Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200026256 nr. 20

26 256
Wijziging van de Mediawet en de Tabakswet (implementatie wijziging richtlijn «Televisie zonder grenzen»)

nr. 20
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 27 april 2000

In het algemeen overleg d.d. 12 april 2000 waarin mijn brief van 17 maart 2000 (26 256, nr. 19) inzake de conceptlijst van evenementen werd besproken, heb ik toegezegd in een brief nader in te gaan op de juridische handhaafbaarheid van de regelgeving inzake de evenementenlijst en in hoeverre er sprake is van onteigening van of inbreuk op rechten. Ten aanzien van de handhaafbaarheid werd de specifieke vraag gesteld wat er gebeurt indien een rechthebbende zich niets gelegen laat liggen aan de regelgeving en de exclusieve uitzendrechten van een op de lijst geplaatst evenement verkoopt aan een betaalkanaal en dit kanaal vervolgens besluit het evenement exclusief uit te zenden.

1. Ten aanzien van de eerste vraag over de handhaafbaarheid van de regeling:

In het wetsvoorstel «wijziging van de Mediawet en de Tabakswet» (implementatie wijziging richtlijn «Televisie zonder grenzen») is in artikel 72 bepaald dat «Bij algemene maatregel van bestuur wordt een lijst opgesteld van evenementen als bedoeld in artikel 3 bis van de Europese richtlijn, die, indien zij als een onderdeel van een televisieprogramma worden uitgezonden, in ieder geval worden uitgezonden op een open net». Deze bepaling richt zich op grond van artikel 73 van het wetsvoorstel tot (publieke en commerciële) omroeporganisaties (waaronder betaalkanalen).

De bepaling is dus niet van toepassing op rechthebbenden. Rechthebbenden kunnen hun uitzendrechten verkopen aan iedere omroeporganisatie, zowel aan open netten als aan betaalkanalen. De situatie dat een rechthebbende zijn uitzendrechten van een op de lijst geplaatst evenement exclusief aan een betaalkanaal verkoopt zal zich echter in de praktijk minder snel voordoen. Een betaalkanaal zal waarschijnlijk minder geïnteresseerd zijn in de rechten, omdat hij het op de lijst geplaatste evenement niet exclusief mag uitzenden. Immers als een betaalkanaal (in de zin van een niet-open net) een op de lijst geplaatst evenement wel exclusief uitzendt dan kan hij, op grond van artikel 72 (van het wetsvoorstel) juncto artikel 134 van de Mediawet, worden bestraft door het Commissariaat voor de Media.

Het Commissariaat kan bij overtreding van de Mediawet op grond van artikel 135, eerste lid, van de Mediawet een bestuurlijke boete opleggen of op grond van artikel 71c, tweede lid onder b, de toestemming om uit te zenden intrekken. In het bovengenoemde wetsvoorstel implementatie richtlijn «Televisie zonder grenzen» is niet een zodanige wijziging van artikel 135, eerste lid, opgenomen dat bij overtreding van de evenementenregeling een boete van de hoogste categorie (ten hoogste f 200 000,–) opgelegd kan worden. De geringe hoogte van de bestuurlijke boete die in het kader van het betreffende wetsvoorstel opgelegd kan worden (ten hoogste f 50 000,– per overtreding) zou in de gegeven omstandigheden als een zwak van het wetsvoorstel beschouwd kunnen worden. Zeker gezien de steeds verdergaande commercialisering van de sport en de financiële belangen van een omroeporganisatie bij (exclusieve) uitzendrechten. Bekeken zou kunnen worden of de artikelen 72 en 73 van het betreffende wetsvoorstel gerelateerd zouden moeten aan een bestuurlijke boete van de hoogste categorie of dat een aparte (hogere) categorie opgenomen zou moeten worden. Sinds de inwerkingtreding van de Mediawet zijn de bedragen inzake de bestuurlijke boete niet gewijzigd. Het lijkt mij nu een goed moment opnieuw te bezien of deze bedragen nog steeds afdoende zijn om adequaat toezicht te waarborgen.

Ook in grensoverschrijdende situaties is de regeling handhaafbaar. In artikel 3 bis van de Europese richtlijn «Televisie zonder grenzen» (richtlijn 89/552/EG zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG), waaruit artikel 72 van het wetsvoorstel voortvloeit, is in het derde lid de wederzijdse erkenning geregeld. Iedere lidstaat dient dit artikel in haar nationale regelgeving te implementeren. De wederzijdse erkenning zorgt ervoor dat lidstaten erop moeten toezien dat omroeporganisaties die onder hun bevoegdheid vallen en exclusieve uitzendrechten hebben verworven van een evenement dat in een andere lidstaat op een lijst is geplaatst, het evenement, indien het wordt uitgezonden, conform de regelgeving in die andere lidstaat op een open net uitzenden. Deze regeling voorkomt omzeiling van nationale maatregelen door omroeporganisaties die uitzenden vanuit een andere lidstaat.

2. Ten aanzien van de tweede vraag: in hoeverre is er sprake van onteigening van rechten of een inbreuk op rechten.

Onteigening van rechten doet zich pas voor als er daadwerkelijk (gedeeltelijk) rechten worden ontnomen en tot eigendom van iemand anders worden gemaakt. Daarvan is hier geen sprake. De rechthebbende kan nog steeds zelf ten volle de eigen rechten exploiteren.

Is er sprake van een inbreuk op of beperking van rechten? Deze vraag kan duidelijker omschreven worden als: is er sprake van een beperking van de exploitatiemogelijkheden door rechthebbenden van rechten van evenementen die op de lijst geplaatst zijn. Dat is niet direkt het geval. Rechthebbenden kunnen hun rechten verkopen aan wie zij dat wensen. Indirect is daarvan wel sprake. Zoals boven omschreven zullen betaalkanalen minder geïnteresseerd zijn in het verwerven van de betreffende rechten.

(Wettelijke) beperkingen of begrenzingen van eigendomsrechten doen zich regelmatig voor. In veel gevallen is dat om een publiek belang te dienen. Bijvoorbeeld de Telecomwet kent een bepaling waarin een ieder de aanleg en instandhouding van kabels ten dienste van een openbaar telecommunicatienetwerk of van een omroepnetwerk in en op openbare gronden dient te gedogen. Een ander voorbeeld kan gevonden worden in de Mediawet waarin een bepaling is opgenomen dat een toestemming van een commerciële omroeporganisatie geweigerd of ingetrokken kan worden indien een dergelijke organisatie een aandeel van één vierde of meer op de dagbladmarkt heeft.

Wettelijke beperkingen van een recht kunnen ook gevonden worden in de Auteurswet. Op grond van een bepaling in die wet wordt bijvoorbeeld de verveelvoudiging van een werk welke beperkt blijft tot enkele exemplaren en uitsluitend dient tot eigen oefening, studie of gebruik niet als inbreuk op het auteursrecht beschouwd. Een ander geval van begrenzing van intellectuele eigendomsrechten is te vinden in de beslissing van de Nma inzake de (verplichte terbeschikkingstelling van) programmagegevens. In die beslissing wordt verwezen naar de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de uitoefening van intellectuele eigendomsrechten een begrenzing kent in het mededingingsrecht.

Het aspect van de beperking van rechten als gevolg van de evenementenregeling is ook tijdens de totstandkoming van de regeling op Europees niveau uitgebreid aan de orde gekomen. In Europees verband is wel de vraag opgeworpen of rechthebbenden van evenementen die als enige kunnen beschikken over betreffende uitzendrechten dit recht exclusief aan één omroeporganisatie mogen verkopen of dat een dergelijke rechthebbende op grond van het mededingingsrecht verplicht zou kunnen worden de rechten aan meerdere omroepen ter beschikking te stellen. Deze situatie is vergelijkbaar met de door de Nma aan de NOS en HMG opgelegde verplichting om de programmagegevens ter beschikking te stellen aan derden.

Zoals blijkt uit artikel 3 bis van de richtlijn «Televisie zonder grenzen» is er (ook) op Europees niveau voor gekozen het doel van de regeling (recht op informatie en de brede toegang van het publieke tot bepaald evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving) te realiseren door de verplichting op te leggen aan omroeporganisaties. Dat dit bepaalde effecten met zich meebrengt voor rechthebbenden moet ten behoeve van het te bereiken doel aanvaard worden.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

F. van der Ploeg