﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="lyst">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26400-3/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1998-1999</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.1__2.4" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST35906</ordernr>
    <vergjaar>1998-1999</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 400</nummer>
      <naam>Toezicht op keuringen in Nederland</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>3</nummer>
      <titel>LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN</titel>
      <datum>Vastgesteld 22 juni 1999</datum>
      <al>De commissie voor de Rijksuitgaven<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> heeft
een aantal vragen voorgelegd aan de Algemene Rekenkamer over het rapport «Toezicht
op keuringen in Nederland».</al>
      <al>De Algemene Rekenkamer heeft deze vragen beantwoord bij brief van 22 juni
1999.</al>
      <al>Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.</al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
        <naam>Van Walsem</naam>
        <functie>De griffier van de commissie,</functie>
        <naam>Van der Windt  </naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">1</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Heeft de Rekenkamer onderzoek gedaan naar de onafhankelijkheid van
de keurende instanties, ook als deze onderdeel zijn van de overheid?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nee. De Rekenkamer heeft wel onderzoek gedaan naar de mate waarin voor
aanwijzing of erkenning van keurders het criterium onafhankelijkheid als eis
wordt gesteld. Dit was slechts in geringe mate het geval. Keurders binnen
de overheid waren niet in het onderzoek naar de tien voorbeeldkeuringen betrokken.
Overigens blijkt uit de inventarisatie in bijlage 4 dat nog slechts een beperkt
aantal keurders, zoals de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, onderdeel
is van de overheid. </al>
      <tuskop letat="vet">2</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de Algemene Rekenkamer nader uiteenzetten waarom zij besloten
heeft tot dit onderzoek naar toezicht op keuringen? Overweegt de Algemene
Rekenkamer een vervolgonderzoek op dit terrein? (blz. 1)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderzoek Keuringen paste voor de Rekenkamer binnen twee onderzoekslijnen.
Ten eerste in een lijn van rijksbreed onderzochte beleidsinstrumenten (inspecties,
vergunningen, zelfstandige bestuursorganen, convenanten, enzovoort). Ten tweede
heeft de Rekenkamer een aantal onderzoeken gedaan waarin het fenomeen toezicht
centraal stond, uitmondend in het rapport «Toezicht op uitvoering publieke
taken» (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997–1998, 25 956, nrs.
1–2). Tenslotte weegt bij de selectie van onderwerpen mee in hoeverre
deze direct van belang zijn voor de burger. Een vervolgonderzoek op dit terrein
wordt vooralsnog niet overwogen. </al>
      <tuskop letat="vet">3</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Heeft de Algemene Rekenkamer bij het onderzoek, waarbij wordt geconcludeerd
dat de controlerende instanties buiten de overheid beter voldeden dan de rijksinspecties,
kunnen constateren of dit ook aan andere factoren zou kunnen liggen dan aan
het ontbreken van controle door sommige rijksinspecties? Zo ja, welke factoren
speelden dan een rol? (blz. 13)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Rekenkamer heeft eventuele dieper liggende oorzaken waardoor controlerende
instanties buiten de overheid beter voldeden dan de rijksinspecties niet nader
geanalyseerd. Het feit dat enkele rijksinspecties geen controles uitoefenden
op de door de Rekenkamer onderzochte keuringen was inderdaad een in het oog
springend punt waarop rijksinspecties zich onderscheidden van controlerende
instanties buiten de overheid. De Rekenkamer constateerde dat de desbetreffende
inspecties zich ook nauwelijks bewust waren van het feit dat zij hier een
controletaak hebben. Dit zou mogelijk verklaard kunnen worden door een grotere
afstand tot het veld en door het feit dat de rijksinspecties een breder en
algemener takenpakket hebben dan de inspecties buiten de overheid. </al>
      <tuskop letat="vet">4</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Speelt het geconstateerde feit, dat niet (volledig) is voldaan aan
de Rekenkamernormen inzake waarborgen voor integriteit, een doorslaggevende
rol in de beoordeling van organisaties? Met andere woorden: kunnen organisaties
die niet of niet volledig aan de integriteitsnormen voldoen, even competent
hun taken uitoefenen? Zo neen, waarom niet? (blz. 13–14)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nee, het feit dat niet (volledig) voldaan werd aan de Rekenkamernormen
inzake waarborgen voor integriteit heeft geen doorslaggevende rol gespeeld
in het beoordelen van organisaties. Bij het beoordelen van organisaties hebben
naast waarborgen voor integriteit ook aspecten als overzicht van
het veld, planning en aanpak van controles en waarborging van de kwaliteit
van controles meegewogen. Evenmin is gezegd dat organisaties die deze waarborgen
voor integriteit niet hadden getroffen incompetent waren in hun taakuitvoering.
Dit neemt echter niet weg dat nalatigheid van organisaties op het punt van
de bewaking van integriteit van zeer ingrijpende invloed kan zijn op de kwaliteit
van hun activiteiten. Denk bijvoorbeeld aan het niet consciëntieus toepassen
van normen of het blind tekenen van keuringsattesten. De Rekenkamer vindt
daarom dat waarborgen voor het bewaken van integriteit thuishoren in het pakket
van minimumeisen voor keuringsstelsels. </al>
      <tuskop letat="vet">5</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de Algemene Rekenkamer mededelen welke informatie meer gewenst
wordt in de jaarverslagen van toezichthouders over uitgevoerde controles en
resultaten van het toezicht? (blz. 20)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De aanbevelingen van de Rekenkamer op dit punt zijn opgenomen in de checklist
voor doorlichting wettelijke keuringen, onderdeel Toezicht op competentie
keurings- en overige instellingen buiten de overheid, blz. 34 van het
rapport. Het gaat hierbij meer specifiek om informatie over aantallen erkende
keurders, (redenen van) intrekkingen van erkenningen, aantallen uitgevoerde
controles in relatie tot de geplande controlefrequentie, aantallen en soorten
geconstateerde afwijkingen van de normen, oorzaken van afwijkingen, aantallen
en soorten getroffen maatregelen en sancties. Hieraan dienen conclusies verbonden
te worden over de mate waarin met het uitgeoefende toezicht een voldoende
veiligheidsniveau voor de burger werd gerealiseerd. </al>
      <tuskop letat="vet">6</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de Algemene Rekenkamer nader uiteenzetten waarom de minister
inzicht dient te hebben in tarieven en kosten van keuringen? Is de Algemene
Rekenkamer het eens met de stelling van de minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport dat tarieven lager kunnen uitvallen door een vrije keuringsmarkt?
Is de Rekenkamer van mening dat een vrije keuringsmarkt gevolgen kan hebben
voor de minimumeisen van het toezicht? Zo ja, welke? (blz. 20)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie hiervoor in het rapport paragraaf 7.3 Nawoord Rekenkamer, bladzijde
25 derde alinea. De Rekenkamer heeft geen oordeel over de gewenste of mogelijke
hoogte van de tarieven. In de gevallen waarin er sprake is van een wettelijk
monopolie is de minister verplicht de tarieven goed te keuren. Daarvoor is
inzicht in de onderbouwing ervan noodzakelijk. Indien de minister zich ervan
vergewist dat er sprake is van voldoende concurrentie behoeft het inzicht
van de minister in kosten en tarieven van wettelijke keuringen minder vergaand
te zijn. Dat er diversiteit in keuringsstelsels bestaat wordt door de Rekenkamer
onderkend. Afhankelijk van de specifieke situatie, bijvoorbeeld een vrije
keuringsmarkt, kan het toezicht op deze stelsels anders worden ingericht.
De Rekenkamer ziet echter niet in waarom de geformuleerde minimumeisen, die
er vooral op gericht zijn een gesloten toezichtketen te waarborgen, niet zouden
gelden in situaties met een vrije keuringsmarkt. Zie in dit verband ook het
antwoord op vraag 9. </al>
      <tuskop letat="vet">7</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de Algemene Rekenkamer van mening dat het ministerie van Economische
Zaken verplicht is de Economische Controledienst te laten toezien op de keuring
van gastoestellen, op grond van de wet (energiebesparing toestellen)? (blz. 21) </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Rekenkamer is van mening dat het afzien van controles op wettelijke
keuringen gemotiveerd zou moeten worden door een risico-analyse, gebaseerd
op inzicht in het veld. Uit het onderzoek bleek dat een dergelijke risico-analyse
ontbrak. Het besluit om af te zien van toezicht door de ECD werd door het
Ministerie van Economische Zaken gemotiveerd met het argument dat de keuringseisen
die tijdens de overgangstermijnen van het Besluit rendementseisen CV-ketels
van kracht waren geen rendementseisen bevatten. Dit was een onjuist argument,
aangezien de keuringseisen wel rendementseisen bevatten. </al>
      <tuskop letat="vet">8</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan uit het onderzoek de conclusie worden getrokken dat het feit
dat het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het toezicht centraal
heeft georganiseerd via een directie Toezicht, ook een beter toezicht en daardoor
een meer sluitende controle waarborgt? Zou de Algemene Rekenkamer dit ook
voor andere ministeries aanbevelen? (blz. 22 en 27)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderzoek van de Rekenkamer was niet gericht op het toetsen van verschillende
manieren waarop toezicht kan worden georganiseerd, maar slechts op de vraag
of aan de minimumeisen van een sluitende toezichtketen werd voldaan.</al>
      <al>Uit het onderzoek komt niettemin naar voren dat het toezicht vooral tekort
schiet wanneer er sprake is van een beleidsdirectie die toezicht houdt op
slechts één organisatie. In deze gevallen werd met name niet
gecontroleerd of de organisatie blijvend aan de gestelde eisen voldeed en
werd informatie niet beoordeeld. Het kunnen vergelijken van verschillende
organisaties is hiervoor mogelijk een voordeel. Ook het feit dat het toezicht
niet functioneel gescheiden is van beleid en regelgeving en ook niet als zodanig
behoeft te worden verantwoord, werkt mogelijk belemmerend op de uitvoering
van deze taak. Aangezien de directie Toezicht bij het Ministerie van SZW vanuit
diverse regelingen toezicht houdt op verschillende typen organisaties en dit
ook de enige taak is, zou dit het betere resultaat kunnen verklaren. Het instellen
van een dergelijke directie heeft naar het oordeel van de Rekenkamer daarom
wellicht meerwaarde wanneer sprake is van een voldoende groot aantal organisaties
waarop door een ministerie toezicht dient te worden gehouden. </al>
      <tuskop letat="vet">9</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de Algemene Rekenkamer verklaren waarom eerst gesproken wordt
over het belang van een sluitende toezichtstructuur, die aansluit bij de reikwijdte
van de ministeriële verantwoordelijkheid, en later wordt gesteld dat
voor het geval van het APK-keuringsysteem de eis van sluitendheid van de toezichtketen
onafhankelijk is van de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid?
(blz. 26 – 28)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In beide passages heeft de Rekenkamer willen benadrukken dat sluitendheid
van de toezichtketen de belangrijkste eis is. De nadere invulling van deze
toezichtketen is afhankelijk van de specifieke wet- en regelgeving en de daaruit
voortvloeiende reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid. </al>
      <tuskop letat="vet">10</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke conclusie trekt de Algemene Rekenkamer uit het voldoen aan
de eisen van de Wegenverkeerswet 1994 en het Vademecum? (blz. 27)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De minister van Verkeer en Waterstaat heeft willen aangeven dat het toetsingskader
van de Rekenkamer verder gaat dan het meer algemene kader dat in de Wegenverkeerswet
1994 en het Vademecum wordt gegeven. De Rekenkamer concludeerde dat met het
voldoen aan deze meer algemene eisen nog niet werd voldaan aan de minimumeisen
die de Rekenkamer stelt aan een sluitende toezichtstructuur. De
Rekenkamer constateerde bijvoorbeeld dat criteria ontbraken die gericht waren
op de kwaliteit van de taakuitvoering door de RDW. Ook waren de verplichtingen
in het Informatiestatuut dermate ruim dat zij relevante verantwoordingsinformatie
niet uitsloten, maar evenmin garandeerden. Zo wordt in het Jaarverslag 1998
van de RDW verslag gedaan van diverse samenwerkingsrelaties, maar wordt niets
vermeld over een eventuele samenwerking met het Ministerie van Justitie, die
gegevens zou moeten opleveren over de mate van volledigheid van de keuring.
In haar antwoord op het rapport van de Rekenkamer gaf de minister overigens
ook aan dat het toezicht op de APK-keuringen verbeterd zou worden, onder andere
via wijzigingen in de Wegenverkeerswet 1994, het Voertuigreglement en de APK-erkenningsregeling. </al>
      <tuskop letat="vet">11</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Houdt de herhaalde conclusie over de Algemene Inspectiedienst in
het nawoord in dat de Rekenkamer van mening is dat de AID in haar controlerende
taak tekort schiet? (blz. 28)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ja. De Rekenkamer constateerde dat de AID niet beschikte over een globale
risico-analyse van haar gehele controleterrein op basis waarvan beleidsmatige
prioriteiten werden gesteld. De AID kon dan ook niet aangeven waarom bij de
door de Rekenkamer onderzochte keuringen van scharreleieren en biologische
landbouwproducten ervan was afgezien een eigen controle-aanpak te formuleren
en naar eigen zeggen slechts werd opgetreden na klachten uit het veld. Ook
kon door de AID niet worden aangegeven waarom aan het wel geformuleerde actieve
controlebeleid inzake de keuring van melk in de praktijk geen uitvoering werd
gegeven.  </al>
      <tuskop letat="vet">12</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Bij het overzicht van Bijlage 4 worden bij keurders in Nederland
soms verscheidene getallen genoemd. Wat betekent dat?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In die gevallen waarin keuringen op grond van Europese regelgeving zowel
plaatsvinden door fabrikanten zelf als door erkende keuringsinstellingen,
zijn beide aantallen vermeld. In de kolom «aantal» geeft het eerste
getal het aantal «zelfkeurders» weer, het tweede getal het aantal
in Nederland gevestigde erkende keuringsinstellingen. Dit correspondeert met
de verschillende scores in de kolom «afstand tot de overheid».</al>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling: Leden: Rosenmöller (GL), Van Zijl (PvdA), Hillen (CDA),
Witteveen-Hevinga (PvdA), ondervoorzitter, Van Heemst (PvdA), Hessing (VVD),
Giskes (D66), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), Bakker (D66),
Van Walsem (D66), voorzitter, Th. A. M. Meijer (CDA), De Haan (CDA), Wagenaar
(PvdA), Van den Akker (CDA), Van Beek (VVD), Duijkers (PvdA), Verburg (CDA),
Vendrik (GL), Remak (VVD), Weekers (VVD), Kuijper (PvdA), Udo (VVD) en Blok
(VVD).</al>
    <al>Plv. leden: Harrewijn (GL), Van Zuijlen (PvdA), Ross-van Dorp
(CDA), Koenders (PvdA), Bos (PvdA), Voûte-Droste (VVD), Lambrechts (D66),
Kant (SP), Feenstra (PvdA), Schutte (GPV), Van der Vlies (SGP), Schimmel (D66),
Stroeken (CDA), Wijn (CDA), Vacature (PvdA), Rietkerk (CDA), O. P. G.
Vos (VVD), Hamer (PvdA), Reitsma (CDA), Rabbae (GL), Van Blerck-Woerdman (VVD),
Geluk (VVD), Smits (PvdA), De Vries (VVD) en Balemans (VVD).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>