﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26382-6/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1998-1999</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.1__2.4" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST40170</ordernr>
    <vergjaar>1998-1999</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 382</nummer>
      <naam>Hoofdlijnen defensienota 2000</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>6</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>'s-Gravenhage,  <datum>31 augustus 1999</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hierbij informeer ik u over het verloop en de resultaten van de Strategische
Toekomstdiscussie Defensie (STD), die begon na de verschijning van de Hoofdlijnennotitie,
op 25 januari, en duurde tot 1 juli. De STD, verschillende adviezen, onder
andere van Clingendael en van de Adviesraad Internationale Vraagstukken en
de Kamerbehandeling van de Hoofdlijnennotitie, zijn belangrijke onderdelen
van de voorbereidingen voor de Defensienota 2000. De discussie over de Nederlandse
defensie is zodoende verbreed en verdiept, wat een van de hoofddoelstellingen
van de STD was.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In deze rapportage treft u een lange reeks reacties, suggesties en ideeën
aan. Velen, vaak individuele burgers, hebben blijk gegeven van hun belangstelling
voor de Defensie-organisatie. De staatssecretaris en ik zijn hen allen dankbaar.
In verscheidene gevallen wordt commentaar geleverd op de Hoofdlijnennotitie
en de daarin opgenomen beleidsvoornemens. Nagenoeg al deze reacties bevatten
constructief-kritische op- en aanmerkingen. Zij leveren een bijdrage aan de
door de staatssecretaris en mij wenselijk geachte permanente dialoog tussen
Defensie en de samenleving. De STD is de opmaat tot die dialoog, waarvoor
verderop in deze rapportage de eerste aanzetten worden gegeven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij achten deze dialoog wenselijk en nodig, omdat de Defensie-organisatie
de afgelopen tien jaar drastisch veranderd is. Zoals in het rapport van dr.
J.A. van Kemenade van 28 september 1998 is geconcludeerd, heeft Defensie in
de overgangsperiode niet in alle opzichten toereikend gefunctioneerd. De staatssecretaris
en ik hebben daarom besloten tot een groot aantal maatregelen, waarover u
in mijn brief van 30 maart 1999 bent ingelicht. Een van deze maatregelen betreft
de versterking van de interactie met de samenleving. De hoofdtaken van de
Nederlandse krijgsmacht kunnen, zo blijkt ook uit opinie-onderzoek, rekenen
op een positieve waardering in de samenleving. Er bestaat echter onvoldoende
kennis van de krijgsmacht, de aan haar opgedragen taken en de door haar uitgevoerde
en uit te voeren activiteiten en operaties. De conclusie is gewettigd
dat Defensie ondanks de zwaarte van de aan de krijgsmacht opgedragen taken
in politiek-maatschappelijk opzicht een relatief lage plaats inneemt. Deze
en andere uitkomsten van door het NIPO uitgevoerd opinie-onderzoek zijn in
een van de bij deze brief gevoegde ordners opgenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door de verscheidenheid aan taken komt Defensie in toenemende mate in
contact met personen en organisaties die vanuit een geheel andere optiek aankijken
tegen de krijgsmacht. Waar vroeger de discussie over klassieke veiligheidspolitieke
aangelegenheden zich afspeelde in een vrij beperkte kring van deskundigen,
is het met het oog op de nieuwe taken van de krijgsmacht nodig een zo breed
mogelijk scala aan organisaties en personen te betrekken bij de gedachte-
en besluitvorming over defensie- en veiligheidsvraagstukken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de periode voorafgaand aan de opschorting van de opkomstplicht was
de interactie met de samenleving voor een belangrijk deel verzekerd door de
inen uitstroom van grote groepen dienstplichtigen. Thans zullen nieuwe wegen
en methoden, waarvan een aantal al hun nut in de STD hebben bewezen, moeten
worden toegepast om te bewerkstelligen dat de krijgsmacht een integrerend
deel van de samenleving blijft. Het is van belang nieuwe generaties, die de
val van de Muur niet hebben meegemaakt en voor wie vrede en veiligheid abstracte
begrippen zijn, te bereiken en kennis te laten maken met de krijgsmacht. Jongeren
zijn in twee opzichten van groot belang voor de krijgsmacht. Enerzijds bepaalt
de ontwikkeling van hun mening het toekomstig draagvlak voor het defensie-
en veiligheidsbeleid. Anderzijds is Defensie afhankelijk van de bereidheid
van een kwantitatief groot en kwalitatief toereikend deel van hen om voor
kortere of langere tijd te werken in de krijgsmacht. Tegen deze achtergrond
heeft de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht in het kader van de STD een
aantal bijeenkomsten georganiseerd met jongeren op verschillende opleidingsniveaus
en hun leeftijdsgenoten, die binnen de krijgsmacht werkzaam zijn. De bevelhebber
der landstrijdkrachten heeft een openbare les aan het Montessori Lyceum in
Amsterdam gegeven. Een voorgenomen openbare les kon op het laatste moment
geen doorgang vinden in verband met een Kamerdebat over de situatie in Kosovo.
De Stichting Maatschappij en Krijgsmacht zal op grond van de ervaringen met
de genoemde bijeenkomsten in overleg met het ministerie van Defensie nader
bezien hoe aan deze dialoog tussen jongeren en de krijgsmacht in de komende
jaren nadere invulling zal worden gegeven. Wij zullen dergelijke initiatieven
stimuleren en zijn ook voornemens jongeren actief te interesseren voor de
taken van de krijgsmacht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In deze rapportage wordt achtereenvolgens ingegaan op de opzet van de
STD, op de bijdragen die in dat kader zijn geleverd en op de wijze waarop
wij de dialoog met de samenleving wensen voort te zetten. Bij deze rapportage
is een overzicht van geselecteerde voorstellen van organisaties en individuele
burgers gevoegd (bijlage 2a). Het overzicht is representatief voor de bij
Defensie binnengekomen reacties, die in de ordners bij deze brief zijn gevoegd
(ordners I en II). Ordner III bevat reacties en voorstellen die vanuit de
krijgsmachtdelen zijn gedaan in het kader van door de bevelhebbers georganiseerde
bijeenkomsten. Talrijke personen hebben per brief of per e-mail gereageerd.
Hun reacties zijn in ordner IV opgenomen. Een exemplaar van deze ordners bied
ik de Kamer hierbij aan.  </al>
      <tuskop letat="vet">De opzet van de Strategische Toekomstdiscussie Defensie</tuskop>
      <al>De STD heeft de Hoofdlijnennotitie als beginpunt en eindigde op 1 juli
van dit jaar. De Hoofdlijnennotitie is als aanzet voor de discussie breed
verspreid, onder meer via een bijzondere uitgave van de Defensiekrant. Ook
is in advertenties in dag- en weekbladen de mogelijkheid geboden een informatiepakket,
waaronder de speciale uitgave van de Defensiekrant, op te vragen. Verder is
informatie over de STD opgenomen op de internetsite van Defensie (www.mindef.nl)
en zijn in «ingezonden mededelingen» bijeenkomsten aangekondigd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Defensiebladen zijn interviews gepubliceerd waarin bekende Nederlanders
vanuit verschillende invalshoeken hun mening hebben gegeven over de toekomst
van de krijgsmacht. In de Defensiekrant is daarnaast een aparte STD-pagina
opgenomen met onder andere verslagen en aankondigingen van bijeenkomsten.
In het kader van de STD zijn meer dan honderd bijeenkomsten gehouden, waarvan
ruim de helft georganiseerd door instanties en groeperingen buiten Defensie.
Aan de slotbijeenkomst van de STD, op 30 juni 1999 in het Haagse Congresgebouw,
namen ruim 400 personen deel. In het algemeen was de belangstelling voor de
publieke bijeenkomsten goed. Hierbij dient te worden aangetekend dat de belangstelling
werd gestimuleerd door het Kosovo-conflict. Dit conflict en de inzet van Nederlandse
militairen daarbij hadden uiteraard ook invloed op de aard en het verloop
van de discussies. In bijlage 1 vindt u een overzicht van de bijeenkomsten
en van de organisaties die in het kader van de STD activiteiten hebben ontplooid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met de brede verspreiding van de Hoofdlijnennotitie werd beoogd een groot
aantal personen en een grote verscheidenheid aan organisaties te bereiken.
Het betreft niet alleen organisaties en wetenschappelijke instellingen die
zich van oudsher met vraagstukken van vrede en veiligheid of met aspecten
daarvan bezighouden, maar ook organisaties die vanwege de bijdrage van de
Nederlandse krijgsmacht aan vredesoperaties en humanitaire hulp betrekkelijk
kort geleden met Defensie in aanraking zijn gekomen. Onder andere in gesprekken
zijn zij aangemoedigd hun opvattingen ter zake kenbaar te maken of deel te
nemen aan gedachtewisselingen. De Adviesraad Internationale Vraagstukken is
gevraagd om een beoordeling van de internationale veiligheidssituatie en de
gevolgen daarvan voor het Nederlandse defensiebeleid. Dit advies zal u binnenkort
separaat worden aangeboden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook het personeel is in een tweerichtingsverkeer betrokken bij de voorbereiding
van de Defensienota. De marineleiding heeft na de verschijning van de Hoofdlijnennotitie
op vijf verschillende locaties met het personeel van gedachten gewisseld.
Verslagen van deze bijeenkomsten zijn via voor het personeel goed toegankelijke
communicatiekanalen verspreid. Vervolgens heeft een speciaal team ruim dertig
bijeenkomsten georganiseerd bij varende- en waleenheden. De staatssecretaris
en ik hebben aan twee afrondende bijeenkomsten deelgenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de verschijning van de Hoofdlijnennotitie heeft de Koninklijke landmacht
het personeel ingelicht over de voornemens, onder meer via een brochure en
publicaties in periodieken van de Koninklijke landmacht. Ook zijn verschillende
bijeenkomsten voor de onderscheiden categorieën personeel georganiseerd.
Aan het merendeel daarvan hebben de staatssecretaris en ik deelgenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Meer nog dan bij de andere krijgsmachtdelen vielen de activiteiten van
de Koninklijke luchtmacht in het kader van de STD samen met de inzet van een
deel van het personeel in het kader van het conflict in voormalig Joegoslavië.
Desalniettemin heeft de Koninklijke luchtmacht het voorgenomen plan voor informatievoorziening
en discussie in het kader van de STD onverkort kunnen uitvoeren. Onderdeelscommandanten
hebben het personeel geïnformeerd en bij eenheden die rechtstreeks te
maken hebben met de in de Hoofdlijnennotitie aangekondigde voornemens heeft
de luchtmachtleiding tekst en uitleg gegeven. De staatssecretaris en ik hebben
aan vier themabijeenkomsten deelgenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Koninklijke marechaussee neemt in dit bestek een aparte positie in,
omdat de politieke verantwoordelijkheid voor de taken van dit krijgsmachtdeel
deels bij de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
berust. Toch heeft dit krijgsmachtdeel de Hoofdlijnennotitie tot onderwerp
van enkele bijeenkomsten gemaakt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook binnen het Dico is uitvoerig gesproken over de voornemens van de Hoofdlijnennotitie
en zijn vele reacties verzameld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook de militaire vakorganisaties hebben in de STD een actieve rol gespeeld.
Bij enkele door hen georganiseerde bijeenkomsten waren de staatssecretaris
en ik aanwezig. Voorts leverden zij ook schriftelijk bijdragen aan de STD. </al>
      <tuskop letat="vet">Reacties</tuskop>
      <al>Al eerder is vermeld dat ook organisaties en groeperingen die pas recent
contact hebben met Defensie zich in het kader van de STD met vragen, commentaar
en voorstellen tot Defensie hebben gericht. De staatssecretaris en ik stellen
deze belangstelling buitengewoon op prijs. Wij zijn voornemens in het vervolg
op de STD deze contacten te verbreden en te verdiepen. Voor een deel sluiten
de reacties van groeperingen en organisaties buiten Defensie nauw aan bij
het commentaar en de voorstellen die door het eigen personeel en de militaire
vakorganisaties naar voren zijn gebracht. In het bestek van deze brief wordt
stilgestaan bij enkele saillante dan wel uitdagende reacties.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In een groot aantal reacties wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de
taakstelling van de krijgsmacht in het licht van de ook in de Hoofdlijnennotitie
beschreven internationale veiligheidssituatie. Tijdens verschillende bijeenkomsten,
in het bijzonder die van de universitaire instellingen, is de in hoofdstuk
1 van de Hoofdlijnennotitie beschreven veiligheidssituatie van kritische kanttekeningen
voorzien. Dit hoofdstuk zou eerder een opsomming van een reeks veiligheidsrisico's
inhouden dan een afgeronde visie op de veiligheidssituatie bevatten. Ook tijdens
een aantal bijeenkomsten van militaire belangenverenigingen is soortgelijk
commentaar geleverd. Mede op grond hiervan is het mijn voornemen in de Defensienota
2000 een uitvoerige veiligheidsanalyse op te nemen. Met name vanuit kerkelijke
kring is gevraagd bij de inzet van de Nederlandse krijgsmacht in het kader
van de bescherming van de internationale rechtsorde rekening te houden met
criteria die ontleend zijn aan het leerstuk van de «rechtvaardige oorlog».
Het gaat hier om belangrijke morele en ethische dilemma's, die niet alleen
bij de besluitvorming over inzet van militairen ten behoeve van humanitaire
interventie, maar ook voor de betrokken militairen zelf van belang zijn. Daarom
zal in de Defensienota 2000 aan deze aspecten van humanitaire interventie
aandacht worden gegeven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In mijn brief aan de Tweede Kamer van 30 maart 1999 heb ik er al op gewezen
dat de bevelhebbers is gevraagd bij de selectie en voorbereiding van militairen
voor een uitzending nadrukkelijk en zorgvuldig aandacht te besteden aan de
ethische dilemma's waarmee zij kunnen worden geconfronteerd. Ik
heb aangekondigd dat in de loop van dit jaar praktische aanbevelingen worden
gedaan voor een kwaliteitsverbetering van de training in het omgaan met ethische
dilemma's. Verder zullen ook de mogelijkheden worden onderzocht voor een intensieve
uitwisseling van kennis en ervaring tussen Defensie en civiele instanties.
In dit verband zijn ook interessante voorstellen gedaan, met name door Pax
Christi en het VNO/NCW, voor civiel-militaire samenwerking in de context van
vredesopbouw.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vanzelfsprekend zal in de Defensienota ook worden ingegaan op de lessen
die uit de inzet in Kosovo en uit de eerdere bijdragen aan crisisbeheersingsoperaties
en humanitaire hulpacties kunnen worden getrokken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Van verschillende kanten is erop gewezen dat de duur van uitzendingen
een zware wissel trekt op de uitgezonden militairen en hun achterban. De staatssecretaris
en ik onderkennen de problemen die zich bij uitzending kunnen voordoen voor
de militair en zijn of haar thuisfront. Herziening van het uitzendritme zou
belangrijke personele, materiële en financiële gevolgen hebben.
Hier staat tegenover dat vooral op kleine groepen specialistisch personeel
vaker een beroep wordt gedaan dan op andere categorieën. Dat is een probleem
dat nadere aandacht vergt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook voor andere onderdelen van het personeelsbeleid zijn voorstellen en
suggesties gedaan. De staatssecretaris en ik onderstrepen het belang van een
aantrekkelijk en effectief personeelsbeleid dat aan de tijd is aangepast en
is toegesneden op de huidige en de toekomstige taken. Ons voornemen is het
personeelsbeleid te vernieuwen en te richten op flexibilisering en verjonging
van het personeelsbestand. Omdat de invoering van een gefaseerde verhoging
van de ontslagleeftijd van militairen extra kosten met zich meebrengt, is
ook dit voornemen in de Hoofdlijnennotitie opgenomen. Overigens past die verhoging
van de ontslagleeftijd in de flexibilisering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op dat punt zijn tijdens bijeenkomsten van de krijgsmachtdelen een groot
aantal kritische opmerkingen gemaakt. Vrij algemeen maakt het personeel zich
zorgen over de gevolgen van een gefaseerde verhoging van de ontslagleeftijd
voor de operationele leeftijdsgrenzen, de looptijd in rangen en de vaar/wal-verhouding.
Ook bestaan twijfels over de noodzaak en de haalbaarheid van de flexibilisering
van het personeelsbestand. Velen wijzen op de veronderstelde negatieve gevolgen
van zulke voornemens voor de werving en het behoud van het personeel, in het
bijzonder bij de Koninklijke marine. Knelpunten die uitsluitend betrekking
hebben één krijgsmachtdeel zullen door de desbetreffende bevelhebber
worden behandeld. Knelpunten van algemene aard zullen Defensiebreed worden
besproken in departementale beraden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In bijeenkomsten met militaire vakorganisaties en met het personeel van
de Koninklijke landmacht en de Koninklijke luchtmacht is nadrukkelijk gewezen
op het belang van goed opgeleid en goed gemotiveerd personeel. Enerzijds is –
mede met het oog op de grote risico's die soms aan militaire operaties zijn
verbonden – gepleit voor de instandhouding van puur militaire opleidingen,
waarbij de nadruk ligt op effectief optreden, ook onder omstandigheden waarin
het uiterste van de professionele militair wordt gevraagd. Anderzijds is nadrukkelijk
gewezen op het nut van de flexibilisering van de personeelsstructuur, met
name de «employability». De aantrekkelijkheid van het militaire
beroep neemt uiteraard toe, naarmate er aan het eind van de contractperiode
meer mogelijkheden zijn voor aanvaarding van werk buiten de krijgsmacht. In
dat verband is gepleit voor opleidingen, die nauw aansluiten bij de eisen van de arbeidsmarkt en ook buiten Defensie erkend worden. Ook moet
worden gestreefd naar afspraken over indienstneming van ex-militairen door
andere (semi-) overheidsdiensten. De banden met het bedrijfsleven zouden moeten
worden aangetrokken, met het doel mogelijkheden te bezien om ex-militairen
na hun contractperiode passende functies in het bedrijfsleven aan te bieden.
Opleidingen in de contractperiode dienen gericht te zijn op het verhogen van
de meerwaarde voor de civiele arbeidsmarkt. Doel is een situatie van werkzekerheid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De staatssecretaris en ik onderschrijven de noodzaak van goede arbeidsvoorwaarden
en een goede personeelszorg. Dat is nodig met het oog op de motivatie van
het personeel, maar ook uit een oogpunt van personeelsvoorziening. Daarbij
past ook de bepleite aandacht voor de «employability». In de Hoofdlijnennotitie
zijn de inspanningen van Defensie op dit punt al geschetst, de Defensienota
zal hier zeker nader op ingaan. Daarbij zal goed gebruik worden gemaakt van
ideeën en suggesties uit de STD.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een groot aantal reacties richt zich op de verbetering van de inzetbaarheid
en gereedheid van eenheden. In de Defensienota zal uitgebreid worden ingegaan
op een aantal voorstellen en ideeën die in dit kader onder onze aandacht
zijn gebracht. Het betreft in de eerste plaats de publicatie van het Instituut
Clingendael («Krijgsmacht of Vredesmacht. Keuzen voor de Nederlandse
defensie in de 21e eeuw»), waarin wordt gepleit voor een totale opheffing
van de mobilisabele componenten. In de visie van Clingendael vereisen álle
mogelijke vormen van inzet van de krijgsmacht, nu en in de afzienbare toekomst,
parate eenheden. In dit licht past het de Koninklijke landmacht volledig paraat
te stellen. Met de door Clingendael voorgestelde aanpassingen zou de Koninklijke
landmacht beschikken over drie volledig parate gemechaniseerde brigades, naast
de reeds parate luchtmobiele brigade, waarmee alle taken kunnen worden uitgevoerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vooral het personeel van de Koninklijke landmacht droeg voorstellen aan
voor de vergroting van de parate sterkte. Tijdens bijeenkomsten voor het personeel
van de Koninklijke landmacht stond onder andere het thema «Meer groen
op de grond» centraal. Vergroting van het voortzettingsvermogen bij
deelname aan crisisbeheersingsoperaties en een verdere paraatstelling van
landmachteenheden waren hierbij kernbegrippen. Landmachtpersoneel heeft voorts
een pleidooi gehouden voor gebruikmaking van reserve-eenheden in het kader
van uitzending. Op deze mogelijkheid zal – in samenhang met voorstellen
van onder andere Clingendael – nader worden ingegaan in de Defensienota.
In het algemeen onderschrijf ik het streven naar vergroting van de parate
sterkte. De mogelijkheden daartoe worden echter beperkt door de grenzen die
worden gesteld door de werving van personeel op de arbeidsmarkt. Ook in dit
verband is aandacht voor de werving van belang. Nu al zijn aanzienlijke inspanningen
nodig om voor gevechtseenheden voldoende gekwalificeerd personeel aan te trekken.
Onderzocht wordt hoe de krijgsmacht meer gebruik kan maken van reservepersoneel.
Een algehele opheffing van het mobilisabele bestand wordt niet overwogen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook in de bijeenkomsten van de Koninklijke luchtmacht is onderstreept
dat alles op alles moet worden gezet om het voortzettingsvermogen te verbeteren.
Het wordt cruciaal geacht de inspanningen, gericht op het binnenhalen en binnenhouden
van voldoende en gekwalificeerd personeel, te intensiveren, waarbij beloningsdifferentiatie
als een effectief instrument werd gezien.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook andere mogelijkheden voor vergroting van het voortzettingsvermogen
zijn in de STD aangedragen.Voor de grondgebonden luchtverdediging zijn nuttige
reacties naar voren gebracht over meer samenwerking tussen de
Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke landmacht. Met het oog op de toegenomen
dreiging van ballistische raketten is actieve verdediging met Patriot-systemen
in zogeheten Triad-squadrons van betekenis. Aanpassingen van het commando-
en het logistieke element zijn voorgesteld om met name in het kader van uitzendingen
over voldoende voortzettingsvermogen te beschikken. Ook zijn voorstellen gedaan
voor een verhoging van de parate sterkte van de krijgsmacht door samenvoeging
van eenheden van de Koninklijke marine, de Koninklijke landmacht en de Koninklijke
luchtmacht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Van verschillende kanten is gewezen op de pro's en contra's van de afstoting
van overtollig zwaar defensiematerieel. De reductie van het aantal Leopard
2-tanks, fregatten, Orion maritieme lange-afstandspatrouillevliegtuigen en
F-16 gevechtsvliegtuigen werd vanuit verschillende invalshoeken becommentariëerd,
waarbij verschillende alternatieven voor de voorgenomen reducties zijn aangedragen.
Voor een selectie van deze, nogal uiteenlopende, alternatieven verwijs ik
naar de bijlage. Wat betreft de voorgenomen reductie van de aantallen Leopard
2-tanks is gewezen op de wenselijkheid ook op dit gebied een evenredige bijdrage
te leveren aan de militaire inspanningen van de Navo. Er zijn argumenten aangedragen
voor heroverweging van de voorgenomen opheffing van een F-16 squadron, in
het licht van de tijdens het conflict in voormalig Joegoslavië opgedane
ervaringen met de inzet van twintig F-16's. De leiding van de Koninklijke
luchtmacht heeft met vertegenwoordigers van het personeel gesproken over de
gevolgen van de uitvoering van dit voornemen en de rol en de betekenis van
het luchtwapen in de toekomst. </al>
      <tuskop letat="vet">Naar een permanente dialoog</tuskop>
      <al>Tijdens de slotbijeenkomst van de STD heb ik het voornemen geuit tot een
permanente dialoog met de samenleving, ook na de verschijning van de Defensienota
2000. Defensie moet zich actief aan de samenleving presenteren en openstaan
voor meningen uit en discussie met de samenleving. De inmiddels gelegde contacten
met een groot aantal maatschappelijke organisaties en groeperingen zullen
worden uitgebouwd en verdiept. Hiertoe zal intensief gebruik worden gemaakt
van beproefde en moderne communicatiemiddelen, met inbegrip van Internet.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Defensie,</functie>
        <naam>F. H. G. de Grave </naam>
      </ondtek>
      <bijlage>
        <titel>BIJLAGEN<voetref refid="v8.1" nr="1"></voetref></titel>
        <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
          <tgroup align="left" charoff="75" cols="2" tgroupstyle="sdu1">
            <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="20mm"></colspec>
            <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="92.5mm"></colspec>
            <tbody valign="bottom">
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"> bijlage
1</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Overzicht bijeenkomsten </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">bijlage 2a</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Rapportage aan de Tweede
Kamer over de Strategische Toekomstdiscussie Defensie </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">bijlage 2b</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Overzicht
van instanties en personen die in het kader van de Strategische Toekomstdiscussie
Defensie hebben gereageerd </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">ordner I</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Reacties van instanties, deel
1 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">ordner II</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Reacties van instanties, deel 2 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">ordner III</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Verslagen
van activiteiten van de krijgsmachtdelen en NIPO-peilingen </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">ordner IV</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Reacties
van personen (brieven en e-mails)</entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
      </bijlage>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v8.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>