﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26643-N/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">1/2</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>26 643</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel>Informatie- en communicatietechnologie (ICT)</titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>
        <ondernummer>N</ondernummer>/ Nr. <ondernummer kamer="2">1512</ondernummer></stuknr>
      <titel>VERSLAG VAN DRIE INTERPARLEMENTAIRE BIJEENKOMSTEN OVER AI (AI-DAYS)</titel>
      <datumtekst>Vastgesteld op <datum isodatum="2026-05-18">18 mei 2026</datum></datumtekst>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Een delegatie van de Tweede Kamer en een delegatie van de Eerste Kamer hebben op 14 en 15 april 2026 deelgenomen aan (onderdelen van) de AI Days met nationale parlementen in het Europees Parlement in Brussel. De delegatie van de Tweede Kamer bestond uit de leden <nadruk type="vet">El Boujdaini (D66), Zwinkels (CDA), Kathmann (GroenLinks-PvdA, online)</nadruk> en <nadruk type="vet">Van den Berg (JA21).</nadruk> De delegatie van de Eerste Kamer bestond uit de leden <nadruk type="vet">Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Wijk (BBB)</nadruk> en <nadruk type="vet">Van de Sanden (fractie-Van de Sanden).</nadruk> De delegatie brengt hierbij verslag uit van deze bijeenkomst.</al>
            <al>De AI Days werden georganiseerd door het Europees Parlement en brachten leden van nationale parlementen en het Europees Parlement (EP) samen om van gedachten te wisselen over de institutionele implicaties van kunstmatige intelligentie (AI), de impact op democratische processen en de arbeidsmarkt, en de implementatie van de AI-verordening. Het programma bestond uit twee interparlementaire commissiebijenkomsten en een bijeenkomst van de AI Act werkgroep in het EP over de implementatie en handhaving van de AI-verordening.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Interparlementaire commissiebijeenkomst over de Institutionele aspecten van AI in de context van Europese integratie</tussenkop>
            <al>Op 14 april 2026 hebben enkele leden van de delegaties deelgenomen aan de interparlementaire commissiebijeenkomst van de commissie voor Constitutionele Zaken (AFCO) van het Europees Parlement, getiteld <nadruk type="cur">«Institutionele aspecten van kunstmatige intelligentie in de context van Europese integratie».</nadruk> De vergadering werd georganiseerd door de AFCO-commissie, met ondersteuning van het Directoraat voor Betrekkingen met Nationale Parlementen. Deze bijeenkomst had als doel om met nationale parlementen uit EU-lidstaten en kandidaat-lidstaten van gedachten te wisselen over drie hoofdthema’s: internationale samenwerking rond AI, interparlementaire samenwerking (inclusief een mogelijk AI-observatorium) en de impact van AI op verkiezingen en mogelijke hervorming van Europees kiesrecht en verdragen.</al>
            <al>De bijeenkomst werd geopend door:</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Sven Simon, voorzitter van de commissie Constitutionele Zaken van het Europees Parlement;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Roberta Metsola, voorzitter van het Europees Parlement;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Henna Virkkunen, uitvoerend vice-voorzitter voor technologische soevereiniteit, veiligheid en democratie van de Europese Commissie.</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>In de openingsbijdragen werd benadrukt dat AI aanzienlijke kansen biedt, maar ook risico’s met zich meebrengt voor onder meer verkiezingen, publieke opinievorming en fundamentele rechten. Deze risico’s moeten we als Europese Unie beperken via regelgeving. Tegelijkertijd werd onderstreept dat deze regelgeving ruimte moet laten voor innovatie. Er werd gewezen op het risico van fragmentatie tussen lidstaten en het belang van Europese investeringen in AI-infrastructuur, data en energievoorziening. Ook werd aandacht besteed aan de maatschappelijke impact van AI, waaronder veranderingen op de arbeidsmarkt en de noodzaak om deze transitie actief te begeleiden.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">Keynote speech</tussenkop>
            <al>De keynote speech werd verzorgd door Amandeep Singh Gill, Vice-secretaris-generaal van de Verenigde Naties en speciaal gezant voor digitale en opkomende technologieën. Gill benadrukte dat AI een mondiale ontwikkeling is, die vraagt om een gecoördineerde internationale respons. Hij onderscheidde drie centrale thema’s:</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>het grensoverschrijdende karakter van AI en de noodzaak van internationale samenwerking;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>de combinatie van economische kansen en maatschappelijke risico’s, waaronder desinformatie en manipulatie;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>de concentratie van macht bij een beperkt aantal actoren, wat ongelijkheid kan versterken.</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>Volgens Gill heeft Europa een voortrekkersrol gespeeld in het ontwikkelen van een waardengedreven digitale agenda en kan het nu ook een brug slaan tussen regulering en innovatie binnen het thema AI. Daarbij blijft het van belang om kernprincipes zoals mensenrechten, rechtsstaat en het algemeen belang te waarborgen. Ook wees hij op de noodzaak van zowel «hard law» (verdragen) als «soft governance» in multilaterale samenwerking.</al>
            <al>Ook vond een discussie plaats in het kader van het conceptrapport van rapporteur Emmanouil Kefalogiannis (Europees Parlement) over de institutionele aspecten van AI.<noot id="ID-1248857-d40e118" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">«Institutional aspects of Artificial Intelligence in the context of the European integration»</nadruk> (AFCO/10/03078 – 2025/2118(INI)).</noot.al></noot> Kefalogiannis benadrukte dat AI vraagt om een internationaal governancekader, vergelijkbaar met eerdere verdragen rond strategische en potentieel destabiliserende technologieën. Europa zou daarin volgens hem niet aan de zijlijn moeten staan, maar juist een leidende rol moeten nemen in het vormgeven van mondiale standaarden. Centraal stond daarbij de noodzaak om democratische controle te versterken, met nadruk op transparantie, verantwoording en institutionele weerbaarheid in een tijd waarin algoritmische systemen steeds meer invloed krijgen op besluitvorming en publieke opinie.</al>
            <al>In dezelfde discussie waarschuwde Gheorghe Piperea, rapporteur voor advies namens de commissie Internal Market and Consumer Protection (IMCO), voor overregulering en pleitte hij voor een zorgvuldige balans tussen innovatie en bescherming. Hij onderstreepte dat AI inderdaad nieuwe risico’s meebrengt voor democratische processen, zoals beïnvloeding van de publieke opinie, maar stelde dat dit niet moet leiden tot een te zwaar of centralistisch Europees kader. Volgens hem is het essentieel dat het bestaande verkiezings- en institutionele kader wordt gemoderniseerd, zonder nationale bevoegdheden te ondermijnen of democratische flexibiliteit te verliezen. Hij pleitte daarom voor een pragmatische benadering, waarin AI vooral wordt gezien als ondersteunend instrument voor instituties, en niet als vervanging van menselijke besluitvorming of politieke verantwoordelijkheid.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">Panel I: Horizontale parlementaire samenwerking op het gebied van AI.</tussenkop>
            <al>Tijdens het eerste panel vond een gedachtewisseling plaats tussen het panel, de leden van nationale parlementen en het Europees Parlement over interparlementaire samenwerking en AI-governance. Het panel bestond uit:</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>James Geoghegan, lid van het Europees Parlement en vicevoorzitter van de commissie voor AI van het Ierse parlement;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Thierry Sother, lid van de Franse Nationale Assemblée en vicevoorzitter van de commissie Europese Zaken van de Franse Nationale Assemblée.</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>Tijdens het eerste panel stond de versterking van interparlementaire samenwerking rond AI centraal. In de bijdragen van de panelleden en de daaropvolgende gedachtewisseling werd breed erkend dat AI zich grensoverschrijdend ontwikkelt, wat vraagt om intensievere en meer gestructureerde samenwerking tussen parlementen.</al>
            <al>Geoghegan benadrukte dat AI niet alleen een technologisch, maar nadrukkelijk ook een constitutioneel en democratisch vraagstuk is. Volgens hem moeten parlementen voorkomen dat zij reactief opereren en juist actief richting geven aan de governance van AI. Hij onderstreepte daarbij het belang van versterking van parlementaire expertise en noemde een mogelijk AI-observatorium als instrument om kennisdeling en toezicht te verbeteren.</al>
            <al>Sother legde de nadruk op de noodzaak van structurele interparlementaire samenwerking. Hij stelde dat geen enkel nationaal parlement in staat is om de impact van AI zelfstandig te adresseren, gezien de grensoverschrijdende aard van technologie en informatiestromen. Volgens hem zijn meer operationele en structurele samenwerkingsvormen nodig, waarin parlementen niet alleen best practices delen, maar ook concrete ervaringen met implementatie, toezicht en incidenten.</al>
            <al>In de gedachtewisseling met nationale parlementen werd het spanningsveld tussen enerzijds een sterker institutioneel kader en anderszijds overregulering verder verdiept. Meerdere parlementariërs benadrukten dat AI leidt tot concentratie van macht en informatie bij een beperkt aantal actoren, wat risico’s oplevert voor democratische controle. Tegelijk werd gewezen op de noodzaak om parlementen beter toe te rusten, onder meer via investeringen in kennis, AI-geletterdheid en institutionele capaciteit. Daarnaast werd breed erkend dat harmonisatie op Europees niveau noodzakelijk is om fragmentatie te voorkomen, maar dat tegelijkertijd ruimte moet blijven voor nationale invulling. Ook werd gewezen op het belang van betrokkenheid van regionale en lokale overheden, aangezien de toepassing van AI in toenemende mate op decentraal niveau plaatsvindt.</al>
            <al>Overkoepelend kwam naar voren dat effectieve parlementaire betrokkenheid bij AI vraagt om versterkte interparlementaire samenwerking, een betere informatiepositie en een duidelijke rolverdeling tussen Europees en nationaal niveau. Zonder deze randvoorwaarden bestaat het risico dat parlementen onvoldoende grip houden op een technologisch en maatschappelijk zeer dynamisch dossier.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">Panel II: Democratische waarborgen in de Europese Unie: verkiezingsintegriteit en institutionele ontwikkeling.</tussenkop>
            <al>Het tweede panel richtte zich op de impact van AI op democratische processen en verkiezingen. Het panel bestond uit:</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Catherine Morin-Desailly, vicevoorzitter van de commissie Europese zaken van de Franse Senaat;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Marco Lombardo, lid van de commissie EU-beleid van de Italiaanse Senaat;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Riina Sikkut, lid van de commissie Financiën van het Estse parlement.</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>Het tweede panel richtte zich op de impact van AI op democratische processen, met bijzondere aandacht voor verkiezingen, publieke opinievorming en institutionele weerbaarheid. Centraal stond de vraag in hoeverre het huidige juridische en institutionele kader toereikend is om deze ontwikkelingen het hoofd te bieden.</al>
            <al>Een belangrijk uitgangspunt in de discussie, onder meer benadrukt door Morin-Desailly, was dat AI niet slechts een technologische of economische ontwikkeling is, maar in de kern een democratische uitdaging vormt. De inzet van algoritmes raakt direct aan fundamentele vragen over wie besluiten neemt, op basis van welke informatie en welke democratische controle hierover plaatsvindt. Daarmee zou de focus moeten verschuiven van louter regulering van technologie naar de bescherming van democratische processen en instituties. In dat licht werd benadrukt dat parlementen hun rol actiever moeten invullen en beter toegerust moeten zijn om deze ontwikkelingen te sturen.</al>
            <al>Tegelijkertijd werd breed gewezen op de risico’s voor verkiezingsintegriteit en publieke opinievorming. AI maakt het mogelijk om op grote schaal en met hoge snelheid desinformatie te verspreiden, bijvoorbeeld via deepfakes en microtargeting. Zoals ook door Sikkut werd benadrukt, kan dit het publieke debat verstoren en het vertrouwen in verkiezingen onder druk zetten, mede door de toename van buitenlandse inmenging en de uitdaging om feit en fictie van elkaar te onderscheiden. De grensoverschrijdende aard van deze technologieën maakt dat nationale maatregelen op zichzelf onvoldoende zijn, wat de noodzaak van Europese samenwerking en coördinatie onderstreept.</al>
            <al>Naast deze risico’s werd ook aandacht besteed aan de kansen die AI kan bieden voor democratische processen. Sikkut wees er in dit verband op dat AI juist ook kan bijdragen aan betere informatievoorziening en meer toegankelijke burgerparticipatie, bijvoorbeeld door meertalige communicatie. Dit onderstreept dat niet alleen moet worden gekeken naar risico's, maar dat ook gekeken moet worden naar hoe technologie kan bijdragen aan democratische vernieuwing.</al>
            <al>Een terugkerend thema in het panel was de vraag of het huidige juridische kader nog aansluit bij deze ontwikkelingen. In lijn met eerdere bijdragen van onder meer Sother werd benadrukt dat bestaande regels rondom verkiezingen en politieke communicatie onvoldoende zijn toegesneden op de digitale en AI-gedreven realiteit. Tegelijkertijd werd onderkend dat verkiezingssystemen sterk nationaal verankerd zijn, wat maakt dat volledige harmonisatie niet vanzelfsprekend is. Dit leidt tot een spanningsveld tussen de behoefte aan Europese afstemming en het behoud van nationale democratische structuren.</al>
            <al>Daarnaast kwam het vraagstuk van macht en ongelijkheid nadrukkelijk naar voren. De ontwikkeling en toepassing van AI zijn in sterke mate geconcentreerd bij een beperkt aantal actoren, wat risico’s met zich meebrengt voor transparantie en democratische controle. Verschillende deelnemers benadrukten daarom het belang van investeringen in kennis en AI-geletterdheid, zodat parlementen en burgers beter in staat zijn om deze technologie te begrijpen en te beoordelen.</al>
            <al>Overkoepelend werd duidelijk dat AI een structurele impact heeft op democratische processen en instituties. Het waarborgen van verkiezingsintegriteit en democratische legitimiteit vraagt om een combinatie van passende regelgeving, sterke parlementaire en institutionele toerusting en intensieve samenwerking tussen lidstaten en Europese instellingen. Daarbij blijft het essentieel om een balans te vinden tussen technologische innovatie, bescherming van fundamentele rechten en respect voor nationale democratische tradities.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Interparlementaire commissievergadering Menselijk werk in het digitale tijdperk – AI, nieuwe vormen van werken en werkgerelateerde stress</tussenkop>
            <al>Op 15 april 2026 hebben enkele leden van de delegaties deelgenomen aan de interparlementaire commissievergadering van de commissie voor Werkgelegenheid en Sociale Zaken (EMPL), getiteld <nadruk type="cur">«Menselijk werk in het digitale tijdperk – AI, nieuwe vormen van werken en werkgerelateerde stress».</nadruk></al>
            <al>De vergadering werd geopend door:</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Li Andersson, voorzitter van de <nadruk type="cur">Commissie voor Werkgelegenheid en Sociale Zaken</nadruk> van het Europees Parlement;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Marinos Moushouttas, Minister van Arbeid en Sociale Verzekeringen, Cypriotisch voorzitterschap van de Raad van de EU;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Manuela Geleng, directeur Werkgelegenheid en Vaardigheden, Europese Commissie, directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie.</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>In de openingsbijdrage werd digitalisering en AI op de arbeidsmarkt neergezet als een centrale beleidsopgave voor de EU. Het voorzitterschap benadrukte dat het ontwikkelen van vaardigheden en levenslang leren prioriteit is, omdat niet alle werknemers toegang hebben tot AI-technologie en digitale scholing. De Europese Commissie gaf aan dat er momenteel data wordt verzameld over de impact van AI op werk, in het kader van de voorbereiding van de Quality Jobs Act, gericht op een balans tussen bescherming van werknemers en concurrentiekracht van bedrijven, met name het MKB.</al>
            <al>Anderson stelde dat AI geen duidelijke afname van het totale aantal banen laat zien, maar wel een verschuiving in type werk en een sterke toename in vraag naar digitale en AI-vaardigheden. Tegelijk waarschuwde zij voor risico’s zoals intensivering van werk, verlies van autonomie, surveillance en mogelijke dehumanisering van werk. Bestaande EU-kaders zoals de AI-Verordening, de Algemene Verordening Gegevensbescherming (EU) 2016/679 en de Richtlijn (EU) 2024/2831 betreffende de verbetering van de arbeidsvoorwaarden bij platformwerk, bieden volgens haar al een stevige basis, maar verschillen tussen lidstaten blijven bestaan en moeten worden meegenomen in toekomstige regelgeving.</al>
            <al>In de opening werd daarmee een duidelijke spanning geschetst tussen innovatie en bescherming, waarbij zowel productiviteitsgroei als sociale risico’s centraal werden gesteld.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">Sessie I: Aanpassing van het digitale en sociale acquis aan nieuwe vormen van werk</tussenkop>
            <al>De eerste sessie richtte zich op de kansen en uitdagingen van algoritmisch management en de rol van regelgeving bij het waarborgen dat de digitale transformatie van werkplekken hand in hand gaat met kwalitatief goed werk. Als uitgangspunt diende onder meer de resolutie van het Europees Parlement waarin de Europese Commissie wordt opgeroepen tot voorstellen over algoritmisch management op de werkvloer, evenals recente wetgevende ontwikkelingen, met name de Richtlijn Platformwerk (Richtlijn (EU) 2024/2831), die voortbouwt op het sociale en digitale acquis van de EU.</al>
            <al>De sessie werd ingeleid met een keynote door Nuno Meira Simoes da Cunha, Senior specialist arbeidsmarktinstituties bij de International Labour Organization (ILO). Vervolgens gaven de volgende sprekers een reactie:</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Marc Angel, voorzitter van de Monitoringgroep voor de Richtlijn Platformwerk;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Andrzej Buła, rapporteur van de EMPL-commissie voor digitalisering, kunstmatige intelligentie en algoritmisch management op de werkvloer;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Michael McNamara, mede-rapporteur LIBE voor de digitale omnibus over AI en medevoorzitter van de IMCO-LIBE werkgroep over de implementatie en handhaving van de AI-verordening;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Alberto Mayoral, lid van de Commissie Werkgelegenheid van het Spaanse parlement;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Pascale Gruny, vicevoorzitter van de commissie Sociale Zaken van de Franse Senaat;</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>De sessie maakte duidelijk dat algoritmisch management en platformwerk leiden tot een fundamentele herstructurering van de arbeidsmarkt, waarvoor zowel op Europees als internationaal niveau nieuwe regelgevingskaders moeten worden ontwikkeld. Tegelijkertijd werd zichtbaar dat er verschillen bestaan in de benadering daarvan, met name ten aanzien van de balans tussen bescherming van werkenden, innovatie, uitvoerbaarheid en economische concurrentiekracht.</al>
            <al>In zijn keynote benadrukte Cunha (ILO) dat algoritmisch management een steeds grotere rol speelt bij werving, taaktoewijzing, monitoring, training en planning van werktijden. Dit brengt volgens hem efficiëntievoordelen met zich mee, maar ook duidelijke risico’s op een ongelijke behandeling. Hij wees daarnaast op lacunes in bestaande internationale arbeidsnormen, met name bij grensoverschrijdende platformarbeid. De ILO werkt daarom aan een wereldwijd normenkader voor «decent work in the platform economy», dat zich richt op transparantie, toegang tot informatie, respect voor fundamentele arbeidsrechten en het recht op menselijke toetsing van algoritmische besluiten.</al>
            <al>Vanuit het Europees Parlement positioneerde Angel de Richtlijn Platformwerk als de eerste integrale poging om algoritmisch management binnen de EU te reguleren. De richtlijn stelt voor het eerst expliciete grenzen aan het gebruik van algoritmes bij taaktoewijzing, monitoring en besluitvorming over werkenden. Kernprincipes zijn transparantie, beperkingen op het gebruik van gevoelige data en menselijke tussenkomst. Tegelijk benadrukte hij dat de waarde van de richtlijn sterk afhankelijk is van implementatie en handhaving door lidstaten, anders zouden het slechts regels op papier zijn.</al>
            <al>Angel waarschuwde dat recente voorstellen van de Europese Commissie (de Omnibus AI en de Omnibus Digitaal) bestaande waarborgen, zoals die voortvloeien uit de AVG, kunnen verzwakken, waardoor transparantie en toezicht minder effectief worden en verschillen tussen werkenden kunnen toenemen. McNamara onderschreef dit nadrukkelijk. Hij wees erop dat de AI-verordening nog niet volledig is geïmplementeerd, maar reeds wordt aangepast zonder dat de Europese Commissie een formeel impact assessment heeft uitgevoerd. Volgens hem staan drie punten centraal: het afzwakken van verplichtingen rond AI-geletterdheid, het verruimen van de mogelijkheden voor het verwerken van gevoelige persoonsgegevens bij bias-detectie en het schrappen van registratieverplichtingen voor AI-systemen. Hij zet in op aanscherping, onder meer door strengere voorwaarden voor het verwerken van gevoelige persoonsgegevens, uitbreiding van waarborgen en het behoud van registratie van AI-systemen in plaats van zelfevaluatie als essentieel instrument voor toezicht en handhaving. Volgens McNamara zijn deze elementen cruciaal voor de bescherming van fundamentele rechten en effectieve controle op AI-systemen.</al>
            <al>Tegenover deze nadruk op regulering en waarborgen werd door Buła benadrukt dat goed ontworpen regelgeving innovatie niet belemmert, maar juist bijdraagt aan vertrouwen, rechtszekerheid en eerlijke concurrentie tussen werkgevers en werknemers.</al>
            <al>Mayoral onderstreepte dat regelgeving alleen onvoldoende is en dat effectieve implementatie van AI in de arbeidsmarkt afhankelijk is van investeringen in digitale vaardigheden, opleiding en een sterke rol voor sociale dialoog en vakbonden. Gruny wees in dit verband op de Franse praktijk, waarin via institutionele structuren en sectorale akkoorden wordt gewerkt aan versterking van de positie van platformwerkers. Zij wees daarnaast op onderzoek dat wijst op negatieve effecten van algoritmisch management op mentale gezondheid, onder meer door ondoorzichtige beloningsstructuren en prestatiedruk.</al>
            <al>De gedachtewisseling tussen de delegaties van de aanwezige lidstaten draaide vooral om de vraag hoe de arbeidsmarkt moet omgaan met de snelle opkomst van AI en platformwerk, en hoe daarbij een balans kan worden gevonden tussen bescherming van werkenden, economische concurrentiekracht en uitvoerbaarheid van regels. Er werd verschillende malen gewezen op het belang van transparantie in algoritmische besluitvorming, met name dat werknemers inzicht moeten hebben in de besluiten die hen raken en dat toezichthouders voldoende zicht moeten houden op AI-systemen. Ook de brede economische impact van AI kwam terug, inclusief de ongelijkheid in een groot deel van de bedrijven, met name in het MKB, dat nog onvoldoende is toegerust voor AI-toepassing. Dit vergroot het risico op ongelijkheid. Tegelijk werd breed benadrukt dat de transitie alleen kan slagen met stevige investeringen in digitale vaardigheden, training en ondersteuning.</al>
            <al>De sessie laat daarmee een gelaagd beeld zien: er is brede steun voor regulering van algoritmisch management en platformwerk, maar tegelijkertijd bestaan er zorgen over innovatiemogelijkheden, mogelijke verzwakking van bestaande waarborgen, verschillen in nationale accenten en een sterke behoefte aan aanvullende maatregelen op het gebied van implementatie, toezicht, vaardigheden en sociale dialoog.</al>
            <tussenkop kopopmaak="ondlijn">Sessie II: Digitalisering van de werkplek en psychosociale risico’s</tussenkop>
            <al>De tweede sessie ging in op arbeidsomstandigheden en nieuwe vormen van werk, met bijzondere aandacht voor het beter adresseren van psychosociale risico’s op EU-niveau. Dit onderwerp staat centraal in een lopend wetgevend initiatief van de commissie werkgelegenheid en sociale zaken (EMPL), die momenteel werkt aan een rapport op basis van artikel 225 VWEU.<noot id="ID-1248857-d40e266" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Draft report with recommendations to the Commission on psychosocial risk, stress and mental health at work</nadruk> (2026/2023(INL))</noot.al></noot> De bijeenkomst diende daarnaast als platform om gemeenschappelijke uitdagingen te identificeren en ervaringen en best practices tussen lidstaten uit te wisselen. De uitkomsten zullen tevens worden meegenomen in het werk van de commissie rond digitalisering en automatisering op de werkvloer, in aanloop naar verwachte Commissie-initiatieven tegen het einde van het jaar in het kader van de aangekondigde <nadruk type="cur">Quality Jobs Act</nadruk>.</al>
            <al>De sessie werd ingeleid met een keynote door William Cockburn, uitvoerend directeur van het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA). Vervolgens gaven de volgende sprekers een reactie:</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Estelle Ceulemans, rapporteur van het EMPL-eigen initiatiefverslag over psychosociale risico’s, stress en mentale gezondheid op het werk;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Marko Pavić, lid van de commissie Onderwijs, Wetenschap en Cultuur van het Kroatische parlement;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Adam Gomoła, vicevoorzitter van de commissie Europese Zaken van de Poolse Sejm;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Giulio Romani, confederaal secretaris van de Europese Vakbondsconfederatie (ETUC);</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>Isaline Ossieur, senior-adviseur bij BusinessEurope.</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>De sessie draaide om de toenemende psychosociale risico’s van digitalisering en AI op de werkvloer, zoals stress, burn-out en verlies van autonomie. In de keynote van Cockburn (EU-OSHA) werd geschetst dat digitalisering en plaatsonafhankelijk werken sterk zijn toegenomen en dat psychosociale risico’s wijdverspreid zijn: bijna de helft van de werknemers ervaart werkdruk of tijdsdruk, en een aanzienlijk deel ervaart stress, angst of fysieke klachten. Hij legde een duidelijke link tussen de inzet van digitale technologie en hogere werkintensiteit, minder autonomie en meer communicatieproblemen. Tegelijk benadrukte hij ook mogelijke voordelen van digitalisering, zoals efficiëntere risico-detectie en preventie via technologie (bijv. sensoren, VR en wearables). Zijn centrale boodschap: digitalisering moet mensgericht en transparant worden ingericht.</al>
            <al>Ceulemans bouwt hierop voort, maar legt de nadruk op de noodzaak van nieuwe Europese wetgeving. Volgens haar schiet het huidige arbokader tekort voor psychosociale risico’s, zeker door digitale monitoring en AI. Zij pleit voor een richtlijn met sterkere bescherming, meer aandacht voor kwetsbare groepen en een grotere rol voor werknemersvertegenwoordiging.</al>
            <al>Romani gaat nog verder en stelt dat psychosociale risico’s door digitalisering structureel en systemisch zijn: het vervaagt de grens tussen werk en privé, leidt tot langere werktijden en verhoogde stress, en algoritmisch management vergroot controle en monitoring. Hij benadrukte vooral het gebrek aan transparantie: werknemers weten vaak niet op basis waarvan beslissingen over werk, loon of inzet worden genomen. Volgens hem is het huidige EU-kader onvoldoende en is bindende EU-regelgeving nodig, inclusief recht op informatie, consultatie en beperking van dataverwerking.</al>
            <al>Daartegenover plaatste Ossieur een duidelijk contrasterend perspectief. Zij erkende dat mentale gezondheid belangrijk is, maar stelde dat er geen «one size fits all»-oplossing bestaat. Volgens haar verschillen nationale systemen sterk en laten de data geen eenduidig beeld zien: hoge werkdruk leidt niet automatisch tot slechtere mentale gezondheid. Zij waarschuwde dat te complexe regelgeving vooral kleine en middelgrote ondernemingen kan belasten en niet noodzakelijk tot betere resultaten leidt.</al>
            <al>In de politieke bijdragen werd digitalisering breed erkend als structurele transformatie. Verschillende nationale parlementen brachten hierbij hun eigen accenten aan. Gomoła benadrukte bijvoorbeeld de maatschappelijke impact van digitalisering en waarschuwde voor het «altijd-aan»-effect en verlies van controle; hij pleitte voor sterkere afdwingbare normen en bescherming van privétijd. Andere bijdragen onderstreepten juist het belang van vaardigheden, inclusiviteit en sociale dialoog, maar verschillen in de mate waarin Europese harmonisatie wenselijk is.</al>
            <al>De kernconclusie van de sessie was dat digitalisering onvermijdelijk leidt tot diepgaande veranderingen in werk, maar dat de maatschappelijke uitkomst sterk afhangt van de mate waarin mensgericht ontwerp, transparantie en preventie van psychosociale risico’s worden ingebouwd in beleid en praktijk, op Europees of nationaal niveau.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Interparlementaire Commissiebijeenkomst over de AI-verordening</tussenkop>
            <al>Op 15 april 2026 hebben enkele leden van de delegaties ook deelgenomen aan de bijeenkomst van de gezamenlijke IMCO-LIBE werkgroep over de implementatie en handhaving van de AI-verordening, getiteld <nadruk type="cur">«De AI-verordening: stand van zaken van de implementatie van nationale sandboxes en praktijktesten»</nadruk>.</al>
            <al>De bijeenkomst werd georganiseerd door Brando Benifei en Michael McNamara, co-voorzitters van de werkgroep over implementatie en handhaving van de AI-act, ondersteund door de Innovatie- en Partnerschapsontwikkelingsunit van het Directoraat-generaal Partnerschappen.</al>
            <al>Benifei lichtte toe dat de AI-verordening nationale AI-testomgevingen onder toezicht van toezichthouders (regulatory sandboxes) introduceert als gecontroleerde omgevingen om AI-systemen te ontwikkelen en testen, met als doel innovatie te stimuleren en tegelijk risico’s voor fundamentele rechten, gezondheid en veiligheid te beperken. Hij benadrukte dat lidstaten verschillende keuzes maken in de inrichting van deze testomgevingen, wat kan leiden tot versnippering. McNamara stelde dat de echte test van de AI-verordening ligt in de implementatie in de lidstaten en dat de werkgroep is opgericht om deze uitvoering continu te volgen en ervaringen uit te wisselen.</al>
            <al>In de discussie kwam duidelijk naar voren dat lidstaten sterk uiteenlopende benaderingen kiezen. Benifei wees op gecentraliseerde modellen (zoals in Duitsland en Litouwen), gedecentraliseerde of sectorale modellen (zoals in Spanje en Ierland), en nieuwe (nog niet aangewezen) autoriteiten (zoals in Oostenrijk en Kroatië). Dit werd door hem benoemd als risico voor fragmentatie van de interne markt en inconsistent toezicht. McNamara plaatste daarnaast vraagtekens bij de voortgang in lidstaten en wees op het risico dat implementatie wordt uitgesteld, mede in het licht van voorgestelde verschuivingen in deadlines voor testomgevingen. Hij vroeg expliciet in hoeverre nationale parlementen daadwerkelijk zicht hebben op de uitvoering.</al>
            <al>Vanuit de lidstaten werden verschillende praktijkvoorbeelden gedeeld. Letland gaf bijvoorbeeld aan een nationaal AI-centrum te hebben opgezet dat fungeert als coördinatiepunt en verantwoordelijk is voor de uitvoering van de testomgeving, inclusief real-world testing en samenwerking met toezichthouders. Litouwen lichtte toe dat sinds oktober 2025 een nationale testomgeving operationeel is, bedoeld om bedrijven te ondersteunen bij compliance en testen, naast een AI-centrum voor de publieke sector. Polen benadrukte het belang van structurele rapportage aan nationale parlementen over de werking van testomgevingen en pleitte voor nauwe samenwerking tussen nationale parlementen, de AI Board en het Europese AI Observatory. Italië gaf aan dat de implementatie nog in een beginfase verkeert en dat er nog weinig zichtbare voortgang is. Verschillende deelnemers wezen bovendien op het risico dat verschillen in nationale implementatie leiden tot ongelijkheid en een verzwakte interne markt.</al>
            <al>Daarnaast klonk er bredere kritiek op de uitvoerbaarheid van de plannen. Zo werd vanuit Portugal de vraag opgeworpen hoe lidstaten überhaupt voldoende gekwalificeerd personeel moeten vinden voor toezicht en implementatie, zeker gezien het feit dat dit op Europees niveau al een uitdaging vormt. De zorg werd geuit dat dit probleem zich alleen maar zal vergroten wanneer elke lidstaat afzonderlijk capaciteit moet opbouwen. Een Belgische parlementariër merkte op dat testomgevingen in de praktijk nog vaak niet meer zijn dan een buzzword, zonder dat zij tot concrete of aantoonbare resultaten leiden.</al>
            <al>Overkoepelend werd benadrukt dat de effectiviteit van de uitvoering van de AI-verordening in belangrijke mate zal afhangen van nauwe samenwerking tussen lidstaten en EU-instellingen, versterkt parlementair toezicht en het voorkomen van fragmentatie in de toepassing van de regelgeving.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>