Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200426419 nr. 12

26 419
Toerisme en recreatie

nr. 12
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 12 november 2003

De vaste commissie voor Economische Zaken1 heeft op 23 oktober 2003 overleg gevoerd met staatssecretaris Van Gennip van Economische Zaken over de Vernieuwde Toeristische Agenda (26 419, nr. 11).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Örgü (VVD) zegt dat het een goede traditie was dat de staatssecretaris van Economische Zaken zowel voor het toerisme- als het recreatiebeleid verantwoordelijk was. Blijkens de brief is zij echter alleen verantwoordelijk voor toerisme. Kan de staatssecretaris aangeven waarom hiervoor is gekozen en welke bewindspersoon verantwoordelijk is voor recreatie? Op welke manier wordt verder uitvoering gegeven aan de motie-Voûte (26 419, nr. 4) waarin gevraagd wordt om een integrale beleidsnotitie voor toerisme en recreatie?

De recreatiesector is niet alleen een economisch belangrijke sector maar ook een belangrijke banenmotor voor mensen met een laag opleidingsniveau. Ziet de staatssecretaris mogelijkheden voor groei van deze sector?

In de brief wordt gesteld dat de omvang van het inkomend toerisme in geld gemeten bijna drie maal zo groot is als het binnenlandse toerisme. De VNG, VNO/NCW en MKB Nederland stellen daarentegen dat de bestedingen in het binnenlandse toerisme meer dan twee maal zo groot zijn als het inkomend toerisme. Kan de staatssecretaris dit verschil ophelderen en aangeven waarom zij het inkomend toerisme tot speerpunt van haar beleid heeft gemaakt?

De Wet op de openluchtrecreatie (WOR) wordt ingetrokken. Welke gevolgen heeft dit voor de kampeerplaatsen op boerderijen? Mevrouw Örgü vraagt verder of er gewerkt zal worden met ontheffingen voor kleinschalige kampeerboerderijen. Als dat de bedoeling is, wat wordt dan precies verstaan onder «kleinschalig»?

In de Vernieuwde Toeristische Agenda (VTA) wordt geen integrale visie gegeven op het plattelandstoerisme. Kan de staatssecretaris aangeven op welke wijze zij daaraan invulling zal geven?

Cultureel erfgoed en musea vallen onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Aangezien dit belangrijke trekpleisters zijn, zal het ministerie van OCW dus ook bij het toerismebeleid betrokken moeten worden. Op welke wijze wordt dat gedaan?

Mevrouw Örgü zegt dat ook een integrale aanpak ontbreekt ten aanzien van de nota Ruimte. Het is verder de inzet van de staatssecretaris om de ruimte voor recreatie en toerisme in deze nota te maximaliseren. De invulling hiervan is op dit moment echter te mager. Zo wordt niet aangegeven of zij kiest voor uitbreiding van de recreatieparken of de openstelling van natuurgebieden voor recreatie.

De commotie rond de stacaravans heeft ertoe geleid dat de markt voor deze caravans geheel stil ligt. Het is dan ook een goede zaak dat voor dit probleem een oplossing lijkt te zijn gevonden. Kan de staatssecretaris aangeven waarom er is gekozen voor een grens van € 30 000 voor de vrijstelling van de onroerendezaakbelasting (ozb)? Kan zij tevens aangeven waarom is besloten tot deze wijziging van beleid? Voorheen waren immers alle stacaravans roerende goederen.

Toerisme Recreatie Nederland (TRN) zal effectiever moeten gaan werken. Mevrouw Örgü benadrukt dat dit niet ten koste mag gaan van de promotieactiviteiten van deze organisatie. Zullen hierover prestatieafspraken worden gemaakt?

In de motie-Aptroot (29 200-XIII, nr. 11) wordt de regering gevraagd inzichtelijk te maken tot welke resultaten de overheidssteun aan TRN heeft geleid. Kan de staatssecretaris aangeven welk instrument haar ministerie gebruikt om deze resultaten te meten? Is zij verder bereid, toe te zeggen dat in het vergelijkende onderzoek naar toerismebeleid aandacht zal worden besteed aan de promotiemultipliers die in andere landen worden gehanteerd?

De staatssecretaris wil een toeristische benchmark laten uitvoeren naar de stedelijk-culturele omgeving in Nederland (Actie 2 van de VTA). Kan zij aangeven welke kosten hiermee gemoeid zijn? Is het overigens mogelijk om deze benchmark te vervangen door werkbezoeken en/of studiedagen?

Concurrentievervalsing door toeristenbelasting is een groot probleem. Ook wordt deze belasting nog steeds gebruikt voor het vullen van gaten in de gemeentelijke begrotingen. Mevrouw Örgü noemt dit onacceptabel en vraagt de staatssecretaris snel te bezien of deze belasting wordt afgeschaft of aan een plafond wordt gebonden. Is het overigens mogelijk om deze belasting te oormerken voor toeristisch beleid?

In de VTA ontbreken een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling en harde streefdata. Zo wordt niet aangegeven wanneer Actie 5 van de VTA gerealiseerd zal zijn en hoe hard de toezegging is dat Nederland in 2006 zal behoren tot de eerste zes landen op de internationale ranglijst van congresbestemmingen.

In Actie 7 van de VTA staat dat de betekenis van het seniorensegment en meer in het bijzonder de behoeften en voorkeuren van senioren zullen worden onderzocht. Waarom wordt dit onderzoek niet aan de sector zelf overgelaten?

De staatssecretaris wil de bekendheid van het instrumentarium voor ondernemers in de toerismesector door middel van een brochure vergroten (Actie 11 van de VTA). Mevrouw Örgü zegt dat haar voorkeur ernaar uitgaat dat hieraan bekendheid wordt gegeven door de brancheorganisaties.

Ten slotte wijst zij erop dat de diefstal van Europese parkeerkaarten voor gehandicapten een groot probleem is, omdat hierdoor het aantal beschikbare parkeerplaatsen voor recreërende invaliden afneemt. Kan de staatssecretaris aangeven hoe zij dit probleem zal aanpakken?

Mevrouw Schreijer-Pierik (CDA) zegt dat de VTA met name aan het inkomend toerisme een impuls kan geven. Om effectief te zijn zal aan de VTA wel een duidelijk tijdpad moeten worden verbonden. Verder zal de staatssecretaris ook duidelijkheid moeten verschaffen over de verantwoordelijkheidsverdeling.

Een integrale aanpak van toerisme en recreatie heeft een duidelijke meerwaarde. Mevrouw Schreijer betreurt het daarom dat er geen invulling lijkt te worden gegeven aan de motie-Voûte, waarin wordt gevraagd om een interdepartementale beleidsaanpak. Zal deze motie alsnog worden uitgevoerd en op welke manier zal de staatssecretaris invulling geven als coördinerend bewindspersoon aan haar verantwoordelijkheid om de kwaliteit van het toeristisch aanbod te verbeteren?

In de VTA ligt het zwaartepunt bij het inkomend toerisme. Door deze op zichzelf begrijpelijke keuze wordt echter onrecht gedaan aan het economisch belang van binnenlandse vakanties en dagrecreatie. Zo wordt niet aangeven wat zal worden gedaan aan de knelpunten in deze sector, zie de Knelpuntenlijst toeristisch-recreatief bedrijfsleven van het Platform Toerisme en Recreatie en het wensmenu Koninklijke Horeca Nederland. Kan de staatssecretaris aangeven hoe zij zal bevorderen dat het toeristisch-recreatief belang wordt meegewogen bij de beleidsbeslissingen op andere departementen?

De beleidsinspanningen en de financiële inspanningen van de regering mogen niet achterblijven bij die in de ons omringende landen. Mevrouw Schreijer zegt het daarom van belang te vinden dat het onderzoek naar toeristische beleidsontwikkelingen in de ons omringende landen binnen een jaar wordt afgerond en dat er zo nodig nog voor de begroting van 2005 in samenspraak met het bedrijfsleven en TRN maatregelen worden genomen.

Ruimtelijke spreiding en toeristische ontwikkeling van nieuwe stedelijke bestemmingen zijn van groot belang, niet in de laatste plaats om de regionale economische structuur te versterken. De internationale stedelijke benchmark (Actie 2 van de VTA) zal zich dan ook niet eenzijdig op Amsterdam en grootstedelijke evenementen mogen richten. Is de staatssecretaris het hiermee eens en, zo ja, zal zij dan regionale evenementen als de Landesgartenschau Losser-Gronau en Delfsail steunen?

In de VTA wordt aanbevolen om maatregelen te ontwikkelen die de gevolgen van calamiteiten op korte termijn, bijvoorbeeld de gevolgen van een MKZ-uitbraak, tot een minimum beperken. Wat zullen de effecten hiervan zijn voor het toeristisch-recreatieve bedrijfsleven?

De toeristenbelasting is en blijft een steen des aanstoots voor het bedrijfsleven. Het is dan ook van belang dat het kabinet op korte termijn zijn standpunt ter zake formuleert. Mevrouw Schreijer zegt dat hierbij zeker ook de wijze waarop hiermee in het buitenland wordt omgegaan, moet worden betrokken. Verder merkt zij op dat, indien afschaffing van deze belasting onmogelijk blijkt, het haar voorkeur heeft dat in de toekomst alle bij toerisme en recreatie belanghebbende ondernemers bijdragen aan de investeringen in het toerisme en dat toeristenbelasting alleen wordt geheven in toeristische gemeenten.

Het is een goede ontwikkeling dat ervoor is gekozen om exportbevordering sterker dan voorheen te koppelen aan het toeristisch beleid. In de handelsmissies zullen de keuzes van TRN echter wel richtinggevend moeten zijn.

TRN heeft na de turbulente beleidswijzigingen uit het recente verleden recht op rust en duidelijkheid. Onderschrijft de staatssecretaris dit en is zij bereid om op korte termijn in samenspraak met de sector afspraken te maken met TRN?

Er zal een oplossing moeten worden gevonden voor de overheadproblematiek bij TRN. Deze oplossing moet echter wel op voldoende draagvlak kunnen rekenen. Mevrouw Schreijer benadrukt verder dat in de nieuwe afspraken met TRN een balans moet worden gevonden tussen de beschikbare middelen en de geformuleerde ambities. Verder zal de Kamer over de voortgang van het proces moeten worden geïnformeerd.

De beleidsmatige afstemming tussen de VVV's, de provinciale bureaus voor toerisme en TRN laat te wensen over. Hoe denkt de staatssecretaris dit probleem op te lossen?

In aanbeveling 7 van het interdepartementale beleidsonderzoek naar de Vogel- en Habitatrichtlijn wordt aangedrongen op vermindering van de bestuurlijke lasten en kosten voor het bedrijfsleven. Verder zal door de regering worden onderzocht wat de kosten van de natuurbeschermingswetgeving zijn en hoe deze kunnen worden verminderd. Wanneer mag de Kamer concrete maatregelen van de regering tegemoet zien? Mevrouw Schreijer merkt op dat het bedrijfsleven niet alleen met de nadelige gevolgen van deze wetgeving wordt geconfronteerd, maar ook met die van de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de weten regelgeving voor waterbeheer. Zal de staatssecretaris zich ervoor blijven inzetten dat de knelpunten die hierdoor zijn ontstaan, worden weggenomen, opdat de sector zich ook in de toekomst op een goede manier verder kan ontwikkelen?

Het is een stap in de goede richting dat staatssecretaris Wijn een voorstel heeft gedaan voor een waardevrijstelling voor stacaravans en kleine tuinhuisjes. Dit voorstel is echter geen oplossing voor het probleem van het juridisch eigendomsrecht, de zogenaamde natrekking. Wanneer zal de regering de Kamer informeren over mogelijke oplossingen?

Ten slotte benadrukt mevrouw Schreijer dat duurzaam toerisme hoog op de agenda dient te blijven staan en dat het daarom te betreuren is dat aan deze vorm van toerisme zo weinig aandacht wordt besteed in de VTA.

De heer Blom (PvdA) wijst erop dat de verantwoordelijkheid voor toerisme en recreatie over meerdere departementen is verdeeld en dat de staatssecretaris in dit geheel voor haarzelf een coördinerende rol ziet weggelegd. Niet duidelijk is echter hoe zij deze rol inhoud denkt te geven en over welke bevoegdheden zij beschikt.

De VTA is een agenda. Aan de verschillende acties zijn vreemd genoeg echter geen streefdata toegevoegd. Kan de staatssecretaris aangeven waarom zij geen tijdspad heeft verbonden aan haar voornemens? De heer Blom vraagt verder of duidelijk aangeven kan worden wie waarop afgerekend kan worden.

De keuze in de VTA voor inkomend toerisme is ingegeven door het grotere economische belang van deze vorm van toerisme boven binnenlands toerisme. Deze onderbouwing lijkt er echter aan voorbij te gaan dat een investering in een sector die minder goed loopt, vaak meer rendement oplevert. Is een en ander wellicht een uitvloeisel van de beperkte definitie van toerisme als het reisverkeer met een vakantie- of zakelijk motief, met ten minste één overnachting?

Inkomend toerisme is een breed begrip. De heer Blom noemt het daarom een gemis dat in de VTA niet wordt aangeven welke verschillende groepen toeristen de staatssecretaris daarbij op het oog heeft.

De staatssecretaris stelt dat de toeristische sector hinder ondervindt van het ondernemingsklimaat. Kan zij aangeven wat hiermee precies wordt bedoeld en hoe zij dit probleem zal aanpakken?

Het beleid van het ministerie is gericht op het realiseren van groei in de toeristische en recreatieve sector. Kan de staatssecretaris aangeven naar welk percentage economische groei zij streeft en over welke instrumenten zij beschikt om het rendement van de investeringen van het ministerie te meten? Vervolgens vraagt de heer Blom hoe deze investeringen uitwerken op de werkgelegenheid en of de staatssecretaris bereid is meer te investeren als deze effecten positief zijn.

In de VTA wordt een nogal negatief beeld van TRN geschetst. De heer Blom zegt dat dit niet kan verbloemen dat de staatssecretaris zelf ook in belangrijke mate verantwoordelijk is voor de gang van zaken bij TRN.

De toeristische en recreatieve sector bestaat voor een belangrijk deel uit kleinere ondernemers. De werkwijze van TRN dient hierop toegesneden te zijn, hetgeen betekent dat al te grootschalige activiteiten van TRN weleens hun doel voorbij kunnen schieten. Hoe zal de staatssecretaris de positie van de kleinere ondernemers versterken?

De heer Blom vraagt de staatssecretaris of zij de toeristenbelasting wil handhaven of afschaffen. Als zij deze belasting wil handhaven, is het dan haar bedoeling dat gemeenten deze belasting in de toekomst oormerken?

Hij wijst er ten slotte op dat het VVV-netwerk nogal verkokerd oogt. Is de staatssecretaris het hiermee eens en, zo ja, hoe zal zij deze verkokering dan doorbreken?

Het antwoord van de staatssecretaris

De staatssecretaris zegt dat zij aangespoord door de wens van de Kamer kort na haar aantreden ervoor heeft gekozen om het toerismebeleid wederom tot een kerntaak van het ministerie te maken. De uitvoering van dit beleid is de taak van TRN. In de VTA zijn de speerpunten van dit beleid voor de komende jaren neergelegd.

Zowel de Kamer, zie de motie-Voûte, als het bedrijfsleven hebben in het verleden aangedrongen op een integrale en interdepartementale aanpak van het beleid voor toerisme en recreatie. De staatssecretaris wijst erop dat de regering deze wens heeft gehonoreerd en dat deze integrale benadering de basis vormt van het Toeristisch Recreatief Actieprogramma (TRAP).

De belangrijkste doelstellingen van het TRAP zijn de zorg voor de kwaliteit en kwantiteit van de recreatiemogelijkheden en het behoud en de duurzame versterking van de concurrentiepositie van de toeristische sector in internationaal verband. In de VTA zijn de specifieke verantwoordelijkheden uitgewerkt die het ministerie van Economische Zaken in het TRAP zijn toebedeeld.

De verantwoordelijkheid voor het recreatiebeleid ligt bij het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, omdat dit beleid veel raakvlakken heeft met het beleid voor plattelandsontwikkeling. De staatssecretaris benadrukt dat de samenwerking met dit ministerie goed is.

Het ministerie van Economische Zaken is primair verantwoordelijk voor de versterking van de internationale concurrentiepositie van de toeristische sector en de coördinatie en de integratie van het beleid voor toerisme en recreatie. De staatssecretaris merkt op dat zij hieraan zo nodig invulling kan geven door bij andere departementen en lagere overheden te interveniëren.

Inkomend toerisme is het speerpunt van de VTA, omdat de bijdrage van het ministerie van Economische Zaken hier een duidelijke meerwaarde heeft boven die van andere partijen. Onder inkomend toerisme wordt niet alleen zakelijk verkeer, maar ook vakantieverkeer verstaan, omdat beide een belangrijke economische bijdrage leveren. Een en ander laat overigens onverlet dat het ministerie Nederlanders zal blijven aanmoedigen om in Nederland op vakantie te gaan. Zij merkt op dat haar bijdrage vooral zal bestaan uit de samenbundeling via TRN van tot nu toe versnipperde activiteiten en marketing van het toeristisch aanbod in het buitenland.

Lagere overheden, brancheorganisaties, de VVV's en het bedrijfsleven leveren een bijdrage aan het versterken van binnenlands toerisme. De staatssecretaris zegt dat daarom de belangrijkste verantwoordelijkheid voor deze sector niet bij de rijksoverheid moet worden gelegd. Bovendien moet niet uit het oog worden verloren dat de toeristisch-recreatieve sector een volwassen, dynamische sector is die op dezelfde manier dient te worden behandeld als andere sectoren. Een en ander geldt ook voor de ondersteuning van individuele evenementen.

Zij herinnert er vervolgens aan dat toerismebeleid een element is in haar beleid voor regionale structuurversterking, zie het Kompas van het Noorden en het grotestedenbeleid. Verder worden grote evenementen als de Landesgartenschau Losser-Gronau via cofinanciering van Europese subsidies gesteund. In totaal is hiervoor, onder meer via het grotestedenbeleid, ongeveer 100 mln euro beschikbaar.

De rijksoverheid dient zich bij het toerisme vooral te concentreren op het afstemmen met het buitenland van inspanningen om het toerisme te bevorderen en het wegnemen van marktimperfecties. Daarbij kan worden gedacht aan informatievoorziening en schaalvoordelen bij promotieactiviteiten.

Een belangrijke taak van het ministerie is het verbeteren van het ondernemingsklimaat in Nederland, onder meer door het bestrijden van overbodige en tegenstrijdige regelgeving. Van dit generieke beleid, onder andere gericht op het verlagen van de administratievelastendruk met 25%, profiteert natuurlijk ook de toeristisch-recreatieve sector. Om deze doelstelling te bereiken zijn inmiddels werkgroepen in het leven geroepen die de meldingen bij het meldpunt tegenstrijdige regelgeving zullen onderzoeken. De staatssecretaris wijst er verder op dat de toeristisch-recreatieve sector ook zal profiteren van haar inspanningen om de problemen rond de opvolging in familiebedrijven op te lossen.

Het ministerie van Economische Zaken is intensief betrokken bij het opstellen van de nota Ruimte. De staatssecretaris zegt dat zij zich er daarbij sterk voor zal maken dat voldoende ruimte wordt geboden aan economische activiteiten. Daarbij zal zij vanuit haar rol als coördinerend bewindspersoon voor toerisme en recreatie bijzondere aandacht besteden aan de belangen van de toeristisch-recreatieve sector en de knelpunten die het gevolg zijn van de natuurbeschermingswetgeving, waaronder de Vogel- en Habitatrichtlijn. De staatssecretaris benadrukt dat in deze nota met meerdere belangen rekening moet worden gehouden, hetgeen betekent dat de belangen van toerisme en recreatie zullen worden afgewogen tegen de belangen van natuur en landschap.

Hierbij moet verder in het oog worden gehouden dat het belang van de toeristische sector, bijvoorbeeld het wensmenu Koninklijke Horeca Nederland, slechts één van de belangen is waaraan door de overheid recht moet worden gedaan. Dit wensmenu wordt overigens op dit moment geanalyseerd. Als deze analyse is afgerond, zal de Kamer hierover nader worden geïnformeerd.

De sector heeft aangegeven dat zich in sommige landen, waaronder China, problemen voordoen bij de verstrekking van visa voor Nederland. Hierover is contact opgenomen met het ministerie van Buitenlandse Zaken. De staatssecretaris zegt dat het haar indruk is dat mede hierdoor deze problemen op afzienbare termijn opgelost kunnen worden.

Het kabinet moet echter altijd belangen tegen elkaar afwegen, zowel inhoudelijke als financiële belangen. Het is daarom niet altijd mogelijk om aan alle wensen van de sector tegemoet te komen. Het Platform Toerisme en Recreatie zal worden gevraagd te komen met een nadere prioritering.

De staatssecretaris erkent dat de VTA aan kracht heeft ingeboet, doordat er geen tijdspad en verantwoordelijkheidsverdeling in is opgenomen. Binnen drie weken zal deze omissie door middel van een appendix bij de VTA worden hersteld.

In de VTA is gekozen voor concentratie van de inzet van capaciteit en middelen. Deze keuze moet worden vertaald naar het activiteitenprogramma van TRN. Het overleg dat hierover momenteel wordt gevoerd, zal uitmonden in een prestatiecontract. Zodra dit contract is afgesloten, zal de Kamer hierover en over de gevolgen voor de organisatie van TRN worden geïnformeerd. In deze brief zal ook worden ingegaan op de prestatie-indicator, de verwachte percentuele groei van het toerisme en de werkgelegenheidseffecten.

De bezuiniging op de begroting van TRN slaat primair neer op de overheadkosten. Het budget voor promotieactiviteiten zal dan ook zo veel mogelijk buiten schot worden gehouden. De staatssecretaris merkt op dat de financiële bijdrage van de sector aan de activiteiten van TRN ter bevordering van de toeristische ontwikkeling te laag is. Over een verhoging van de bijdrage zal met de sector worden gesproken.

De VVV's vervullen een belangrijke rol. Dit neemt niet weg dat zij zich op hun positie moeten beraden om adequaat te kunnen blijven reageren op de ontwikkelingen op het terrein van de informatievoorziening. TRN is hierbij de natuurlijke partner van de VVV's. De bijdrage van het ministerie aan de nieuwe Stichting VVV Nederland zal zich vooral richten op het bevorderen van duidelijke en eenduidige informatievoorziening. Op die manier kan namelijk een brug worden geslagen tussen de verwachtingen van en de beleving door bezoekers. Duur en omvang van deze bijdrage is mede afhankelijk van de voorstellen die de Stichting VVV Nederland ter zake zal doen.

De staatssecretaris zegt het vervolgens te betreuren dat de fusie tussen ANVV en TRN niet is gerealiseerd. Een en ander neemt niet weg dat de VVV's en de TRN's op een vruchtbare manier zullen moeten samenwerken. Het ministerie zal hen daarbij ondersteunen.

Het ministerie zal samen met TRN en de Vereniging van Nederlandse Congres- en Vergaderbelangen onderzoeken hoe Nederland een aantrekkelijker congresbestemming kan worden. Het is de bedoeling dat Nederland in 2010 tot de zes meest aantrekkelijke congresbestemmingen behoort (Actie 5 van de VTA).

Er is gekozen voor een onderzoek naar het seniorensegment (Actie 7 van de VTA), omdat de seniorenmarkt een groeiende markt is met nieuwe behoeftes. Het is verder de verwachting dat dit onderzoek relevante informatie oplevert over de ontwikkelingen in de gehele toeristisch-recreatieve sector.

Er is besloten tot het ontwikkelen van een brochure over het instrumentarium voor ondernemerschap en innovatie (Actie 11 van de VTA), omdat veel ondernemers hebben aangegeven dat zij de weg naar deze instrumenten maar moeilijk kunnen vinden. Mocht een brochure volgens de sector niet het meest geëigende middel zijn, zal met de sector contact worden opgenomen over andere mogelijkheden.

Musea en cultureel erfgoed zijn niet alleen belangrijke trekpleisters voor het binnenlands toerisme, maar ook voor het inkomend toerisme. Om deze trekpleisters duidelijker op de kaart te zetten is ervoor gekozen om vanaf 2006 de evenementen beter op elkaar af te stemmen en te gaan werken met één thema per twee jaar. Hierover wordt overleg gevoerd met staatssecretaris Van der Laan van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, betrokken instellingen en gemeenten.

Het onderzoek naar de toeristenbelasting, dat is aangekondigd in het TRAP, is recentelijk afgerond. Zodra het kabinet een standpunt ter zake heeft geformuleerd, zal de Kamer worden geïnformeerd. De staatssecretaris zegt verder toe dat zij de Kamer dit onderzoek zal doen toekomen. Aanvullend op dit onderzoek zal in het komende Continu Vakantie Onderzoek aandacht worden besteed aan de relatie tussen belastingheffing en bestemmingskeuze (Actie 9 van de VTA).

In de VTA is gekozen voor een engere benadering van toerisme dan in vele andere stukken, omdat de definitie van reisverkeer in de VTA de meest zuivere methode is om op macro-economisch niveau de toegevoegde waarde van toerisme te meten. Een en ander laat onverlet dat er onduidelijkheid bestaat over de precieze betekenis van het cijfermateriaal. De staatssecretaris zegt met het oog hierop toe dat het Centraal planbureau zal worden gevraagd om het cijfermateriaal te analyseren en een voorstel te doen voor een meer eenduidige systematiek om de economische waarde van de toeristische sector te bepalen.

Het onderzoek naar de toeristische beleidsontwikkelingen in andere landen zal voor de zomer van 2004 worden afgerond. Het doel van dit onderzoek is te leren van de ontwikkelingen in andere landen en te komen tot een betere afstemming met activiteiten in het buitenland.

De studie naar het effect van calamiteiten op het reisgedrag van toeristen laat zien dat calamiteiten op de langere termijn geen aantoonbare gevolgen hebben. Een en ander laat onverlet dat de effecten voor een specifieke ondernemer op de korte termijn ingrijpend kunnen zijn. Om deze effecten zo veel mogelijk te mitigeren heeft TRN inmiddels een draaiboek ontwikkeld voor calamiteiten. Verder zal worden bezien of het wenselijk en mogelijk is om toeristische bedrijven ingeval van een toekomstige MKZ-uitbraak aanspraak te laten maken op een uitkering uit het noodfonds van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Hierbij dient wel in het oog te worden gehouden dat dergelijke noodfondsen bedoeld zijn voor het opvangen van structurele effecten.

De verantwoordelijkheid voor het uitbouwen van duurzaam toerisme ligt primair bij de sector en de toeristen. De staatssecretaris zegt dat zij in haar beleid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen hieraan aandacht zal besteden. Die aandacht zal overigens vooral gericht zijn op het uitgaand toerisme. Verzoeken uit het bedrijfsleven voor voorwaardenscheppende maatregelen zullen natuurlijk welwillend worden bezien.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is voornemens om de WOR in te trekken. Als de desbetreffende intrekkingswet wordt aangenomen, zal een overgangsregeling in het leven worden geroepen voor gemeenten. De minister heeft de Kamer hierover inmiddels geïnformeerd. De gemeenten zullen te zijner tijd nader worden geïnformeerd in een nieuw boekje in de groene reeks van de VNG.

De door staatssecretaris Wijn van Financiën voorgestelde waardevrijstelling voor stacaravans en tuinhuisjes tot € 30 000 biedt een oplossing voor het grootste deel van de problemen rond de ozb. De staatssecretaris benadrukt dat deze oplossing mede tot stand is gekomen doordat zij staatssecretaris Wijn op het belang van deze caravans en huisjes voor de toeristisch-recreatieve sector heeft gewezen.

Met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het ministerie van Justitie zal contact worden opgenomen over de problemen rond de diefstal van Europese parkeerkaarten voor gehandicapten.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Örgü (VVD) vraagt de staatssecretaris aan te geven welke prestatie-indicatoren haar ministerie op dit moment gebruikt om de resultaten van de overheidssteun aan TRN te meten. Kan zij verder nog iets zeggen over de promotiemultiplier?

Mevrouw Schreijer-Pierik (CDA) zegt dat er nog geen afdoende oplossing is voor de problemen rond de stacaravans. Dat geldt vooral voor het belangrijke probleem van het juridisch eigendomsrecht.

Is de staatssecretaris bereid om de Kamer op korte termijn te berichten over de problemen rond de VVV's en de gesprekken die daarover worden gevoerd?

De heer Blom (PvdA) vraagt de staatssecretaris dieper in te gaan op zijn vraag over de doelgroepen in haar toerismebeleid en het soort toerisme dat zij wil bevorderen.

Kan zij verder aangeven welke kwaliteitscriteria zij hanteert voor kusttoerisme en recreatie in de kuststrook? Ten slotte vraagt de heer Blom of de staatssecretaris kan ingaan op haar invulling van het begrip «kwaliteit» in haar beleid voor toerisme.

De staatssecretaris zegt toe dat de Kamer schriftelijk zal worden geïnformeerd over de prestatie-indicatoren die haar ministerie hanteert om het functioneren van TRN te meten.

De promotiemultiplier is een systematiek die het mogelijk maakt om verschillende promotieactiviteiten onderling te vergelijken. Deze multiplier levert dus geen informatie op over het rendement van de promotieactiviteiten. Over mogelijkheden voor een betere berekeningssystematiek wordt overlegd met TRN.

De betrokken bewindslieden zullen worden ingelicht over de door de commissie aan de orde gestelde problemen rond de stacaravans.

De staatssecretaris verzekert dat de Kamer op de hoogte zal worden gehouden van de ontwikkelingen rond de VVV's.

Ten slotte zegt zij toe dat er schriftelijk zal worden ingegaan op de vraag welke criteria worden gehanteerd om de kwaliteit van toerisme en de toeristische sector te bepalen en welk type toerisme de regering wil bevorderen.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,

De Grave

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Tielens-Tripels


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Crone (PvdA), De Grave (VVD), voorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), ondervoorzitter, Atsma (CDA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Blok (VVD), Ten Hoopen (CDA), Slob (ChristenUnie), Van den Brink (LPF), Duyvendak (GroenLinks), Kortenhorst (CDA), Hessels (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Varela (LPF), Algra (CDA), Van Fessem (CDA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Smeets (PvdA), Douma (PvdA), De Krom (VVD), Van der Laan (D66), Heemskerk (PvdA), Van Dam (PvdA) en Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD).

Plv. leden: Tichelaar (PvdA), Örgü (VVD), De Nerée tot Babberich (CDA), Van Hijum (CDA), Koenders (PvdA), Vos (GroenLinks), Weekers (VVD), Jan de Vries (CDA), Van der Vlies (SGP), Hermans (LPF), Van den Brand (GroenLinks), Verburg (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Lazrak (SP), De Ruiter (SP), Eerdmans (LPF), De Haan (CDA), Van Dijk (CDA), Hofstra (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Van Heteren (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Giskes (D66), Tjon-A-Ten (PvdA), Waalkens (PvdA) en Szabó (VVD).