26 643 Informatie- en communicatietechnologie (ICT)

Nr. 280 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 mei 2013

In mijn brief ter voorbereiding van het Algemeen Overleg over digitale dienstverlening d.d. 3 april 2013 (Kamerstuk 26 643, nr. 271) heb ik aangekondigd dat ik u zou informeren over de nadere uitwerking van de plannen rond de digitale overheid 2017. Hierbij ontvangt u, mede namens de minister voor Wonen en Rijksdienst, de visiebrief digitale overheid 2017.

In het regeerakkoord is de doelstelling opgenomen dat de dienstverlening door de overheid beter moet. Bedrijven en burgers kunnen uiterlijk in 2017 zaken die ze met de overheid doen, zoals het aanvragen van een vergunning, digitaal afhandelen. In deze brief zal ik uiteenzetten hoe deze doelstelling voor de burgers aangepakt wordt. Voor bedrijven is dit al aan de orde geweest in onder andere de Digitale Agenda en de brief over vermindering van regeldruk1. Bovendien wordt de Tweede Kamer voor de zomer door de minister van Economische Zaken via de beleidsbrief «Doorbraken met ICT2» geïnformeerd over inzet van ICT als doorbraaktechnologie voor innovatie en economische groei, alsmede voor een betere overheidsdienstverlening aan bedrijven en regeldrukreductie.

«De overheid» is het geheel aan bestuursorganen van de Rijksoverheid, gemeenten, provincies en waterschappen. De zinnen in het regeerakkoord betekenen een forse ambitie voor al deze overheden, maar ook een kans om met een gezamenlijke en effectieve aanpak te komen tot:

  • a. een aantoonbare verbetering in kwaliteit van digitale overheidsinformatie en overheidsdienstverlening, met aandacht voor die mensen die (nog) minder digivaardig zijn;

  • b. aanzienlijk minder administratieve lasten voor burgers;

  • c. belangrijke efficiencywinsten waardoor onder meer departementale taakstellingen makkelijker gehaald kunnen worden.

Ontwikkeling van de i-samenleving

De samenleving verandert in hoog tempo en de manier waarop burgers en overheden met elkaar communiceren verandert mee. Digitale communicatie heeft de afgelopen jaren een hoge vlucht genomen. Het traditionele verkeer per papieren post is op zijn retour. Digitale communicatie gaat vaak sneller, is makkelijker en goedkoper dan communicatie via papier. De samenleving heeft zich de laatste jaren ontwikkeld van een e-samenleving, waarin de nadruk lag op technologische mogelijkheden, naar een i(nformatie)-samenleving waarin informatiestromen van steeds groter belang zijn. Hierbij past een transparante overheid die de digitale mogelijkheden inzet voor betere dienstverlening en gegevensuitwisseling, en een overheid die burgers centraal stelt in de informatiestromen. Een opstelling van de overheid die de effectiviteit en efficiency van overheidshandelen niet in de weg staat, maar deze juist versterkt, mits we dit op een goede manier gezamenlijk aanpakken.

Als burgers in 2017 hun zaken veilig en makkelijk digitaal af kunnen handelen bij alle overheden, kan dat de relatie tussen overheid en samenleving sterk verbeteren. Burgers kunnen de overheid sneller en makkelijker vinden en kunnen zaken doen met de overheid op de plek en op het tijdstip waarop het hen het beste uitkomt. Daarnaast zal de beleving van regeldruk bij burgers positief veranderen: processen worden sneller, administratieve lasten nemen af en in de wijze waarop burgers door de overheid worden bejegend sluit aan op de individuele situatie.

Daarnaast wordt ook de doelmatigheid van de overheid verbeterd. Door een groter gebruik van het digitale kanaal bespaart de overheid ondermeer op het verzenden en verwerken van papieren post, drukwerk, advertenties, baliehandelingen en op het dubbel inwinnen, controleren en vastleggen van gegevens.

De overheid staat niet aan het begin van dit proces. De digitalisering van de overheid is al lange tijd aan de gang en gaat in hoog tempo door. Voorbeelden hiervan zijn de vooringevulde digitale belastingaangiftes voor burgers, het digitaal aanvragen van parkeervergunningen en de veilige authenticatievoorziening DigiD. Ook voorziet de Algemene wet bestuursrecht sinds 2004 in regels over elektronisch verkeer met de overheid. Toch worden er, daar waar digitale communicatie wel mogelijk is, vaak nog niet alle mogelijkheden optimaal benut. Als een burger bijvoorbeeld digitaal een aanvraag heeft ingediend krijgt hij nu in de meeste gevallen het antwoord van een overheidsorganisatie per brief.

Hoewel in Nederland dit jaar meer dan 100 miljoen DigiD-transacties met de overheid plaatsvinden, gaan de ontwikkelingen in andere landen soms nog sneller. In Denemarken verplicht de overheid haar burgers stap voor stap om voor overheidsdiensten alleen nog het digitale kanaal te gebruiken. Eind 2015 moet alle dienstverlening door overheidsorganisaties daar in principe via het digitale kanaal verlopen.

Als de Nederlandse overheid digitalisering van de dienstverlening wil combineren met een efficiënt proces, dan zullen we vaker de dienstverlening primair digitaal moeten maken en papieren kanalen stap voor stap moeten uitfaseren. Een groot deel van de samenleving vraagt ook om meer digitale dienstverlening van de overheid. Daarnaast is er een kleiner deel van de bevolking dat kritisch staat ten opzichte van verdergaande digitalisering. Enerzijds omdat zij minder zelfredzaam zijn en/of minder digivaardig zijn, anderzijds omdat zij zeer kritisch staan ten opzichte van digitalisering van eigen gegevens in verband met hun privacy. Hiervoor moet altijd aandacht zijn en naar een oplossing worden gezocht.

Het kabinet zet in de gesprekken met andere overheidsorganisaties in op een aantal pijlers. Deze pijlers zal ik hieronder toelichten.

Informatie moet online beschikbaar zijn

Om zaken te kunnen doen met de overheid is het allereerst noodzakelijk dat de overheid alle voor burgers relevante informatie digitaal beschikbaar maakt. Veel informatie over overheidsdiensten is al op internet te vinden via overheid.nl. Deze informatie wordt uitgebreid en verbeterd.

De openbaarheid van bestuur wordt vergroot door meer informatie actief openbaar te maken via internet. In de motie Voortman3 is hier recent nog om gevraagd. Dit sluit aan bij het lopende initiatief «Open Overheid» en het bestaande traject om aanbod en gebruik van open data te vergroten. Dit laatste onderwerp laat zien dat digitalisering bij de overheid ook kansen kan bieden aan het bedrijfsleven. Er zal voor de zomer een overheidsbreed actieplan «Open Overheid» aan uw Kamer worden toegezonden dat maatregelen bevat om meer overheidsinformatie via internet te ontsluiten. Het actieplan zal een belangrijke impuls geven aan het aanbod van open data.

De algemene bekendmakingen en kennisgevingen die de overheid publiceert zijn al voor een deel gedigitaliseerd. Sinds 2009 verschijnen Staatscourant, Staatsblad en Tractatenblad in elektronische vorm, en met ingang van 2014 zullen ook decentrale overheden hun regelgeving in een digitaal gemeenteblad, provinciaal blad of waterschapsblad bekendmaken. Voor andere algemene bekendmakingen en kennisgevingen is uitsluitend digitaal publiceren alleen toegestaan als dat uitdrukkelijk wettelijk is geregeld. Dat betekent dat voor algemene bekendmakingen en kennisgevingen publicatie in dag- of huis-aan-huisbladen, al dan niet in combinatie met ter-inzage-legging in een overheidsgebouw, nog steeds de gebruikelijke weg is. Door ook hier digitale bekendmaking en kennisgeving te verplichten, met gebruik van open standaarden, wordt informatievoorziening op maat mogelijk, waarbij burgers de mogelijkheid hebben om zich elektronisch te laten attenderen op berichten waarvoor specifieke belangstelling bestaat. Het kabinet neemt het initiatief om dit in de Algemene wet bestuursrecht mogelijk te maken.

Burgers kunnen alle (aan)vragen aan de overheid digitaal versturen en alle berichten van de overheid digitaal ontvangen

Voor burgers staan nu verschillende kanalen open om met de overheid in contact te treden: per post, aan de balie, per telefoon, via internet, of via e-mail. Dit wordt aangeduid als de «multikanaal benadering». De overheid bepaalt welk kanaal voor welke dienst wordt opengesteld. In de toekomst krijgen burgers meer mogelijkheden om voor het digitale kanaal te kiezen. Daartoe krijgen zij het recht op elektronisch zaken doen4. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor Nederlanders die in het buitenland wonen en voor buitenlanders die in Nederland verblijven. Het kabinet neemt het initiatief om de Algemene wet bestuursrecht hierop aan te passen.

Het gebruik van het digitale kanaal door burgers zal krachtig worden gestimuleerd. Met de andere overheden zullen dienstverleningsprocessen worden geselecteerd waarbij het digitale verkeer nog sterk kan worden vergroot. Daarbij maken we optimaal gebruik van de projecten die in onder andere het kader van de Digitale Stedenagenda lopen en de samenwerking zoals die is vervat in het convenant «Smarter Cities» dat door de minister van Economische Zaken namens het Rijk is afgesloten met de G32. Dienstverleningsprocessen waarbij het gebruik sterk achterblijft bij de digitale mogelijkheden zullen samen met de eindgebruikers worden opgepakt, ondermeer in het ICT doorbraakproject «massaal digitaal». Over de verdere uitwerking van de ICT doorbraakprojecten wordt de Tweede Kamer door de minister van Economische Zaken geïnformeerd via de beleidsbrief «Doorbraken met ICT».

Wanneer de overheid het digitale kanaal richting burgers nadrukkelijk als voorkeurskanaal presenteert past het daarbij dat de overheid zelf ook digitale berichten accepteert. Nu is nog in de Algemene wet bestuursrecht geregeld dat elektronisch berichtenverkeer met de overheid alleen mogelijk is indien de desbetreffende overheidsorganisatie zich daarvoor openstelt. Deze regeling zal worden gewijzigd, met als uitgangspunt dat burgers en bedrijven de mogelijkheid krijgen om schriftelijk verkeer met de overheid langs digitale weg te laten plaatsvinden. Het kabinet neemt het initiatief om de Algemene wet bestuursrecht hierop aan te passen. Daarbij zal wel de mogelijkheid blijven bestaan om eisen te stellen aan de elektronische weg, met het oog op de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van het verkeer met de overheid.

Burgers moeten de post van alle overheden elektronisch kunnen ontvangen in een veilige berichtenbox waarin de berichten op overzichtelijke wijze toegankelijk zijn. Op dit moment bestaan er twee berichtenboxen, één voor burgers en één voor bedrijven. Het is een wens van het kabinet om het op termijn mogelijk te maken om deze berichtenboxen aan elkaar te koppelen en in de toekomst naar elkaar toe te laten groeien. Het overgrote deel van de overheidsorganisaties is al aangesloten op de berichtenbox voor bedrijven, en in het kader van het NUP (nationaal uitvoeringsprogramma dienstverlening e-overheid) is afgesproken dat alle overheden zullen aansluiten op de berichtenbox voor burgers via de portal mijn.overheid.nl. Op dit moment wordt van beide berichtenboxen nog niet intensief gebruik gemaakt, door zowel burgers, bedrijven, als overheidsorganisaties. In samenwerking met uitvoeringsorganisaties als de Belastingdienst en de Kamer van Koophandel zal het gebruik van beide berichtenboxen intensief worden gestimuleerd.

Gebruiksvriendelijkheid en toegankelijkheid

Werken aan het versterken van de zelfredzaamheid en digivaardigheid van burgers is een essentiële randvoorwaarde voor het realiseren van de digitale overheid. Van alle overheden verwacht ik hiervoor een inspanning. Alleen beleid rondom toegankelijkheid van overheidsinformatie, zoals webrichtlijnen en initiatieven op Rijks- en gemeentelijk niveau van Digisterker is niet voldoende. Er is meer aandacht nodig voor de gebruiksvriendelijkheid van ICT-voorzieningen van de overheid. De wensen en het (zoek)gedrag van gebruikers behoren het uitgangspunt te zijn bij de ontwikkeling van de dienstverlening. Daarom zal het kabinet burgers nog actiever gaan betrekken bij de doorontwikkeling en het testen van ICT-voorzieningen.

Concreet zet ik hierbij in op de volgende acties:

  • Gemeentelijke organisaties zullen geholpen worden door het Kenniscentrum Dienstverlening om het gebruikersperspectief een meer centrale plaats te geven in het dienstverleningsproces. Dit samenwerkingsverband tussen BZK, VNG en KING adviseert gemeenten bij het betrekken van gebruikers bij het ontwikkelen van (digitale) diensten op een pragmatische manier, waarbij verbeteren van processen continue mogelijk is en wordt gestimuleerd. Het ontbureaucratiseren van processen bevordert niet alleen een snellere en betere dienstverlening, maar is ook een belangrijke voorwaarde voor een gebruikersvriendelijke digitalisering.

  • Er wordt een klankbordgroep gevormd met organisaties zoals de Consumentenbond, de Nationale ombudsman en andere stakeholders die periodiek toetst of de ontwikkeling naar «Digitaal 2017» vanuit het burgerperspectief voldoet.

  • De webrichtlijnen voor de toegankelijkheid van websites vinden nog onvoldoende toepassing. De komende tijd wordt een kader ontwikkeld om de toepassing van deze richtlijnen beter op de praktijk af te stemmen.

Naast het halen van feedback bij gebruikers is het zaak dat publieke organisaties ook zoveel mogelijk open publiceren op welke dienstverleningskwaliteit de gebruiker mag rekenen. Deze transparantie, via klantgerichte servicenormen, werkt ook als een vorm van verwachtingenmanagement. Verder moet ook bij digitale dienstverlening duidelijk zijn waarom en hoe overheidsbesluiten tot stand komen. De lessen die zijn opgedaan rondom procedurele rechtvaardigheid in het kader van «prettig contact met de overheid» zullen bij de uitwerking van digitaal 2017 worden benut.

Er zullen steeds alternatieven moeten zijn voor burgers die de mogelijkheden of vaardigheden missen om hun contacten met de overheid via de digitale weg te kunnen regelen. Persoonlijk contact met de overheid moet voor deze burgers mogelijk blijven. Het uitgangspunt wordt: «digitaal waar het kan, persoonlijk waar het moet». Om te onderzoeken hoe het persoonlijk contact van de overheid met burgers die niet via de digitale weg kunnen meedoen georganiseerd kan worden (zowel uit oogpunt van dienstverlening als kostenefficiëntie), komt er een pilot waarbij drie gemeenten en verschillende uitvoeringsorganisaties samenwerken om in complexe zaken geïntegreerde dienstverlening te leveren. Dit vindt in de meeste gevallen plaats op het gemeentehuis.

Inzage- en correctierecht voor burgers

De Nationale ombudsman, het Rathenau instituut en de WRR pleiten terecht voor een versterkte informatiepositie van de burger, naast de versterkte informatiepositie van de overheid. Burgers moeten eenvoudig kunnen zien welke gegevens over hen zijn vastgelegd en aan wie deze worden verstrekt. Daarnaast moeten zij de mogelijkheid hebben om fouten te (laten) corrigeren. Een belangrijke stap daartoe is om burgers via MijnOverheid inzage te geven in de kerngegevens die overheden over hen vastleggen, met de mogelijkheid om online correcties door te geven. Hiermee wordt verder invulling gegeven aan het inzage- en correctierecht uit de Wet bescherming persoonsgegevens. Dit vraagt om ICT-voorzieningen, maar ook om vertrouwensafspraken tussen de verschillende overheidsorganisaties. Zoals mijn voorganger al heeft aangekondigd in haar brief d.d. 28 september 2012 (Kamerstuk 26 643, nr. 254) ontvangt u medio 2013 een plan van aanpak over het verstrekken van het inzage- en correctierecht voor burgers voor wat betreft de GBA. Hiermee kom ik tegemoet aan de eisen uit de Wet bescherming persoonsgegevens en aan het bezwaar van burgers die kritisch staan ten opzichte van digitalisering van hun persoonsgegevens omdat dit ten koste zou gaan van hun privacy.

Informatieveiligheid en stelsel eID

Het elektronisch contact met de overheid moet goed beveiligd zijn. De lessen uit het DigiNotarincident, maar ook na Lektober en de recente Ddos-aanvallen op DigiD laten zien dat het beveiligen van informatie en de beschikbaarheid van de digitale dienstverlening urgent en blijvend op de agenda moeten staan.

Bestuurders en topmanagers in het openbaar bestuur moeten zich hiervan bewust zijn. Om dit bewustzijn en de kennis over informatieveiligheid bij deze groep te verbeteren en te borgen is de taskforce Bestuur en informatieveiligheid dienstverlening ingericht. Voor de komende twee jaar gaat deze taskforce de ministeries, uitvoeringsorganisaties, gemeenten, provincies en waterschappen bijstaan bij het verbeteren van hun bewustzijn van informatieveiligheid. Daarbij is specifieke aandacht voorzien voor de afzonderlijke ketens waarbinnen informatie-uitwisseling plaatsvindt (Kamerstuk 26 643, nr. 269).

Behalve bewustwording en borging bij afzonderlijke organisaties is het van belang dat het samenspel van organisaties in het openbaar bestuur op het terrein van informatieveiligheid leidt tot een efficiënte en effectieve manier van de aanpak bij incidenten en crisis. Samen met het Nationaal Cybersecurity Centrum en schakelorganisaties van de medeoverheden wordt gewerkt aan een netwerk waarin kennisdeling, melding van incidenten en lessons learned worden gedeeld en incidenten en crises worden opgepakt.

Voor het verbreden en intensiveren van het digitale verkeer met de overheid is het noodzakelijk om een toekomstbestendige identiteitsinfrastructuur te hebben die klaar is voor veilige digitale communicatie en dienstverlening. Ook online willen burgers en overheden zeker weten met wie ze maken hebben. DigiD heeft inmiddels 10 miljoen aansluitingen en het gebruik ervan neemt steeds verder toe. Daarmee is dit een basisvoorziening geworden die de digitale toegang van burgers tot de e-overheid vormt, zoals e-Herkenning dat is voor bedrijven. Dat betekent ook dat er continue aandacht moet zijn voor de veiligheidsmaatregelen, alsmede voor de kans op misbruik van bijvoorbeeld DigiD bij fraude.

DigiD kent verschillende betrouwbaarheidsniveaus. Er wordt steeds vaker gebruik gemaakt van DigiD-Midden, waarbij gebruikersnaam en wachtwoord moeten worden aangevuld met een SMS-code. Door onder meer extra eisen te stellen aan de wachtwoorden en de beschikbaarheid van een bijzonder veilige infrastructuur heeft DigiD een hoge mate van veiligheid.

Met het doel van een digitale overheid in 2017 in het achterhoofd, en rekening houdend met nieuwe regelgeving uit de EU, nieuwe technologische ontwikkelingen en de noodzaak van betere beveiliging moeten we vooruitkijken naar een zwaardere vorm van authenticatie dan DigiD. In de Nationale Cyber Security Strategie (NCSS I) is voorzien dat een authenticatiemiddel met een hoger betrouwbaarheidsniveau wordt gerealiseerd. Gezamenlijk met de medeoverheden, de departementen en enkele uitvoeringsorganisaties werk ik aan het eID-stelsel, dat in 2015 gerealiseerd moet zijn. Hierin wil ik afspraken maken over elektronische identiteit in den brede, voor zowel burgers, bedrijven als professionals. Een stelsel waarin verschillende publieke en private identiteitsdragers van een voldoende hoog veiligheidsniveau naast elkaar kunnen bestaan. Het eID-stelsel zal, conform de NCSS I, een bijdrage leveren aan het vergroten van de weerbaarheid van vitale infrastructuur.

Voorwaarde is dat bestaande voorzieningen als eHerkenning en DigiD zorgvuldig kunnen migreren naar het nieuwe stelsel en dat er sprake is van eerlijke concurrentie tussen de publieke en private voorzieningen binnen het eID-stelsel NL («level playing field»).

Optimaal gebruik van digitale gegevens door de overheid

Individuele organisaties houden nog te vaak vast aan eigen voorzieningen in plaats van aan te sluiten bij (open) standaarden en gemeenschappelijk ontwikkelde voorzieningen zoals de basisregistraties en MijnOverheid. Dat is voor de burger onbegrijpelijk («waarom moet ik elke keer dezelfde gegevens doorgeven?»), kost onnodig veel tijd en ergernis en is voor de overheid als geheel onnodig duur.

Een ander element van het grootschalige gebruik maken van de digitale route is de noodzaak van juiste gegevens. Aan de kwaliteit van de basisregistraties wordt hard gewerkt en deze registraties kunnen en moeten ook nog beter benut worden. In het kader van het iNUP (implementatie nationaal uitvoeringsprogramma dienstverlening e-overheid) worden in 2014 de laatste voorzieningen opgeleverd waardoor de kern van het stelsel van basisregistraties (met onder andere de gemeentelijke basisadministratie, de basisregistratie adressen en gebouwen en het handelsregister) werkt. Veel overheidsorganisaties moeten deze voorzieningen dan nog (optimaal) gaan benutten. Er lopen op dit moment al de nodige trajecten om dit gebruik te bevorderen, ondermeer als onderdeel van het iNUP. Daarnaast komt het thema versnelde inzet van basisregistraties aan de orde in de Hervormingsagenda Rijksdienst, die de minister voor Wonen en Rijksdienst (W&R) op korte termijn naar uw Kamer zal sturen. Hierin zal ondermeer aandacht zijn voor de implementatie van basisvoorzieningen binnen de Rijksoverheid.

Daarnaast wordt in dat kader de mogelijkheid onderzocht om de burger een recht te geven op het slechts eenmalig hoeven aanleveren van gegevens aan organisaties van de Rijksoverheid. In het onderzoek zal uiteraard rekening worden gehouden met eisen die voortvloeien uit de Wet bescherming persoonsgegevens.

Samen verder bouwen aan een gezamenlijke infrastructuur

Het is belangrijk dat we met elkaar verder bouwen aan wat er al loopt op het terrein van de basisinfrastructuur. Afspraken uit het iNUP worden uitgevoerd en waar mogelijk versneld. Burgers verwachten één overheid en daarbij hoort eenduidigheid en hergebruik van generieke voorzieningen. Bovendien bevordert een generieke basisinfrastructuur veiligheid en stabiliteit in ketens. Tenslotte is hergebruik van een generieke basisinfrastructuur goedkoper.

Technologische expertise is schaars en duur. Met de I-strategie (Kamerstuk 26 643, nr. 216) heeft het Rijk al belangrijke stappen gezet in de bedrijfsvoering op weg naar gezamenlijke ontwikkelingen en gebruik en met het iNUP zijn we op weg naar overheidsbrede implementatie voor de primaire processen. Deze thematiek komt ook aan de orde in de Hervormingsagenda Rijksdienst. Naar aanleiding van het verzoek van uw Kamer onderzoek ik met de VNG de mogelijkheden om te komen tot een generieke kernwebsite voor gemeenten.

Huidige financieringswijze leidt tot inefficiënte eigen oplossingen

Het (door)ontwikkelen, in gebruik nemen en beheren van de basisinfrastructuur vraagt om continue investeringen. Investeringen die zich terugverdienen bij alle overheden, die immers op deze infrastructuur hun diensten kunnen verlenen. Het is daarom onwenselijk en het kost onnodig veel geld als overheden zelf hun eigen basisinfrastructuur bouwen. De huidige wijze van financiering lijkt een effectieve en efficiënte implementatie en doorontwikkeling in de weg te staan. In de aanpak op weg naar de digitale overheid 2017 zal ik samen met de betrokken departementen en de medeoverheden kijken naar een andere wijze van financiering voor die voorzieningen die generiek bruikbaar moeten zijn voor iedereen, met maximale prikkels voor gebruik door alle overheidsorganisaties.

Digitaal 2017 doen we samen

Het werken aan de digitale overheid kan niet vanuit één onderdeel van de overheid, maar raakt ons allen en biedt ons allen kansen. De ambitieuze doelstelling uit het regeerakkoord zet een duidelijke stip op de horizon: alle dienstverleningsprocessen moeten digitaal kunnen. Dit betekent veel op technisch, organisatorisch en financieel gebied. Als minister van BZK pak ik deze zaken op vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid voor de e-overheid voor burgers. De minister voor W&R zal daar vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de Rijksdienst een stevige invulling aan geven binnen de sector Rijk, en zal uw Kamer hierover informeren in de Hervormingsagenda Rijksdienst. Vanzelfsprekend ben ik ook voortdurend in verbinding met de minster van EZ, die verantwoordelijk is voor de e-overheid voor bedrijven.

Ik nodig alle departementen en alle overheden nadrukkelijk uit om ook in hun eigen organisaties en met elkaar aan de slag te gaan. Gemeenten hebben aangegeven zowel graag verder te gaan met het huidige iNUP, als ook op andere wijze samen aan de slag te gaan. Het initiatief van de G4 en G32 in de vorm van de Digitale Steden Agenda vormt daarbij een mooie voorhoede.

De komende periode ga ik met hen, met andere individuele overheden, met bestaande netwerken en met de koepelorganisaties aan de slag om gezamenlijk een roadmap te maken op weg naar 2017. Ik streef ernaar om deze in oktober samen met de medeoverheden vast te stellen in de Bestuurlijke Regiegroep, en de roadmap daarna namens het kabinet aan uw Kamer te presenteren.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
2

Deze brief bevat tevens de Mid Term evaluatie van de Digitale Agenda.nl.

X Noot
3

Kamerstuk 33 400 VII, nr. 27

X Noot
4

Voor bedrijven is dit recht al aangekondigd in de Digitale Agenda.nl en de Digitale Implementatie Agenda.nl.

Naar boven