en brandweersamenwerking
kunnen nieuwe aanvullende regelingen worden getroffen op basis van bestaande
afspraken of overeenkomsten (Nederlands-Duitse bijstandsovereenkomst; Nederlands-Duits
Memorandum of Understanding).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinet is van mening dat de door de werkgroep voorgestelde aanpak
van aanvullende regelingen op basis van eerdere afspraken in beginsel een
juist kader biedt voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid op
een GOB. Wel is het kabinet van oordeel dat bij het opstellen van aanvullende
afspraken uitdrukkelijk rekening moet worden gehouden met knelpunten die zich
in de praktijk blijken voor te doen.</al>
      <al>In dit verband wordt erop gewezen dat het ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties ter zake openbare orde en veiligheid op het GOB Aken-Heerlen reeds een brief van de politieregio Limburg Zuid
heeft ontvangen. De knelpunten die zich daar voordoen, zijn in een notitie
van genoemde politieregio verwoord. Daarbij is tevens gevraagd medewerking
te verlenen aan de eliminatie van de knelpunten. Een gelijkluidend verzoek
namens de politie in Aken is verzonden aan de minister van Binnenlandse Zaken
van Noordrijn-Westfalen. Dergelijke inventarisaties moeten, naar het oordeel
van het kabinet, een belangrijke rol spelen bij het treffen van nieuwe aanvullende
regelingen op basis van bestaande afspraken of overeenkomsten. Voorts is het
kabinet bereid om, analoog aan het recent met België gesloten verdrag,
te onderzoeken of aanvullende bilaterale verdragsteksten nodig zijn om de,
aan Duitse en Nederlandse zijde, gesignaleerde knelpunten weg te nemen. Tevens
zal worden bezien in hoeverre knelpunten door aanpassing van Nederlandse en
Duitse nationale wetgeving kunnen worden verholpen.</al>
      <al>Op het gebied van rampenbestrijding wordt de laatste hand gelegd aan een
plan van aanpak inzake het wegnemen van knelpunten bij grensoverschrijdende
samenwerking. Daartoe vindt overleg plaats met de bewindslieden van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport en van Verkeer en Waterstaat. In dat kader zal worden besproken
welke onderwerpen zich lenen voor nadere uitwerking in één of
meer aanvullende overeenkomsten bij de met Duitsland gesloten bijstandsovereenkomst
en tevens in hoeverre ook hier knelpunten door aanpassing van nationale wetgeving
kunnen worden verholpen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 13: Voor de inzet van een buitenlands particulier beveiligingsbedrijf
moet worden bezien in hoeverre wederzijdse erkenning van vakkwalificaties
mogelijk is.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ingestemd wordt met de aanbeveling dat nader onderzoek nodig is alvorens
kan worden vastgesteld in hoeverre wederzijdse erkenning van vakkwalificaties
kan worden gerealiseerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 14: Alle betrokkenen dienen actief mee te werken aan
de vorming van een transnationale hogeschoolstructuur van de Hogeschool Limburg
en de Fachhochschule Aachen. Zolang een formele fusie nog niet binnen bereik
ligt dient die situatie zoveel mogelijk te worden benaderd.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Teneinde de voorgestelde vorming van een transnationale hogeschoolstructuur
te kunnen realiseren is het nog wel nodig een aantal belemmeringen op te lossen,
zo blijkt uit het rapport. In het rapport wordt een aantal knelpunten opgenoemd.
Van wezenlijk belang is dat aan beide zijden van de grens de wens aanwezig
is om te komen tot een dergelijke vergaande vorm van samenwerking tussen beide
hoger-onderwijsinstel- lingen. In principe is het kabinet bereid actief mee
te werken aan initiatieven in bedoelde richting</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 15: Er dient gebruik te worden gemaakt van de wettelijke
mogelijkheid op het Nederlandse deel van het GOB Aken-Heerlen een dependance
van de Rheinisch-Westfälische Technische Hochschule te vestigen.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ingestemd wordt met deze aanbeveling van de werkgroep.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aanbeveling 16: Dit rapport dient zo spoedig mogelijk te worden vertaald
in het Duits en vervolgens verspreid te worden onder de instanties en organisaties
die in Duitsland bij de beide onderhavige projecten zijn betrokken.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Inmiddels is deze aanbeveling reeds gerealiseerd, zoals hierboven in par.
3 is verwoord.  </al>
      <tuskop letat="vet">6. Uitvoering van het kabinetsstandpunt</tuskop>
      <al>Het kabinet is van oordeel dat de uitvoering van de aanbevelingen dient
te geschieden onder verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties, die is belast met de coördinatie van de
grensoverschrijdende samenwerking. Onder zijn verantwoordelijkheid zal tevens
halfjaarlijks aan de beide Kamers der Staten-Generaal worden gerapporteerd
over de voortgang van de uitvoering van de aanbevelingen.  </al>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v6.1" nr="1">
    <al>Rapport van 21 februari 1995, Financiënreeks nr. 95–3.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v13.1" nr="1">
    <al>Overeenkomstig verordening 1408/71 is op migrerende werknemers de wetgeving
van toepassing van het land waar hij zijn werkzaamheden verricht.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v13.2" nr="2">
    <al>EURopean Employment Services, «De Duits-Nederlandse arbeidsmarkt».
Euregio, 1997.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v14.1" nr="1">
    <al>Zie brief van 1 april 1999 (kenmerk BW 99/U63 634) van de staatssecretaris
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de voorzitter van de vaste
commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>