﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="lyst">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26382-2/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1998-1999</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.1__2.4" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST34590</ordernr>
    <vergjaar>1998-1999</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 382</nummer>
      <naam>Hoofdlijnennotitie Defensienota 2000</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>2</nummer>
      <titel>LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN</titel>
      <datum>Vastgesteld 13 april 1999</datum>
      <al>De vaste commissie voor Defensie<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> heeft over
de Hoofdlijnennotitie Defensienota 2000 (26 382, nr. 1) de navolgende
vragen ter beantwoording aan de regering voorgelegd.</al>
      <al>Deze vragen, alsmede de daarop gegeven antwoorden, zijn hieronder afgedrukt.</al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
        <naam>Valk</naam>
        <functie>De griffier van de commissie,</functie>
        <naam>De Lange</naam>
      </ondtek>
      <witreg></witreg>
      <al>Opmerking vooraf van de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken en
van de staatssecretaris van Defensie:</al>
      <al>Hoewel waar nodig in de beantwoording van de schriftelijke vragen is verwezen
naar het conflict rond Kosovo, kunnen de eventuele gevolgen hiervan voor de
op te stellen Defensienota pas over enige tijd worden vastgesteld. Te zijner
tijd zullen wij hierop terugkomen. </al>
      <tuskop letat="vet">1</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De krijgsmacht zal bij de uitvoering van haar hoofdtaken steeds in
internationaal verband optreden. Ze levert «modulen» die worden
ingepast in een groter geheel. Op pag. 17 blijkt dat de maximale omvang van
zo'n module een bataljon zal zijn of een equivalent daarvan, zoals een heel
squadron jachtvliegtuigen of 2 fregatten. Wat is de praktijk tot nu toe?
Is er ooit een heel squadron ingepast in een internationale missie, of 2
fregatten? (pag. 2)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De omvang van een «module» wordt onder meer bepaald door de
aard en de omvang van de operatie waaraan Nederland bijdraagt. Bij waarnemingsmissies
of bij gespecialiseerde missies zoals voor mijnenruiming zal het in de regel
gaan om een beperkt aantal militairen. Bij grotere vredebewarende of vredeafdwingende
operaties worden organieke gevechtseenheden ingezet. Aan de Unprofor- en de
Ifor/Sfor-operaties werd en wordt deelgenomen met een eenheden van bataljonsgrootte.
Ook bij de omvangrijke VN-operatie in Cambodja (1994-'96) was dat het geval.
Aan de missies op Haïti (1992-'93) en nu op Cyprus (Unficyp) werd en
wordt op compagniesniveau deelgenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tijdens de Golfcrisis van 1990-'91 werden twee fregatten uitgezonden ten
behoeve van de operatie Phalanx in de Perzische Golf. Van 1993 tot 1996 namen
twee fregatten deel aan de operatie «Sharp Guard» in Adriatische
Zee. Van 1993 tot 1996 nam een squadron F-16's deel aan de operatie's in verband
met de situatie in het voormalige Joegoslavië. Bijna een heel squadron
(16 van de 18 vliegtuigen) is aan de Navo ter beschikking gesteld voor luchtaanvallen
tegen Servië. </al>
      <al>Zie ook het antwoord op vraag 97. </al>
      <tuskop letat="vet">2</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Blijkens het gestelde in de Hoofdlijnennotitie zal de Nederlandse
krijgsmacht bij de uitvoering van haar hoofdtaken steeds in internationaal
verband optreden. Geldt dit ook ten aanzien van de externe verdediging van
de Nederlandse Antillen en Aruba? Met welke militaire dreigingen en diffuse
veiligheidsrisico's moet men aldaar rekening houden? (pag. 2)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Krachtens het Statuut voor het Koninkrijk is de handhaving van de onafhankelijkheid
en de externe verdediging van de Nederlandse Antillen en Aruba een aangelegenheid
van het Koninkrijk. Deze verdediging is in vredestijd opgedragen aan de Koninklijke
marine. De Nederlandse Antillen en Aruba leveren hieraan zelf ook een bijdrage.
Overigens is thans geen sprake van een bedreiging van de onafhankelijkheid
van de Nederlandse Antillen en Aruba.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De geloofwaardigheid van deze verdedigingstaak berust mede op het manifeste
voornemen om, mochten de buitenlands politieke en militaire verhoudingen verslechteren,
versterkingen van zee-, land- of luchtstrijdkrachten uit Nederland aan te
voeren. Het ligt in de rede dat de krijgsmacht ook in een dergelijke situatie
in internationaal verband zou optreden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De defensie-inspanningen in de West zijn er ook op gericht een bijdrage
te leveren aan de strijd tegen de grensoverschrijdende illegale handel in drugs en de georganiseerde criminaliteit. Daartoe levert de Koninklijke
marine een belangrijke bijdrage aan de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen
en Aruba. Daarnaast fungeert de Commandant der Zeemacht in het Caraïbisch
gebied als taakgroepcommandant onder de Amerikaanse commandant van de «Joint
Inter Agency Task Force», die verantwoordelijk is voor de coördinatie
van de bestrijding van de drugshandel in die regio. </al>
      <tuskop letat="vet">3</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Bij het paraat houden van 15 medische teams is op creatieve wijze
samenwerking gezocht met burgerziekenhuizen. Is dit een werkwijze die ook
bij andere ondersteunende activiteiten toe te passen is, zoals bij transport
en logistiek, catering en dergelijke? (pag. 3)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De samenwerking met burgerziekenhuizen is tot stand gekomen op grond van
een grotere behoefte aan onmiddellijk inzetbaar geneeskundig personeel bij
uitzendingen voor vredebewarende en vrede-afdwingende operaties. Ter oplossing
van dit specifieke probleem worden chirurgische teams bovenformatief ondergebracht
in vijftien ziekenhuizen. Een dergelijke constructie is niet zondermeer toepasbaar
en niet noodzakelijk voor andere ondersteunende activiteiten. Wel wordt in
dit verband gewezen op het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar
uitbesteding van ondersteunende diensten bij Defensie (zie Hoofdlijnennotitie,
blz. 46). In dit onderzoek worden de bewaking en beveiliging, het transport
en het hoger onderhoud bezien. Het onderzoek beoogt het ontwikkelen van criteria
voor het uitbesteden van ondersteunende diensten. Dit IBO wordt onder leiding
van het ministerie van Financiën uitgevoerd. In de Defensienota zal hierop
nader worden ingegaan. </al>
      <tuskop letat="vet">4, 141, 142, 169, 200 en 237</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat zijn de strategische argumenten om precies twee standaard-fregatten
uit de vaart te nemen, een squadron F16-jachtvliegtuigen op te heffen en het
aantal Orions terug te brengen van 13 naar 10? (pag. 3)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het aantal fregatten van de Koninklijke marine wordt teruggebracht
van zestien naar veertien. Kan dit aantal onderbouwd worden en welke taken
worden niet meer vervuld door het afstoten van twee fregatten? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom wordt het aantal patrouillevliegtuigen van de MLD niet terug
gebracht naar zeven in plaats van tien? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan worden aangegeven waarom, ondanks de in de Hoofdlijnennotitie
aangegeven «sterk verminderde dreiging» van vijandelijke onderzeeboten
en oppervlakte schepen, en de in verhouding tot de Koninklijke luchtmacht
en de Koninklijke landmacht bescheiden bijdrage van de marine aan vredesoperaties,
de hoeveelheid fregatten met slechts twee wordt verminderd? (pag. 24
e.v.)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Voor het afschaffen van een squadron F-16 gevechtsvliegtuigen wordt
(pag. 30) het argument gehanteerd van het verdwijnen van de acute dreiging
van een massale aanval tegen het grondgebied van de NAVO. Vervolgens wordt
echter vastgesteld dat juist deze vliegtuigen voldoen aan de nieuwe eisen
van snelle inzetbaatheid, flexibiliteit en mobiliteit. Hoe verhouden deze
twee opmerkingen zich tot elkaar?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering aangeven welke missies niet meer kunnen worden uitgevoerd
door het afstoten van fregatten, jachtvliegtuigen en Orions? Welke gevolgen
heeft dit voor het voortzettingsvermogen tijdens crisisbeheersingsoperaties?
(pag. 45)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De afgenomen dreiging van een massale aanval op het Navo-grondgebied rechtvaardigt
de keuze voor vermindering van het aantal middelen dat voor een dergelijke
aanval door het bondgenootschap beschikbaar wordt gehouden. Deze keuze is
ook gebaseerd op de overtuiging dat de oorlogsdreiging het best kan worden
bestreden door tijdig te reageren op spanningen in de periferie
van het Navo-grondgebied. Dat vereist onder andere meer direct inzetbare grondtroepen
en een grotere strategische transportcapaciteit. Daarnaast zijn er investeringen
nodig op specifieke gebieden, zoals de verdediging tegen ballistische raketten,
die meer dan in het verleden een bedreiging vormen voor de Nederlandse uitgezonden
eenheden. Met de in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde reducties wordt financiële
ruimte gevonden voor dit nieuwe beleid en voldoende flexibiliteit in stand
gehouden om aan de taken in bondgenootschappelijk verband een geloofwaardige
bijdrage te kunnen leveren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De intrinsieke eigenschappen van het F-16 gevechtsvliegtuig – in
het bijzonder de snelle inzetbaarheid, flexibiliteit en mobiliteit –
maken dit wapensysteem geschikt voor inzet in zowel grootschalige conflicten
als in crisisbeheersings-operaties, zoals de praktijk duidelijk heeft aangetoond.
Daarom zal de beschikbaarheid van drie squadrons F-16 voor crisisbeheersingsoperaties
worden gecontinueerd. Om deze inzet te garanderen is een bredere basis qua
beschikbare middelen nodig; zie tevens antwoord op vraag 187. Met de nu voorgestelde
vermindering is het voortzettingsvermogen nog verzekerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook voor de Koninklijke marine zijn de reducties zo gekozen dat de huidige
inzetopties uitvoerbaar blijven. Wel zal met minder middelen het activiteitenniveau
moeten afnemen. Dat kan bij langdurige vredes-, crisisbeheersings- of humanitaire
operaties consequenties hebben voor de huidige vaste verplichtingen, zoals
de inzet van fregatten in de permanente Navo-eskaders, de presentie met een
fregat en maritieme patrouillevliegtuigen in het Caraïbisch gebied en
stationering van een Orion op Keflavik. In voorkomend geval zal een prioriteitenafweging
worden gemaakt. Zie ook het antwoord op vraag 153. </al>
      <tuskop letat="vet">5</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Schat de regering de veiligheidsrisico's van de verspreiding van
wapens voor massavernietiging vooral in termen van terroristische aanslagen
op Nederlands grondgebied in, of in bedreiging van het grondgebied van de
NAVO (lidstaten)? (pag. 3)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gelet op het aantal landen dat zich reeds vele jaren bezighoudt met de
ontwikkeling en produktie van massavernietigingswapens is kans op inzet van
deze wapens door reguliere strijdkrachten op dit moment groter dan het risico
van terroristisch gebruik. De kans op terroristische aanslagen op Nederlands
grondgebied is momenteel klein. Toch dient met beide verschijningsvormen rekening
te worden gehouden gezien de proliferatie van zowel massavernietigingswapens
als de technologische kennis dergelijke wapens in te zetten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat Nederlandse troepen tijdens
uitzending worden geconfronteerd met inzet van massavernietigingswapens. Een
adequate bescherming tegen deze wapens is dan ook geboden. </al>
      <tuskop letat="vet">6</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke politieke drukmiddelen zijn beschikbaar om Noord Korea tot
verantwoord gedrag te bewegen op het punt van export van raketsystemen en
massavernietigingswapens? (pag. 3)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het Noord-Koreaanse regime is moeilijk te benaderen en nog moeilijker
te beïnvloeden, zelfs door landen die diplomatieke relaties onderhouden
met dit land. Het belangrijkste drukmiddel is de «Korean Energy Development
Organization» (Kedo), waaraan ook de Europese Unie bijdraagt. De Kedo
is opgericht als uitvloeisel van het «Agreed Framework» dat de
Verenigde Staten en Noord-Korea in 1994 hebben afgesloten. Noord-Korea
zegde toe een aantal verdachte nucleaire activiteiten te staken. De Kedo stelt
gratis ruwe olie beschikbaar aan Noord-Korea, ter compensatie van de elektriciteit
die niet langer kan worden geleverd door de verdachte kerncentrale. Voorts
zullen twee licht-watercentrales worden gebouwd, waarvan geen proliferatie-risico
uitgaat.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Kedo heeft de mogelijkheden van Noord-Korea op het gebied van nucleaire
proliferatie verminderd, hoewel een aantal onzekerheden blijft bestaan. Het
welslagen van de Kedo heeft onder druk gestaan vanwege de lancering van een
Taepo Dong raket door Noord-Korea in 1998 en de onduidelijke status van een,
wellicht nucleair, ondergronds complex bij Kumchangri. Op grond van deze lancering
schortte Japan de betalingen aan de Kedo op. Het Amerikaanse Congres insisteerde,
onder dreiging van opzegging van de steun aan de Kedo, op inspecties van genoemd
complex. Op 15 maart jl. bereikten de Verenigde Staten en Noord-Korea overeenstemming
over inspecties.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er zijn nauwelijks mogelijkheden om de export van Noord-Koreaanse rakettechnologie
te voorkomen. De Verenigde Staten pogen door een combinatie van sancties en
beloningen tot nadere afspraken te komen. Noord-Korea ziet de export van rakettechnologie
als een belangrijke bron van buitenlandse valuta's. Een complicerende factor
is dat er geen internationale verdragen bestaan die de ontwikkeling van ballistische
raketten verbieden. Wel bestaat een samenwerkingsverband, het «Missile
Technology Control Regime», tussen landen die over relevante technologieën
beschikken om de export daarvan naar proliferanten te voorkomen. Noord-Korea
is daarbij niet aangesloten en het is onwaarschijnlijk dat dit op korte termijn
zal gebeuren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op langere termijn biedt slechts een internationale dialoog de mogelijkheid
het zelf gekozen isolement van Noord-Korea te doorbreken. Vorig jaar heeft
de EU-Troika op ambtelijk niveau besprekingen gevoerd in Noord-Korea. Hierbij
zijn onder meer de zorgen op non-proliferatiegebied naar voren gebracht, tot
dusver zonder resultaat. </al>
      <tuskop letat="vet">7, 8, 9 en 235</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoeveel verwacht de regering dat de verkoop van 150 Leopard-2 tanks
oplevert en zijn er al landen die hiervoor belangstelling getoond hebben?
Zo ja, welke? (pag. 3)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoeveel verwacht de regering dat de verkoop van 2 S-fregatten oplevert
en zijn er al landen die hiervoor belangstelling getoond hebben? Zo ja, welke?
(pag. 3)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoeveel verwacht de regering dat de verkoop van een squadron F-16's
oplevert en zijn er al landen die hiervoor belangstelling getoond hebben?
Zo ja, welke? In hoeverre is de uitgesproken verwachting realistisch, gezien
de eerdere moeilijkheden om F-16 te verkopen? (pag. 3)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De verkoop van «overtollig» materieel leidt tot een inboeking
van 600 miljoen. Hoe reëel is dit bedrag? (pag. 45)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De inkomsten uit de verkoop van het in de Hoofdlijnennotitie overtollig
gestelde materieel zijn in totaal geraamd op ruim f 600 miljoen. Dit
bedrag is gebaseerd op de ervaring met gerealiseerde verkoopopbrengsten in
de afgelopen jaren. Binnenkort zal het desbetreffende materieel worden aangeboden
aan de regeringen van daarvoor in aanmerking komende landen, rekening houdend
met de restricties van het wapenexportbeleid. Dit zal gebeuren onder het voorbehoud
van parlementaire goedkeuring van de besluiten die in de Defensienota zullen
worden opgenomen. Zie ook het antwoord op vraag 232.  </al>
      <tuskop letat="vet">10 en 196</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan worden aangegeven binnen welke termijn de studie om de LCF-fregatten
te voorzien van een capaciteit voor een «Theatre Missile Defence»
zal worden afgerond? (pag. 3)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Er vindt onderzoek plaats naar de uitrusting van de LFC-fregatten
van de Koninklijke marine voor de verdediging tegen ballistische raketten
(aanpassing APAR-radar). Wanneer wordt hiertoe besloten, om welke kosten gaat
het en hoe verloopt de samenwerking met Duitsland en de Verenigde Staten?
Zijn nog andere landen geïnteresseerd in deelname? (pag. 29)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De eerste fase van de studie over de TMD-capaciteit van de LCF-fregatten,
waaraan ook Duitsland deelnam, is afgerond. Hieruit is gebleken dat het in
beginsel mogelijk is de systemen van de LCF-fregatten zo aan te passen dat
deze schepen over TMD-capaciteit kunnen beschikken. De hiermee gemoeide kosten
zijn afhankelijk van de samenwerkingsmogelijkheden met Duitsland en de Verenigde
Staten. Vooralsnog is in de plannen f 300 miljoen gereserveerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Momenteel wordt met Duitsland onderhandeld over een gezamenlijke uitvoering
van de vervolgfase van de studie, waarin – samen met de Verenigde Staten –
de resultaten van de eerste fase gevalideerd moeten worden; de validatie zal
drie jaar in beslag nemen. Definitieve besluitvorming is pas mogelijk als
de tweede fase van de studie afgerond is. De studie richt zich vooralsnog
op de specifieke systemen die alleen zijn voorzien voor de Duitse en Nederlandse
schepen, zodat aan de studie geen andere landen kunnen deelnemen. </al>
      <tuskop letat="vet">11</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze krijgt de detectie van biologische wapens meer aandacht?
(pag. 3)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>TNO ontwikkelt in samenwerking met de TU Delft een prototype van een detectiesysteem
gebaseerd op fysische principes.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nederland neemt deel aan Europese projecten op het gebied van detectie
en identificatie van biologische agentia en van pathogene micro-organismen.
De resultaten hiervan zijn over enkele jaren te verwachten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De huidige en toekomstige onderzoeksinspanningen worden samengebracht
in een integraal onderzoeksprogramma op het gebied van passieve verdediging
tegen NBC-strijdmiddelen. Hiermee wordt bundeling van de (schaarse) nationale
expertises, inbedding in internationaal verband en, vooral op biologisch gebied,
intensivering nagestreefd. Landen waarmee zal worden samengewerkt zijn met
name Canada, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. </al>
      <tuskop letat="vet">12</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom wordt de waarschuwingstijd (10–15 jaar) voor de opbouw
van de krijgsmacht tot een grotere omvang steeds gebaseerd op een eventuele
Russische dreiging? Worden andere bedreigingen die zulks kunnen vereisen uitgesloten?
Zo ja, waarop is dat dan gebaseerd? (pag. 6)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tijdens de Koude Oorlog was er sprake van een zeer sterk bewapende vijand
en van verstarde politieke en militaire verhoudingen. Deze situatie is sinds
het begin van de jaren negentig ingrijpend veranderd. De verdeling van Europa
in twee blokken met de daarbij behorende ideologische tegenstellingen is verdwenen
en het militair potentieel is sterk verminderd. In deze situatie is er geen
directe dreiging van een grootschalige aanval meer tegen het bondgenootschappelijke
grondgebied en is de politieke waarschuwingstijd voor een dergelijk
scenario aanzienlijk langer geworden. De militaire voorbereidingstijd zal
waarschijnlijk korter zijn. Rusland is meest nabije grote mogendheid in Europa;
andere dreigingen worden overigens geenszins uitgesloten. </al>
      <tuskop letat="vet">13</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat wordt bedoeld met: «De krijgsmacht verschaft zekerheid
tegen niet te voorziene risico's...»? Niet te voorziene risico's zijn
immers risico's die niet bekend zijn; hoe kan de Krijgsmacht er dan op anticiperen?
Verschaft de Krijgsmacht ook zekerheid tegen minder grote, maar wel reële
risico's zoals een massale aanval op NAVO-gebied? (pag. 6)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Juist tegen niet voorziene, dus onbekende, veiligheidsrisico's is een
flexibel inzetbare capaciteit nodig, die een «verzekering» is
tegen inbreuken op onze veiligheid of de Nederlandse belangen. Zoals in de
Hoofdlijnennotitie is uiteengezet, beschikt de krijgsmacht over de capaciteit
om desgewenst voldoende strijdkrachten te genereren voor het bondgenootschappelijk
verdedigingspotentieel in geval van een groot conflict. </al>
      <tuskop letat="vet">14</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde investeringen kunnen
worden gebruikt voor alle hoofdtaken van het Defensiebeleid?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde nieuwe investeringen zijn deels
investeringen die voortvloeien uit de aangekondigde operationele maatregelen
zoals de uitbreiding van het mariniersbestand en de genie. Gelet op de uitbreiding
van de parate capaciteit zullen ook aanvullende investeringen nodig zijn voor
infrastructuur. Voorts zijn nieuwe materieel-investeringen voorzien voor helikopters
voor onder meer medische evacuatie, een tweede amfibisch transportschip en
extra investeringen voor een maritieme TMD-capaciteit. Met uitzondering van
de TMD-capaciteit worden alle nieuwe investeringen in meerdere of mindere
mate gebruikt voor alle hoofdtaken van het defensiebeleid. De TMD-capaciteit
zal geen directe bijdrage leveren aan de ondersteuning en hulpverlening door
de krijgsmacht. Afzonderlijke investeringsprojecten zullen steeds worden getoetst
aan de op blz. 7 van de Hoofdlijnennotitie genoemde taken. </al>
      <tuskop letat="vet">15</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke middelen voor verdediging tegen een massale aanval zijn niet
bruikbaar voor alle hoofdtaken van het Defensiebeleid, en welke wel? Hoe is
bij het schrijven van de Hoofdlijnennotitie rekening gehouden met het feit
dat het nieuwe Strategische Concept van de NAVO nog niet vastgesteld is? (pag. 7)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Nederlandse krijgsmacht heeft geen specifieke middelen die alleen bruikbaar
zijn voor verdediging tegen een massale aanval. Alle middelen zijn in min
of meerdere mate bruikbaar voor zowel de eerste als de tweede hoofdtaak (zie
het antwoord op vraag 14). Een deel van de middelen en vrijwel al het personeel
kan tevens worden ingezet voor de derde hoofdtaak. Daarbij is in het licht
van de analyse van de internationale veiligheidssituatie bewust gekozen voor
fregatten, maritieme patrouillevliegtuigen, mobilisabele tanks en jachtvliegtuigen.
Hoewel deze middelen allemaal bruikbaar zijn voor de bondgenootschappelijke
verdediging én crisisbeheersingstaken, kan de beschikbare hoeveelheid
van deze middelen worden aangepast vanwege de afgenomen dreiging van een massale
aanval op het Navo-verdragsgebied. Zie ook het antwoord op vraag 4. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De herziening van het Strategische Concept van de Navo is reeds eind 1997
begonnen. In de voorbereidingen heeft Nederland een duidelijk herkenbare positie
ingenomen, onder meer ten aanzien van de taakstelling van de Navo; ook is
een indruk ontstaan van de standpunten van de bondgenoten. Het nieuwe Strategische
Concept zal eerst tijdens de Top van de Navo te Washington, eind april 1999,
worden vastgesteld. Bij de opstelling van de Defensienota zullen de daarin
op te nemen maatregelen worden getoetst aan het Strategische Concept. </al>
      <tuskop letat="vet">16</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze worden de inspanningen van de bondgenoten beter op
elkaar afgestemd? (pag. 7)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De defensie-inspanningen van de bondgenoten worden zo goed mogelijk op
elkaar afgestemd door middel van het Navo-defensieplanningsproces. Als uitgangspunt
voor de defensieplanning dient het Strategische Concept. Dit bevat een algemene
uiteenzetting van de doelstellingen en de middelen van het bondgenootschap.
De ministers van Defensie geven om de twee jaar meer gedetailleerde richtlijnen
in de «Ministerial guidance». Op grond hiervan worden de «force
goals» vastgesteld, de specifieke doelstellingen voor de strijdkrachten
van de lidstaten. Deze doelstellingen worden vertaald in concrete voorstellen,
de «force proposals». Jaarlijks wordt overlegd om te bezien of
de defensieplannen van de landen sporen met de afgesproken doelstellingen.
Dan maken de landen bekend in hoeverre ze de voorgestelde «force proposals»
kunnen accepteren en uitvoeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naast dit planningsproces is ook sprake van multilaterale en bilaterale
samenwerking, operationeel en bij de ontwikkeling van defensiematerieel. </al>
      <tuskop letat="vet">17 en 19</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De taken van de Krijgsmacht in de toekomst spitsen zich toe op de
verdediging van eigen en bondgenootschappelijk gebied, bescherming en bevordering
van de internationale rechtsorde en de handhaving van de nationale rechtsorde
inclusief ondersteuning van de civiele overheden. Is er een prioriteitstelling
in taken aan te geven in het geval er beroep wordt gedaan op dezelfde middelen
op hetzelfde tijdstip? (pag. 7)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De regering formuleert drie taken voor de krijgsmacht (algemene verdediging,
crisisbeheersing en civiele taken). Is de regering het eens met de constatering
dat de krijgsmacht primair een instrument is waarmee de staat op grootschalige
wijze geweld kan toepassen? Zo ja, is dan de civiele taak geen afgeleide taak?
(pag. 7)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Als er sprake mocht zijn van een directe bedreiging van het eigen of bondgenootschappelijke
grondgebied, zal aan de verdediging daarvan op dat moment de hoogste prioriteit
worden gegeven. Naarmate een dergelijke bedreiging minder actueel is, zullen
de Nederlandse eenheden meer elders kunnen worden ingezet voor andere vredebewarende
en vrede-afdwingende taken, danwel kunnen worden ingezet voor civiele taken.</al>
      <al>De krijgsmacht ontleent haar legitimiteit aan het feit dat zij als enige
institutie in opdracht van de regering in staat is tot het toepassen van beheerst
en zonodig grootschalig geweld. Om deze taak te kunnen uitvoeren beschikt
zij over een scala van capaciteiten. Deze reeds in de krijgsmacht aanwezige
capaciteiten kunnen ook in het kader van civiele taken worden ingezet. </al>
      <tuskop letat="vet">18</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is er een tegenspraak tussen de beperkte, militaire dreiging en de verdediging tegen een veelheid van veiligheidsrisico's die diffuus
van aard zijn? (pag. 7)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Neen, beide zijn elementen van de beschrijving van de huidige veiligheidssituatie.
De directe militaire dreiging is sinds het einde van de Koude Oorlog sterk
verminderd. De krijgsmacht moet daarnaast berekend zijn op de op blz. 11 en
12 van de Hoofdlijnennotitie beschreven, meer diffuse, veiligheidsrisico's. </al>
      <tuskop letat="vet">19</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De regering formuleert drie taken voor de krijgsmacht (algemene verdediging,
crisisbeheersing en civiele taken). Is de regering het eens met de constatering
dat de krijgsmacht primair een instrument is waarmee de staat op grootschalige
wijze geweld kan toepassen? Zo ja, is dan de civiele taak geen afgeleide taak?
(pag. 7)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie antwoord op vraag 17. </al>
      <tuskop letat="vet">20, 174, 175, 180 en 181</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Hoofdlijnennotitie wordt de keuze voor een geheel parate krijgsmacht
niet gemaakt; waarom niet? (pag. 7)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke rol spelen mobilisabele eenheden in het Duits-Nederlandse legerkorps?
Wat zou een verdere verkleining van de mobilisabele reserve voor die samenwerking
hebben? (pag. 25)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is het Duits-Nederlandse legerkorps voldoende toegesneden op de verschuiving
naar vredesoperaties en crisisbeheersing of is het vooral een samenwerkingsverband
geënt op de meer traditionele gebiedsverdediging? (pag. 25)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering de conclusie dat niet alle mobilisabele eenheden
gemist kunnen worden nader omschrijven? (pag. 25)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zijn er mogelijkheden mobilisabele eenheden geheel paraat, dan wel
inzetbaar voor crisisbeheersingsoperaties te maken? (pag. 25)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wat betreft de omvang van de mobilisabele component is bij de reducties
op grond van de Defensienota 1991 en de Prioriteitennota (1993) besloten vast
te houden aan het legerkorpsniveau. Het legerkorps is de belangrijkste eenheid
in de organisatie van de Navo-strijdkrachten. Nederland beschikte in het begin
van de jaren negentig zelf over een legerkorps; de verkleining van de Koninklijke
landmacht leidde tot de vorming van een legerkorps samen met Duitsland. Beide
landen nemen daarin deel met een volledige divisie en een deel van de legerkorpstroepen.
Een deel van zowel de Duitse als de Nederlandse eenheden is mobilisabel. Zo
wordt op een kosteneffectieve wijze aan de Navo-verplichtingen voldaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door de in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde verkleining (de opheffing
van drie tankbataljons) van het mobilisabele bestand bestaat de divisie nog
uit drie gemechaniseerde brigades van elk drie bataljons. Op basis van algemene
Navo-richtlijnen voor de omvang en structuur van de eenheden dient een divisie
te beschikken over drie tot zes brigades en een brigade over drie tot vijf
manoeuvrebataljons. Nederland bevindt zich daarom nog binnen de grens van
wat operationeel noodzakelijk wordt geacht, maar bij een verdere inkrimping
is geen sprake meer van een volwaardige inbreng in het binationale legerkorps
(zie ook het antwoord op vraag 190). Zo'n besluit zou haaks staan op het beleid
gericht op internationale samenwerking. Naast de taak in het kader van de
bondgenootschappelijke verdediging zijn het hoofdkwartier en de eenheden van
het Duits-Nederlandse legerkorps beschikbaar voor de Weu. Nu van de vroegere
terughoudendheid van Duitsland op het gebied van deelneming aan vredesoperaties
geen sprake meer is, ligt ook op dit terrein meer samenwerking
in de rede, zoals dat nu al het geval is met het Verenigd Koninkrijk.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Hoofdlijnennotitie is een verschuiving aangekondigd van de mobilisabele
naar de parate component. Wat betreft de personele vullingsmogelijkheden lijkt
met de huidige uitbreiding van de parate component het maximaal haalbare bereikt.
Zie ook het antwoord op vraag 111. </al>
      <tuskop letat="vet">21 en 96</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Volgens de Grondwet is er een krijgsmacht «tot bescherming
van de belangen van de Staat». De basis voor de Britse «Strategic
Defence Review» vormde een gezamenlijke evaluatie door de ministeries
van Buitenlandse Zaken en Defensie van de nationale belangen, afspraken en
verantwoordelijkheden en een beoordeling van de risico's en uitdagingen in
de komende decennia. Hiermee is voor het SDR-proces het algemeen beleidskader
(«Policy Framework») geschapen waarin de algemene rol van Defensie
ter ondersteuning van het Britse buitenlandse- en veiligheidsbeleid is uiteengezet.
In de uitgangspunten van de Hoofdlijnennotitie ontbreekt een definiëring
van Nederlandse belangen etc. en doelstellingen op het gebied van buitenlands
en veiligheidsbeleid. Kan de regering deze alsnog verstrekken? (pag. 7)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Hoofdlijnennotitie blijven de nationale politieke en economische
belangen in het Golfgebied onbenoemd. Kan de regering ingaan op deze belangen,
alsmede op de gevolgen van een onverhoopte aantasting daarvan? Hoe afhankelijk
is Nederland bijvoorbeeld van de olie-aanvoer uit het Perzische Golfgebied?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de beschrijving van de taken van de krijgsmacht op blz. 7 en 17 van
de Hoofdlijnennotitie wordt verwezen naar de Nederlandse belangen en doelstellingen
op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid. Ook in het in 1995
verschenen Toetsingskader voor de uitzending van militaire eenheden gelden
de Nederlandse belangen als een belangrijke toetssteen voor deelneming aan
internationale operaties. In de Defensienota zal nader worden ingegaan op
deze problematiek.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Sinds de jaren zeventig is de herkomst van de Nederlandse energievoorziening
aanzienlijk gediversificeerd. Dit neemt niet weg dat de Golfregio met zeventig
procent van de bewezen oliereserves en haar zeer omvangrijke gasreserves een
gebied van groot strategisch belang is. Dit wordt mede bepaald door de strategische
ligging ervan en door de gevolgen die instabiliteit in deze regio heeft voor
Europa. </al>
      <tuskop letat="vet">22, 23 en 24</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is de relatie van landen in conflict zoals opgesomd op pag. 7
tot de Nederlandse Defensie-inspanning, die is gebaseerd op de 4–3 formule?
Waarom deelname aan vier missies en niet meer of minder? Is er een rangorde,
in de zin dat het ene conflict voor Nederland bedreigender is dan het andere?
(pag. 7)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Hoofdlijnennotitie is sprake van drie type taken: 1. verdediging
van het eigen en bondgenootschappelijk gebied, 2. bescherming internationale
rechtsorde, 3. handhaving nationale rechtsorde en ondersteuning (nationaal
en internationaal) bij rampenbestrijding en vredesopbouw. De afbakening tussen
crisisbeheersing, vredesoperaties en steun bij vredesopbouw is onduidelijk.
Bij de bescherming van de internationale rechtsorde ligt de specifieke nadruk
op de bevordering van veilige en stabiele verhoudingen in de periferie van
het NAVO-verdragsgebied. Is hier sprake van een onderliggende accentverschuiving,
waarbij enige robuustheid slechts aan de dag gelegd wordt in de periferie
van het NAVO-verdragsgebied (het bestrijden van «schurkenstaten»)?
Van vredesoperaties elders met enige omvang en slagkracht om
vrede te bewaren of af te dwingen lijkt geen sprake meer. Slechts hand- en
spandiensten voor vredesopbouw blijven dan over. Klopt dit beeld? Zo neen,
kan dan wat preciezer aangegeven worden wat de reikwijdte van de diverse begrippen
is? (pag. 7)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de uitwerking van de veiligheidsanalyse naar veiligheidsbeleid
niet te eenzijdig gericht op Europa en in het bijzonder het NAVO-verdragsgebied?
Wat vragen ontwikkelingen in Afrika en Azië van de Internationale Gemeenschap?
Zijn er verdere ontwikkelingen te verwachten bij de Verenigde Naties ten aanzien
van vredesoperaties, of blijft het bij de UNSAS? (pag. 7)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De opsomming van de veiligheidsrisico's op blz 10 t/m 12 van de Hoofdlijnennotitie
leidt tot de conclusie dat de nieuwe veiligheidssituatie een breed en actief
veiligheidsbeleid vereist. Naast politieke, economische en financiële
middelen kan de regering daartoe ook militaire middelen inzetten. De vaststelling
van het ambitieniveau van vier gelijktijdig uit te voeren operaties weerspiegelt
de inspanning die Nederland kan en wil leveren. Het geeft uitdrukking aan
de verantwoordelijkheid die ons land neemt bij de handhaving van de internationale
rechtsorde en bescherming van de mensenrechten. Genoemd ambitieniveau is vastgelegd
in het Regeerakkoord van 1998.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het in onderlinge samenhang toepassen van alle genoemde middelen richt
zich vooral ook op de veiligheidsrisico's in de periferie van het Navo-verdragsgebied.
Daardoor kan de inzet van massale middelen ter verdediging van het bondgenootschappelijk
grondgebied worden voorkomen. Juist omdat op voorhand niet kan worden aangegeven
welk conflict het meest bedreigend is, dient de krijgsmacht over voldoende
flexibiliteit te beschikken om deel te kunnen nemen aan een groot aantal verschillende
inzetopties. Uitgezonden eenheden kunnen altijd worden geconfronteerd met
militaire gevechtshandelingen en dienen dan ook voldoende uitgerust en bewapend
te zijn. Noch in de huidige operaties, noch in toekomstige zal de bijdrage
van Nederlandse eenheden zijn beperkt tot de ondersteuning van vredesopbouw.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie ook het antwoord op vraag 82. </al>
      <tuskop letat="vet">25, 74, 75 en 76</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Hoofdlijnennotitie wordt gesproken over de noodzaak van een
«toereikende internationaal-rechtelijke grondslag voor internationale
operaties buiten het NAVO-gebied». Wat verstaat de regering onder «toereikend»?
Bedoelt de regering hiermee expliciet de VN Veiligheidsraad? (pag. 7)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de notitie wordt gesteld dat de grondslag voor de inzet van NAVO-middelen
ter handhaving van de internationale rechtsorde bij voorkeur een mandaat van
de VN of de OVSE dient te zijn. Welke andere mandaten komen hiervoor nog meer
in aanmerking? Kan geconcludeerd worden dat een expliciete resolutie van de
VN Veiligheidsraad geen absolute voorwaarde is voor het inzetten van Nederlandse
militairen in het kader van een NAVO-inzet buiten het NAVO-grondgebied? Wat
is de minimale «internationaalrechtelijke» grondslag die voor
zo'n beschikbaarstelling noodzakelijk wordt geacht? Wat zijn de criteria voor
een dergelijke grondslag? (pag. 14)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze zal de nieuwe kerntaak van de NAVO (crisisbeheersing
en vredesoperaties) internationaal-rechterlijk moeten worden gemandateerd
waar het niet gaat om artikel 5 NAVO-verdrag operaties? (pag. 14)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze wordt door onder andere Nederland getracht het primaat
van de VN-Veiligheidsraad te behouden met betrekking tot de internationaalrechtelijke
mandatering van militaire operaties? (pag. 14) </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Volgens het volkenrecht is militair optreden buiten het Navo-gebied in
drie gevallen toegestaan:</al>
      <al>– in geval van zelfverdediging, inclusief de verdediging van bondgenoten
(artikel 51 van het VN-Handvest);</al>
      <al>– op grond van een mandaat van de Veiligheidsraad (hoofdstuk VII
van het Handvest);</al>
      <al>– op verzoek van de wettige regering van het land op wiens grondgebied
de operatie plaatsvindt. In dit geval is een mandaat van de Veiligheidsraad
(hoofdstuk VI van het Handvest) of een verzoek van de OVSE wenselijk, maar
juridisch niet strikt noodzakelijk.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het algemeen aanvaarde volkenrecht heeft echter geen goed antwoord op
de vraag wat dient te gebeuren als onaanvaardbaar menselijk lijden dreigt,
terwijl de regering van het desbetreffende land niet langer functioneert of
juist schuldig is aan dit lijden en de Veiligheidsraad het niet eens wordt
over een mandaat voor militair ingrijpen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het feit dat de Veiligheidsraad in sommige situaties niet in staat is
zijn verantwoordeljkheid te nemen, mag de internationale gemeenschap niet
verplichten tot werkeloos toezien. Naar het oordeel van de regering kan daarom
onder extreme omstandigheden in een zich ontwikkelend volkenrecht een voldoende
internationaalrechtelijke grondslag bestaan voor humanitaire interventie.
Daarbij dient te worden onderstreept dat het beginsel van humanitaire interventie
een uitzondering vormt op de regel; een uitzondering waarvan niet lichtvaardig
gebruik mag worden gemaakt. Voorkomen moet worden dat het beginsel van humanitaire
interventie ook worden gebruikt door staten ter rechtvaardiging van andersoortige
militaire interventies. </al>
      <tuskop letat="vet">26</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarop is de verwachting gebaseerd dat met name de verspreiding van
massavernietigingswapens zich in de komende decennia mogelijk zal ontwikkelen
tot een bedreiging van de internationale veiligheidssituatie? Sinds welk moment
of welke gebeurtenis of ontwikkeling speelt deze overweging een belangrijke
rol in het denken over de inrichting van de Nederlandse krijgsmacht? (pag. 7)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er zijn onmiskenbaar aanwijzingen dat een aantal landen programma's heeft
voor de ontwikkeling en produktie van massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen.
Tegen deze achtergrond besloot de Navo-top van 1994 deze problematiek grotere
prioriteit te geven. In dit verband wordt ook verwezen naar de veiligheidsanalyse
die als bijlage werd gevoegd bij de Memorie van Toelichting op de begroting
1996 en de in mei 1998 aan de Kamer gezonden notitie over de proliferatie
van massavernietigingswapens. </al>
      <tuskop letat="vet">27 en 28</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Als Nederland steeds in internationaal verband zal optreden, zoals
in de inleiding wordt gesteld, en de krijgsmacht «modules» levert
voor het «grotere geheel», hoe waarborgt de regering dan de functie
van de Nederlandse krijgsmacht in de verdediging van het eigen grondgebied?
(pag. 7)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Leiden verdere specialisatie en afstemming met NAVO-partners tot
een krijgsmacht die steeds minder in staat zal zijn zelfstandig te opereren?
Hoe verhoudt een dergelijke ontwikkeling zich tot de kerntaak van de Nederlandse
krijgsmacht om de nationale integriteit te waarborgen? (pag. 7)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een aanval op het Nederlandse grondgebied wordt gezien als een aanval
op het Navo-verdragsgebied, zoals vastgelegd in artikel 5 van het Navo-verdrag.
Door de inbedding van de Nederlandse krijgsmacht in internationaal
verband worden de beste waarborgen geschapen voor de bescherming van de nationale
integriteit. Dit betekent echter wel dat de krijgsmacht minder in staat is
zelfstandig te opereren en dat er sprake is van een verminderde nationale
invloed. </al>
      <tuskop letat="vet">29, 30, 31, 40 en 41</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Een belangrijk richtsnoer voor de noodzakelijke koersverandering
als aangekondigd in de Hoofdlijnennotitie is het Strategisch Concept van de
NAVO dat in april 1999 zal verschijnen. Voorts wordt in deze notitie aangekondigd
dat de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) nog een beoordeling zal
moeten geven omtrent de internationale veiligheidssituatie en de gevolgen
die dit mogelijk zal hebben voor het Nederlandse veiligheidsbeleid. Tenslotte
zal een maatschappelijk debat over de toekomst van de krijgsmacht eveneens
bovengenoemde koersverlegging dienen. Kan de regering aangeven wat dan precies
de status van deze notitie is? Hoe waarschijnlijk acht de regering het dat
nog dit jaar het personeel bij elkaar moet worden geroepen om hen te vertellen
dat het toch weer anders moet? (pag. 7 en 8)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de adviesaanvraag aan de AIV niet mosterd na de maaltijd als de
hoofdlijnen van het Defensiebeleid al zo zijn ingekleurd? Of kunnen er nog
majeure wijzigingen in worden aangebracht? (pag. 8)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Mag uit het gestelde op pag. 8 de conclusie getrokken worden dat
de AIV in het geheel niet gekend is in de totstandkoming van de Hoofdlijnennotitie?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Overwogen is om de toekomst van de krijgsmacht te presenteren in
de vorm van scenario's of alternatieven. Het verdient de voorkeur, aldus de
regering, in het licht van de toekomstige discussies zèlf een duidelijke
richting aan te geven. Is de regering het ermee eens dat hiermee de nog te
voeren discussie aan belang inboet, vooral ook gezien het feit dat de financiële
uitkomst reeds vastligt en de Bevelhebbers hun onderlinge onderhandelingen
reeds hebben afgerond? (pag. 9)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">«De Hoofdlijnennotitie is ook de bijdrage van de regering aan
de STD...» Wordt hiermee bedoeld dat de notitie zelf ook een discussiestuk
is en de inhoud daarvan door de uitkomsten van de STD gewijzigd kan worden
(m.a.w. is de uitkomst van de STD committerend) of is de STD slechts bedoeld
om de gedachtenvorming omtrent de Defensienota 2000 op gang te brengen? (pag. 9,
47–48)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Hoofdlijnennotitie verwoordt het standpunt van de regering inzake de
toekomst van de krijgsmacht. De Hoofdlijnennotitie bevat een voorlopige analyse
in kort bestek van de internationale veiligheidssituatie, waarbij onder andere
ook gebruik is gemaakt van de «Strategic Defence Review» in het
Verenigd Koninkrijk. Alvorens de internationale verhoudingen uitvoeriger te
beschrijven en te beoordelen hecht de regering er zeer aan de opvattingen
daarover van de AIV te vernemen. De AIV is gevraagd om een beoordeling van
de internationale veiligheidssituatie en de gevolgen daarvan voor het Nederlandse
defensiebeleid. De AIV zal zijn advies in de loop van mei uitbrengen. Dit
advies kan wel degelijk van invloed zijn op de maatregelen die in de Defensienota
worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor het nieuwe Strategische Concept van
de Navo en de resultaten van de strategische toekomstdiscussie defensie (STD).
De STD is in volle gang. In de besluitvorming over de Defensienota 2000 bestaat
vanzelfsprekend ruimte voor de verwerking van opvattingen en ideeën die
in het kader van de STD naar voren worden gebracht. </al>
      <tuskop letat="vet">32</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke maatregelen zullen er getroffen worden indien er met de vakorganisaties
geen overeenstemming bereikt kan worden over de voorgestelde maatregelen met
betrekking tot de arbeidsvoorwaarden? (pag. 8) </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Over maatregelen betreffende de arbeidsvoorwaarden moet met de vakorganisaties
overeenstemming worden bereikt. Er wordt onderhandeld over een totaalpakket
van positieve en minder aangename maatregelen. In het vrijwel ondenkbare geval
dat daarover uiteindelijk geen overeenstemming wordt bereikt, blijven de arbeidsvoorwaarden
ongewijzigd. </al>
      <tuskop letat="vet">33</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Bij de opsomming in de Hoofdlijnennotitie van de veiligheidsrisico's
wordt niet genoemd het toenemende risico van information (of cyber) warfare.
Kan de regering hiervan alsnog een omschrijving geven, alsmede een overzicht
van het nationaal beleid in deze en van de rol die Defensie vervult bij de
bescherming tegen dit soort veiligheidsrisico's? (pag. 8)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De grote belangen van een goede informatievoorziening en het toenemend
gebruik van informatietechnologie leiden ertoe dat de samenleving en dus ook
Defensie kwetsbaarder wordt. Tegelijkertijd biedt de informatietechnologie
nieuwe operationele mogelijkheden. Onder de noemer «information operations»
(Info Ops) doet de Navo onderzoek op dit terrein. Bovendien doen de Duitse
en Nederlandse krijgsmachten in samenwerking met het Nederlandse onderzoeksinstituut
TNO en het Duitse onderzoeksinstituut IABG een verkennend onderzoek op genoemd
gebied. Deze studie is te beschouwen als een bijdrage aan de ontwikkeling
van nationaal beleid terzake. </al>
      <tuskop letat="vet">34</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Hoofdlijnennotitie wordt een stap in de richting van een «expeditionaire»
krijgsmacht gezet. Is de regering van mening dat de voorgestelde stappen ver
genoeg gaan? Dient het tweede ATS niet de capaciteit van helikoptercarrier
te krijgen? Dient niet meer aandacht te worden gegeven aan gemakkelijk te
transporteren vuurkracht? (pag. 8)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het tweede transportschip zal, evenals Hr.Ms. Rotterdam, in staat zijn
een aantal helikopters mee te voeren. Helikoptercarriers vervoeren naast de
helikopters zelf ook commando- en logistieke elementen die voor grootschalige
helicopteroperaties benodigd zijn. De configuratie van het tweede schip is
nog onderwerp van studie. Daarbij wordt de nodige aandacht besteed aan het
transporteren van vuurkracht. Een voorbeeld hiervan is de mogelijkheid tot
het transport over zee van tanks, helikopters, vuurmonden, pantservoertuigen
en Patriotsystemen. </al>
      <tuskop letat="vet">35 en 56</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In hoeverre wijkt de analyse van de veiligheidssituatie af van die
zoals die geformuleerd is in de Prioriteitennota? (pag. 8)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe hangen de verschillen in analyse van de veiligheidssituatie in
de Prioriteitenota en in deze notitie samen met de nieuwe beleidsvoornemens
die in de Hoofdlijnennotitie gepresenteerd worden?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Hoofdlijnennotitie bouwt voort op een aantal ontwikkelingen die ook
in de Prioriteitennota zijn beschreven. Een belangrijk voorbeeld is de constatering
in de Prioriteitennota dat de defensie-inspanning meer gericht zal moeten
zijn op crisisbeheersingstaken. De Hoofdlijnennotitie geeft hieraan een vervolg.
Nieuwe ontwikkelingen in de Hoofdlijnennotitie zijn de rol die de Navo speelt
in de periferie van het verdragsgebied, de verdere verslechtering van de situatie
in het voormalige Joegoslavië, de aanpassingen in de Navo-doctrine, de
aandacht voor de Europese veiligheidsen defensie-identiteit en de grotere
nadruk op de risico's van de verspreiding van massavernietigingswapens.  </al>
      <tuskop letat="vet">36, 44, 56 en 132</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Er is niet gekozen voor presentatie van meerdere scenario's of alternatieven,
maar voor één bepaald scenario. Kan de regering aangeven welke
andere scenario's in de discussie ter voorbereiding van de Hoofdlijnennotitie
een rol hebben gespeeld? (pag. 8)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering verduidelijken hoe zij de relatie tussen de analyse
van de veiligheidssituatie en de maatregelen ziet? (pag. 10)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe hangen de verschillen in analyse van de veiligheidssituatie in
de Prioriteitennota en in deze notitie samen met de nieuwe beleidsvoornemens
die in de Hoofdlijnennotitie gepresenteerd worden? (pag. 10–12)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe is meer precies de relatie tussen de analyse van de veiligheidssituatie
en de verschuiving naar meer in internationaal verband snel, flexibel en mobiel
optreden ten koste van de middelen voor landsverdediging enerzijds en de gepresenteerde
keuzen voor middelen en de omvang daarvan anderzijds? Passen het strategische
verhaal en de uitwerking van middelen wel goed op elkaar? Is er niet teveel
toegeschreven naar de bestaande situatie? (pag. 21)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De regering heeft op grond van een analyse van de internationale veiligheidssituatie
de taken en het «ambitie-niveau» voor de krijgsmacht bepaald.
Vervolgens is bezien welke middelen daarvoor nodig zijn. Hoewel de plannen
dienen te passen in de budgettaire afspraken in het Regeerakkoord, zijn de
in de Hoofdlijnennotitie aangekondigde aanpassingen in het licht van de analyse
van de de internationale veiligheidssituatie veel ingrijpender dan wanneer
de regering zich had beperkt tot invulling van de financiële taakstelling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De regering heeft er de voorkeur aan gegeven de toekomst van de krijgsmacht
niet te presenteren in de vorm van scenario's of alternatieven. Daardoor zou
de inzet van de regering te vrijblijvend zijn geweest. De Kamer dient de inzet
van de regering te kennen. Ook heeft meegewogen dat de discussie over de Nederlandse
krijgsmacht niet in abstracto wordt gevoerd, maar dat rekening dient te worden
gehouden met de structuur van de huidige krijgsmacht. Tenslotte is het gewenst
personeelsleden van Defensie zo veel mogelijk duidelijkheid te verschaffen
over de toekomst van de organisatie waarin zij werkzaam zijn. </al>
      <tuskop letat="vet">37</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de notitie wordt gesteld dat het ministerie er rekening mee houdt
dat er steeds meer militairen flexibel en op korte termijn klaar moeten zijn
voor internationale operaties. Gezien de ervaring uit het verleden met het
verwerken van trauma's door uitgezonden militairen, hoe denkt de regering
te voorzien in de groter wordende behoefte aan psychologische begeleiding
of nazorg? (pag. 8)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Defensie zorgt voor een goede begeleiding van militairen vóór,
tijdens en na de uitzending. In de Nazorgbrief van 31 oktober 1996 (Kamerstukken
25 000 X, nr. 18) en de Veteranenbrief van 17 april 1998 (Kamerstukken
21 490, nr. 21) is uiteengezet dat de toegenomen behoefte aan begeleiding
en nazorg wordt onderkend en tevens op welke wijze Defensie aan die behoefte
tegemoet komt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Overigens wordt door een intensief preventief zorgbeleid getracht de behoefte
aan nazorg zo gering mogelijk te houden. Waar mogelijk wordt de behoefte aan
nazorg actief opgespoord; dan kunnen behandelingen eerder beginnen en in het
algemeen korter en effectiever zijn. De verplichte terugkeergesprekken en
readaptatieprogramma's, alsmede de vragenlijsten die de krijgsmachtdelen enkele
maanden na terugkeer aan de uitgezonden militairen toezenden zijn voorbeelden
van die actieve benadering. Overigens zal, mede naar aanleiding
van de aanbevelingen van de «Begeleidingscommissie Gezondheidsonderzoek
Unprofor» naar aanleiding van het zogenoemde Lukavac-onderzoek (bij
brief van 26 februari 1999, nr. P/99 001 368 aangeboden aan de Kamer)
de medische nazorg zodanig worden ingericht dat eerder een mogelijk patroon
in gelijksoortige klachten kan worden onderkend. </al>
      <tuskop letat="vet">38, 39, 108, 146, 148 en 150</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aan welke mogelijkheden van taakverdeling wordt gedacht? (pag. 8,
tweede alinea)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de notitie wordt taakspecialisatie op internationaal niveau aantrekkelijk
genoemd in het licht van de internationale oriëntatie van onze krijgsmacht.
Is dit het enige argument vóór taakspecialisatie (in de notitie
staan meer argumenten tégen) of kan de regering er meer geven? Welke
mogelijkheden ziet de Nederlandse regering voor taakspecialisatie? (pag. 8,
22–23)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Binnen de NAVO kan een grotere samenwerking tussen de Europese bondgenoten
ontstaan. Nu al is er sprake van samenwerking tussen landen. In hoeverre kan
men nu al spreken over taakspecialisatie tussen landen? Als militaire bijdragen
(pag. 15) aan multinationale verbanden kunnen worden gezien als modules
die goed inpasbaar moeten zijn in een groter geheel, is er dan al niet een
proces gaande in Europa dat in de richting van taakspecialisatie gaat? Hoe
moet in dit licht de conclusie (pag. 23) worden gezien dat eenzijdige
stappen het internationale overleg over taakspecialisatie schaden? (pag. 17)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarop baseert de regering de stelling dat eenzijdige taakafstoting
de reputatie van de krijgsmacht zou schaden en acht zij om die reden taakafstoting
onwenselijk? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is er tegen eenzijdige taakspecialisatie? Er van uitgaand dat
Nederland alleen geen rol kan spelen, noch in de landsverdediging noch bij
internationale operaties, zou toch gekozen kunnen worden voor de ontwikkeling
van enkele sterke taken, onder afstoting van andere? Bepaalde modulen kan
Nederland dan prima leveren, andere niet. Dit kan de internationale discussie
over taakspecialisatie toch juist stimuleren, in plaats van schaden? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom dient beëindiging van taken in beginsel gepaard te gaan
met intensivering van andere activiteiten? Er kan toch ook besloten worden
dat bepaalde taken niet meer nodig zijn? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Internationale militaire samenwerking levert mogelijkheden om de doelmatigheid
van de defensie-inspanning door onderlinge afstemming te vergroten. Voorbeelden
daarvan zijn taakverdeling en taakspecialisatie en «modulaire»
bijdragen aan vredesoperaties. Wat Nederland betreft hangt dit samen met het
uitgangspunt dat de krijgsmacht altijd in enigerlei internationaal verband
zal optreden. De Nederlandse krijgsmacht hoeft daarom niet in staat te zijn
tot elke denkbare militaire activiteit, maar moet wel bijdragen van uiteenlopende
aard kunnen leveren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Feitelijk is er in het bondgenootschap sprake van taakverdeling. Het defensieplanningsproces
van de Navo biedt landen de mogelijkheid zich sterker te richten op bepaalde
taken en andere taken aan andere landen over te laten. De komende jaren zal
systematisch moeten worden onderzocht hoe onderlinge afstemming van de taakuitvoering
de doelmatigheid kan vergroten. Dat kan in de Navo als geheel, maar ook in
het kader van de versterking van de Europese veiligheids- en defensie-identiteit.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 136.  </al>
      <tuskop letat="vet">40 en 41</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Overwogen is om de toekomst van de krijgsmacht te presenteren in
de vorm van scenario's of alternatieven. Het verdient de voorkeur, aldus de
regering, in het licht van de toekomstige discussies zèlf een duidelijke
richting aan te geven. Is de regering het ermee eens dat hiermee de nog te
voeren discussie aan belang inboet, vooral ook gezien het feit dat de financiële
uitkomst reeds vastligt en de Bevelhebbers hun onderlinge onderhandelingen
reeds hebben afgerond? (pag. 9)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">«De Hoofdlijnennotitie is ook de bijdrage van de regering aan
de STD...» Wordt hiermee bedoeld dat de notitie zelf ook een discussiestuk
is en de inhoud daarvan door de uitkomsten van de STD gewijzigd kan worden
(m.a.w. is de uitkomst van de STD committerend) of is de STD slechts bedoeld
om de gedachtenvorming omtrent de Defensienota 2000 op gang te brengen? (pag.
9, 47–48)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 29. </al>
      <tuskop letat="vet">42</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze kunnen de regionale problemen in de Kaukasus veiligheidsconsequenties
hebben voor de NAVO-landen die tot de inzet van militaire middelen door het
bondgenootschap zouden kunnen leiden? (pag. 10)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Regionale conflicten in de Kaukasus zouden tot inzet van militaire middelen
van het bondgenootschap kunnen leiden, indien de Navo-landen om bijstand wordt
verzocht om toe te zien op een vredesregeling of als zich onverhoopt vanuit
dit gebied een rechtstreekse militaire dreiging tegen het verdragsgebied van
de Navo zou voordoen. </al>
      <tuskop letat="vet">43</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering een antwoord formuleren op de problemen in de Kaukasus,
Moldavië en Georgië? Is hier naar het oordeel van de regering onder
meer een rol voor de OVSE weggelegd? (pag. 10)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De internationale gemeenschap is actief betrokken bij het zoeken naar
oplossingen voor de problemen in de Kaukasus, Moldavië en Georgië.
Ook de OVSE speelt hierbij een rol met missies in Georgië en Moldavië,
een Assistentiegroep voor Tsjetsjenië, de Minsk conferentie voor het
conflict rond Nagorno-Karabach en een «High Level Planning Group»
op het OVSE-secretariaat voor de planning voor een eventuele vredesmacht voor
Nagorno-Karabach. De OVSE Raad van Ministers heeft tijdens zijn bijeenkomst
in Oslo, op 2 en 3 december 1998, besluiten genomen over Georgië en Moldavië.
Deze besluiten beogen een oplossing van de conflicten in Abchazië en
Zuid-Ossetië en van de kwestie Transdnjestrië dichterbij te brengen.
Zie hierover ook de brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 17 december
1998 over genoemde OVSE-vergadering. </al>
      <tuskop letat="vet">44</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering verduidelijken hoe zij de relatie tussen de analyse
van de veiligheidssituatie en de maatregelen ziet? (pag. 10)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 36. </al>
      <tuskop letat="vet">45</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de regering van mening dat het gevaar van Rusland niet zozeer
gelegen is in herbewapening maar in een ineenstorting van de federatie en
het ontstaan van «failed states»? Welke gevolgen kan een dergelijke
ontwikkeling hebben voor de veiligheid van Nederland? (pag. 10) </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De instabiliteit van de Russische Federatie vormt een niet te veronachtzamen
risico. Dat zou nog aanzienlijk groter worden in het geval de Russische Federatie
ineen zou storten en plaats maken voor een aantal «failed states».
Maar het is moeilijk te voorspellen of dat inderdaad zal gebeuren. Zou zo'n
ineenstorting zich voordoen, dan kan dat ingrijpende gevolgen hebben op een
groot aantal terreinen, zoals de risico's van onderlinge conflicten en een
mogelijk gebrek aan centrale controle op kernwapens. </al>
      <tuskop letat="vet">46</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat betekent de toetreding van drie nieuwe lidstaten tot de NAVO
voor de verdeling van de taken binnen het bondgenootschap? Is er bij die nieuwe
lidstaten sprake van een zekere specialisatie, ook in verband met de kosten?
(pag. 10)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De toetreding tot de Navo van de drie nieuwe lidstaten leidt niet tot
een specifieke taakverdeling binnen het bondgenootschap. De nieuwe lidstaten
hebben de afgelopen jaren deelgenomen aan programma's om hun krijgsmacht interoperabel
te maken met die van de bondgenoten. Mede om financiële redenen lag daarbij
het zwaartepunt op communicatie en informatie-systemen en de inpassing van
deze landen in de geïntegreerde luchtverdediging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Via het systeem van «force goals» zullen de strijdkrachten
van de toegetreden landen in de komende jaren steeds dieper worden geïntegreerd
in de Navo-structuren. Zie ook het antwoord op vraag 16.  </al>
      <tuskop letat="vet">47</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe realistisch is de nucleaire afschrikking van Rusland nog? (pag. 10)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Rusland bezit nog steeds een aanzienlijk nucleair strategisch afschrikkingsvermogen.
Voor dat doel beschikbare kernwapens en inzetmiddelen worden onderhouden en
gemoderniseerd. Daarnaast beschikt de Russische federatie ook over een groot
aantal tactische kernwapens. De lopende en nader overeen te komen reducties
van (strategische) kernwapens (Start-akkoorden) en de financiële problemen
in Rusland zullen ongetwijfeld leiden tot verkleining van het Russische kernwapenarsenaal.
Ook in de toekomst zal de Russische Federatie echter een belangrijke nucleaire
mogendheid blijven. </al>
      <tuskop letat="vet">48</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de notitie wordt gesteld dat «een aanzienlijke betrokkenheid
in deze regio (Balkan) nog jarenlang nodig zal blijven». Hoe lang schat
de regering in dat Nederlandse troepen nog aanwezig zullen moeten blijven
in Bosnië, Macedonië, Cyprus en wellicht Kosovo? (pag. 10)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De praktijk met betrekking tot het Dayton-akkoord heeft geleerd dat het
creëren van een duurzame vrede veel tijd vergt. Daarnaast bestaat in
veel gevallen het risico van een «spill-over» van een bepaald
conflict naar buurlanden, zoals is gebleken uit de gebeurtenissen rond Kosovo.
Het is te vroeg om conclusies te trekken over de vorm en de tijdsduur van
de Nederlandse militaire betrokkenheid bij dit conflict.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Over de betrokkenheid van de internationale gemeenschap bij de ontwikkelingen
in Bosnië dient te worden aangetekend dat deze meer en meer uitgaat van
een «end-state» en minder van een «end-date». Het
wantrouwen tussen de diverse etnische groepen blijft vaak lang bestaan. De
regering acht het dan ook niet zinvol in dit verband een tijdstip te noemen.
Dit houdt overigens niet in dat er geen zorgvuldige afweging zou worden gemaakt
van onze betrokkenheid. De Navo evalueert elke zes maanden de
voortgang van Sfor en beziet in dat verband of reducties in de troepensterkte
mogelijk zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Nederlandse participatie in het Britse VN-contingent op Cyprus is toegezegd
voor een periode van drie jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">49</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Betekent de jarenlange aanwezigheid in de Balkan dat deze inzet beslag
legt op de capaciteit om gelijktijdig aan vier internationale missies deel
te nemen? (pag. 10)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De betrokkenheid van Nederland bij crisisbeheersingsoperaties op de Balkan
legt beslag op een deel van de capaciteit om gelijktijdig aan vier internationale
missies deel te nemen. Daarnaast wordt ook nog bijgedragen aan crisisbeheersings-operaties
elders in de wereld, zoals op Cyprus in het Midden-Oosten en in de Perzische
Golf. Voorts is in beginsel deelname aan een eventuele VN-operatie in de Westelijke
Sahara in de plannen opgenomen. De krijgsmachtdelen beschikken tezamen over
voldoende parate capaciteit om aan vier internationale missies op het niveau
van een bataljon of het equivalent daarvan deel te nemen. </al>
      <tuskop letat="vet">50 en 51</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe verhoudt de stelling in de Hoofdlijnennotitie dat buitenlandse
troepen nog jarenlang in Bosnië zullen blijven zich met het toetsingskader
voor internationale missies dat stelt dat een duidelijke einddatum moet zijn
afgesproken? (pag. 10)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Betekent de stelling over de nog jarenlange betrokkenheid van troepen
in Bosnië dat de regering overweegt het toetsingskader in deze te wijzigen?
Zo ja, in welke zin dan en wanneer verwacht de regering hierover een voorstel
te doen? (pag. 10)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het in 1995 aan de Kamer gezonden Toetsingskader wordt gesteld dat
iedere toezegging tot deelneming aan internationale militaire operaties een
termijn dient te bevatten. De duur van de operatie in Bosnië is niet
aan een einddatum gebonden, maar aan een te bereiken eindstadium. Wel vormen
stapsgewijze reducties van de troepensterkte en aanpassingen van de samenstelling
ervan een belangrijk element van de overgangsstrategie. In verband hiermee
zal de Navo regelmatig – in beginsel elk half jaar – de voortgang
van het vredesproces bespreken en beoordelen of tussentijdse aanpassingen
in de omvang of zelfs – op termijn – beëindiging mogelijk
zijn. Over alle aanpassingen wordt de Kamer geïnformeerd en wordt met
de Kamer overleg gevoerd. Overigens bevat het Toetsingskader geen lijst van
strikte voorwaarden waaraan bij deelneming aan internationale operaties moet
zijn voldaan. Het Toetsingskader is een overzicht van de aandachtspunten die
in de besluitvorming moeten worden meegewogen, zowel voorafgaand aan een operatie
als bij veranderingen in de randvoorwaarden gedurende een operatie. Zie ook
het antwoord op vraag 79. </al>
      <tuskop letat="vet">52</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In hoeverre is volgens de regering de veiligheidssituatie sinds de
totstandkoming van de Prioriteitennota verbeterd? (pag. 10)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals in de Hoofdlijnennotitie is uiteengezet, hebben de betrekkingen
met de Russische Federatie zich relatief gunstig ontwikkeld. Met andere Oost-Europese
landen wordt nauw samengewerkt. Ook de relaties tussen Oost-Europese landen
hebben zich gunstig ontwikkeld. Polen, Hongarije en Tsjechië zijn lid
geworden van de Navo. Enkele andere positieve ontwikkelingen zijn de totstandkoming
van het Chemisch Wapenverdrag en de «Comprehensive Test Ban Treaty». </al>
      <al>De gebeurtenissen in en om Kosovo tonen echter aan hoe instabiel de politieke
en militaire verhoudingen in de periferie van het Navo-verdragsgebied kunnen
zijn. </al>
      <tuskop letat="vet">53</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan een overzicht worden gegeven van het nucleaire arsenaal waarover
de Russische krijgsmacht momenteel beschikt? Kan worden aangegeven in hoeverre
de TOPOL-M operationeel is? Is de invoering van deze nieuwe raketten te beschouwen
als een vervanging van oudere kernwapens? (pag. 10)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Russische strijdkrachten beschikken over ongeveer 7000 strategische
en ongeveer 10 000 tactische kernwapens. Het aantal inzetmiddelen (strategische
raketten en vliegtuigen) voor strategische kernwapens is onder de 1500 gedaald
(in 1990 waren dit er nog 2500).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Sinds eind 1998 is een eerste TOPOL-M regiment operationeel. De hiertoe
behorende raketten vervangen oudere kernwapens. </al>
      <tuskop letat="vet">54</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke concrete aanwijzingen zijn er dat nucleaire technologie en
nucleair materiaal vanuit Rusland naar andere landen is uitgevoerd? Om welke
landen gaat het? (pag. 10)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Russische Federatie heeft in de afgelopen jaren nucleaire kennis en
middelen overgedragen aan enkele andere landen, vooral aan Iran en in mindere
mate India. Een deel van deze exporten heeft een civiel karakter en wordt
gebruikt bij de bouw of afbouw van bijvoorbeeld kerncentrales. Daarnaast worden
componenten geleverd voor nucleair onderzoek bij universiteiten. Deze exporten
worden aangemeld bij het internationale atoombureau (IAEA) en staan dus buiten
verdenking. Dat kan niet in alle gevallen worden gezegd van de levering van
«dual-use» onderdelen waarvan in veel gevallen niet duidelijk
is waar en waarvoor ze worden gebruikt. Dat een aanzienlijk deel van deze
onderdelen in het parallelle (militaire) Iraanse nucleaire programma terechtkomt,
staat vast. De Russische autoriteiten zijn tot op heden niet bij machte gebleken
voldoende vat te krijgen op deze situatie. Ook tussen Rusland en India bestaat
een jarenlange intensieve nucleaire samenwerking. Niettemin heeft India nagenoeg
geheel zelfstandig zijn militaire nucleaire capaciteit ontwikkeld en opgebouwd.
Wel heeft Rusland in het verleden indirect bijgedragen aan de opbouw van dit
vermogen door bepaalde «dual-use» onderdelen te leveren. </al>
      <tuskop letat="vet">55</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welk deel van Azerbajdzjan valt feitelijk buiten het gezag van de
centrale regering? Wie voert het feitelijk gezag over dit gebied? (pag. 10)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ongeveer twintig procent van het grondgebied valt buiten het gezag van
de centrale regering van Azerbajdzjan. Het betreft vooral Nagorno-Karabach
en het gebied tussen Nagorno-Karabach en de Armeense grens. Die gebieden vallen
onder het gezag van de provisionele regering van Nagorno-Karabach. </al>
      <tuskop letat="vet">56</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe hangen de verschillen in analyse van de veiligheidssituatie in
de Prioriteitennota en in deze notitie samen met de nieuwe beleidsvoornemens
die in de Hoofdlijnennotitie gepresenteerd worden? (pag. 10–12)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 36.  </al>
      <tuskop letat="vet">57</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke concrete aanwijzingen zijn er dat Noord-Korea zich lijkt toe
te leggen op de export van raketsystemen? Welke systemen worden naar welke
landen uitgevoerd? (pag. 11)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Noord-Korea heeft in het verleden verbeterde Scud-raketten geleverd aan
onder andere Iran en Syrië. Een aantal potentiële kopers in het
Midden-Oosten en Noord-Afrika heeft ook belangstelling voor de meer recente
No Dong raket, met een bereik van ongeveer 1000 kilometer. Onder druk van
met name de Verenigde Staten is tot op heden afgezien van werkelijke export
van deze raket. </al>
      <tuskop letat="vet">58</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat kan de rol zijn van de internationale gemeenschap bij conflicten
binnen staten, zoals burgeroorlogen en genocide? Welk militair optreden kan
hierbij aan de orde zijn? Onder welke politieke conditie? (pag. 11)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Optreden van de internationale gemeenschap in burgeroorlogen en in geval
van genocide kan verschillende vormen aannemen: internationale veroordeling,
boycot, sancties en, in het uiterste geval gewapend ingrijpen. Militair optreden
moet zijn gericht op het bereiken van een politieke oplossing. </al>
      <tuskop letat="vet">59</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe reëel is de dreiging van ballistische raketten met NBC-wapens?
Moet er rekening gehouden worden met een massale aanvalsoorlog? Of met meer
losstaande (terroristische of wraak-) acties? Wat betekent dit voor de omvang
en de dichtheid van verdedigingssystemen? Is er een op alles berekend verdedigingsschema
denkbaar? Of vraagt de aard van de dreiging veeleer om vroegtijdig inzetbare,
op de bron gerichte strategieën en middelen? (pag. 11)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De omvang van de NBC-dreiging wordt beschreven in de notitie «De
proliferatie van nucleaire, biologische en chemische wapens en de Nederlandse
krijgsmacht» die in mei 1998 aan de Kamer werd gezonden (Zie Kamerstuk
26 051, nr.1). De landen die een offensieve NBC-capaciteit bezitten,
beschikken ook over ballistische raketten waarmee deze wapens kunnen worden
ingezet. Door deze proliferatie van massavernietigingswapens en de militair-technologische
kennis om ze in te zetten, neemt het risico toe dat dit soort wapens wordt
gebruikt om (politieke) doelstellingen na te streven. Door het toenemende
bereik van overbrengingsmiddelen komt op termijn een steeds groter deel van
het bondgenootschap binnen het bereik van dergelijke wapens.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij inzet van dit soort wapens moet voorlopig rekening worden gehouden
met een selectieve inzet. De Navo streeft vooralsnog naar de beschikbaarheid
van een mobiel in te zetten, lokaal gebiedsdekkende verdedigingscapaciteit.
Een op alles berekend verdedigingsysteem is, zo in de toekomst al technisch
mogelijk, financieel onhaalbaar.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een geoptimaliseerd raketverdedigingsssysteem bestaat uit meerdere lagen.
Ook de voorwaartse verdediging in de vorm van vroegtijdig, op de bron gerichte
middelen maakt daar deel van uit. </al>
      <tuskop letat="vet">60, 94 en 114</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe denkt de regering in te spelen op de risico's van terroristische
aanslagen op Nederlands grondgebied? (pag. 11)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De regering constateert dat er nieuwe veiligheidsrisico's zijn, zoals
terrorisme en de bedreiging van massavernietigingswapens en raketten. Hier
wordt slechts het middel van TMD tegenover gesteld, Op welke wijze
denkt de regering de overige dreigingen teniet te doen? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke veranderingen zijn nodig om beter te kunnen optreden tegen
terroristische acties? Hoe ligt hierbij de taakverdeling tussen politie en
krijgsmacht? Is er een samenwerking en/of een dubbeling van structuren en
middelen? (pag. 17)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De minister van Justitie is verantwoordelijk voor de strafrechtelijke
handhaving van de rechtsorde in Nederland. In bijzondere gevallen kunnen eenheden
van de Koninklijke marechaussee bijstand verlenen aan de regionale politiekorpsen.
Ook andere onderdelen van de krijgsmacht kunnen bijstand verlenen, indien
door de Koninklijke marechaussee niet in de bijstandsbehoefte kan worden voorzien.</al>
      <al>In geval van ernstige (terroristische) misdrijven waarbij sprake is van
direct levensbedreigende omstandigheden kunnen door de minister van Justitie
bijzondere bijstandseenheden worden ingezet. Naast de bijzondere bijstandseenheid
van de politie (BBE-P) kan ook worden beschikt over de bijzondere bijstandseenheden
van Defensie. De bijzondere bijstandseenheden van politie en Defensie oefenen
intensief met elkaar. Voorts hebben de ministers van Justitie, Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties en Defensie, op basis van de Politiewet, een
samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven gesloten.</al>
      <al>Zie ook de antwoorden op de vragen 62 en 83. </al>
      <tuskop letat="vet">61</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke inhoud heeft de dialoog tussen de NAVO en de Middelandse zee-landen?
(pag. 11)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De mediterrane dialoog van de Navo heeft tot doel een bijdrage te leveren
aan de veiligheid en de stabiliteit in het gebied rond de Middellandse Zee,
meer wederzijds begrip te creëren en eventuele misverstanden recht te
zetten. Onderwerpen die tijdens de dialoog met individuele partnerlanden aan
de orde komen, zijn het vredesproces in het Midden-Oosten, de situatie in
de Golf, de verspreiding van massavernietigingswapens en de Westelijke Sahara.
Ook heeft de Navo informatie gegeven na ministeriële bijeenkomsten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naast de politieke dialoog heeft de Navo een samenwerkings-programma met
de mediterrane partners. Dit omvat de aanwijzing van zogenaamde contactambassades,
informatie-activiteiten, civiele rampenbestrijding, wetenschappelijke activiteiten,
opleidingen en militaire samenwerking. </al>
      <tuskop letat="vet">62</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke substantiële bijdrage van Nederland aan de bescherming
tegen massavernietigingswapens staat de regering voor ogen? (pag. 11)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nederland neemt in Navo-verband deel aan de samenwerking op het gebied
van actieve verdediging tegen ballistische raketten die als drager kunnen
fungeren van massavernietigingswapens.</al>
      <al>Voor Nederland gaat het daarbij in de eerste plaats om de gemoderniseerde
Patriotbatterijen en in de toekomst mogelijk de capaciteit van de LCF'n. Gezien
de schaarste van dergelijke middelen in het bondgenootschap en de kwaliteit
van de Nederlandse inbreng is sprake van een substantiële bijdrage.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nederland draagt daarnaast bij aan de zogenoemde «response capabilities»,
middelen ter voorkoming dan wel ter vergelding van het gebruik van massavernietigingwapens.
Hierbij kan het gaan om het uitschakelen van lanceerinstallaties door F-16
jachtvliegtuigen, gevechtshelikopters, artillerie of speciale eenheden. Voorts
levert Nederland een bijdrage aan de bondgenootschappelijke (nucleaire) afschrikking. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nederland levert ook een bijdrage aan het onderzoek op het gebied van
«Theatre Missile Defence» (TMD). Zie hiervoor het antwoord op
vraag 11. Voorts wordt onderzocht welke maatregelen op geneeskundig gebied
(diagnose, preventie, therapie) vereist en/of mogelijk zijn. Hierover wordt
overleg gevoerd met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport(VWS)
en met Navo-bondgenoten. Daarnaast zal door civiel-militaire samenwerking
worden voorzien in een kenniscentrum voor klinische deskundigheid op biologisch
en chemisch gebied in het Centraal Militair Hospitaal. Ook deze activiteiten
worden afgestemd met het ministerie van VWS. </al>
      <tuskop letat="vet">63, 92 en 95</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de notitie wordt voorgesteld in de nucleaire paragraaf van het
Strategisch Concept van de NAVO op te nemen hoe ver we inmiddels verwijderd
zijn van omstandigheden waaronder het gebruik van kernwapens aan de orde zou
kunnen zijn. Hoe verhoudt zich deze optimistische uitspraak tot de analyse
van de veiligheidsrisico's waarin gesteld wordt dat de voortgaande verspreiding
van onder andere NBC-wapens «zeer verontrustend» is? Hoe denkt
de Nederlandse regering zelf over de verhouding tussen de door kernwapenstaten
afgegeven negatieve veiligheidsgaranties en het huidige nucleaire beleid van
de NAVO? (pag. 11, 15)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat wordt bedoeld met de zinsnede: «Ook kan worden bezien hoe
de door de kernwapenstaten eenzijdig afgegeven «negatieve veiligheidsgaranties»
over het gebruik van kernwapens zich verhouden tot het huidige nucleaire beleid
van de NAVO.»? Welk standpunt neemt de Nederlandse regering op dit punt
in? Hoe beoordeelt de regering deze negatieve garanties? Is een verandering
van het beleid van de NAVO noodzakelijk? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Betekent de zin over de verhouding tussen negatieve veiligheidsgaranties
en het nucleaire beleid van de NAVO dat de regering meent dat ere op dit punt
sprake is van tegenspraak? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De verspreiding van NBC-wapens is een zorgelijke ontwikkeling en zal een
belangrijk element vormen in de discussies over de rol van kernwapens binnen
de Navo, die na de Top van Washington zijn voorzien. Toch zijn door het einde
van de Koude Oorlog en de voortdurende verbetering van de relaties met de
Russische Federatie de omstandigheden waarin de inzet van kernwapens zou kunnen
worden overwogen verder verwijderd dan ooit. Dit moet ook tot uitdrukking
komen in het nieuwe Strategische Concept. De voortschrijdende proliferatie
van massavernietigingswapens kan echter een terugslag betekenen. Reden temeer
om binnen en buiten het bondgenootschap de activiteiten tegen deze proliferatie
onverminderd voort te zetten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Over de verhouding tussen de door kernwapenstaten afgegeven negatieve
veiligheidsgaranties en het huidige nucleaire beleid van de Navo heeft de
minister van Buitenlandse Zaken tijdens het algemeen overleg met de vaste
Kamercommissies voor Buitenlandse Zaken en Defensie op 17 maart 1999 een notitie
toegezegd. </al>
      <tuskop letat="vet">64</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De nieuwe veiligheidssituatie, zo wordt gesteld, vereist een breed
en actief veiligheidsbeleid waarin politieke, economische, financiële
en zo nodig ook militaire middelen in onderlinge samenhang worden gebruikt.
Op welke wijze, en door welke instanties, wordt aan dit breed en actief veiligheidsbeleid
vormgegeven? (pag. 12)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit beleid krijgt vorm in een samenspel van diverse organisaties zoals
de Navo, de EU en de OVSE, in nauwe samenhang met een nationale aanpak. Een
goed voorbeeld van een geïntegreerde aanpak, waarbij aan verschillende
facetten aandacht wordt besteed, is de ontwikkeling in de EU van een gemeenschappelijke
strategie ten aanzien van Rusland. Zo'n gemeenschappelijke strategie moet
zijn ingebed in een breder Europees veiligheidsbeleid. Daarom heeft Nederland
geopperd dat de EU op grond van het Strategische Concept van de Navo een gemeenschappelijk
veiligheidsconcept ontwikkelt waarin de politieke, economische en militaire
aspecten worden ondergebracht. </al>
      <tuskop letat="vet">65</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De veiligheidsanalyse in de notitie laat een nogal diffuse bedreiging
zien. Is het mogelijk en wenselijk je daar afdoende tegen te bewapenen? Blijft
er niet altijd een zeker risico op onverwachte en ongrijpbare acties bestaan?
Welk risico is aanvaardbaar? (pag. 12)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een volledige bescherming tegen alle mogelijke risico's is niet mogelijk
en wordt door de regering ook niet nagestreefd. Wel is het defensiebeleid
gericht op de instandhouding van een krijgsmacht die in bondgenootschappelijk
verband berekend is op een groot deel van de mogelijke risico's.</al>
      <al>De mate van aanvaardbaarheid van een risico is moeilijk vooraf vast te
stellen. Voor deelneming aan internationale crisisbeheersingsoperaties biedt
het Toetsingskader voldoende aandachtspunten om tot een goede afweging te
komen. </al>
      <tuskop letat="vet">66</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de notitie wordt melding gemaakt van nu al zichtbare verschijnselen
die de veiligheidssituatie kunnen beïnvloeden, waaronder een tekort aan
natuurlijke hulpbronnen. Aan welke regio's, aan welke bronnen (naast water)
en aan welk soort conflicten moeten worden gedacht in het kader van een tekort
aan hulpbronnen? Doen milieuproblemen vergelijkbaar met die in de Russische
Federatie zich ook elders in de wereld voor? (pag. 12)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de nabije toekomst lijken conflicten over de toegang tot water en
brandstoffen het grootste risico op te leveren. Milieuproblemen in de opvolgerstaten
van de Sovjet-Unie hebben door hun omvang en aard van de vervuiling een eigen
dimensie. Het valt echter niet uit te sluiten dat ook in andere landen zich
omvangrijke milieuproblemen zullen gaan voordoen. </al>
      <tuskop letat="vet">67</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wordt de groeiende NAVO niet steeds meer een organisatiestructuur
voor wisselende samenwerkingsverbanden van landen (coalitions of the willing)
die samen een bepaalde operatie uitvoeren? Is in de afzienbare toekomst nog
te verwachten dat de NAVO als geheel met inzet van alle verdragspartners zal
optreden? Wordt de NAVO in de toekomst niet veel meer een facilitair bedrijf,
een soort uitzend- en detacheringsorganisatie? (pag. 13)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er dient onderscheid gemaakt te worden tussen taken op grond van verdediging
(art. 5 van het Navo-verdrag), waar een bijstandsverplichting bestaat en taken
op het gebied van vredesoperaties, waar geen verplichting geldt om deel te
nemen. Nadat de Navo bij consensus heeft besloten aan een vredesoperatie deel
te nemen, staat het landen vrij al dan niet te participeren. In het voormalige
Joegoslavië blijkt dat tot nu toe vrijwel alle Navo-landen actief deelnemen
aan door de Navo geleide vredesoperaties. Ook de strijdkrachten die betrokken
zijn bij de acties naar aanleiding van het conflict in Kosovo zijn breed samengesteld.
Alle bondgenoten zien het belang in van een brede participatie. De kans dat
de Navo een soort «detacheringsorganisatie» wordt
met geringe participatie van de bondgenoten, is dan ook klein. </al>
      <tuskop letat="vet">68</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waar in de wereld zou de VN militair moeten interveniëren om
veiligheid en stabiliteit te faciliteren en humanitaire nood te bestrijden?
(pag. 13)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De ervaring leert dat het niet goed mogelijk is te voorspellen waar zich
situaties zullen voordoen die een militair optreden van de Verenigde Naties
vergen. </al>
      <tuskop letat="vet">69 en 70</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze speelt Nederland een actieve rol in de oprichting
van Shirbrig? Aangezien het de planning is dit jaar operationeel te zijn,
kan de regering aangeven waar dit opgenomen is in de begroting? Kan de regering
aangeven wat andere landen van zins zijn aan te bieden voor deze brigade?
Hoe ontwikkelt Shirbrig zich overigens? (pag. 13)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Worden voor de inzet van Nederlandse eenheden in Shirbrig ook gelijksoortige
eenheden achter de hand gehouden voor aflossing? Zo ja, hoeveel? Voor wiens
rekening komen de kosten die gemaakt worden bij inzet van Nederlandse militairen
in het kader van Unsas of Shirbrig? (pag. 13)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De «Stand-by high readiness brigade», Shirbrig, is een bundeling
van de militaire bijdragen van een aantal gelijk-gezinde landen aan het «United
Nations Stand-by Arrangements System» (Unsas), een oproepbare brigade
die binnen twee tot vier weken kan worden ontplooid in operaties onder hoofdstuk
VI van het VN-Handvest. De Shirbrig wordt voor maximaal zes maanden ingezet.
Daarom hoeft niet in aflossing te worden voorzien.</al>
      <al>Deelneming aan de brigade behelst samenwerking in de Stuurgroep, de permanente
kernbrigadestaf en kleine gemeenschappelijke oefeningen. Deze samenwerking
bevordert een verantwoorde inzet van Nederlandse eenheden in VN-verband.</al>
      <al>Nederland bekleedt sinds juni 1998 het jaarlijks roterende voorzitterschap
van de Stuurgroep van de brigade. Het aantal deelnemende landen aan de brigade
is gegroeid tot twaalf en de militair-operationele voorbereidingen voor de
oprichting van de Shirbrig vorderen gestaag.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het streven is binnen de «brigadepool» van de Shirbrig voor
elke eenheid toezeggingen van twee landen te krijgen. Dit vergroot de kans
dat als een of meer landen besluiten niet aan een operatie deel te nemen,
de Shirbrig toch kan worden ontplooid. Nederland heeft onlangs zijn aanbod
aan de brigadepool bekendgemaakt. Het omvat een brigadehoofdkwartier, een
gemechaniseerd of een infanterie-bataljon, een geniecompagnie en een detachement
helikopters. Dit aanbod betekent dat Nederland in beginsel bereid is deze
eenheden ter beschikking te stellen voor inzet in een Shirbrig-operatie. De
eenheden blijven nationaal gelegerd en beschikbaar voor andere taken, bijvoorbeeld
in Navo-verband. Het is overigens wegens de beoogde dubbele vulling van de
brigadepool niet waarschijnlijk dat alle Nederlandse eenheden die nu aan de
brigadepool zijn aangeboden ook werkelijk zullen worden ontplooid als Nederland
besluit deel te nemen aan een Shirbrig-operatie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook de militaire bijdragen van andere deelnemende landen zijn gekoppeld
aan hun bijdragen aan het Unsas. Argentinië stelt een verkenningseskadron
ter beschikking, Finland een geniebataljon en Noorwegen een helikoptereenheid.
De Canadese bijdrage bestaat uit een gepantserd infanteriebataljon, versterkt
met een genie-eenheid en medische en logistieke eenheden. Ook Italië,
Zweden, Polen en Jordanië, dat spoedige toetreding overweegt,
denken aan bijdragen met infanterie-eenheden, versterkt met ondersteunende
eenheden. Voorts levert Oostenrijk een transportcompagnie, Denemarken een
brigadehoofdkwartier en Roemenië een medisch bataljon.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door het groeiende aantal deelnemende landen ligt de dubbele vulling van
de brigadepool binnen bereik. Eind maart heeft een door Nederland bijeengeroepen
werkgroep van logistieke specialisten vastgesteld dat de nationale bijdragen
aan de brigadepool voldoende logistieke elementen bevatten om de brigade in
een VN-operatie in te zetten. Deze conclusie dient tevens als richtsnoer voor
nieuw toetredende landen en deelnemende landen die hun definitieve bijdrage
nog niet hebben vastgesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De kosten die voortvloeien uit Nederlandse deelneming aan de Shirbrig
zijn gering. Het betreft een bijdrage aan de instandhouding van de kernbrigadestaf
(ongeveer een ton per jaar) en de additionele uitgaven die verband houden
met de plaatsing van een Nederlandse officier in deze staf. Deze uitgaven
komen ten laste van artikel 08.02 van de defensiebegroting («multi-service
projecten en activiteiten»). </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij deelneming van Nederlandse eenheden aan een door de Shirbrig uit te
voeren VN-vredesoperatie gelden de gebruikelijke VN-procedures voor vergoedingen
aan deelnemende landen. Aan deelneming aan het Unsas zijn geen kosten verbonden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie ook het antwoord op vraag 73. </al>
      <tuskop letat="vet">71</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Voor verdere uitbreiding van de NAVO is Nederland voorstander van
een «Membership Action Plan», het gaat dan om een voorbereidingsprogamma.
Is er al enig zicht op de vormgeving van dit plan? Kan hier enige toelichting
op gegeven worden? Is niet een risico van een dergelijk «Membership
Action Plan» voor aspirant (NAVO) leden dat het open deur-beleid voorlopig
inhoudt dat geen nieuwe NAVO-leden worden uitgenodigd? (pag. 13)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor een toelichting op het «Membership Action Plan» wordt
verwezen naar de brief van de regering over de Navo-top en het Strategische
Concept, van 12 maart 1999 (Kamerstuk 26 200 V, nr 55). </al>
      <tuskop letat="vet">72</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welk beleid wordt ontwikkeld voor Albanië, gezien de specifieke
omstandigheden die de regering noemt? (pag. 13)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de korte termijn is alle aandacht gericht op de opvang van de vele
vluchtelingen uit Kosovo. Nederland levert een bijdrage aan de noodhulpoperatie
«Allied Harbour». In het kader van deze operatie stationeert de
Navo een troepenmacht van ongeveer 10 000 militairen in Albanië
voor de opvang van de vluchtelingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de langere termijn is het beleid van de Navo gericht op het oplossen
van de problemen bij de handhaving van de openbare orde en de democratisering.
In verband hiermee heeft de Navo een aangepast «Individueel partnerschaps
programma» ontwikkeld in het kader van het Partnerschap voor Vrede (PvV).
Dit programma is gericht op de wederopbouw en de herstructurering van de Albanese
strijdkrachten onder democratische controle. Onderwijs en training krijgen
veel aandacht. Voor coördinatie en ondersteuning van de PvV-activiteiten
is sinds mei 1998 een PvV-cel van de Navo in Albanië gevestigd. Nederland
draagt hieraan bij door de schenking van medische goederen en transportmiddelen
en door de ondersteuning van het munitie- en wapen-inzamelingsprogramma.
Ook helpt Nederland bij de herstructurering van de militair geneeskundige
dienst. </al>
      <tuskop letat="vet">73</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De regering ondersteunt de versterking van het Unsas en werkt mee
aan het oprichten van de multinationale Shirbrig. Kan de regering uitleggen
hoe de commandostructuren van zowel Unsas als Shirbrig zijn georganiseerd?
Wie of welke organisatie neemt de politieke beslissing over de inzet van Unsas
of Shirbrig en wat zijn hiervoor de richtlijnen en procedures? Wat is de zeggenschap
van de Nederlandse regering over de inzet van Nederlandse militairen in het
kader van Unsas of Shirbrig na een politieke beslissing? Wat is de inbreng
van het Nederlandse parlement bij de inzet van Nederlandse militairen in dit
kader in het geval dat het parlement de «politieke beslissing»
tot inzet of de wijze waarop dit zal plaatsvinden niet ondersteunt? (pag. 13)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het «United Nations Stand-by Arrangements System» (Unsas)
is een gegevensbestand met informatie over de militaire inspanningen die VN-lidstaten
in beginsel bereid zijn zich te getroosten op het gebied van VN-vredesoperaties.
Het Unsas beschikt dan ook niet over een commandostructuur.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een Nederlands besluit over deelneming aan een vredesoperatie, of het
nu gaat om inzet in Shirbrig-verband of in enig ander samenwerkingsverband,
wordt altijd genomen overeenkomstig de bestaande nationale politieke besluitvorming
bij deelneming aan crisisbeheersingsoperaties, dus met inachtneming van het
Toetsingskader.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hetzelfde geldt voor de bevelsstructuur van een VN-vredesoperatie waaraan
Nederlandse eenheden deelnemen. Bij elk besluit tot deelneming aan een crisisbeheersingsoperatie
vormt een heldere bevelsstructuur een belangrijk aandachtspunt. Bij VN-vredesoperaties
worden nationale contingenten geplaatst onder een VN-commandant. Bij de inzet
van de Shirbrig vallen de Nederlandse eenheden onder de commandant van Shirbrig
die, afhankelijk van de omvang van de VN-operatie, tevens kan optreden als
commandant van de hele VN-vredesmacht. Ook voor de zeggenschap van de Nederlandse
regering en het parlement over de Nederlandse eenheden na een politieke beslissing
over deelneming, maakt het geen verschil in welk soort VN-vredesoperatie de
eenheden worden ingezet.</al>
      <al>Zie ook het antwoord op de vragen 69 en 70. </al>
      <tuskop letat="vet">74, 75 en 76</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de notitie wordt gesteld dat de grondslag voor de inzet van NAVO-middelen
ter handhaving van de internationale rechtsorde bij voorkeur een mandaat van
de VN of de OVSE dient te zijn. Welke andere mandaten komen hiervoor nog meer
in aanmerking? Kan geconcludeerd worden dat een expliciete resolutie van de
VN Veiligheidsraad geen absolute voorwaarde is voor het inzetten van Nederlandse
militairen in het kader van een NAVO-inzet buiten het NAVO-grondgebied? Wat
is de minimale «internationaalrechtelijke» grondslag die voor
zo'n beschikbaarstelling noodzakelijk wordt geacht? Wat zijn de criteria voor
een dergelijke grondslag? (pag. 14)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze zal de nieuwe kerntaak van de NAVO (crisisbeheersing
en vredesoperaties) internationaal-rechterlijk moeten worden gemandateerd
waar het niet gaat om artikel 5 NAVO-verdrag operaties? (pag. 14)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze wordt door onder andere Nederland getracht het primaat
van de VN-Veiligheidsraad te behouden met betrekking tot de internationaalrechtelijke
mandatering van militaire operaties? (pag. 14) </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 25. </al>
      <tuskop letat="vet">77 en 80</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De nieuwe kerntaak van de NAVO is blijkens de notitie het beschikbaar
stellen van bondgenootschappelijke middelen voor crisisbeheersing en vredesoperaties.
Geldt dit voor crises in de hele wereld? Is Nederland daadwerkelijk bereid
troepen uit te zenden in de hele wereld? Zou het niet wenselijk zijn om dit
duidelijker aan te geven? (pag. 14)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de stelling: «Naarmate crisishaarden verder van het verdragsgebied
gelegen zijn, ligt optreden minder voor de hand.» (pag. 14) vooral
principieel of praktisch gemotiveerd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deelneming aan internationale crisisbeheersingsoperaties is een volwaardige
taak van de Nederlandse krijgsmacht. Deze taak kan in beginsel wereldwijd
worden uitgevoerd. Daarbij moet worden aangetekend dat naarmate crisishaarden
verder van het verdragsgebied gelegen zijn een Navo-optreden om praktische
redenen minder voor de hand ligt. In zulke situaties neemt de VN of een «coalition
of the willing» het voortouw. Deelname van Nederland aan een dergelijke
operatie zal afhankelijk zijn van een beoordeling van de specifieke omstandigheden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de besluitvorming is het Toetsingskader een belangrijk richtsnoer.
Ook de afgelopen jaren heeft Nederland in het kader van de VN militairen uitgezonden
naar een aantal vredes-operaties in verschillende delen van de wereld. </al>
      <tuskop letat="vet">78</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Naar de Nederlandse opvatting zou het beschikbaar stellen van NAVO-middelen
voor crisisbeheersing en vredesoperaties een nieuwe kerntaak van de NAVO kunnen
worden. Ter beschikking van wie worden deze bondgenootschappelijke middelen
dan gesteld en onder welk commando zullen deze troepen worden ingezet? (pag. 14)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de herziening van het Strategische Concept van de Navo pleit Nederland
voor het beschikbaar stellen van bondgenootschappelijke middelen voor crisisbeheersing
en vredesoperaties als bondgenootschappelijke kerntaak. Hierbij wordt gedoeld
op door de Navo geleide operaties die met alleen Navo-strijdkrachten dan wel
gecombineerd met bijvoorbeeld strijdkrachten van Partnerlanden worden uitgevoerd.
In beide gevallen zullen de middelen ter beschikking worden gesteld aan de
Navo en worden opgenomen in een commandostructuur van de Navo. Hoe deze commandostructuur
vorm wordt gegeven kan van geval tot geval variëren. Dit geldt ook voor
het directe commando waaronder de bondgenootschappelijke middelen zullen vallen.
Zo valt de Nederlandse F-16 bijdrage aan de operatie «Allied Force»
naar aanleiding van het conflict rond Kosovo onder «ComAirSouth»,
een bestaand commando binnen de Navo, en valt het Nederlandse Sfor-bataljon
rechtstreeks onder de door het Verenigd Koninkrijk geleide «Multi-National
Division South-West», die speciaal voor de Sfor-taak is opgericht. </al>
      <tuskop letat="vet">79</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De vaste commissie voor Defensie heeft onlangs besloten aan de Kamer
het voorstel voor te leggen tot instelling van een tijdelijke commissie. Deze
tijdelijke commissie zou (onder meer) de politieke besluitvorming van uitzendingen
en het toetsingskader moeten evalueren. Gesteld dat deze tijdelijke commissie
daadwerkelijk wordt ingesteld en een opdracht krijgt als hiervoor omschreven,
zullen (en zo ja, op welke wijze) de bevindingen van deze commissie worden
betrokken bij de opstelling van de nieuwe Defensienota? (pag. 14) </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Tweede Kamer heeft besloten een tijdelijke commissie in te stellen
die onder meer is belast met een evaluatie van het Toetsingskader. De commissie
zal haar werkzaamheden in maximaal een jaar afronden (zie Kamerstuk 26 122
nr. 8). De Defensienota zal, als dat op verantwoorde wijze mogelijk is, nog
in 1999 verschijnen. De regering is gaarne bereid resultaten van de tijdelijke
commissie te betrekken bij de opstelling van de Defensienota voorzover de
werkzaamheden van de commissie dat mogelijk maken. </al>
      <tuskop letat="vet">80</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de stelling: «Naarmate crisishaarden verder van het verdragsgebied
gelegen zijn, ligt optreden minder voor de hand.» (pag. 14) vooral
principieel of praktisch gemotiveerd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 77. </al>
      <tuskop letat="vet">81</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Naar Nederlandse opvatting dient als een nieuwe kerntaak aan de NAVO
te worden geformuleerd: «het beschikbaar stellen van bondgenootschappelijke
middelen voor crisisbeheersing en vredesoperaties». Wordt deze zienswijze
door bondgenoten gedeeld? In hoeverre worden door de NAVO-leden nu al strijdkrachten
in het NAVO Defensie Planning Proces ingebracht t.b.v. non-artikel 5 operaties?
Valt onder deze vorm van «crisisbeheersing» ook het tegengaan
van de proliferatie van massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen
en de bescherming tegen dit soort wapens alsmede verdediging tegen terrorisme?
(pag. 14)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De discussie over het nieuwe Strategische Concept is nog niet afgerond,
maar er bestaat brede steun voor de Nederlandse zienswijze. De precieze formulering
is overigens nog onderwerp van onderhandelingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Defensieplanningscyclus van de Navo die dit jaar begint wordt voor
het eerst specifiek ingegaan op strijdkrachten ten behoeve van non-artikel
5 operaties. De middelen voor de uitvoering van collectieve verdediging en
die voor conflictbeheersing zijn in veel gevallen dezelfde. Ten behoeve van
beide is er vooral behoefte aan parate, snel inzetbare eenheden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het nieuwe Strategische Concept van de Navo moet de nodige aandacht besteden
aan de gevaren die voortvloeien uit de verspreiding van massavernietigingswapens
en internationaal terrorisme en de maatregelen die daartegen moeten worden
ondernomen. Deze dreigingen kunnen zich voordoen zowel in de context van niet-artikel
5 operaties als bij de verdediging van het Navo-verdragsgebied. </al>
      <tuskop letat="vet">82</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe luiden de huidige definities van «crisisbeheersing»
en «vredesoperaties» binnen de NAVO en/of het Nederlandse kabinet?
In hoeverre komen de definities van «crisisbeheersing» en «vredesoperaties»
overeen – of verschillen zij – van de in de Britse SDR genoemde
missies van «Peace Support» en «Humanitarian Operations»?
(pag. 14)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Navo definieert het begrip crisisbeheersing als: «a process of
intense political activity, using Allied means including military assets and
is the common denominator for the management for Article 5 and non-Article
5 missions».</al>
      <al>Deze definitie is door Nederland onderschreven, en wordt overeenkomstig
toegepast. Het begrip vredesoperaties, zoals gebruikt in het Regeerakkoord,
doelt op door de krijgsmacht in vredes- en crisistijd uitgevoerde operaties.
Zij omvatten onder meer vredesondersteunende operaties, evacuatie
van non-combattanten, vredesopbouwende operaties en humanitaire operaties.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vredesondersteunende operaties («Peace Support Operations»)
zijn operaties waarbij de krijgsmacht wordt ingezet ter ondersteuning van
het vredesproces, zodat uiteindelijk een politieke oplossing kan worden bereikt.
Het omvat het hele scala aan militaire operaties dat gericht is op het handhaven
of het herstellen van vrede.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vredesopbouwende operaties worden na afloop van een conflict uitgevoerd
ter bestendiging van een fragiele vrede. Zij ondersteunen politieke, economische,
sociale en militaire maatregelen en structuren om de politieke oplossingen
van een conflict te versterken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een humanitaire operatie is een op zich zelf staande operatie gericht
op het verminderen van menselijk lijden. Wanneer een dergelijke operatie wordt
uitgevoerd als deel van een meeromvattende vredesondersteunende operatie,
wordt gesproken over humanitaire hulpverlening. «Peace Support»
zoals gebruikt in de «Strategic Defence Review»(SDR) is gelijk
aan het Nederlandse begrip van vredesondersteunde operaties. Het begrip «Humanitarian
Operations» omvat de beide Nederlandse termen humanitaire operaties
en hulpverlening. </al>
      <tuskop letat="vet">83</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe zit het met de taakverdeling bij de verdediging tegen NBC-wapens?
Wanneer is het logisch dat Nederland bijdraagt aan verdediging ook op grote
hoogte? Is het vanzelfsprekend dat zowel de Nederlandse marine (anti-raketsystemen
op LCF-fregatten) als de Nederlandse lucht- en landmacht (Patriots en jachtvliegtuigen
die raketten uitschakelen bij de bron) bijdragen aan de bestrijding van ballistische
raketten. Is hier geen keuze op zijn plaats? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In Navo-verband wordt een onderscheid gemaakt in de passieve en actieve
verdediging tegen NBC-wapens. Op passief gebied is het uitgangspunt dat elke
militaire eenheid ter zelfbescherming van het personeel beschikt over de noodzakelijke
individuele en collectieve beschermingsmiddelen. Internationale taakverdeling
past hierin niet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nederland richt zich in het kader van de actieve verdediging tegen «theatre
ballistic missiles» (TBM's) op het uitschakelen van dergelijke raketten
in de laatste fase van hun vlucht (&lt;30 kilometer), de zogeheten «lower-layer».
Wel wordt binnen deze «lower-layer» gestreefd naar het zo hoog
mogelijk uitschakelen van de TBM om de effecten op de grond van eventueel
meegevoerde massavernietigingswapens te minimaliseren. Verdedigingssystemen
voor de «upper-layer» zijn nog niet operationeel inzetbaar en
aanschaf van dit soort systemen wordt binnen het Bondgenootschap momenteel
alleen door de Verenigde Staten nagestreefd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Om (met name financiële) inspanningen op het gebied van actieve verdediging
binnen de «lower-layer» ook op langere termijn vol te houden,
streeft Nederland naar het zoveel mogelijk verbeteren van al aanwezige systemen
en het mogelijk benutten van reeds geplande capaciteiten. Bij de Patriot gaat
het om doorontwikkelen en verbeteren van een bestaand luchtverdedigingssysteem.
Onderzocht wordt of de LCF-fregatten geschikt kunnen worden gemaakt voor de
verdediging tegen ballistische raketten. Hierbij wordt samengewerkt met Duitsland
en de Verenigde Staten. Zie hierover ook het antwoord op vraag 10.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door de verschillen in eigenschappen (met name zee- versus landgebonden)
vullen Patriot en LCF elkaar aan. Het LCF kan door zijn zelfstandige,
strategische mobiliteit reeds bij het ontstaan van een crisis in de nabijheid
in gereedheid worden gebracht en zonodig snel ingezet voor bijvoorbeeld de
verdediging van een aanvoerhaven of als vooruitgeschoven detectiecapaciteit.
De Patriot beschikt over een flexibele, tactische mobiliteit en kan worden
ingezet ter verdediging van (ontplooide) eenheden of bevolkingscentra. De
systemen zijn complementair. </al>
      <tuskop letat="vet">84</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Patriot diende oorspronkelijk voor het neerhalen van vliegtuigen.
Het is niet ontworpen als een volwaardig anti-raketsysteem. In hoeverre is
het moderniseren van de Patriot tot een volwaardig anti-raketsysteem realistisch
gezien de oorspronkelijke bestemming van de Patriot en de hoge kosten die
hiermee gemoeid zijn? Zijn er geen andere, betere oplossingen? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hoewel het Patriot-systeem ontworpen is voor de luchtverdediging tegen
vliegtuigen is het voortdurend aangepast aan de zich ontwikkelende luchtdreiging,
zoals de verminderde radarreflectie van gevechtsvliegtuigen, alsmede kruisraketten
en tactische ballistische raketten. Het Pac-3 programma voegt daar onder meer
raketten aan toe die specifiek zijn ontworpen om tactische ballistische raketten
op relatief grote hoogte met hoge trefzekerheid te vernietigen. Een dergelijke
evolutionaire verbetering van het wapensysteem gedurende de levensduur is
in dit geval doelmatiger dan het aanschaffen van nieuwe wapensystemen, zo
die al beschikbaar zouden zijn. </al>
      <tuskop letat="vet">85</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Nederland legt zich samen met Duitsland en de Verenigde Staten toe
op de verdere ontwikkeling van de anti-raketverdediging. Het blijft onduidelijk
hoe een en ander zich verhoudt tot de voornemens en inspanningen op dit gebied
van andere partners. Laten zij de bescherming van hun troepen tegen raketaanvallen
over aan onder meer Nederland? Wat zijn de consequenties daarvan voor de vrijheid
van besluitvorming in specifieke gevallen? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nederland loopt inderdaad samen met Duitsland en de Verenigde Staten voorop
met de investeringen in anti-raketverdediging, gericht op de bescherming van
troepen tegen aanvallen met korte- tot middellange afstands ballistische raketten.
Het is niet bekend of ook andere bondgenoten belangrijke investeringen op
dit gebied zullen doen. Het is niet uitgesloten dat dit terrein zich leent
voor taakverdeling. Voor de besluitvorming over inzet in specifieke gevallen
behoudt Nederland de volledige zeggenschap over de eigen eenheden, overeenkomstig
de bestaande procedures. </al>
      <tuskop letat="vet">86, 88, 90 en 91</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welk doel is nog gediend met de mogelijke aanwezigheid van kernwapens
op Nederlands grondgebied? Welk veiligheidsrisico verzet zich tegen het instellen
van een kernwapenvrije zone in Europa? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat zijn de voor- en nadelen van een no first use verklaring ten
aanzien van kernwapens, speciaal afgegeven aan die landen die alle internationale
verdragen betreffende de NBC wapens hebben ondertekend en uitgevoerd? Wordt
een no first use verklaring door de regering afgewezen? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat behelst precies de actualisering van de nucleaire paragraaf in
het Strategisch Concept van de NAVO die Nederland beoogt? Is de regering bereid
de nucleaire taak van Nederland (Volkel) te heroverwegen? (pag. 15) </nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Hoofdlijnennotitie wordt gesteld dat eventuele agressors in
maximale onzekerheid dienen te verkeren over de omstandigheden waaronder de
NAVO het gebruik van kernwapens overweegt. Betekent dit tevens dat ook het
Nederlandse parlement en de Nederlandse bevolking in maximale onzekerheid
zal verkeren over de mogelijke inzet van dit middel? Zo ja, hoe stelt de regering
zich een maatschappelijk debat over de rol van de Nederlandse krijgsmacht
in de NAVO voor als over dit belangrijke onderwerp maximale onduidelijkheid
blijft bestaan? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Navo heeft thans, in tegenstelling tot de periode voor het uiteenvallen
van de Sovjet-Unie, geen militair-operationele plannen voor de inzet van kernwapens.
De verminderde paraatstelling en het feit dat het bondgenootschappelijke kernwapenarsenaal
inmiddels met ongeveer 80 procent is ingekrompen, weerspiegelen hoe ver wij
thans zijn verwijderd van de omstandigheden waaronder het gebruik van kernwapens
aan de orde zou zijn. Op Nederlands voorstel zijn deze ontwikkelingen verdisconteerd
in de nucleaire paragrafen in het ontwerp-Strategische Concept dat tijdens
de aanstaande Navo-top wordt vastgesteld. De minister van Buitenlandse Zaken
is hierop ingegaan in zijn brief aan de Tweede Kamer van 12 maart jl. (Kamerstuk
26 200 V, nr 55).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er bestaan binnen de Navo wel afspraken over de manier waarop de inzet
van kernwapens zou moeten worden besproken, mocht toch de nood aan de man
komen. Deze afspraken stroken met het afschrikkingsbeleid van de Navo, dat
erop is gericht de inzet van massavernietigingswapens te voorkomen door tegenstanders
die het gebruik van dergelijke wapens overwegen in onzekerheid te laten over
de inzet van kernwapens door de Navo. De afschrikkende werking bestaat uiteraard
niet langer als de inzet volkomen denkbeeldig is. Zolang ons land in het kader
van de bondgenootschappelijke verdediging zijn kerntaak uitvoert, zal de Koninklijke
luchtmacht dan ook voorbereid moeten blijven op de inzet, onder meer door
middel van oefeningen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het huidige afschrikkingsbeleid van de Navo, hoe zeer dat ook verschilt
van het beleid tijdens de Koude Oorlog, is uiteraard niet te verenigen met
een kernwapenvrije zone in Europa. De instelling van een dergelijke zone is
voorts niet goed denkbaar zolang het beheer van de nucleaire erfenis van de
Sovjet-Unie de wereld ernstige zorgen baart. Door de Russische overheid te
steunen, onder meer bij ontmantelingsprogramma's en door nonproliferatie-
en ontwapeningsregimes te versterken, wordt getracht de ongewenste verspreiding
van deze wapens en onderdelen, alsmede technieken en kennis vanuit de voormalige
Sovjet-Unie te voorkomen. </al>
      <tuskop letat="vet">87</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan een vertrouwenwekkend signaal uitgaan van het in de-alert toestand
brengen van kernwapens? Zou dan kunnen bijdragen aan een verdere ontspanning
en ontwapening? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Sinds het einde van de Koude Oorlog is de paraatheid aanzienlijk verlaagd.
De gereedheid van nucleaire systemen werd destijds uitgedrukt in minuten,
nu in dagen, respectievelijk weken. De Navo heeft dit in het kader van het
permanente overleg in Brussel aan Rusland medegedeeld; dit land heeft aangekondigd
soortgelijke maatregelen te hebben genomen. </al>
      <tuskop letat="vet">88</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat zijn de voor- en nadelen van een no first use verklaring ten
aanzien van kernwapens, speciaal afgegeven aan die landen die alle internationale verdragen betreffende de NBC wapens hebben ondertekend en uitgevoerd?
Wordt een no first use verklaring door de regering afgewezen? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 86. </al>
      <tuskop letat="vet">89</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zijn er in NAVO-verband concrete afspraken gemaakt over een gezamenlijke
behoeftestelling en taakverdeling in het kader van de «theatre missile
defence»? Op welke van die afspraken berust het voornemen van Nederland
om een substantiële bijdrage op dit gebied te leveren? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De «Conference of National Armaments Directors (CNAD)» van
de Navo heeft in het voorjaar van 1998 een plan goedgekeurd om een gelaagde
defensie bestaande uit «lower layer» en «upper layer»
systemen voor de verdediging tegen ballistische raketten te onderzoeken. Het
gaat hierbij zowel om op land als op zee gestationeerde systemen. Deze studie
wordt gefinancierd uit Navo fondsen. Na 2004 zal worden bezien of de Navo
een volledig geïntegreerd systeem voor de «lower» en «upper
layer» moet verwerven. Zie ook het antwoord op vraag 62. </al>
      <tuskop letat="vet">90 en 91</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat behelst precies de actualisering van de nucleaire paragraaf in
het Strategisch Concept van de NAVO die Nederland beoogt? Is de regering bereid
de nucleaire taak van Nederland (Volkel) te heroverwegen? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Hoofdlijnennotitie wordt gesteld dat eventuele agressors in
maximale onzekerheid dienen te verkeren over de omstandigheden waaronder de
NAVO het gebruik van kernwapens overweegt. Betekent dit tevens dat ook het
Nederlandse parlement en de Nederlandse bevolking in maximale onzekerheid
zal verkeren over de mogelijke inzet van dit middel? Zo ja, hoe stelt de regering
zich een maatschappelijk debat over de rol van de Nederlandse krijgsmacht
in de NAVO voor als over dit belangrijke onderwerp maximale onduidelijkheid
blijft bestaan? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 86. </al>
      <tuskop letat="vet">92</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat wordt bedoeld met de zinsnede: «Ook kan worden bezien hoe
de door de kernwapenstaten eenzijdig afgegeven «negatieve veiligheidsgaranties»
over het gebruik van kernwapens zich verhouden tot het huidige nucleaire beleid
van de NAVO.»? Welk standpunt neemt de Nederlandse regering op dit punt
in? Hoe beoordeelt de regering deze negatieve garanties? Is een verandering
van het beleid van de NAVO noodzakelijk? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie antwoord op vraag 63. </al>
      <tuskop letat="vet">93</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zal de «flexible response-strategie» van de NAVO in de
toekomst gehandhaafd blijven? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De «flexible response»-strategie van de Navo werd in de jaren
zestig geformuleerd; deze legde de nadruk op de wenselijkheid van een antwoord
met militaire middelen aangepast aan de aard en de omvang van de agressie
tegen het bondgenootschap. Dit in tegenstelling tot het eerdere uitgangspunt
dat een offensief tegen de Navo altijd met massale inzet van middelen, ook
nucleaire, zou worden beantwoord. In de nieuwe internationale veiligheidssituatie
is grootschalige agressie onwaarschijnlijker geworden. De veelheid van mogelijke
inzetscenario's en de wenselijkheid geweldstoepassing zoveel
mogelijk te beperken, maakt overigens dat de Navo meer dan ooit uitgaat van
een aan de omstandigheden aangepaste inzet van militaire middelen als antwoord
op agressie en instabiliteit. </al>
      <tuskop letat="vet">94</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De regering constateert dat er nieuwe veiligheidsrisico's zijn, zoals
terrorisme en de bedreiging van massavernietigingswapens en raketten. Hier
wordt slechts het middel van TMD tegenover gesteld, Op welke wijze denkt de
regering de overige dreigingen teniet te doen? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 60. </al>
      <tuskop letat="vet">95</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Betekent de zin over de verhouding tussen negatieve veiligheidsgaranties
en het nucleaire beleid van de NAVO dat de regering meent dat ere op dit punt
sprake is van tegenspraak? (pag. 15)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie antwoord op vraag 63. </al>
      <tuskop letat="vet">96</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Britse SDR geldt als zwaarste scenario waarop de Britse krijgsmacht
zich operationeel moet voorbereiden een ernstige regionale crisis waarbij
Britse belangen in het geding zijn. Dit kan zijn aan de periferie van het
NAVO-verdragsgebied of in het Golfgebied. In de Hoofdlijnennotitie blijven
de nationale politieke en economische belangen in het Golfgebied onbenoemd.
Kan de regering ingaan op deze belangen, alsmede op de gevolgen van een onverhoopte
aantasting daarvan? Hoe afhankelijk is Nederland bij voorbeeld van de olie-aanvoer
uit het Perzische Golfgebied? (pag. 15, 16)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 21. </al>
      <tuskop letat="vet">97</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Volgens de Britse SDR is het voor instandhouding van een capaciteit
voor deelneming aan een crisisbeheersings- of vredesoperatie van langere duur
optimaal om drie tot vier vliegtuigsquadrons in reserve te houden voor ieder(e)
uitgezonden schip, landmachteenheid of squadron. Onderschrijft de regering
dit uitgangspunt bij haar capaciteitsdoelstelling van gelijktijdige deelneming
aan vier operaties gedurende minstens drie jaar? Kan de regering op basis
van de Britse en de Nederlandse modellen een overzicht geven van de theoretische
voorzettingsvermogens van uit te zenden eenheden door de Nederlandse krijgsmachtdelen?
Kan de regering een overzicht geven van daadwerkelijke bijdragen aan crisisbeheersings-
en vredesoperaties sinds 1989? (pag. 15, 16)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De omvang van de Nederlandse krijgsmacht is gebaseerd op het totale takenpakket
van de krijgsmacht in vredes- en oorlogstijd. Eén van de taken is het
gelijktijdig kunnen bijdragen aan vier crisisbeheersings- of vredesoperaties
op het niveau van een bataljon of het equivalent daarvan. Bij het aanbieden
van Nederlandse eenheden voor langer lopende vredesoperaties wordt steeds
gekeken naar het voortzettingsvermogen. Het Nederlandse beleid is dat een
eenheid steeds zes maanden uitgezonden kan worden, gevolgd door een periode
van twaalf maanden zonder uitzendingen. Daardoor kan een eenheid slechts voor
langere tijd worden aangeboden als er vergelijkbare eenheden in Nederland
beschikbaar zijn voor aflossing. Om deze reden wordt bij het inrichten van
de defensie-organisatie voor de belangrijkste eenheden in het algemeen gestreefd
naar een beschikbaarheid van drie parate eenheden van een bepaald type. In
beginsel kunnen alle parate eenheden van de Nederlandse krijgsmacht
worden ingezet ten behoeve van internationale operaties. Zie ook het antwoord
op vraag 49.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het overzicht van de Nederlandse bijdragen aan crisisbeheersings-, vredesen
humanitaire operaties sinds 1989 is hieronder weergegeven. Hierin is nog niet
de hulpverlening verwerkt voor de opvang van vluchtelingen in Albanië
en Macedonië als gevolg van het conflict rond Kosovo. </al>
      <tuskop letat="vet">Bijdragen van de Nederlandse krijgsmacht aan crisisbeheersings-,
vredes- en humanitaire operaties sinds 1989 </tuskop>
      <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
        <tgroup align="left" charoff="75" cols="5" tgroupstyle="sdu1">
          <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="30mm"></colspec>
          <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="35.25mm"></colspec>
          <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="35.25mm"></colspec>
          <colspec colname="c4" colnum="4" colwidth="35.25mm"></colspec>
          <colspec colname="c5" colnum="5" colwidth="35.25mm"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1" valign="top"> Land</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1" valign="top">Operatienaam</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1" valign="top">KMD</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1" valign="top">periode</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1" valign="top">materieel/eenheid/functie</entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">M-Oosten</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNTSO/</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KL,KM,</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1956-heden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">waarnemers
UNTSO </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNDOF</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Klu,Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">commandant UNDOF </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Cyprus</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNFICYP</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KL,Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1998-heden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">compagnie</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Egypte/</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">MFO</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KL,KM,</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1982–1995</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">eenheid </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Israël</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Klu,Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">verbindingspersoneel 
militaire politie </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Perzische</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Octopus</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KM</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1987–1989</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">mijnenjagers
stingerteams </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Golf</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Calender</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Cleansweep</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Namibië</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNTAG</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1989–1990</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">politiewaarnemers</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Golfgebied</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">o.m</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KM,KL,</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1990–1991</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">o.m. fregatten,
bevoorrader </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Irak, Koeweit</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Desert Storm</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Klu, Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">stingerteams,
P3C, </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Desert Shield</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">squadron Patriot,Hawk 
detachementen Kmar </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Irak/VS</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNSCOM</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KL,Klu</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1994-heden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">NBC-deskundigen</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Cambodja</entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">UNAMIC UNTAC</entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">KM,KL, Klu,Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1991–1993</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">o.m.Bataljon
Marns, F27, helicopters, politiecommandant </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNDP,CMAC</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Kl</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1993-heden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">explosievendeskundigen</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Angola</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNAVEM,</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KL,Klu,</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1991–1998</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">militaire-en
politie- </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">II,III,</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Kmar,KM</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">waarnemers</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNOPS,CMATS</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Kl</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1997-heden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">mijnenruimingsinstructeurs</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Somalië</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNOSOM</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1993–1994</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">adviseur</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Haïti</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNMIH</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KM/Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1994–1996</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">o.m. cie
marns, </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Support Democracy</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">detachement opleiding</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">IPM Columbus</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">lokale politie  fregat, P3C</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Zuid-Afrika</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNOMSA</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1993</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">waarnemers </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Moldavië</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">OVSE</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KL/Klu</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1993-heden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">waarnemer</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Mozambique</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNOMOZ</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KL</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1993–1995</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">mijnenruimingspersoneel</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Oeganda</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNOMUR</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KL</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1993–1996</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">waarnemers </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Rwanda</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNAMIR</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Klu,Kl</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1994–1996</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">instructeurs</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Georgië</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">OVSE</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Klu</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1994–1996</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">waarnemer</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Adriatische</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Maritime Monitor</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KM</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1992–1996</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">fregatten,
P3C, </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Zee</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Maritime Guard (SNFM)</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">tankersupport,
boarding teams, </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Sharp Guard</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">onderzeeboten</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">(SNFM),(SNFL)</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">Sharp Fence, Grapple</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Bosnië-Herzegovina
(vml. Joegoslavië)</entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">o.m. UNPROFOR IFOR UNPF UNHCR</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KL,
KM, KLU, Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1992–1996</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">o.m. verbindingsbat, manoeuvre bat,
logbat, EOD detachement, Kmar detachement, Heli-detachement, </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">marnsmortiercompagnie,</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">F-16 squadron, P3C, C130, </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">F-60,
KDC-10, F-27, monitoren, Mortier-opsporingsradar batterij </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">SFOR</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KL,KM,</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1997-heden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">o.m.
gemechaniseerd bataljon, </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Deny Flight</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Klu,Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">«Crowd-and-riot»-peloton,
EOD-detachement, EOV peloton, Apache detachement, KDC-10, F-16 detachement,
Cimic, C130, F-60 Contigentscommando, Kmar detachement, marnsinfcie/pel, tactische/strategische
reserve (o.m. marnsbat) </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">WEU Mostar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1993–1996</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">politiewaarnemers</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">POCD,WEU Donau</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1994–1996</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">waarnemers</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNIPTF</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1996-heden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">waarnemers </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNMAC,BHMAC</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KL</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1998-heden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">mijnenruimingspersoneel</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNMiBH</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KL</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1995-heden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">staffunctionaris </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">ICFY</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KL,KM,</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1992–1996</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">grenscontroleurs</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Klu,Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Kroatië</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">UNTAES</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KL,KM,</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1995–1998</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">stafpersoneel</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Klu</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Balkan</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">ECMM</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KL, KM,</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1991-heden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">waarnemers</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Klu, Kmar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Albanië</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">MAPE/OVSE</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Kmar,KL,</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1997-heden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">waarnemers</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KM,Klu</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">politie-adviseurs </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Kosovo/Macedonië</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Extraction
Force Eagle Eye allied Force SNFM</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Kl,Klu, KM, KMAR</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1998-heden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">geniecie,
Chinook detachement, MORbatterij, P3C, F-16 squadron, KDC10, fregat, LPD </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Perzische</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">MIF</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KM</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1996-heden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">fregat,
P3C, bevoorrader, </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Golf</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">boardingteams </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Noord-Irak</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Provide</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KM,
KL,Klu</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1991</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">HUMANITAIRE OPERATIES </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">ZuidTurkije</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Comfort</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Rusland</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">EG
Task Force</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Kl</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1992</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">voedseldistributie</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Zaïre</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Provide
Care</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Klu,KM</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1994</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">(Goma)</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Silverback</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Nederlandse</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">orkaan
Luïs</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KM,Klu,</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1995</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Antillen</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KL</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Polen/</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Bestrijding</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Kl</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1997</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Tsjechië</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">wateroverlast</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Afghanistan</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">aardbeving</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Klu</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1998</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Nederlandse</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">orkaan
Georges</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Klu, KM</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1998</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Antillen</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">NHVT</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Albanië</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">evacuatieoperatie</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KM</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1997</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Eritrea</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">evacuatieoperatie</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KM</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1998</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Indonesië</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">evacuatieoperatie</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Klu</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1998</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Midden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">orkaan
Mitch</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">KM,KL,</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1998</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Amerika</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Klu,</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">NHVT</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <tuskop letat="vet">98</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat zal het aandeel van Nederland zijn in het beheersen van regionale
conflicten in de nabijheid van het NAVO-verdragsgebied? (pag. 16)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ieder conflict is verschillend en vereist een daarop toegesneden aanpak.
Voor de vorm van een Nederlandse bijdrage zijn verschillende factoren van
belang, zoals de mogelijkheden voor een politieke oplossing, de behoeftestelling
voor de desbetreffende vredesoperatie, de omgeving waarin moet worden geopereerd,
de bijdragen van andere bondgenoten, de omvang van de operatie en de vraag
in hoeverre Nederland beschikt over de benodigde middelen. </al>
      <tuskop letat="vet">99, 101, 102, 104 en 109</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe stelt de regering zich de nauwere samenwerking tussen NAVO en
EU voor? Wat wordt de rol van EU-lidstaten die geen NAVO-lid zijn of NAVO-lidstaten die niet tot de EU behoren in de politieke en militaire
beslissingsprocedures rond het inzetten van NAVO-middelen in internationale
missies? (pag. 16)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe wordt de besluitvorming in de NAVO geregeld als binnen deze organisatie
er één apart, aan de derde pijler van het EU-verdrag gekoppeld,
Europees Defensie-mechanisme ontstaat? Met andere woorden, kan de EU een besluit
nemen tot militair opereren en vervolgens de uitvoering hiervan overdragen
aan een Europees mechanisme binnen de NAVO zonder dat niet EU-lidstaten hiermee
uitdrukkelijk instemmen? (pag. 16)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Hoofdlijnennotitie wordt gesteld dat een Nederlandse bijdrage
uitsluitend in internationaal kader zal plaatsvinden en in de vorm van «modules».
Kan nader omschreven worden wat een module omvat? (pag. 16)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">«Een voortvarende ontwikkeling van een gemeenschappelijk Europees
veiligheidsbeleid, waarvan de operationele defensie-identiteit gestalte wordt
gegeven in de NAVO». Kan de regering aangeven wat bedoeld wordt met
operationele (planning, militaire middelen, militairen) Defensie-identiteit?
(pag. 16)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan hieruit worden afgeleid dat er geen veiligheidsrol voor Europa
is weggelegd zonder ruggenspraak met de Verenigde Staten?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de geringe aandacht voor de Europese veiligheids- en defensie-identiteit
in de Hoofdlijnennotitie een weerspiegeling van de geringe politieke betekenis
die de regering hieraan hecht? Kan de regering aangeven hoe de geest en de
inhoud van de St. Malo-verklaring doorwerkt in haar beleid? (pag. 16)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze wil Nederland de defensiesamenwerking met andere Europese
landen bevorderen? (pag. 17)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De samenwerking tussen de EU en de Navo dient in de visie van de regering
te worden versterkt. Beide organisaties spelen een cruciale rol in Europa
op het gebied van veiligheid en defensie en kunnen bij een goede samenwerking
elkaar wederzijds versterken. De regering hecht grote waarde aan de versterking
van de Europese Veiligheids- en Defensie Identiteit. Op 10 maart jl. heeft
de regering de Kamer over dit onderwerp een notitie gezonden, waarover op
17 maart jl. een algemeen overleg is gehouden. In genoemde notitie, waarnaar
kortheidshalve wordt verwezen, is uitvoerig ingegaan op de gestelde vragen.
Ook de Defensienota zal de nodige aandacht besteden aan dit onderwerp en ingaan
op de gevolgen voor de krijgsmacht. </al>
      <tuskop letat="vet">100</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat gebeurt er met de bijstandsverklaring, de verdedigingstaak van
WEU, als de WEU opgaat in de EU? (pag. 16)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Overbrenging van artikel V naar het EU-Verdrag is op dit moment niet aan
de orde. De Verklaring van St.Malo vermeldt dat de Navo de basis blijft vormen
voor collectieve verdediging. Ook nu wordt deze verdragsverplichting de facto
door de Navo uitgevoerd. </al>
      <tuskop letat="vet">101 en 102</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe wordt de besluitvorming in de NAVO geregeld als binnen deze organisatie
er één apart, aan de derde pijler van het EU-verdrag gekoppeld,
Europees Defensie-mechanisme ontstaat? Met andere woorden, kan de EU een besluit
nemen tot militair opereren en vervolgens de uitvoering hiervan overdragen
aan een Europees mechanisme binnen de NAVO zonder dat niet EU-lidstaten hiermee
uitdrukkelijk instemmen? (pag. 16)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Hoofdlijnennotitie wordt gesteld dat een Nederlandse bijdrage
uitsluitend in internationaal kader zal plaatsvinden en in de vorm van «modules».
Kan nader omschreven worden wat een module omvat? (pag. 16) </nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">«Een voortvarende ontwikkeling van een gemeenschappelijk Europees
veiligheidsbeleid, waarvan de operationele defensie-identiteit gestalte wordt
gegeven in de NAVO». Kan de regering aangeven wat bedoeld wordt met
operationele (planning, militaire middelen, militairen) Defensie-identiteit?
(pag. 16)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan hieruit worden afgeleid dat er geen veiligheidsrol voor Europa
is weggelegd zonder ruggenspraak met de Verenigde Staten?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 99. </al>
      <tuskop letat="vet">103</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Nederland moet in internationaal opzicht bereid zijn verantwoordelijkheid
te nemen voor het Europese veiligheidsbeleid. Hoe ziet de regering deze verantwoordelijkheid
in het licht van de aangekondigde bezuinigingen? En hoe gaan andere Europese
landen om met deze verantwoordelijkheid? Is er sprake van afstemming op dit
gebied? Op welke wijze en waar vindt die afstemming plaats? (pag. 16)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De inzet van de huidige discussie over het Europese veiligheidsbeleid,
die zowel in de EU, de Weu als de Navo wordt gevoerd, is dat effectiever gebruik
kan worden gemaakt van de bestaande militaire capaciteit om indien nodig een
grotere Europese verantwoordelijkheid te kunnen dragen op veiligheidsterrein.
Bij bezuinigingen zal hiermee uiteraard rekening worden gehouden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Weu wordt een inventarisatie gemaakt van de huidige Europese militaire
capaciteiten, die aanwezig zijn om de voornoemde verantwoordelijkheid te kunnen
dragen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Afstemming met betrekking tot de verdere ontwikkeling van het Europese
veiligheidsbeleid geschiedt in de hierboven genoemde fora en op bilaterale
basis. </al>
      <tuskop letat="vet">104</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de geringe aandacht voor de Europese veiligheids- en defensie-identiteit
in de Hoofdlijnennotitie een weerspiegeling van de geringe politieke betekenis
die de regering hieraan hecht? Kan de regering aangeven hoe de geest en de
inhoud van de St. Malo-verklaring doorwerkt in haar beleid? (pag. 16)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 99. </al>
      <tuskop letat="vet">105 en 106</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Hoofdlijnennotie wordt gesteld dat de Nederlandse krijgsmacht
operationeel in staat moet zijn tot het gelijktijdig deelnemen aan vier internationale
missies op bataljonsniveau en dat deze inzet minstens drie jaar achtereen
moet kunnen worden volgehouden. Acht de regering de termijn van drie jaar
realistisch gezien de ervaringen in Bosnië en de uitspraak van de regering
dat aanwezigheid van buitenlandse troepen nog wel twintig jaar kan duren?
Betekent dit tevens dat voor vier missies personeel en materieel achter de
hand gehouden moet worden ter aflossing? Betekent de noodzaak om aflossing
paraat te hebben dat deze aflossing met betrekking tot materieel, personeel
en taken vergelijkbaar moet zijn met de troepen die zij zouden moeten aflossen?
Denkt de regering met de voorgestelde inrichting van de Nederlandse krijgsmacht
deze pretentie te kunnen waarmaken? (pag. 16, 17)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Nederland zou aan vier missies tegelijk moeten kunnen deelnemen.
Aangezien de ervaring leert dat die missies vaak langer duren dan de drie
jaar die de regering voorziet, moeten voor elke eenheid vier of vijf eenheden
ter aflossing achter de hand worden gehouden. Welke druk legt dit
op de werving van nieuw personeel en welke gevolgen heeft dit voor de werkdruk
van militairen? Aangezien voor deze missies behalve personeel ook materieel
voor langere tijd in het buitenland zal zijn gestationeerd, rijst de vraag
wat de gevolgen hiervan zijn voor het paraat hebben van troepen voor andere
activiteiten dan vredesmissies. Welke gevolgen zouden het uitvoeren van vier
missies tegelijkertijd hebben op de capaciteit om met het resterende materiaal
nog voldoende te oefenen? (pag. 17)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De termijn van drie jaar wordt gehanteerd als planningsrichtlijn. Dit
neemt niet weg dat een langere termijn mogelijk is. Door een goede afstemming
van de specifieke voorbereidingen voor uitzending en het reguliere oefen-
en trainingsprogramma wordt het effect op de werkdruk tot een minimum beperkt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor deelneming aan vredesoperaties wordt de systematiek gehanteerd dat
eenheden zich voorbereiden op een uitzending, uitgezonden kunnen worden en
vervolgens recupereren; zie hierover tevens het antwoord op vraag 97. Na uitvoering
van de maatregelen uit de Hoofdlijnennotitie is de krijgsmacht nog beter toegerust
voor deze taken. Een en ander heeft geen effect op de werving. </al>
      <tuskop letat="vet">107</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is het mogelijk om in geval van een vijfde crisisgebied nog enkele
middelen of manschappen (modules) beschikbaar te stellen indien er een beroep
op Nederland wordt gedaan?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ja. Zoals in de Hoofdlijnennotitie (blz. 17) is uiteengezet is de krijgsmacht
en haar personeel voldoende flexibel om in aanvulling op de vier operaties
van bataljonsgrootte ook eenheden van kleinere omvang of individuele militairen
uit te zenden. </al>
      <tuskop letat="vet">108</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Binnen de NAVO kan een grotere samenwerking tussen de Europese bondgenoten
ontstaan. Nu al is er sprake van samenwerking tussen landen. In hoeverre kan
men nu al spreken over taakspecialisatie tussen landen? Als militaire bijdragen
(pag. 15) aan multinationale verbanden kunnen worden gezien als modules die
goed inpasbaar moeten zijn in een groter geheel, is er dan al niet een proces
gaande in Europa dat in de richting van taakspecialisatie gaat? Hoe moet in
dit licht de conclusie (pag. 23) worden gezien dat eenzijdige stappen het
internationale overleg over taakspecialisatie schaden? (pag. 17)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 38. </al>
      <tuskop letat="vet">109</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze wil Nederland de defensiesamenwerking met andere Europese
landen bevorderen? (pag. 17)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 99. </al>
      <tuskop letat="vet">110</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe kan een parate brigade worden ingezet voor een vredesafdwingende
operatie als een deel van deze eenheid mobilisabel is? (pag. 17)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de inzet van een brigade voor een vredesafdwingende operatie wordt
ervan uitgegaan dat die inzet eenmalig is en voor de periode van maximaal
één jaar. Binnen het parate deel van iedere gemechaniseerde
brigade zijn de meeste elementen aanwezig voor een dergelijke operatie. Om
de in te zetten brigade op volledige sterkte te brengen moet de brigade
worden versterkt met parate eenheden uit de andere brigades. Ook is versterking
met parate elementen van legerkorps- en/of divisietroepen noodzakelijk. </al>
      <tuskop letat="vet">111 en 112</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">«In het kader van genoemde hoofdtaken moet de Nederlandse krijgsmacht...
operationeel in staat zijn tot... de opbouw in een aantal jaren tot een krijgsmacht
van grotere omvang als zich ooit een dreiging zou ontwikkelen van een groot
conflict of een grootscheepse bedreiging van het NAVO-verdragsgebied.»
Betekent dit concreet dat de Krijgsmacht in de komende jaren groter moet worden
met het oog op genoemde dreiging, of pas dan groter moet worden als de kans
op zo'n grote aanval groeit? Wat wordt bedoeld met «operationeel in
staat zijn tot»? Het uitbreiden van de Krijgsmacht is toch een kwestie
van het vrijmaken van extra middelen daarvoor? (pag. 17)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze kan er in een aantal jaren een opbouw plaatsvinden
tot een krijgsmacht van grotere omvang? Kan de dienstplicht dan weer ingevoerd
worden en is dit gewenst? (pag. 17)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op basis van door de regering en het parlement te nemen besluiten kan
de omvang van de krijgsmacht worden uitgebreid door het paraat stellen van
reserve-eenheden. Daarbij wordt in eerste instantie een beroep gedaan op reservisten,
zoals vermeld in de Nota Reservistenbeleid (Kamerstuk 24 400 X, nr. 104).
De Wet voor het reservepersoneel bepaalt onder welke voorwaarden deze groep
personeel wordt opgeroepen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Memorie van Toelichting bij de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden
is met voorbeelden aangegeven wanneer hiertoe kan worden overgegaan. Daarbij
is vooral de vraag belangrijk of sprake is van «buitengewone omstandigheden».
Zolang niet in voldoende mate wordt beschikt over reserveplichtig beroepspersoneel
zal worden teruggevallen op personeel uit de laatste lichtingen dienstplichtigen.
Voor een activering van de opkomstplicht is de procedure beschreven in de
Kaderwet dienstplicht; een dergelijk besluit treedt eerst in werking na instemming
van Tweede en Eerste Kamer. </al>
      <tuskop letat="vet">113</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aan welke concrete situaties wordt gedacht bij de mogelijkheid een
brigade in te zetten? Hoe verhoudt zich dit tot de «module» formule?
Is bij de inzet van een complete brigade het gevaar niet aanwezig dat Nederland
alleen staat voor bepaalde deeltaken en aan haar lot wordt overgelaten? (pag. 17)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Inzet van een gehele brigade is voorzien als Nederlandse bijdrage aan
een vrede-afdwingende operatie. De brigade kan in dit laatste geval worden
beschouwd als een module in een groter internationaal verband. Crisisbeheersings-
of vredesoperaties zullen immers altijd in multinationaal verband worden uitgevoerd.
De staf van de brigade kan ook worden gezien als een module, net als de bataljons
en zelfstandige eenheden van de brigade. Al die modules zijn in te passen
in multinationale verbanden. </al>
      <tuskop letat="vet">114</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke veranderingen zijn nodig om beter te kunnen optreden tegen
terroristische acties? Hoe ligt hierbij de taakverdeling tussen politie en
krijgsmacht? Is er een samenwerking en/of een dubbeling van structuren en
middelen? (pag. 17)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie antwoord op vraag 60.  </al>
      <tuskop letat="vet">115</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Hoofdlijnennotitie wordt gesproken over een aantal civiele
taken die door de krijgsmacht zouden kunnen worden uitgevoerd. Kan worden
aangegeven hoe de kostenverdeling met betrekking tot deze civiele taken zijn
beslag zal krijgen? (pag. 17, 18)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op dit gebied wordt overleg gevoerd tussen de betrokken departementen.
Bij dit overleg zal tevens het onderwerp van kostenverdeling aan de orde worden
gesteld. In de Defensienota wordt nader op deze problematiek ingegaan. Zie
de antwoorden op de vragen 119 en 122. </al>
      <tuskop letat="vet">116</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Gezien de inzet bij rampen elders in de wereld niet alleen van de
Nederlandse krijgsmacht maar ook van militaire eenheden van bondgenoten, is
het de vraag of op dit gebied niet meer internationale sturing en samenwerking
mogelijk is (al dan niet in NAVO-verband) (pag. 18)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Internationale coördinatie van inzet van militaire capaciteit bij
humanitaire noodsituaties geschiedt in eerste instantie door de Verenigde
Naties, namelijk door de «Military Civil Defence Unit» van het
«Office for the Coordination of Humanitarian Affairs».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In juni 1998 hebben de Navo-lidstaten in het kader van «Civil Emergency
Planning» een coördinerende instantie opgericht, het zogenoemde
«Euro Atlantic Disaster Response Coordination Center». Dit coördineert
zonodig en ter aanvulling op andere inspanningen de bijdragen van de lidstaten
aan rampenbestrijding. </al>
      <tuskop letat="vet">117 en 126</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Er zijn plannen om probleemjongeren op te vangen in militaire kazernes.
Zal deze opvang structureel zijn? Gaat dat op basis van vrijwilligheid of
is het in plaats van een straf? Bij wie ligt uiteindelijk de verantwoordelijkheid?
Bestaat binnen Defensie genoeg pedagogisch inzicht om met probleemjongeren
te werken? Zo ja, kan die ervaring en dat inzicht dan niet beter uitgeleend
worden aan civiele organisaties? (pag. 18)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het ministerie van Defensie staat open voor verzoeken van andere
overheidsinstellingen om randgroepjongeren middels een militaire opleiding
structuur in hun leven te bieden. Is er reeds sprake van dergelijke projecten?
Zo ja, zou de regering hierover inlichtingen kunnen verschaffen? Wat is of
wordt de status van jongeren in een dergelijke project (arbeidscontract, inzetbaarheid)?
Vormen dergelijke projecten onderdeel van de wervingsactiviteiten van de Nederlandse
krijgsmacht? (pag. 19)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Defensie is bereid op verzoek van andere overheidsinstellingen een scholingsprogramma
te bieden aan jongeren die dreigen af te glijden naar de criminaliteit. Het
doel van een dergelijk project is om deze jongeren door het bijbrengen van
fysieke en sociale vaardigheden, werkstructuur en het geven van een deelopleiding
in een gedisciplineerde omgeving, meer perspectief te bieden op reguliere
arbeid en een volwaardige deelname aan het maatschappelijk leven. Eerdere
scholingsprogramma's bij Defensie met een soortgelijke opzet voor randgroepjongeren
in het begin van de jaren negentig zijn succesvol verlopen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorop staat dat Defensie vanuit zijn maatschappelijke verant-woordelijkheid
een bijdrage wil leveren aan de problematiek met betrekking tot zogenoemde
randgroepjongeren. Het is dan ook geen wervingsproject en het streven is dus
niet deze jongeren voor te bereiden op een baan bij Defensie. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op verzoek van de gemeente Amsterdam zal op 12 april 1999 een eerste scholingsproject
beginnen. Het project wordt verzorgd op het Opleidingscentrum Logistiek van
de Koninklijke landmacht te Bussum. Daarbij krijgen zestien jongeren gedurende
drie maanden een programma aangeboden waarbij civiel erkende diploma's lastechniek,
bedrijfshulpverlening en computergebruik behaald kunnen worden en daarnaast
ruim aandacht wordt besteed aan sociale vaardigheden en sport. De jongeren
worden door de gemeente Amsterdam op basis van vrijwilligheid vanuit diverse
hulpverleningstrajecten geselecteerd. Deelname wordt betrokkenen niet opgelegd
als straf. De deelnemers zijn als cursist te gast bij Defensie en hebben met
Defensie dus geen arbeidsrelatie. Zij worden opgevangen op een regulier opleidingsonderdeel.
De doorstroom van deze jongeren naar een vervolgtraject (werk of voortgezette
scholing) wordt door de gemeente Amsterdam verzorgd. De gemeente Amsterdam
vergoedt aan Defensie de additionele kosten van het project.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hoewel het defensiepersoneel grote ervaring heeft in het opleiden van
jongeren, zal voor de pedagogische begeleiding uiteraard ook een beroep gedaan
worden op civiele deskundigen. De gemeente Amsterdam betrekt hiertoe dan ook
verschillende instanties (reclassering, politie, jeugdhulpverlening, arbeidsvoorziening)
bij het project.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Als dit project voor de jongeren succesvol verloopt en de gemeente Amsterdam
of andere overheidsinstanties opnieuw een beroep op Defensie doen, zal de
mogelijkheid van een structureel aanbod van dergelijke projecten welwillend
worden overwogen. Een voorwaarde daarbij blijft uiteraard dat ze inpasbaar
moeten zijn in het normale opleidingsprogramma van Defensie. </al>
      <tuskop letat="vet">118</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Dreigt Defensie, ter legitimatie van haar budget en middelen, niet
te veel taken te gaan verrichten die buiten haar eigenlijke kerntaken liggen?
Is het voor wat betreft dergelijke taken niet verstandiger de betreffende
middelen over te hevelen naar civiele organisaties? (pag. 18)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De taken die worden beschreven in de Hoofdlijnennotitie vloeien voort
uit de analyse van de veiligheidssituatie. Voorts is een van de uitgangspunten
bij het opstellen van de notitie geweest dat gestreefd dient te worden naar
het efficiënt gebruik van overheidsmiddelen. Defensie is niet op zoek
naar nieuwe taken, maar biedt de ter beschikking staande capaciteiten ter
ondersteuning aan. </al>
      <tuskop letat="vet">119</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke personele en materiële capaciteit van de parate krijgsmacht
is altijd minimaal in Nederland beschikbaar voor hulpverlening in geval van
calamiteiten? Wordt bij de beschikbaarstelling voor vredesoperaties rekening
gehouden met de middelen benodigd voor rampenbestrijding? (pag. 18)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In beginsel zijn alle in Nederland aanwezige eenheden van het parate deel
van de krijgsmacht inzetbaar voor hulpverlening in geval van calamiteiten.
Onder normale omstandigheden in vredestijd is deze capaciteit toereikend om
in de behoefte aan militaire steun te kunnen voorzien.</al>
      <al>Op dit moment is er alleen sprake van gegarandeerde minimale steun voor
hulpverlening bij calamiteiten in geval van buitengewone omstandigheden en
na mobilisatie. In zogenaamde bestuursafspraken tussen de ministeries van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Defensie is vastgelegd dat Defensie
in dat geval rampenbestrijdingseenheden beschikbaar stelt voor het ondersteunen
van civiele diensten. Op dit moment worden deze bestuursafspraken door een
interdepartementale werkgroep herzien waarbij ook de mogelijkheid
van nadere afspraken voor hulpverlening bij calamiteiten in vredestijd wordt
onderzocht. Hierop zal in de Defensienota nader worden ingegaan.</al>
      <al>Bij de beschikbaarstelling van eenheden voor vredesoperaties wordt geen
rekening gehouden met middelen voor rampenbestrijding. </al>
      <tuskop letat="vet">120</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Worden er maatregelen genomen om te komen tot een Europese Kustwacht?
Op welke wijze kan Nederland hiervoor haar expertise inzetten? (pag. 18)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In 1997 is samen met de beleidsverantwoordelijke ministeries bezien of
de samenwerking tussen de diverse kustwachten van de EU-, Schengen- of Noordzee-landen
zou kunnen worden versterkt. De conclusie was dat de verdeling van taken,
verantwoordelijkheden en bevoegdheden zeer divers is, zodat de vorming van
een Europese kustwacht vooralsnog een brug te ver is. Dit neemt niet weg dat
het wenselijk is te streven naar een intensivering van de samenwerking bij
de rechtshandhaving in Europees verband. Defensie heeft in dit kader een ondersteunende
rol door de taken van de Koninklijke marine in het verband van de Kustwacht
en door de taken van de Koninklijke marechaussee. Een goed voorbeeld van de
intensivering van samenwerking is de «Search and Rescue» (Sar).
Regionale samenwerking is onderwerp van gesprek tijdens de Noordzee ministersconferenties. </al>
      <tuskop letat="vet">121</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat zijn de opvattingen van potentiële civiele partners over
samenwerking met militairen? Volgens het arbeidscontract van medewerkers van
Artsen zonder Grenzen is het verboden om welke samenwerking dan ook aan te
gaan met militairen in welke situatie dan ook. Is de regering hiervan op de
hoogte en hoe verwacht de regering dat AZG of andere NGO's reageren op voorstellen
mee te werken aan Cimic. Wat vinden Nederlandse MFO's en NGO's daarvan, wat
is de opstelling van het Rode Kruis met betrekking tot Cimic en wat zijn de
ervaring met deze manier van werken in andere landen en in Nederland? Heeft
het ministerie voor de interservice-eenheid ten behoeve van Cimic een civiele
partner op het oog (en zo ja welke) of wordt dit een louter militaire eenheid?
(pag. 18, 19)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij vredes- of humanitaire operaties is het van groot belang dat alle
beschikbare beleidsinstrumenten – politiek, ontwikkelingssamenwerking,
militair – coherent en geïntegreerd worden ingezet. Onder ontwikkelingssamenwerking
worden zowel reguliere OS-programma's als noodhulp en rehabilitatiehulp verstaan.
Civiel-militaire samenwerking beoogt vooral de daartoe noodzakelijke nauwe
coördinatie tussen alle actoren te verzorgen. De taak van een militaire
Cimic-eenheid ligt voornamelijk op het gebied van coördinatie en liaison.
Hiertegen hebben, voor zover bekend, de humanitaire hulp-organisaties geen
bezwaren; de ervaringen op dit gebied zijn in het algemeen positief. De samenwerking
tussen Sfor-militairen en hulporganisaties in Bosnië is hiervan een goed
voorbeeld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Defensie heeft geen specifieke civiele partner op het oog. Wel werkt Defensie
al geruime tijd samen met een aantal civiele hulporganisaties. Met het Nederlandse
Rode Kruis heeft Defensie in 1996 een intentieverklaring voor samenwerking
gesloten. Doel hiervan is de kwaliteit van de humanitaire hulp te verbeteren
door middel van samenwerking bij opleidingen, personeelsuitwisseling, informatie-uitwisseling
en wederzijdse steunverlening.  </al>
      <tuskop letat="vet">122</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Bij nieuwe investeringen zal Defensie rekening houden met eisen die
aan materieel moeten worden gesteld voor taken op het gebied van rampenbestrijding.
Op welke wijze wordt hieraan invulling gegeven? Zijn de civiele taken alleen
beperkt tot rampenbestrijding? (pag. 19)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op basis van het Materieelprojectenoverzicht wordt interdepartementaal
overleg gevoerd over eventueel civiel medegebruik van materieel door andere
ministeries. Onderwerpen die daarin thans aan de orde zijn, betreffen onder
meer de ontwikkeling en aanschaf van vercijferkaarten, militaire satellietcommunicatie
en de vervanging wielvoertuigen. Met het oog op civiel medegebruik worden
zo nodig – voor rekening van het betreffende departement – aanvullende
eisen gesteld aan het materieel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op het gebied van de rampenbestrijding is een afzonderlijke interdepartementale
werkgroep in het leven geroepen die de militaire bijstand bestudeert die Defensie
kan bieden in gevallen waarin de civiele middelen tekort schieten. Hierin
zijn de departementen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-relaties, Welzijn,
Volksgezondheid en Sport, Justitie en Defensie vertegenwoordigd. De werkgroep
bestudeert alle mogelijke vormen van samenwerking tussen civiele autoriteiten
en Defensie op het terrein van de (handhaving van de) openbare orde en veiligheid.
De resultaten van deze werkgroep worden gebruikt voor de Defensienota en moeten
tevens leiden tot vernieuwde bestuursafspraken tussen BZK en Defensie. Zie
ook het antwoord op vraag 119. </al>
      <tuskop letat="vet">123</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan worden aangegeven hoe de kostenverdeling met betrekking tot Cimic
zijn beslag zal krijgen? (pag. 19)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Defensie is voornemens de kosten van de eventuele oprichting van een Cimic-eenheid
voor zijn te rekening nemen. Dit betreft (voorzieningen voor) een kerngroep
van enkele tientallen militairen, die bij inzet naar behoefte kan worden uitgebreid
tot een Cimic-groep. Bij inzet zullen de additionele exploitatiekosten ten
laste worden gebracht van het artikelonderdeel vredesoperaties in de HGIS. </al>
      <tuskop letat="vet">124</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat wordt bedoeld met het leveren van een actieve bijdrage door Defensie
aan het Integraal Veiligheidsplan? (pag. 19) Op welke wijze zal de samenwerking
tussen de drie genoemde ministeries plaatsvinden? Bij wie ligt de aansturing
als het gaat om het bestrijden van terrorisme en internationale misdaadorganisaties?
Welke plaats neemt de BVD hierbij in?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het Integraal Veiligheidsplan, dat binnenkort verschijnt, worden de
kabinetsvoornemens ten aanzien van het bredere veiligheidsbeleid gepresenteerd.
Bij het vergroten van de veiligheid in Nederland zijn vele instanties betrokken.
De ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie
werken elk vanuit de eigen verantwoordelijkheden samen met het ministerie
van Defensie waar het de civiele taken van de krijgsmacht betreft (zoals beschreven
in de Hoofdlijnen-notitie). Daarbij zijn onder meer de taken van de Koninklijke
marechaussee van belang. In het Beleidsplan Nederlandse Politie dat in december
1998 is verschenen, zijn de landelijke beleidsthema's voor de politie aangegeven.
Voorzover het Beleidsplan Nederlandse Politie betrekking heeft op de algemene
politietaken is het ook van toepassing op de Koninklijke marechaussee.</al>
      <al>Het bestrijden van terrorisme en internationale misdaadorganisaties behoort
tot de primaire verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. De
Binnenlandse Veiligheidsdienst is belast met de taken die haar ingevolge de
wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten zijn opgedragen. Vanuit die
wettelijke taakstelling houdt ook de Binnenlandse Veiligheidsdienst zich onder
meer bezig met de bestrijding van terrorisme. </al>
      <tuskop letat="vet">125</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zijn de beloften inzake het verlenen van ontwikkelingshulp aan burgemeesters
in Bosnische dorpen die meewerken aan de terugkeer van de oorspronkelijke
bevolking (Algemeen Dagblad, 18 februari 1999) een voorbeeld van de in de
notitie bedoelde civiel-militaire samenwerking? Zo ja, zijn er duidelijke
afspraken gemaakt over de samenwerking tussen de ministeries van Defensie
en voor Ontwikkelingssamenwerking? Zo ja, zouden hierover meer inlichtingen
kunnen worden verschaft? (pag. 19)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De terugkeer van vluchtelingen en ontheemden naar hun oorspronkelijke
woonplaats in Bosnië-Herzegovina is primair een taak van de UNHCR en
de Hoge Vertegenwoordiger. Zonodig verleent Sfor assistentie bij de feitelijke
terugkeer. Voorts draagt Sfor in het kader van civiel-militaire samenwerking
bij aan de wederopbouw van Bosnië-Herzegovina. Het Nederlandse bataljon
stelt zich hierin actief op. In de dorpen waar mensen terugkeren is de behoefte
aan scholen, openbare en nutsvoorzieningen en andere faciliteiten het grootst.
Het bataljon verleent assistentie bij het synchroniseren van subsidieaanvragen
van lokale autoriteiten. Voorts is het bataljon betrokken bij kleinschalige
herstelwerkzaamheden in het Nederlandse operatiegebied die door Ontwikkelingssamenwerking
worden gefinancierd. Hierover zijn afspraken gemaakt tussen het ministerie
van Defensie en het ministerie van Buitenlandse Zaken. De aanvragen voor dergelijke
projecten worden door de ambassade in Sarajevo getoetst en goedgekeurd. Daarbij
kan rekening worden gehouden met de door het bataljon aangegeven behoeften
van lokale autoriteiten die de terugkeer van de oorspronkelijke bevolking
actief bevorderen. </al>
      <tuskop letat="vet">126</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het ministerie van Defensie staat open voor verzoeken van andere
overheidsinstellingen om randgroepjongeren middels een militaire opleiding
structuur in hun leven te bieden. Is er reeds sprake van dergelijke projecten?
Zo ja, zou de regering hierover inlichtingen kunnen verschaffen? Wat is of
wordt de status van jongeren in een dergelijke project (arbeidscontract, inzetbaarheid)?
Vormen dergelijke projecten onderdeel van de wervingsactiviteiten van de Nederlandse
krijgsmacht? (pag. 19)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 117. </al>
      <tuskop letat="vet">127</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Blijkens het gestelde in de Hoofdlijnennotitie vormt de inzet van
militairen bij humanitaire noodsituaties (zoals in Afghanistan en Honduras)
voor het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking een nuttige bron van informatie
over de hulpbehoefte. Onderkent de regering gezien de ervaringen met UNscom
ook de mogelijkheid dat humanitaire activiteiten van militairen gezien kunnen
worden als een informatiebron voor militaire organisaties en militaire activiteiten
in de toekomst? (pag. 20)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De regering is van mening dat in VN-verband uitgevoerde activiteiten,
zoals de humanitaire hulpverlening en toezicht op de naleving van overeenkomsten,
in beginsel niet mogen worden gebruikt om informatie te vergaren voor andere
militaire activiteiten.  </al>
      <tuskop letat="vet">128</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is het denkbaar dat met betrekking tot de ontwikkeling van de «Cimic-capaciteit»,
samenwerking wordt gezocht met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties?
Is het daarbij denkbaar dat wordt bezien of eenheden van de politie eventueel
daarin kunnen participeren? Ligt het daarnaast niet voor de hand om in Europees
verband een «Cimic-capaciteit» te formeren, als onderdeel van
het Europees veiligheidsen Defensiebeleid en in het verlengde van de afspraken
die gemaakt zijn over de zgn. «Petersberg-taken»? (pag. 20)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uitvoering van politietaken door de internationale gemeenschap kan belangrijk
zijn voor duurzame vrede en stabiliteit in een ontwrichte samenleving. Meestal
betreft dit een op zich staand onderdeel van een vredesoperatie. Een structurele
bijdrage van Nederlandse politie-eenheden aan de Cimic-eenheid ligt niet voor
de hand, omdat de taak van dergelijke eenheden niet vergelijkbaar is met die
van de Cimic-eenheid. Wel dienen de activiteiten van de Cimic-eenheid goed
te worden afgestemd op het werk van de lokale politie-autoriteiten in het
operatie-gebied. Defensie wil de eenheid daarom zoveel mogelijk vullen met
actief dienende militairen en reservisten. Voor schaarse, specialistische
functies kan wellicht in individuele gevallen gebruik worden gemaakt van terzake
deskundig personeel bij andere overheidsinstellingen of het bedrijfsleven.
Hierover zullen goede afspraken moeten worden gemaakt met de betrokken werknemers
en werkgevers. Overigens is wat betreft internationale rampenbestrijding al
sprake van regulier overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
in het kader van de «Civil-Emergency-Planning».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Cimic-capaciteit zal inzetbaar zijn in uiteenlopende internationale
verbanden, zoals de VN, de Navo en de Weu. Inzet in Europees verband behoort
derhalve tot de mogelijkheden, al zijn de inspanningen niet in eerste instantie
hierop gericht. De Weu ontwikkelt op dit ogenblik beleid voor civiel-militaire
samenwerking, waarbij rekening wordt gehouden met het beleid van de Navo terzake. </al>
      <tuskop letat="vet">129</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De bondgenootschappelijke strijdkrachten worden beter toegesneden
op snel, flexibel en mobiel optreden bij lokale of regionale crises die zouden
kunnen overslaan naar het NAVO-gebied. Kan de regering aangeven welke bondgenoten
de inrichting van hun strijdkrachten aan het wijzigen zijn en op welke wijze
dit gebeurt? Is het mogelijk om een overzicht te geven van de reorganisaties
bij de NAVO-bondgenoten waarin de aard en de financiële gevolgen van
de reorganisatie zijn opgenomen? (pag. 21)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het overgrote deel van de bondgenoten heeft de laatste jaren de krijgsmacht
gereorganiseerd. De strijdkrachten worden flexibeler en mobieler gemaakt met
het oog op de nieuwe taken. Vaak is daarbij overgegaan tot opheffing of opschorting
van de dienstplicht. Kleinere beroepskrijgsmachten uitgerust met moderne middelen
beschikken over een grotere strategische en tactische mobiliteit.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het Verenigd Koninkrijk heeft in juli 1998 de «Strategic Defence
Review» gepubliceerd. Frankrijk, Italië en Spanje zijn bezig met
de omvorming naar een beroepskrijgsmacht. In Duitsland, dat de dienstplicht
niet heeft afgeschaft, heeft de regering een onderzoekscommissie benoemd die
aanbevelingen moet formuleren voor het functioneren van de krijgsmacht in
de huidige veiligheidscontext.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vaak leidt herstructering tot de behoefte aan nieuwe investeringen. Deze
spoort in veel gevallen niet met een dalende trend van de defensie-uitgaven.
Een van de zorgen in de Navo is dat kwalitatief noodzakelijke verbeteringen
worden uitgesteld vanwege bezuinigingen. De Verenigde Staten kennen voor het
eerst sinds jaren weer een stijgende defensie-begroting. </al>
      <tuskop letat="vet">130</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Dienen de Luchtmobiele Brigade, de pantserinfanteriebrigades en het
Korps Mariniers niet meer in onderlinge samenhang te worden gezien? Dienen
deze eenheden elkaar niet naadloos te kunnen aflossen en dienen de bewapende
helikopters niet ten behoeve van alle landgebonden eenheden te kunnen worden
ingezet? (pag. 21)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het Korps mariniers, de Luchtmobiele brigade en pantserinfanterie-eenheden
hebben gemeen dat hun optreden gericht is op het land. Het Korps mariniers
beschikt ook over amfibische capaciteiten, waarbij inzet te land vanuit zee
het belangrijkste kenmerk is. Er bestaan overeenkomsten in uitrusting en tactisch
optreden tussen Korps mariniers en de infanteriebataljons van de Luchtmobiele
brigade. De pantser-infanteriebataljons van de gemechaniseerde brigades zijn
zwaarder bewapende eenheden en treden ook anders op.</al>
      <al>Op grond van de operationele taken en de internationale inbedding zijn
er echter ook aanzienlijke verschillen in optreden, organisatie en uitrusting
inclusief bewapening tussen eerder genoemde eenheden. Vooral de samenwerkingsverbanden
stellen ieder hun specifieke eisen wat betreft training en opleiding.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daar waar bij de uitvoering van operaties kan worden volstaan met een
lichte infanterie capaciteit kunnen alle drie de soorten eenheden een relevante
bijdrage leveren. Bij dat soort operaties kunnen zij elkaar dan ook naadloos
aflossen; wel is soms aanvullende training en oefening nodig, bijvoorbeeld
voor het gebruik van pantservoertuigen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De bewapende helikopter kan ten behoeve van alle gevechtseenheden worden
ingezet. Inzet in het hogere deel van het geweldsspectrum vergt echter een
intensief en geïntegreerd opleidings- en trainingsprogramma zoals dat
op dit moment bij de Luchtmobiele brigade geschiedt. </al>
      <tuskop letat="vet">131 en 183</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Er vindt een verschuiving plaats flexibele en mobiele inzet bij crises
ten koste van de middelen van traditionele landsverdediging. Moet dat geen
grotere consequenties hebben voor het Nationaal Commando? Wat is de rechtvaardiging
van de eventuele handhaving van regionale commando's en de daarbij horende
infrastructuren? (pag. 21)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan er een overzicht worden gegeven van alle functies bij het Nationaal
Commando? (pag. 27)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Defensienota wordt nader ingegaan op de nieuwe structuur van het
Nationaal Commando. </al>
      <tuskop letat="vet">132</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe is meer precies de relatie tussen de analyse van de veiligheidssituatie
en de verschuiving naar meer in internationaal verband snel, flexibel en mobiel
optreden ten koste van de middelen voor landsverdediging enerzijds en de gepresenteerde
keuzen voor middelen en de omvang daarvan anderzijds? Passen het strategische
verhaal en de uitwerking van middelen wel goed op elkaar? Is er niet teveel
toegeschreven naar de bestaande situatie? (pag. 21)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 36.  </al>
      <tuskop letat="vet">133</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan worden aangegeven hoe de bezuinigingen op de verschillende krijgsmachtdelen
in financiële zin uitwerken? (pag. 21 e.v.)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Hoofdlijnennotitie bevat geen gedetailleerde financiële uitwerking
van de beleidsvoornemens. In hoofdstuk 5 wordt algemeen inzicht gegeven in
een gedifferentieerde benadering, die uiteenlopende gevolgen heeft voor de
verschillende beleidsterreinen. De voornemens hebben niet alleen betrekking
op de structurele taakstelling van f 375 miljoen (de komende tien jaar
ongeveer f 3,8 miljard). Op sommige terreinen wordt bezuinigd en op andere
terreinen is er sprake van vernieuwing en intensivering. Het realiseren van
nieuw operationeel beleid vergt de komende tien jaar ongeveer f 2,7 miljard.
In totaal moeten daarom voor een bedrag van ongeveer f 6,5 miljard maatregelen
worden genomen. Los daarvan moet de uit het Regeerakkoord voortvloeiende versobering
van de Uitkeringwet gewezen militairen (UKW) – waarmee ongeveer f 0,8
miljard gemoeid is – worden uitgevoerd in een afzonderlijk traject.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een deel van eerder genoemd bedrag van f 6,5 miljard wordt gevonden
door met de Hoofdlijnennotitie samenhangende verkoopopbrengsten (ongeveer
f 0,6 miljard). Door mogelijke samenvoeging van delen van materieeldiensten,
mogelijke wijziging inzake de kosten van compensatie en verkleining van de
omvang van technologisch onderzoek wordt ongeveer f 0,5 miljard gevonden.
Het resterende deel (ongeveer f 5,4 miljard) wordt opgebracht door de
in de notitie beschreven structurele maatregelen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De in de Hoofdlijnennotitie gegeven financiële uitwerking is een
momentopname gekoppeld aan de lopende planperiode van tien jaar. Omdat thans
nog slechts een globaal beeld bestaat en sommige van de maatregelen financiële
gevolgen hebben buiten de planperiode zou een toedeling naar de krijgsmachtdelen
een nogal willekeurig beeld opleveren. Er is een schatting gemaakt van de
financiële gevolgen (over een periode van tien jaar) van de maatregelen,
die afzonderlijk zijn beoordeeld binnen het defensiebudget als geheel. De
verdeling van de bezuinigingen over de krijgsmachtdelen is daarvan een gevolg
en geen beleidsuitgangspunt. In de Defensienota worden de maatregelen voor
de komende tien jaar meer in detail beschreven. </al>
      <tuskop letat="vet">134 en 135</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Europese Defensie-industrie maakt een ontwikkeling door van herstructurering
en concentratie. Wat zijn daarvan momenteel de consequenties voor de Nederlandse
Defensie-industrie? Welke kansen en mogelijkheden ziet de Nederlandse regering
voor «instandhouding en versterking» van de eigen Defensie-industrie?
Is het Europees materieelagentschap-in-oprichting alleen bedoeld voor internationale
afstemming van behoeften of krijgt het ook nog andere taken? (pag. 22,
41)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is er inderdaad sprake van concentratie van de Defensie-industrie
in Europa? Is er niet eerder sprake van herstructureringen waarin nationale
belangen binnen Europa en in de verhouding tot de Verenigde Staten domineren?
(pag. 22)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het herstructurerings- en concentratieproces van de Europese defensie-industrie
is vergelijkbaar met de ontwikkelingen die zich op dit gebied eerder hebben
voorgedaan bij de Amerikaanse industrie. De gevolgen in Europa zijn nog niet
in volle omvang te overzien. Recente ontwikkelingen in Frankrijk en het Verenigd
Koninkrijk laten zien dat herstructurering in eerste aanleg geschiedt in een
nationale context. De gecompliceerde eigendomsverhoudingen in deze industriële
sector in Europa en daarbuiten leidt er evenwel toe dat belangenbehartiging
niet meer langs nationale lijnen verloopt. De ontwikkelingen in de Europese
landen met een grote defensie-industriële sector zullen van beslissende
invloed zijn op de uitkomst van het lopende proces van herstructurering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Nederlandse defensie-gerelateerde industrie wordt gekenmerkt door een
beperkte omvang, een beperkte diversiteit en concentratie in de private sector.
Vooral vanwege dit laatste zal de Nederlandse overheid voornamelijk in een
ondersteunende rol haar invloed op het herstructureringsproces moeten laten
gelden. Het doel is en blijft bestaande (technologische) «niche»-posities
optimaal te benutten en te handhaven. In dit opzicht liggen er mogelijkheden
voor de Nederlandse industrie door aansluiting te blijven zoeken bij de Europese
herstructurering, zonder overigens de kansen elders uit het oog te verliezen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het materieelagentschap Occar is belast met de gemeenschappelijke ontwikkeling
en productie van defensiematerieel. Op termijn zal dit mogelijk kunnen leiden
tot verdere afstemming van de materieelbehoeften van de deelnemende landen. </al>
      <tuskop letat="vet">136, 137, 138 en 139</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is het streven intensiever om met zoveel mogelijke landen samen te
werken of juist met enkele landen? Wat zijn de overwegingen daarbij? (pag. 22)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Tot dusver is internationale taakspecialisatie een moeilijk begaanbare
weg gebleken. Kan de regering aangeven welke argumenten een rol spelen bij
de gedachte dat internationale taakspecialisatie de komende jaren wellicht
bespreekbaar wordt? (pag. 22)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Speelt de NAVO een rol in het kader van de discussie over de taakspecialisatie
en zo ja, welke? (pag. 22)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke andere landen tonen zich niet enthousiast over taakspecialisatie?
Hoe beoordeelt de regering de belangrijkste motieven van deze landen? (pag. 22)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Taakspecialisatie houdt in dat landen onderling afspreken zich te concentreren
op bepaalde capaciteiten en die mede aan andere landen ter beschikking te
stellen. Een voorwaarde is dat de samenwerkende landen in het buitenlands,
veiligheids- en defensiebeleid overeenstemmen en dat zij gezamenlijk deelnemen
aan militaire operaties. Echte taakspecialisatie is een zaak van lange adem.
Het betekent overigens ook dat voor bepaalde capaciteiten altijd een beroep
moet worden gedaan op bondgenoten en dat geen garantie bestaat voor levering
van die capaciteiten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de komende jaren zijn de volgende ontwikkelingen van belang:</al>
      <al>– de wederzijdse afhankelijkheid neemt toe, zowel in Europa als
mondiaal. Nationale belangen vallen vaak samen, met een groeiende kans op
gezamenlijke inzet;</al>
      <al>– in de geïndustrialiseerde wereld nemen in het algemeen de
defensie-uitgaven af. Dit vergroot de behoefte aan verdergaande samenwerking;</al>
      <al>– om hun technologische kennis op peil te houden zijn kleinere krijgsmachten
aangewezen op nauwe samenwerking met anderen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Navo biedt bij uitstek een kader voor verregaande internationale samenwerking
en voor afstemming van capaciteiten. Hieraan wordt ook aandacht besteed in
het Navo-planningsproces. Een voorbeeld is het Awacs-programma, dat te duur
is voor aanschaffing door afzonderlijke landen.  </al>
      <tuskop letat="vet">140</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke andere drastische ingrepen in de operationele capaciteit van
de krijgsmacht zijn overwogen? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Overwogen is onderdelen of diensten volledig op te heffen. Daarnaast is
bezien of het in het in het licht van de internationale veiligheidssituatie
en uit budgettaire overwegingen gewenst zou zijn het aantal fregatten en gevechtsvliegtuigen
verder te verminderen dan nu in de Hoofdlijnennotitie is voorgesteld. Ook
is een verdere verkleining van de mobilisabele component van de landstrijdkrachten
overwogen. Om redenen die in de Hoofdlijnennotitie zijn uiteengezet, is van
genoemde ingrepen afgezien. Zie met betrekking tot de mobilisabele component
ook het antwoord op vraag 20. </al>
      <tuskop letat="vet">141 en 142</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het aantal fregatten van de Koninklijke marine wordt teruggebracht
van zestien naar veertien. Kan dit aantal onderbouwd worden en welke taken
worden niet meer vervuld door het afstoten van twee fregatten? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom wordt het aantal patrouillevliegtuigen van de MLD niet terug
gebracht naar zeven in plaats van tien? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie antwoord op vraag 4. </al>
      <tuskop letat="vet">143</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke operationele redenen bestaan er, in het licht van de analyse
van de veiligheidssituatie en de keuze voor crisisbeheersing als kerntaak
van het Defensiebeleid, om de Onderzeebootbestrijdingstaak te behouden? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De onderzeebootbestrijdingstaak is primair een defensieve taak. Gezien
het vermogen om onzichtbaar te opereren en de beperkte opsporingsmogelijkheden
is de onderzeeboot een belangrijke dreiging ter zee. Daarom moeten alle militaire
eenheden op zee in staat zijn zichzelf tegen een onderzeeboot te beschermen.
Ook koopvaardijschepen moeten tegen deze dreiging beschermd worden. Met deze
taken is de Onderzeedienst belast. </al>
      <tuskop letat="vet">144 en 198</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op grond van welke gezamenlijke behoeftestelling en onderlinge afstemming
binnen de NAVO wordt nu de mogelijkheid bestudeerd om de vier LCF-fregatten
uit te rusten voor de verdediging tegen ballistische raketten? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke andere, enigszins met Nederland vergelijkbare, Europese landen
geven prioriteit aan theatre missile defence en extended air defence? Waarom
wil Nederland als relatief klein land een substantiële bijdrage leveren?
(pag. 29)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Navo stelt momenteel een stafdoelstelling op voor verdediging tegen
ballistische raketten. Deze stafdoelstelling zal medio 1999 gereed zijn en
omvat zowel de verdediging op lage hoogte als op grote hoogte. Het is de bedoeling
dat daarna een «feasibility» studie wordt begonnen die in 2004
zal worden afgerond. Hierna dient besluitvorming plaats te vinden hoe dit
project wordt vervolgd en waaruit de bijdrage van de verschillende Navo-bondgenoten
zal bestaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gezien de urgentie van de dreiging zijn Nederland en Duitsland bezig met
het ontwikkelen van systemen voor de verdediging tegen ballistische raketten
op lagere hoogte. Daarbij is van belang dat alleen deze landen, naast de Verenigde
Staten, beschikken over het Patriotsysteem. In beginsel bestaat ook de mogelijkheid
de LCF-fregatten een vergelijkbare capaciteit te geven. Nederland
wil op dit gebied een redelijke bijdrage leveren. Dit past in het streven
naar internationale inpasbaarheid en concentratie op gebieden waar sprake
is van bondgenootschappelijke tekortkomingen.</al>
      <al>Zie ook het antwoord op de vragen 10, 83, 84 en 89. </al>
      <tuskop letat="vet">145</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de Nederlandse behoefte aan Combat search and rescue nader worden
onderbouwd? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het uitvoeren van «Combat Search and Rescue» (CSar) tijdens
een internationale operatie is een verantwoordelijkheid van de desbetreffende
internationale troepenmacht. De behoefte aan een capaciteit voor de redding
van geïsoleerd en bedreigd personeel, bijvoorbeeld vliegtuigbemanningen
die gedwongen zijn hun vliegtuig boven vijandelijk gebied te verlaten, wordt
door een groeiend aantal Navo-landen onderkend. Nederland heeft niet de intentie
zelfstandig een CSar capaciteit te ontwikkelen, maar zal in voorkomend geval
met bestaande middelen een bijdrage leveren aan CSar operaties. </al>
      <tuskop letat="vet">146</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarop baseert de regering de stelling dat eenzijdige taakafstoting
de reputatie van de krijgsmacht zou schaden en acht zij om die reden taakafstoting
onwenselijk? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 38. </al>
      <tuskop letat="vet">147 en 151</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom hebben de veranderde veiligheidsomstandigheden – in
tegenstelling tot de taak van de marine patrouillevliegtuigen – geen
invloed op de omvang van een Onderzeedienst, die is afgestemd op de periode
van de Koude Oorlog? Waarom wordt bij de Onderzeedienst wel rekening gehouden
met kapitaal-vernietiging en bij de Leopard 2 niet? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is er tegen kapitaalvernietiging van materiaal dat niet meer
nodig is? Is het in bedrijf houden van overbodige kapitaalgoederen uiteindelijk
geen grotere vernietiging? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De onderzeedienst met haar vier onderzeeboten is een integraal onderdeel
van de Koninklijke marine. Onderzeeboten zijn, al dan niet in combinatie met
vlooteenheden, van belang in vrijwel alle maritieme scenario's. Het afstoten
van de onderzeedienst betekent dat steeds een beroep op een bondgenoot moet
worden gedaan zonder dat er een garantie is dat deze de benodigde capaciteit
kan leveren. In de Hoofdlijnennotitie is ervoor gekozen de taak van de onderzeedienst
niet af te stoten. Voorts is in de Hoofdlijnennotitie in algemene zin gesteld
dat kapitaalvernietiging een criterium is dat wordt meegewogen bij het vraagstuk
van taakspecialisatie. Als een taak volledig zou worden beëindigd en
het materieel dus niet meer nodig is, zal in beginsel altijd worden overgegaan
tot afstoting van het desbetreffende materieel. </al>
      <tuskop letat="vet">148</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is er tegen eenzijdige taakspecialisatie? Er van uitgaand dat
Nederland alleen geen rol kan spelen, noch in de landsverdediging noch bij
internationale operaties, zou toch gekozen kunnen worden voor de ontwikkeling
van enkele sterke taken, onder afstoting van andere? Bepaalde modulen kan
Nederland dan prima leveren, andere niet. Dit kan de internationale discussie
over taakspecialisatie toch juist stimuleren, in plaats van schaden? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 38.  </al>
      <tuskop letat="vet">149</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op pagina 7 werden 3 criteria genoemd waarnaar gekeken moet worden
bij de invulling van de taken van de krijgsmacht. Waarom worden daar voor
de Koninklijke marine (marineluchtvaartdienst, onderzeebootvloot) andere criteria
aan toegevoegd, zoals het vooruitlopen op taakspecialisatie, kapitaalvernietiging
en de reputatie en goede naam van de krijgsmacht? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Volgens de Hoofdlijnennotitie krijgen middelen die kunnen worden gebruikt
voor alle hoofdtaken voorrang. Deze overweging is maatgevend voor de inrichting
van de krijgsmacht. De Hoofdlijnennotitie spreekt in dit verband niet over
criteria. Wel wordt in de notitie uiteengezet dat deze benadering leidt tot
een grotere nadruk op paraatheid, inzetbaarheid, flexibiliteit, mobiliteit
en internationale inpasbaarheid van eenheden. Daarmee is geenszins de rigide
intentie uitgesproken middelen af te stoten die niet voor alle drie de hoofdtaken
geschikt zijn. Voor een nadere afweging van mogelijkheden tot afstoting van
middelen zijn meer criteria nodig. Die worden genoemd op blz. 23 van de notitie.
Deze gelden voor alle krijgsmachtdelen. </al>
      <tuskop letat="vet">150</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom dient beëindiging van taken in beginsel gepaard te gaan
met intensivering van andere activiteiten? Er kan toch ook besloten worden
dat bepaalde taken niet meer nodig zijn? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 38. </al>
      <tuskop letat="vet">151</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is er tegen kapitaalvernietiging van materiaal dat niet meer
nodig is? Is het in bedrijf houden van overbodige kapitaalgoederen uiteindelijk
geen grotere vernietiging? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 147. </al>
      <tuskop letat="vet">152</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de notitie wordt gekozen voor een Koninklijke marine die een volwaardig
aandeel kan leveren in de maritieme eskaders en verbanden van de NAVO. Wat
zijn de argumenten die aan deze keuze ten grondslag liggen? Waarom geldt dit
specifiek voor de marine en niet voor de andere krijgsmachtdelen? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De regering kiest voor het inbedden van de gehele Nederlandse krijgsmacht
in internationale verbanden, zowel voor artikel-5 als voor niet-artikel-5
operaties. Hierbij levert de krijgsmacht modules die worden ingepast in een
groter geheel van bijdragen van andere landen. Dit uitgangspunt geldt voor
alle krijgsmachtdelen en dus niet alleen voor de Koninklijke marine. </al>
      <tuskop letat="vet">153, 154, 157, 164 en 170</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat zijn de taken van de Onderzeedienst in toekomstige vredesmissies
en wat zijn de kosten voor het instandhouden van zo'n onderzeedienst? Hoeveel
zou het ministerie besparen door de Onderzeedienst op te heffen? Hoeveel zouden
de onderzeeboten bij verkoop opbrengen? (pag.§23)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Nu de taak van maritieme patrouillevliegtuigen bij de onderzeebootbestrijding
boven de Atlantische oceaan aanzienlijk is verminderd, is het dan niet mogelijk
de MLD op te heffen? Zo nee, waarom niet, welke (nieuwe) taken heeft/krijgt
de MLD en rechtvaardigt dat het behoud van tien maritieme patrouillevliegtuigen?
(pag. 23) </nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Bij de bespreking van internationale taakspecialisatie worden grote
bezwaren genoemd tegen het opheffen van de Onderzeedienst en de MLD of het
voorstellen van andere drastische ingrepen in de operationele capaciteit van
de krijgsmacht. Bij de bespreking van de Koninklijke marine blijft het specifieke
belang van behoud van de Onderzeedienst onbesproken. Kan de regering een overzicht
geven van het belang van de Onderzeedienst, waarin ook wordt ingegaan op huidige
taken van de Nederlandse onderzeeboten, hun daadwerkelijke inzet bij crisisbeheersingsoperaties,
de mogelijkheden om bondgenootschappelijke onderzeeboten in te huren als oefenobject
alsmede de financiële consequenties van het eventueel opheffen van de
Onderzeedienst? Wanneer zouden investeringskosten moeten worden gemaakt ten
behoeve van modernisering en vervanging van de huidige Nederlandse onderzeeboten?
Kan een overzicht worden gegeven van de proliferatie sinds 1989 van onderzeeboten
in de wereld?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wanneer dient te worden beslist over een eventuele midlife update
van de boten in de Walrusklasse? (pag. 24)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Sinds de Nederlandse krijgsmacht in 1993 crisisbeheersing, vredeshandhaving
en hulpverlening als hoofdtaak kreeg, is ingrijpen door zwaargewapende landen/of
luchtstrijdkrachten noodzakelijk gebleken. De Koninklijke marine werd ingezet
in Cambodja en Bosnië, maar de mariniers deden dienst als infanterie,
en voerden dus een taak uit van de Koninklijke landmacht. Verder is een enkele
keer gepatrouilleerd ter controle van de naleving van embargo's. Wat is de
rol van de Koninklijke marine (in internationaal verband) precies bij vredesoperaties?
Wat is de rol in het bijzonder van de onderzeebootvloot? In hoeverre, gezien
bovenstaand, is het behoud van de huidige 16 fregatten gerechtvaardigd? Waarom
worden er maar 3 Orions afgestoten van de Marineluchtvaartdienst, gezien het
huidige accent binnen internationale vredesoperaties dat veel meer gericht
is op landoperaties? (pag. 24, 25)</nadruk>
      </al>
      <tuskop letat="cur">De dreiging</tuskop>
      <al>In de Atlantische Oceaan is de dreiging van vijandelijke onderzeeboten
en oppervlakteschepen sterk verminderd. De risico's in (potentieel) onstabiele
regio's, zoals de Balkan, het Midden-Oosten en Noord-Afrika zijn echter allerminst
weggevallen. Omdat de Nederlandse krijgsmacht in de toekomst ook in die gebieden
ingezet moet kunnen worden, dient ons land te beschikken over het vermogen
zowel oppervlakteschepen als onderzeeboten te bestrijden ter bescherming van
de eigen maritieme middelen en transportschepen, alsmede van koopvaardijschepen.
Bovendien is sinds de Koude Oorlog de prioriteit verschoven van oorlogvoering
op de Atlantische oceaan naar operaties in kustgebieden zoals bij het voormalige
Joegoslavië. In deze gebieden kan de opponent in de nabijheid van de
(eigen) kust volstaan met relatief weinig en eenvoudige middelen, terwijl
het opereren voor de eigen eenheden extra veeleisend is, onder meer door de
grote dichtheid van het civiele lucht- en scheepvaartverkeer. </al>
      <tuskop letat="cur">Rol van de Koninklijke marine</tuskop>
      <al>De marine speelt door presentie met eenheden een rol bij het ondersteunen
van de diplomatie, bij het voorkomen van gewapend geweld en bij vredesoperaties.
Marine-eenheden zijn bij operaties buiten Navo-verdragsgebied vaak als eerste
ter plaatse, zonder dat de integriteit van het grondgebied in de desbetreffende
land wordt geschonden. Als afschrikking onvoldoende is, kunnen marine-eenheden
operaties op land direct beïnvloeden met wapens of door het (dreigen
met) landen van ingescheepte mariniers. Daarnaast kunnen marine-eenheden onder
meer met hun sensoren, wapensystemen, C2-mogelijkheden en met het strategisch
transport een belangrijke bijdrage leveren aan de ondersteuning van operaties
op het land.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De omvang van de Koninklijke marine is gericht op de inbreng van kleine,
kwalitatief goede modules in internationale samenwerkingsverbanden. Als Nederland
met de eenheden die het bijdraagt aan internationale coalities niet op een
te laag organisatorisch niveau afhankelijk wil zijn van bondgenoten, moeten
die eenheden in ieder geval zichzelf kunnen beschermen. De Koninklijke marine
moet daarom nog steeds zelf kunnen beschikken over expertise en middelen voor
de bestrijding van zowel onderzeeboten als oppervlakteschepen. Dit geldt zowel
bij algemene (bondgenootschappelijke) verdediging als bij crisis-beheersings-
en vredesoperaties. </al>
      <tuskop letat="cur">De rol van de fregatten</tuskop>
      <al>Fregatten kunnen in het kader van vredesoperaties worden gebruikt om bescherming
te geven aan maritieme verbanden. Dit kan een amfibisch verband betreffen,
een konvooi van koopvaardijschepen, een vliegdekschip of een groep van mijnenbestrijdingsvaartuigen.
Daarnaast kunnen fregatten zelfstandig op kleine schaal operaties uitvoeren.
Zij kunnen zich snel verplaatsen en beschikken over een veelheid van wapensystemen,
waaronder een helikopter. Bovendien is de bemanning van een fregat in staat
om assistentie te verlenen. Bij de humanitaire hulpverlening in Honduras (1998)
was bijvoorbeeld een fregat voor de kust nodig om de inzet van mariniers voor
de hulpverleningsoperatie te leiden en logistiek te ondersteunen. Ook zijn
er op de fregatten medische faciliteiten aanwezig. </al>
      <tuskop letat="cur">De rol van de Orion maritieme patrouillevliegtuigen</tuskop>
      <al>Maritieme patrouillevliegtuigen leveren een essentiële bijdrage aan
verkenningen boven, op en onder water. Daarom zijn ze onmisbaar voor zowel
de bestrijding van oppervlakteschepen als de onderzeebootbestrijding. Bovendien
neemt in de veelal kustgebonden operatiegebieden in het algemeen de behoefte
aan waarnemingscapaciteit toe. Met geringe aanpassingen zijn de maritieme
patrouillevliegtuigen bovendien in te zetten voor verificatiemissies boven
land (Kosovo).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het Orion maritieme patrouillevliegtuig is bovendien bruikbaar voor nationale
taken met een breder maatschappelijk belang, zoals de kustwacht, de milieu-inspectie,
de opsporing en redding en gewondenvervoer. De opsporings- en reddingsdienst
(OSRD) op het Nederlandse deel van de Noordzee is een nationale verantwoordelijkheid.
De Orions spelen hierbij een cruciale rol, in samenwerking met helikopters
en fregatten. De behoefte aan maritieme patrouillevliegtuigen voor kustwachttaken
en drugsbestrijding neemt toe. De permanente stationering van deze vliegtuigen
in de Nederlandse Antillen en Aruba is hiervan een gevolg. </al>
      <tuskop letat="cur">De rol van onderzeeboten</tuskop>
      <al>De omvang van de Onderzeedienst is met de Defensienota 1991 aangepast
aan de situatie na het einde van de Koude oorlog en verkleind van zes onderzeeboten
naar vier. Omdat Nederland beschikt over eigen expertise en oefenmogelijkheden
met onderzeeboten kan het kwalitatief hoogstaande maritieme modules leveren
die flexibel zijn in te passen in internationale verbanden. Zie in dit verband
ook het antwoord op vraag 143. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarnaast zijn onderzeeboten geschikt voor het (onopgemerkt) verzamelen
van inlichtingen, ook in gebieden die voor andere eenheden niet of slechts
met aanvaarding van grote risico's toegankelijk zijn of waar het bekend maken
van de aanwezigheid van eenheden niet gewenst is. Daarmee leveren onderzeeboten
een bijdrage aan zowel de klassieke verdedigingstaak als crisisbeheersingsoperaties.
De feitelijke inzet van onderzee-boten voor crisisbeheersingsoperaties is
opgenomen in het overzicht in het antwoord op vraag 97.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Navo is er schaarste aan moderne conventionele onderzeeboten als
oefendoel. Het leveren van onderzeeboten om mee te oefenen is daardoor niet
alleen van belang voor Nederland, maar ook voor het bondgenootschap. Hierbij
is sprake van wederzijds nut: door het beschikbaar stellen van onderzeeboten
als oefendoel voor operationele zeetraining van bondgenoten, kan de Koninklijke
marine gebruik maken van middelen van bondgenoten voor het opwerken van Nederlandse
oppervlakteschepen. </al>
      <tuskop letat="cur">De kosten van onderzeeboten</tuskop>
      <al>Bij de Onderzeedienst werken 364 mensen. De exploitatie van de Onderzeedienst
bedraagt ongeveer f 60 miljoen per jaar. Hiertegenover staan de kosten
die gemaakt moeten worden als Nederland niet over eigen onderzeeboten zou
beschikken. De Koninklijke marine zou dan namelijk onderzeeboten in moeten
huren voor het opwerken van oppervlakteschepen. De huidige oefenbehoefte legt
beslag op minstens twee onderzeeboten per jaar.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De onderzeeboten van de Walrus-klasse zijn in de jaren 1990–1994
in dienst gekomen. Omstreeks 2009 is een moderniseringsprogramma voor deze
boten voorzien. Vervanging is nog niet aan de orde. De opbrengst van een eventuele
verkoop van de onderzeeboten is moeilijk te schatten. </al>
      <tuskop letat="cur">Proliferatie</tuskop>
      <al>Sinds 1989 is het aantal onderzeeboten van de landen van de Navo (inclusief
Nederland) en het voormalige Warschaupact afgenomen. In diezelfde periode
is het aantal onderzeeboten van de landen daarbuiten echter met 27 stuks toegenomen
tot 181. Hierbij is niet alleen de groei van het aantal boten, maar ook de
geografische verspreiding ervan zorgwekkend. In totaal zijn er in de wereld
451 onderzeeboten. Naast de Navo beschikken de volgende landen over onderzeeboten:
Albanië, Algerije, Argentinië, Australië, Brazilië, Bulgarije,
Chili, China, Colombia, Cuba, Ecuador, Egypte, India, Indonesië, Iran,
Israël, Japan, Joegoslavië, Kroatië, Libië, Noord-Korea,
Oekraïne, Pakistan, Peru, Polen, Roemenië, Rusland, Singapore, Syrië,
Taiwan, Venezuela, Zuid-Afrika, Zuid-Korea en Zweden. Een aantal van deze
landen heeft dubieuze en/of instabiele regimes en ligt aan voor Nederland
en de Navo vitale handelsroutes. </al>
      <tuskop letat="vet">155, 156 en 167</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De reorganisatie van de MLD wordt in samenhang gezien met de toekomst
van het vliegkamp Valkenburg. Kan de regering nader inzicht in deze toekomst
geven? Kan de MLD overgeplaatst worden naar Den Helder, welke infrastructurele
maatregelen moeten dan worden genomen en welk effect zal deze overplaatsing
hebben op de werkgelegenheid in de regio? (pag. 23)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke alternatieven zijn er voor het Koninklijk Huis en het Kabinet
bij sluiting van vliegkamp Valkenburg? Is de regering bereid dit op korte
termijn te onderzoeken en de resultaten aan de Kamer voor te leggen? (pag. 23) </nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zijn reeds alternatieven bekend voor de stationering van de MLD?
Is de vliegbasis Leeuwarden of Eindhoven een alternatief dat is overwogen?
(pag. 24)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Overeenkomstig het Regeerakkoord onderzoekt de minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke ordening en Milieu alle consequenties van de ontwikkeling van
Valkerhout als bouwlocatie. Tegelijkertijd worden in het kader van de herziening
van de PKB structuurschema militaire terreinen alternatieven onderzocht voor
de stationering van de Groep maritieme patrouillevliegtuigen (Marpat). Hierbij
worden, naast handhaving van de huidige locatie op Valkenburg, alle overige
militaire vliegvelden en enkele civiele velden beschouwd. Bij een eventuele
verplaatsing van de Marpat zijn waarschijnlijk infrastructurele maatregelen
nodig om te kunnen voorzien in onderhoudswerkplaatsen, hangaars en een geschikte
start- en landingsbaan. Een eventuele verplaatsing zal een positief effect
hebben op de werkgelegenheid in de regio van de nieuwe locatie. In de Defensienota
wordt de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.</al>
      <al>Het kabinet sluit niet uit dat ook andere vliegvelden geschikt zijn of
kunnen worden gemaakt voor voorzieningen ten behoeve van het Koninklijk Huis. </al>
      <tuskop letat="vet">157</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Bij de bespreking van internationale taakspecialisatie worden grote
bezwaren genoemd tegen het opheffen van de Onderzeedienst en de MLD of het
voorstellen van andere drastische ingrepen in de operationele capaciteit van
de krijgsmacht. Bij de bespreking van de Koninklijke marine blijft het specifieke
belang van behoud van de Onderzeedienst onbesproken. Kan de regering een overzicht
geven van het belang van de Onderzeedienst, waarin ook wordt ingegaan op huidige
taken van de Nederlandse onderzeeboten, hun daadwerkelijke inzet bij crisisbeheersingsoperaties,
de mogelijkheden om bondgenootschappelijke onderzeeboten in te huren als oefenobject
alsmede de financiële consequenties van het eventueel opheffen van de
Onderzeedienst? Wanneer zouden investeringskosten moeten worden gemaakt ten
behoeve van modernisering en vervanging van de huidige Nederlandse onderzeeboten?
Kan een overzicht worden gegeven van de proliferatie sinds 1989 van onderzeeboten
in de wereld?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie antwoord op vraag 153. </al>
      <tuskop letat="vet">158</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wordt de aanschaf van de NH-90 verschoven van 2003 naar 2007? Kan
er worden aangegeven hoe deze periode wordt overbrugd en wat de financiële
consequenties hiervan zijn? (pag. 24)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door het verschuiven van de vervanging naar het jaar 2007, moet de Lynx
langer doorvliegen dan oorspronkelijk voorzien. Zoals meegedeeld in de beantwoording
van de vragen over het Navo-helikopterproject NH-90 (Kamerstuk 25 928,
nr. 3) worden de extra kosten ten gevolge van een verlenging van de levensduur
van de Lynx voorlopig geraamd op ongeveer f 75 miljoen voor onder meer
de vervanging van dynamische componenten die het einde van hun levensduur
eerder bereiken dan het «airframe». Bovendien zullen de exploitatiekosten
toenemen. Naar verwachting zal de groei van de exploitatiekosten maximaal
f 8 miljoen per jaar bedragen.  </al>
      <tuskop letat="vet">159</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In het licht van de bondgenootschappelijke behoefte aan strategische
transportcapaciteit wordt gekozen voor de aanschaf van een amfibisch schip. </nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Bij de andere aanschaffingen of afstotingen wordt dit argument echter
niet gebruikt. Kan de regering aangeven waarom alleen bij dit schip dit, op
zich zeer plausibele, argument wel geldt en bij de andere niet? Zijn deze
behoeftestellingen, aanschaffingen en afstotingen afgestemd met de andere
bondgenoten? (pag. 24)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De bondgenootschappelijke defensie-inspanningen worden op elkaar afgestemd
in het planproces van de Navo. De Hoofdlijnennotitie stelt dat er een grotere
nadruk zal komen te liggen op de internationale inpasbaarheid van eenheden.
Bij de keuze voor nieuw beleid heeft daarom, naast het vergroten van de inzetbaarheid
van de Nederlandse krijgsmacht, voorop gestaan om waar mogelijk te voorzien
in specifieke behoeften van het bondgenootschap. Zo is de uitbreiding van
parate infanteriecapaciteit voornamelijk ingegeven door de wens om het voortzettingsvermogen
juist op dat gebied te vergroten. Een tweede LPD past daar evenzeer in en
voorziet in de bondgenootschappelijke behoefte aan meer strategische transportcapaciteit.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde maatregelen zijn ter kennis gebracht
van de Navo en de bondgenoten. </al>
      <tuskop letat="vet">160</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Over welke vliegtuigen beschikt de Duitse MLD en waar zijn deze toestellen
gestationeerd? (pag. 24)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Duitse MLD beschikt over: veertien Breguet Atlantic maritieme patrouillevliegtuigen,
vier Breguet Atlantic elektronische verkenningsvliegtuigen en vier Dornier
vliegtuigen voor milieucontrole- en transporttaken. Deze vliegtuigen zijn
gestationeerd op het marinevliegkamp Nordholz. </al>
      <tuskop letat="vet">161</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wanneer wordt het tweede bevoorradingsschip vervangen? (pag. 24)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Thans is voorzien dat de vervanging van het tweede bevoorradingsschip,
de Hr.Ms. Zuiderkruis, begint in het jaar 2006. Het nieuwe schip zal omstreeks
2010 in de vaart komen. </al>
      <tuskop letat="vet">162 en 165</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom kunnen de tien resterende Orion's en de daarbij behorende
kustwachten crisisbeheersingstaken niet overgedragen worden aan de Koninklijke
luchtmacht? (pag. 24)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is er tegen om van de marine luchtvaartdienst een maritieme eenheid
van de Koninklijke luchtmacht te maken, met uiteindelijk de mogelijkheid om
in de materieelkeuze te werken met gewone en maritieme versies van vliegend
materieel? (pag. 24)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Overdracht van middelen aan een ander krijgsmachtdeel moet worden getoetst
aan zowel de operationele effectiviteit als de doelmatigheid. Ten aanzien
van de operationele effectiviteit geldt dat de Marpat integraal deel uitmaakt
van de Koninklijke marine. Overigens beheert de Koninklijke luchtmacht niet
een overeenkomend vliegtuigtype, zodat de doelmatigheidswinst van overbrenging
naar dit krijgsmachtdeel beperkt zou blijven. In de Defensienota wordt nader
ingegaan op de in de Hoofdlijnennotitie vermelde voornemens met betrekking
tot de Marine luchtvaartdienst. </al>
      <tuskop letat="vet">163</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Over hoeveel, en van welke type, schepen beschikt de Britse amfibische
eenheid? (pag. 24) </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Britse marine beschikt over één helikoptercarrier, twee
«Landing Platform Docks» (LPD), vijf «Landing Ship Logistic»
(LSL) en drie «Roll on roll off»-transportschepen. De twee LPD's
van de Fearless-klasse zullen rond 2003 vervangen worden door de Albion-klasse. </al>
      <tuskop letat="vet">164</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wanneer dient te worden beslist over een eventuele midlife update
van de boten in de Walrusklasse? (pag. 24)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 153. </al>
      <tuskop letat="vet">165</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is er tegen om van de marine luchtvaartdienst een maritieme eenheid
van de Koninklijke luchtmacht te maken, met uiteindelijk de mogelijkheid om
in de materieelkeuze te werken met gewone en maritieme versies van vliegend
materieel? (pag. 24)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 162. </al>
      <tuskop letat="vet">166, 168 en 173</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is het nut en de noodzaak van het nieuwe amfibische transportschip?
Het is nog nooit eerder gebruikt in vredesmissies. Bij het ontbreken van een
vliegdekschip: met welke middelen (luchtsteun) zal een landing met het transportschip
op een verre kust worden ondersteund? Hoe denkt de regering te voorzien in
de beveiliging van het ATS, dat door deskundigen als een «sitting duck»
wordt omschreven? (pag. 24)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze is tot nu toe gebleken dat één ATS onvoldoende
is voor het uitvoeren van de taken van de Krijgsmacht? Wat wordt bedoeld met
de «bondgenootschappelijke behoefte aan strategische transportcapaciteit»
en is deze behoefte de laatste jaren gegroeid? (pag. 24)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het eerste ATS heeft noch mariniers op een vijandelijke kust aan
land gezet, noch aan crisisbeheersing, vredesoperaties of hulpverlening deelgenomen.
Welke verwachtingen van operationele inzet rechtvaardigen een tweede ATS?
(pag. 25)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De ontwikkelingen in de internationale veiligheidssituatie onderstrepen
het belang van strategische lucht- en zee-transportcapaciteit. De behoefte
aan deze capaciteit voor de taakuitvoering en het gebruik van de krijgsmacht
ter uitvoering en ondersteuning van de Nederlandse (respectievelijk Europese
of bondgenootschappelijke) bijdrage aan vredebewarende of vrede-afdwingende
operaties, is groot. Gebleken is dat er binnen de Navo tekorten zijn aan strategische
transportmiddelen en dat huur van civiele middelen problemen oplevert of kan
opleveren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Eveneens is duidelijk dat bij de samenstelling van internationale ad hoc-coalities
wordt verondersteld dat de deelnemende landen strategische transport voor
de eigen eenheden (mens, materieel, logistiek, enz.) zelf leveren. Om niet
onnodig beperkt te zijn in het aanbieden van militaire opties voor deelname
aan operaties moet Nederland in beginsel zelf over de geschikte transportmiddelen
beschikken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naast de rol op het gebied van strategische mobiliteit, vervult het «Landing
Platform Dock» (LPD) een essentiële rol bij het merendeel van de
maritieme operaties zoals die in de toekomst te verwachten zijn. Deze rol
manifesteert zich bijvoorbeeld bij amfibische operaties, maar eveneens bij
ondersteuning van mijnenbestrijdingsoperaties, bij de inzet als helikopterplatform
in traditionele vormen van oorlogsvoering en bij de ondersteuning van maritieme
interdictie-operaties (bijvoorbeeld een embargo). Ook kan het transportschip
een hospitaalfunctie vervullen en een rol spelen bij het verlenen
van humanitaire hulp en bij rampenbestrijding.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Als zich een dreiging voordoet, zal de Koninklijke marine optreden in
internationaal verband. Indien nodig zullen daarin vliegdekschepen van bondgenoten
ondersteuning leveren met luchtstrijdkrachten. Voorts wordt transport- en
bevoorradingsschepen onder dreigingsomstandigheden steeds geëscorteerd
door andere marine-eenheden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hr.Ms. Rotterdam is in 1998 in de vaart gekomen en zal medio 1999 operationeel
gereed zijn. Er kan dus nog geen sprake zijn van uitgebreide operationele
inzet. Dit schip is, hoewel nog niet volledig operationeel gereed, in december
1998 ingezet voor het transport ten behoeve van de Nederlandse bijdrage aan
de «Extraction Force» in Macedonië.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een tweede schip voor strategisch transport voorziet in de bondgenootschappelijke
behoefte. De specificaties voor een dergelijk platform zijn nog in studie. </al>
      <tuskop letat="vet">167</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zijn reeds alternatieven bekend voor de stationering van de MLD?
Is de vliegbasis Leeuwarden of Eindhoven een alternatief dat is overwogen?
(pag. 24)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 155. </al>
      <tuskop letat="vet">168</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze is tot nu toe gebleken dat één ATS onvoldoende
is voor het uitvoeren van de taken van de Krijgsmacht? Wat wordt bedoeld met
de «bondgenootschappelijke behoefte aan strategische transportcapaciteit»
en is deze behoefte de laatste jaren gegroeid? (pag. 24)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 166. </al>
      <tuskop letat="vet">169</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan worden aangegeven waarom, ondanks de in de Hoofdlijnennotitie
aangegeven «sterk verminderde dreiging» van vijandelijke onderzeeboten
en oppervlakte schepen, en de in verhouding tot de Koninklijke luchtmacht
en de Koninklijke landmacht bescheiden bijdrage van de marine aan vredesoperaties,
de hoeveelheid fregatten met slechts twee wordt verminderd? (pag. 24
e.v.)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 4. </al>
      <tuskop letat="vet">170</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Sinds de Nederlandse krijgsmacht in 1993 crisisbeheersing, vredeshandhaving
en hulpverlening als hoofdtaak kreeg, is ingrijpen door zwaargewapende land-
en/of luchtstrijdkrachten noodzakelijk gebleken. De Koninklijke marine werd
ingezet in Cambodja en Bosnië, maar de mariniers deden dienst als infanterie,
en voerden dus een taak uit van de Koninklijke landmacht. Verder is een enkele
keer gepatrouilleerd ter controle van de naleving van embargo's. Wat is de
rol van de Koninklijke marine (in internationaal verband) precies bij vredesoperaties?
Wat is de rol in het bijzonder van de onderzeebootvloot? In hoeverre, gezien
bovenstaand, is het behoud van de huidige 16 fregatten gerechtvaardigd? Waarom
worden er maar 3 Orions afgestoten van de Marineluchtvaartdienst, gezien het
huidige accent binnen internationale vredesoperaties dat veel meer gericht
is op landoperaties? (pag. 24, 25)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 153.  </al>
      <tuskop letat="vet">171</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Nederland wil vanwege het risico van kinderziekten niet het eerste
land zijn dat de maritieme versie van het type NH-90 helikopters in gebruik
neemt. Geldt een dergelijke redenering ook bij het in gebruik nemen van de
JSF jachtvliegtuigen ter vervanging van de F-16's? Zo nee, waarom niet? Zo
ja, kan de regering dan duidelijkheid verschaffen over de Nederlandse deelneming
in de EMD-fase van de ontwikkeling van de JSF? Welk gewicht kent de regering
toe aan de mogelijke participatie van het Nederlandse bedrijfsleven in dit
project, bij de beslissing hieraan deel te nemen vanaf de EMD-fase? Kan de
regering, op basis van gegevens sinds de ingebruikname van de F-16's, een
indicatie geven van hoeveel JSF's per jaar zullen komen te vervallen ten gevolge
van ongevallen in vredestijd? (pag. 24, 28)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 9 april jl. ontving de Kamer de behoeftestelling inzake de vervanging
van de F-16. Hierin wordt uiteengezet dat tijdens de gecombineerde voorstudie
en studiefase informatie moet worden verworven voor een zorgvuldige besluitvorming
over het type, het tijdstip van beslissen, de aantallen en de vraag of al
dan niet wordt deelgenomen aan de ontwikkeling, nu of later, van een nieuw
vliegtuig. Vervolgens zullen alle politieke, financiële, militaire en
industriële aspecten in hun samenhang worden bezien. Op de vraag of wordt
deelgenomen aan de EMD-fase van het JSF-project kan niet worden vooruitgelopen.
Bij de politieke besluitvorming weegt de mogelijke participatie van Nederlandse
bedrijven mee, maar staan voor Defensie de operationele eisen, de kosten –
ook van deelname aan de ontwikkeling van een toestel – en de inpasbaarheid
in internationale verbanden voorop. Ongeacht de keuze van het type jachtvliegtuig
dat de F-16 zal vervangen, zal Nederland niet de eerste gebruiker van een
dergelijk toestel zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er is nog geen indicatie te geven van de verliescijfers van de JSF, omdat
dit toestel nog niet bestaat. </al>
      <tuskop letat="vet">172</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke infrastructurele voorzieningen zullen worden getroffen in Den
Helder? (pag. 25)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor het paraat te stellen mariniersbataljon zijn naar verwachting nodig:
legeringsaccommodatie, oefenfaciliteiten, kantoren, opslag- en magazijnruimte.
De precieze aanpassingen van de infrastructurele voorzieningen in Den Helder
zijn nog onderwerp van studie. </al>
      <tuskop letat="vet">173</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het eerste ATS heeft noch mariniers op een vijandelijke kust aan
land gezet, noch aan crisisbeheersing, vredesoperaties of hulpverlening deelgenomen.
Welke verwachtingen van operationele inzet rechtvaardigen een tweede ATS?
(pag. 25)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 166. </al>
      <tuskop letat="vet">174 en 175</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke rol spelen mobilisabele eenheden in het Duits-Nederlandse legerkorps?
Wat zou een verdere verkleining van de mobilisabele reserve voor die samenwerking
hebben? (pag. 25)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is het Duits-Nederlandse legerkorps voldoende toegesneden op de verschuiving
naar vredesoperaties en crisisbeheersing of is het vooral een samenwerkingsverband
geënt op de meer traditionele gebiedsverdediging? (pag. 25)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 20.  </al>
      <tuskop letat="vet">176</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarin verschillen de taken van het Korps Mariniers, het Korps Commandotroepen
en de Luchtmobiele Brigade in het kader van crisisbeheersing? (pag. 25)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het Korps commandotroepen is belast met de uitvoering van «special
operations». Hierbij moet naast speciale verkenningen (het verzamelen
van gedetailleerde, accurate informatie van strategisch of operationeel belang)
worden gedacht aan directe operaties of acties (korte aanvallen, overvallen,
eindgeleiding van laser gestuurde munitie, het gevangennemen van personen
of het overmeesteren van specifiek materieel) door kleine groepen commando's.</al>
      <al>In het kader van crisisbeheersingsoperaties levert het Korps mariniers
een bijdrage door het op korte termijn beschikbaar kunnen stellen van mariniersbataljons
en gevechtsondersteunende elementen. Deze bataljons zijn beperkt mobiel op
de grond en hebben een betrekkelijk lichte uitrusting.</al>
      <al>De Luchtmobiele brigade kan in het kader van crisisbeheersingsoperaties
op korte termijn drie (luchtmobiele) infanteriebataljons en gevechtsondersteunende
elementen leveren. Ook deze eenheden zijn mobiel, zowel op de grond als door
de lucht, en hebben eveneens een lichte uitrusting. Van belang is dat de luchtmobiele
bataljons zijn geoefend in het optreden in samenhang met de luchtcomponent
van de brigade, de gevechts- en transporthelikopters. Het gaat daarbij niet
alleen om het operationeel transport, maar ook om het uitvoeren van gevechtsacties.</al>
      <al>Het belangrijkste verschil tussen het Korps commandotroepen en de andere
twee eenheden betreft de kleine omvang van de in te zetten eenheden en het
specialistische karakter van de taken. Het belangrijkste verschil tussen het
Korps mariniers en de Luchtmobiele brigade is dat de eerste eenheid is gespecialiseerd
in optreden van bataljons op de grens van land en water en laatstgenoemde
eenheid, geïntegreerd met transport- en bewapende helikopters, gevechten
op maximaal brigadeniveau kan uitvoeren. </al>
      <tuskop letat="vet">177</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan er een overzicht worden gegeven van alle ondersteunende eenheden
bij het Korps Mariniers, het Korps Commandotroepen en de Luchtmobiele Brigade?
(pag. 25)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het Korps commandotroepen heeft geen eigen ondersteuningseenheden voor
de gevechtssteun en op logistiek gebied.</al>
      <al>Het Korps mariniers heeft binnen de eigen organisatie twee bataljons die
voor (gevechts)steun en logistiek zorg dragen. In deze bataljons zijn onder
andere logistieke, transport-, geneeskundige en mortiercompagnieën opgenomen.</al>
      <al>In de Luchtmobiele brigade is de (gevechts-)ondersteuning toebedeeld aan
(luchtmobiele) genie-, mortier-, bevoorradings-, herstel- en geneeskundige
compagnieën. Uit doelmatigheidsoverwegingen worden voor de vredesbedrijfsvoering
reeds enkele activiteiten gezamenlijk door de betrokken krijgsmachtdelen uitgevoerd.
Het betreft onder meer mortieropleidingen en opslag, onderhoud en opleidingen
voor het nieuwe gepantserd voertuig voor vredesoperaties «Patria». </al>
      <tuskop letat="vet">178</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is reeds bekend welke invloed de vermindering van het aantal te bestellen
NH-90's (met het oog op de twee af te stoten fregatten) heeft op de prijs
per stuk? Zo ja, hoe hoog is deze? Leidt deze ontwikkeling tot een heroverweging
of al dan niet de NH-90 zal worden aangeschaft? (pag. 25) </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er is geen sprake van vermindering van het aantal helikopters. Nog deze
maand wordt de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van het NH-90-project. </al>
      <tuskop letat="vet">179</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Gaat het geheel paraat gestelde 4e mariniersbataljon beschikken over
dezelfde middelen als de overige parate bataljons? Is dat reeds in de plannen
verwerkt? (pag. 25)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De studie over de uitbreiding van het Korps mariniers is nog niet afgerond.
In de Defensienota wordt op de resultaten ervan ingegaan. </al>
      <tuskop letat="vet">180 en 181</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering de conclusie dat niet alle mobilisabele eenheden
gemist kunnen worden nader omschrijven? (pag. 25)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zijn er mogelijkheden mobilisabele eenheden geheel paraat, dan wel
inzetbaar voor crisisbeheersingsoperaties te maken? (pag. 25)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 20 </al>
      <tuskop letat="vet">182</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze zou de geniecapaciteit van de Koninklijke landmacht
ingezet kunnen worden ter ondersteuning van het Korps Mariniers? (pag. 26)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De uitbreiding en reorganisatie van de geniecapaciteit van de Koninklijke
landmacht vloeit voort uit de ervaringen van de laatste jaren. Door de uitbreiding
wordt de flexibiliteit en het voortzettingsvermogen van de genie vergroot
en beschikt de landmacht te allen tijde over genie-eenheden voor crisisbeheersingsoperaties
en voor onmiddellijke inzet bij calamiteiten in Nederland of daarbuiten. Inzet
ter ondersteuning van het Korps mariniers is in beginsel mogelijk. </al>
      <tuskop letat="vet">183</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan er een overzicht worden gegeven van alle functies bij het Nationaal
Commando? (pag. 27)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 131. </al>
      <tuskop letat="vet">184 en 185</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan er een overzicht worden gegeven van alle functies bij het Korps
nationale reserve? (pag. 28)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan aangegeven worden in welke mate de personeelsomvang van de NATRES
verkleind wordt? (pag. 28)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Defensienota wordt nader ingegaan op de wijzingen met betrekking
tot het Korps nationale reserve. </al>
      <tuskop letat="vet">186</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat betekent de opheffing van drie tankbataljons voor de taakstelling
van het Duits-Nederlands Legerkorps? (pag. 28)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De taakstelling van het legerkorps wordt niet gewijzigd. De opheffing
van drie tankbataljons heeft wel gevolgen voor de uitvoering van de taken.
Met één tankbataljon per gemechaniseerde brigade is de slagkracht
en de flexibiliteit afgenomen.  </al>
      <tuskop letat="vet">187, 188, 189 en 197</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de Koninklijke luchtmacht met vijf squadrons F-16's in staat gedurende
minimaal drie jaar een compleet squadron met achttien vliegtuigen uit te zenden?
(pag. 28)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarop berust de verkleining van het aantal F-16's met één
squadron? Waarom bij voorbeeld geen verkleining met twee of meer squadrons?
Welke bezuiniging zou dit opleveren? (pag. 28)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom wordt één squadron F-16 gevechtsvliegtuigen
opgeheven als door de regering wordt gesteld dat «door ook voor de jachtvliegtuigen
crisisbeheersingstaken en de ondersteuning van vredesoperaties aan belang
hebben gewonnen»? (pag. 28)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan nader worden onderbouwd waarom een squadron F-16 wordt opgeheven,
in het licht van de constatering dat de F-16 squadrons al gedurende zeven
jaar een behoorlijke bijdrage leveren aan vredesoperaties? (pag. 29)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een massale aanval op het Navo-gebied is, zoals in de Hoofdlijnennotitie
is uiteengezet, weinig waarschijnlijk. Daarom kan de hiervoor benodigde capaciteit
worden verminderd. Een en ander laat onverlet dat de F-16, dankzij zijn snelle
inzetbaarheid, flexibiliteit en mobiliteit, zeer geschikt is voor zowel grootschalige
conflicten als in crisisbeheersingsoperaties.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij het beoordelen van het aantal squadrons is van belang vast te stellen
dat voor de uitzending van één squadron, er drie beschikbaar
moeten zijn: één bereidt zich voor, één is uitgezonden,
en één recupereert. In de praktijk is bovendien gebleken dat
de uitgezonden eenheid moet worden versterkt uit andere squadrons, onder meer
met extra piloten die het mogelijk maken gedurende de hele dag en nacht op
te treden. Hiernaast dient capaciteit beschikbaar te zijn voor opleiding en
training. Tenslotte is steeds een aantal toestellen niet beschikbaar wegens
onderhoud. Het is immers van groot belang dat het personeel en materieel goed
wordt voorbereid op de taken. Het verminderen van het aantal F-16 vliegtuigen
en het opheffen van één squadron verhoogt, gegeven het gelijkblijvende
ambitieniveau, het beslag op de squadrons, maar verbeterde bedrijfsvoering
binnen de Koninklijke luchtmacht maakt het mogelijk de in de Hoofdlijnennotitie
beschreven taken uit te voeren. In de Hoofdlijnennotitie is aangenomen dat
de opheffing van één squadron f 50 miljoen oplevert. </al>
      <tuskop letat="vet">190</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe verhoudt de forse vermindering van het mobilisabele Nederlandse
tankbestand zich tot plannen van de NAVO en andere NAVO-landen als het gaat
om het waarborgen van een zeker mobilisabel tankbestand? (pag. 28)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er bestaan algemene Navo-richtlijnen voor de omvang en structuur van de
eenheden belast met een taak in de collectieve verdediging. Die richtlijnen
beschrijven capaciteiten waarover legerkorpsen, divisies en brigades dienen
te beschikken. Zo is onder meer omschreven dat een divisie dient te beschikken
over drie tot zes brigades en een brigade over drie tot vijf manoeuvrebataljons.
Nederland bevindt zich met drie gemechaniseerde brigades in de divisie en
drie bataljons in elke gemechaniseerde brigade daarmee nog binnen de grens
van wat operationeel noodzakelijk wordt geacht.</al>
      <al>Andere landen hebben ook tankeenheden in hun mobilisabel bestand, maar
een objectieve vergelijking is onmogelijk. De desbetreffende aantallen moeten
namelijk in samenhang worden bezien met de nationale doctrines, de overige
anti-tank systemen in een eenheid en het aantal sub-eenheden binnen een eenheid.
Daarom geeft de Navo geen specifieke richtlijnen voor het aantal tanks in
bataljons.  </al>
      <tuskop letat="vet">191</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de regering het eens met de constatering, dat militaire operaties
buiten Nederland en andere facetten van het Nederlandse buitenlands beleid
represailles voor het Nederlandse grondgebied kunnen opleveren in de vorm
van terrorisme en mogelijke vergelding met massavernietigingswapens en raketten?
Hoe verhoudt de voorgenomen verkleining van de NATRES zich tot deze constatering?
(pag. 28)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ja. De Nederlandse bijdrage aan vredesoperaties kan in bepaalde situaties
een verhoogde dreiging van terroristische aanslagen en het gebruik van massavernietigingswapens
tegen het Nederlands grondgebied tot gevolg hebben. In vredestijd is bescherming
hiertegen echter geen taak van het Korps Natres, maar van het ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie. Dit laat onverlet
dat Defensie in voorkomend geval op verzoek naar vermogen steun zal verlenen. </al>
      <tuskop letat="vet">192</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoeveel nieuwe vliegtuigen heeft de Koninklijke luchtmacht nodig
voor de toekomstige taken, die de regering voor de krijgsmacht voor ogen heeft?
Zal de Joint Strike Fighter de opvolger van de F-16 worden? Zo ja, hoe past
deze keuze in het kader van het gestalte willen geven aan een materieelbeleid,
dat zich meer richt op Europese samenwerking? (pag. 28)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een besluit over de opvolger van de F-16 is nog niet aan de orde. De operationele
behoefte aan een opvolger van de F-16 is uiteengezet in de zogenoemde A-brief
die de Kamer in het kader van het Defensie materieel keuzeproces (DMP) op
9 april jl. werd toegezonden. Hierin worden de alternatieven genoemd, waarvan
de JSF er een is. Bij de keuze van de opvolger van de F-16 zullen ook de mogelijkheden
van internationale samenwerking worden meegewogen. </al>
      <tuskop letat="vet">193</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In het Materieelprojectenoverzicht 1999 wordt melding gemaakt van
pogingen om 24 F-16's te verkopen. In stuk met nummer TK 25 673, nr.
3 wordt gezegd dat onder andere enkele PfP-landen belangstelling hebben getoond
en dat met één van deze landen nog gesprekken lopen. Om welk
land gaat het hier? Kan een nadere omschrijving worden gegeven van de plannen
voor het opheffen van het 306-squadron op Volkel? Welke kansen zijn er op
dit moment voor verkoop? Hoe groot is de kans dat voor 1 juli 1999 geen koper
gevonden wordt en daarna begonnen wordt met ontmanteling van de eerste twaalf
F-16's? (pag. 28)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is om redenen van commerciële en buitenlands politieke aard niet
gebruikelijk gegevens te verstrekken over besprekingen over verkoop van overtollig
materieel. Bij verkoop zal de Kamer in beginsel vertrouwelijk worden geïnformeerd.
De mogelijkheid dat voor 1 juli 1999 geen koper zal worden gevonden voor twaalf
niet meer luchtwaardige F-16's is reëel. In dat geval zal tot ontmanteling
van deze vliegtuigen worden overgegaan. De inspanningen de overige F-16's
te verkopen worden onverminderd voortgezet. De consequenties van het opheffen
van het 306-squadron op Volkel worden nog bestudeerd en zullen in de defensienota
worden toegelicht. </al>
      <tuskop letat="vet">194</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In hoeverre zijn de PAC-3 raketten effectief tegen kruisvluchtwapens?
(pag. 29)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de periode 2000–2001 worden de radars van de Patriot-systemen
van de Koninklijke luchtmacht gemodificeerd waardoor de capaciteit om zeer
kleine, laagvliegende doelen te detecteren wordt verbeterd. Voorts is van belang dat de geplande Patriot Pac-3 raketten zijn voorzien van een
eigen doelvolgsysteem. Door beide maatregelen kan Patriot met de Pac-3 raketten
effectief worden ingezet tegen onder meer kruisvluchtwapens. </al>
      <tuskop letat="vet">195</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Nu het EADTF midden 1999 van start kan gaan, kan de regering inlichtingen
verschaffen over de zeggenschap over de inzet van deze task force en de commandostructuur
die bij een concrete inzet daarvoor zal gelden? (pag. 29)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Medio 1999 wordt een trilateraal «Extended Air Defence Task Force»
hoofdkwartier opgericht te Burbach (BRD). Dit hoofd-kwartier maakt geen onderdeel
uit van de Navo-commando-structuur. In het kader van de EADTF wordt gestreefd
naar een versterkte samenwerking inzake de voorbereiding van gezamenlijke
oefeningen en de inzet van luchtverdedigings-systemen. Bij operationele inzet
zullen de eenheden in bestaande commandostructuren (Navo, Weu, VN) worden
ingebed. De Nederlandse regering blijft, overeenkomstig de daarvoor bestaande
procedures, steeds verantwoordelijk voor de uitzending of inzet van genoemde
systemen. </al>
      <tuskop letat="vet">196</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Er vindt onderzoek plaats naar de uitrusting van de LFC-fregatten
van de Koninklijke marine voor de verdediging tegen ballistische raketten
(aanpassing APAR-radar). Wanneer wordt hiertoe besloten, om welke kosten gaat
het en hoe verloopt de samenwerking met Duitsland en de Verenigde Staten?
Zijn nog andere landen geïnteresseerd in deelname? (pag. 29)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 10. </al>
      <tuskop letat="vet">197</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan nader worden onderbouwd waarom een squadron F-16 wordt opgeheven,
in het licht van de constatering dat de F-16 squadrons al gedurende zeven
jaar een behoorlijke bijdrage leveren aan vredesoperaties? (pag. 29)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 187. </al>
      <tuskop letat="vet">198</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke andere, enigszins met Nederland vergelijkbare, Europese landen
geven prioriteit aan theatre missile defence en extended air defence? Waarom
wil Nederland als relatief klein land een substantiële bijdrage leveren?
(pag. 29)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 144. </al>
      <tuskop letat="vet">199</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Als 80% van de taken van de Marechaussee een civiel karakter heeft,
is het dan niet beter die 80% onder te brengen bij de politie of samen te
voegen met andere landelijk opererende politie-eenheden (bij voorbeeld op
het gebied van vrouwenhandel, belastingdelicten en dergelijke)? (pag. 29)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Koninklijke marechaussee voert sinds jaar en dag een groot deel van
haar taken uit onder het gezag van civiele autoriteiten, in het bijzonder
het Openbaar Ministerie en het ministerie van Justitie. Dit is voor de regering
echter geen reden om de Koninklijke marechaussee onder te brengen bij of samen
te voegen met de politie. De toegevoegde waarde van de Koninklijke marechaussee
voor de uitvoering van haar taken, zoals deze zijn neergelegd
in de Politiewet 1993, is voor een belangrijk deel juist gelegen in de militaire
status en organisatie. </al>
      <tuskop letat="vet">200</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Voor het afschaffen van een squadron F-16 gevechtsvliegtuigen wordt
(pag. 30) het argument gehanteerd van het verdwijnen van de acute dreiging
van een massale aanval tegen het grondgebied van de NAVO. Vervolgens wordt
echter vastgesteld dat juist deze vliegtuigen voldoen aan de nieuwe eisen
van snelle inzetbaatheid, flexibiliteit en mobiliteit. Hoe verhouden deze
twee opmerkingen zich tot elkaar?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 4. </al>
      <tuskop letat="vet">201</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering aangeven wat de voortgang op interdepartementaal
niveau is op het gebied van de verbetering van de huidige persoonlijke beschermingsmiddelen
inzake de passieve verdediging? (pag. 30)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op het gebied van passieve verdediging zijn oriënterende gesprekken
gevoerd tussen Defensie, Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties. Met VWS is gesproken over de (medische) bestrijding
van de gevolgen van de inzet van massavernietigingswapens. Met BZK is gesproken
over de relatie met civiele verdediging. In de Defensienota zal hierop nader
worden ingegaan. </al>
      <tuskop letat="vet">202</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering concreet duidelijk maken wat bedoeld wordt met de
stelling dat «.... de huidige persoonlijke beschermingsmiddelen van
Nederlandse militairen in een nucleaire, chemische en biologische omgeving
toereikend zijn.»? Betekent dit dat Nederlandse militairen veilig kunnen
opereren in een gebied dat getroffen is/wordt door nucleaire, chemische en/of
biologische wapens? (pag. 30)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In beginsel wordt getracht te vermijden dat Nederlandse militairen moeten
opereren in dat deel van het operatiegebied dat getroffen is door nucleaire,
chemische en/of biologische wapens. Als dit toch noodzakelijk is, zal de NBC-uitrusting
van de Nederlandse militairen in de meeste gevallen toereikend zijn om gedurende
een beperkte periode te kunnen optreden. Defensie doet onderzoek naar maatregelen
voor situaties waarin de NBC-uitrusting niet toereikend is. </al>
      <tuskop letat="vet">203, 204, 205 en 211</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom wordt overwogen om de CDS tot opperbevelhebber aan te wijzen?
Nederland levert toch modules aan ten behoeve van andere organisaties waarbij
het operationeel commando uit handen wordt gegeven? Een situatie zoals in
het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten waar alle krijgsmachtdelen
in de vorm van een geïntegreerde operatie deelnemen is voor Nederland
toch niet aan de orde (pag. 31)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Leidt de benoeming van de CDS tot opperbevelhebber tot een hiërarchische
verhouding ten opzichte van de bevelhebbers? Wat betekent dit ten aanzien
van de aansturing van militaire operaties en het planproces? (pag. 31)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wanneer zal de studie naar de omvang van de Centrale Organisatie
en de staven worden afgerond? (pag. 31)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom wordt gestreefd naar bundeling van steeds meer uitvoerende
zaken onder de Chef Defensiestaf? (p.31) De (C)DS vervult toch primair een
beleidsondersteunende functie ten behoeve van de bewindslieden en dient zich
toch niet bezig te houden met uitvoering? (pag. 211). </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wat betreft de versterking van de positie van de Chef Defensiestaf is
inmiddels bepaald dat deze voor de bewindslieden rechtstreeks aanspreekbaar
is voor de aansturing van alle vredesoperaties. In de brief van 30 maart jl.over
het functioneren van Defensie (Kamerstuk 26 237, nr. 3) wordt uitvoerig
ingegaan op de leiding over vredesoperaties. Kortheidshalve wordt hiernaar
verwezen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een en ander betekent overigens niet dat de CDS zich zal belasten met
alle aspecten van de uitvoering. De vraag of de benoeming van de CDS tot opperbevelhebber
gewenst is kan, zo stelt de Hoofdlijnennotitie, niet los worden gezien van
het bredere, gecompliceerde vraagstuk van de verhouding tussen de krijgsmachtdelen
en de centrale organisatie (CO). Die problematiek komt in de Defensienota
aan de orde, in samenhang met de studie naar de omvang van de CO en de staven. </al>
      <tuskop letat="vet">206</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe verloopt de integratie van de hogere opleidingen KIM, KMA en
IDL? Op welke termijn wordt dit integratieproces afgerond? Wat betekent dit
voor de huidige infrastructuur (gebouwen etc.) en de logistieke concentratie?
(pag. 32)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een projectgroep is belast met het onderzoek naar de mogelijke integratie
van het Kim, de KMA en het IDL. De resultaten daarvan worden in de Defensienota
meegedeeld. </al>
      <tuskop letat="vet">207</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">«De uitgezonden militairen kunnen vaak door economische en
sociale hulp een bijdrage leveren aan de wederopbouw van een door conflicten
geteisterd gebied.» Op welke wijze zijn militairen in staat economische
hulp te bieden? (pag. 32)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De economische hulp van Nederland bij wederopbouw wordt in beginsel geleverd
door het ministerie van Buitenlandse Zaken. De primaire taak van militairen
is het handhaven van een veilige omgeving, hetgeen een belangrijke voorwaarde
is voor civiele wederopbouw. Tevens kan het uitvoeren van de militaire taak
«spin-off» effecten hebben die ten goede komen aan de wederopbouw.
Dit betreft onder meer het herstel van infrastructuur of het ruimen van mijnen.
In voorkomend geval kunnen militairen voorts een bijdrage leveren in de vorm
van kleine wederopbouwprojecten, zoals het herstel van scholen en ziekenhuizen.
Voorts kunnen de militairen op verzoek van civiele organisaties zoals de OVSE,
UNHCR en lokale autoriteiten steun leveren. Op deze wijze kan Defensie een
bescheiden bijdrage leveren aan de economische en sociale wederopbouw van
een conflictgebied. </al>
      <tuskop letat="vet">208</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering met enkele concrete voorbeelden duidelijkheid verschaffen
over wat bedoeld wordt met een zelfstandige Nederlandse Cimic-bijdrage in
het kader van het ontwikkelingssamenwerkingbeleid en wat hierover is afgesproken
met het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking? Kan een dergelijke bijdrage
ook geleverd worden in samenwerking met particuliere ontwikkelingsorganisaties?
Kan er ook een nadere uitwerking worden gegeven van Cimic ten behoeve van
vredesoperaties? (pag. 32)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een Nederlandse Cimic-eenheid zal haar taken gewoonlijk uitvoeren tijdens
een vredesoperatie in internationaal verband. Dit laat onverlet dat, indien
Ontwikkelingssamenwerking initiatieven ontplooit in het operatiegebied, militairen
op verzoek concrete bijdragen kunnen leveren in de vorm van coördinatie,
communicatie, transport, enz. Dit is nu al het geval in Bosnië-Herzegovina,
waar Nederlandse Sfor-militairen kleinschalige wederopbouwprojecten van Ontwikkelingssamenwerking
actief ondersteunen. In dit verband kan ook samenwerking of overleg met particuliere
ontwikkelingsorganisaties aan de orde zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Afspraken over de samenwerking zijn in 1996 tussen Defensie en Ontwikkelingssamenwerking
vastgelegd in de zogenaamde Raamuitvoeringsovereenkomst. Op dit ogenblik wordt
een inter-departementaal beleidskader opgesteld voor civiel-militaire samenwerking
tijdens vredesoperaties. </al>
      <tuskop letat="vet">209</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke termijn en op welke wijze zal vormgegeven worden aan een
interservice capaciteit voor Cimic? Welke problemen heeft de Krijgsmacht tot
nu toe bij vredesoperaties ondervonden vanwege het ontbreken van zo'n eenheid?
(pag. 32)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een Cimic-groep zal ter plaatse «Cimic-centers» oprichten.
Deze hebben voornamelijk een coördinerende taak. Voor de noodzakelijke
specialistische kennis kan gebruik worden gemaakt van functionele specialisten
die tijdelijk in de Cimic-groep werkzaam zullen zijn. Defensie is voornemens
de functies in de Cimic-groep te vullen met personeel van alle krijgsmachtdelen.
De Koninklijke landmacht levert de grootste bijdrage. Een Cimic-groep van
enkele kernfunctionarissen zal vanaf midden 2000 de Cimic-eenheid nader vorm
geven. In dat verband zullen ook eigen opleidingen worden georganiseerd. </al>
      <tuskop letat="vet">210 en 247</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Als gevolg van het nemen van incidentele maatregelen om de bezuinigingen
te verwerken is een boeggolf aan investeringen ontstaan. Welke omvang heeft
deze inmiddels? Wordt deze opnieuw vergroot door incidentele maatregelen voor
het jaar 2000? Welke risico's zijn verbonden aan het uitstellen van aanvankelijk
belangrijk geachte voornemens? Welke maatregelen zijn genomen om nieuwe aanslagen
op de begroting te voorkomen? Wordt er, ondanks de financiele druk, vanuit
gegaan dat dit jaar opnieuw de financiële eindejaarmarge moet worden
benut? (pag. 33)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Investeringen zijn wegens bezuinigingen uitgesteld. Leidt dit uitstel
niet na 2002 tot een grotere «boeggolf» voor de dan komende investeringsverplichtingen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de begroting 1999 is de taakstelling 1999 van f 375 miljoen met
incidentele maatregelen ingevuld onder het beslag van de maatregelen die in
de Defensienota zullen worden opgenomen. Uitgangspunt daarbij is geweest dat
de gekozen incidentele invulling in latere jaren binnen de voorziene budgetten
volledig zal worden gerepareerd, tenzij in de Defensienota anders wordt bepaald.
Bij indiening van de begroting 2000 zal de invulling van de taakstelling voor
1999 worden geactualiseerd. Daarnaast zal ook een deel van de taakstelling
voor 2000 incidenteel moeten worden ingevuld. Risico's van (verder) uitstel
van voornemens worden daarbij zorgvuldig afgewogen. De zogenoemde boeggolf
van uitgestelde investerings-projecten is dus geen statisch gegeven; elk jaar
wordt binnen het geheel van de plannen een nieuwe afweging gemaakt.</al>
      <al>Bij de verdere uitwerking van de beleidsvoornemens voor de Defensienota
wordt uitgegaan van het vigerende budgettaire kader en wordt niet geanticipeerd
op eventuele nieuwe bezuinigingen; evenmin wordt op voorhand uitgegaan van
het benutten van de financiële eindejaarsmarge.  </al>
      <tuskop letat="vet">211</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom wordt gestreefd naar bundeling van steeds meer uitvoerende
zaken onder de Chef Defensiestaf? (p.31) De (C)DS vervult toch primair een
beleidsondersteunende functie ten behoeve van de bewindslieden en dient zich
toch niet bezig te houden met uitvoering? (pag. 33)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 203. </al>
      <tuskop letat="vet">212</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de in het verleden ingezette herstructurering van de staf van
de bevelhebbers reeds voltooid? Zo nee, waarom niet? Kan worden aangegeven
hoeveel fte's zijn bespaard met deze herstructurering sinds  1 januari 1994?
(pag. 33)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De herstructurering van de staven van de bevelhebbers is nagenoeg afgerond.
Volgens plan zullen de laatste wijzigingen bij de Admiraliteit eind 2002 worden
doorgevoerd; sinds 1994 zijn hier 265 functies bespaard. Bij de Landmachtstaf
zijn dit 765 functies; hier is de herstructurering geheel gereed. De reorganisatie
van het Hoofdkwartier van de Koninklijke luchtmacht zal naar verwachting in
de loop van 2000 zijn afgerond; in de eindsituatie zal daar een reductie van
151 functies zijn bereikt. De staf van de Koninklijke marechaussee heeft sinds
1994 een reductie ondergaan van dertien functies; de herstucturering is daar
nu voltooid. </al>
      <tuskop letat="vet">213</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke luchtverdedigingsmiddelen van de Koninklijke landmacht worden
samengevoegd met de Koninklijke luchtmacht? Met welk doel wordt dit gedaan,
aangezien de inzet altijd separaat zal zijn? (pag. 34)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het streven is gericht op het samenbrengen van de Nederlandse grondgebonden
luchtverdediging op één locatie, de Vliegbasis De Peel. Naar
de mogelijkheden en financiële consequenties van de concentratie op de
Vliegbasis De Peel wordt op dit moment een studie uitgevoerd. Daarop wordt
in de Defensienota nader ingegaan. </al>
      <tuskop letat="vet">214</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het personeelsbestand vertoont nog belangrijke kenmerken van de kader-militiekrijgsmacht.
Het onderscheid tussen BBT'ers en BOT'ers kan verdwijnen, hierdoor is het
mogelijk om tot een echt beroepsleger te komen. Op welke termijn denkt de
regering dit proces afgerond te hebben en hoe gaat dit in zijn werk? (pag. 34)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het verdwijnen van het onderscheid tussen militairen met een aanstelling
van onbepaalde tijd (BOT) en militairen met een aanstelling van bepaalde tijd
(BBT) zal eerst op termijn kunnen worden verwezenlijkt. Het gaat om een geleidelijk
en gefaseerd proces. Bepalend voor het tempo waarin de verandering kan worden
uitgevoerd is enerzijds de al begonnen ombuiging van de huidige verhouding
BOT-BBT van 60/40 naar 40/60 en anderzijds de nadere uitwerking van de nieuwe
personeelsstructuur bij Defensie. Bij de implementatie zal vanzelfsprekend
rekening worden gehouden met de positie van het aanwezige BOT-personeel. </al>
      <tuskop letat="vet">215</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De werving van nieuwe rekruten wordt onder meer vorm gegeven door
het zogenaamde Schakelklasje voor 16-jarigen aan het Baroniecollege in Breda.
Kan de regering aangeven hoeveel jongeren zich voor deze cursus aanmelden,
hoeveel daarvan het jaar succesvol afronden, hoeveel daarvan solliciteren
bij Defensie en hoeveel daarvan uiteindelijk in dienst treden van de krijgsmacht?
Realiseren de deelnemende tieners zich volgens de regering in
voldoende mate dat deze cursus een voortraject is voor een baan bij de krijgsmacht
en waarop baseert de regering dat? Heeft de regering plannen om deze vorm
van werving uit te breiden? Zo ja, waarom? (pag. 34 e.v.)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de periode 1995–1997 heeft Defensie bij de Regionale Opleidingscentra
(ROC) het Baroniecollege te Breda en de Friese Poort te Leeuwarden het zogenoemde
schakelonderwijs verzorgd, waarbij jongeren tijdens een speciaal daartoe ontwikkeld
opleidingsprogramma in de gelegenheid werden gesteld om kennis te maken met
(onder meer) een baan bij de Koninklijke landmacht. Met de in 1996 van kracht
geworden Wet op de Educatie en het Beroepsonderwijs (WEB) is schakelonderwijs
niet meer mogelijk. Met ingang van het schooljaar 97/98 is bij genoemde centra
een proefproject «Oriëntatietraject Koninklijke landmacht»
begonnen. Inmiddels is dit uitgegroeid tot een landelijk project en verzorgen
vijf scholen een dergelijk programma.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De basis voor het oriëntatietraject wordt gevormd door een civiele
beroepsopleiding op assistentenniveau of op het niveau startkwalificatie.
Deelnemers kunnen, voorzover aanwezig op de betrokken scholen, kiezen uit
de opleidingsrichtingen: bevei-liging, handel, facilitaire dienstverlening,
administratie en motorvoertuigtechniek. In de zogenoemde vrije ruimte en in
de eigen tijd wordt de deelnemer voorbereid op het functioneren in de Koninklijke
landmacht. Wanneer voor de landmacht wordt gekozen, is er naast de voorbereiding
voor de krijgsmacht tevens een goede basis gelegd voor de latere intrede op
de civiele arbeidsmarkt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het belang van de deelnemers wordt voorafgaand aan het traject de aanstellingskans
en de opleidbaarheid van betrokkenen beoordeeld. Ongeveer 50% van de belangstellenden
begint ook werkelijk met de opleiding.</al>
      <al>In september 1998 zijn de vijf scholen gestart met 202 deelnemers. Voor
het schooljaar 1999/2000 is een uitbreiding met drie scholen voorzien. In
de voorlichting en de vulling van de opleiding met deelnemers wordt ook de
regionale banenwinkel betrokken. De deelnemers die de opleiding met succes
afronden, minstens 80% van de cursisten, treden over het algemeen ook in dienst
bij de Koninklijke landmacht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deelnemers realiseren zich in voldoende mate dat de opleiding een voorbereiding
is voor een baan bij de krijgsmacht. Gedurende de opleiding verzorgen militairen
verschillende lessen. Daarnaast is in het opleidingsprogramma een aantal «groene
momenten» opgenomen. Dit zijn door de Koninklijke landmacht georganiseerde
activiteiten die vooral zijn bedoeld om de deelnemers een indruk te geven
van het militaire bedrijf en hen kennis te laten maken met het militaire leven:
onder meer een introductiebivak, excursies, een stage en lessen beroepsoriëntatie.
Medio februari maken de deelnemers de keuze of ze al dan niet solliciteren
bij de Koninklijke landmacht. Het voordeel voor de landmacht is dat de deelnemers
bewuster kunnen kiezen voor een baan bij dit krijgsmachtdeel en zich fysiek
op die baan kunnen voorbereiden. De kans op uitval uit de initiële opleiding
is daarmee kleiner geworden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Koninklijke landmacht wil in samenwerking met een negende ROC nog een
assistentenopleiding «Vrede en Veiligheid» ontwikkelen. De proef
is gepland voor het aankomende schooljaar. In deze opleiding, die zal passen
in de civiele kwalificatiestructuur, zal onder meer aandacht worden besteed
aan aspecten of deelkwalificaties die een relatie hebben met het militaire
beroep, zoals mentale weerbaarheid en zelfredzaamheid en oriëntatie op
de Koninklijke landmacht en (mogelijk op termijn) ook een oriëntatie
op andere krijgsmacht-delen en geuniformeerde beroepen.  </al>
      <tuskop letat="vet">216</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Hoofdlijnennotitie wordt niet ingegaan op het wervingsbeleid
van de Krijgsmacht, terwijl daar wel problemen mee zijn. Geven de in de Hoofdlijnennotitie
gemaakte keuzen voor het personeelsbeleid aanleiding tot een wijziging van
het wervingsbeleid en hoe wordt gedacht de bestaande knelpunten op te lossen?
(pag. 34–39)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 25 februari 1999 is aan de Kamer de «Rapportage personeels-voorziening
militairen 1998» aangeboden, waarin ook wordt ingegaan op de werving.
Defensie kiest voor een integrale benadering van de in-, door- en uitstroom
van personeel. Deze drie elementen van de personeelsvoorziening beïnvloeden
gezamenlijk de arbeidsmarktpositie van de krijgsmacht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Hoofdlijnennotitie zijn de uitgangspunten uiteengezet voor een vernieuwing
van het personeelsbeleid. Ter verbetering van de professionaliteit van de
krijgsmacht zal onder meer worden geïnvesteerd in wervingsmaatregelen,
opleiding en scholing, arbeidsomstandigheden en de combinatie van arbeid en
zorg. Ook zal in het kader van de arbeidsvoorwaarden nadrukkelijk aandacht
worden geschonken aan de «verzurende» elementen in het huidige
personeelsbeleid. Dit geheel aan maatregelen verhoogt de kwaliteit van de
personeelsvoorziening waardoor de arbeidsmarktpositie van de krijgsmacht structureel
kan worden versterkt. In de Defensienota wordt op een en ander nader ingegaan. </al>
      <tuskop letat="vet">217</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is het voorziene investeringspercentage in de jaren 2000–2006?
Hoe is dat over de krijgsmachtdelen verdeeld? (pag. 36)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Na technische verwerking van de maatregelen uit de Hoofdlijnennotitie
is het voorziene gemiddelde investerings-percentage in de jaren 2000–2006
ongeveer 23 procent. Voor de vier krijgsmachtdelen bedraagt het geplande investeringspercentage:</al>
      <al>– Koninklijke marine: 31 procent;</al>
      <al>– Koninklijke landmacht: 22 procent;</al>
      <al>– Koninklijke luchtmacht: 30 procent;</al>
      <al>– Koninklijke marechaussee: 9 procent. </al>
      <tuskop letat="vet">218 en 229</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan ervan worden uitgegaan dat er in de Defensienota een uitgewerkt
plan wordt neergelegd wat betreft de samenwerking tussen Defensie, SozaWe
en OCW om te komen tot een goed opleidingsbeleid? Welke maatregelen worden
er getroffen om het huidige personeel op korte termijn meer «employable»
te maken? (pag. 36)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke concrete stappen zijn of worden gedaan om in samenspraak met
onder meer de ministeries van SoZaWe en van OCW elke BBT'er en lager opgeleiden
een goede uitgangspositie op de arbeidsmarkt te verschaffen? (pag. 38)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De krijgsmacht is – zoals in de Hoofdlijnennotitie uiteen werd gezet –
een organisatie waarin «werken en leren», «maatschappelijke
meerwaarde» en «employability» een belangrijke plaats innemen.
Daartoe investeert de krijgsmacht in scholing en opleiding van haar personeel.</al>
      <al>Ten aanzien van BBT'ers is het beleid er vooral op gericht dit personeel
door opleiding, werkervaring en maatschappelijke scholing een meerwaarde te
geven die de kansen op de externe arbeidsmarkt vergroot. Het beleid inzake
civiele scholing krijgt tegen deze achtergrond nog meer prioriteit. Zo beziet
de landmacht of het mogelijk is de initiële aanstellingsduur
(die nu kan variëren van 2,5 tot 5 jaar) mede te bepalen aan de hand
van de door de BBT'er gewenste arbeidsmarktrelevante scholing. Mede met het
oog hierop worden de geboden opleidings-mogelijkheden reeds zeer vroegtijdig
aan aspirant-BBT'ers kenbaar gemaakt. Hiermee zijn de civiele opleidingsmogelijkheden
niet alleen een doorstroominstrument (intern en naar de externe arbeidsmarkt)
maar ook een aantrekkelijk wervings-instrument.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarnaast zijn (pilot)projecten in voorbereiding of uitvoering waarin –
in samenwerking met werkgeversorganisaties, de arbeidsvoorziening, decentrale
overheden en de politie-organisatie – BBT'ers gericht worden geschoold
voor een toekomstige civiele functie. Tenslotte wordt studie verricht naar
een «voucher»-systeem, waarin het recht op scholings-faciliteiten
wordt geregeld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met dit alles kan Defensie een bijdrage leveren aan het kabinetsbeleid
dat is verwoord in de nota «Een leven lang leren» en het «Nationaal
Actieplan Werkgelegenheid». Defensie zal voor de verdere invulling van
de voorwaarden van het opleidingsbeleid ten aanzien van BBT'ers en hun teruggeleiding
naar de arbeidsmarkt medewerking vragen van de ministeries van OC&amp;W en
SZW. </al>
      <tuskop letat="vet">219, 230 en 231</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De precieze personele gevolgen van de herstructureringsmaatregelen
zijn in de Hoofdlijnennotitie nog niet gegeven: «ruim 2000 personeelsleden»
minder, «ongeveer 1400 personeelsleden» extra, «nadere studie
is nodig». Is het momenteel al mogelijk, conform de in de notitie afgegeven
intentie om «in het vervolg» zo snel mogelijk duidelijkheid te
verschaffen én in het licht van de erkenning dat onzekerheid onder
het personeel ongewenst is, om zowel de Tweede Kamer als het personeel van
de Krijgsmacht preciezer te informeren over de personele gevolgen? Zo niet,
op welke termijn dan wel? (pag. 36–37)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wordt bij de nadere studie die nodig is om een schatting te maken
van het precieze aantal personeelsleden dat als gevolg van de in deze Hoofdlijnennotitie
beschreven voornemens de Defensie-organisatie zal moeten verlaten ook het
burgerpersoneel meegenomen? Zo nee, waarom niet? (pag. 38)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke termijn kan de kamer de resultaten van deze, nog te verrichten,
nadere studie tegemoet zien? (pag. 38)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Hoofdlijnennotitie is een aantal voornemens gepresenteerd voor de
aanpassing van de operationele structuur van de krijgsmacht. Deze keuzes zijn
vervolgens, met enige voorzichtigheid, vertaald in personele consequenties.
Daarbij is vooralsnog geen onderscheid gemaakt in de gevolgen voor militair
en voor burgerpersoneel. Thans worden de personele gevolgen van de beschreven
maatregelen geconcretiseerd, waarbij onder andere het onderscheid naar militairen
en burgers zal worden aangebracht. De aangehaalde nadere studies leveren daaraan
een bijdrage. Zodra meer duidelijkheid bestaat over de personele consequenties
zullen de personeelsvertegenwoordigers in het sectoroverleg en het direct
betrokken personeel daarover worden geïnformeerd. Dan zal naar verwachting
ook meer duidelijkheid bestaan over herplaatsingsmogelijkheden. Daarop vooruitlopend
zijn, naast de algemene voorlichting aan het Defensiepersoneel, die onderdelen
die met name zijn genoemd in de Hoofdlijnennotitie direct na het verschijnen
van de notitie meer specifiek geïnformeerd over de gevolgen. De Defensienota
zal een meer gedetailleerd beeld van de personele gevolgen van de genoemde
maatregelen bevatten.  </al>
      <tuskop letat="vet">220</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan er concreet worden aangegeven op welke wijze Defensie zich een
verantwoordelijke werkgever zal blijven tonen voor het af te vloeien personeel?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering de garantie afgeven dat er geen gedwongen ontslagen
zullen vallen? (pag. 37)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Defensie zal zich tot het uiterste inspannen om de werkzekerheid van het
personeel dat de organisatie moet verlaten te waarborgen. Hierbij ligt de
nadruk op het garanderen van werk, niet baanzekerheid. Er kan geen garantie
worden gegeven dat er geen gedwongen ontslagen nodig zullen zijn. </al>
      <tuskop letat="vet">221</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zijn de extra middelen die uitgetrokken zijn voor vernieuwing van
het personeelsbeleid wel voldoende? Zo ja, waarop is dit gebaseerd? Zo nee,
waarom niet? (pag. 37)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij gaan ervan uit dat de gesignaleerde knelpunten met de gereserveerde
f 100 miljoen per jaar kunnen worden opgelost. De arbeidsvoorwaarden
van Defensie sluiten op zich goed aan bij de arbeidsmarkt (zie ook het antwoord
op vraag 222). In het kader van de werving en uitstroom doen zich met betrekking
tot enkele categorieën personeel knelpunten voor. Voorlopige berekeningen
rechtvaardigen de veronderstelling dat deze knelpunten met het structureel
gereserveerde bedrag van f 100 miljoen kunnen worden weggenomen. In de
Defensienota zal hierop nader worden ingegaan. </al>
      <tuskop letat="vet">222</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Acht de regering het met betrekking tot de werving van nieuw personeel
realistisch kwantitatief en kwalitatief voldoende personeel te kunnen werven
voor de Defensie-organisatie zonder een structurele verbetering van de arbeidsvoorwaarden?
Zo ja, waarop baseert de regering deze verwachting? Zo nee, wat stelt de regering
voor te doen aan de verbetering van de arbeidsvoorwaarden behorende bij de
functies waarvoor nieuw personeel wordt geworven? (pag. 37, 38)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De arbeidsvoorwaarden vormen de «prijs» die betaald moet worden
voor de factor arbeid. Deze prijs komt tot stand door de verhouding tussen
vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Aangezien Defensie gemiddeld voor ongeveer
87% in de wervingsbehoefte kan voorzien, kan geconcludeerd worden dat de arbeidsvoorwaarden
van Defensie in voldoende mate aansluiten bij de arbeidsmarkt. Wel bestaan
er nog knelpunten. Zie in dit verband ook het antwoord op vraag 221. Daarbij
zij opgemerkt, dat voor de schaarse categorieën waarvoor de werving moeizamer
verloopt, Defensie zich niet in een uitzonderingspositie bevindt; deze categorieën
zijn ook voor het bedrijfsleven moeilijk te werven. </al>
      <tuskop letat="vet">223</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In hoeverre is naast het vernieuwd personeelsbeleid en gerichtheid
op flexibilisering en verjonging van het personeelsbeleid ook nog oog voor
betere primaire arbeidsomstandigheden? (pag. 38)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het arbeidsomstandighedenbeleid zal de komende jaren de plaats krijgen
die het gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen en goed werkgeverschap
toekomt. Het ontwikkelen van het arbeidsomstandighedenbeleid zal de komende
jaren een van de hoofdaandachtspunten zijn van het personeelsbeleid. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De kern van de verantwoordelijkheid van de werkgever op het gebied van
arbeidsomstandigheden in de organisatie is gelegen in de zorg voor de veiligheid,
gezondheid en het welzijn van het personeel. Daarvoor is het nodig dat een
risico-inventarisatie wordt gemaakt en evaluatie-onderzoeken worden gedaan.
Op grond daarvan worden waar nodig verbeteringen in de arbeidsomstandigheden
aangebracht. Die hebben bijvoorbeeld betrekking op het werken met gevaarlijke
stoffen en de werkwijze in de bedrijven en werkplaatsen van Defensie. </al>
      <tuskop letat="vet">224</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe wordt er omgegaan met militairen aan wie reeds was toegezegd
dat zij van de VUT-regeling gebruik konden maken en dezelfde belofte vervolgens
werd ingetrokken? (pag. 38)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 227. </al>
      <tuskop letat="vet">225 en 226</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe verhoudt het verhogen van het functionele leeftijdsontslag zich
tot de voorgenomen verjonging van de krijgsmacht (pag. 38)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aan welke verhouding tussen de arbeidsdeelneming van relatief ouderen
en het te verjongen personeelsbestand denkt de regering? (blz. 38)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er bestaat een spanning tussen het verhogen van de algemene ontslagleeftijd
voor militairen en de voorgenomen verjonging van de krijgsmacht. De verjonging
krijgt gestalte in het wijzigen van de personeelsstructuur. Als een eerste
stap zal de huidige verhouding van 60% voor onbepaalde tijd aangesteld personeel
(BOT) en 40% voor een bepaalde tijd aangesteld, gemiddeld jonger, personeel
(BBT) wijzigen in een verhouding 40% BOT – 60% BBT. Het gaat daarbij
om een geleidelijk proces, dat mede moet worden getoetst aan de eventuele
gevolgen van de verhoging van de ontslagleeftijd. De samenstelling van het
personeelsbestand in de toekomst wordt nader uitgewerkt in de Defensienota. </al>
      <tuskop letat="vet">227 en 228</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat wordt precies bedoeld met: «om voor de verhoging van de
ontslagleeftijd enige tijd te nemen»? Aan welke tijdspad denkt de regering?
(pag. 38)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Tot welke leeftijd zal de leeftijdsgrens worden verhoogd? Wat wordt
exact bedoeld met een stapsgewijze verhoging? (pag. 38)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De verhoging van de ontslagleeftijd vloeit voort uit het regeringsbeleid
inzake de arbeidsparticipatie van ouderen bij de overheid, waarvoor een interdepartementeel
beleidsonderzoek wordt gedaan. Versobering van diensteinderegelingen is een
wezenlijk onderdeel van dat beleid. Het streven is erop gericht de Uitkeringswet
gewezen militairen om te vormen tot een moderne diensteinderegeling. Momenteel
wordt een nieuwe regeling ontworpen voor het leeftijdsontslag van militairen,
waarbij ervan wordt uitgegaan dat een verhoging van de ontslagleeftijd gefaseerd
zal worden ingevoerd. Vragen inzake de invoering maken deel uit van de genoemde
studies. Daarbij wordt tevens de samenhang met lopende en komende reducties
betrokken, alsmede het proces van verjonging van de krijgsmacht. Zie hierover
ook het antwoord op vraag 225.</al>
      <al>In het licht van het bovenstaande is het nu nog niet mogelijk te beslissen
over de manier waarop de ontslagleeftijd wordt verhoogd.</al>
      <al>Er is overigens geen sprake van gedane toezeggingen aan individuele militairen
die worden ingetrokken. Wel kan het voorkomen dat men bij indiensttreding
andere verwachtingen koesterde; die kunnen echter een wijziging van het algemene
beleid terzake niet in de weg staan. Wel mag worden verwacht dat maatregelen
worden ingevoerd met een overgangstermijn.  </al>
      <tuskop letat="vet">229</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke concrete stappen zijn of worden gedaan om in samenspraak met
onder meer de ministeries van SoZaWe en van OCW elke BBT'er en lager opgeleiden
een goede uitgangspositie op de arbeidsmarkt te verschaffen? (pag. 38)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 218. </al>
      <tuskop letat="vet">230 en 231</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wordt bij de nadere studie die nodig is om een schatting te maken
van het precieze aantal personeelsleden dat als gevolg van de in deze Hoofdlijnennotitie
beschreven voornemens de Defensie-organisatie zal moeten verlaten ook het
burgerpersoneel meegenomen? Zo nee, waarom niet? (pag. 38)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke termijn kan de kamer de resultaten van deze, nog te verrichten,
nadere studie tegemoet zien? (pag. 38)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 219. </al>
      <tuskop letat="vet">232 en 236</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe schat de regering de mogelijkheid in om materieel van de Nederlandse
krijgsmacht af te stoten naar nieuwe NAVO-landen, terwijl juist materieel
wordt afgestoten dat in de nieuwe veiligheidssituatie van evident minder belang
is? (pag. 41)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat zijn de effecten van het bezien van mogelijkheden binnen de NAVO
van het afstoten van materieel naar nieuwe NAVO-landen? Heeft dit invloed
op de omvang van de beoogde inkomsten uit de afstoting? Zo niet, wat is de
zin van het bespreken van het afstoten van materieel in NAVO-verband als de
financiële doelstelling van de opbrengsten niet ondergeschikt mag zijn
aan het bredere belang van de veiligheidsinspanningen van de NAVO? (pag. 45)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Nota Wapenexportbeleid van 28 maart 1991 wordt een voorkeur uitgesproken
voor verkoop van overtollig materieel aan de bondgenoten. Daarin past ook
het streven, ter bevordering van standaardisatie en interoperabiliteit, materieel
af te stoten naar nieuwe Navo-landen. Deze kunnen daardoor tegen aanzienlijk
lagere kosten dan bij nieuwkoop verouderd materieel geheel of gedeeltelijk
vervangen door moderner, nog niet afgeschreven, materieel. In beginsel zal
dat niet van invloed zijn op de omvang van de inkomsten, omdat ook bij verkoop
aan Navo-landen een marktconforme opbrengst wordt nagestreefd. </al>
      <tuskop letat="vet">233</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Verwacht de regering dat de nieuwe NAVO-landen hun defensiebudgetten
zullen moeten verhogen om te kunnen voldoen aan de eisen van de Defense Review
Committee om te worden toegelaten tot de NAVO? Hoe verhoudt een eventuele
verhoging van de defensiebudgetten van deze nieuwe landen zich tot het «vredesdividend»
dat in de huidige NAVO-landen verzilverd kan worden na het beëindigen
van de Koude Oorlog? (pag. 41)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Integratie van de nieuwe bondgenoten vereist aanzienlijke aanpassingen.
De drie nieuwe Navo-lidstaten hebben zelf te kennen gegeven hun defensiebudgetten
de komende jaren te zullen verhogen om aan de Navo-eisen van standaardisatie
en interoperabiliteit te voldoen. Hun situatie is niet te vergelijken met
die in de overige lidstaten. </al>
      <tuskop letat="vet">234</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In overleg met het Ministerie van Economische Zaken wordt onderzoek
gedaan naar kosten en baten van het compensatiebeleid. Van de Algemene
Rekenkamer ligt er inmiddels een rapport waarin het compensatiebeleid geanalyseerd
wordt. Naast het feit dat de Nederlandse industrie liever participeert dan
compenseert is het dan niet eenvoudiger het compensatiebeleid reeds nu af
te schaffen? (pag. 42)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Participatie in de zin van deelname van de Nederlandse industrie aan internationale
defensiematerieelsamenwerkingsprojecten speelt alleen als Defensie besluit
deel te nemen aan een internationaal samenwerkingsverband. Voor veel projecten
is dit niet mogelijk. In deze gevallen biedt compensatie toch mogelijkheden
de Nederlandse industrie in te schakelen. In sommige gevallen zijn de mogelijkheden
van compensatie vergelijkbaar met participatie in de bovenbedoelde zin.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het in de Hoofdlijnennotitie aangekondigde onderzoek naar de kosten en
de baten van het compensatiebeleid heeft niet op voorhand tot doel dit beleid
af te schaffen. Dit komt slechts aan de orde als er sprake blijkt te zijn
van een onbalans tussen de kosten en de baten van het compensatiebeleid. De
uitkomsten van het onderzoek moeten worden afgewacht. In de Defensienota zal
hierop nader worden ingegaan. </al>
      <tuskop letat="vet">235</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De verkoop van «overtollig» materieel leidt tot een inboeking
van 600 miljoen. Hoe reëel is dit bedrag? (pag. 45)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 7. </al>
      <tuskop letat="vet">236</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat zijn de effecten van het bezien van mogelijkheden binnen de NAVO
van het afstoten van materieel naar nieuwe NAVO-landen? Heeft dit invloed
op de omvang van de beoogde inkomsten uit de afstoting? Zo niet, wat is de
zin van het bespreken van het afstoten van materieel in NAVO-verband als de
financiële doelstelling van de opbrengsten niet ondergeschikt mag zijn
aan het bredere belang van de veiligheidsinspanningen van de NAVO? (pag. 45)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 232. </al>
      <tuskop letat="vet">237</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering aangeven welke missies niet meer kunnen worden uitgevoerd
door het afstoten van fregatten, jachtvliegtuigen en Orions? Welke gevolgen
heeft dit voor het voortzettingsvermogen tijdens crisisbeheersingsoperaties?
(pag. 45)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 4. </al>
      <tuskop letat="vet">238</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In hoeverre worden de opbrengsten van het afstoten van jachtvliegtuigen,
Orions en fregatten tenietgedaan door relatief hogere exploitatiekosten als
de overige eenheden vaker worden ingezet? (pag. 45)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De eenheden van de krijgsmacht zullen niet vaker worden ingezet, het huidige
ambitieniveau voor deelname aan crisisbeheersingsoperaties staat niet ter
discussie. Bij de maatregelen die zijn voorgesteld in de Hoofdlijnennotitie
is nadrukkelijk rekening gehouden met het voortzettingsvermogen voor deelname
aan deze crisisbeheersingsoperaties. </al>
      <tuskop letat="vet">239</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">«Ten aanzien van diverse projecten (met een gezamenlijk volume
van ongeveer 350 miljoen) wordt bestudeerd of naast vertraging ook verkleining
van de omvang moet worden overwogen.» Om welke projecten gaat het, om
welke vertragingen en om welke verkleiningen, en hoe verhoudt zich dit alles
tot de in de Hoofdlijnennotitie gemaakte strategische keuzes? (pag. 45)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De genoemde f 350 miljoen betreft een ruwe schatting van mogelijkheden
tot verkleinen en vertragen van in de plannen voorziene kleinere investeringsprojecten
die gerelateerd zijn aan de gemaakte keuzes. Het totale volume ligt verspreid
over de jaren 2004–2009, de jaren die aansluiten op de meerjarenramingen
van de rijksbegroting 1999. Op dit moment wordt nader in kaart gebracht welke
van de vele kleinere investeringsprojecten op welke wijze beïnvloed worden
door de keuzes uit de Hoofdlijnennotitie. Pas in de Defensienota zal een meer
gedetailleerd en sluitend beeld gepresenteerd kunnen worden. </al>
      <tuskop letat="vet">240</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe dient de opmerking geïnterpreteerd te worden dat het proces
van totstandkoming van de Defensienota nog van invloed kan zijn op de uitvoering
van de begroting 1999? Is het mogelijk dat het budget uiteindelijk toch nog
verhoogd kan worden? Of is dit wederom een indekking tegen nog meer bezuinigingen?
(pag. 46)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het moet niet worden uitgesloten dat bij de uitwerking van eerder gepresenteerde
voornemens – bijvoorbeeld voorgenomen aanschaffingen – definitieve
beleidskeuzes worden aangehouden in afwachting van de vaststelling van de
Defensienota, hetgeen van invloed kan zijn op de uitvoering van de begroting
1999. </al>
      <tuskop letat="vet">241</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke efficiency- en kwaliteitsverbetering en budgettaire voordelen
zijn er in de afgelopen jaren geboekt als gevolg van de uitbesteding van ondersteunende
taken, met name onderhoud? (pag. 46)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De in de afgelopen jaren geboekte efficiency- en kwaliteitsverbetering
en budgettaire voordelen op het gebied van onderhoud zijn vooral het gevolg
geweest van de in 1994 begonnen doelmatigheidsoperatie. In de begroting 1998
is bij het artikel U08.03 Doelmatigheidsbesparingen onder het blok <nadruk type="cur">Onderhoud
en Logistiek</nadruk> aangegeven welke maatregelen dit betrof. Zie ook het antwoord
op vraag 242. </al>
      <tuskop letat="vet">242</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Met betrekking tot het personeelsbeleid wordt in de Hoofdlijnennotitie
gesteld dat Defensie een flexibeler personeelssysteem zal moeten ontwikkelen.
Betekent dit ook de uitbesteding van taken aan particuliere bedrijven of organisaties,
zoals de bewaking en beveiliging van militaire objecten? Kan de regering inzicht
geven in de functies of taken die mogelijkerwijs in aanmerking komen voor
uitbesteding aan particuliere bedrijven of organisaties? Wordt inmiddels,
vooruitlopend op de resultaten van het IBO, al een begin gemaakt met het uitbesteden
van bewakings- en beveiligingsfuncties bij Defensie? Kan de regering uitleggen
hoe personeel van particuliere bewakingsbedrijven, die geen ambtelijke eed
afleggen noch wapens mogen dragen, de bewakingsfunctie zoals die nu wordt
uitgevoerd door burgerpersoneel van Defensie, verantwoord kunnen overnemen?
Zullen voor de bedrijven en het personeel daarvan, die functies van Defensie
overnemen, dezelfde kwaliteitseisen gelden als nu het geval is voor eigen
personeel van Defensie? Kan de regering aangeven of de arbeidsomstandigheden
en salariëring van het personeel van particuliere bedrijven zodanig overeenkomen
met die van Defensiepersoneel dat hierin geen verdringing, oneerlijke
concurrentie of verstoorde intermenselijke relaties tussen particulier- en
Defensiepersoneel ontstaan? (pag. 46)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het kader van het zogeheten IBO wordt thans een onderzoek gehouden
naar de mogelijkheden tot uitbesteding van ondersteunende diensten bij Defensie.
De werkgroep die belast is met dit onderzoek en die onder voorzitterschap
staat van mr. B. Staal, Commissaris der Koningin in de provincie Utrecht,
richt zich daarbij in het bijzonder op de onderwerpen hoger onderhoud, bewaking
en beveiliging, en transport. De werkgroep wordt ondersteund door het extern
adviesbureau Moret, Ernst &amp; Young. De werkgroep zal naar verwachting in
de maand mei haar rapport aanbieden aan de Ambtelijke Commissie Heroverweging,
die het na goedkeuring zal aanbieden aan Defensie. Vervolgens zal het rapport
worden voorgelegd aan de Ministerraad. Wellicht zullen nog vervolgonderzoeken
noodzakelijk blijken. Het is derhalve niet mogelijk reeds nu, vooruitlopend
op de besluitvorming over de voorstellen van de werkgroep, een overzicht te
geven van uit te besteden taken en diensten. Evenmin wordt tegen deze achtergrond
nu al een begin gemaakt met het uitbesteden van bewakings- en beveiligingsfuncties.
Bij het nemen van eventuele beslissingen inzake uitbesteding zal rekening
worden gehouden met wettelijke kaders en regelingen, zoals die voor het gebruik
van (vuur)wapens door verschillende categorieën personeel en die voor
kwaliteitseisen. Het is niet mogelijk reeds nu nadere informatie te verstrekken
over arbeidsomstandigheden en salariëring van het personeel van particuliere
bedrijven, zolang geen duidelijkheid bestaat welke bedrijven het betreft.
Bij eventuele uitbesteding van taken en diensten zal het betrokken Defensiepersoneel
moeten worden overgenomen, waarbij Defensie nadere voorwaarden zal stellen. </al>
      <tuskop letat="vet">243, 245 en 246</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">«Een Defensienota is een belangrijk en veelomvattend stuk over
de toekomst van de krijgsmacht.» In hoeverre zal er inderdaad sprake
zijn van een «toekomststuk», gezien het niet volledig uitvoeren
van de Prioriteitennota? Op welke wijze kan de regering garanderen dat deze
keer de Defensienota wel volledig zal worden uitgevoerd? (pag. 47)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Hoofdlijnennotitie wordt gesuggereerd dat er nog geen definitieve
besluiten zijn genomen. Betekent dit dat voor de parlementaire behandeling
van de Defensienota geen besluiten worden uitgevoerd? Zo ja, worden dan de
bezuinigingen via incidentele maatregelen ingevuld? Zo nee, op welke wijze
wordt voorkomen dat het parlement voor een voldongen feit wordt geplaatst?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Heeft de regering zich onvoorwaardelijk gesteld achter de Hoofdlijnennotitie
of is reeds bij de bespreking aangegeven dat verdergaande bezuinigingen zeker
niet aan Defensie zullen voorbijgaan?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de loop der jaren is de defensie-organisatie steeds aangepast aan de
ontwikkeling van de internationale veiligheidssituatie en aan het door de
regering bepaalde budget. Vanzelfsprekend zal de regering er alles aan doen
om de in de Defensienota op te nemen besluiten uit te voeren. Anderzijds is
het in het licht van de omstandigheden onvermijdelijk dat eerder genomen maatregelen
worden geëvalueerd en geactualiseerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de parlementaire behandeling van de Defensienota zullen geen onomkeerbare
besluiten worden genomen. Voor de invulling van de financiële taakstelling
uit het Regeerakkoord zijn in 1999 incidentele maatregelen genomen (voornamelijk
uitstel van investeringsprojecten). In de begroting voor het jaar 2000 en
de bijbehorende meerjarencijfers zal rekening worden gehouden met de voorstellen
uit de Hoofdlijnennotitie. Overigens zal de financiële taakstelling voor
het jaar 2000 gedeeltelijk eveneens met incidentele maatregelen moeten worden
ingevuld. De regering streeft ernaar de Defensienota met de definitieve
besluiten, als dit verantwoord mogelijk is, te publiceren voorafgaand aan
de parlementaire behandeling van de begroting 2000. </al>
      <tuskop letat="vet">244</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe wordt de Strategische Toekomstdiscussie Defensie concreet vormgegeven,
naast de bijzondere uitgave van de Defensiekrant? Wie zullen hieraan moeten
deelnemen en hoe wordt in die deelname voorzien? Wat zijn de eisen waaraan
de discussie met betrekking tot deelname en kwaliteit moet hebben voldaan
om op 1 juli succesvol te kunnen worden afgerond? Kan de regering aangeven
op welke punten van de Hoofdlijnennotitie in verband met bondgenootschappelijke
of anderszins vastgelegde verplichtingen de uitkomst van de discussie geen
of weinig invloed zal hebben op het nieuwe Nederlandse Defensiebeleid? (pag. 47)</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Strategische Toekomstdiscussie Defensie (STD) maakt deel uit van de
voorbereidingen voor de Defensienota 2000. Defensie biedt iedereen –
maatschappelijke organisaties en groeperingen buiten de defensie-organisatie,
maar ook het eigen personeel – de gelegenheid te reageren op de Hoofdlijnennotitie
en ideeën aan te dragen voor de Defensienota. Defensie zal hierbij een
stimulerende rol vervullen en zelf initiatieven nemen om de discussie te bevorderen.
Zo is een speciale internetsite geopend en wordt in advertenties opgeroepen
aan de discussie deel te nemen.</al>
      <al>Defensie wacht zulke reacties niet af, maar zoekt zelf ook organisaties
en groeperingen op. Binnen de eigen organisatie worden bijeenkomsten georganiseerd.
Daarnaast zal een groot aantal externe organisaties activiteiten in het kader
van de STD ontwikkelen. Desgevraagd zal Defensie deze bijeenkomsten mede mogelijk
maken door sprekers en faciliteiten beschikbaar te stellen, dan wel door een
financiële ondersteuning. In een aantal bijeenkomsten zal Defensie met
een groot aantal van zulke organisaties en groeperingen over de toekomst van
de Nederlandse krijgsmacht praten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tussentijds worden de bewindspersonen regelmatig geïnformeerd over
de reacties. Deze zullen worden gebundeld en begin juli aan de Tweede Kamer
worden aangeboden. Voor de afsluitende bijeenkomst van de STD op 30 juni a.s.
worden personen en instanties uitgenodigd die aan de discussie hebben bijgedragen.
Na afloop van de STD wordt beoordeeld welke bijdragen tot veranderingen in
de plannen zullen moeten leiden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie ook het antwoord op vraag 29. De STD zal geslaagd zijn als de discussie
over de Nederlandse defensie-inspanning in de samenleving en binnen de defensie-organisatie
is verbreed en verdiept. Daarbij worden niet op voorhand kwantitatieve of
kwalitatieve maatstaven gehanteerd. </al>
      <tuskop letat="vet">245 en 246</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Hoofdlijnennotitie wordt gesuggereerd dat er nog geen definitieve
besluiten zijn genomen. Betekent dit dat voor de parlementaire behandeling
van de Defensienota geen besluiten worden uitgevoerd? Zo ja, worden dan de
bezuinigingen via incidentele maatregelen ingevuld? Zo nee, op welke wijze
wordt voorkomen dat het parlement voor een voldongen feit wordt geplaatst?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Heeft de regering zich onvoorwaardelijk gesteld achter de Hoofdlijnennotitie
of is reeds bij de bespreking aangegeven dat verdergaande bezuinigingen zeker
niet aan Defensie zullen voorbijgaan?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 243.  </al>
      <tuskop letat="vet">247</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Investeringen zijn wegens bezuinigingen uitgesteld. Leidt dit uitstel
niet na 2002 tot een grotere «boeggolf» voor de dan komende investeringsverplichtingen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 210. </al>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling: Leden: Van den Berg (SGP), Zijlstra (PvdA), Apostolou (PvdA),
Hillen (CDA), Valk (PvdA), voorzitter, Hessing (VVD), ondervoorzitter, Van
Ardenne-van der Hoeven (CDA), Hoekema (D66), Stellingwerf (RPF), Essers (VVD),
Verhagen (CDA), M. B. Vos (GL), Van 't Riet (D66), Van den Doel (VVD),
De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Van der Knaap (CDA), Harrewijn (GL), Niederer
(VVD), Timmermans (PvdA), Van Bommel (SP), Oplaat (VVD), Albayrak (PvdA),
Balemans (VVD) en Herrebrugh (PvdA).</al>
    <al>Plv. leden: Dittrich (D66), Swildens-Rozendaal (PvdA), Arib
(PvdA), Leers (CDA), Van Oven (PvdA), Weisglas (VVD), Eurlings (CDA), Ter
Veer (D66), Van Middelkoop (GPV), Passtoors (VVD), Van der Hoeven (CDA), Vendrik
(GL), Lambrechts (D66), Blaauw (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Van Dok-Van
Weele (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GL),  E. Meijer (VVD), Dijksma
(PvdA), Marijnissen (SP), Voorhoeve (VVD), Van Gijzel (PvdA), Wilders (VVD)
en Apostolou (PvdA).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>