﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26263-51/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1998-1999</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.1__2.4" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST36588</ordernr>
    <vergjaar>1998-1999</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 263</nummer>
      <naam>Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport 1999–2003</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>51</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>'s-Gravenhage,  <datum>16 juli 1999</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de behandeling van het huidige MIT is langdurig stilgestaan bij de
vraag of het MIT wel voldoende toegankelijk is. Via MIT en begroting moet
immers de politieke besluitvorming over het infrastructuurbeleid worden vormgegeven.
Ik heb tijdens die discussie toegezegd hierop mijn visie te zullen geven.
Met deze brief wil ik hieraan voldoen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het MIT 1996–2000 is de zogenaamde MIT-systematiek geïntroduceerd
met als doel «rijpe en groene» projecten te onderscheiden. De
driedeling in verkennings-, planstudie- en realisatiefase maakt het mogelijk
de mate van bestuurlijke voortgang en de hardheid van de projectramingen te
categoriseren. Een ander voordeel is de helderheid die geboden wordt in de
voortgang van de projecten en het feit dat er sprake is van duidelijke beslismomenten.
Bij de laatste wordt vastgesteld of verdere studie zinvol is, of dat studie
moet worden beëindigd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de brochure «Spelregels van het Meerjarenprogramma Infrastructuur
en Transport» uit 1997 wordt de systematiek nader toegelicht. Helder
wordt gemaakt dat opname in de verkenningsfase of planstudiefase van het MIT
geen waarborg biedt voor daadwerkelijke uitvoering.</al>
      <al>In de praktijk bleek deze nieuwe werkwijze een duidelijke verbetering.
Echter gezien het aantal verkeers- en vervoersknelpunten in Nederland, omvatte
het MIT inmiddels een dusdanige werkvoorraad aan projecten, dat een nadere
onderverdeling in prioritaire en minder prioritaire projecten noodzakelijk
werd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Van vele kanten is aangegeven dat het MIT meer duidelijkheid zou moeten
bieden over de (on)mogelijkheden om projecten, binnen een realistische termijn,
ook daadwerkelijk te kunnen financieren. Ook uw Kamer heeft hierbij stilgestaan –
tijdens meerdere MIT-behandelingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met het MIT 1999–2003 is daarom een nieuwe dimensie aan bovenstaande
toegevoegd. Die bestaat uit het koppelen van de budgettaire ruimte
voor een bepaalde periode aan het aantal in uitvoering te nemen projecten.</al>
      <al>Na een moeilijk en weerbarstig proces waarbij de regionale partners nadrukkelijk
zijn betrokken, is het uiteindelijk mogelijk gebleken een lijst met projecten
te selecteren, die in de periode tot en met 2010 in uitvoering komen. Deze
projecten kunnen alle uitgevoerd worden binnen de huidige financiële
randvoorwaarden. Dit betekent evenwel dat kostenstijgingen bij het ene project
gecompenseerd moeten worden door binnen het project te versoberen, dan wel
door lagere kosten bij een ander project, tenzij de kosten voor aanvullende
wensen van een project gedragen worden door derden. De prioritering heeft
als zodanig gestalte gekregen in een categorie-indeling, waarbij de meest
prioritaire projecten zijn opgenomen onder de categorieën 0 en 1. Daarmee
bestaat voor alle betrokkenen duidelijkheid over de prioriteit die aan een
MIT-project wordt toegekend.</al>
      <al>Bij de behandeling van dit MIT in de Kamer is gebleken dat u waardering
heeft voor de aanpak en deze ook onderschrijft.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het huidige MIT en het programma tot en met 2010 geeft daarmee de gewenste
duidelijkheid voor een groot aantal jaren. Er blijven echter verbeterpunten.
Zo bestrijkt het MIT een periode van 5 jaar, terwijl nu sprake is van een
programma tot en met 2010.</al>
      <al>Om voor een zo lange periode projecten te volgen en waar nodig ten opzichte
van elkaar te moeten afwegen, is meer informatie noodzakelijk. Met name het
kamerlid Van Heemst heeft hier in zijn reactie een lans voor gebroken; echter
ook andere kamerleden hebben hierop ingespeeld. Ik deel een groot deel van
hun conclusies.</al>
      <al>Bij het opstellen van het komende MIT besteed ik daarom extra aandacht
aan de wensen, zoals verwoord bij de behandeling ervan eind vorig jaar. In
de brief van de vaste kamercommissie voor Verkeer en Waterstaat van 16 juni
1999 (nummer 99/36VW) zijn deze nog eens weergegeven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De kwalitatieve verbeterslag bestaat uit een beter leesbaar geheel, duidelijker
kaarten die meer inzicht geven door koppeling met de tabellen, heldere argumentatie
bij mutaties en een duidelijker zicht op het voorgenomen investeringsprogramma
tot en met 2010.</al>
      <al>Gezien de eerder genoemde afspraken die er rond het programma bestaan,
kan er overigens in het voorgenomen investeringsprogramma geen sprake zijn
van wijzigingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naast deze meer redactionele aandachtspunten moet ook het besluit- vormingsproces
transparanter worden. De beslismomenten, waarbij de overgang van de ene MIT-fase
naar een andere MIT-fase aan de orde is, moeten meer toetsbare, politieke
beslismomenten worden. Daarbij worden afspraken gemaakt of en onder welke
condities verder wordt gegaan.</al>
      <al>Op dit moment vindt de discussie in de Kamer over de voor- en nadelen
van een project vaak plaats als het ontwerp praktisch is uitgewerkt. Deze
discussie moet, wat de randvoorwaarden en hoofdlijnen betreft, in een veel
eerder stadium plaatsvinden. Met name de overgang van verkenningsfase naar
planstudiefase wil ik in dit kader centraal stellen, omdat het betreffende
knelpunt dan erkend wordt en er in het vervolgtraject ingezet wordt op een
infrastructuuroplossing. Bij deze overgang wordt een nog verder te ontwikkelen
referentieontwerp vastgesteld, dat de gesignaleerde problematiek oplost en
voldoet aan de wettelijke en beleidsmatige eisen. Het ontwerp vormt vervolgens
de basis voor overleg met de betrokkenen in de samenleving.</al>
      <al>Omdat aan het toekomstige referentieontwerp een taakstellend budget is
gekoppeld, wordt zichtbaar dat wijzigingen in het ontwerp consequenties hebben.
Vanzelfsprekend wordt gestreefd naar goede oplossingen bij de aanleg
van infrastructuur. Dit laat onverlet dat daarnaast ook gestreefd wordt naar
kosteneffectiviteit. Daarbij komt dat er nog een veelheid aan wensen is met
betrekking tot het uitbreiden van de capaciteit van infrastructuur. De bedragen
die daarmee gemoeid zijn, dwingen tot een zorgvuldige afweging tussen de kwaliteit
voor het ene project enerzijds en de noodzaak om geld te reserveren voor andere
projecten anderzijds. Ik wil de Kamer bij deze afwegingen nadrukkelijk betrekken.</al>
      <al>Het spreekt ook voor zich dat de Tweede Kamer dan ook over voldoende toegankelijke
informatie moet kunnen beschikken om haar functie uit te oefenen. Het beschikbare
programma tot en met 2010 biedt hierbij de nodige ondersteuning.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naast het programma tot en met 2010 wil ik daarom een projectenboek aanreiken.
In een dergelijk boek worden de essentiële gegevens van de projecten
gepresenteerd.</al>
      <al>Veel kan via kaartbeelden worden weergegeven: waar bevindt het project
zich, van welke ruimtelijke omgeving maakt het deel uit en wat is het probleemoplossend
vermogen van het project. Hiervoor zijn kaarten noodzakelijk die vanuit het
grotere geheel (inter-) nationale belangen (corridorsketens) zichtbaar maken,
en kaarten die meer de regionale inbedding weergeven.</al>
      <al>In bijgaande opzet doe ik een voorstel voor een dergelijke uitwerking<voetref refid="v3.1" nr="1"></voetref>. Ik heb daarbij rekening gehouden met de voorstellen,
die gedaan zijn in de brief van de vaste kamercommissie van 16 juni jongstleden.
Voor wat betreft het daarin genoemde verloop van de kostenontwikkeling stel
ik voor als basis voor dit verloop de taakstellende budgetten, zoals die bij
het MIT 1999–2003 zijn vastgesteld, te gebruiken.</al>
      <al>Indien u zich in de opzet kunt vinden, stel ik mij voor een dergelijk
projectenboek bij de begroting 2001–2005 gereed te hebben.</al>
      <al>Door een aantal kamerleden is in het MIT-overleg aangegeven wat uitvoeriger
over de status van het MIT te willen praten en meer specifiek over de projecten
die eronder liggen. Ik wil graag op deze uitnodiging ingaan. Ik hoop dat de
voorstellen uit deze brief een basis vormen om met elkaar hierover verder
van gedachten te wisselen. </al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Verkeer en Waterstaat,</functie>
        <naam>T. Netelenbos</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v3.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>