﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26578-3/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2000-2001</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.5__2.14" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST51452</ordernr>
    <vergjaar>2000-2001</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 578</nummer>
      <naam>Verhandelbare emissies als instrument in het milieubeleid</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>3</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN
MILIEUBEHEER</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag,  <datum>19 februari 2001</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>In mijn brief van 2 juni 1999 (Kamerstukken II 1998–1999, 26 578,
nr. 1) heb ik u geïnformeerd over verhandelbare emissies als instrument
in het milieubeleid. Ik heb daarbij aangekondigd dat op korte termijn besluitvorming
over de invoering van NO<inf>x</inf>-emissiehandel zou plaatsvinden. Hoewel
het basisconcept niet is veranderd van wat op dat moment nog als NO<inf>x</inf>-kostenverevening te boek stond (inmiddels NO<inf>x</inf>-emissiehandel
genoemd), is sedert medio 1999 voortvarend gewerkt aan de formulering van
de diverse elementen van NO<inf>x</inf>-emissiehandel, de wijze waarop de
emissiehandel zal gaan werken, de wijze waarop dat wettelijk zal worden ingekaderd
alsmede de andere randvoorwaarden die op NO<inf>x</inf>-emissiehandel van
toepassing zullen zijn. In december 2000 heeft het bedrijfsleven (VNO/NCW
en betrokken branche-organisaties) ingestemd met de hoofdlijnen van NO<inf>x</inf>-emissiehandel, de vertaling van de 2010-taakstelling in prestatienormen
en de invoering van NO<inf>x</inf>-emissiehandel in 2003. In deze brief informeer
ik u over het akkoord waarover ik met het bedrijfsleven overeenstemming heb
bereikt en over de stappen die de komende twee jaar gezet zullen worden om
invoering van NO<inf>x</inf>-emissiehandel in 2003 mogelijk te maken.</al>
      <tuskop letat="vet">Aanleiding</tuskop>
      <al>De uitstoot van stikstofoxiden (NO<inf>x</inf>) is een belangrijk en hardnekkig
milieuprobleem. De emissie van NO<inf>x</inf> draagt bij aan de verzuring
en vermesting van het milieu en de vorming van ozon op leefniveau. De Nederlandse
overheid voert sinds de jaren '80 een actief beleid om de emissies van NO<inf>x</inf> terug te dringen. Het tot nu toe gevoerde beleid heeft echter onvoldoende
resultaten opgeleverd om de in de Nationale Milieubeleidsplannen vastgelegde
doelstellingen te realiseren. Ten aanzien van de uitstoot van NO<inf>x</inf>
heeft Nederland inmiddels ook te maken met internationale verplichtingen.
In 1999 heeft Nederland het Göteborg-protocol<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref>
van de UN/ECE ondertekend. Dit protocol wordt van kracht zodra 16 landen het
protocol hebben geratificeerd. Daarnaast is er een Europese richtlijn
inzake nationale emissieplafonds (hierna: de NEC-richtlijn) in voorbereiding,
die thans voor tweede lezing bij het Europees Parlement ligt. Deze richtlijn,
die naar verwachting in de loop van 2001 van kracht zal worden, bepaalt dat
Nederland in 2010 niet meer dan 260 kton NO<inf>x</inf> mag uitstoten (266
kton volgens het Göteborg-protocol). Deze, vanuit de milieuproblematiek
en de genoemde internationale verplichtingen, minimaal te realiseren plafonds
noodzaken tot een intensivering van het beleid voor het terugdringen van de
emissies, waarbij alle doelgroepen van het beleid extra inspanningen zullen
moeten leveren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor wat betreft het aandeel van de stationaire bronnen in de NO<inf>x</inf>-emissies is reeds in het derde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP-3;
Kamerstukken II 1997–1998, 25 887, nr. 1, blz. 119) geconstateerd
dat het huidige instrumentarium ontoereikend is voor het behalen van verdergaande
reducties. Momenteel wordt de reductie van NO<inf>x</inf> bij stationaire
bronnen vooral bereikt door middel van regelgeving [het Besluit emissie-eisen
stookinstallaties milieubeheer A (Bees A), het Besluit emissie-eisen stookinstallaties
milieubeheer B (Bees B), het Besluit luchtemissies afvalverbranding (BLA)
en het Besluit emissie-eisen NO<inf>x</inf> salpeterzuurfabrieken] en door
vergunningverlening. Door grote verschillen in kosten van NO<inf>x</inf>-reducerende
maatregelen tussen sectoren en tussen individuele inrichtingen is een situatie
ontstaan waarbij een deel van de inrichtingen forse reducties heeft bereikt,
terwijl een ander deel van de inrichtingen vooralsnog op grond van het Alara-beginsel
(alara: as low as reasonably achievable) in de Wet milieubeheer (Wm) werd
gevrijwaard van het nemen van vergelijkbare bestrijdingsmaatregelen omdat
in hun specifieke geval de kosten van die maatregelen binnen de tot nu toe
gehanteerde beleidscriteria en -procedures niet als redelijk konden worden
aangemerkt. Het is tegen die achtergrond duidelijk dat de milieudoelstellingen
en de internationaal verplichte emissiereducties niet dan wel uiterst moeizaam
met het huidige instrumentarium kunnen worden behaald, en dat naar andere
middelen moet worden uitgezien waarbij de afweging van wat in een specifieke
situatie wel en wat niet redelijk is, op een andere wijze totstandkomt.</al>
      <al>Bovenstaande analyse heeft geleid tot het voornemen om voor de reductie
van NO<inf>x</inf>-emissies voor stationaire bronnen een systeem van emissiehandel
in te voeren (zie NMP-3; Kamerstukken II 1997–1998, 25 887, nr.
1, blz. 123), waarbij de door de industrie te verrichten reductie-inspanningen
verhandelbaar worden gemaakt. Op deze wijze leveren alle inrichtingen een
bijdrage aan het realiseren van de reductiedoelstelling voor NO<inf>x</inf>
voor de stationaire bronnen en is een meer kosteneffectieve aanpak mogelijk,
waarbij de onderlinge concurrentieverhouding tussen inrichtingen in Nederland
niet wordt verstoord. Daarmee is het ook feitelijk mogelijk geworden om industrie-breed
afspraken te maken over het niveau van de inspanningen die van alle bedrijven
gevraagd gaan worden om de NO<inf>x</inf>-reducties te realiseren die nodig
zijn om de 2010-taakstelling te halen.</al>
      <al>Een ander belangrijk voordeel is dat een systeem van NO<inf>x</inf>-emissiehandel
als zodanig geen gedetailleerde wetgeving vergt waarin emissie-eisen staan
per installatie met voorschriften voor de soort installatie, grootte van de
installatie, soort brandstof en leeftijd van de installatie. Bij emissiehandel
maakt het bedrijf zélf de afweging op welke wijze de vereiste NO<inf>x</inf>-reductie wordt gehaald. Het bedrijf kan NO<inf>x</inf>-reducerende
maatregelen nemen in het eigen bedrijf (technische maatregelen, brandstofkeuze)
of de benodigde NO<inf>x</inf>-reducties (of een deel ervan) van een ander
bedrijf kopen. De gedachte is dat bedrijven op deze wijze maximaal worden
gestimuleerd al datgene binnen het eigen bedrijf te doen dat – gelet
op de kosten van de eigen inspanning en de prijs van door andere bedrijven
aangeboden emissiereducties – het meest effectief de emissies van NO<inf>x</inf> reduceert. </al>
      <tuskop letat="vet">Het systeem</tuskop>
      <al>Met de introductie van emissiehandel wordt een markt geïntroduceerd
waarop inrichtingen kunnen handelen in kg NO<inf>x</inf>. Het basisconcept
van NO<inf>x</inf>-emissiehandel bestaat eruit dat de taakstelling voor de
gehele industrie wordt vertaald in een voor alle inrichtingen gelijke prestatienorm
welke wordt geformuleerd in gram NO<inf>x</inf> per eenheid in de inrichting
gebruikte energie (GJ). Vertrekpunt voor dit handelssysteem is dus de NO<inf>x</inf>-prestatienorm per inrichting. Deze prestatienorm geldt – voor
wat betreft de emissies van stookinstallaties of daarmee vergelijkbare verbrandingsemissies –
voor alle inrichtingen groter dan 20 MWth. De norm zal in de regelgeving worden
neergelegd en zal worden uitgedrukt in een emissie-eis per eenheid energie
(g NO<inf>x</inf>/GJ). De normvracht voor de inrichting wordt berekend door
de totale energie-inzet van de inrichting te vermenigvuldigen met die prestatienorm.
Voor een beperkt aantal, apart benoemde processen wordt een voor dat proces
specifieke prestatienorm gedefinieerd en vastgesteld. Het gaat hierbij om
processen waar de emissie niet is gerelateerd aan de hoeveelheid energie of
waar de verbrandingscondities zeer sterk afwijken van die van andere verbrandingsinstallaties.
Voor deze individueel benoemde processen, beperkt in aantal, wordt een voor
elk procestype specifieke prestatienorm geformuleerd, met als uitgangspunt
de emissie en productie in het basisjaar (1995), en een reductie die 20% lager
is dan de reductie die voor de generieke prestatienorm zal gelden. De 20%
lagere reductie is gerechtvaardigd gezien het kleine aantal installaties waarop
de norm moet worden gebaseerd en het in elke situatie specifieke karakter
van de voor dat proces in aanmerking komende bestrijdingsmaatregelen. De totale
emissie van de processen die vallen onder deze uitzondering bedroeg, volgens
de opgave van bedrijven, in 1995 niet meer dan ca. 17 kton, ofwel 14% van
de totale emissie van de industriële inrichtingen. In het systeem van
prestatienormen wordt geen onderscheid gemaakt in type brandstoffen. De brandstof
of de in het proces in te zetten grondstof is in het systeem van emissiehandel
ter keuze van het bedrijf, en in feite één van de mogelijke
opties om de NO<inf>x</inf>-emissies te reduceren. Tegen die achtergrond is
differentiatie in de prestatienorm naar type brandstof niet alleen niet zinvol,
maar zelfs strijdig met het concept van emissiehandel.</al>
      <al>Voor inrichtingen waar zich procesemissies voordoen, worden de normvrachten
voor die processen op vergelijkbare wijze berekend als bij de verbrandingsinstallaties.
In het geval zich in een inrichting zowel verbrandings- als procesemissies
voordoen, wordt de normvracht van de gehele inrichting bepaald door de normvracht
van de verbrandingsemissies op te tellen bij de normvracht voor de procesemissies.
Vervolgens wordt de feitelijke emissie van de gehele inrichting vergeleken
met de normvracht voor de gehele inrichting. Een reductie die verder gaat
dan de normvracht waartoe de inrichting volgens de prestatienorm is gehouden,
levert kg NO<inf>x</inf> op die de inrichting kan verkopen: «NO<inf>x</inf>-credits». Het systeem van «NO<inf>x</inf>-credits»
zal zodanig worden ingericht dat het aanbieden van kg NO<inf>x</inf> voor
risico is van de verkoper als achteraf blijkt dat de kg NO<inf>x</inf>-reducties
niet zijn gerealiseerd. Iedere inrichting kan aan haar NO<inf>x</inf>-verplichting
voldoen door ofwel fysieke reductiemaatregelen in het eigen bedrijf te nemen,
ofwel «NO<inf>x</inf>-credits» via de markt te kopen, dan wel
een combinatie van deze twee opties.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Reeds bij het NMP-3 en de beslissing om de taakstelling voor 2000 voor
de industrie van 67 kton NO<inf>x</inf> door te schuiven naar 2005 sprak het
kabinet zijn voorkeur uit voor een systeem van emissiehandel (kostenverevening).
Op dat moment werd gedacht dat zo'n systeem binnen één jaar
te realiseren moest zijn. Het conceptueel invullen van de systematiek van
emissiehandel en vragen ten aanzien van de financiële consequenties van
de taakstelling, de wijze waarop de «emissiehandel» zou kunnen
plaatsvinden, de wijze waarop het systeem wettelijk zou moeten
worden vastgelegd en vragen rond de emissiemonitoring in een systeem van emissiehandel,
noodzaakten echter tot nieuwe ideeën en oplossingen. Hoewel het basisconcept,
dat in 1997 werd ontworpen, hetzelfde is gebleven, heeft de verdere uitwerking
toch veel tijd en denkkracht gevergd. Vooral het vinden van antwoorden op
een groot aantal praktische vragen bleek verre van gemakkelijk. Wat dat betreft
is sedert eind 1999 veel geleerd van de ervaringen en de informatie met het
systeem (Reclaim) dat sedert 1994 in Los Angeles in werking is. Bij de NO<inf>x</inf>-emissiehandel in het Reclaim-gebied wordt door een groot aantal industriële
bedrijven aldaar gebruik gemaakt van een «emissiebeurs» op basis
van een handelssysteem dat is ontwikkeld door Automated Credit Exchange (ACE).
De ervaringen en expertise van dit bureau zijn vanaf maart 2000 betrokken
bij de discussie hier in Nederland. Het resultaat van die discussies en de
wijze waarop het systeem hier in Nederland gaat werken is vastgelegd in het
bij deze brief gevoegde KPMG-rapport «Een systeem van NO<inf>x</inf>-emissiehandel
voor stationaire bronnen van de industrie», oktober 2000 (bijlage I)<voetref refid="v4.1" nr="1"></voetref>. Mede door de positieve ervaringen in Los Angeles is
ook breed binnen de industrie het vertrouwen gegroeid dat het systeem van
emissiehandel, zoals dat thans wordt voorgesteld, aan de gestelde doelen zal
voldoen. De lange weg die moest worden afgelegd om die duidelijkheid over
de verschillende onderdelen te krijgen alsmede het creëren van vertrouwen
tussen partijen dat het systeem van emissiehandel in de praktijk kan werken,
heeft er wel toe geleid dat de daadwerkelijke invoering van het systeem naar
verwachting twee jaar later gaat plaatsvinden dan aanvankelijk voorgenomen,
namelijk in 2003. Ook dat jaartal moet echter nog als ambitieus worden aangemerkt.
De komende jaren moet namelijk op het terrein van wetgeving, emissiemonitoring,
registratie en het opzetten van organisaties die de emissiehandel mogelijk
moeten maken, nog veel werk worden verzet. De wetgeving en de daarmee samenhangende
werkzaamheden vergen lange doorlooptijden, hetgeen ertoe leidt dat een fikse
inspanning zal moeten worden geleverd om het systeem in 2003 daadwerkelijk
operationeel te krijgen. Op al deze punten zal onderstaand nader worden ingegaan.</al>
      <tuskop letat="vet">Taakstelling</tuskop>
      <al>Parallel aan de ontwikkeling van het systeem van emissiehandel is een
onderzoek verricht naar het noodzakelijke niveau van de verzuringsdoelstellingen
op de kortere (2010) en de langere termijn. In het NMP-4 zal daarover mededeling
worden gedaan. Zoals in het begin van deze brief reeds is aangegeven, heeft
in internationale kaders een beleidsdiscussie plaatsgevonden over het vaststellen
van nationale emissieplafonds, waaronder die van NO<inf>x</inf>. Uitgangspunt
voor de taakstellingen van de SO<inf>2</inf>-, NO<inf>x</inf>- en VOS-emissies
voor de Nederlandse industrie zijn de nationale emissieplafonds voor 2010
die zijn afgesproken in die internationale kaders (het UN-ECE-protocol en
de ontwerp-NEC-richtlijn). Voor de bedrijven die straks onder de systematiek
van emissiehandel zullen vallen, geldt voor 2010 een NO<inf>x</inf>-taakstelling
van 55 kton. Deze taakstelling moet worden gezien als het aandeel van de grotere
industriële bedrijven in het nationale emissieplafond voor 2010 van 260
kton, waarmee aan de verplichtingen in het kader van UN-ECE en de de ontwerp-NEC-richtlijn
kan worden voldaan. Onderstaand overzicht geeft een beeld van de taakstelling
voor deze grotere bedrijven in relatie tot de taakstelling voor de andere
categorieën van emittenten tezamen met de veiligheidsmarge die ik het
kabinet zal voorstellen aan te houden om te kunnen voldoen aan de internationale
verplichtingen. Om inzicht te geven in de beoordeling van de zwaarte van de
inspanning die de industrie moet verrichten, treft u in het overzicht tevens
de emissiegegevens aan over 1995, omdat dat het referentiejaar is voor het
systeem van emissiehandel en het jaar waarop de verschillende
kostenberekeningen in relatie tot de prestatienormen betrekking hebben. De
afspraak met de industrie houdt een emissiereductie in van 54% ten opzichte
van het emissieniveau in 1995. Vergeleken met de emissies in 1980 betekent
de afgesproken taakstelling in 2010 een reductie van ca. 70%. </al>
      <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
        <tgroup align="left" charoff="75" cols="3" tgroupstyle="sdu1">
          <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="37.5mm"></colspec>
          <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="37.5mm"></colspec>
          <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="37.5mm"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">NO<inf>x</inf>-emissieniveau's in kton</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">Emissies 2010</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">Emissies in 1995</entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">
                <nadruk type="vet">Grotere industriële inrichtingen in systeem
van emissiehandel</nadruk>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">
                <nadruk type="vet">55</nadruk>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">
                <nadruk type="vet">120</nadruk>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">Kleinere industriële inrichtingen</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">10</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">20 </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">
                <nadruk type="vet">Totaal industrie</nadruk>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">
                <nadruk type="vet">65</nadruk>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">
                <nadruk type="vet">140</nadruk>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">Verkeer en Overige Bronnen</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">166</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">350 </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">
                <nadruk type="vet">Totale emissie</nadruk>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">
                <nadruk type="vet">231</nadruk>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">
                <nadruk type="vet">490</nadruk>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">
                <nadruk type="vet">Internationale resultaatsverplichting in kader
van UN-ECE en EU</nadruk>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">
                <nadruk type="vet">260</nadruk>
              </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij het overleg in december vorig jaar met VNO-NCW en een aantal daarbij
aangesloten bedrijven en branche-organisaties stond de vraag centraal, van
welke taakstelling voor de industrie diende te worden uitgegaan, en op welke
wijze zekergesteld zou kunnen worden dat die taakstelling ook gerealiseerd
zou worden. Aangezien wordt uitgegaan van prestatienormen per inrichting die
geformuleerd worden in gram NO<inf>x</inf> per GJ (en voor enkele specifiek
benoemde processen in kg NO<inf>x</inf> per ton product), is sprake van een
directe koppeling van de totale emissie aan het totale energieverbruik dan
wel de productieomvang van die beoogde processen. Om de taakstelling te kunnen
halen zal bij het vaststellen van de prestatienormen een inschatting worden
gemaakt van de economische groei. Een hogere economische groei dan verondersteld
bij het vaststellen van de prestatienormen, zal ertoe kunnen leiden dat er
meer energie wordt gebruikt dan is verondersteld, en dus ook dat er meer dan
de afgesproken taakstelling wordt geëmitteerd. Een belangrijk discussiepunt
met de industrie was dan ook hoe om te gaan met onzekerheden die gepaard gaan
met het maken van veronderstellingen over het energieverbruik in 2010. Om
er zeker van te zijn dat ook in die situatie in 2010 de taakstelling zal worden
gehaald zonder dat op voorhand een onnodig scherpe norm wordt opgelegd, zal
in 2006 een evaluatie plaatsvinden van de ontwikkeling tot dan toe. De evaluatie
wordt gekoppeld aan een voorziening in het systeem waarbij het mogelijk wordt
gemaakt de prestatienormen na die evaluatie in 2006 binnen een bepaalde marge
(maximaal 20%) aan te scherpen. Daartoe zullen de prestatienormen in de periode
2007–2010 bestaan uit een vast en een variabel deel, waarbij het variabele
deel bij een tegenvallende ontwikkeling van de NO<inf>x</inf>-emissies kan
worden verminderd. Zodra bijvoorbeeld uit de evaluatie in 2006 blijkt dat
het nodig is voor de jaren 2007–2010 een vermindering van 50% op het
variabele deel van de prestatienormen toe te passen, worden de aldus aangepaste
prestatienormen voor die periode in hun geheel «vast». In de regelgeving
zal derhalve worden vastgelegd dat de prestatienormen voor de periode van
2007 tot 2010 op grond van de evaluatie in 2006 binnen die marge van 20% kunnen
worden aangescherpt. In het handelssysteem zal hiermee worden omgegaan door
gebruik te maken van zogenaamde primaire «NO<inf>x</inf>-credits»,
voor het vaste deel in de prestatienormen 2007–2010, en secundaire «NO<inf>x</inf>-credits», voor het variabele deel in die prestatienormen. Hierdoor
worden bedrijven in staat gesteld om vóór 2006 de risico's van
een mogelijk hoger energieverbruik en vervolgens een waardevermindering na
2006 van de secundaire «NO<inf>x</inf>-credits» af te dekken.
De bandbreedte voor aanscherping van de prestatienorm in 2010 van 50 g NO<inf>x</inf> per GJ bedraagt 20% ofwel 10 g/GJ. Door de marge voor bijstelling
te expliciteren, wordt zekerheid geboden over de ruimte die er bestaat voor aanpassingen. De hoofdlijnen van hetgeen met de industrie is overeengekomen
zijn vastgelegd in de bij deze brief gevoegde notitie (bijlage II)<voetref refid="v6.1" nr="1"></voetref>, waarin ook is aangegeven op welke wijze zal worden omgegaan
met de risico's en de onzekerheden die nu eenmaal gepaard gaan met het inschatten
van toekomstige ontwikkelingen. Een lager energieverbruik dan voorzien zal
echter niet leiden tot een versoepeling van de prestatienormen. De evaluatie
van de ontwikkeling naar 2010 wordt in 2006 gemaakt aan de hand van een tevoren
afgesproken criterium dat wordt gekoppeld aan de prestatienormen in het traject
2003–2006 en de prestatienormen 2007–2010, gecombineerd met de
verwachtingen van het energieverbruik in die jaren. Met uitzondering van de
norm in 2010 liggen de prestatienormen nu evenwel nog niet vast. De komende
maanden zal nadere invulling worden gegeven aan de trapsgewijze aanscherpingen
van de prestatienormen in de periode tot 2010. Daarbij zullen ook de resultaten
worden betrokken van een omvangrijke simulatie van NO<inf>x</inf>-emissiehandel
die op 6 en 7 februari 2001 is gehouden (zie hierna).</al>
      <tuskop letat="vet">Wetgeving</tuskop>
      <al>Het afgelopen anderhalf jaar is nader onderzocht hoe het systeem van NO<inf>x</inf>-emissiehandel juridisch kan worden vormgegeven. In juni 1999 werd
nog gedacht aan een systeem waarbij voor alle inrichtingen een uniforme eis
zou gelden waarbij echter de inrichtingen die in kostenverevening zouden willen
deelnemen, zouden toetreden tot een convenant en voor alle tot het convenant
toegetreden inrichtingen de inrichtingseis als een gezamenlijke eis zou gelden.
Inmiddels is de gedachte van een convenant verlaten. In de nu gekozen systematiek
is de prestatienorm een wettelijke norm, vastgelegd in een nieuw op te stellen
algemene maatregel van bestuur (amvb), die van toepassing is op alle inrichtingen
met een opgesteld vermogen van 20 MWth of meer of, in het geval van procesemissies,
op inrichtingen met een NO<inf>x</inf>-emissie in 1995 van 50 ton of meer.
De inrichting kan aan de prestatienorm voldoen door hetzij zelf maatregelen
te nemen en daarmee de emissie te verlagen tot op het niveau van de norm,
hetzij «NO<inf>x</inf>-credits» te kopen dan wel door een combinatie
van deze twee opties. Een bedrijf kan echter niet enkel door het kopen van
«NO<inf>x</inf>-credits» aan zijn milieuverplichtingen voldoen:
in ieder geval zal door te nemen of in het verleden reeds genomen fysieke
maatregelen in het eigen bedrijf aan de Europese emissie-eisen per installatie
moeten worden voldaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een systeem van emissiehandel voor industriële emissies vergt een
geheel nieuwe aanpak. In dit verband is de vraag gerezen of de systematiek
van prestatienormen en genormeerde jaarvrachten met de mogelijkheid om per
inrichting de van de prestatienorm afgeleide emissieruimten te verkopen of
emissietekorten te kopen, verenigbaar is met de Wet milieubeheer (Wm). Zie
in dit verband ook mijn opmerking in de eerder genoemde brief van 2 juni 1999.
Om op dit punt duidelijkheid te verkrijgen, heb ik op basis van artikel 18,
tweede lid, van de Wet op de Raad van State een verzoek om voorlichting gedaan.
Op 21 augustus 2000 heb ik de Raad van State (hierna: de Raad) schriftelijk
om die voorlichting gevraagd. Bijgevoegd (bijlage III<voetref refid="v6.1" nr="1"></voetref> , treft u een afschrift aan van mijn verzoek d.d. 21 augustus 2000,
kenmerk: MJZ2000083657. Op 26 oktober heeft de Voorzitter van de Raad mij
schriftelijk de door afdeling V van de Raad vastgestelde voorlichting aangeboden.
Een afschrift van dat antwoord treft u bij deze brief aan (d.d. 31 oktober
2000, kenmerk: W08.00.0396/V/A; zie bijlage IV)<voetref refid="v6.1" nr="1"></voetref>.</al>
      <al>De Raad onderkent dat een systeem van min of meer verhandelbare rechten
behulpzaam kan zijn bij het nakomen van internationale verplichtingen. Tegelijkertijd
concludeert de Raad dat het voorgestelde systeem van NO<inf>x</inf>-emissiehandel
niet door middel van een amvb op basis van de huidige Wm kan worden
gerealiseerd. Er is naar het oordeel van de Raad sprake van een structurele
incompatibiliteit tussen de opzet van de Wm en stelsels van verhandelbare
rechten. Daarom acht de Raad een eigen regeling bij wet noodzakelijk.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De voorlichting van de Raad geeft mij aanleiding tot het maken van de
volgende opmerkingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Raad lijkt niet op alle punten uit te gaan van juiste veronderstellingen
over de opzet en werking van het systeem. Zo neemt de Raad ten onrechte aan
dat sprake is van een (open) systeem met een nationaal quotum dat «vrij»
onder de bedrijven wordt verdeeld. De Raad bespreekt de systematiek van emissiehandel
waarbij wordt gerefereerd aan «open» en «gesloten»
systemen, en merkt daarbij op dat het niet goed duidelijk is tot welke van
de twee systemen het nu voor NO<inf>x</inf> voorgestelde systeem behoort.
Uit hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt, blijkt dat dit systeem noch volledig
«gesloten» is, noch volledig als «open» is aan te
merken, maar binnen die context is te zien als een half-open of half-gesloten
systeem. Het voorgaande doet overigens niet af aan de kernconclusie dat het
systeem niet past binnen de kaders van de huidige Wm.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Volgens de Raad moet een stelsel van verhandelbare rechten, om tot een
markt en prijsvorming te komen, twee wezenlijke kenmerken vertonen: a. het
totaal aan rechten moet zijn afgebakend (schaarste) en b. de rechten moeten
deelbaar en binnen de hele markt verplaatsbaar zijn. De Raad betwijfelt of
in het systeem van NO<inf>x</inf>-emissiehandel sprake is van een voldoende
afbakening. Naar mijn mening is er wel degelijk die benodigde afbakening:
a) direct via de taakstelling voor het geheel van de inrichtingen: de totale
emissie van de betrokken inrichtingen wordt door het gebruik van prestatienormen
en emissiehandel gereduceerd van ca. 120 kton in 1995 tot 55 kton in 2010;
b) indirect – via de prestatienorm – waarbij jaarlijks de totale
emissie per inrichting via het brandstofverbruik wordt gelimiteerd, en c)
door de van jaar tot jaar dalende prestatienormen waardoor per inrichting
stapsgewijs verdere reducties worden afgedwongen. Uit studies is inmiddels
gebleken dat aan de eis van verplaatsbaarheid in voldoende mate wordt voldaan
om marktwerking mogelijk te maken, maar de emissies kunnen niet <nadruk type="cur">ongelimiteerd</nadruk> verplaatst worden. Ook in het systeem van emissiehandel
moeten individuele installaties blijven voldoen aan de eisen uit de LCPrichtlijn
[Richtlijn 88/609/EEG inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende
stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (Pb EG L 336)] en aan de
eisen die voortvloeien uit de IPPC-richtlijn [Richtlijn 96/61/EG inzake de
geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (Pb EG L 257)].
Ook de eisen inzake lokale luchtkwaliteit verhinderen dat de totale uitstoot
op één plaats plaatsvindt. Op basis van de huidige praktijk
mag verwacht worden dat, gezien onder meer de vigerende grenswaarden en de
verspreiding van de emissies vanuit de inrichting, het bevoegd gezag zich
slechts in zeer uitzonderlijke situaties genoodzaakt zal zien extra maatregelen
bij de inrichting te eisen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Wm berust volgens de Raad op uitgangspunten die diametraal tegenovergesteld
zijn aan eerdergenoemde wezenskenmerken van een goed functionerend stelsel
van verhandelbare rechten. De Wm strekt volgens de Raad niet rechtstreeks
tot het beperken van emissies. Voorts biedt de Wm bij uitstek geen basis voor
een systeem van verplaatsbare vervuiling, gezien het plaatsgebonden inrichtingenbegrip.
De voorlichting van de Raad is voor mij reden om de Wm zodanig aan te passen
dat deze wet het verhandelen van emissies (waaronder NO<inf>x</inf>) voor
de toekomst mogelijk maakt. Bij voorkeur dient deze wijziging deel uit te
maken van een verder reikend wetsvoorstel dat beoogt de Wm op verschillende
plaatsen aan nieuw opgekomen ontwikkelingen aan te passen conform
daartoe strekkende voorstellen, opgenomen in de door mij binnenkort aan u
toe te zenden Nota Toekomst Milieuwetgeving. Mocht evenwel de termijn van
2003 in gevaar komen, dan zal alsnog tot een meer beperkte wijziging van de
wet worden besloten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De instelling van een organisatie onder mijn verantwoordelijkheid (een
zelfstandig bestuursorgaan) die belast zal worden met de uitvoering van het
betreffende besluit en het toezicht op de naleving van de prestatienormen
zal eveneens bij wet moeten plaatsvinden. Deze Emissie Autoriteit zal daartoe
ook met de benodigde instrumenten tot handhaving worden uitgerust. Hierbij
wordt onder meer gedacht aan het opleggen van boetes. De Emissie Autoriteit
zal erop toezien dat bedrijven aan het eind van het budgetjaar (zie hierna)
een emissierapport overleggen waarin bedrijven rapporteren op welke wijze
aan de wettelijke prestatienorm is voldaan: ofwel doordat NO<inf>x</inf>-reducerende
maatregelen zijn genomen in het eigen bedrijf, ofwel door het kopen van bij
een ander bedrijf gerealiseerde NO<inf>x</inf>-emissiereducties, danwel door
een combinatie van beide opties. In het emissierapport zullen bedrijven daartoe
de totale normvracht voor de inrichting dienen te rapporteren op basis van
de wettelijke prestatienorm en het feitelijke energieverbruik dan wel de feitelijke
productie. Vervolgens dient in het emissierapport de totale normvracht te
worden vergeleken met de feitelijke NO<inf>x</inf>-emissie in de betrokken
periode, gecorrigeerd voor de gekochte dan wel de verkochte hoeveelheden NO<inf>x</inf>-reducties. De Emissie Autoriteit ziet erop toe dat de rapportage aan
de gestelde eisen voldoet en neemt zonodig sanctionerende maatregelen.</al>
      <al>Het zal duidelijk zijn dat het formuleren van de wijziging van de Wm,
het opstellen van de amvb en de instelling van een zelfstandig bestuursorgaan
een ambitieus wetgevingsprogramma inhoudt, dat alleen met medewerking van
alle betrokkenen tot het gewenste en tijdige resultaat kan leiden. Een belangrijk
punt daarbij is de relatie met de Europese regelgeving, en in het bijzonder
de LCP-richtlijn alsmede de aanstaande wijziging daarvan, en de IPPC-richtlijn.
Beoogd wordt in de nieuwe amvb de eisen per installatie uit de LCP-richtlijn
als minimum-eisen op te nemen. Voor wat betreft de uitwerking van de BAT-eisen
(Best Available Techniques) ingevolge de IPPC-richtlijn streef ik ernaar om –
analoog aan de LCP-richtlijn – het instrument amvb in te zetten. Daarmee
zou recht worden gedaan aan het bepaalde in beide richtlijnen zonder dat de
systematiek van prestatienormen zou worden aangetast. Met de Europese Commissie
zal contact worden gezocht om over deze voornemens overleg te voeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er zal een duidelijke scheiding worden aangebracht tussen enerzijds de
verantwoordelijkheid van de op te richten Emissie Autoriteit die belast zal
worden met de uitvoering van de amvb en het toezicht op de naleving van de
prestatienormen, en anderzijds het continueren van de verantwoordelijkheden
van de provincies/gemeenten in het kader van de Wm. Dit laatste betreft dan
zowel het toezicht op de naleving van de hiervoor genoemde minimum-installatie-eisen
op grond van de Europese regelgeving als van de luchtkwaliteitseisen. Over
de precieze invulling daarvan zal nog nader overleg met IPO/VNG plaatsvinden.
Mijn streven is een maximale effectieve samenwerking tussen deze instanties
te bewerkstelligen.</al>
      <tuskop letat="vet">Monitoring</tuskop>
      <al>Een belangrijk element in het geheel van prestatienormen en emissiehandel
is het op een juiste wijze vaststellen van de NO<inf>x</inf>-emissies, het
eenduidig vastleggen daarvan en het rapporteren van die feitelijke emissies
aan de Emissie Autoriteit die met de uitvoering van de amvb en het toezicht
op de naleving van de prestatienormen is belast. In principe komen
daarvoor twee benaderingen in aanmerking. De ene benadering is dat in een
protocol voor alle in aanmerking komende installaties en processen precies
en gedetailleerd wordt vastgelegd hoe de monitoring van de NO<inf>x</inf>-emissies
dient te geschieden, en in detail voor al die installaties wordt vastgelegd
met welke nauwkeurigheid die monitoring dient plaats te vinden, welke apparatuur
in aanmerking komt en hoe die apparatuur moet worden onderhouden. In het Reclaim-programma
in Californië is voor die benadering gekozen. Het heeft daar geleid tot
een omvangrijk protocol met gedetailleerde voorschriften ten aanzien van apparatuur
en procedures. Deze aanpak gaat ook gepaard met relatief hoge kosten voor
de bedrijven. De andere aanpak, waarnaar nu de voorkeur uitgaat en die ook
beter past in een systeem waarbij emissies verhandelbaar zijn, is dat bedrijven
zelf een monitoringsprotocol voor de eigen inrichting opstellen en dat in
de systematiek van het bepalen van de emissies een financiële prikkel
wordt ingebouwd om de emissies nauwkeurig en betrouwbaar te meten en te rapporteren.
Bij deze aanpak hoort dat bepaalde minimum-eisen ten aanzien van de nauwkeurigheid
van meten worden vastgesteld, die in ieder geval op het Europese niveau komen
te liggen, maar waarbij bedrijven daarnaast zelf aangeven of, en zo ja, met
welke additionele nauwkeurigheid binnen de eigen inrichting zal worden gemeten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De monitoringsprotocollen die bedrijven hanteren dienen door de Emissie
Autoriteit te worden goedgekeurd. De verificatie van de jaarlijkse gegevens
zal een essentieel onderdeel zijn van de systematiek van emissiemonitoring.
Deels zal die verificatie intern door de inrichting (kunnen) worden uitgevoerd,
maar externe verificatie zal mede onderdeel uitmaken van het verificatieproces.
De komende maanden zullen de contouren van de monitoring in het kader van
NO<inf>x</inf>-emissiehandel nader worden ingevuld, en zal ook een aantal
experimenten worden opgezet om ervaring op te doen met monitoring binnen de
randvoorwaarden die thans worden voorzien. Beoogd wordt duidelijke voorwaarden
te formuleren terzake van de NO<inf>x</inf>-emissiemonitoring, en die voorwaarden
in regelgeving vast te leggen. Dat houdt in duidelijke sancties bij onjuiste
opgaven of bij niet-nakoming van de betreffende regelgeving, zodat in de praktijk
nakoming van de verplichtingen zoveel mogelijk wordt veiliggesteld, en door
strenge handhaving niet-nakoming ook financieel zeer onaantrekkelijk wordt
gemaakt.</al>
      <tuskop letat="vet">Handel in emissies</tuskop>
      <al>Een essentieel onderdeel van de voorgestelde systematiek is dat bedrijven
onderling de tekorten en overschotten kunnen verhandelen die ontstaan door
het verschil tussen de feitelijke emissievracht in een jaar en de voor het
betrokken jaar van toepassing zijnde normvracht. De elementen die voor deze
onderlinge emissiehandel van belang zijn, zijn neergelegd in een tweetal rapporten<voetref refid="v9.1" nr="1"></voetref> die het resultaat zijn van de discussies tussen overheden
en bedrijfsleven, en voor een ander deel zijn vorm gegeven aan de hand van
de ervaringen die in het Reclaim-programma in Californië zijn opgedaan.
Als onderdeel van het contract met mijn ministerie heeft ACE een rapport<voetref refid="v9.2" nr="2"></voetref> opgesteld waarin een vergelijking is gemaakt van de opzet
van het Reclaim-programma en de aanpak die hier in Nederland is gekozen. Onlangs
is ook Fase II<voetref refid="v9.3" nr="3"></voetref> van het project afgerond. Daarnaast
zijn door ACE enkele nieuwe ideeën aangedragen die in de voor Nederland
voorgestelde aanpak zijn verwerkt. In het Nederlandse systeem worden de volgende
elementen onderscheiden:</al>
      <al>• Er wordt uitgegaan van twee «budgetperioden». Voor
de Cyclus I bedrijven loopt de budgetperiode van 1 januari t/m 31 december,
en voor Cyclus II bedrijven loopt de budgetperiode van 1 juli t/m 30 juni
van het volgend jaar. Alle industriële inrichtingen waarop de nieuwe
amvb inzake de beperking van de NO<inf>x</inf>-emissies van toepassing is, worden ondergebracht in één van deze twee cycli, waarbij
er tussen Cyclus I en Cyclus II bedrijven zoveel mogelijk een balans wordt
gezocht voor wat betreft het aantal en de soort van bedrijven en hun totale
emissie;</al>
      <al>• Bedrijven uit Cyclus I moeten in een periode van twee maanden direct
na het eind van hun budgetperiode, d.w.z. in de periode januari-februari,
hun emissierapportage opstellen. Zij kunnen in deze periode dan eventuele <nadruk type="cur">overschotten</nadruk> in emissies uit de juist beëindigde
budgetperiode aan andere Cyclus I bedrijven verkopen, maar zij zijn verplicht
eventuele emissie<nadruk type="cur">tekorten</nadruk> in de vorm van «NO<inf>x</inf>-credits» alsnog bij te kopen van andere bedrijven die emissieruimte
voor verkoop beschikbaar hebben. Aan het eind van de budgetperiode zitten
de Cyclus I bedrijven derhalve in een koop- of verkoopdwangpositie, doordat
ze in het geval van een tekort dat tekort in de periode van deze twee maanden
alsnog moeten aanvullen, dan wel in het geval van een overschot dat zullen
willen verkopen omdat na die twee maanden het eventuele emissie-overschot
zijn waarde verliest en dus ook niet meer gebruikt kan worden voor een consolidatie
van de emissieboekhouding en aanvulling van emissietekorten elders. Cyclus
I bedrijven kunnen echter wel NO<inf>x</inf>-credits kopen van bedrijven uit
Cyclus II, voorzover die bereid zijn deze «NO<inf>x</inf>-credits»
te verkopen. In de maanden juli en augustus daarop volgend moeten echter de
Cyclus II bedrijven hun emissiejaarraport opstellen en hun emissies op orde
brengen met hetgeen men volgens de norm, gesaldeerd met verkochte of aangekochte
credits, had mogen emitteren (zie voor details bijlage I). Het grote voordeel
van deze aanpak is dat er aan het eind van elke budgetperiode steeds één
categorie van bedrijven is die niet in een positie verkeert van koop- of verkoopdwang,
waardoor deze bedrijven «NO<inf>x</inf>-credits» kunnen verkopen
aan bedrijven uit de andere cyclus of «NO<inf>x</inf>-credits»
kunnen kopen. Daarmee worden prijsfluctuaties die het directe gevolg zijn
van deze koop- of verkoopdwang voorkomen of afgevlakt. Overigens zullen naar
verwachting de bedrijven deze transacties aan het einde van een budgetperiode
alleen benutten voor het verwerken van kleinere overschotten en tekorten.
Bedrijven zullen er de voorkeur aan geven om hun grotere overschot- en tekortposities
op langere termijn af te dekken via lange termijn koop- en verkooptransacties.
Ook daardoor worden de prijsfluctuaties afgevlakt;</al>
      <al>• De handel door bedrijven kan plaatsvinden direct tussen twee bedrijven,
al dan niet met tussenkomst van makelaars of andere bemiddeling. Het staat
bedrijven derhalve vrij om zelf een keuze te maken uit de daartoe beschikbare
diensten van derden, mits de koop/verkooptransacties worden geregistreerd
conform de daartoe opgestelde vormvereisten en procedures. In Californië
vindt het merendeel van deze transacties plaats via een «centraal»
handelsplatform dat door ACE wordt bedreven, en dat daartoe ook nauwe contacten
onderhoudt met de lokale overheid (SCAQMD)<voetref refid="v10.1" nr="1"></voetref>.
Gepoogd wordt om hier in Nederland een soortgelijk «centraal»
handelsplatform in het leven te roepen, waarbij bedrijven via een elektronisch
biedsysteem hun wensen ten aanzien van koop en/of verkoop van «NO<inf>x</inf>-credits» kenbaar maken, en waarbij een brede variëteit
aan koop- en verkoophandelstransacties mogelijk is. Vanuit het bedrijfsleven
bestaat interesse om zo'n handelsplatform ook hier op te zetten. Op korte
termijn zal daarom een studie worden uitgevoerd om de mogelijkheden daartoe
te verkennen en te bezien welke partijen aan zo'n handelsplatform willen deelnemen,
welke organisatievorm voor het handelsplatform het meest geschikt is in de
Nederlandse situatie en wanneer met de feitelijke handel een start gemaakt
zou kunnen worden;</al>
      <al>• Bij deze verkenning is ook van belang te bezien hoe de relaties
zullen moeten zijn tussen enerzijds het bedrijf, het handelsplatform en de
financiële zekerheidstelling die bij het verhandelen van emissies aan de orde is, in samenhang met het eenduidig en betrouwbaar registreren
van de verhandelde «NO<inf>x</inf>-credits» door een Registratiebureau,
en anderzijds de relatie met en het functioneren van de eerder genoemde Emissie
Autoriteit die toeziet op de naleving van de nieuwe amvb inzake de NO<inf>x</inf>-emissies. Hierbij wordt geprobeerd tussen de verschillende functies
en taken duidelijke scheidingen aan te brengen, en de relaties en taken van
elk van de partijen zo eenduidig mogelijk te doen zijn. Onderstaand schema
kan een en ander verduidelijken. Voor een uitgebreide toelichting zij verwezen
naar het eerder genoemde KPMG-rapport «Een systeem van NO<inf>x</inf>-emissiehandel
voor stationaire bronnen van de industrie» (zie bijlage I).<plaatje file="kst-26578-3-1.gif" color="no" format="gif"></plaatje><plaatje file="kst-26578-3-2.gif" color="no" format="gif"></plaatje></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals hierboven aangegeven kan een gecentraliseerde «uitruil»
van aanbod en vraag naar «NO<inf>x</inf>-credits», zoals die in
Californië functioneert, in de Nederlandse situatie een goede optie zijn.
Het opzetten van zo'n handelsorganisatie is echter geen taak voor de overheid.
Dat neemt evenwel niet weg dat de overheid er wel belang bij heeft dat er
vanuit het bedrijfsleven initiatieven worden ontplooid om een gecentraliseerde,
elektronische emissiehandel op te zetten, vooral ook omdat de efficiënte
handel in «NO<inf>x</inf>-credits» een bijdrage levert aan het
kosteneffectief realiseren van de beoogde NO<inf>x</inf>-reducties, en dus
aan het realiseren van de taakstelling. Tegen die achtergrond vinden gesprekken
plaats met VNO-NCW en individuele bedrijven om die initiatieven te laten ontstaan.
De eerder genoemde studie die op korte termijn zal worden uitgevoerd beoogt
de opties en mogelijke varianten voor zo'n handelsplatform in kaart te brengen.
Deze studie is erop gericht te verkennen onder welke voorwaarden zo'n handelsplatform
kan functioneren welke partijen er belang in zien om zo'n handelsorganisatie
te financieren, hoe de elektronische afwikkeling en registratie
van handelstransacties kan plaatsvinden, alsmede welke zekerheidstelling en
garanties daarbij nodig zijn.</al>
      <tuskop letat="vet">Simulatie</tuskop>
      <al>Handel in emissies en «NO<inf>x</inf>-credits» is een nieuw
fenomeen in Nederland en in Europa. Weliswaar wordt inmiddels druk gesproken
over het verhandelen van emissies, en dan wordt met name gedoeld op het verhandelen
van CO<inf>2</inf>-emissies, maar met NO<inf>x</inf> bestaat in Europa nog
geen ervaring. Bedrijven zijn nog niet vertrouwd met de mogelijkheden die
het verhandelen van emissies biedt bij het maken van investeringsbeslissingen.
Ook ontbreekt inzicht in de consequenties die koop en/of verkoop van «NO<inf>x</inf>-credits» kan hebben op die beslissingen en op het besluitvormingsproces.
Daarom heeft mijn ministerie in overleg met het bedrijfsleven het initiatief
genomen tot een omvangrijke simulatie van NO<inf>x</inf>-emissiehandel. Doel
van de simulatie is drieledig:</al>
      <al>• bedrijven vertrouwd te maken met een toekomstige situatie waarbij
per inrichting prestatienormen gelden die fors lager zijn dan de huidige emissieniveaus
van inrichtingen, maar waarbij men wel de mogelijkheid heeft om emissies te
verhandelen, en men in staat wordt gesteld om voor de eigen inrichting de
meest kosteneffectieve oplossingen te kiezen;</al>
      <al>• bedrijven vertrouwd te maken met emissiehandel als instrument om
intern de juiste afweging te maken tussen investeren in eigen maatregelen
dan wel «emissie-credits» te kopen en daarmee financieel te participeren
in reducties die elders gerealiseerd zijn of worden, en de interne besluitvormingsprocedures
daarop aan te passen;</al>
      <al>• de overheidsdeelnemers vertrouwd te maken met de organisatiestructuren
die bij emissiehandel aan de orde zijn alsmede de informatiestromen en procedures
die tussen die organisaties tot stand gebracht moeten worden, en te bezien
wat de kritische elementen zijn in de nieuwe aanpak.</al>
      <al>Aan de simulatie, die op 6 en 7 februari 2001 heeft plaatsgevonden, hebben
35 teams vanuit individuele bedrijven en 12 teams vanuit verschillende overheids-
en andere organisaties deelgenomen. Van de simulatie zal een verslag worden
uitgebracht en er zullen zo nodig lessen uit worden getrokken voor de verdere
besluitvorming rond emissiehandel.</al>
      <tuskop letat="vet">Het verdere traject naar invoering</tuskop>
      <al>De komende 2 jaar zal nog een groot aantal beslissingen genomen moeten
worden vooraleer de wetgeving van kracht zal zijn en de bedrijven zich in
de praktijk van alle dag zullen moeten gaan houden aan hetgeen in de nieuwe
systematiek van prestatienormen en het kopen en/of verkopen van «NO<inf>x</inf>-credits» zal gelden. Om in het traject van wetgeving de diverse
nu nog openstaande mogelijkheden, varianten en keuzen ten aanzien van organisatievormen,
taken en mogelijke verantwoordingsprocedures goed in kaart te brengen en zo
het complexe keuzeproces te vergemakkelijken zullen diverse studies worden
uitgezet. Ook voor het opzetten van een goede emissiemonitoring in het kader
van NO<inf>x</inf>-emissiehandel en voor het opstellen door de bedrijven van
monitoringsprotocollen van het gewenste kwalitatieve niveau zullen in samenwerking
met provincies en bedrijfsleven experimenten worden opgezet die zullen worden
vastgelegd in rapporten waaruit dan weer andere bedrijven lering kunnen trekken
voor de eigen monitoringsprotollen. Voorzover zulks uit de evaluatie van de
simulatie nodig en/of nuttig zou blijken te zijn, zal de mogelijkheid worden
geboden voor een vervolgsimulatie zodat bedrijven verder ervaring met emissiehandel
kunnen opdoen.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</functie>
        <naam>J. P. Pronk</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Protocol bij het verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging
over lange afstand, inzake de bestrijding van verzuring, eutrofiëring
en ozon op leefniveau.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v6.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v9.1" nr="1">
    <al>
      <nadruk type="cur">Het uitruilmodel</nadruk>: «Een kansrijke variant
voor kostenverevening als instrument bij de bestrijding van NO<inf>x</inf>-emissies
van stationaire bronnen», opgesteld door de Overleggroep Kostenverevening
Chemische Industrie, januari 1999. <nadruk type="cur">Een systeem</nadruk>
van NO<inf>x</inf>-emissiehandel voor stationaire bronnen van de industrie,
opgesteld door de Werkgroep NO<inf>x</inf>-Emissiehandel, oktober 2000.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v9.2" nr="2">
    <al>Phase I Final Report on the Netherlands NO<inf>x</inf> Trading Program,
submitted to the Ministry of VROM and the Industry Working Group, July 20,
2000 by Automated Credit Exchange (ACE), Pasadena, California.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v9.3" nr="3">
    <al>Phase 2 Netherlands NO<inf>x</inf> Trading Program, Consultancy Report,
submitted January 2001.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v10.1" nr="1">
    <al>South Coast Air Quality Management District, Los Angeles, California.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>