﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26578-1/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1998-1999</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.1__2.4" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST35503</ordernr>
    <vergjaar>1998-1999</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 578</nummer>
      <naam>Verhandelbare emissies als instrument in het milieubeleid</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>1</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN
MILIEUBEHEER</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>'s-Gravenhage,  <datum>2 juni 1999</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor het oplossen van milieuvraagstukken worden verschillende instrumenten
ingezet. Het belang van de kosteneffectiviteit daarbij neemt toe naarmate
de kosten van milieumaatregelen hoger worden. Het verhandelbaar maken van
emissies leidt door de benutting van marktwerking tot een meer effectieve
en efficiënte aanpak van milieuvraagstukken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook op andere beleidsterreinen is er een duidelijke tendens naar meer
marktwerking, bijvoorbeeld in de telecommunicatie, spoorwegen, media en energie.
Deze tendens is ook internationaal waarneembaar. Het is voor Nederland met
zijn open economie zowel bestuurlijk als economisch logisch om hierin mee
te gaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Nota milieu en economie staat dat het kabinet met voorstellen zal
komen om de benodigde flexibiliteit in het milieubeleid te creëren. Bovendien
is in het Kyoto protocol in breed internationaal verband afgesproken om nader
invulling te geven aan verhandelbaarheid van broeikasgasemissies.</al>
      <al>Bij de behandeling in de Tweede Kamer van het derde Nationaal Milieubeleidsplan
is een notitie toegezegd waarin een antwoord wordt gegeven op de volgende
vragen:</al>
      <al>– op welke wijze kan het instrument verhandelbare emissierechten
voor de verschillende beleidsthema's een bijdrage leveren aan het opheffen
van de beleidstekorten;</al>
      <al>– hoe kan dit systeem rechtvaardig worden doorgevoerd, en;</al>
      <al>– welke wetswijzigingen zijn in dit verband noodzakelijk?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze brief strekt ertoe om het kader vast te stellen voor de toepassing
van dit instrument in Nederland, waarbij de aandacht wordt gericht op de huidige
beleidstekorten, en aldus de vragen te beantwoorden. Nadat op het belang van
het systeem is ingegaan, wordt een uiteenzetting gegeven over
hetgeen wordt verstaan onder de verschillende begrippen die in dit verband
worden gebruikt en worden de gemeenschappelijke kenmerken beschreven. Vervolgens
worden de mogelijkheden bezien van het inpassen van de systemen in het Nederlandse
en Europese rechtsstelsel. In een volgende paragraaf worden de ervaringen,
die met het instrument zijn opgedaan, in essentie beschreven. Daarna zal worden
aangegeven in welke situaties het verhandelen van emissies kan worden ingezet
in het Nederlandse milieubeleid, in relatie tot het opheffen van de beleidstekorten.
Tenslotte zal in deze brief, in verband met de verwantschap van het onderwerp,
de stand van zaken met betrekking tot de invoering van NO<inf>x</inf>-kostenverevening
worden beschreven. </al>
      <tuskop letat="vet">Belang van het instrument</tuskop>
      <al>Om op een kosteneffectieve wijze het beoogde doel te bereiken kan, door
verplichtingen om milieu-emissies te reduceren verhandelbaar te maken, gebruik
gemaakt worden van de werking van de markt.</al>
      <al>Bovendien wordt de uitvoering van het milieubeleid beter gespreid over
de emittenten dan bij de uitvoering van het milieubeleid op basis van regulering
zonder meer; alle emittenten worden betrokken bij het probleem. Indien uitsluitend
regulering plaatsvindt, bijvoorbeeld door middel van een vergunningenstelsel,
worden de kosten van de milieumaatregelen alleen gedragen door degenen die
deze maatregelen nemen. Daarbij worden slechts die maatregelen genomen die
qua kosteneffectiviteit redelijkerwijs zijn te eisen, ook als daarmee de milieudoelstelling
niet wordt gehaald.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beide factoren dragen ertoe bij dat de haalbaarheid van het bereiken van
milieudoelstellingen wordt vergroot. Dit geldt ook waar het bestaande instrumentarium
in de praktijk tekort schiet. Hierin is het belang van dit instrument gelegen.
Bovendien geeft het instrument een continue prikkel aan technologische ontwikkeling
en innovatie, omdat er een markt wordt gecreëerd om vérdergaande
emissiereducties te gaan verkopen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De VROM-raad geeft in het «Advies Transitie naar een koolstofarme
energiehuishouding» als zijn mening dat wat betreft de emissies die
het klimaat verstoren, thans met voorrang de mogelijkheden van een systeem
van verhandelbare emissies moeten worden onderzocht, daar met de Europese
energieheffing weinig voortgang wordt geboekt. Ik verwijs in dit verband ook
naar de discussie die in 1995 is gevoerd tussen vertegenwoordigers van mijn
ministerie, DCMR namens de provincie Zuid-Holland, de Stichting Natuur en
Milieu en het bedrijfsleven of het verhandelbaar maken van emissies een oplossing
zou kunnen zijn om milieuproblemen op te lossen. Dat heeft geleid tot een
studie door het IPO<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref> naar de kostenvoordelen die
bij SO<inf>2</inf>- en NO<inf>x</inf>-emissiereducties conform de doelstellingen
van het NMP-2 te behalen zouden zijn met drie systemen van flexibele emissieregulering
met oplopende flexibiliteit in vergelijking met regelgeving per installatie.
Die kostenvoordelen bleken in de orde van 30 tot meer dan 50% te zijn. Dat
was voor de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie aanleiding om
te bepleiten om de haalbaarheid van een systeem van NO<inf>x</inf>-kostenverevening
nader te onderzoeken. In het NMP-3 is de beslissing daartoe vastgelegd. In
deze brief zal ik nader ingaan op de uitwerking van het voorstel voor NO<inf>x</inf>-kostenverevening. Overigens zijn vanuit mijn ministerie de afgelopen
jaren ook andere studies uitgevoerd die de conclusie ondersteunen dat kostenvoordelen
behaald kunnen worden ingeval de inspanningen om emissiereducties te realiseren
verhandelbaar gemaakt zouden worden. Ik verwijs ook naar het onlangs in opdracht
van het ministerie van Financiën opgestelde onderzoeksrapport «Market
performance and environmental policy» waarin wordt gesteld dat een systeem
van verhandelbare emissierechten bijvoorbeeld zinvol kan worden
toegepast ingeval van emissies van SO<inf>2</inf>, CO<inf>2</inf>, VOS, NO<inf>x</inf> en zware metalen en daarnaast ter regulering van de grondwateronttrekking
en het aantal voertuigkilometers. </al>
      <tuskop letat="vet">Begrippenkader: verhandelbare emissies als paraplubegrip</tuskop>
      <al>Bij de discussies en het onderzoek dat de afgelopen jaren is uitgevoerd,
wordt een grote verscheidenheid aan concepten en begrippen gehanteerd. Deze
brief strekt er ook toe om daarin duidelijkheid aan te brengen. Daarom wordt
in deze brief verhandelbare emissies als overkoepelend begrip, als paraplubegrip
gehanteerd omdat in de praktijk de term emissierechten aanleiding geeft tot
misverstanden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het doel van de verhandelbaarheid van emissies tussen bedrijven is om
een gegeven milieudoelstelling op een meer kosteneffectieve wijze te realiseren
dan mogelijk is via regulering.</al>
      <al>Uit de internationale discussie over verhandelbare emissies komt naar
voren dat er in feite over een aantal verschillende systemen wordt gesproken,
waarbij twee basisvarianten kunnen worden onderscheiden: verhandelbare emissies
met een plafond en verhandelbare reducties. Beide worden hieronder kort toegelicht. </al>
      <tuskop letat="vet">Verhandelbare emissies met een plafond</tuskop>
      <al>Dit systeem is gebaseerd op een emissieplafond dat (eventueel in een aantal
stappen) wordt vastgesteld om een bepaalde emissiedoelstelling te realiseren.
Het emissieplafond bepaalt de toegestane emissies. Op basis van het emissieplafond
worden de toegestane emissies verdeeld over alle relevante emittenten en deze
mogen onderling worden verhandeld. De verdeling van de toegestane emissies
wordt uitgevoerd door of namens de overheid, telkens voor een bepaalde periode
en geschiedt gratis (op basis van een verdeelsleutel) of tegen betaling (door
middel van een veiling van de toegestane emissies) of via een combinatie van
beide. Er kan gekozen worden voor een initiële verdeling van alle toegestane
emissies of voor het bewust achterhouden van een deel van de toegestane emissies.
Deze kunnen dan bijvoorbeeld later over een aantal jaren te koop worden aangeboden.</al>
      <al>Door handel in de emissies toe te staan ontstaan er keuzemogelijkheden
voor de emittenten in de vorm van het wel of niet nemen van emissiebeperkende
maatregelen en het verkopen of kopen van toegestane emissies. Degenen die
minder emitteren dan de verkregen hoeveelheid toegestane emissies, kunnen
de aldus gecreëerde extra toegestane emissies verkopen aan andere bedrijven
die meer emitteren dan de initieel verkregen toegestane emissies.</al>
      <al>Nieuwe toetreders in het systeem, alsmede emittenten die willen uitbreiden,
moeten altijd een hoeveelheid toegestane emissies verwerven. Dit kan door
in de bestaande markt te kopen of, als bij de opzet van het systeem daarmee
rekening is gehouden, door een deel van de bewust voor dit doel achtergehouden
rechten van de overheid te kopen.</al>
      <al>Bij dit systeem wordt vaak een aantal subbegrippen gebruikt waarvan de
meest relevante zijn: «grandfathering» en «banking».
Onder «grandfathering» wordt verstaan dat de hoeveelheid (gratis)
toegestane emissies wordt verdeeld over de bestaande bedrijven die onder het
plafond vallen, vastgesteld op basis van historische gegevens. «Grandfathering»
is dus een nadere uitwerking van gratis toedelen.</al>
      <al>«Banking» houdt in dat toegestane emissies die niet in een
bepaalde periode worden gebruikt of verkocht, mogen worden gespaard voor een
latere periode. Hiermee wordt de emissiereductie in de tijd naar voren worden
gehaald; nu wat extra reduceren betekent dat later extra geëmitteerd
mag worden. Deze mogelijkheid vergroot de mogelijkheden voor handel tussen
verschillende partijen, waardoor ook de potentiële kostenvoordelen groter
zijn. </al>
      <tuskop letat="vet">Verhandelbare reducties</tuskop>
      <al>In dit systeem wordt voor de deelnemende emittenten eerst een bepaald
basisemissieniveau (bijvoorbeeld de concentratie in de rookgassen of emissie
per brandstofeenheid) gedefinieerd en vervolgens kunnen de emissies beneden
dat niveau worden verhandeld met emittenten die boven dat basisemissieniveau
emitteren. Dit betekent dat in dit systeem dus alleen de onderschrijding van
dat basisemissieniveau voor verhandelbaarheid in aanmerking komt. De overeenkomst
met het systeem van verhandelbare emissie met een plafond is dat men bij dit
systeem ook kan kiezen tussen het treffen van maatregelen of het elders kopen
van emissiereducties, het grote verschil is dat niet elke emissiereductie
kan worden verkocht (of aangekocht): alleen de onderschrijding van het basisemissieniveau
kan worden verhandeld.</al>
      <al>Voor nieuwe toetreders en bestaande emittenten die willen uitbreiden,
geldt dat (indien men onder het basisemissieniveau zit) er geen aankoop van
toegestane emissies plaats hoeft te hebben zoals bij het systeem van verhandelbare
emissies met een plafond.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beide soorten systemen kennen hun eigen uitwerkingen en hun eigen voor-
en nadelen.</al>
      <al>Zo lijken systemen gebaseerd op het verhandelbaar maken van extra gerealiseerde
emissiereducties beter verenigbaar met de bestaande milieuwetgeving. Zowel
de Europese als de Nederlandse regels verplichten tot het nemen van bepaalde
emissiereducerende maatregelen door bedrijven. Door het niveau van de verplichte
maatregelen gelijk te stellen aan het basisemissieniveau treedt geen strijdigheid
op met de bestaande milieuregelgeving. Hiermee wordt echter de mogelijkheid
tot handel, in vergelijking met de vanuit kosteneffectiviteit optimale situatie,
wel beperkt en in extremo zelfs onmogelijk gemaakt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Systemen van verhandelbare emissies met een plafond hebben als voordeel
dat het plafond vastligt. Een probleem van systemen met een plafond is de
initiële verdeling van de toegestane emissies. Het is niet eenvoudig
om de toegestane emissies te verdelen op een manier die door alle partijen
als aanvaardbaar wordt beschouwd. Ook een veiling brengt bezwaren met zich
mee, bijvoorbeeld dat het de deelnemers onmiddellijk met kosten confronteert.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door uit te gaan van een in de toekomst te bereiken basisemissie (zoals
bij verhandelbare reducties) wordt het probleem voorkomen dat de pro-actieve
bedrijven wellicht worden benadeeld ten opzichte van de achterblijvers. Bij
deze systemen moet echter wel het basisemissieniveau duidelijk worden gedefinieerd
en de reducties moeten worden gecertificeerd, zodat wordt zekergesteld dat
alleen reducties onder het basisemissieniveau worden verhandeld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naast deze systemen, die beide algemeen zijn beschreven, bestaan er, ook
in Europees en mondiaal verband, diverse andere systemen en bijbehorende begrippen,
waarbij echter als gemeenschappelijke noemer geldt dat via de markt getracht
wordt om op een zo kosteneffectief mogelijke wijze het doel te bereiken.  </al>
      <tuskop letat="vet">De inpasbaarheid in het Europese en Nederlandse rechtsstelsel</tuskop>
      <al>Wat betreft de juridische inpasbaarheid van het instrument verhandelbare
emissies is vooral de Europese regelgeving van belang. Voor landbouw moet
ook rekening worden gehouden met het gemeenschappelijk landbouwbeleid. De
meest belangrijke Europese milieurichtlijn is de richtlijn inzake Integrated
Pollution and Prevention Control, de zogenaamde IPPC-richtlijn. Deze richtlijn
van 1994 is in Nederland vooral geïmplementeerd in de Wet milieubeheer
en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De richtlijn eist onder meer
integrale vergunningverlening voor grotere inrichtingen (in Nederland zijn
dit met name de inrichtingen, waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegde gezag
zijn), waarbij als uitgangspunt geldt dat per bedrijf die maatregelen worden
getroffen die de grootst mogelijke bescherming bieden voor het milieu, tenzij
dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd (alarabeginsel: as low as reasonable
achievable). In de richtlijn wordt er van uitgegaan dat op inrichtingenniveau
de «best available techniques» (bat) worden toegepast, terwijl
bij systemen van verhandelbare emissies veelal wordt uitgegaan van het realiseren
van bepaalde doelstellingen op landelijk niveau. Dit betekent dat systemen
van verhandelbare emissies in Nederland momenteel in het algemeen niet verenigbaar
zijn met de huidige wet- en regelgeving. Het systeem van vergunningverlening,
waarbij moet worden voldaan aan de bat-eisen, zal de ruimte om emissies te
verhandelen al snel beperken. Alleen in situaties waarbij het gat tussen het
huidige beleidsinstrumentarium en de doelstelling groot is, hoeft dit geen
conflicten op te leveren. In het later in deze brief beschreven systeem van
NO<inf>x</inf>-kostenverevening is sprake van een dergelijke situatie. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Nederlandse milieuwetgeving speelt de vergunning een centrale rol.
Een van de beperkingen van de milieuvergunning is dat dit instrument zich
richt tot één concrete inrichting. Binnen de milieuvergunning
is het niet mogelijk de voorschriften waaraan de inrichting moet voldoen los
te koppelen van de kosten van de hiertoe te treffen milieumaatregelen. Het
karakter van de milieuvergunning als een beschikking van de overheid –
die bestuursrechtelijk en strafrechtelijk gehandhaafd moet kunnen worden –
is ook niet geschikt om het verhandelen van milieuprestaties tussen bedrijven
te reguleren. Het bestaande instrumentarium van regulering is met name gebaseerd
op de Wet milieubeheer. Een van de belangrijkste doelstellingen van de Wet
milieubeheer was het juridisch mogelijk maken van een integrale benadering
van de milieuproblematiek van inrichtingen, inclusief de één-loket-gedachte.
De laatste jaren is er echter een duidelijke trend waarneembaar om milieuproblemen
die op landelijk of internationaal niveau spelen uit deze integrale benadering
per bedrijf te halen, omdat dergelijke problemen ook om een landelijke of
internationale oplossing vragen. Om diverse ontwikkelingen met betrekking
tot de regulering van inrichtingen en de consequenties daarvan voor de milieuregelgeving
in hun onderlinge samenhang te kunnen beoordelen, is recent een onderzoek
gestart met als titel «Duurzaam ondernemen en regelgeving». De
resultaten van dit onderzoek kunnen aanleiding zijn tot de uitbouw en wijziging
van de Wet milieubeheer.</al>
      <al>Overigens zal het instrument van verhandelbare emissies in het algemeen
en de consequenties ervan voor het overheidsbeleid, ook aan de orde worden
gesteld in het kader van de operatie Marktwerking Deregulering en Wetgevingskwaliteit
(MDW, Kamerstukken II, 1998/1999, 24 036 nr. 126). Daarover zal nog dit
jaar worden gerapporteerd.</al>
      <al>Om voor de langere termijn de invoering van verhandelbare emissies als
alternatief voor regelgeving mogelijk te maken, is het nodig om nu reeds onderzoek
starten naar de knelpunten alsmede de mogelijke oplossingen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook de verenigbaarheid van het instrument in de Europese en nationale
regelgeving inzake mededinging is van belang. Uit het EU-verdrag vloeien voorwaarden
voort waaraan een dergelijk systeem in ieder geval zal moeten voldoen. In
algemene zin komt het erop neer dat het functioneren van de interne markt,
het vrije verkeer van goederen en diensten, niet mag worden belemmerd door
de systematiek van verhandelbaarheid. Naast de eisen die dit aan het systeem
stelt, is ook de uitvoeringspraktijk van belang. Onderling afgestemde feitelijke
gedragingen zijn verboden als zij in Nederland gevestigde bedrijven begunstigen
boven buitenlandse bedrijven. Strijdigheid met de Europese regelgeving zou
zich bijvoorbeeld kunnen voordoen als in een systeem van verhandelbare emissies
ondernemingen – stilzwijgend – strategisch gedrag vertonen waardoor
de prijzen van gereduceerde emissies kunstmatig hoog worden zodat minder draagkrachtige
partijen het onderspit delven en nieuwe toetreders zich niet of moeilijk een
plaats kunnen verwerven op de markt.</al>
      <al>In Nederland moet een systeem van verhandelbare emissies passen binnen
de voorwaarden van de Mededingingswet. Deze wet moet zorgen voor eerlijke
concurrentieverhoudingen en een optimale vrije markt. Dit betekent dat afspraken
tussen concurrenten, misbruik van economische machtsposities en concurrentiebelemmerende
fusies verboden zijn; de Nederlandse Mededingingsautoriteit treedt op als
toezichthouder.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een ander aspect waarmee bij de variant verhandelbare emissies met een
plafond rekening dient te worden gehouden is het kosteloos verdelen van de
toegestane emissies door de overheid: dit bevoordeelt de bedrijven die in
eerste instantie zijn toegetreden tot het systeem, omdat de toegestane emissies
immers nadien een zekere waarde vertegenwoordigen. Latere toetreders, die
moeten betalen om in het bezit te komen van toegestane emissies, profiteren
hiervan niet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Al met al kan worden geconcludeerd dat de huidige Europese en nationale
wet- en regelgeving momenteel niet toegesneden is op de brede toepassing van
systemen van verhandelbare emissies. </al>
      <tuskop letat="vet">Ervaringen tot nu toe</tuskop>
      <al>Het instrument verhandelbare emissies is niet nieuw. Met name in de VS,
maar ook in landen in Europa, zijn verschillende systemen in werking (geweest).
De ervaringen in de VS zijn echter het meest uitgebreid en bovendien het best
onderzocht. Om die reden worden hieronder twee ervaringen uit de VS beschreven,
die beide als succesvol worden beschouwd. Daarnaast wordt kort ingegaan op
een ervaring in het VK omdat daaruit onder andere het probleem blijkt van
de bestaande wetgevingssystematiek (alle ervaringen zijn gebaseerd op de publicatie
«Pollution for Sale»<voetref refid="v6.1" nr="1"></voetref> .</al>
      <al>In Nederland is ook ervaring opgedaan met enkele verwante systemen, deze
worden in een volgende paragraaf toegelicht. </al>
      <tuskop letat="vet">Ervaringen in de VS en het VK</tuskop>
      <al>Vanaf eind jaren 70 zijn er in de VS verschillende pogingen gedaan om
meer flexibiliteit te brengen in een op zichzelf nogal rigide en legalistisch
systeem voor emissiebeperking. In de loop der jaren zijn verschillende systemen
van verhandelbaarheid van emissies geïntroduceerd die alle beoogden om
in gebieden waar de milieukwaliteiteisen werden overschreden, emissiereducties
te realiseren op een meer kosteneffectieve wijze dan door een strikte toepassing
van uniforme emissie-eisen mogelijk was. In de literatuur wordt geconcludeerd
dat deze systemen door de vele additionele controle- en rapportageverplichtingen
en de rigiditeit van de bestaande wetgeving slechts een beperkt effect sorteerden. In de Clean Air Act van 1990 is aan het laatste probleem
iets gedaan door expliciet te voorzien in de mogelijkheid van systemen van
verhandelbare emissies. Met name had men daarbij een systeem voor de verhandelbaarheid
van SO<inf>2</inf>-emissies van de elektriciteitscentrales op het oog. Dit
systeem, bekend onder het Acid Rain programma, is in 1994 van start gegaan.
Parallel hieraan werd in het South Coast Air Quality Management District in
Californië een ander, complexer systeem van verhandelbare emissies met
een plafond voor zowel NO<inf>x</inf>- als SO<inf>2</inf>-emissies opgezet,
genaamd Reclaim. Dit systeem is eveneens sinds 1994 operationeel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het Acid Rain programma is in de VS opgezet om de SO<inf>2</inf>-emissies
van de elektriciteitscentrales substantieel te reduceren. Doelstelling is
om in 2010 een emissiereductie te realiseren van 50% ten opzichte van 1980.
Het programma onderscheidt twee fases, waarbij vanaf 2000 (Fase II) alle
met fossiele brandstoffen gestookte centrales moeten deelnemen. Aan het begin
van het programma zijn de toegestane emissies verdeeld over de centrales op
basis van gemiddelde brandstofinzet over de periode 1985–87 («grandfathering»).
«Banking» is toegestaan. Bedrijven dienen continu hun emissies
te monitoren en daarover aan de milieu-autoriteiten te rapporteren. Aan het
eind van het jaar worden de emissierapporten vergeleken met de toegestane
emissies. Op overschrijdingen staan hoge boetes. Het programma wordt in het
algemeen als succesvol beschouwd; er is veel gehandeld en de kostenbesparing
is berekend op 25 tot 34% in vergelijking met regulering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het Reclaim programma is in eerste aanleg opgezet om zowel NO<inf>x</inf>-
als VOS-emissies te reduceren. Vanwege de specifieke gezondheidsproblemen
en aspecten van monitoring en handhaving zijn de VOS-emissies echter buiten
het systeem gelaten. In een latere fase is besloten de SO<inf>2</inf>-emissies
in het programma op te nemen. Het programma is echter vooral van belang voor
de NO<inf>x</inf>-emissies. Bij Reclaim zijn evenals bij het Acid Rain programma
emissieplafonds gesteld met het oog op het bereiken van de milieukwaliteitsdoelstellingen
in het jaar 2003. De toegestane emissies zijn verdeeld op basis van de historische
bezettingsgraad in de periode 1989–92 («grandfathering»).
De bedrijven dienen per jaar de NO<inf>x</inf>-emissies met 8,3% te verminderen
en de SO<inf>2</inf>-emissies met 6,8% per jaar. «Banking» is
niet toegestaan. Ook dit programma wordt als succesvol beoordeeld; het lijkt
tot op heden tot de beoogde reducties te zullen leiden en de kostenbesparing
wordt geschat op 30 tot 40% in vergelijking met regulering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Van 1992 tot 1996 is in het Verenigd Koninkrijk geprobeerd een systeem
van verhandelbare emissies op te zetten. Doel was om de uit internationale
verplichtingen voortvloeiende SO<inf>2</inf>-emissiereducties op kosteneffectieve
wijze te realiseren. Daarbij bleek dat het verre van eenvoudig is een systeem
op te zetten dat past binnen de nationale wetgevingspraktijk en voldoende
rekening houdt met de wijze waarop bedrijf en vergunningverlener gewend zijn
in de praktijk met milieuproblemen om te gaan.</al>
      <al>Uiteindelijk werd besloten de onderhandelingen te stoppen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij een vergelijking van de twee succesvolle ervaringen in de VS met het
mislukken in het VK van de inspanningen om daar een vergelijkbaar systeem
voor SO<inf>2</inf> op te zetten, komen drie aspecten naar voren.</al>
      <al>Een eerste aspect betreft het benodigde draagvlak voor de invoering van
een systeem van verhandelbare emissies. In de VS is de afgelopen 20 jaar veel
ervaring opgedaan met verhandelbaarheid van emissies, en die ervaring heeft
er toe bijgedragen dat er bij de verschillende partijen binnen en buiten het
systeem (overheden, bedrijven, consultants, milieubeweging) een draagvlak
is ontstaan voor het verhandelbaar maken van emissies. In het
VK bestond die ervaring niet, en bovendien bestond er bij de verschillende
partijen, die betrokken waren bij de vormgeving van het systeem, de aanpassing
van de weten regelgeving en de handhaving, geen eenduidige visie op de wijze
waarop de noodzakelijke aanpassingen van de wetgeving zouden kunnen worden
vormgegeven.</al>
      <al>Een tweede belangrijk aspect betreft een verschil in aanpak van het milieubeleid.</al>
      <al>In de VS wordt het milieubeleid voornamelijk bepaald door milieukwaliteitsdoelen;
de bedrijven dienen zelf de technologie te kiezen om de doelstelling te realiseren.
Het probleem van milieuverontreiniging wordt eerder gezien als een probleem
van de juiste prijsvorming, terwijl het idee is dat een aanpak op basis van
regulering tot hoge kosten en ineffectieve maatregelen leidt.</al>
      <al>Het beleid in het VK (en ook elders in Europa) is tot nu toe vooral gericht
geweest op toepassing van de best toepasbare technieken en betrokkenheid van
het bevoegd gezag bij de keuze van die technieken. Deze vormgeving van het
milieubeleid is, mede als gevolg van Europese wetgeving, geënt op de
toepassing van de juiste technologie om de emissies te verminderen. Het verhandelbaar
maken van emissies kan ertoe leiden dat het toepassen van schone technologie
wordt afgekocht, dan wel dat niet de technologisch beste oplossing wordt gekozen.</al>
      <al>Ook werd in het VK zeer strikt vastgehouden aan het begrip stand der techniek
in enge zin in relatie tot de juridische entiteit, te weten de inrichting
in strikt juridische zin. Het zoeken naar oplossingen in de vorm van reducties
in andere locaties of andere inrichtingen wordt daarmee sterk begrensd, alsmede
de te bereiken kosteneffectiviteit.</al>
      <al>Een derde aspect betreft de afbakening van het milieuprobleem. In het
VK speelde het de deelnemers in het proces parten dat de nadruk werd gelegd
op een integrale afweging tussen emissies van verschillende stoffen per inrichting.
Hiermee wordt bedoeld dat gekeken wordt naar het geheel van de impact van
de verschillende maatregelen op andere compartimenten. In de VS daarentegen
is tot nu toe gekozen voor de aanpak van één stof in één
milieucompartiment.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Kortom, een groot aantal verschillen in cultuur, juridische vormgeving
en opstelling c.q. ervaringen van de deelnemers in het besluitvormingsproces
leidden er toe dat in de VS, zij het na lange onderhandelingen, wel een oplossing
werd gevonden, en in het VK uiteindelijk is besloten de onderhandelingen te
stoppen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In bijlage 1 bij deze brief wordt een nadere toelichting gegeven op zowel
het Acid Rain als het Reclaim programma. </al>
      <tuskop letat="vet">Ervaringen mest en ammoniak </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Inleiding</tuskop>
      <al>Binnen de sector landbouw en visserij zijn verschillende systemen van
verhandelbare emissies of productierechten ingevoerd. Het betreft mestproductierechten,
ammoniakemissierechten, verhandelbare melkquota en verhandelbare visquota.</al>
      <al>Verhandelbare melkquota (de quotering heeft betrekking op de productie)
zijn ingevoerd in de Europese Gemeenschap om het aanbodoverschot van de melkproductie
weg te werken en hebben geen milieudoel. Verhandelbare visquota (visvangstrechten)
zijn ingesteld met als doel het op peil brengen en bewaken van de visstand.
Ook de visquota kennen geen milieudoelstelling, al dragen ze wel bij aan het
in stand houden van soorten. Beide systemen worden hier daarom niet verder
besproken.</al>
      <al>De mestproductierechten en de ammoniakemissierechten worden hieronder
nader toegelicht.  </al>
      <tuskop letat="cur">Mestproductierechten</tuskop>
      <al>In het mestbeleid bestaan twee sturingsinstrumenten.</al>
      <al>Allereerst zijn in 1986 de mestproductierechten ingevoerd. De reden hiervoor
was dat het noodzakelijk werd geacht om de groei van de veestapel te stoppen,
zodat het mestprobleem niet groter kon worden. Binnen het stelsel van mestproductierechten
konden bedrijven omschakelen van varkens naar kippen en omgekeerd, op basis
van forfaitaire normen. Het invoeren van mestproductierechten bracht met zich
mee dat bedrijven niet meer konden uitbreiden, hetgeen een rem betekende op
technologische vernieuwingen. Daarom zijn de mestproductierechten na enkele
jaren (per 1 januari 1994) verhandelbaar gemaakt. Bij verhandeling werd 25
tot 40% afgeroomd. De mestproductierechten worden momenteel omgezet in dierrechten.
Voor varkens heeft dit reeds vorm gekregen via de Wet Herstructurering Varkenshouderij;
ten aanzien van pluimveerechten ligt een wetsvoorstel ter behandeling bij
de Tweede Kamer. Met de invoering van varkensrechten wordt beoogd een aantal
problemen van het oude stelsel op te lossen, met name de groeimogelijkheden
op basis van latente ruimte (dit is het verschil tussen de beschikbare mestproductierechten
en het daadwerkelijke aantal dieren). In het wetsvoorstel voor de pluimveerechten
wordt eveneens een plafond gesteld.</al>
      <al>Daarnaast zijn, om de milieubelasting terug te dringen, in de periode
1987–1997 normen gesteld aan het gebruik van dierlijke mest per hectare.
In de loop van de tijd zijn deze normen aangescherpt. Per 1 januari 1998 is
het systeem van gebruiksnormen vervangen door een nieuw sturingsinstrument:
het Mineralenaangiftesysteem (Minas-systeem) in combinatie met een mineralenheffing
voor ontoelaatbaar mineralenverlies. Minas is een op de individuele bedrijfssituatie
toegesneden reguleringsinstrument, waarmee de stikstof- en fosfaatbelasting
van het milieu en daarmee het gebruik van dierlijke mest en kunstmest wordt
gereguleerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook nu het Minas-systeem is ingevoerd, blijft het noodzakelijk de omvang
van de veestapel te reguleren. Handhaving van het complexe systeem is alleen
mogelijk als er sprake is van een evenwicht op de mestmarkt omdat onder andere
door de aan het systeem gekoppelde hoge regulerende heffingen het geheel fraudegevoelig
is. Hiervoor is een aanvullend instrument nodig, een systeem dat de omvang
van de veestapel reguleert.</al>
      <al>De huidige omvang van de veestapel is te groot om de fraudedruk op Minas
te beperken. Daarom wordt de varkensstapel ingekrompen via opkoop van varkensrechten
en afromen bij verhandeling. In de Wet herstructurering varkenshouderij is
verder een generieke korting vastgelegd. Tegen de wet en in het bijzonder
de generieke korting lopen meerdere gerechtelijke procedures, onder andere
gericht op het verkrijgen van schadevergoedingen door de varkenshouders. </al>
      <tuskop letat="cur">Ammoniakemissierechten</tuskop>
      <al>Om de bos- en natuurgebieden te beschermen dient de neerslag (depositie)
van ammoniak fors te verminderen. De veehouderij is de belangrijkste bron
van deze depositie. Sinds 1987 toetst het bevoegd gezag (de gemeente) bij
de verlening van een milieuvergunning aan een veehouderij de aanvaardbaarheid
van de ammoniakdepositie voor de omgeving. Aangezien veel bedrijven in de
directe nabijheid van verzuringsgevoelige natuurgebieden veel meer ammoniakdepositie
veroorzaken dan de norm, konden deze bedrijven niet uitbreiden. Teneinde individuele
bedrijven wel die mogelijkheid te bieden en tevens de ammoniakemissie en -depositie
in een gemeente of een aantal gemeenten te reduceren, geeft de Interimwet
Ammoniak en Veehouderij (IAV, augustus 1994) gemeenten de wettelijke basis
voor het vaststellen van een ammoniakreductieplan (arp). Hoofdkenmerk van
arp's is dat zij de mogelijkheid bieden om tussen een uitbreidend
en een inkrimpend bedrijf te salderen. Hiervoor is een systeem van verhandelbare
emissies met een soort (inter-)gemeentelijk plafond gecreëerd. Dit depositie-
en emissieplafond wordt gevormd door de som van alle deposities en emissies
die in het verleden uit de milieuvergunningen aan de veehouderijen zijn verleend.
Om tot een reductie te komen worden de rechten bij verhandeling afgeroomd;
de percentages variëren van 5 tot 60. De IAV is oorspronkelijk als interimwet
voor een periode van vijf jaar ingevoerd. Het is de bedoeling deze periode
binnenkort met twee jaar te verlengen.</al>
      <al>Doordat er weer mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling werden gecreëerd,
stond het landbouwbedrijfsleven in de eerste jaren positief tegenover de mogelijkheid
van saldering. Door de schaarste aan ammoniakrechten en de daarmee gepaard
gaande hoge prijzen en het feit dat men voor een uitbreiding ook al mestproductierechten
moet kopen, is er een roep ontstaan om de ammoniakrechten af te schaffen en
te volstaan met één rechtenstelsel. Een andere bron van kritiek
vormt de complexiteit van het systeem.</al>
      <al>Om deze redenen hebben de vorige ministers van VROM en LNV begin 1998
besloten om te komen tot een vernieuwing (vereenvoudiging) van het instrumentarium.
De huidige minister van LNV en ik hebben onze ideeën daarover in december
vorig jaar naar de Tweede Kamer gezonden in de Memorie van Toelichting van
het wetsvoorstel-Reconstructiewet concentratiegebieden (Kamerstukken II 1998–1999,
26 356, nr. 3, blz. 22 en 23).</al>
      <al>Bij de overschakeling op een ander systeem zullen vergelijkbare problemen
als bij de dierrechten moeten worden vermeden. </al>
      <tuskop letat="cur">Conclusies</tuskop>
      <al>Indien de beide systemen worden beschouwd kan het volgende worden opgemerkt.</al>
      <al>Beide systemen zijn niet opgezet met het doel om door middel van handel
in technische maatregelen op een kosteneffectieve wijze een milieudoelstelling
te behalen door middel van het bieden van flexibiliteit aan bedrijven maar
hebben het bieden van de flexibiliteit zélf als doelstelling, gegeven
een bepaalde milieukwaliteit. Deze doelstelling wordt door het systeem bereikt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De beide milieuproblemen voldoen niet aan alle technische voorwaarden
voor een systeem van verhandelbaarheid zoals in deze brief wordt beschreven.</al>
      <al>In beide gevallen gaat het om milieuproblemen die een nauwe relatie hebben
met de omvang van de productie, in die zin dat de oplossing niet alleen gevonden
kan worden in technische maatregelen maar waarbij ook het beheersen van de
omvang van de productie (volumemaatregelen) noodzakelijk is. Er is wel een
verschil in fasering. De mestproblematiek bevindt zich in de fase dat volumemaatregelen
genomen moeten worden; de beschikbare technische maatregelen zijn al grotendeels
ingezet. Voor ammoniak wordt verwacht dat deze situatie zich over een aantal
jaren ook zal voordoen. Er is dan geen verschil in kosteneffectiviteit en
er is ook geen kostenvoordeel door handel meer te behalen. Dit leidt dan tot
de situatie dat er zowel milieumaatregelen getroffen moeten worden als productierechten
gekocht moeten worden, terwijl bij een systeem van verhandelbare emissies
juist een keuze kan worden gemaakt tussen het treffen van maatregelen en het
aankopen van toegestane emissies.</al>
      <al>Zoals bij de technische voorwaarden van een systeem van verhandelbare
emissies wordt vermeld (zie volgende paragraaf), is het van belang dat de
doelstellingen op voorhand voor een langere termijn worden vastgelegd, zodat
de deelnemers dit in hun beslissingsproces kunnen meenemen. Als, zoals bij
de mest/varkensrechten is gebeurd, de milieudoelstelling in de vorm
van een generieke krimp later in het systeem wordt ingebracht, rijzen grote
problemen, zoals blijkt uit de lopende gerechtelijke procedures. </al>
      <tuskop letat="vet">Toepassingsmogelijkheden in het Nederlandse milieubeleid</tuskop>
      <al>In de voorgaande tekst is reeds ingegaan op het belang van het instrument
verhandelbare emissies, namelijk het vergroten van de haalbaarheid van een
milieudoelstelling door op kosteneffectieve wijze maatregelen te kunnen nemen.</al>
      <al>Een systeem van verhandelbare emissies kan niet voor alle problemen worden
ingezet; er moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan om het verhandelen
van emissies zinvol te maken. Het gaat om de volgende voorwaarden:</al>
      <al>– er moeten op grond van milieu-overwegingen kwantitatieve doelstellingen
kunnen worden gesteld en (niet te korte) termijnen waarop deze moeten worden
gehaald; de emissie moet kunnen worden geïdentificeerd als een verhandelbare
eenheid;</al>
      <al>– de bronnen van de emissies moeten bekend zijn en de emissies moeten
kunnen worden gemeten of anderszins vastgesteld kunnen worden;</al>
      <al>– er moet een markt voor de emissies (of emissiereducties) kunnen
ontstaan, respectievelijk handel kunnen plaatsvinden tussen de deelnemers
aan het systeem, doordat er voldoende deelnemers zijn, voldoende (technische)
maatregelen beschikbaar zijn en er verschillen zijn in de kosteneffectiviteit
van de mogelijke maatregelen;</al>
      <al>– het moet voor het behalen van het milieuresultaat betrekkelijk
irrelevant zijn bij welke emissiebron binnen het systeem de maatregel wordt
getroffen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bovenstaande voorwaarden kunnen worden beschouwd als de technische randvoorwaarden
om een systeem van verhandelbaarheid van emissies te kunnen laten functioneren.</al>
      <al>Daarnaast moet bij de opzet van zo'n systeem van verhandelbare emissies
rekening worden gehouden met allerlei criteria op economisch, juridisch en
bestuurlijk terrein.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de economische criteria gaat het om het voorkómen dat de economische
dynamiek wordt geschaad. Het moet bijvoorbeeld mogelijk blijven dat nieuwe
bedrijven toetreden tot de markt en dat bestaande bedrijven uitbreiden. Ook
moet worden vermeden dat het systeem kan worden misbruikt om concurrenten
uit de markt te drukken.</al>
      <al>Bij de juridische criteria gaat het naast de inpassing in de (bestaande)
wetten om zaken zoals rechtszekerheid voor de deelnemers, rechtsbescherming
zoals van belanghebbende derden, handhaving en sancties, de legitimiteit van
de instantie die de markt reguleert, enzovoort.</al>
      <al>Op het bestuurlijke vlak gaat het om de gevolgen voor de bestaande bevoegdheden
en de verantwoordelijkheden van de verschillende overheden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals is aangegeven hebben systemen van verhandelbare emissies als doel
om een milieuresultaat binnen een bepaalde periode op kosteneffectieve wijze
te bereiken. Dat betekent dat het instrument voor een bepaalde periode zal
worden ingezet en dat bij de opzet van een systeem al worden gedacht over
de situatie die ontstaat na afloop van deze periode.</al>
      <al>Bij de ontwikkeling van een systeem dient uiteraard tevens zoveel mogelijk
aangesloten te worden op bestaande of in ontwikkeling zijnde internationale
systemen van verhandelbaarheid. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de toepassing van verhandelbare emissies in Nederland moet onderscheid
worden gemaakt naar de korte en lange termijn. Op korte termijn is de huidige
nationale en Europese regelgeving een knelpunt voor de invoering van een dergelijk
systeem als alternatief voor regelgeving. Wel is het mogelijk om op korte
termijn op bepaalde terreinen ervaring op te doen met het instrument verhandelbare
emissies, zoals met het systeem van NO<inf>x</inf>-kostenverevening.</al>
      <al>Voor de lange termijn, uitgaande van een situatie waarbij in de nationale
en Europese wetgeving ruimte is ontstaan voor de toepassing van een systeem
van verhandelbare emissies, zal het instrument moeten «concurreren»
met andere instrumenten, zodat het meest geschikte instrument voor het oplossen
van een probleem kan worden ingezet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het ligt voor de hand om voor het opdoen van ervaring met de toepassing
van dit instrument te kijken naar die situaties waarin het huidige beleidsinstrumentarium
tot op dit moment onvoldoende blijkt om de doelstellingen te bereiken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In deze brief zal kort worden ingegaan op de mogelijkheden op korte termijn
voor een systeem van verhandelbare emissies voor de, in het NMP-3 gesignaleerde
beleidstekorten. Dit zijn de volgende:</al>
      <al>– klimaatverandering: broeikasgassen/CO<inf>2</inf></al>
      <al>– verzuring: NO<inf>x</inf>, NH<inf>3</inf> en SO<inf>2</inf></al>
      <al>– vermesting: fosfaat en stikstof</al>
      <al>– verontreiniging van de bodem</al>
      <al>– geluidhinder</al>
      <al>– verspreiding</al>
      <al>– verwijdering: verbranden en storten</al>
      <al>– verdroging</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor CO<inf>2</inf> en NO<inf>x</inf> bij stationaire bronnen kan een
systeem van verhandelbare emissies goed worden ingezet. Voor deze stoffen
is een kwantitatieve doelstelling beschikbaar, de emissiebronnen zijn bekend,
de emissies zijn goed meetbaar en de verschillen in kosteneffectiviteit van
de maatregelen tussen de emittenten zijn groot. Bovendien geldt voor beide
stoffen dat er sprake is van grootschalige verspreiding en dat de plaats waar
emissiereductie plaatsvindt niet of nauwelijks van belang is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor ammoniak is een systeem van verhandelbare emissies al toegepast.
Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de passage hiervoor in de
brief met betrekking tot ammoniakemissierechten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De overige beleidstekorten lijken, bij een eerste analyse, niet te voldoen
aan de voorwaarden voor een systeem van verhandelbare emissies. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij SO<inf>2</inf> is sprake van een betrekkelijk gering aantal emissiebronnen
met hoge emissies. De verwachting is dat er nauwelijks een markt zal ontstaan.
Bovendien wordt er voor SO<inf>2</inf> van uitgegaan dat het tekort met het
bestaande beleidsinstrumentarium kan worden opgeheven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het thema vermesting (fosfaat en nitraat) lijkt niet geschikt voor de
inzet van verhandelbare emissies. De doelstellingen voor vermesting zijn vastgelegd
in concentraties en gelden voor alle gebieden. Dit betekent dat overal de
concentratie gehaald zal moeten worden en er dus geen uitruil mogelijk is
met een ander gebied dat die concentratie niet haalt. Er is wel ervaring opgedaan
met mestproductierechten. Hiervoor wordt verwezen naar de hierboven in de
brief beschreven ervaringen op dit gebied.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wat betreft bodemverontreiniging geldt dat onder andere geen kwantitatief
doel is vast te stellen en dat enigerlei vorm van uitruil van milieumaatregelen
tussen bodemlocaties niet mogelijk is; iedere locatie zal moeten worden gesaneerd.
Een systeem van verhandelbare emissies biedt geen oplossing.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Geluidhinder is een lokaal probleem. Dit betekent dat het niet mogelijk
is om bijvoorbeeld geluidhinder tussen wegen uit te ruilen, het lokale probleem
wordt daarmee immers niet opgelost. De belangrijkste geluidsbronnen zijn wegverkeer,
luchtvaartverkeer en burenlawaai. Voor deze vormen van geluidhinder lijkt
een systeem van verhandelbare emissies daarom niet goed mogelijk.</al>
      <al>Het is wel mogelijk om lokale systemen op te zetten, bijvoorbeeld voor
industrielawaai op een industrieterrein of voor een luchthaven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij het thema verspreiding geldt voor veel stoffen dat het belang van
de lokale milieukwaliteit een belemmering is voor het invoeren van een systeem
van verhandelbare emissies.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Verdroging treedt op door een daling van de grondwaterstand. Belangrijke
oorzaken hiervan zijn het optimaliseren van de waterhuishouding voor de landbouw,
het inrichten van woongebieden, het onttrekken van grondwater voor drinkwater,
industriële toepassing en beregening van cultuurgronden. Het probleem
kan het beste regionaal worden aangepakt omdat de oorzaken en de aard van
het probleem per regio verschillen. Ook is er nog onvoldoende informatie over
de gewenste grondwatersituatie. Een systeem voor verhandelbare emissies lijkt
dan ook niet geschikt.</al>
      <al>Voor één aspect, het onttrekken van grondwater, zou verhandelbaarheid
mogelijk zijn maar dit alleen is onvoldoende voor het behalen van de totale
doelstelling voor verdroging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor het thema verwijdering kan een systeem van verhandelbare emissies
technisch gezien goed worden ingezet. Naar aanleiding van een door de Tweede
Kamer aangenomen motie van de heer Klein Molekamp c.s. (Tweede Kamer, vergaderjaar
1997–1998, 25 600 XI, nr. 25), zijn de mogelijkheden hiervan onderzocht
en is er in het Ontwerp-Landelijk Stortplan over gerapporteerd. Er is geconcludeerd
dat het verhogen van de afvalstoffenbelasting op grond van de Wbm als middel
om het brandbare afval te sturen van storten naar nuttige toepassing en verbranden
de voorkeur heeft boven het inzetten van een systeem van verhandelbare emissies.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de lange termijn kunnen bovenstaande overwegingen heel anders liggen,
o.a. omdat de beleidstekorten dan op andere terreinen kunnen liggen. Bovendien
kan voor de lange termijn meer algemeen worden bezien voor welke milieuproblemen
verhandelbare emissies mogelijk een geschikt instrument is. Hierop wordt in
deze brief verder niet ingegaan.</al>
      <al>Uit bovenstaande blijkt dat NO<inf>x</inf> en CO<inf>2</inf> geschikt
zijn om op korte termijn een systeem van verhandelbare emissies op te starten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals in het regeerakkoord staat, zal met betrekking tot broeikasgassen
een begin worden gemaakt met een experiment op het gebied van verhandelbare
emissies. In de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid is opgenomen dat, als onderdeel
van dat experiment, voor de korte termijn een experimentele start wordt gemaakt
met een systeem van verhandelbare reducties. Op de langere termijn worden
de mogelijkheden voor het plafonneren van CO<inf>2</inf>-emissies verder uitgewerkt.</al>
      <al>Voor de NO<inf>x</inf>-emissies van stationaire industriële bronnen
is onderstaand de stand van zaken rond de kostenverevening weergegeven. </al>
      <tuskop letat="vet">Kostenverevening NO<inf>x</inf></tuskop>
      <tuskop letat="cur">Inleiding</tuskop>
      <al>In het NMP-3 is opgenomen dat voor de emissiereductie van NO<inf>x</inf>
in de industrie, raffinaderijen en de energiesector gestreefd wordt naar de
invoering van een systeem van kostenverevening. </al>
      <al>Doel van een dergelijk systeem is het bereiken van een emissie van 67
kton NO<inf>x</inf> in 2005 voor deze drie sectoren, hetgeen oorspronkelijk
het doel voor het jaar 2000 was. In het NMP-3 is aangegeven waarom dit doel
niet in het jaar 2000 kan worden gerealiseerd. De mogelijkheden om de NO<inf>x</inf>-emissie kosteneffectief terug te dringen, verschillen namelijk aanzienlijk
per installatie. Ook tussen de sectoren bestaan grote verschillen in de mogelijkheden
om de NO<inf>x</inf>-emissie te reduceren. Dit vraagt om industriebrede afwegingen
op basis van kosteneffectiviteit.</al>
      <al>Na het uitkomen van het NMP-3 is in overleg met het bedrijfsleven onderzocht
welke kosten de beoogde reductie van NO<inf>x</inf> met zich meebrengt en
op welke wijze een systeem van kostenverevening zou kunnen worden vormgegeven.</al>
      <al>In dat kader is in nauw overleg met de industrie een groot aantal activiteiten
en onderzoeken uitgevoerd die mede tot doel hadden om duidelijkheid te krijgen
over de verschillen in percepties van de problematiek en via discussie de
percepties van problemen en oplossingen nader tot elkaar te brengen. </al>
      <tuskop letat="cur">Kosten van maatregelen</tuskop>
      <al>Veel van de inspanningen zijn het afgelopen jaar gericht geweest om in
overleg met de industrie duidelijkheid te krijgen over de kosten van het meest
kosteneffectieve pakket om de benodigde reducties te realiseren. Voor het
onderzoek is gebruik gemaakt van gegevens van individuele bedrijven, die ook
door deze bedrijven zijn gevalideerd op het niveau van productie-installaties.
De kostenberekeningen zijn uitgevoerd met modellen, waarover met het bedrijfsleven
volledige overeenstemming bestaat. De uitkomst van deze studie laat zien dat
het bereiken van het doel van 67 kton voor 2005 circa f 300 miljoen per
jaar kost, gebaseerd op de bronnen en emissies van 1995. Deze kosten liggen
binnen de marge van f 200 tot f 400 miljoen die in het NMP-3 als
aanvaardbaar is geoordeeld voor de oplossing van dit prioritaire milieuprobleem.
Momenteel wordt nog een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd naar de consequenties
van verwachte wijzigingen in de installaties en de toename van de productie
tussen 1995 en 2005/2010. De eerste uitkomsten duiden er op dat door autonome
ontwikkelingen (nieuwbouw/vervanging van installaties) de jaarlijkse kosten
lager zullen kunnen uitvallen dan f 300 miljoen. </al>
      <tuskop letat="cur">Opzet systeem van kostenverevening</tuskop>
      <al>In een gezamenlijke werkgroep van de ministeries van VROM en EZ, het IPO
en de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie is onderzocht hoe
een systeem van kostenverevening kan worden vormgegeven. Het rapport «Het
uitruilmodel: een kansrijke variant voor kostenverevening als instrument bij
de bestrijding van NO<inf>x</inf>-emissies van stationaire bronnen»
is bijgevoegd (bijlage 2). Dit uitruilmodel voldoet aan de eerder in deze
brief genoemde criteria voor een systeem van verhandelbare emissies en benut
de voordelen van een dergelijk systeem ten volle. Het model doet recht aan
reeds gerealiseerde reducties van NO<inf>x</inf>, gaat uit van een eerlijke
en gelijkwaardige benadering van alle betrokken bedrijven en geeft voldoende
zekerheid dat het beoogde doel wordt gehaald.</al>
      <al>Het uitruilmodel gaat uit van een verplichting voor individuele bedrijven voor het terugdringen van de emissies van NO<inf>x</inf>. Deze verplichting
wordt in de vorm van een concentratiewaarde (mg/Nm<sup>3</sup> of g/Gj NO<inf>x</inf>) voor de inrichting wettelijk vastgelegd. Deze methodiek heeft als
voordeel dat bedrijven die reeds in het verleden hebben geïnvesteerd
in NO<inf>x</inf>-reductie een minder zware verplichting krijgen dan bedrijven
die niet hebben geïnvesteerd in de bestrijding van NO<inf>x</inf>. Het
treffen van maatregelen in het verleden zal zich immers vertalen in een lage
concentratie NO<inf>x</inf>. De concentratiewaarde is rechtstreeks afgeleid
van het bereiken van het doel van 67 kton in 2005, met inachtneming van de
verwachte autonome ontwikkeling van installaties en de economische activiteit,
vertaald naar rookgasvolumes en de inzet van energie. Dit betekent dat als
alle inrichtingen in 2005 gemiddeld voldoen aan de concentratiewaarde, het
bereiken van het doel is zeker gesteld.</al>
      <al>Bedrijven krijgen in deze opzet de keus om fysiek aan de concentratiewaarde
te voldoen door het treffen van maatregelen, dan wel deel te nemen aan een
privaatrechtelijk systeem van kostenverevening. Daarbij is handel in reductieverplichtingen
toegestaan, voor zover het collectief van de deelnemende inrichtingen gemiddeld
genomen aan de concentratiewaarde voldoet.</al>
      <al>In de uitgevoerde studie wordt voorgesteld de handel in NO<inf>x</inf>
te faciliteren door een centrale organisatie die contracten sluit met de deelnemende
bedrijven over de koop en verkoop van kilo's NO<inf>x</inf>. Hiertoe schrijft
de centrale organisatie jaarlijks de deelnemende bedrijven aan om een opgave
te doen van de kilo's NO<inf>x</inf> die bedrijven bij een bepaalde prijs
willen kopen dan wel verkopen. Voor een individueel bedrijf zal de keuze voor
koop dan wel verkoop afhangen van de kosten van maatregelen voor de reductie
van NO<inf>x</inf>. Als de prijs voor een kilo NO<inf>x</inf> hoger is dan
de kosten van maatregelen zal een bedrijf besluiten zelf maatregelen te nemen
en het «overschot» aan kilo's NO<inf>x</inf> aan te bieden op
de markt. In het geval voor het bedrijf de marktprijs lager is dan de kosten
van maatregelen, dan zal het bedrijf besluiten kilo's op de markt te kopen.</al>
      <al>De centrale organisatie bepaalt, uitgaande van de door de deelnemende
bedrijven gedane opgaven van gevraagde en aangeboden kilo's NO<inf>x</inf>
op basis van de concentratiewaarde, de prijs waarbij vraag en aanbod in evenwicht
zijn. Vervolgens zijn de bedrijven verplicht hun aanbiedingen van koop dan
wel verkoop ten uitvoer te brengen.</al>
      <al>Met deze vormgeving van het systeem wordt bewerkstelligd dat de bedrijven,
die in het kostenvereveningssysteem participeren, tezamen aan de concentratiewaarde
voldoen en daarmee de beoogde emissiereductie realiseren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een mogelijk systeem van kostenverevening NO<inf>x</inf> moet ook recht
doen aan een aantal juridische randvoorwaarden die als een uitwerking beschouwd
kunnen worden van de eerder vermelde, algemene juridische kanttekeningen.
In deze fase van verkenning van een mogelijk systeem van kostenverevening
kan echter slechts een richting worden aangegeven die de komende periode nader
moet worden uitgewerkt.</al>
      <al>De belangrijkste randvoorwaarden vloeien voort uit de regulering van milieubelastende
activiteiten op het niveau van inrichtingen aan de hand van het «alarabeginsel»,
c.q. «bat» in respectievelijk de Wet milieubeheer en de Europese
IPPC-richtlijn en de regulering van NO<inf>x</inf>-emissies voor stookinstallaties
op grond van de Europese richtlijn inzake emissies van grote stookinstallaties. </al>
      <tuskop letat="cur">Kostenverevening in combinatie met wettelijke concentratiewaarde</tuskop>
      <al>Het in de studie ontwikkelde concept voor een mogelijk systeem van kostenverevening
NO<inf>x</inf> zal moeten functioneren in combinatie met een wettelijk vastgelegde
concentratiewaarde voor NO<inf>x</inf>-emissies op inrichtingsniveau (zowel
verbrandings- als procesemissies). De concentratiewaarde en het
systeem zijn op elkaar afgestemd en ondersteunen elkaar. De wettelijke concentratiewaarde
is de stimulans om aan het systeem deel te nemen; deelname aan het systeem
is middel om op kosteneffectieve wijze de concentratiewaarde te realiseren.
Bedoelde wettelijke concentratiewaarde zou als algemene regel kunnen worden
uitgevaardigd en is daarmee een rechtstreeks geldende eis waaraan alle inrichtingen
(met een bepaalde ondergrens), die NO<inf>x</inf> emitteren, moeten voldoen.
Inrichtingen die, op basis van vrijwilligheid, aan het systeem van kostenverevening
deelnemen worden geacht daarmee aan de concentratiewaarde te voldoen. Hoe
dit op een juridisch adequate wijze moet worden geregeld is onderdeel van
de verdere uitwerking van het systeem. Bovendien dient bij invoering de handhavende
rol van het bevoegde gezag nader te worden bezien voor wat betreft de bedrijven
die zich verplichten om door middel van deelname aan het systeem te voldoen
aan de concentratiewaarde. </al>
      <tuskop letat="cur">Wet milieubeheer en alara; IPPC-richtlijn en bat</tuskop>
      <al>Het «alarabeginsel», neergelegd in artikel 8.11, derde lid,
Wet milieubeheer, houdt in dat die milieumaatregelen bij inrichtingen worden
getroffen die de grootst mogelijke bescherming bieden, tenzij dat redelijkerwijs
niet kan worden gevergd (as low as reasonable achievable). In andere bewoordingen
is dit beginsel ook vastgelegd in de IPPC-richtlijn, die het Europese kader
vormt voor de regulering van milieugevolgen van grotere inrichtingen. In deze
richtlijn wordt uitgegaan van ondermeer de eis dat inrichtingen de «best
available techniques» (bat) toepassen.</al>
      <al>NO<inf>x</inf>-emissies vormen een milieuprobleem van continentaal schaalniveau.
Binnen Europa zijn de doelstellingen op nationaal niveau geformuleerd. De
wettelijke concentratiewaarde voor NO<inf>x</inf> in combinatie met een systeem
van kostenverevening kan worden aangemerkt als «alara/bat», vastgesteld
op het niveau van het collectief van NO<inf>x</inf>-emitterende inrichtingen
in Nederland. Met de bedoelde combinatie kunnen immers de NO<inf>x</inf>-emissies
voor al deze inrichtingen kosteneffectief terug worden gedrongen, terwijl,
gemeten naar landelijk schaalniveau, een grotere bescherming wordt bereikt
dan bij de traditionele benadering van uitsluitend wettelijke normen per inrichting
tegen redelijke kosten mogelijk zou zijn.</al>
      <al>Denkbaar is dat in individuele gevallen de concentratie-eis niet zonder
meer leidt tot inspanningen op het schaalniveau van de inrichtingen die voldoen
aan alara. Daarom is het van belang dat, zo nodig in afwijking van de algemene
wettelijke concentratiewaarde, in de vergunning een op de individuele inrichting
toegesneden, strengere emissie-eis vastgelegd kan worden. Hierbij moet worden
gedacht aan situaties waarin bijvoorbeeld op Europees niveau een emissie-eis
wordt vastgesteld die als minimum moeten worden gezien voor de betreffende
installaties en lager ligt dan de concentratiewaarde. Overigens is dit vooralsnog
vooral een theoretische mogelijkheid aangezien het systeem van kostenverevening
juist wordt opgezet omdat toepassing van het «alarabeginsel» onvoldoende
reductie heeft opgeleverd om de doelstelling te bereiken. </al>
      <tuskop letat="cur">Richtlijn emissie-eisen grote stookinstallaties (LCP-richtlijn)</tuskop>
      <al>De concentratiewaarden NO<inf>x</inf> voor stookinstallaties, neergelegd
in de LCP-richtlijn (EU-richtlijn met betrekking tot Large Combustion Plants),
welke thans zijn vastgelegd in het Besluit Emissie-Eisen Stookinstallaties
A (BEES) zijn wettelijke minimumeisen die ook in een systeem van kostenverevening
van kracht zullen blijven. De voorziene concentratiewaarde NO<inf>x</inf>
per inrichting zal overigens naar verwachting voorlopig verdergaande maatregelen
van een inrichting vragen dan deze op grond van de BEES-eisen op installatieniveau
zouden behoeven te nemen.  </al>
      <tuskop letat="cur">Eisen aan de juridische vormgeving van het systeem</tuskop>
      <al>Het in de studie ontwikkelde systeem heeft een privaatrechtelijk karakter.
De nodige afspraken tussen de betrokken overheden en de aan het systeem deelnemende
sectoren van het bedrijfsleven zouden bijvoorbeeld in een convenant kunnen
worden vastgelegd. Een centrale organisatie is belast met het toezicht op
de naleving van het convenant. De deelnemers aan het systeem sluiten met de
centrale organisatie contracten over de kilo's NO<inf>x</inf> die zij willen
kopen of verkopen. De centrale organisatie beheert het systeem, controleert
en ziet toe op de nakoming van de afgesloten contracten. </al>
      <tuskop letat="cur">Vervolg</tuskop>
      <al>Het bedrijfsleven heeft zich recent bereid verklaard om gezamenlijk met
de overheid de mogelijkheden van een systeem van kostenverevening op basis
van de uitgevoerde studie verder te onderzoeken.</al>
      <al>In de verdere uitwerking zullen in ieder geval de volgende punten aan
de orde komen:</al>
      <al>– Een systeem voor kostenverevening NO<inf>x</inf> richt zich in
eerste instantie op realisatie van de taakstelling voor 2005, maar zal ook
voor de periode daarna doelmatig moeten zijn voor de realisatie van verdergaande
doelen. Hierbij is met name van belang welke verplichting voor Nederland voortvloeit
uit de richtlijn nationale emissieplafonds verzuring die door de EU wordt
voorbereid.</al>
      <al>– De toepasbaarheid van het binnen de chemische industrie ontwikkelde
model voor het totaal van de bedrijven in de industrie, raffinaderijen en
de energiesector.</al>
      <al>– Het kwantitatief vaststellen van de concentratiewaarde.</al>
      <al>– Het aanpassen van bestaande regelgeving, waarbij er ook naar zal
worden gestreefd het BEES te vereenvoudigen.</al>
      <al>– Met de invoering van de wettelijke concentratiewaarde en het systeem
van kostenverevening worden de in de convenanten met bedrijfstakken overeengekomen
taakstellingen voor NO<inf>x</inf> ingevuld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Inmiddels is met het bedrijfsleven overleg gestart over de praktische
toepasbaarheid en de uitwerking van het in de studie voor de chemische industrie
ontwikkelde model. Dit overleg zal naar verwachting binnen een half jaar kunnen
leiden tot een besluit over de daadwerkelijke invoering van een systeem van
kostenverevening. </al>
      <tuskop letat="vet">Conclusie</tuskop>
      <al>Het instrument verhandelbare emissies is voor het Nederlandse milieubeleid
van belang omdat het door de kosteneffectiviteit de haalbaarheid van de milieudoelstellingen
vergroot. Verhandelbare emissies zijn geen wondermiddel en kunnen ook niet
voor alle milieuproblemen worden ingezet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op dit moment biedt de huidige nationale en Europese wetgeving onvoldoende
ruimte om verhandelbare emissies als alternatief voor regelgeving in te zetten,
zodat het instrument nu niet als een van de alternatieven kan worden beschouwd.</al>
      <al>Om het voor de lange termijn mogelijk te maken dat verhandelbare emissies
als volwaardig instrument kunnen worden ingezet, zal op dit moment op twee
sporen worden ingezet:</al>
      <al>Het eerste spoor is het opdoen van ervaring op het gebied van verhandelbare
emissies. Er wordt gewerkt aan de invoering van een systeem van NO<inf>x</inf>-kostenverevening
en aan het opstarten van een experiment van verhandelbare reducties
voor CO<inf>2</inf> zoals omschreven in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid.
Beide systemen lijken te kunnen worden ingepast in de huidige Nederlandse
en Europese regelgeving. Voor de langere termijn worden de mogelijkheden voor
het plafonneren van CO<inf>2</inf>-emissies verder uitgewerkt.</al>
      <al>Het tweede spoor betreft het starten van onderzoek gericht op het inventariseren
van wetgevings- en andere knelpunten en het formuleren van oplossingen, zodanig
dat duidelijk wordt welke activiteiten op nationaal en internationaal niveau
benodigd zijn om verhandelbare emissies volwaardig te kunnen invoeren.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</functie>
        <naam>J. P. Pronk </naam>
      </ondtek>
      <bijlage>
        <titel>BIJLAGEN</titel>
        <al>Bijlage 1: Ervaringen in de VS</al>
        <al>Bijlage 2: Rapport «Het uitruilmodel: een kansrijke variant voor
kostenverevening als instrument voor de bestrijding van NO<inf>x</inf>-emissies
van stationaire bronnen<voetref refid="v19.1" nr="1"></voetref></al>
        <tuskop letat="vet">Bijlage 1: Ervaringen in de VS</tuskop>
        <al>Vanaf eind jaren 70 zijn in de VS verschillende pogingen gedaan om meer
flexibiliteit te brengen in een op zichzelf nogal rigide en legalistisch systeem
voor emissiebeperking. In de loop der jaren zijn verschillende systemen van
verhandelbaarheid van emissies geïntroduceerd die alle beoogden om in
gebieden waar de milieukwaliteiteisen werden overschreden, emissiereducties
te realiseren op een meer kosteneffectieve wijze dan door een strikte toepassing
van uniforme emissie-eisen mogelijk was.</al>
        <al>Hiervoor werd aan bedrijven extra flexibiliteit geboden bij uitbreidingen
of voor het behalen van wettelijk vereiste emissiereducties. Deze flexibiliteit
bestond uit het toestaan van uitruil van emissies (met andere installaties
binnen dezelfde inrichting (netting), met een andere inrichting (offsets)
of uitruil in de tijd (banking)) dan wel uit het formuleren van een eis per
installatie in plaats van een eis per inrichting (bubble).</al>
        <al>In de literatuur wordt geconcludeerd dat deze systemen door de vele additionele
controle- en rapportageverplichtingen en de rigiditeit van de bestaande wetgeving
slechts een beperkt effect sorteerden. In de Clean Air Act van 1990 (onder
Titel IV) is aan het laatste probleem iets gedaan door expliciet ruimte te
bieden aan systemen van verhandelbare emissies. Met name had men daarbij een
systeem voor de verhandelbaarheid van SO<inf>2</inf>-emissies van de elektriciteitscentrales
op het oog. Dit systeem, bekend onder het Acid Rain programma, is in 1994
van start gegaan. Parallel hieraan werd in het South Coast Air Quality Management
District in Californië een ander, complexer systeem van verhandelbare
emissies voor zowel NO<inf>x</inf>- als SO<inf>2</inf>-emissies opgezet, genaamd
Reclaim. Dit systeem is eveneens sinds 1994 operationeel.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Het Acid Rain programma heeft tot doel om bij de elektriciteitscentrales
in de VS in 2010 een 50% reductie in SO<inf>2</inf>-emissies gerealiseerd
te hebben ten opzichte van de emissies in 1980. Gestart werd in 1995 met de
zogenaamde Phase I reducties bij 263 eenheden waarvan de emissies van 7,1
Mton in 1995 dienden te dalen naar een plafond van 6,0 Mton in 2000. Beoogd
werd om in Phase II praktisch alle met fossiele brandstoffen gestookte, elektriciteit
producerende installaties onder het programma te brengen, waarbij het plafond
als gevolg van het grotere aantal installaties initieel zou worden verhoogd
naar 9,48 Mton met als doel om in 2010 voor alle inrichtingen uit komen op
een emissie van 8,95 Mton SO<inf>2</inf>. De initiële verdeling van de
toegestane emissies («allowances») is gebaseerd op de gemiddelde
energie-inzet in de periode 1985–87, zij het met enige uitzonderingen
in verband met uitbreidingen, verandering van brandstof en ter compensatie
voor reeds genomen maatregelen.</al>
        <al>De «allowances» zijn niet gedefinieerd als «eigendomsrechten»,
hoewel erkend wordt dat veranderingen in de eenmaal toegestane «allowance»
politiek niet gemakkelijk zal zijn.</al>
        <al>De «allowance» is gedefinieerd als het «recht»
om in een jaar 1 ton SO<inf>2</inf> te emitteren. Deelnemers in het programma
zijn vooral de elektriciteitsbedrijven, makelaars (brokers) en de aanbieders
van brandstoffen, voornamelijk de kolenmijnen. De laatste bieden in een aantal
gevallen hun hoogzwavelige kolen aan samen met de daarvoor additioneel benodigde
«allowances». Voorts worden door het Environmental Protection
Agency (EPA), de overheidsinstelling die het programma heeft opgezet en op
de uitvoering ervan toeziet, jaarlijks veilingen van «SO<inf>2</inf>-allowances» gehouden met als doel de verhandelbaarheid van de «SO<inf>2</inf>-allowances» te faciliteren.</al>
        <al>Het programma eist van deelnemende partijen dat alle kolengestookte installaties
zijn voorzien van systemen waarbij de SO<inf>2</inf>, NO<inf>x</inf> en CO<inf>2</inf> uitstoot continu wordt gemeten. Gas- en oliegestookte installaties
mogen eenvoudigere systemen (brandstofmeters etc.) gebruiken om de emissies
te monitoren. Elke eenheid dient elk kwartaal de per uur vastgelegde meetgegevens
aan EPA te rapporteren. EPA hanteert een Allowance Tracking System (ATS) waarbij
van alle deelnemende partijen wordt bijgehouden hoeveel «allowances»
door elk van de betrokken partijen wordt gekocht, verkocht en gebruikt. Elke
«allowance» transactie tussen koper en verkoper alsmede de verhandelde
hoeveelheid moet aan EPA worden gemeld, die deze informatie binnen 24 uur
in het ATS verwerkt.</al>
        <al>Handhaving van het Acid Rain programma vindt plaats door aan het eind
van elk jaar de via ATS verkregen gegevens over de «SO<inf>2</inf>-allowances»
te vergelijken met de door de bedrijven opgegeven meetgegevens per uur. Overschrijding
van de toegestane emissie door een onvoldoende aantal «allowances»
veronderstelt dat teveel «allowances» zijn verkocht dan wel dat
te weinig maatregelen zijn genomen. Het leidt tot zware straffen, nl. een
boete van $ 2500 per ton SO<inf>2</inf> overschrijding en een additionele
«allowance» reductie voor het komende jaar.</al>
        <al>Het systeem staat expliciet open voor andere deelnemers in het programma.
Met name Phase II bedrijven kunnen toetreden tot Phase I. In totaal betrof
dat 182 Phase II bedrijven, die goedkope reducties konden aanbieden aan de
Phase I bedrijven, vanwege onderbezetting of doordat de installatie binnen
afzienbare termijn uit bedrijf zou worden genomen.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Het programma heeft geleid tot het ontstaan van een effectieve handel
in «SO<inf>2</inf>-allowances», tot lagere kosten en tot snellere
emissiereducties dan waarop aanvankelijk was gerekend.</al>
        <al>In 1997 waren er in totaal 1429 transacties waarbij 15 miljoen ton SO<inf>2</inf> werd verhandeld. Daarvan werden 810 transacties en 8 miljoen ton SO<inf>2</inf> verhandeld tussen verschillende partijen, en 619 transacties en 7
miljoen ton SO<inf>2</inf> verhandeld binnen de eigen onderneming.</al>
        <al>Een groot deel van de transacties betreft koop-verkoop tussen makelaars
en bedrijven (40%) en tussen makelaars onderling (20%). Bovendien, veel transacties
hebben betrekking op emissies in toekomstige jaren (tot een maximum van 8
jaar vooruit). Elk van deze transacties wordt apart in het ATS vastgelegd.
De prijzen die de afgelopen jaren werden gerealiseerd voor een «allowance»
variëren tussen $ 70 en $ 200 per ton SO<inf>2</inf>, hetgeen
duidelijk lager is dan prijzen in de orde van $ 250–350 die aanvankelijk
werden verondersteld. Aangenomen wordt dat naarmate Phase II dichter bij komt
de prijs van een «SO<inf>2</inf>-allowance» zal gaan oplopen.</al>
        <al>Er worden verschillende verklaringen gegeven voor de lagere prijsniveau's,
en dus voor het succes van het programma. In de eerste plaats is dat de bijzondere
situatie van de «rail-deregulation», waardoor laagzwavelige kolen
per spoor goedkoop vanuit het westen van de VS naar de elektriciteitscentrales
in het midden en oosten van de VS vervoerd konden worden. Een tweede argument
betreft de kostenbesparingen in bestrijdingsmaatregelen (t.w. rookgasreiniging),
en daarnaast de politieke druk in sommige staten om bij centrales die hoogzwavelige
kolen stoken, rookgasreiniging aan te brengen, alsmede in andere gevallen
de bouw van rookgasreinigingsinstallaties in de verwachting dat de prijzen
voor de «SO<inf>2</inf>-allowances» sterk zouden gaan stijgen.</al>
        <al>Het programma wordt als een succes gezien omdat in Phase I een groter
aantal installaties in het programma deelneemt dan verplicht, een grotere
reductie is bereikt dan aanvankelijk gepland en lagere prijzen worden gerealiseerd
dan aanvankelijk gedacht. </al>
        <witreg></witreg>
        <al>Reclaim (Regional Clean Air Incentives Market) is een programma dat tot
doel heeft om in 2003 een zodanige emissiereductie van NO<inf>x</inf> en SO<inf>2</inf> te realiseren dat daarmee in het gebied van Los Angeles de federale
luchtkwaliteitsdoelstellingen binnen bereik komen. Daarbij gingen de gedachten
aanvankelijk uit naar een systeem van verhandelbare emissiereducties voor
zowel de VOS- als NO<inf>x</inf>-emissies. Vanwege de toxische effecten van
sommige VOS-emissies, het daarom andere wettelijke regime, alsmede de complexe
problematiek van het meten van VOS-emissies, heeft men er uiteindelijk voor
gekozen om VOS-emissies buiten het programma te laten. Vervolgens bleek dat
de SO<inf>2</inf>-emissies wel in het systeem ingebracht konden worden. Voorts
werd gedurende het zeer omvangrijke en intensieve onderhandelingsproces, dat
hier 3 jaar in beslag nam, allengs duidelijk dat een systeem van verhandelbare
emissiereducties niet haalbaar was, en dat men ook in dit geval moest overstappen
naar een systeem met een emissieplafond dat in de loop der jaren jaarlijks
procentueel zou worden verlaagd tot het gewenste emissieniveau in 2003 werd
bereikt.</al>
        <al>De verdeling van de NO<inf>x</inf>- en SO<inf>2</inf>-allowances, RTC's
genaamd (Reclaim Trading Credits) voor het start jaar 1994 is dan ook gebaseerd
op emissiefactoren en een maat voor de bezettingsgraad van het betrokken bedrijf
in de periode 1989–1992. Bijstellingen van die «allowances»
in 2000 en een eindallocatie in 2003 dienen er toe om problemen van ongelijke
behandeling en onrechtvaardigheden van het systeem op te kunnen lossen.</al>
        <al>Vanaf 1994 tot aan 2003 worden de toegestane emissies jaarlijks verlaagd
met 8,3% in het geval van NO<inf>x</inf> en 6,8% in het geval van SO<inf>2</inf>. Deelnemers zijn alle bedrijven die jaarlijks een emissie hebben van
meer dan 4000 ton per jaar, in totaal 390 NO<inf>x</inf>-emitterende bedrijven
en 41 SO<inf>2</inf>-emittenten, en daarnaast makelaars die RTC's kunnen kopen
en verkopen. Voorts worden door de lokale overheid veilingen gehouden, waarbij
bedrijven in staat worden gesteld om een teveel aan RTC's aan te bieden aan
bedrijven met tekorten. Het continu monitoren van de emissies is verplicht
alsmede on-line rapportage aan de overheid.</al>
        <al>Hoewel de beschikbare informatie beperkt is tot de periode 1994–1997,
lijkt het er op dat het programma succesvol is met een redelijke actieve markt
in verhandelde RTC's en emissies beneden het voor het gebied totaal toegestane
emissieniveau. Het merendeel van de transacties vindt plaats tussen inrichtingen
of installaties binnen een onderneming. </al>
      </bijlage>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>«Kiezen voor Winst» Marktwerking in het milieubeleid: de potentiële
kostenvoordelen van een systeem van Verhandelbare EmissieRechten (VER), uitgegeven
juni 1997 door IPO in samenwerking met ministerie VROM, Ministerie EZ, DCMR,
Natuur en Milieu- en bedrijfsleven.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v6.1" nr="1">
    <al>Pollution for Sale, Emissions Trading and Joint Implementation, gebaseerd
op de workshop «Tradable Permits, Tradable Quota's and Joint Implementation»,
Steve Sorrell en  Jim Skea, Cheltenham, UK.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v19.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>