﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="lyst">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26400-4/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1999-2000</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.4__2.11" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST41389</ordernr>
    <vergjaar>1999-2000</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 400</nummer>
      <naam>Toezicht op keuringen in Nederland</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>4</nummer>
      <titel>LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN </titel>
      <datum>Vastgesteld 25 oktober 1999</datum>
      <al>De commissie voor de Rijksuitgaven<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> en de
vaste commissies voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport<voetref refid="v1.2" nr="2"></voetref>, voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij<voetref refid="v1.3" nr="3"></voetref>,
voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid<voetref refid="v1.4" nr="4"></voetref>, voor Verkeer
en Waterstaat<voetref refid="v1.5" nr="5"></voetref>, voor Economische Zaken<voetref refid="v1.6" nr="6"></voetref> en voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer<voetref refid="v1.7" nr="7"></voetref> hebben een aantal vragen aan de regering voorgelegd over
het rapport van de Algemene Rekenkamer «Toezicht op keuringen in Nederland».</al>
      <al>De minister van Economische Zaken heeft mede namens de Ministers van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de vragen beantwoord per brief van
22 oktober 1999.</al>
      <al>Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.</al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van commissie voor de Rijksuitgaven,</functie>
        <naam>Van Walsem</naam>
        <functie>De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn
en Sport,</functie>
        <naam>Essers</naam>
        <functie>De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij,</functie>
        <naam>Ter Veer</naam>
        <functie>De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,</functie>
        <naam>Terpstra</naam>
        <functie>De voorzitter van de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat,</functie>
        <naam>Blaauw</naam>
        <functie>De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,</functie>
        <naam>Biesheuvel</naam>
        <functie>De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,</functie>
        <naam>Reitsma</naam>
        <functie>De griffier van de commissie voor de Rijksuitgaven,</functie>
        <naam>Van der Windt</naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">Algemeen</tuskop>
      <tuskop letat="vet">1</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Moet uit het onderzoek van de Algemene Rekenkamer de
conclusie worden getrokken dat het aanbeveling verdient om te streven naar
(verdergaande) samenwerking, of een fusie tussen keuringsdiensten en/of rijksinspecties?
Zo ja, op welke wijze gaat de regering dit bevorderen? Zo nee, op welke gronden
acht de regering dit niet aan te bevelen? (blz. 4)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naar optimale samenwerking tussen keuringsdiensten en Rijksinspecties
wordt altijd gestreefd. Dat is een continu proces en het rapport van de Algemene
Rekenkamer kan dat proces ondersteunen. Een fusie van deze diensten is echter
niet aan de orde vanwege:</al>
      <al>– de grote verscheidenheid aan keuringsstelsels (de AR heeft slechts
een fractie onderzocht van alle wettelijke keuringen waarmee de Rijksoverheid
bemoeienis heeft en waarvoor zij de verantwoordelijkheid draagt);</al>
      <al>– de zeer uiteenlopende aard van de «producten» die
gekeurd worden (van benzinepompen tot varkensvlees);</al>
      <al>– het verschil tussen keuringsinstellingen die wettelijke keuringen
verrichten en Rijksinspecties; de keuringsinstellingen zijn merendeels private
organisaties (denk aan garages die de APK uitvoeren); de Rijksinspecties daarentegen
zijn publiekrechtelijke lichamen.</al>
      <al>Overigens wordt mede in het belang van de bescherming van de burger door
de regering nagedacht over de samenwerking bij het Staatstoezicht op de Volksgezondheid
en wordt integratie van inspecties serieus overwogen. Hetgeen met zich meebrengt
dat niet uitgesloten mag worden dat dit organisatorische gevolgen kan hebben
voor de keuringsinstanties.</al>
      <tuskop letat="vet">2, 12 en 18</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deelt de regering de conclusie van de Algemene Rekenkamer
dat de verschillende ministeries een redelijk niveau van bescherming van de
burger niet kunnen waarborgen vanwege het ontbreken van een sluitend toezicht
op de wettelijke keuringen? (blz. 6)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Onderschrijft de regering de conclusie van de Rekenkamer,
dat de informatie over de resultaten van de keuringen en over het functioneren
van de keuringsinstellingen onvoldoende is als basis voor een oordeel van
de verantwoordelijke ministers over het bereikte beschermingsniveau voor de
burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is de regering van mening dat dit afbreuk
doet aan de bescherming van de burger en zijn er plannen hierin verandering
aan te brengen en op welke wijze? Kunnen bij de beantwoording de conclusies
van de verschillende ministers, genoemd op blz. 23 worden betrokken.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Onderschrijft de regering de conclusie in het nawoord
van de Rekenkamer, dat een toezichtketen sluitend moet zijn en zijn de door
de verschillende ministeries genoemde maatregelen om dit te bereiken voldoende?
Hoe interpreteert de regering daarbij het gegeven dat één minister,
te weten de minister van Economische Zaken, in tegenstelling tot de overige
ministers, van mening is dat de gehanteerde praktijk voldoende is? Kan daarbij
de situatie ontstaan, dat een minister niet of niet voldoende inzicht heeft
in de afweging tussen de maatschappelijke kosten en de bescherming van de
burger? Welke conclusie wordt daaruit door de regering getrokken?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals de Rekenkamer in haar rapport op pagina 23 heeft aangegeven, heeft
de regering moeite met de algemene conclusie dat zij lang niet altijd zou
kunnen instaan voor een redelijk niveau van bescherming van de burger. De
conclusie van de Rekenkamer is gebaseerd op een zeer gering aantal (10) wettelijke
keuringen en kan daarom, naar de mening van de regering, geen algemene geldigheid
hebben. Bovendien is deze conclusie evenmin van toepassing op
de wel onderzochte keuringen. Zo wordt bijvoorbeeld het toezicht ten aanzien
van de drinkwaterkeuringen door de Rekenkamer op vrijwel alle aspecten als
toereikend aangemerkt. De bescherming van de burger is voldoende gewaarborgd,
al zijn verbeteringen in het toezicht op de wettelijke keuringen wel mogelijk.
De suggesties die hiervoor door de Rekenkamer zijn gedaan zullen bij de verdere
beleidsvorming worden betrokken.</al>
      <al>De regering onderschrijft niet de conclusie van de Rekenkamer, dat de
informatie over de resultaten van de keuringen en over het functioneren van
de keuringsinstellingen onvoldoende is als basis voor een oordeel van de verantwoordelijke
ministers over het bereikte beschermingsniveau voor de burger. De regering
heeft de Rekenkamer eerder aangegeven niet te twijfelen aan de kwaliteit van
de onderzochte keuringen.</al>
      <al>De Rekenkamer erkent ook dat er uit haar onderzoek geen signalen zijn
gekomen dat de resultaten van de keuringen onvoldoende zouden zijn.</al>
      <tuskop letat="vet">3</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke (beleids)maatregelen heeft de regering genomen
of is zij voornemens te nemen, gelet op de in hoofdstuk 1.2 genoemde Europese
regelgeving? (blz. 13)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor het goed functioneren van de interne markt is voor een groot aantal
productgroepen de wetgeving in de Unie geharmoniseerd door middel van Europese
richtlijnen (o.a. vormgegeven door CE-markering), die in de lidstaten worden
omgezet in regelgeving.</al>
      <al>Naar schatting van de Europese Commissie dekken deze richtlijnen inmiddels
meer dan 60% van de intracommunautaire handel.</al>
      <al>Daarnaast is het streven van de Europese Unie er op gericht de komende
jaren te komen tot een verdere harmonisatie in beleid ten aanzien van het
aanwijzen van instellingen en het toezicht op de markt, waarbij accreditatie
een belangrijke rol kan spelen, doch niet verplicht wordt gesteld. De Nederlandse
overheid ondersteunt en geeft mede vorm aan dit beleid in Brusselse gremia.
Deze systematiek wordt op nationaal niveau gecoördineerd in de Interdepartementale
Commissie voor Normalisatie en Certificatie (ICN).</al>
      <tuskop letat="vet">4, 5 en 11</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Algemene Rekenkamer stelt in haar rapport –
en ook in haar conclusies – dat de controlerende instanties buiten de
overheid beter voldoen aan het overzicht en de omvang van het keuringsveld
dan de Rijksinspecties. Is de regering van mening dat de controle door de
genoemde Rijksinspecties verbeterd moet worden en zo ja, op welke wijze moet
dit worden vormgegeven?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de regering van mening dat voor de genoemde instanties,
voorzover zij vallen onder haar verantwoordelijkheid, extra of aanvullende
maatregelen moeten worden getroffen omtrent waarborgen voor integriteit? Zo
ja, welke maatregelen en bij welke organisatie?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe denkt de regering structureel vorm te geven aan
het toezicht, met name de kwaliteit en de resultaten van het toezicht. (blz. 21)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De regering is niet in alle gevallen van mening dat de controle door de
genoemde Rijksinspecties behoeft te worden verbeterd. In een aantal gevallen
is geconstateerd dat de controle wel voldoende is, maar dat de schriftelijke
vastlegging van resultaten kan worden verbeterd, zodat bijvoorbeeld de Rekenkamer
achteraf ook kan vaststellen welke handelingen hebben plaatsgevonden. Acties
zijn daartoe aangekondigd.</al>
      <al>Echter, gezien de diversiteit in soorten keuringen, keuringsgebieden en
daarmee samenhangend toezicht is een uniforme aanpak van verbeteracties niet
goed mogelijk. </al>
      <al>De door de AR opgestelde checklist kan worden gehanteerd als hulpmiddel
in het geval een bestaande keuring in opzet of werking wordt gewijzigd of
als een nieuwe wordt opgezet. Het systematisch en controleerbaar vastleggen
van informatie is een belangrijk aandachtspunt voor de regering. Verschillende
acties zijn reeds toegezegd. De aanpak zal echter ook pragmatisch van aard
moeten zijn, want het is zeer de vraag of uitgebreidere systemen van informatievoorziening
nuttig en nodig zijn. Kosten en baten moeten daarbij tegen elkaar worden afgewogen.</al>
      <al>Voor instanties buiten de overheid kunnen verschillende regimes van toepassing
zijn.</al>
      <al>Indien organisaties geaccrediteerd zijn, moeten zij voldoen aan bepaalde
waarborgen voor integriteit op basis van relevante Europese normen (uit de
EN 45 000-serie), en zij worden daarop blijvend getoetst. Vele keuringsinstellingen,
zoals COKZ, CPE en Skal en NMi zijn geaccrediteerd, en daardoor is er voldoende
waarborg t.a.v. de integriteit. Overigens constateert de Algemene Rekenkamer
in haar rapport dat er zowel bij de Rijksinspecties als buiten de overheid
richtlijnen inzake integriteit bestaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In navolging van het advies van de commissie Holtslag worden thans in
interdepartementaal verband ook een aantal toezichtarrangementen geëvalueerd
aan de hand van de checklist van de Commissie Holtslag.</al>
      <tuskop letat="vet">6 en 13</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de regering verontrust door de conclusie van de
Algemene Rekenkamer over de rijksinspecties AID en de Economische Controledienst,
inhoudende dat deze diensten niets of vrijwel niets deden aan controle op
de resultaten van de keuring? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat de regering
hieraan doen? (blz. 15)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de stelling van de Algemene Rekenkamer juist, dat
de ECD op grond van de wet moet toezien op de keuring van gastoestellen? Zo
ja, dient de minister van EZ volgens de regering maatregelen te nemen en welke
maatregelen zouden dit moeten zijn? (blz. 22)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het licht van het feit dat aan de AID geen taken zijn opgedragen in
verband met het toezicht op de keuringsinstellingen, is de constatering van
de Algemene Rekenkamer verklaarbaar dat deze dienst geen controleactiviteiten
op de resultaten van de keuringen verricht. De AID is een bijzondere opsporingsdienst,
die belast is met het toezicht op de naleving en de opsporing van strafbare
feiten.</al>
      <al>Het toezicht op de keuringsinstellingen wordt uitgeoefend door de beleidsdirecties
van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Bij de toepasselijke
keuringsinstellingen wijst de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
een voorzitter aan en keurt hij de benoeming van de directeur goed. Daarnaast
dient hij de statuten goed te keuren en wordt als aanvullende zekerheid gestreefd
naar accreditering van de keuringsinstelling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De keuring op de veiligheid van gastoestellen valt onder verantwoordelijkheid
van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De verantwoordelijkheid
voor controles met betrekking tot keuring ten aanzien van het rendement van
gastoestellen ligt bij de ECD. Per 1 januari 1998 is hieraan invulling gegeven
voor Cv-ketels via het van kracht worden van de Rendementseisen Cv-ketels.
Ten tijde van het onderzoek van de Rekenkamer was sprake van een overgangssituatie
waarin naar mijn mening nog niet definitief de situatie was bereikt waarin
de overheid de eindverantwoordelijkheid had voor deze keuring ten aanzien
van de rendementseisen. Tot dat moment heeft de ECD dan ook géén
opdracht gekregen tot het uitvoeren van controles op het terrein van de keuring
ten aanzien van de rendementseisen van deze toestellen. Ter invulling van
deze verantwoordelijkheid heeft de ECD samen met de inspectie IW&amp;V onderzocht hoe de controle zowel voor wat betreft de rendementsaspecten
als de veiligheidsaspecten het meest efficiënt kan worden uitgevoerd.
Dit onderzoek is vrijwel afgerond en mondt uit in een concreet voorstel voor
uitvoering van controles. Overigens is bij de aanwijzing van de keurder (Gastec)
gecontroleerd of deze aan de gestelde eisen voldeed en dit is via een certificaat
van de RvA bevestigd.</al>
      <tuskop letat="vet">7 en 10</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de regering voornemens om de Raad voor Accreditatie
(RVA) in de toekomst in te schakelen als onafhankelijke toezichthouder als
onderdeel van het toezicht namens de betreffende minister? (blz. 17)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom worden niet systematisch accreditatierapporten
opgevraagd bij de aanwijzing van een instelling als keurder?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Volgens de algemene Nederlandse (en Europese) beleidslijn is accreditatie
niet verplicht, en (dus) geen voorwaarde om aangewezen te worden als wettelijk
keurder. Het is de verantwoordelijkheid van de betrokken minister om de keuringsinstelling
te beoordelen voor hij deze aanwijst. Accreditatie leidt niet automatisch
tot aanwijzing. Maar accreditatie kan bij aanwijzing wel dienen als een zwaarwegend
extern en onafhankelijk advies. Op diverse terreinen hebben de verantwoordelijke
bewindspersonen er dan ook voor gekozen om de Raad voor Accreditatie een belangrijke
rol toe te kennen. Veel van de in Nederland aangewezen keuringsinstellingen
zijn geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie.</al>
      <al>Van «inschakeling» van de Raad als toezichthouder kan echter
geen sprake zijn.</al>
      <al>Nadat accreditatie op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen
Raad en keuringsinstelling – heeft plaatsgevonden controleert de Raad
jaarlijks of de keuringsinstelling nog voldoet aan de accreditatie-eisen;
4 jaar na accreditatie wordt de uitgebreide toetsing aan de betreffende Europese
EN 45 000 norm(en) in zijn geheel herhaald. De jaarlijkse controle door
de Raad is inherent aan accreditatie en vloeit voort uit de eigen verantwoordelijkheid
van de Raad. De Raad controleert (dus) niet in opdracht van de betrokken minister.</al>
      <al>Dit toezicht op de geaccrediteerde keuringsinstelling door de Raad voor
Accreditatie laat dan ook onverlet dat de minister zijn verantwoordelijkheden
heeft en behoudt in het kader van het wettelijk toezicht op de aangewezen
instellingen. Voor instellingen die geaccrediteerd zijn ligt het voor de hand
de beschikbare accreditatierapporten systematisch als zwaarwegend advies te
gebruiken voor de blijvende controle op de eisen met betrekking tot technische
competentie, onpartijdigheid en integriteit.</al>
      <al>Met de Raad voor Accreditatie is door EZ namens de Staat een private overeenkomst
gesloten om zoveel mogelijk een afstemming te bereiken tussen de accreditatie
door de RvA en de aanwijzing door de minister (kamerstuk 1990–1991,
21 800 nr. 041, hoofdstuk XIII). Deze overeenkomst wordt op dit moment
aan een evaluatie onderworpen en op zeer korte termijn vervangen door een
nieuwe overeenkomst. De huidige overeenkomst voorziet al in een informatieprocedure
met betrekking tot de accreditatie van een aan te wijzen instelling. In de
nieuwe overeenkomst zal – ten behoeve van verbetering van het toezicht –
het systematisch ter beschikking stellen aan de verantwoordelijke minister
van rapporten van de Raad voor Accreditatie bij accreditatie en jaarlijkse
controle een plaats worden gegeven.</al>
      <tuskop letat="vet">8</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Algemene Rekenkamer constateert bij de ministeries
van Verkeer en Waterstaat, Economische Zaken, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een onvoldoende
mate van toetsing op het feit of toezichthouders en keurders competent zijn.
Deelt de regering deze conclusies van de Rekenkamer? Zo nee, waarom
niet? Zo ja, wat gaat de regering hieraan doen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De constateringen van de Rekenkamer inzake de competentie van keurders
hebben in een aantal gevallen betrekking op voormalige rijksdiensten, zoals
het Nederlands Meetinstituut (NMi) en de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW).
In deze gevallen is de benodigde informatie aanwezig binnen het ministerie.
De verzelfstandigingen zijn wettelijk geregeld en door het parlement aanvaard.
In het verzelfstandigingsproces zijn zaken als onafhankelijkheid, integriteit,
deskundigheid en goede administratie beoordeeld, maar uiteraard niet precies
volgens de normen die de Rekenkamer nu heeft gehanteerd.</al>
      <al>De betrokken ministers achten voldoende waarborgen op de genoemde gebieden
aanwezig.</al>
      <al>Door het ministerie van Economische Zaken zal met betrekking tot het NMi
worden bezien of tot een betere en systematische vastlegging van de beschikbare
informatie wordt overgegaan. Verder wordt binnen het ministerie van Economische
Zaken in een ander verband een project gestart waarin de bestaande toezichtsarrangementen
rond intermediaire organisaties worden doorgelicht.</al>
      <al>Bij het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
betreft het onder meer de keuring van ondergrondse tanks, op grond van het
Besluit opslaan in ondergrondse tanks (BOOT). Voor de uitvoering van tankkeuringen
is bewust gekozen voor een op dat moment reeds geruime tijd bestaande praktijk,
die naar het oordeel van alle betrokkenen uitstekend functioneerde. Bij de
selectie van de in het BOOT aangewezen toezichthouder is zorgvuldig overwogen
dat het een gerenommeerde, onder toezicht van de Raad voor Accreditatie staande,
instelling betrof met voldoende draagvlak. Uit een in de afgelopen jaren uitgevoerde
evaluatie van het BOOT is voorts gebleken dat er geen aanleiding bestaat tot
twijfel over de kwaliteit van de uitgevoerde keuringen.</al>
      <al>De privaatrechtelijke keuringsinstellingen die op het gebied van het Ministerie
van LNV actief zijn, zijn private organisaties die al van oudsher actief zijn
op het gebied van de kwaliteit van agrarische producten. Aangezien deze organisaties
tot tevredenheid functioneerden, is bij de toekenning van publieke taken bij
deze bestaande organisaties aangesloten. Hiermee zijn de keuringsinstellingen
onder wettelijk toezicht geplaatst van de minister van LNV. Thans wordt binnen
LNV gewerkt aan een versterking van het toezicht op deze keuringsinstellingen.</al>
      <tuskop letat="vet">9, 30 en 31</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom is er door het ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport geen informatie verzameld over het functioneren van de Gastec,
de keurder van gastoestellen.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke conclusies trekt de regering uit dit onderzoek
van de Rekenkamer met betrekking tot het toezicht in het algemeen, het toezicht
op in het rapport genoemde keuringen en andere keuringen binnen het ministerie
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe gaat de regering het ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport aansporen het toezicht in de door de Algemene Rekenkamer
onderzochte keuringsinstanties uit te bouwen en te verbeteren?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gelet op de bij de IW&amp;V beschikbare capaciteit is tot aan de reorganisatie
van de dienst in 1998, voornamelijk prioriteit gegeven aan het grondig doorlichten
van keuringsinstellingen zoals Gastec in verband met de eerste aanwijzing
van dergelijke instellingen door de Minister van VWS. Dit doorlichten geschiedt
door middel van zowel een toetsing van de papieren als door middel van gesprekken
en bezoeken aan de instelling in kwestie, hetgeen veel tijd vergt. </al>
      <al>Tevens is prioriteit gegeven aan marktcontrole. Indien een aangewezen
instelling zijn taak niet naar behoren uitoefent is dit immers terug te vinden
in het in de handel aantreffen van onterecht afgegeven goedkeuringen aan producten,
wat weer aanleiding kan geven het functioneren van de aangewezen instelling
nader te onderzoeken. Bedoelde marktcontrole heeft ten aanzien van Gastec
nimmer aanleiding gegeven tot een dergelijk nader onderzoek. Ten behoeve van
een evaluatiemoment is in de regel tevens sprake van een tijdelijke aanwijzing
zodat na een beperkt aantal jaren het functioneren van de aangewezen instelling
integraal aan de orde komt bij het verzoek tot hernieuwde aanwijzing. Bovengenoemde
instrumenten verschaffen de aanwijzende minister naar behoren inzicht in het
functioneren van de door hem aangewezen instelling.</al>
      <al>Niettemin is de minister van VWS de mening toegedaan dat verbeteringen
in het toezicht op de door haar aangewezen keuringsinstellingen mogelijk zijn.
Eén van de doelstellingen van de in 1998 doorgevoerde reorganisatie
van de IW&amp;V is meer capaciteit beschikbaar te krijgen voor periodieke
controles (audits) van aangewezen instellingen. Daarmee is in 1999 een begin
gemaakt. Intensivering in de jaren daarna is voorzien.</al>
      <al>In de voorziene wijziging van de Warenwet ter incorporatie van productveiligheid
wetgeving van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is bovendien
de relatie tussen de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (en die
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en de aangewezen instelling nader uitgewerkt.
Zo zal de aangewezen instelling gehouden zijn de minister jaarlijks verslag
te doen opdat de minister een oordeel kan vellen over de doeltreffendheid
en rechtmatigheid van de verrichtte keuringswerkzaamheden.</al>
      <tuskop letat="vet">14, 17, 19, 24 en 33</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Stemt de regering in met het advies van de Algemene
Rekenkamer dat de hele keurings- en toezichtsketen moet worden doorgelicht
aan de hand van de checklist die is opgesteld, teneinde een redelijk niveau
van bescherming van de burger te kunnen waarborgen? Zo neen, waarom niet?
Zo ja, op welke wijze denkt de regering te bewerkstelligen dat alle relevante
ministeries dit advies zullen opvolgen? (blz. 23)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is onvoldoende inzicht in de kosten en baten van een
doorlichten van de keurings- en toezichtsketen voldoende reden is om van een
dergelijke doorlichting af te zien? (blz. 25)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de regering het eens met de conclusie van de Rekenkamer
dat een rijksbrede doorlichting van wettelijke keuringen van groot belang
is? Zo ja, gaat de regering opdracht geven tot een dergelijke doorlichting
en op welke manier? Zo nee, waarom niet?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan per ministerie worden aangegeven wat gedaan kan
worden met en welke voornemens er zijn met betrekking tot de aanbevelingen
van de Algemene Rekenkamer ten aanzien van (1) inventarisatie van wettelijke
keuringen, (2) vaststellen ministeriële verantwoordelijkheid en (3) kiezen
voor sluitende toezichtstructuur? (blz. 27)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de hier genoemde checklist, met de daarin genoemde
maatregelen, intussen ingevoerd? Zo ja, kan de regering dit nader toelichten?
Hoe verhouden deze maatregelen zich tot het onderzoek van de Raad Openbaar
Bestuur inzake opsporing en inspectie?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De geconstateerde diversiteit van keuringen en de wijze waarop keuringen
zijn georganiseerd is een afspiegeling van een complexe werkelijkheid die
niet te vangen is in één sjabloon zoals de Rekenkamer in haar
onderzoek heeft gepoogd te construeren.</al>
      <al>De eisen die de Rekenkamer heeft gesteld zijn gebaseerd op dat sjabloon.
In de praktijk komen diverse andere (niet alleen schriftelijke) informatiestromen
voor, die naar de mening van de regering voldoende inzicht geven om te beoordelen
of met keuringen een voldoende beschermingsniveau van de burger
wordt bereikt. Mede daarom is de regering niet voornemens de hele keurings-
en toezichtketen overheidsbreed door te lichten.</al>
      <al>Het staat de verantwoordelijke bewindslieden natuurlijk vrij om op hun
eigen beleidsterrein een analyse uit te voeren van de wettelijke keuringen
en het toezicht daarop, en eventuele verbetersuggesties over te nemen. Acties
daartoe zijn ook reeds toegezegd. De checklist van de Algemene Rekenkamer
biedt hiervoor goede aanknopingspunten, voor bijvoorbeeld wijziging van bestaande
gevallen en voor nieuwe gevallen.</al>
      <al>In navolging van het advies van de commissie Holtslag wordt thans in interdepartementaal
verband ook een aantal toezichtarrangementen geëvalueerd aan de hand
van de checklist van de Commissie Holtslag.</al>
      <al>Het bedoelde onderzoek van de Raad Openbaar Bestuur heeft betrekking op
de coördinatie tussen opsporingsdiensten. Van een relatie met het keuringenterrein
is derhalve geen sprake.</al>
      <tuskop letat="vet">15</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Algemene Rekenkamer stelt dat het toezicht niet
geheel beantwoordt aan de eisen die de Rekenkamer stelt met betrekking tot
de ministeriële verantwoordelijkheid voor de bescherming van de burger.
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport noemt deze conclusie te
algemeen en te absoluut. Kan de regering hier een toelichting op geven?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voordat door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot aanwijzing
van een keuringsinstantie wordt overgegaan, wordt deze instantie nauwkeurig
getoetst op geschiktheid voor de uitoefening van de keuringstaak. Daarmee
wordt het fundament gelegd voor een deugdelijk functioneren van de instantie
in kwestie. Daarnaast wordt vaak een aanwijzing gegeven met een tijdelijke
geldigheidsduur (2 tot 3 jaar). Dit met het oog op de mogelijkheid tot het
maken van een evaluatie van het functioneren van de instantie indien deze
na ommekomst van de eerste aanwijzing opnieuw voor aanwijzing in aanmerking
wenst te komen.</al>
      <al>Het toezicht op aangewezen instanties door het ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport vormt slechts een deel van het totale toezicht ter bescherming
van de consument. Marktcontrole speelt een belangrijke rol voor die bescherming.
Daarmee wordt in eerste instantie een helder beeld geschapen van de veiligheid
van producten die worden verhandeld en kan bij het aantreffen van gevaarlijke
producten ook meteen worden opgetreden. Ook wordt zo een goed overzicht verkregen
van het functioneren van de aangewezen instanties. Dit geldt niet alleen voor
de door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in Nederland aangewezen
instanties, maar ook voor de in het buitenland werkzame keuringsinstanties
belast met de veiligheidskeuring van producten die op de Nederlandse markt
worden afgezet. Bij verdenking van slecht functioneren van een aangewezen
instantie kan een instantie indien zij door een minister is aangewezen, door
deze minister rechtstreeks worden benaderd. Indien het gaat om een door een
EU-lidstaat aangewezen instantie wordt de aanwijzende autoriteit aldaar ingelicht
over het functioneren van de aangewezen instantie.</al>
      <tuskop letat="vet">16, 22, 23 en 32</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is het feit dat er geen klachten van burgers of bedrijven
bekend zijn over keuringen en /of het toezicht daarop, voldoende reden is
om niet aan de minimumeisen opgesteld door de Algemene Rekenkamer te hoeven
voldoen? (blz. 24)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zijn de aangekondigde verbeteracties van enkele ministeries
voldoende om aan de minimumeisen te kunnen voldoen?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zijn er mogelijk andere redenen die het geoorloofd
maken om af te wijken van de minimumeisen zoals opgesteld door de Algemene
Rekenkamer? (blz. 26) </nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is de reactie van de regering op de conclusie van
de Algemene Rekenkamer dat «ook de specifieke reacties van de ministers
alle betrekking hebben op de minimumeisen die de Algemene Rekenkamer stelt
aan de toezichtketen in het keuringenveld»? (blz. 31)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op grond van de diversiteit van onderwerpen is in veel gevallen in specifieke
wetgeving geregeld aan welke minimumeisen moet worden voldaan. Uiteraard wordt
door de ministers uitvoering gegeven aan deze door het parlement vastgestelde
wetgeving. Zoals in het antwoord op de vragen 14, 17, 19, 24, en 33 is aangegeven,
heeft de Rekenkamer getracht een uniform sjabloon te ontwerpen dat van toepassing
zou moeten zijn op alle wettelijke keuringen. Dit sjabloon biedt weliswaar
goede handvatten maar is per definitie niet op alle wettelijke keuringen van
toepassing gezien de specifieke situaties die zich bij keuringen voordoen.
Afwijkingen van de minimumeisen zoals de Rekenkamer die formuleert kunnen
dus in specifieke situaties mogelijk zijn.</al>
      <al>Voor zover verbeteracties zijn toegezegd, zullen deze primair gericht
zijn om op een bepaald keuringsterrein te voldoen aan de eisen van de verantwoordelijke
minister.</al>
      <al>Naar verwachting zullen deze eisen en de door de AR opgestelde minimumeisen
voor een groot deel met elkaar sporen, en deze minimumeisen zullen als ondersteuning
bij dit proces kunnen dienen. Het voldoen aan de minimumeisen van de AR kan
echter niet het vooropgezette doel zijn.</al>
      <tuskop letat="vet">20 en 21</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het ministerie van Economische Zaken scoort in de totaaloordelen
onvoldoende tot slecht. Vanwege het veranderingsproces op keuringsgebied ziet
de minister hierin geen aanleiding tot een verdere doorlichting van andere
bestaande wettelijke keuringen. Wanneer verwacht de regering dat het veranderingsproces
voltooid is?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Verwacht de regering dat het veranderingsproces zal
leiden tot een verbeterd toezicht op keuringsinstellingen en inzicht in de
doelbereiking? Waarop baseert de minister die verwachting?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor het antwoord op deze vraag wil ik verwijzen naar het antwoord op
vraag 6 en 13. Hieruit blijkt dat de slechte score vooral wordt veroorzaakt
door de ten tijde van het onderzoek nog in ontwikkeling zijnde wetgeving met
betrekking tot de rendementseisen van gastoestellen en de controle daarop.</al>
      <al>Met betrekking tot het veranderingsproces is de verwachting inderdaad
dat dit proces zal leiden tot verbetering op keuringsgebied. De deskundige
private sector is zeer wel in staat om effectief vorm te geven aan het keuringsgebied.
Toezicht – zij het gedeeltelijk – van een accreditatieorganisatie
draagt daar tevens aan bij. Bij deze veranderingsprocessen is overigens niet
alleen sprake van nationale, maar ook van Europese ontwikkelingen.</al>
      <tuskop letat="vet">25</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe kijkt de regering aan tegen de organisatie van
het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waar het toezicht centraal
is ondergebracht in een directie Toezicht op het ministerie? Acht de regering
dit een goede werkwijze en zo ja, kan deze organisatie een voorbeeld zijn
voor andere ministeries? Op welke wijze kunnen initiatieven worden ontplooid
om een dergelijke werkwijze te bevorderen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals ook aangegeven is in de antwoorden 14, 17, 19, 24 en 33, is er sprake
van een grote diversiteit in keuringen, ook wat betreft de wijze waarop keuringen
in de private en de publieke sector zijn geregeld. Veel onderwerpen vergen
een zodanige specialistische kennis dat bundeling van bepaalde
activiteiten rond de keuringen, zoals het toezicht houden, niet altijd mogelijk
zal zijn. In andere situaties kan juist de noodzaak voor het scheiden van
taken aanleiding zijn voor het onderbrengen van het toezicht in een aparte
sector. Er zal een afweging per geval moeten worden gemaakt. Die afweging
wordt door de individuele ministers gemaakt omdat deze verantwoordelijk zijn
voor de hen toebedeelde beleidsterreinen en het beheer daarvan.</al>
      <tuskop letat="vet">26</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke conclusie trekt de minister van Verkeer en Waterstaat
betreffende het voldoen aan de eisen van de Wegenverkeerswet 1994 en het Vademecum?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Wegenverkeerswet 1994 is het kader vastgelegd voor toezicht door
de minister en de Raad van Toezicht op de dienst Wegverkeer (RDW) en zijn
werkzaamheden. Dit kader is uitgewerkt in het zogenaamde Vademecum; hierin
zijn alle rond de verzelfstandiging in 1996 gemaakte afspraken vastgelegd
(benoeming van Raad van Toezicht, wederzijdse informatieplicht, overname van
personeel, financiële regelingen en dergelijke).</al>
      <al>Hiermee biedt het Vademecum voldoende basis voor het toezicht op de RDW.</al>
      <tuskop letat="vet">27, 28 en 29</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom kiest het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij ervoor het toezicht op COKZ, SKAL en CPE te verbeteren, terwijl
het probleem eigenlijk bij de rijksinspecties zit? Kiest de regering ook voor
inspanningen met betrekking tot de AID en welke zijn dit?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe gaat de minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij de verwarring wegnemen die is geconstateerd over de taken van de
AID? (blz. 28)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deelt de regering de mening, dat waar de Rekenkamer
in haar nawoord de niet-uitoefening van de controlerende taak van de AID nogmaals
met name noemt, het in deze specifieke situatie wel noodzakelijk is om controlerende
taken uit te voeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe moet de minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij dit aanpakken?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De verbetering van het toezicht op COKZ, SKAL, en CPE is mede het gevolg
van de implementatie van de aanbevelingen in het Algemene Rekenkamerrapport
«ZBO en ministeriële verantwoordelijkheid», TK 1994–1995,
24 130 nr. 3 en de regeling «Aanwijzingen inzake ZBO», nr.
96M006 572 van 5 september 1996.</al>
      <al>Met betrekking tot de rol van de AID is er sprake van enige verwarring
over de taak van de AID. Deze verwarring is ontstaan doordat de Algemene Rekenkamer
er vanuit is gegaan dat de AID ten aanzien van de keuringsinstellingen een
toezichthoudende functie heeft.</al>
      <al>Dat is echter niet het geval. Het toezicht op de keuringsinstellingen
wordt uitgeoefend door beleidsdirecties van LNV, terwijl de AID als opsporingsdienst
belast is met het toezicht op de naleving en de opsporing van strafbare feiten.</al>
      <al>Het verkrijgen van een overzicht van de samenstelling en de omvang van
het keuringsveld wordt in het kader van het toezicht op de keuringsinstellingen
bij het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij thans primair vervuld
door de beleidsdirecties en niet door de AID. Het is daarom niet aan de orde
de toezichtstaken van de AID te verbeteren. Wel wordt er binnen het ministerie
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gewerkt aan een verbetering van het
toezicht door de beleidsdirecties op de controle-instellingen.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Economische Zaken,</functie>
        <naam>A. Jorritsma-Lebbink </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling: Leden: Reitsma (CDA), voorzitter, Van Middelkoop (GPV),
Witteveen-Hevinga(PvdA), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), Poppe (SP), Duivesteijn
(PvdA), Crone (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Hofstra
(VVD), ondervoorzitter, Eisses-Timmerman (CDA), Th. A. M. Meijer
(CDA), Luchtenveld (VVD), Van Wijmen (CDA), Kortram (PvdA), Van der Knaap
(CDA), Ravestein (D66), Van der Steenhoven (GL), Van Gent (GL), Oplaat (VVD),
Van der Staaij (SGP), Schoenmakers (PvdA), Waalkens (PvdA), Udo (VVD).</al>
    <al>Plv. leden: Leers (CDA), Stellingwerf (RPF), Dijksma (PvdA), Valk (PvdA),
Essers (VVD), De Wit (SP), Van Heemst (PvdA), De Boer (PvdA), Scheltema-de
Nie (D66), Van Beek (VVD), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Schreijer-Pierik
(CDA), Blok (VVD), Biesheuvel (CDA), Bos (PvdA), Van den Akker (CDA), Giskes
(D66), M. B. Vos (GL), Halsema (GL), Niederer (VVD), Van 't Riet
(D66), Spoelman (PvdA), Hindriks (PvdA), Voorhoeve (VVD).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.2" nr="2">
    <al>Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), Swildens-Rozendaal (PvdA),
ondervoorzitter, Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Essers (VVD), voorzitter,
Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Dankers (CDA), Oudkerk (PvdA), Lambrechts
(D66), Rijpstra (VVD), Rouvoet (RPF), Van Vliet (D66), Van Blerck-Woerdman
(VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Gortzak (PvdA), Hermann (GL),
Buijs (CDA), Atsma (CDA), Arib (PvdA), Spoelman (PvdA), Kant (SP), E. Meijer
(VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD).</al>
    <al>Plv. leden: Van 't Riet (D66), Rehwinkel (PvdA), Eurlings (CDA), Apostolou
(PvdA), Orgü (VVD), Van Gent (GroenLinks), Van de Camp (CDA), Noorman-den
Uyl (PvdA), Ravestein (D66), Weekers (VVD), Schutte (GPV), Schimmel (D66),
Terpstra (VVD), Udo (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Belinfante (PvdA), Harrewijn
(GroenLinks), Ross-van Dorp (CDA), Th. A. M. Meijer (CDA),
Duijkers (PvdA), Smits (PvdA), Marijnissen (SP), O. P. G. Vos
(VVD), Hamer (PvdA), Cherribi (VVD).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.3" nr="3">
    <al>Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Swildens-Rozendaal
(PvdA), Ter Veer (D66), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Feenstra (PvdA),
Poppe (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Duivesteijn (PvdA), Stellingwerf
(RPF), M. B. Vos (GL), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD),
O. P. G. Vos (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA),
Th. A. M. Meijer (CDA), Hermann (GroenLinks), Geluk (VVD),
Schreijer-Pierik (CDA), Atsma (CDA), Oplaat (VVD), Schoenmakers (PvdA), Waalkens
(PvdA), Udo (VVD), Herrebrugh (PvdA).  </al>
    <al>Plv. leden: Van Vliet (D66), Van Zuijlen (PvdA), Ravestein (D66), Zijlstra
(PvdA), Albayrak (PvdA), Kant (SP), Mosterd (CDA), Bos (PvdA), Van Middelkoop
(GPV), Van der Steenhoven (GL), Scheltema-de Nie (D66), Verbugt (VVD), Te
Veldhuis (VVD), Cornielje (VVD), Buijs (CDA), Rietkerk (CDA), Karimi (GL),
Kamp (VVD), Reitsma (CDA), Van Wijmen (CDA), Patijn (VVD), Dijksma (PvdA),
Belinfante (PvdA), Voorhoeve (VVD), De Boer (PvdA).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.4" nr="4">
    <al>Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel
(D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA),
Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke
(RPF), Bakker (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Visser-van Doorn (CDA), De
Wit (SP), Harrewijn (GL), Van Gent (GL), Balkenende (CDA), Smits (PvdA), Verburg
(CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Orgü (VVD), Van der Staaij
(SGP), Santi (PvdA), Wilders (VVD). </al>
    <al>Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes
(D66), Hamer (PvdA), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Kortram (PvdA), Blok
(VVD), Hofstra (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66), Klein Molekamp
(VVD), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Vendrik (GL), Rosenmöller (GL),
Mosterd (CDA), Schoenmakers (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA), Wagenaar (PvdA),
Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA), De Vries (VVD).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.5" nr="5">
    <al>Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), voorzitter, Van den Berg (SGP), Reitsma
(CDA), Biesheuvel (CDA), Rosenmöller (GL), Van Gijzel (PvdA), Valk (PvdA),
Leers (CDA), ondervoorzitter, Van Heemst (PvdA), Feenstra (PvdA), Verbugt
(VVD), Giskes (D66), Stellingwerf (RPF), Van Zuijlen (PvdA), Klein Molekamp
(VVD), Hofstra (VVD), Van der Knaap (CDA), Ravestein (D66), Van der Steenhoven
(GL), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD), Van Bommel (SP), Eurlings (CDA),
Herrebrugh (PvdA), Hindriks (PvdA).</al>
    <al>Plv. leden: Te Veldhuis (VVD), Bakker (D66), Th. A. M. Meijer
(CDA), Stroeken (CDA), Van Gent (GL), De Boer (PvdA), Waalkens (PvdA), Atsma
(CDA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Voûte-Droste (VVD),
Augusteijn-Esser (D66), Schutte (GPV), Spoelman (PvdA), Geluk (VVD), Luchtenveld
(VVD), Buijs (CDA), Van Walsem (D66), Vendrik (GL), Weekers (VVD), Balemans
(VVD), Poppe (SP), Dankers (CDA), Dijksma (PvdA), Bos (PvdA).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.6" nr="6">
    <al>Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga
(PvdA), Leers (CDA), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, Rabbae (GL),
Hessing (VVD), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF),
M. B. Vos (GL), Van Zuijlen (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Hofstra
(VVD), Van Walsem (D66), Wagenaar (PvdA), Stroeken (CDA), De Boer (PvdA),
Van den Akker (CDA), Geluk (VVD), Verburg (CDA), Bos (PvdA), Blok (VVD), Hindriks
(PvdA).</al>
    <al>Plv. leden: Verbugt (VVD), Atsma (CDA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Wijn
(CDA), Klein Molekamp (VVD), Vendrik (GL), Kamp (VVD), Van den Berg (SGP),
Poppe (SP), Kuijper (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Van der Steenhoven (GL),
Schoenmakers (PvdA), Bakker (D66), Van Baalen (VVD), Schimmel (D66), Herrebrugh
(PvdA), Van der Hoeven (CDA), Smits (PvdA), De Haan (CDA), Van Beek (VVD),
Schreijer-Pierik (CDA), Koenders (PvdA), Udo (VVD), Hamer (PvdA).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.7" nr="7">
    <al>Samenstelling: Leden: Rosenmöller (GL), Van Zijl (PvdA), Hillen (CDA),
Witteveen-Hevinga (PvdA), ondervoorzitter, Van Heemst (PvdA), Hessing (VVD),
Giskes (D66), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), Bakker (D66),
Van Walsem (D66), voorzitter, Th. A. M. Meijer (CDA), De Haan
(CDA), Wagenaar (PvdA), Van den Akker (CDA), Van Beek (VVD), Duijkers (PvdA),
Verburg (CDA), Vendrik (GL), Remak (VVD), Weekers (VVD), Kuijper (PvdA), Udo
(VVD), Blok (VVD).</al>
    <al>Plv. leden: Harrewijn (GL), Van Zuijlen (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Koenders
(PvdA), Bos (PvdA), Voûte-Droste (VVD), Lambrechts (D66), Kant (SP),
Feenstra (PvdA), Schutte (GPV), Van der Vlies (SGP), Schimmel (D66), Stroeken
(CDA), Wijn (CDA), Hindriks (PvdA), Rietkerk (CDA), O. P. G. Vos
(VVD), Hamer (PvdA), Reitsma (CDA), Rabbae (GL), Van Blerck-Woerdman (VVD),
Geluk (VVD), Smits (PvdA), De Vries (VVD), Balemans (VVD).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>