Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 1998-1999
Kamerstuk 26200-X nr. 2

Gepubliceerd op 18 september 1998
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



26 200 X
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 1999

nr. 2
MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

  Blz.
   
INLEIDING6
   
HOOFDSTUK 1: INTERNATIONALE ASPECTEN VAN HET VEILIGHEIDSBELEID8
1.1Internationale veiligheidssituatie8
1.2Internationale samenwerking9
1.2.1Algemeen9
1.2.2Navo10
1.2.3Defensiesamenwerking met Midden- en Oost-Europese landen en Rusland11
1.2.4West-Europese Unie12
1.3Wapenbeheersing12
1.3.1CSE-verdrag12
1.3.2Landmijnen13
1.4Proliferatie van NBC-wapens en overbrengingsmiddelen14
1.5Vredesoperaties en humanitaire hulp14
1.5.1Algemeen14
1.5.2Nederlandse bijdrage aan vredesoperaties16
1.5.3Voormalig Joegoslavië16
1.5.4Albanië19
1.5.5Cyprus19
1.5.6Andere vredesoperaties19
1.5.7Evaluatie vredesoperaties20
1.5.8Pool van mijnenruiminstructeurs21
1.6 Caribisch gebied22
   
HOOFDSTUK 2: DE KRIJGSMACHT23
2.1Algemeen23
2.2Koninklijke marine23
2.2.1Algemeen23
2.2.2Internationale samenwerking23
2.2.3Voortgang herstructurering23
2.2.4Materieelprojecten24
2.3 Koninklijke landmacht24
2.3.1Algemeen24
2.3.2Internationale samenwerking25
2.3.3Voortgang herstructurering25
2.3.4Materieelprojecten26
2.4Koninklijke luchtmacht27
2.4.1Algemeen27
2.4.2Internationale samenwerking27
2.4.3Voortgang herstructurering27
2.4.4Materieelprojecten28
2.5Koninklijke marechaussee28
2.5.1Algemeen28
2.5.2Voortgang herstructurering29
2.5.3Intensivering vreemdelingentoezicht en grensbewaking29
2.5.4Interdepartementaal beleidsonderzoek29
2.6Defensie Interservice Commando29
2.6.1Algemeen29
2.6.2Voortgang herstructurering29
   
HOOFDSTUK 3: HET PERSONEELSBELEID31
3.1Personeelsreductie31
3.2Personeelsvoorziening33
3.3Flexibilisering personeelsstructuur33
3.4Arbeidsvoorwaarden33
3.5Beleid voor postactieven34
3.5.1Pensioenen en sociale zekerheid34
3.5.2Veteranenbeleid34
3.6Reservepersoneel35
3.7Emancipatiebeleid35
3.8Homosexualiteit36
3.9Minderheden36
3.10Arbeidsomstandigheden36
3.11Geestelijke verzorging37
   
HOOFDSTUK 4: HET MATERIEELBELEID38
4.1Inleiding38
4.2Defensie Materieelkeuze Proces38
4.3Verwervingsbeleid38
4.4Internationale materieelbetrekkingen39
4.5Overheidssteun aan exportactiviteiten40
4.6Defensie en de Nederlandse industrie40
4.7Verbetering materiële functiegebied40
4.8Afstoting41
4.9Onroerend goed41
4.10Wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling42
4.11Luchtvaartcluster43
   
HOOFDSTUK 5: RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEU44
5.1Ruimtelijke ordening44
5.2Milieu44
5.3Geluidszonering45
   
HOOFDSTUK 6: DE DEFENSIE-ORGANISATIE46
6.1Kerndepartement46
6.2Militaire Inlichtingendienst46
6.2.1Reorganisatie46
6.2.2Voortgang van aanpak MI-archieven46
6.3Millenniumprobleem47
6.4Project Herinrichting Informatievoorziening Defensie49
6.5Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst (Vir)50
6.6Evaluatie-onderzoeken50
6.7Archivering51
   
HOOFDSTUK 7: FINANCIEN52
7.1Financieel kader52
7.1.1Voorjaarsnota52
7.1.2Regeerakkoord52
7.2Overzicht reële ontwikkeling defensiebudget53
7.3Verdeling over de bestedingscategorieën 1997–199954
7.4Financiële aspecten ingebruikgeving/medegebruik55
7.5Kengetallen55
7.5.1Stand van zaken ramingskengetallen55
7.5.2Prestatie-indicatoren56
7.5.3Doeltreffendheidskengetallen56
7.6Financiering vredesoperaties56
7.6.1. Financiering vredesoperaties56
7.6.2Begrotingen 1998 en 199957
7.6.3Claims bij de VN57
7.7Financieel beleid en beheer58
7.8Invoering van de Euro58
   
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING59
   
Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen)59
   
Inleiding59
 – Begrotingsindeling59
 – Nieuwe mutaties59
 – Personele ramingen59
 – Loon- en prijspeil59
 – Loonbijstelling 199859
 – Prijsbijstelling 199860
 – Actualisering Prioriteitennota61
 – Verplichtingen-kassystematiek61
   
Beleidsterrein Algemeen63
   
Algemeen63
   
Artikel 01.20 Personeel en materieel63
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid63
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen64
 – Het ressort Kerndepartement64
 – Het ressort Militaire Inlichtingendienst71
 – Artikelonderdeel 0.1.20.09 Wachtgelden76
   
Artikel 01.21 Subsidies en bijdragen78
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid78
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen79
  Blz.
   
Artikel 01.22 Geheime uitgaven80
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid80
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen81
   
Artikel 01.23 Internationale verplichtingen81
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid81
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen81
   
Artikel 01.24 Garanties83
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid83
   
Artikel 01.25 Milieumaatregelen83
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid83
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen84
   
Artikel 01.26 Technologie-ontwikkeling84
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid84
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen85
   
Artikel 01.27 Loonbijstelling88
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid88
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen88
   
Artikel 01.28 Prijsbijstelling89
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid89
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen90
   
Artikel 01.29 Overige departementale uitgaven90
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid90
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen91
   
Beleidsterrein Pensioenen en uitkeringen95
   
Artikel 02.01 Wachtgelden burgerpersoneel en inactiviteitswedden militair personeel95
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid95
   
Artikel 02.02 Militaire pensioenen en uitkeringen95
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid95
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen96
   
Beleidsterrein Koninklijke marine101
   
Algemeen101
   
Artikel 03.20 Personeel en materieel101
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid101
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen102
 – Het ressort Commandant der zeemacht in Nederland103
 – Activiteitentoelichting105
 – Toelichting per artikelonderdeel106
 – Het ressort Commandant der zeemacht in het Caribisch gebied108
 – Activiteitentoelichting111
 – Toelichting per artikelonderdeel111
 – Het ressort Commandant van het Korps Mariniers114
 – Activiteitentoelichting115
 – Toelichting per artikelonderdeel116
 – Het ressort Ondersteunende eenheden118
 – Activiteitentoelichting121
 – Toelichting per artikelonderdeel122
 – Het ressort Admiraliteit125
 – Activiteitentoelichting127
 – Toelichting per artikelonderdeel129
 – Artikelonderdeel 03.20.21 Wachtgelden en inactiviteitswedden133
   
Artikel 03.21 Subsidies en bijdragen134
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid134
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen135
  Blz.
   
Artikel 03.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur135
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid135
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen136
 – Artikelonderdeel Schepen137
 – Project fregatten van de Zeven Provinciën-klasse138
 – Project Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit138
 – Artikelonderdeel vliegtuigen139
 – Project NH-90139
 – Project Capability Upkeep Program voor de P3-C Orions140
 – Artikelonderdeel elektronisch materieel140
 – Project Verbeterd Actief Onderzeeboot Bestrijdingsysteem ATAS140
 – Project Local Area Missile System (LAMS)141
 – Project MILSATCOM141
 – Artikelonderdeel munitie141
 – Artikelonderdeel overig groot materieel142
 – Project vorming één marinebedrijf142
 – Project Millennium142
 – Artikelonderdeel Infrastructuur142
   
Beleidsterrein Koninklijke landmacht144
   
Algemeen144
   
Artikel 04.20 Personeel en materieel144
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid144
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen145
 – Het ressort 1(GE/NL) Legerkorps146
 – Activiteitentoelichting147
 – Toelichting per artikelonderdeel148
 – Het ressort Nationaal Commando152
 – Activiteitentoelichting en prestatie-indicatoren154
 – Toelichting per artikelonderdeel156
 – Het ressort Commando opleidingen Koninklijke Landmacht160
 – Activiteitentoelichting en prestatie-indicatoren161
 – Toelichting per artikelonderdeel162
 – Het ressort Overige eenheden Bevelhebber der Landstrijdkrachten166
 – Activiteitentoelichting169
 – Toelichting per artikelonderdeel170
 – Het ressort Landmachtstaf175
 – Activiteitentoelichting176
 – Toelichting per artikelonderdeel176
 – Artikelonderdeel 04.20.21 Wachtgelden en inactiviteitswedden179
   
Artikel 04.21 Subsidies en bijdragen182
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid182
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen183
   
Artikel 04.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur183
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid183
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen184
 – Artikelonderdeel Automatisering185
 – Project Millennium186
 – Artikelonderdeel Logistiek186
 – Artikelonderdeel Commandovoering, verbindingen en gevechtsinlichtingen187
 – Project Remotely Piloted Vehicle (RPV)187
 – Project Midlife Upgrade Zodiac188
 – Project MILSATCOM188
 – Artikelonderdeel Elektronisch materieel188
 – Project EOV-fase 1188
 – Project EOV-fase 2189
 – Artikelonderdeel NBC materieel189
 – Artikelonderdeel Luchtverdediging189
 – Project Gevechtswaarde instandhouding PRTL190
 – Project SHORAD190
 – Artikelonderdeel Manoeuvre190
 – Project Verbetering Leopard 2191
 – Project Pantservoertuigen vredesoperaties191
 – Project Vervanging Pantservoertuigen191
  Blz.
   
 – Project Duelsimulatoren en instrumentatie192
 – Project Medium Range Anti-Tanksystems192
 – Artikelonderdeel Vuursteun193
 – Project Vuist fase 1193
 – Artikelonderdeel Gevechtssteun194
 – Artikelonderdeel Infrastructuur194
 – Project Verplaatsing PIROC195
   
Beleidsterrein Koninklijke luchtmacht196
   
Algemeen196
   
Artikel 05.20 Personeel en materieel196
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid196
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen197
 – Het ressort Commando Tactische Luchtmacht198
 – Activiteitentoelichting200
 – Toelichting per artikelonderdeel200
 – Het ressort Decentrale Ondersteunende eenheden203
 – Activiteitentoelichting205
 – Toelichting per artikelonderdeel207
 – Het ressort Hoofdkwartier Koninklijke Luchtmacht (HKKLu)210
 – Activiteitentoelichting213
 – Toelichting per artikelonderdeel215
 – Artikelonderdeel 5.20.13 Wachtgelden en Inactiviteitswedden218
   
Artikel 05.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur220
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid220
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen221
 – Artikelonderdeel Vliegtuigmaterieel222
 – Project MLU ontwikkeling, productie en opbouw223
 – Project MLU Gerelateerde Projecten224
 – Project Simulatorcapaciteit transporthelikopters224
 – Artikelonderdeel Vervoermiddelen224
 – Project Motortransportmaterieel (algemeen)225
 – Project Overig transportmaterieel (brandweermaterieel en vervanging containers)225
 – Artikelonderdeel Elektrisch en elektronisch materieel225
 – Project vervanging Luchtverkenningssysteem ten behoeve van F-16's226
 – Project Naderingsappartuur226
 – Project MILSATCOM227
 – Project Nafin227
 – Project Millennium228
 – Project Kluim228
 – Artikelonderdeel Bewapeningsmaterieel228
 – Project SHORAD229
 – Project Patriot PAC III229
 – Artikelonderdeel Springstoffen en munitie229
 – Project IRLLGW230
 – Project Radar LLGW AMRAAM230
 – Artikelonderdeel Overig materieel230
 – Artikelonderdeel Infrastructuur231
   
Beleidsterrein Koninklijke marechaussee232
   
Algemeen232
   
Artikel 06.20 Personeel en materieel232
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid232
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen232
 – Activiteitentoelichting236
 – Toelichting per artikelonderdeel237
   
Artikel 06.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur241
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid241
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen242
 – Artikelonderdeel Vervoermiddelen en vaartuigen243
 – Artikelonderdeel Elektrisch en Elektronisch materieel243
 – Artikelonderdeel Automatiseringsmiddelen244
 – Artikelonderdeel Bewapeningsmaterieel244
  Blz.
   
 – Artikelonderdeel Telefooninstallaties244
 – Artikelonderdeel Overig materieel245
 – Artikelonderdeel Infrastructuur245
   
Multi-service projecten en activiteiten246
   
Artikel 08.01 Luchtmobiele brigade246
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid246
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen246
 – Artikelonderdeel Bewapende helikopter247
 – Artikelonderdeel Transporthelikopter248
 – Artikelonderdeel Luchtmobiel speciaal voertuig248
 – Artikelonderdeel Persoonsgebonden uitrusting248
 – Artikelonderdeel Overige, specifieke materieelprojecten248
 – Artikelonderdeel Infrastructuur grondcomponent249
 – Artikelonderdeel Infrastructuur luchtcomponent249
   
Artikel 08.02 Vredesoperaties249
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid249
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen250
   
Artikel 08.04 Overige uitgaven Internationale Samenwerking251
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid251
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen251
 – Toelichting per artikelonderdeel251
   
Beleidsterrein Defensie Interservice Commando253
   
Algemeen253
   
Artikel 09.02 Personeel en materieel255
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid255
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen255
 – Het ressort Staf Defensie Interservice Commando256
 – Toelichting per artikelonderdeel258
 – Het ressort Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie259
 – Activiteitentoelichting en prestatie-indicatoren261
 – Doelmatigheidskengetallen262
 – Toelichting per artikelonderdeel262
 – Het ressort Defensie Organisatie voor werving en selectie265
 – Activiteitentoelichting268
 – Doelmatigheidskengetallen268
 – Toelichting per artikelonderdeel269
 – Het ressort Instituut Defensie Leergangen271
 – Activiteitentoelichting273
 – Toelichting per artikelonderdeel273
 – Het ressort Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf274
 – Activiteitentoelichting277
 – Doelmatigheidskengetallen278
 – Toelichting per artikelonderdeel278
 – Het ressort Overige Interservice Diensten280
 – Toelichting per artikelonderdeel285
 – Artikelonderdeel 09.02.25 Wachtgelden en inactiviteitswedden286
   
Artikel 09.03 Investeringen groot materieel en infrastructuur288
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid288
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen289
 – Artikelonderdeel Groot materieel289
 – Project Vervanging voertuigen DVVO289
 – Artikelonderdeel Infrastructuur289
 – Project Marinekazerne Amsterdam290
 – Project militair revalidatiecentrum290
  Blz.
   
Wetsartikel 2 (ontvangsten)291
   
Beleidsterrein Algemeen291
   
Algemeen291
   
Artikel 01.20 Verrekenbare ontvangsten291
 – Grondslag van het artikel291
 – Ontvangsten291
 – Artikelonderdeel Personele ontvangsten291
 – Artikelonderdeel Materiële en specifieke ontvangsten292
 – Artikelonderdeel Ontvangsten voortvloeiend uit internationale verplichtingen in verband met Navo-infrastructuur292
   
Artikel 01.21 Niet-verrekenbare ontvangsten292
 – Grondslag van het artikel292
 – Ontvangsten293
   
Beleidsterrein Pensioenen en uitkeringen293
   
Algemeen293
   
Artikel 02.01 Verrekenbare ontvangsten293
 – Grondslag van het artikel293
 – Ontvangsten293
   
Artikel 02.02 Niet-verrekenbare ontvangsten294
 – Grondslag van het artikel294
 – Ontvangsten294
 – Artikelonderdeel AAW-claims, betreffende uitgaven gedaan in vroegere dienstjaren294
 – Artikelonderdeel Restitutie teveel genoten uitkeringen294
   
Beleidsterrein Koninklijke marine294
   
Algemeen294
 – Artikel 03.20 Verrekenbare ontvangsten295
 – Grondslag van het artikel295
 – Ontvangsten295
 – Artikelonderdeel Personele ontvangsten296
 – Artikelonderdeel Materiële en specifieke ontvangsten297
   
Artikel 03.21 Niet-verrekenbare ontvangsten299
 – Grondslag van het artikel299
 – Ontvangsten299
   
Beleidsterrein Koninklijke landmacht299
   
Algemeen299
   
Artikel 04.20 Verrekenbare ontvangsten300
 – Grondslag van het artikel300
 – Ontvangsten300
 – Artikelonderdeel Personele ontvangsten301
 – Artikelonderdeel Materiële en specifieke ontvangsten301
   
Artikel 04.21 Niet-verrekenbare ontvangsten301
 – Grondslag van het artikel301
 – Ontvangsten302
   
Beleidsterrein Koninklijke luchtmacht302
   
Algemeen302
   
Artikel 05.20 Verrekenbare ontvangsten302
 – Grondslag van het artikel302
 – Ontvangsten302
 – Artikelonderdeel Personele ontvangsten303
 – Artikelonderdeel Materiële en specifieke ontvangsten304
  Blz.
   
Artikel 05.21 Niet-verrekenbare ontvangsten304
 – Grondslag van het artikel304
 – Ontvangsten305
   
Beleidsterrein Koninklijke marechaussee305
   
Algemeen305
   
Artikel 06.20 Verrekenbare ontvangsten305
 – Grondslag van het artikel305
 – Ontvangsten306
 – Artikelonderdeel Personele ontvangsten306
 – Artikelonderdeel Materiële en specifieke ontvangsten306
   
Artikel 06.21 Niet-verrekenbare ontvangsten307
 – Grondslag van het artikel307
 – Ontvangsten307
   
Beleidsterrein Multi-service projecten en activiteiten307
   
Algemeen307
   
Artikel 08.01 Ontvangsten luchtmobiele brigade307
 – Grondslag van het artikel307
   
Artikel 08.02 Ontvangsten naar aanleiding van vredesoperaties307
 – Grondslag van het artikel307
 – Ontvangsten308
   
Artikel 08.03 Overige ontvangsten Internationale Samenwerking308
 – Grondslag van het artikel308
 – Ontvangsten308
  Blz.
   
Beleidsterrein Defensie Interservice Commando309
   
Algemeen309
   
Artikel 09.02 Verrekenbare ontvangsten309
 – Grondslag van het artikel309
 – Ontvangsten309
 – Artikelonderdeel Personele ontvangsten309
 – Artikelonderdeel Materiële en specifieke ontvangsten310
   
Wetsartikel 3 (agentschapsbegrotingen)311
   
Defensie Telematica Organisatie (DTO)311
   
Dienst Gebouwen, Werken & Terreinen (DGW&T)320
   
Bijlagen
   
1Personeelsoverzicht 
2Overzicht van wetgevingsprojecten 
3Overzicht moties en toezeggingen 
4Circulaires DJZ 
5Overzicht van verslagen van de commissie voor de verzoekschriften en van aanbevelingen van de nationale ombudsman 
6Subsidiebijlage 
7Rapportage evaluatie- en doelmatigheidsonderzoek 
8Economische en functionele classificaties 1998–1999 
9Voorlichtingskosten 
10Overzicht inzake convenanten 
11Activiteiten op het gebied van wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling 
12Realisatiecijfers 1997 
13Meerjarenraming per artikelonderdeel 
14Begrippenlijst 

INLEIDING

In het regeerakkoord is aangegeven dat in 2000 een nieuwe Defensienota zal worden uitgebracht, die een integrale visie op de defensie-organisatie in het licht van de dan heersende veiligheidssituatie zal bevatten. Het Strategische Concept van de Navo, dat tijdens de Navo-top in april 1999 zal worden vastgesteld, geldt daarbij als richtsnoer. De nota zal tevens maatregelen bevatten die, zoals in het regeerakkoord is overeengekomen, moeten leiden tot de structurele verlaging van de defensiebegroting met f 375 miljoen.

De f 375 miljoen voor het begrotingsjaar 1999 zal worden gevonden door investeringen te vertragen en uit te stellen. Het gaat om incidentele maatregelen die nog geen beleidskeuzen voor de langere termijn inhouden. Bij de keuze van projecten is ervoor gezorgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan de dagelijkse bedrijfsvoering en aan de bijdrage van de krijgsmacht aan vredesoperaties. Lopende investeringsprojecten kunnen niet geheel worden ontzien, aangezien Defensie de komende periode ook voor aanvullende uitgaven zal worden geplaatst. Deze uitgaven houden onder meer verband met de stijgende kosten van de exploitatie en het onderhoud van defensiematerieel als gevolg van de deelneming aan vredesoperaties. Ook de aanpak van het millenniumprobleem en de asbestsanering van defensiegebouwen brengen aanvullende kosten met zich mee.

In hoofdstuk 7 wordt nader op de financiële situatie ingegaan. De komende maanden zal worden bezien hoe de bezuiniging voor de periode tot de Defensienota verder moet worden ingevuld. De Kamer zal hierover uiterlijk begin volgend jaar per brief worden ingelicht. Deze brief zal ook de uitgangspunten en richtlijnen voor de opstelling van de nieuwe Defensienota bevatten.

De afgelopen jaren is hard gewerkt aan de herstructurering van de defensie-organisatie. Het personeelsbestand van Defensie is sinds de Prioriteitennota met ruim 25 000 ingekrompen. Het is tot nu toe mogelijk gebleken de sociale gevolgen hiervan tot een minimum te beperken. De reële uitgaven zijn vergeleken met de ramingen uit de Prioriteitennota structureel met ruim f 1 miljard gedaald. Oorspronkelijk was voorzien dat de maatregelen uit de Prioriteitennota in 1998 zouden zijn uitgevoerd. Door de aanvullende maatregelen in verband met het regeerakkoord 1994 (Novemberbrief) en de actualisering van de Prioriteitennota zal de herstructurering nu aan het einde van deze kabinetsperiode zijn voltooid. Dankzij de ingrijpende doelmatigheidsoperatie is de operationele capaciteit van de krijgsmacht tot dusver behouden gebleven. Nieuwe bezuinigingen kunnen echter niet meer zonder nadere prioriteitsstelling worden opgevangen.

De reorganisaties hebben veel van het personeel gevergd. Velen werden en worden geconfronteerd met onzekerheid over de aard, de plaats en soms zelfs het behoud van hun werk. In de komende vier jaar zal de organisatie verder moeten worden aangepast om de al voorziene reductie van het personeelsbestand met ongeveer 3000 te realiseren. Dat de defensie-organisatie zich in betrekkelijk korte tijd heeft weten aan te passen aan de zo sterk veranderde omstandigheden en zich goed van haar taken blijft kwijten, is voor een belangrijk deel te danken aan het personeel. Dit neemt niet weg dat de afsluiting van de herstructurering nog moeilijk zal zijn. Gelet op de vele reorganisaties waarmee het personeel te maken heeft of heeft gehad, zal alles in het werk worden gesteld om de gevolgen van de nieuwe bezuiniging voor het personeel zoveel mogelijk te beperken.

Defensie is een aantrekkelijke werkgever. Zij moet dat ook blijven. De zorg voor het personeel, waaronder een toereikende nazorg voor het uitgezonden personeel, vergt dan ook voortdurend aandacht. De huidige krapte op de arbeidsmarkt bemoeilijkt de personeelsvoorziening. Er zijn verschillende initiatieven genomen om de wervingsresultaten te verbeteren, maar er blijven knelpunten, in het bijzonder voor technische functies, gevechtsfuncties en gevechtsondersteunende functies. Ook wordt bezien of de personeelsstructuur kan worden geflexibiliseerd om beter te kunnen inspelen op de eisen die aan de nieuwe krijgsmacht worden gesteld. In dat verband zal ook, overeenkomstig het regeerakkoord, de diensteinde-regeling voor het militaire personeel worden herijkt. In hoofdstuk 3 wordt op de personele situatie ingegaan.

In hoofdstuk 1 wordt ingegaan op de internationale veiligheidssituatie. De spoedige toetreding van drie Midden-Europese landen tot de Navo maakt ondubbelzinnig duidelijk hoe fundamenteel de veranderingen in Europa zijn. Ook de Navo-consultaties met Rusland, Oekraïne en de andere partnerlanden illustreren dit. Helaas blijven conflicten en spanningen in Europa de (regionale) stabiliteit bedreigen; Kosovo en Cyprus zijn hiervan voorbeelden. De proliferatie van massavernietigingswapens is eveneens zorgwekkend. Het nieuwe Strategische Concept van de Navo zal beschrijven welke rol het bondgenootschap voor zichzelf ziet in de nieuwe veiligheidssituatie. Het document moet het fundament worden voor het, dan vijftigjarige, bondgenootschap in de 21-ste eeuw.

De veranderingen van de afgelopen jaren hebben Defensie tot een organisatie gemaakt die zich niet langer uitsluitend richt op de algemene verdedigingstaak. Zij besteedt veel tijd en aandacht aan deelneming aan vredesoperaties. Het belang dat de regering hieraan hecht blijft onverminderd groot. Dit blijkt onder meer uit de verlenging van de Nederlandse bijdrage aan Sfor in Bosnië-Herzegowina, het zenden van militairen naar Cyprus en de beginselbereidheid deel te nemen aan een VN-operatie in de Westelijke Sahara als aan het toetsingskader wordt voldaan. Ook het regeerakkoord, dat het Nederlandse ambitieniveau met betrekking tot vredesoperaties handhaaft, met inbegrip van de daarvoor benodigde financiële middelen, onderstreept dit. Belangrijke aandachtspunten bij vredesoperaties zijn het verbeteren van de snelle reactiecapaciteit en de intensieve samenwerking tussen militaire en civiele organisaties («Cimic»).

Ook de reguliere samenwerking met bondgenoten is versterkt. Met de partners uit Midden- en Oost-Europa wordt steeds vaker samengewerkt bij oefeningen en opleidingen. In hoofdstuk 2 wordt hieraan aandacht besteed. De investeringen van de afgelopen jaren in onder meer fregatten, helikopters en luchttransport stellen de krijgsmacht in staat haar taken naar behoren uit te voeren. Om in internationaal verband goed te kunnen blijven functioneren, moeten de investeringen op een verantwoord niveau blijven.

De verscheidenheid van de taken van de krijgsmacht is de laatste jaren toegenomen. Het kabinet zet de ontwikkeling van een geïntegreerd veiligheidsbeleid voort. Dit betekent onder meer dat Defensie waar nodig en mogelijk het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid steunt, met inbegrip van humanitaire hulp. Ook de rol van Defensie bij de handhaving van de rechtsorde en de openbare veiligheid is toegenomen. Het gaat onder meer om de politietaken van de Koninklijke marechaussee en de bijdrage aan de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Verder verleent Defensie, als het openbaar belang dat vergt, in zeer uiteenlopende situaties personele en materiële steun.

HOOFDSTUK 1: INTERNATIONALE ASPECTEN VAN HET VEILIGHEIDSBELEID

1.1 Internationale veiligheidssituatie

De conclusies van de tweejaarlijkse evaluaties van de internationale veiligheidssituatie bij de begrotingen voor 1996 en 1998 zijn nog steeds geldig. Zij blijven dan ook het uitgangspunt van het defensiebeleid.

Binnenkort zullen Polen, Tsjechië en Hongarije tot de Navo toetreden, vijftig jaar na de oprichting van het bondgenootschap. Ook op andere terreinen verandert de Navo: het strategische concept wordt aangepast, de nieuwe bevelsstructuur ingevoerd en de Europese veiligheids- en defensie-identiteit verder ontwikkeld. De versterking van het operationele vermogen van de Weu hangt met deze ontwikkelingen nauw samen.

Belangrijk is dat de betrekkingen tussen het Westen en Rusland over het algemeen goed zijn. Rusland blijft ondanks zijn bezwaren tegen de voorgenomen uitbreiding van de Navo bereid tot samenwerking. Overeenkomstig de vorig jaar ondertekende «Stichtingsakte betreffende wederzijdse betrekkingen tussen de Navo en de Russische Federatie» overleggen de Navo-partners en Rusland regelmatig in de Permanente Gezamenlijke Raad over tal van onderwerpen. Met Oekraïne wordt in de Navo-Oekraïne Commissie (NUC) gesproken. In de Euro-Atlantische Partnerschapsraad (EAPR) voeren de Navo-lidstaten overleg met andere landen in Europa, met inbegrip van Rusland en Oekraïne. Ook worden in het kader van de EAPR samenwerkingsprojecten uitgevoerd.

Op veel plaatsen in de wereld is sprake van instabiliteit en onzekerheid. Ook Europa is daarvan helaas niet gevrijwaard. De Balkan zal waarschijnlijk nog jaren veel aandacht vragen, zowel op militair als op civiel vlak. De vrede in Bosnië-Herzegowina is nog niet duurzaam, al is vooral het afgelopen jaar wel vooruitgang geboekt. Het mandaat van de door de Navo geleide stabilisatiemacht (Sfor), dat in juni 1998 afliep, is dan ook verlengd; zij is niet langer aan een einddatum verbonden, maar aan een te bereiken eindstadium. In Kosovo is dit voorjaar de gespannen verhouding tussen de Servische overheid en de grote meerderheid van Albanezen tot een gewelddadige uitbarsting gekomen. Vooral door het harde Servische politie-optreden tegen gewapende Albanese separatisten is de situatie geëscaleerd. Het gevaar bestaat dat de buurlanden Macedonië en Albanië bij het conflict betrokken raken. In internationaal verband wordt gestreefd naar een politieke oplossing voor de problemen in Kosovo binnen de Federale Republiek Joegoslavië en wordt geprobeerd de destabiliserende invloed van het conflict op de regio zoveel mogelijk tegen te gaan.

Op Cyprus is een oplossing voor het conflict tussen het Turkse en het Griekse deel van het eiland ondanks pogingen daartoe nog niet in zicht, zodat hiervan een bedreiging voor de regionale stabiliteit blijft uitgaan. De stilstand van het vredesproces in het Midden-Oosten, in het bijzonder tussen Israël en de Palestijnen, is zorgwekkend. Ook de ontwikkelingen in Noord-Afrika, de Golf en Midden-Azië zijn voor de veiligheid van Europa van belang. Elders in Azië bedreigen de economische crises de stabiliteit. De proliferatie van massavernietigingswapens en overbrengings-middelen in verschillende delen van de wereld is zorgwekkend.

De onzekere internationale veiligheidssituatie vergt een actief vredes- en veiligheidsbeleid. Daarvoor zijn moderne, goed uitgeruste militaire eenheden onmisbaar. De krijgsmacht dient, naast de verdediging van het eigen en het bondgenootschappelijke grondgebied, in staat te zijn een wezenlijke bijdrage te leveren aan humanitaire en vredesoperaties. Ook op andere manieren kan Nederland de internationale vrede en veiligheid helpen bevorderen. Zo spant het zich in VN-verband in om de reactietijd bij conflicten te bekorten. In dat verband neemt Nederland deel aan het «United Nations Stand-by Arrangement System» (Unsas) en de multinationale «United Nations Stand-by Forces High Readiness Brigade» (Shirbrig). Ook heeft het, samen met enkele gelijkgezinde landen, voorgesteld een oproepbare VN-politiemacht op te richten.

De verwevenheid tussen interne en externe veiligheid is toegenomen onder invloed van de voltooiing van de interne Europese markt, de groei van de internationale georganiseerde misdaad en de liberalisering van het internationale handels- en betalingsverkeer. Drugshandel, mensenhandel en illegale immigratie, illegale wapenhandel en witwaspraktijken vormen een groeiende bedreiging voor de Nederlandse samenleving. Dit heeft ook gevolgen voor Defensie, dat een ondersteunende taak heeft bij de handhaving van de rechtsorde en de openbare veiligheid. Politie en justitie doen immers steeds vaker een beroep op de krijgsmacht.

1.2 Internationale samenwerking

1.2.1 Algemeen

Internationale samenwerking is niet meer weg te denken uit de Nederlandse krijgsmacht. Er is intensieve operationele samenwerking met Navo-bondgenoten, in het bijzonder met onze buurlanden. Bekende voorbeelden zijn het Duits-Nederlandse legerkorps, de Nederlands-Belgische marine- en luchtmachtsamenwerking en de nauwe samenwerking tussen Nederlandse en Britse mariniers. Ook de samenwerking met landen in Midden- en Oost-Europa krijgt veel aandacht (zie 1.2.3).

Operationeel zal ook meer met de Verenigde Staten worden samengewerkt. In mei 1998 is een «memorandum of understanding» ondertekend over intensievere samenwerking tussen de Koninklijke marine en de Amerikaanse marine. Hierin zijn de voorwaarden vastgelegd voor de integratie van een taakgroep van de Koninklijke marine in het Navo-commando «Striking Fleet Atlantic» (STRKFLTLANT). Dit Navo-commando krijgt zeer waarschijnlijk een kern voor een maritiem hoofdkwartier van een «Combined Joint Task Force» (CJTF).

De al overeengekomen intensivering van de samenwerking tussen de landmachten van het Verenigd Koninkrijk en Nederland, vooral ter voorbereiding op crisisbeheersingsoperaties, is op 26 januari 1998 vastgelegd in een ministeriële samenwerkingsovereenkomst («exchange of letters»). In het bijzonder op het terrein van doctrine, operatiën, training, logistiek en materieel zal nauwer worden samengewerkt.

Nederland heeft de uitnodiging aanvaard «Correspondent Member» van de European Air Group (EAG) te worden. Ook België en Spanje zijn hiervoor uitgenodigd. De EAG is per 1 januari 1998 ontstaan uit de Franco-British European Air Group (FBEAG). Duitsland en Italië zijn sinds 1 januari 1997 «Correspondent Member» met het doel volwaardig lid te worden. Italië is inmiddels volwaardig lid. Het doel van de EAG is de procedures tussen de betrokken luchtmachten te verbeteren met het oog op de voorbereiding van en het optreden bij niet-artikel 5 operaties.

De militaire samenwerking met Frankrijk is versterkt, zowel op stafniveau als op operationeel niveau. Zo werken het Korps mariniers en het Korps commandotroepen nu samen met hun Franse tegenhangers en wordt tussen Nederlandse en Franse krijgsmachtdelen personeel uitgewisseld. Ook op materieelgebied wordt samengewerkt.

1.2.2 Navo

De Navo bestaat in april 1999 vijftig jaar. De Navo-top die dan in Washington wordt gehouden, zal enkele van de belangrijkste externe en interne aanpassingen van het bondgenootschap van de afgelopen jaren bezegelen. Polen, Tsjechië en Hongarije zullen formeel zijn toegetreden tot de Navo. Het streven is dit jaar de ratificatieprocedure af te sluiten. Om de stap van partner naar bondgenoot kleiner te maken, worden de drie kandidaatleden vóór de formele toetreding al zoveel mogelijk betrokken bij de activiteiten van het bondgenootschap. Het gaat onder meer om briefings, waarnemerschap in commissies en deelneming aan planningsprocessen. Vanzelfsprekend hebben de kandidaatleden nu nog geen stem in de besluitvorming.

Het Strategische Concept van de Navo moet worden aangepast. Sinds 1991 hebben zich op veiligheidsgebied immers belangrijke veranderingen voltrokken: de Sovjet-Unie is uiteengevallen, de Navo heeft de leiding op zich genomen van een grote vredesoperatie buiten het verdragsgebied, er is intensief contact met de landen van Midden- en Oost-Europa, het bondgenootschap heeft nieuwe leden uitgenodigd toe te treden en de bevelsstructuur is ingrijpend gewijzigd. Al deze veranderingen moeten hun neerslag vinden in het Strategische Concept. Het nieuwe document moet voor iedereen duidelijk maken dat de Navo zich rekenschap heeft gegeven van deze veranderingen. Voor Defensie is met name het deel van het Strategische Concept van belang dat betrekking heeft op de defensieplanning en de structuur van de strijdkrachten.

In december 1997 is overeenstemming bereikt over een nieuwe bevelsstructuur voor de Navo. De nieuwe structuur zal twintig in plaats van 65 hoofdkwartieren omvatten. Op dit ogenblik wordt een implementatieplan voor de nieuwe structuur ontwikkeld. Ook wordt onderzocht hoeveel internationale functies er in de nieuwe structuur verdeeld moeten worden en welke landen voor die functies in aanmerking komen. Nederland heeft in dat verband steeds het belang van multinationaliteit onderstreept.

Tijdens de top van Madrid (juli 1997) is de uitwerking van het concept van «Combined Joint Task Forces» (CJTF) goedgekeurd. Inmiddels zijn twee oefeningen uitgevoerd door de hoofdkwartieren Afcent in Brunssum en STRKFLTLANT in Norfolk (VS) om het CJTF-concept in de praktijk te toetsen. De keuze voor een landhoofdkwartier en een maritiem hoofdkwartier maakte het mogelijk verschillende aspecten te oefenen die samenhangen met de inzet van een CJTF. Beide oefeningen hebben waardevolle informatie opgeleverd, onder meer over de omvang die een CJTF-kern moet hebben, het aantal hoofdkwartieren dat met een CJTF-kern moet worden uitgerust, de specialismen die vertegenwoordigd moeten zijn, het voortzettings-vermogen van een uit te zenden CJTF en de aansturing.

Het vormgeven van de Europese Veiligheids- en Defensie-identiteit binnen de Navo vordert gestaag. De Weu, met inbegrip van niet-geallieerde Weu-waarnemers, wordt betrokken bij het Navo Defensie Plannings Proces. De opvattingen van de Navo en van de Weu over het consultatieproces naderen elkaar. De gesprekken over een raamwerk voor de overdracht van Navo-middelen voor een door de Weu geleide operatie gaan voort. De verschillende elementen van het raamwerk worden thans onderzocht.

De Navo-ministers van Defensie hebben inmiddels enkele malen met hun collega's uit de partnerlanden vergaderd in het kader van de Euro-Atlantische Partnerschapsraad (EAPR). Zij spraken over onderwerpen als rampenbestrijding, de proliferatie van massavernietigingswapens en gezamenlijke oefeningen. Ook hebben de Navo-ministers van Defensie hun eerste bijeenkomsten met de Russische Federatie gehouden in het kader van de Permanente Gezamenlijke Raad. De meningsverschillen tussen de Navo en de Russische Federatie zijn openhartig besproken, zonder dat dit ten koste ging van de goede wederzijdse betrekkingen. In het kader van de Navo-Oekraïne Commissie is tevens de eerste bijeenkomst van de Navo-ministers van Defensie met Oekraïne gehouden.

1.2.3 Defensiesamenwerking met Midden- en Oost-Europese landen en Rusland

Sinds 1990 heeft Defensie geleidelijk een steeds dichter netwerk van bilaterale samenwerkings-programma's opgebouwd met de landen van Midden- en Oost-Europa. De beslissing van de Navo om Polen, Hongarije en Tsjechië het lidmaatschap aan te bieden en de wenselijkheid de samenwerking met niet door de Navo uitgenodigde landen te intensiveren, was voor Defensie eind 1997 reden de samenwerking aan te passen. De ontwikkeling van de samenwerking met Polen, Hongarije en Tsjechië zal zich vooral afspelen tegen de achtergrond van hun integratie in de Navo. Voor de overige landen zal het instrumentarium dat is ontwikkeld voor de samenwerking met de partnerlanden de basis zijn: samenwerkingsovereenkomsten, samenwerkingsprogramma's en stafbesprekingen. De Tweede Kamer is hierover uitvoerig geïnformeerd op 30 juni jl. (Kamerstuk 25 267 X, nr. 12).

Het is belangrijk dat de reorganisatie van de krijgsmachten van Polen, Tsjechië en Hongarije wordt voortgezet en dat de interoperabiliteit met de strijdkrachten van de Navo-landen wordt vergroot. De samenwerking is vooral praktisch en operationeel. In aanvulling op de bestaande samenwerking verzorgen de krijgsmachtdelen voor deze landen operationele cursussen. Ook zijn er uitwisselingsprogramma's voor officieren en stageplaatsen en wordt regelmatig in deze landen geoefend. Gelet op hun toetreding is hun deelneming aan de (algemene) «International Staff Officers Orientation Course» (Isooc) midden 1998 beëindigd.

In maart 1997 is met de Russische Federatie een overeenkomst ondertekend ter bevordering van de bilaterale samenwerking. In het samenwerkingsprogramma voor 1998 zijn acht activiteiten opgenomen. Het bilaterale verdrag tussen Rusland en Nederland over samenwerking bij de vernietiging van 6500 ton lewisiet bij het plaatsje Kambarka zal waarschijnlijk binnenkort worden ondertekend. Thans wordt de uitvoering voorbereid van de eerste fase van het samenwerkingsproject (de zuivering van verontreinigde grond rondom de opslagplaats). Ook Finland is hierbij betrokken. Defensie en Buitenlandse Zaken hebben samen tien miljoen gulden voor de grondzuivering beschikbaar gesteld. Nederland streeft, onder meer in nauwe samenwerking met Noorwegen, ook naar steun bij de ontmanteling van nucleaire militaire installaties. Op dit ogenblik worden enkele projectvoorstellen bestudeerd. Voorts is er samenwerking op humanitair gebied. Er zijn medische goederen geleverd aan vier ziekenhuizen in St. Petersburg en Kaliningrad. Dit wordt ondersteund door samenwerking tussen de medische diensten van de beide krijgsmachten. Het Partnerschap voor de Vrede (PvV) is de inspiratiebron voor de bilaterale defensiesamenwerking en dient als kader voor multilaterale samenwerking, zoals gemeenschappelijke oefeningen. Het PvV beoogt onder meer op het terrein van de voorbereiding op vredesoperaties de samenwerking tussen de Navo en de partnerlanden te bevorderen. De eerste resultaten hiervan zijn zichtbaar in de samenwerking met de partners in Sfor in Bosnië-Herzegowina. Nederland heeft in 1997 met eenheden of waarnemers aan zeventien PvV-oefeningen deelgenomen. Voor 1998 is deelneming aan vijftien oefeningen voorzien.

1.2.4 West-Europese Unie

De West-Europese Unie (Weu) geeft geleidelijk inhoud aan haar relatie met de Europese Unie (EU) en met de Navo. In een protocol bij het Verdrag van Amsterdam is bepaald dat de EU en de Weu binnen één jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag voorstellen doen voor nauwere samenwerking. Het gaat om praktische regelingen tussen beide organisaties binnen de in het Verdrag van Amsterdam vastgelegde institutionele verhouding. Op dit vlak is bescheiden vooruitgang geboekt. Zo is besloten de voorzitterschappen van de Weu en van de EU beter op elkaar af te stemmen. In dat verband is een nieuw tijdschema opgesteld, op grond waarvan Nederland in de eerste helft van het jaar 2001 het voorzitterschap van de Weu zal bekleden in plaats van in de tweede helft van het jaar 1999.

De samenwerking tussen de Weu en de Navo staat in het teken van de voorbereiding van operaties waarbij de Weu gebruik maakt van middelen van de Navo en van de planningscapaciteit van het bondgenootschap. Deze werkzaamheden stoelen op de afspraken die de bondgenoten hebben gemaakt tijdens de ministeriële Navo-vergadering van Berlijn (juni 1996) en de Navo-top van Madrid (juli 1997).

De West-Europese Unie beschikt sinds kort over een Militair Comité dat bestaat uit de chefs van de defensiestaven van de Weu-lidstaten. Dit comité, dat in permanente zitting wordt gevormd door de permanente militaire vertegenwoordigers in Brussel, kan de Weu-raad militair advies geven, wat het operationele vermogen van de Weu ten goede komt. De eerste directeur van de nieuwe Militaire Staf van de Weu komt uit Frankrijk. Nederland stelt binnen deze staf een belangrijke functionaris ter beschikking: de directeur van de «Planning Cell».

1.3 Wapenbeheersing

1.3.1 CSE-verdrag

Sinds begin 1997 onderhandelen de dertig verdragsstaten in Wenen over de aanpassing van het verdrag inzake de Conventionele Strijdkrachten in Europa (CSE) aan de ingrijpend veranderde Europese veiligheidssituatie. Aanpassing van het CSE-verdrag komt de stabiliteit in het nieuwe Europa ten goede en kan de Navo-uitbreiding vergemakkelijken. Het belang van een tijdig aangepast CSE-verdrag is onderstreept in de «Stichtingsakte betreffende wederzijdse betrekkingen tussen de Navo en de Russische Federatie».

De verdragsstaten zijn het erover eens dat de oude verdragsstructuur, die berustte op twee tegenover elkaar staande allianties, is achterhaald. Een nieuw verdrag zal uitgaan van nationale en territoriale plafonds, zo mogelijk op een lager niveau. De nationale plafonds hebben betrekking op de aantallen zware wapens (tanks, pantservoertuigen, artillerie, bewapende helikopters en gevechtsvliegtuigen) die landen binnen het verdragsgebied mogen bezitten. De territoriale plafonds betreffen de som van de toegestane eigen grondgebonden zware wapens (de nationale limiet) en de door derden in een land te stationeren grondgebonden zware wapens.

De Navo-landen hebben voorstellen ingediend over de gewenste flexibiliteit van de nationale en territoriale plafonds. Hierbij is een afweging gemaakt tussen de bevordering van de stabiliteit in Europa en de handhaving van de mogelijkheid, in het bijzonder voor de Navo, om in bepaalde situaties, zoals bij vredesoperaties, voldoende wapensystemen te kunnen inzetten. Ook is geprobeerd tegemoet te komen aan de Russische bezorgdheid over de militaire gevolgen van de uitbreiding van de Navo. Een en ander is overigens niet los te zien van de herziening van het Strategische Concept.

De CSE-onderhandelingen zijn gecompliceerd en technisch van aard en vergen dus veel tijd. Nederland hoopt op overeenstemming vóór de Navo-top van Washington in april 1999, tijdens welke de uitbreiding van het bondgenootschap met Polen, Tjechië en Hongarije wordt bezegeld.

1.3.2 Landmijnen

Het «Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens», dat op 3 december 1997 in Ottawa is opengesteld voor ondertekening, was op 17 augustus jl. door 128 landen ondertekend en door 31 landen geratificeerd. Het verdrag treedt in werking zes maanden nadat 40 landen het hebben bekrachtigd. Vier jaar nadat het verdrag voor een land in werking treedt, moet het zijn voorraden antipersoneelmijnen hebben vernietigd. Slechts een beperkt aantal – in ons land gaat het om 5 000 – mag worden aangehouden voor onderzoek en opleiding op het gebied van de mijnenruiming. Tien jaar na inwerkingtreding moeten alle antipersoneelmijnen in mijnenvelden zijn vernietigd. Deze termijn kan, na goedkeuring door een meerderheid van de verdragspartijen, tweemaal worden verlengd. Landen die met een ernstig mijnenprobleem kampen, moeten wellicht van deze mogelijkheid gebruikmaken. In ons land is de vernietiging van de voorraden antipersoneelmijnen al voltooid. Hiermee was begonnen nadat in maart 1996 was besloten dat de krijgsmacht het gebruik van antipersoneelmijnen onvoorwaardelijk zou staken.

Belangrijke landen, China en Rusland voorop, maar ook India, Israël en Pakistan, zijn nog geen partij bij het verdrag. Op Finland na hebben alle EU-lidstaten het verdrag ondertekend. In de Finse afweging blijven overwegingen van veiligheid, in het bijzonder de lange oostgrens, de doorslag geven. Van de Navo-partners houden Turkije en de Verenigde Staten zich nog afzijdig. De aanstaande leden Hongarije, Polen en Tsjechië hebben het verdrag wel ondertekend. Het Amerikaanse beleid is thans gericht op toetreding in 2006, als er dan bruikbare alternatieven voor antipersoneelmijnen beschikbaar zijn. De Verenigde Staten streven niet langer naar een uitzondering in het verdrag voor «gecombineerde systemen»: wapensystemen die zowel antitank- als antipersoneelmijnen bevatten. Het behoud van dergelijke wapens was voor de Verenigde Staten een belangrijke reden zich uit de formele onderhandelingen over het verdrag, in september 1997 in Oslo, terug te trekken. De Navo-bondgenoten hebben de operationele gevolgen geïnventariseerd van het feit dat veertien (binnenkort zeventien) van hen het verdrag hebben ondertekend. In Navo-operaties is niet langer een rol weggelegd voor antipersoneelmijnen. Slechts Amerikaanse en Turkse eenheden kunnen deze wapens nog gebruiken, uitsluitend voor de eigen verdediging.

Het project Hom-2000 voor de ontwikkeling van betere middelen voor de opsporing en de ruiming van landmijnen is de tweede en laatste fase ingegaan. In de eerste fase zijn verschillende typen sensoren aangeschaft en met speciaal daarvoor ontwikkelde testfaciliteiten beproefd door het Fysisch en Electronisch Laboratorium (FEL) van TNO. In de resterende tijd worden de sensoren, onder meer in overleg met mijnenruimdeskundigen, verbeterd en geïntegreerd in praktische prototypen, die voor specifieke toepassingen kunnen worden gereedgemaakt. In verschillende landen zijn inmiddels onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten gaande. Resultaten daarvan zijn pas na 2000 voorzien. Niettemin houden de projectleiding van Hom-2000 en TNO de mogelijkheden van internationale samenwerking nauwlettend in het oog. De Tweede Kamer wordt nog dit jaar op de hoogte gebracht van de resultaten van de eerste fase en de vooruitzichten voor de tweede fase.

1.4 Proliferatie van NBC-wapens en overbrengingsmiddelen

De kernproeven van India en Pakistan dit voorjaar, respectievelijk op 11 en 13 mei en op 28 en 30 mei, hebben geleid tot oplopende spanningen tussen beide landen en in de regio. Hoewel de ontwikkelingen in Zuid-Azië Europa niet rechtstreeks bedreigen en vooral in een regionale context moeten worden geplaatst, onderstrepen zij eens te meer hoe moeilijk het is de proliferatie van nbc-wapens en hun overbrengingsmiddelen te voorkomen. Internationaal wordt nu geprobeerd met diplomatieke druk en economische sancties beide landen te bewegen af te zien van het streven naar nucleaire bewapening. Het zou een wezenlijke stap voorwaarts zijn als zij zich zouden binden aan het Non-proliferatieverdrag (NPV) en het Kernstopverdrag (CTBT).

De notitie «De proliferatie van nucleaire, biologische en chemische (nbc-)wapens en de Nederlandse krijgsmacht» (Kamerstuk 26 051 X, nr. 1) biedt een overzicht van de activiteiten die verschillende landen op deze terreinen hebben ontplooid en een uiteenzetting van de gevolgen voor de krijgsmacht. Aanvullende inspanningen, in het bijzonder op het gebied van de passieve en actieve verdediging tegen nbc-wapens en hun overbrengingsmiddelen, zijn onontbeerlijk. Vooral de detectie van biologische wapens en de behandeling van slachtoffers vergen meer aandacht.

De Navo-bondgenoten werken samen om de dreiging van massavernietigingswapens het hoofd te bieden. De verdediging hiertegen is inmiddels een integraal onderdeel van het gezamenlijke planningsproces. De Nederlandse krijgsmacht is in staat waardevolle bijdragen te leveren aan de bondgenootschappelijke capaciteit op dit gebied. Een belangrijk voorbeeld is de verbetering van de antiraketcapaciteit van het Patriotsysteem. De Tweede Kamer heeft met de behoeftestelling hiervoor in december 1997 ingestemd. Het betreft in het bijzonder de verwerving van «Patriot Advanced Capability 3» (Pac3)-raketten voor de bestrijding van ballistische raketten in de laatste fase van hun vlucht. Bezien wordt of, en zo ja hoe, ook het voorziene luchtverdedigingssysteem van de luchtverdedigings- en commando (LCF)-fregatten hiertoe kan worden aangepast. Tijdens de oefening «Optic Windmill», die ons land dit voorjaar voor de derde keer samen met Duitsland en de Verenigde Staten heeft georganiseerd, werden de mogelijkheden beproefd om in internationaal verband ballistische raketten te bestrijden. De resultaten van deze oefeningen zijn van belang voor het operationele concept dat de Navo op dit terrein ontwikkelt.

1.5 Vredesoperaties en humanitaire hulp

1.5.1 Algemeen

De inzet van militairen bij humanitaire en vredesoperaties blijft, naast de verdediging van het eigen en het bondgenootschappelijke grondgebied, een hoofdtaak van de Nederlandse krijgsmacht. Nederland blijft bereid daaraan een wezenlijke bijdrage te leveren. Het toetsingskader vormt daarbij een goed instrument voor de beoordeling van politieke en militair-operationele aspecten.

Bij vredesoperaties in het kader van intrastatelijke conflicten is eens te meer het belang van civiel-militaire samenwerking gebleken. De door de Navo geleide vredesoperatie in Bosnië is een goed voorbeeld. Militairen spelen daar een belangrijke ondersteunende rol bij de wederopbouw, in het bijzonder wat betreft de terugkeer van vluchtelingen, de organisatie van verkiezingen, het herstel van infrastructuur en de begeleiding van mijnenruimactiviteiten. De verwevenheid van militaire en civiele doeleinden vereist dan ook nauwe afstemming met civiele organisaties, zo mogelijk nog voor een operatie begint. Defensie besteedt aan deze aspecten in toenemende mate aandacht, bijvoorbeeld bij de opleiding van militairen. Ook in internationaal verband heeft civiel-militaire samenwerking de aandacht. Zo wordt in Navo-verband een studie verricht naar het opnemen van een «Civil-Military Cooperation Framework Group» in de Navo-structuur. Nederland onderzoekt thans welke bijdrage het hieraan kan leveren.

De bevordering van de internationale rechtsorde en de internationale vrede en veiligheid vergen soms de snelle en doeltreffende inzet van militaire middelen. De regering blijft zich samen met gelijkgezinde landen inspannen voor de verdere ontwikkeling van instrumenten die de internationale reactietijd bij conflicten kunnen bekorten. Een te late reactie – of geen reactie – van de internationale gemeenschap kan immers rampzalige gevolgen hebben, zoals de volkerenmoord in Rwanda in 1994 heeft aangetoond.

De VN maken bij de planning van nieuwe vredesoperaties gebruik van het «United Nations Stand-by Arrangements System» (Unsas). Dit systeem bevat informatie over de militaire middelen die VN-lidstaten in beginsel bereid zijn voor VN-vredesoperaties beschikbaar te stellen. Nederland heeft dit jaar de bijdrage aan het Unsas aangepast en in een «Memorandum of Understanding» (MoU) met de VN vastgelegd. Een bij het MoU gevoegd «data planning sheet» bevat gedetailleerde informatie over de eenheden en de reactietijd. De Nederlandse bijdrage is vooral uitgebreid met transportcapaciteit en luchtverdedigingsmiddelen.

Nederland neemt ook deel aan de multinationale «United Nations Stand-by Forces High Readiness Brigade» (Shirbrig). De andere deelnemers zijn Argentinië, Canada, Denemarken, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Spanje, Roemenië en Zweden. Ierland, Italië en Portugal zijn waarnemers. De kernbrigadestaf is bezig operationele standaardprocedures en een operationeel en logistiek concept op te stellen. De gewenste duplicering van Shirbrig-eenheden in de brigadepool lijkt op termijn bereikbaar, al is er nog steeds een tekort aan ondersteunende eenheden. Nederland heeft in juni 1998 het jaarlijks roulerende voorzitterschap van de Stuurgroep overgenomen.

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties heeft vastgesteld dat er binnen het Unsas een tekort is aan goed opgeleid politiepersoneel voor vredesoperaties. Hierdoor komen deze missies soms maar moeizaam op gang. Nederland heeft daarom voorgesteld samen met een aantal gelijkgezinde landen een oproepbare VN-politiemacht op te richten. Volgens dit plan stellen landen, op grond van hun aanbod aan het Unsas, personeel ter beschikking van een «pool» van politiemensen, die in beginsel kunnen worden ingezet voor crisisbeheersingsoperaties. Ook wordt gedacht aan de oprichting, mogelijk in Nederland, van een kleine «Planning Cell», die tijdens een operatie als kern van een politiehoofdkwartier kan dienen. Het plan voor een oproepbare VN-politiemacht moet breed worden gedragen en zal de komende maanden met andere landen worden besproken.

Het nut van snelle-reactiemechanismen als Unsas, Shirbrig en de nog op te richten oproepbare VN-politiemacht blijft, naast de beschikbaarheid van voor de taken berekend personeel en materieel, vanzelfsprekend afhankelijk van tijdige internationale en nationale besluitvorming. Ook moet snel kunnen worden beschikt over strategische transportcapaciteit en logistieke ondersteuning in het operatiegebied.

Defensie levert ook een bijdrage in het kader van humanitaire operaties, zoals voedselhulp, transportsteun en hulp bij overstromingen. Ieder ogenblik kunnen militaire noodhulpeenheden worden uitgestuurd als gouvernementele en niet-gouvernementele hulporganisaties een noodsituatie niet aankunnen. Het noodhulpverkenningsteam kan in het rampgebied in overleg met verantwoordelijke instanties snel de behoefte aan steun inventariseren en zo nodig de komst van noodhulpeenheden voorbereiden. Deze eenheden zijn inmiddels geoefend en kunnen worden ingezet.

1.5.2 Nederlandse bijdrage aan vredesoperaties

Voor humanitaire en vredesoperaties zijn nu in totaal ongeveer 1 616 Nederlandse militairen uitgezonden. De tabel bevat een overzicht van de huidige Nederlandse bijdragen.

Overzicht Nederlandse bijdrage Situatie per 26 augustus 1998
OPERATIEPERSONEEL
1. Voormalig Joegoslavië:  
a. Stabilisatiemacht (Sfor) – grondcomponent1 208
– luchtcomponent152
b. UN International Police Task Force (UNIPTF)55
c. European Community Monitoring Mission (ECMM)18
d. Bosnia-Herzegowina Mine Action Centre (BHMAC)3
e. Contingentscommando53
SUBTOTAAL1 489
  
2. UN Peacekeeping Force in Cyprus (Unficyp)100
  
3. UN Truce Supervision Organisation (Untso)12
  
4. Weu Multinational Police Advisory Element (Mape)5
  
5. UNDP/Cambodia Mine Action Centre (CMAC)3
  
6. OVSE-missie in Albanië3
  
7. UNOPS/CMATS in Angola2
  
8. OVSE-missie in Moldavië1
  
9. UN Special Commission (Unscom)1
TOTAAL1 616

1.5.3 Voormalig Joegoslavië

Het mandaat van de door de Navo geleide stabilisatiemacht (Sfor), die in Bosnië-Herzegowina toeziet op de naleving van de militaire bepalingen van het Dayton-akkoord, is in juni 1998 verlengd. De vredesmacht zal, naast de afschrikkingstaak, vooralsnog brede steun blijven leveren aan de implementatie van de civiele aspecten van het Dayton-akkoord. De omvang van de vredesmacht ligt daarom op dit ogenblik niet ver beneden het oorspronkelijke niveau van Sfor. Dankzij de opneming van een speciale multinationale eenheid kan zij bovendien beter optreden bij ordeverstoringen, bijvoorbeeld bij de terugkeer van vluchtelingen en de installatie van gekozen functionarissen.

De duur van de missie is niet langer aan een einddatum verbonden, maar aan een te bereiken eindstadium. Stapsgewijze reducties vormen een belangrijk element van de overgangsstrategie, waardoor Sfor zich geleidelijk minder met civiele ondersteuning zal bezighouden en zich meer op de afschrikkingstaak zal richten. De Navo zal regelmatig de voortgang van het vredesproces bespreken en beoordelen of tussentijdse aanpassingen of beëindiging van de missie mogelijk zijn. Waarschijnlijk wordt de vredesmacht dit jaar, na de algemene verkiezingen in Bosnië-Herzegowina in september, voor het eerst gereduceerd.

De Koninklijke landmacht levert, met een gemechaniseerd bataljon en enkele kleinere eenheden, waaronder een peloton dat is opgeleid voor rellenbestrijding («crowd-and-riot control») en een eenheid voor elektronische oorlogvoering (eov), een belangrijke bijdrage aan de landcomponent van Sfor. Een mortieropsporingsradarbatterij van de Koninklijke landmacht wordt op afroep beschikbaar gehouden in Nederland. In de geniecompagnie van het bataljon is een peloton Bulgaarse genisten opgenomen. De Nederlandse landeenheden maken deel uit van de door het Verenigd Koninkrijk geleide multinationale divisie Zuidwest en zijn in Midden-Bosnië gelegerd.

De Navo kan in noodgevallen een beroep doen op enkele Nederlandse reserve-eenheden. Een mortiercompagnie van het Korps mariniers maakt deel uit van de tactische reserve en zal in beginsel alleen in de Britse sector Zuidwest worden ingezet. Een mariniersbataljon en een transportpeloton van de Koninklijke landmacht maken deel uit van de strategische reserve van Sfor. Deze reserve-eenheden bieden de Navo de mogelijkheid tijdig en krachtig te reageren op een onverhoopte verslechtering van de situatie in Bosnië-Herzegowina. Aan de inzet van deze eenheden moet overigens een apart regeringsbesluit voorafgegaan, waarvan de Tweede Kamer terstond op de hoogte wordt gesteld.

Samen met België levert Nederland een detachement F-16 jachtvliegtuigen aan de luchtcomponent van Sfor. Deze samenwerking vloeit voort uit de in 1996 met België gesloten samenwerkingsovereenkomst «Deployable Air Task Force» (DATF). De toestellen zijn gestationeerd op de vliegbasis Villafranca in Italië. Ter ondersteuning van Sfor worden ook regelmatig vliegtuigen van de Koninklijke luchtmacht ingezet voor luchttransport, medische vluchten en bijtanken in de lucht. Voorts heeft Nederland, op verzoek van de commandant van Sfor, een maritiem patrouille-vliegtuig beschikbaar gesteld, dat in Italië op de vliegbasis Sigonella is gestationeerd. De commandant kan tevens een beroep doen op het permanente Navo-vlootverband in de Middellandse Zee (Stanavformed), waarvan een Nederlands fregat deel uitmaakt.

Hieronder volgt een overzicht van de Nederlandse personele en materiële bijdrage aan Sfor en de in Sfor-verband uitgevoerde activiteiten in de eerste helft van dit jaar.

Nederlandse personele en materiële bijdrage aan Sfor, 1 januari tot 1 juli 1998
EenheidPersoneelInzet Groot Materieel
gemechaniseerd bataljon (incl. logistiek, genie, contingentscommando en «crow-and-riot-control»)1 06612 Leopard tanks, 60 YPR-rupsvoertuigen, 327 overige voertuigen
mortieropsporingsradareenheid (tot 22 mei)315 vtgn , 3 x MOR
verbindingseenheid (EOV) (tot 1 feb '98)155 vtgn, 4 x FUCHS
peloton mariniers (tot 29 mei)445 BV; 5 YPR-rupsvoertuigen; 10 overige voertuigen
F-16 detachement Villafranca140;120 vanaf 20 juni jl. 8 F-16's
Apache-detachement (vanaf 16 juni)72 AH 64 Apache-helicopters
luchttransportcapaciteit /AAR141 Fokker 60, 1 KDC 10, 1 C-130
EOD/OGRV-teams12 
Personeel SFOR-hoofdkwartieren165  
maritiem patrouillevliegtuig Sigonella201 Orion P3-C
OGRV bewakingspeloton35 
In Sfor-verband uitgevoerde activiteiten
EenheidActiviteiten
gemechaniseerd bataljon (incl. logistiek, genie en contingentscommando) «crowd-and-riot-control»-detachement (als onderdeel van het mechbat; vanaf 29 mei)2 x per week patrouilles in gebieden met militaire «sites» 1 x per week patrouilles in gebieden zonder militaire «sites» 1 x per dag patrouilles in gebieden met spanningshaarden 83 inspecties («weaponsites» en cantonnementen) 23 x vernietiging van munitie 62 civiel-militaire samenwerkingsprojekten «crowd-and-riot control»
mortieropsporingsradareenheid (tot 22 mei)op continue basis detecteren van artillerie- en mortiervuur
verbindingseenheid (tot 1 februari)interceptie en plaatsbepaling berichtenverkeer op continu basis
peloton mariniers (tot 29 mei)«crowd and riot control»
detachement jachtvliegtuigen Villafranca671 operationele F-16 vluchten, waarvan 174 fotoverkennings-vluchten
Apache detachement (vanaf 16 juni)20 familiarisatie/oefenvluchten 6 operationele vluchten ondersteuning SFOR-operaties
luchttransportcapaciteit27 AAR-vluchten, 3 patiëntenevacuaties, 2 vracht-transportvluchten
maritiem patrouillevliegtuig Sigonella17,3 vlieguren operationele vluchten; 133,6 uren t.b.v. overige operaties (o.a. oefeningen)
Augmentees/liaisonondersteuning hoofdkwartieren
EOD/OGRV-teamsEOD-werkzaamheden ter ondersteuning mechbat
OGRV bewakingspelotonBewaken materiaal tijdens rotatie

Nederland heeft 55 militairen van de Koninklijke marechaussee ter beschikking gesteld van de UNIPTF. Deze politiewaarnemersmissie ziet op grond van annex 11 van het Dayton-akkoord toe op het functioneren van de civiele politie en op de rechtshandhaving in Bosnië. De UNIPTF voert zelf geen politietaken uit. Wel zal zij zich meer op training en opleiding richten; Nederland levert hieraan ook een financiële bijdrage.

Achttien Nederlandse militairen maken deel uit van de «European Community Monitor Mission in Former Yugoslavia» (ECMM). De ECMM volgt de politieke, humanitaire en economische ontwikkelingen in het voormalige Joegoslavië, Albanië en Macedonië en rapporteert daarover aan de EU-lidstaten.

1.5.4 Albanië

Het «Multinational Advisory Police Element» (Mape) van de Weu bevordert door middel van training en advies de wederopbouw van een goed functionerend, betrouwbaar en geloofwaardig politieapparaat in Albanië. Het mandaat voor deze missie loopt af op 12 april 1999. In verband met de uitbreiding van de advies- en opleidingstaken wordt het Mape geleidelijk versterkt van 65 tot ongeveer 105 functionarissen. Nederland neemt sinds mei 1997 deel aan het Mape en heeft hiervoor in totaal acht marechaussees aan de Weu aangeboden. Op dit ogenblik levert Nederland, naast de «Chief of Operations» (een hoofdofficier van de Koninklijke marechaussee, die tevens als «Senior National Representative» (SNR) optreedt) een deskundige op het gebied van mensenrechten en drie waarnemers voor de «evaluation branche». De overige drie aangeboden militairen van de Koninklijke marechaussee staan gereed voor uitzending. Naast Nederland stellen onder andere Italië, Frankrijk en Duitsland functionarissen ter beschikking van deze missie.

Defensie levert twee officieren aan de OVSE-missie in Albanië om te rapporteren over de situatie in de grensstreek van Albanië met Kosovo. Ook is een officier toegevoegd aan het hoofd van de OVSE-missie.

1.5.5 Cyprus

Het mandaat van de «United Nations Peacekeeping Force in Cyprus» (Unficyp) berust op Resolutie-186 van de Veiligheidsraad (maart 1964). Sinds 1974 houdt Unficyp toezicht op de naleving van het bestand in de bufferzone tussen de Cypriotische Nationale Garde en Turks-Cypriotische strijdkrachten. De vredesmacht bestaat uit ongeveer 1200 militairen. Sinds juni 1998 neemt Nederland hieraan deel met ongeveer 100 militairen van de Koninklijke landmacht, die zijn geïntegreerd in het Britse contingent. Enkele militairen van de Koninklijke marechaussee zijn opgenomen in de multinationale militaire politie-eenheid van Unficyp. Nederland zal deelnemen voor een periode van drie jaar.

1.5.6 Andere vredesoperaties

In het Midden-Oosten draagt Nederland twaalf waarnemers bij aan de «United Nations Truce Supervision Organisation» (Untso), die toeziet op het handhaven van de bestandslijnen tussen Israël en zijn buurstaten.

Een officier neemt deel aan de OVSE-missie in Moldavië. Deze missie heeft als belangrijkste taak de bij het conflict betrokken partijen tot een oplossing van hun geschillen te helpen komen.

Nederland levert één militair voor de «United Nations Special Commission (Unscom), die toeziet op de productie, het beheer en de vernietiging van chemische wapens en installaties in Irak. De militair, die gespecialiseerd is in nucleaire, biologische en chemische oorlogvoering, is geplaatst bij de VN te New York en neemt regelmatig deel aan inspecties in Irak.

Defensie helpt ook bij het ruimen van mijnen in verschillende landen. Twee supervisors en een stafofficier nemen deel aan het «Mine Action Centre» in Bosnië-Herzegowina (BHMAC), dat verantwoordelijk is voor de coördinatie van de mijnenruimactiviteiten in dat land. In verband met de voltooiing van het opleidingsprogramma zullen de mijnenruiminstructeurs in juli 1998 terugkeren. In Cambodja werken twee mijnenruiminstructeurs van de explosievenopruimingsdienst (EOD) en een verbindingsspecialist bij het «Cambodian Mine Action Centre» (CMAC). Het EOD-personeel verzorgt opleidingen en geeft leiding aan de afdeling die Cambodjanen opleidt tot EOD-er en EOD-teams in het veld begeleidt. De Nederlandse hulp aan het CMAC, die aanvankelijk in april 1998 zou worden beëindigd, is met één jaar verlengd tot april 1999. In Angola werken bij de «Central Mine Action Training School» eveneens twee Nederlanders als mijnenruiminstructeur.

Sinds 1991 houdt de «Mission Nations Unies pour l'organisation d'un Référendum au Sahara Occidental» (Minurso) met waarnemers toezicht op het bestand in de Westelijke Sahara. De VN bereidt een referendum voor over de toekomstige status van het gebied: aansluiting bij Marokko of onafhankelijkheid. In de aanloop naar de verkiezingen is in het kader van Minurso een VN-troepenmacht voorzien die moet toezien op de rust in het gebied. Op verzoek van de VN heeft Nederland zich in beginsel bereid verklaard ongeveer 230 Nederlandse militairen te sturen als onderdeel van een Nederlands-Deense infanterie-eenheid. Ook stelt Nederland tien waarnemers beschikbaar. Mede als gevolg van de moeizaam verlopende registratie van kiezers heeft de voorbereiding van het referendum echter vertraging opgelopen. De Tweede Kamer is hierover op 28 juli jl. uitvoerig ingelicht (Kamerstuk 25 957 X, nr. 4).

1.5.7 Evaluatie vredesoperaties

Om lering te trekken uit ervaringen worden de Nederlandse militaire bijdragen aan vredesmissies geëvalueerd. Wat betreft de Nederlandse bijdrage aan Sfor, is de voorbereiding van de gemechaniseerde bataljons van de Koninklijke landmacht in het algemeen goed gebleken. Wel was het tweede Sfor-bataljon een betrekkelijk jonge eenheid, waardoor het zich veel inspanning moest getroosten om op het vereiste niveau te komen. Voor het contingentscommando is het voorts van belang gebleken al bij de eindoefening van een uit te zenden bataljon te worden betrokken.

De Nederlandse Sfor-eenheden zijn zoveel mogelijk met eigen materieel uitgezonden. Bij uitzondering was ook materieel uit een mobilisatiecomplex nodig. Onderhoud van dat materieel bleek een aanvullende inspanning te vergen. Bij gebruik van mobilisabel materieel moet daarom zo vroeg mogelijk worden ingespeeld op mogelijke inzetbaarheidsproblemen. Het beheer van aanvullend en niet-organiek materieel dat in het operatiegebied bij de aflossing van de eenheden wordt overgedragen, vergde eveneens extra zorg. Voor het onderhoud van dit materieel was echter voldoende capaciteit in het operatiegebied aanwezig. In vergelijking tot andere landen was de inzetbaarheid van het Nederlandse materieel hoog.

De bevelsverhoudingen waren voor de verschillende Nederlandse eenheden helder. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het laagste commandantenniveau bleken bij de taakuitvoering van groot belang. Dat aspect krijgt daarom in de opleiding en bij oefeningen veel aandacht. De samenwerking met militaire eenheden van andere landen was goed, ook de samenwerking met de ongeveer dertig Bulgaarse genisten die in het Nederlandse Sfor-bataljon zijn opgenomen.

De verkeerssituatie in Bosnië-Herzegowina levert belangrijke risico's op. Dit is vooral het gevolg van de slechte kwaliteit van de wegen, de moeilijke weers-omstandigheden en het rijgedrag van de bevolking. Nederlandse Sfor-militairen zijn daardoor bij verschillende verkeersongevallen betrokken geweest. Daarbij waren helaas ook enkele dodelijke slachtoffers te betreuren. Het aantal ongevallen bleef desondanks beperkt dankzij het gedisciplineerde rijgedrag van de militairen (en het toezicht daarop).

De ervaringen met Sfor hebben opnieuw het belang van speciale operaties aangetoond. Hierbij valt niet alleen te denken aan arrestatie van door het VN-tribunaal aangeklaagde verdachten van oorlogsmisdaden, maar ook aan de bescherming van de eigen eenheden en het volgen van ontwikkelingen in het operatiegebied. Speciale operaties behoeven ook bij toekomstige vredesoperaties de nodige aandacht. Naar aanleiding van de ervaringen in Bosnië-Herzegowina zal Defensie een studie verrichten naar mogelijkheden om op het gebied van «information operations» deskundigheid en capaciteit te ontwikkelen. Het gaat daarbij onder meer om het inlichten van de plaatselijke media en bevolking over verschillende aspecten van een militaire operatie. Dit bevordert de aanvaarding van de internationale troepenmacht en de medewerking door de plaatselijke bevolking. Dankzij de toevoeging van een eenheid die is opgeleid voor het bestrijden van rellen («crowd and riot-control»), beschikt het bataljon over een grotere verscheidenheid aan middelen om te kunnen reageren op een verslechtering van de veiligheidssituatie.

De evaluatie van de Nederlandse bijdrage aan Untso in het Midden-Oosten heeft aangetoond dat het enkele weken durende gevarieerde opleidingsprogramma in Nederland toereikend is om de Untso-waarnemer op zijn taken voor te bereiden. Bij het opleidingsprogramma wordt gebruik gemaakt van ervaringen van waarnemers die uit het gebied terugkeren. De meeste Nederlandse waarnemers worden ingezet bij de «Observer Group Golan» (OGG), en de «Observer Group Lebanon» (OGL) en staan onder operationele controle van respectievelijk Undof en Unifil. Om haar onpartijdigheid te beklemtonen, streeft Untso ernaar waarnemers gedurende hun uitzendtermijn bij verschillende Israëlische en Arabische buitenstations te plaatsen. De samenwerking met de verschillende partijen is over het algemeen goed. Mijnen, de verkeersonveiligheid en de slechte hygiënische omstandigheden leveren de meeste risico's op. Acties van gewapende elementen en van het Israëlische leger leveren voor bij de OGL geplaatste waarnemers soms gevaren op. De medische verzorging in het operatiegebied en het vanuit Nederland verstrekte materieel voor de waarnemers waren toereikend.

Eenheden van de Koninklijke marine hebben sinds 1996 elk jaar steeds voor een beperkte periode deelgenomen aan de «Multinational Interception Force» (Mif), die in de Perzische Golf toeziet op de naleving van het in 1990 ingestelde handelsembargo tegen Irak. Het vlootverband staat onder bevel van de «Commander United States Naval Forces Central Command» en bestaat uit voornamelijk Amerikaanse en Britse schepen. Canada, Australië, België, Italië, Nieuw-Zeeland en, zoals gezegd, Nederland nemen steeds voor een beperkte periode deel. Het optreden van de Nederlandse schepen onder operationeel bevel van de Amerikaanse marine is goed verlopen. De schepen waren toereikend uitgerust.

1.5.8 Pool van mijnenruiminstructeurs

De opleiding van de pool van mijnenruiminstructeurs verloopt voorspoedig. Inmiddels zijn ongeveer 50 mijnenruiminstructeurs opgeleid. Door het zware opleidingsprogramma en personeelsverloop is het niet mogelijk gebleken nu al de pool met alle 80 instructeurs te vullen. De resterende 30 instructeurs zullen nog dit jaar met hun opleiding beginnen. Militairen uit de pool zijn voor de eerste maal vanaf januari 1998 ten behoeve van een UNHCR-ontmijningsprogramma ingezet bij het «Bosnia-Herzegowina Mine Action Centre» (BHMAC).

1.6 Caribisch gebied

In het kader van de drugsbestrijding werken eenheden van de Koninklijke marine en de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba vooral samen met de Verenigde Staten. Er wordt gestreefd naar uitbreiding van de maritieme samenwerking in de regio met onder meer het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Colombia, Venezuela, St. Kitts en Nevis en Antigua. In dat verband wordt gewerkt aan een multilateraal verdrag voor de uitvoering van het Verdrag van Wenen van 1988 inzake de bestrijding van de drugshandel. Defensie heeft vorig jaar het initiatief genomen voor een verkennende conferentie met de belangrijkste landen en organisaties in het Caribische gebied. De beoogde multinationale samenwerking kan de effectiviteit van de Kustwacht belangrijk ten goede komen.

De regering heeft kennisgenomen van de evaluatie van de Kustwacht door de Antilliaanse regering en de regeringen van de Nederlandse Antillen en Aruba erop gewezen dat zij met betrekking tot de Kustwacht nog niet hebben voldaan aan hun financiële verplichtingen.

HOOFDSTUK 2: DE KRIJGSMACHT

2.1 Algemeen

In 1999 wordt voortgegaan op de met de actualisering van de Prioriteitennota ingeslagen weg. De herstructurering van de krijgsmacht, die loopt tot eind 2002, zal eveneens verder zijn beslag krijgen. Tegelijkertijd blijft de krijgsmacht in internationaal verband actief betrokken bij vredesoperaties. Dankzij de opheffing van knelpunten in het kader van de actualisering van de Prioriteitennota is het voortzettingsvermogen van de Nederlandse bijdragen beter gewaarborgd. Veel aandacht gaat verder uit naar de versterking van bi- en multinationale samenwerkingsverbanden.

2.2 Koninklijke marine

2.2.1 Algemeen

De herstructurering van de Koninklijke marine verloopt volgens plan. Met de overdracht op 29 juni jl. van de Hr.Ms. «Piet Heyn» aan de Verenigde Arabische Emiraten is het aantal fregatten van de Koninklijke marine overeenkomstig de Prioriteitennota verminderd. Het amfibische transportschip of «Landing Platform Dock» Hr.Ms. «Rotterdam» is in 1998 in de vaart gekomen en zal waarschijnlijk in 1999 volledig operationeel zijn. Dit betekent een versterking van de amfibische component van de Koninklijke marine.

De Koninklijke marine is ook belast met de operationele leiding van de Nederlandse kustwacht. In 2000 zullen het Kustwachtcentrum en het Maritiem Hoofdkwartier in Den Helder worden samengevoegd.

2.2.2 Internationale samenwerking

De Koninklijke marine werkt op operationeel, materieel-logistiek en personeelsgebied nauw samen met verschillende Navo-partners. De geïntegreerde Belgisch-Nederlandse staf coördineert de inzet van de Belgische en Nederlandse marine vanuit het Maritieme Hoofdkwartier in Den Helder. Met het Verenigd Koninkrijk wordt nauw samengewerkt in het kader van de «UK/NL Amphibious Force».

In het kader van het Partnerschap voor de Vrede (PvV) werkt de Koninklijke marine samen met Midden- en Oost-Europese landen, in het bijzonder met Polen, Tjechië, Roemenië en Rusland. Samen met het Verenigd Koninkrijk ondersteunt de Koninklijke marine de opleiding en de training van het Baltische Bataljon. Met verschillende andere landen zijn overeenkomsten gesloten over materieel-logistieke samenwerking, uitwisseling van personeel, havenbezoeken en wederzijdse gebruik van faciliteiten. Het gaat onder meer om Australië, Brazilië en de Verenigde Arabische Emiraten.

2.2.3 Voortgang herstructurering

De uitbreiding van het Korps mariniers zal in twee jaar haar beslag krijgen. De wervingsbehoefte voor 1998 en 1999 is met in totaal 150 man verhoogd. Midden 1998 was al 52 procent van de behoefte voor dit jaar gerealiseerd. Verwacht wordt dat volledig in de wervingsbehoefte kan worden voorzien.

De personele reductie verliep de afgelopen jaren naar tevredenheid, maar blijft aan het einde van het reductietraject mogelijk enigszins achter bij de in de plannen voorziene reductie. De reductiedoelstellingen van de Prioriteitennota en de Novemberbrief zullen niettemin worden gehaald. Wat betreft de militairen zal de resterende reductieverplichting door natuurlijk verloop en een verdere beperking van de instroom worden gerealiseerd. Voor burgers zullen personeelsplafonds worden gehandhaafd en zal door reorganisaties het functiebestand worden verminderd tot het toegestane niveau.

De als gevolg van de reorganisaties bij de Koninklijke marine afgenomen loopbaanmogelijkheden en verminderde plaatsingsmogelijkheden aan wal, hebben veel van het personeel gevergd.

2.2.4 Materieelprojecten

In het kader van de vervanging van de twee geleidewapenfregatten van de Tromp-klasse en twee van de vier resterende standaardfregatten door vier luchtverdedigings- en commandofregatten (het LCF-project), is de Koninklijke Scheldegroep op 2 maart 1998 begonnen met de bouw van het eerste fregat. De Koninklijke marine zorgt voor de verwerving en de integratie van de sensor-, wapen-, en commandosystemen. De proeftocht van het eerste fregat is voorzien voor 2001 en de overdracht aan de Koninklijke marine voor 2002. De andere drie fregatten volgen telkens een jaar later. In het kader van het project wordt samengewerkt met Duitsland en Spanje. Op 18 maart jl. is de Tweede Kamer ingelicht over de voortgang van het project (Kamerstuk 25 800 X, nr. 3).

Wat betreft de modernisering van de sensor-, wapen- en commandosystemen van de maritieme patrouille-vliegtuigen Orion van de Koninklijke marine (het «Capability Upkeep Programme») zijn de mogelijkheden bezien om bij soortgelijke programma's van bondgenoten aan te sluiten. Gebleken is dat de projectdefinitie van belangrijke overeenkomstige programma's van de Amerikaanse marine pas in de tweede helft van 1998 zal worden vastgesteld. De Tweede Kamer zal hierover nader worden ingelicht.

Nederland neemt samen met Frankrijk, Duitsland en Italië deel aan het project NH-90. Voor Nederland gaat het om de vervanging van de Lynx-helikopters van de Koninklijke marine door twintig NH-90 helikopters in de maritieme versie. Eind 1997 is de offerte van de industrie voor de preproductie- en de productiefase ontvangen. De onderhandelingen met de industrie hierover zijn nog gaande. De Tweede Kamer is op 10 maart jl. (Kamerstuk 25 928X, nr. 1) ingelicht over de voortgang van het project. Op verzoek van de Tweede Kamer zal in het najaar van 1998 een vervolgrapportage verschijnen, waarin onder meer wordt ingegaan op mogelijke alternatieven.

Wat betreft het project aanpassing mijnenbestrijdingscapaciteit (PAM) zijn de projecten «vervanging mijnenbestrijdingscapaciteit Dokkum-klasse» en «Capability Upkeep Programme Alkmaar-klasse» samengevoegd. De Tweede Kamer zal worden ingelicht over de voltooiing van de verwervingsvoorbereiding voor het onderdeel mijnenbestrijdings-capaciteit en over de van dit project deel uitmakende levensduurverlenging van de hydrografische capaciteit.

2.3 Koninklijke landmacht

2.3.1 Algemeen

De komende jaren staan voor de Koninklijke landmacht in het teken van de herstructurering en van de herschikking van de gevechtskracht, waartoe in het kader van de actualisering van de Prioriteitennota is besloten. Voorts zal de internationale inbedding van de Koninklijke landmacht worden verdiept.

In april 1998 heeft de Koninklijke landmacht in Ede een Coördinatiecentrum opgericht. Dit centrum zal bij calamiteiten waarbij personeel van de Koninklijke landmacht is betrokken, zorgen voor de opvang van familieleden van slachtoffers. Er is voor Ede gekozen vanwege de centrale ligging en de aanwezigheid van militaire infrastructuur.

2.3.2 Internationale samenwerking

De internationale samenwerking richt zich vooral op het Duits-Nederlandse legerkorps en de Multinational Division (Central). De samenwerking met Groot-Brittannië wordt verder verdiept, in het bijzonder op het gebied van vredesoperaties. Het gaat om samenwerking op het gebied van doctrine, operaties, opleidingen, logistiek en materieel. Voornaamste doel is het verbeteren van de interoperabiliteit bij crisisbeheersingsoperaties.

Verdere samenwerking met de Benelux-partners wordt eveneens nagestreefd, vooral op het gebied van opleidingen en het gebruik van oefen- en schietfaciliteiten. Ook de samenwerking met de Verenigde Staten, Frankrijk en Spanje zal worden voortgezet; de samenwerking met de nieuwe Navo-lidstaten Polen, Tsjechië en Hongarije zal worden geïntensiveerd. Het is de bedoeling in de komende jaren oefeningen in deze landen te houden.

2.3.3 Voortgang herstructurering

De herschikking van de gevechtskracht heeft tot gevolg dat de herstructurering van de Koninklijke landmacht zal duren tot eind 2002. De aanpassing heeft vooral betrekking op de eenheden van het Duits-Nederlandse legerkorps en zal hun operationele inzetbaarheid verbeteren. De inzetbaarheid en de bedrijfsvoering van de Koninklijke landmacht komen hierdoor niet in gevaar.

In 1998 is een begin gemaakt met de herschikking van de gevechtskracht, vooral door het paraat stellen van de 43ste gemechaniseerde brigade. Tevens wordt het Korps commandotroepen gereorganiseerd en de genie-capaciteit uitgebreid. In 1999 en 2000 zullen de overige brigades worden gereorganiseerd en de restanten van de mobilisabele 52ste gemechaniseerde brigade worden opgeheven.

De laatste grote reorganisaties bij het Nationaal Commando betreffen de oprichting van het Landelijk Bevoorradingsbedrijf KL, het Hoger Echelons Onderhoudsbedrijf en het National Support Command. Deze eenheden worden eind 1998 operationeel. Ook zal de actualisering van de Prioriteitennota de komende jaren nog gevolgen hebben voor het Nationaal Commando; het betreft vooral een verdere verkleining van het personeelsbestand en de verwerking van de resultaten van evaluaties.

Als gevolg van enkele projecten verschuift de komende jaren het zwaartepunt van de personeelsreductie naar het burgerpersoneel. Het zal zoveel mogelijk worden omgeschoold en herplaatst.

Door het grote aantal reorganisaties zijn enkele met elkaar samenhangende infrastructuurprojecten vertraagd. Dat geldt onder meer voor de ontruiming en de afstoting van kazernes, waaronder de Generaal Winkelmankazerne in Nunspeet, de Saksen Weimarkazerne in Arnhem en de Johan van de Korputkazerne in Steenwijk.

In 1998 is bij het Commando Opleidingen Koninklijke Landmacht het Opleidingscentrum Initiële Opleidingen opgericht. In dit opleidingscentrum zijn de schoolbataljons van het legerkorps opgegaan.

De reorganisatie van de top van de Koninklijke landmacht wordt in 1998 voltooid met enkele kleine veranderingen bij de Landmachtstaf en de Operationale Staf BLS. De Centrale Dienst Personeel en Organisatie zal, op grond van een evualatie van de huidige organisatie, een plan voor de reorganisatie van de dienst opstellen. De reorganisatie van de Directie Materieel van de Koninklijke landmacht in 1998 zal leiden tot de overdracht van taken en bevoegdheden op het gebied van bevoorrading aan het op te richten Landelijk Bevoorradingsbedrijf van het Nationaal Commando.

2.3.4 Materieelprojecten

Voor de ondersteuning van operationele eenheden op bataljonsniveau en lager bestaat behoefte aan «Battlefield Management Systems» (BMS) ten behoeve van de «command & control» en «situational awareness» van het personeel. Het kan dan onmiddellijk beschikken over informatie over de gevechtsomgeving, bijvoorbeeld over de positie van de eigen troepen en die van de tegenstander en over de locatie van hindernissen. Om het project beheersbaar te houden, zullen de systemen stapsgewijs worden ingevoerd. Waarschijnlijk kan de Tweede Kamer in 1999 worden ingelicht over de (voor)studieresultaten.

Ook is er behoefte aan nieuwe (technische) uitrustingstukken voor de soldaat. De rol van te voet optredende eenheden die niet direct worden ondersteund door (gepantserde) voertuigen heeft aan belang gewonnen. De gevechtssoldaat te voet moet flexibeler en effectiever kunnen optreden. Nederland heeft in dat verband, in navolging van andere NAVO-landen, een «Soldier Modernization Programme» (SMP) opgesteld. Doel is de gevechtsveldfuncties (letaliteit, mobiliteit, bescherming, voortzettingsvermogen en «command & control») van de soldaat te verbeteren en zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Het onderzoek wordt gedeeltelijk in samenwerking met TNO uitgevoerd.

Het «Licht Verkennings- en Bewakingsvoertuig» (LVB), een gepantserd wielvoertuig, zal de verkenningsvoertuigen van het type Landrover (verkenningsversie) en de M113 C&V vervangen. De LVB-voertuigen krijgen een waarnemingsmodule met moderne warmtebeeldapparatuur. Nederland en Duitsland zijn een samenwerkingsverband aangegaan voor de ontwikkeling van dit voertuig.

De gepantserde rupsvoertuigen M577 en YPR zullen in de periode 2005–2025 stapsgewijs worden vervangen. In de eerste fase zullen 210 gepantserde wielvoertuigen worden aangeschaft ter vervanging van de 110 YPR-rupsvoertuigen met ondersteunende taken bij de verkenningseenheden en van de 100 gepantserde commando-voertuigen M577, die vooral zijn ingedeeld bij brigade- en divisiestaven. Ook de overige YPR-rupsvoertuigen van parate eenheden zullen worden vervangen. In de tweede fase volgt de vervanging van de YPR-rupsvoertuigen bij mobilisabele eenheden.

Voor de ontwikkeling en de verwerving van de eerste 210 gepantserde wielvoertuigen is gekozen voor aansluiting bij het Duits-Frans-Britse samenwerkingsproject «Gepantzertes Transport Kraftfahrzeug» (GTK). Het Eurokonsortium, onder leiding van de firma Wegmann/Krauss-Maffei, is nu tot «preferred bidder» gekozen. Het ligt in de bedoeling dat Nederland eind 1998 of begin 1999 het desbetreffende «memorandum of understanding» en het contract over de gezamenlijke ontwikkeling en de productie van prototypes en een eerste serie ondertekent. Het project zal worden ondergebracht bij het materieelagentschap «Organisme Conjoint de Coopération en Matière d'Armament» (Occar). Nederland zal in beginsel dit jaar tot Occar toetreden.

De gevechtswaardeverbetering van 180 Leopard-2 tanks leidt tot grotere bescherming en betere commandovoering, met inbegrip van de vuurleiding. Dit (deel)-project verloopt volgens plan. Voor de verbetering van de vuurkracht van de Leopard-2 tanks worden samen met Duitsland een langere schietbuis en verbeterde kinetische-energiemunitie ontwikkeld.

Voor de pantserbestrijding op de middellange afstand zijn nieuwe wapens nodig. Het project «Medium Range Anti-Tank» voorziet in de ontwikkeling, verwerving en invoering van deze wapens. Nederland werkt hiertoe samen met Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en België aan het antitank-geleide-wapen derde generatie. De samenwerking richt zich op de ontwikkeling van een lasergeleid systeem en lijkt te kunnen voldoen aan de behoefte van pantserinfanterie-eenheden. Voor een deel van de behoefte (Korps mariniers, Luchtmobiele brigade en verkennings-eenheden) zal worden gekozen voor een lichter, «fire-and-forget»-systeem. De verwervingsvoorbereidingsfase van dit systeem zal in 1999 worden afgesloten.

2.4 Koninklijke luchtmacht

2.4.1 Algemeen

De Koninklijke luchtmacht gaat de komende jaren door met de voorgenomen reorganisaties. De personele reductie zal volgens plan worden verwezenlijkt. De hiermee verbonden daling van de personele exploitatie-kosten wordt gedeeltelijk teniet gedaan door de huur van extern personeel en de door de hoge dollarkoers duurder geworden vliegeropleidingen. Bovendien heeft de vermindering van het burgerpersoneelsbestand enige vertraging opgelopen; deze zal in 2000 zijn ingelopen.

2.4.2 Internationale samenwerking

De Koninklijke luchtmacht neemt, vooral in Navo-verband, deel aan verschillende bi- en multilaterale programma's, waardoor de standaardisatie en interoperabiliteit van procedures en middelen worden bevorderd. Op het gebied van luchtruimbewaking is met België een overeenkomst ondertekend die het van elkaar overnemen regelt van de diensten van het Belgische en Nederlandse «Control and Reporting»-centrum tijdens weekeinden en feestdagen; met Duitsland wordt overleg gevoerd over deelneming. Ook streeft de Koninklijke luchtmacht naar nauwere samenwerking met Duitsland op het gebied van grond-lucht geleide wapens. In dat verband wordt gestreefd naar een «Deployable Air Defence Task Force» (DADTF). De Verenigde Staten hebben hiervoor eveneens belangstelling getoond.

2.4.3 Voortgang herstructurering

De in de actualisering van de Prioriteitennota opgenomen uitbreiding van het functiebestand van de tactische helikoptergroep en de luchttransportvloot met in totaal 250 functies wordt op dit ogenblik uitgevoerd.

De samenvoeging van het Depot Mechanisch Vliegtuigmaterieel en Straalmotoren en het Depot Elektronisch Materieel in één Logistiek Centrum wordt voortgezet. De Luchtmacht Elektronische en Technische School wordt in het Opleidingscentrum Koninklijke luchtmacht (OCKlu) op de vliegbasis Woensdrecht opgenomen. Ook het hoofdkwartier van de Koninklijke luchtmacht wordt gereorganiseerd. Deze reorganisaties zullen waarschijnlijk in 2000 zijn voltooid.

De tot 2000 voorziene tijdelijk verhoogde jaarlijkse instroom van leerling-vliegers kan waarschijnlijk niet worden gerealiseerd. Ondanks de verhoogde wervingsinspanningen zullen jaarlijks waarschijnlijk niet meer dan 45 leerlingvliegers worden aangenomen. Er zullen aanvullende maatregelen worden getroffen om vliegers te behouden.

2.4.4 Materieelprojecten

Het «mid-life update»-programma (MLU) van het F-16 jachtvliegtuig verloopt goed, al is enige vertraging opgelopen. Het eerste squadron gemoderniseerde F-16 jachtvliegtuigen is eind 1998 operationeel. Waarschijnlijk zal het project in 2001 zijn voltooid. Dankzij de verwerving van nachtzichtapparatuur zal ook 's nachts kunnen worden geopereerd. Vanaf 2001 zal de Koninklijke luchtmacht door de invoering van laserdoelaanstralingsapparatuur (Kamerstuk 24 400 X, nr. 66) precisieaanvallen kunnen uitvoeren met lasergeleide wapens.

Voor de vervanging van de F-16 is begonnen met het Defensie Materieelkeuze Proces. Sinds 16 april 1997 neemt Nederland samen met Denemarken en Noorwegen deel aan het 'requirement validation project' van het Amerikaanse «Joint Strike Fighter» (JSF)-programma (Kamerstuk 25 000 X, nr. 44). Hiermee wordt niet vooruitgelopen op de uiteindelijke keuze voor de opvolging van de F-16. In 2000 zullen besluiten moeten worden genomen over de deelneming aan de «Engineering, Manufacturing and Development»-fase.

De capaciteit van de Patriot-systemen van de Koninklijke luchtmacht zal in de komende jaren worden verbeterd. Het gaat vooral om het modificeren van deze systemen overeenkomstig de PAC-III standaard (Kamerstuk 25 000 X, nr. 99).

Inmiddels zijn alle zeventien lichte transporthelikopters van het type AS-532-U2 Cougar beschikbaar. De aanpassing en de invoering van zeven CH-47D Chinook middelzware helikopters is voltooid. De overige zes Chinook-helikopters worden waarschijnlijk in 1998 aan de Koninklijke luchtmacht overgedragen.

De eerste van de dertig AH-64D Apache-helikopters is in mei 1998 overgedragen. De eerste vijf helikopters worden in de Verenigde Staten gebruikt voor opleiding van helikoptervliegers van de Koninklijke luchtmacht. In maart 1999 zullen de eerste helikopters in Nederland aankomen. Eind 2002 zullen waarschijnlijk alle dertig AH-64D Apache-helikopters zijn overgedragen. De Tactische Helikopter Groep zal per 1 juli 2003 volledig operationeel zijn.

2.5 Koninklijke marechaussee

2.5.1 Algemeen

De capaciteit van de Koninklijke marechaussee zal de komende jaren groeien als gevolg van de toegenomen behoefte aan militaire en civiele politie. Naast de uitbreiding van de politiedienst ten behoeve van de krijgsmacht wordt het personeelsbestand van de Koninklijke marechaussee belangrijk uitgebreid met het oog op de intensivering van de handhaving van het vreemdelingenbeleid. De bijstand van de Koninklijke marechaussee aan het korps politie van de Nederlandse Antillen op Sint-Maarten is op 1 april 1998 beëindigd.

2.5.2 Voortgang herstructurering

In 1997 is de sterkte van de militaire politiedienst van de Koninklijke marechaussee vastgesteld op 966 functies. De reorganisatie van de dienst zal tot en met 2000 duren.

2.5.3 Intensivering vreemdelingentoezicht en grensbewaking

In verband met de vele asielzoekers in Nederland zonder documenten en de bestrijding van illegale immigratie en mensensmokkel, is in januari 1998 besloten het mobiele toezicht op vreemdelingen te intensiveren. Hiervoor is jaarlijks f 50 miljoen gereserveerd. Ook wordt aan de zuidgrens een Schengeninformatiepunt opgericht. Dit zal de samenwerking en de informatieuitwisseling met België op het gebied van de bestrijding van de illegale immigratie versterken. Bij de controle van vrachtauto's op de smokkel van mensen zal de Koninklijke marechaussee nauw met de douane samenwerken. Deze samenwerking neemt bij beide diensten 200 volle-tijds-equivalenten (vte'n) in beslag. De hiermee gepaard gaande uitbreiding van de Koninklijke marechaussee is begin 1999 voltooid.

De recherchecapaciteit van de Koninklijke marechaussee voor de bestrijding van de grensoverschrijdende criminaliteit wordt uitgebreid. Zij wordt in de drie grote steden ook ingezet tegen de mensensmokkel. In januari 1998 is voorts besloten tot de intensivering van de bewaking van het Nederlandse deel van de buitengrens van het Schengengebied, waarvoor jaarlijks f 25 miljoen beschikbaar is gesteld. Hiervan is f 18 miljoen gereserveerd voor de Koninklijke marechaussee.

2.5.4 Interdepartementaal beleidsonderzoek

In 1998 is in het kader van het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) onder regie van het ministerie van Financiën studie verricht naar de mogelijkheden voor een meer resultaatgerichte sturing en bedrijfsvoering bij de Koninklijke marechaussee. Een projectgroep zal zich bezighouden met het uitvoeren van de aanbevelingen. Midden 2000 zal de bedrijfs-voering zijn verbeterd.

2.6 Defensie Interservice Commando

2.6.1 Algemeen

Het Defensie interservice commando (Dico) is in 1996 opgericht door de ondersteunende diensten van de krijgsmachtdelen samen te voegen in «interservice»-organisaties. Het bestaat uit agentschappen, diensten en bedrijven die tal van ondersteunende diensten voor heel Defensie verrichten, zoals de Directie Gebouwen, Werken en Terreinen (DGW&T), de Defensie Telematica-organisatie (DTO) en het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf.

2.6.2 Voortgang herstructurering

In 1998 is de Maatschappelijke Dienst Defensie (MDD) overgeheveld van de Koninklijke luchtmacht naar het Dico. In 1999 zal het Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen en Museum Bronbeek door de Koninklijke landmacht aan het Dico worden overgedragen. Verder is het de bedoeling enkele kleinere eenheden aan het Dico over te dragen.

In 1998 zijn voorbereidingen getroffen voor de reorganisatie van de Dienst Militaire Pensioenen (DMP) in Kerkrade. Het doel van de reorganisatie is een moderne administratie van verzekerden voor de militaire pensioenen.

In het kader van de doelmatigheidsoperatie zijn verschillende «interservice»-eenheden, zoals de Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie (DVVO), de Defensie-organisatie voor Werving en Selectie (DWS), de Diensten voor Geestelijke Verzorging (DGV) en het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf (MGFB), ingrijpend gereorganiseerd. De reorganisaties hadden tot doel de dienstverlening te bevorderen door verbetering van de bedrijfsvoering en stroomlijning en samenvoeging van de door de krijgsmachtdelen overgedragen organisatiedelen. De personele reductie-operaties verlopen volgens plan.

HOOFDSTUK 3: HET PERSONEELSBELEID

3.1 Personeelsreductie

De personeelsreductie als gevolg van de herstructurering van de krijgsmacht verloopt vrijwel volgens plan. Vóór 2003 moet het bestand beroepsmilitairen-onbepaalde-tijd (BOT) met 1 844 volle-tijds equivalenten (5,6 procent) en het burger-personeelsbestand met 1 003 (5,6 procent) worden verminderd. Tot 2003 moeten dus in totaal nog 2 847 vte'n worden gereduceerd. Het reductiebeleid voor BOT- en burgerpersoneel zal worden voortgezet om gedwongen ontslagen aan het einde van het traject zoveel mogelijk te voorkomen. Wat betreft het burgerpersoneelsbestand verloopt de reductie in de praktijk steeds moeizamer. Het wordt al vanaf 1987 afgeslankt. Bovendien zijn instrumenten als ouderenregelingen vrijwel volledig benut, waardoor het natuurlijke verloop stagneert.

Het bestand beroepsmilitairen-bepaalde-tijd (BBT) kan tot 2003 nog met 2 864 vte'n (12,8 procent) groeien. Deze groei biedt geen verlichting voor de BOT- en burgerpersoneelproblematiek.

Onderstaand overzicht geeft een meer gedetailleerd beeld van de situatie per beleidsterrein en per personeelscategorie. Anders dan in voorgaande jaren is de begrotingssterkte 1999 niet vergeleken met de situatie in 1990, het ijkpunt van de Prioriteitennota, maar zijn de cijfers gerelateerd aan het in de Prioriteitennota beoogde einddoel: de gewenste sterkte per 2003. De reductie-operatie bevindt zich nu in de tweede helft, zodat het belangrijker wordt te kijken naar het nog af te leggen traject. Bovendien is door de vele reorganisaties en overhevelingen sinds 1990 de waarde van een vergelijking met de beginsituatie afgenomen.

Vergelijking Begroting 1999 versus de Prioriteitennota in 2003
 Begroting 1999Geactualiseerde PrioriteitennotaVerschil 2003–1999
 aantallen volgens de Begroting 19991gewenste sterkte voor 20032absolute aantallenprocentueel
Koninklijke marine    
Beroepsmilitairen OT8 5408 329– 211 – 2,5%
Beroepsmilitairen BT4 3094 131– 178– 4,1%
Totaal militair personeel12 84912 460– 389– 3,0%
Burgerpersoneel4 3214 069– 252– 5,8%
Totaal personeel17 17016 529 – 641– 3,7%
Koninklijke landmacht    
Beroepsmilitairen OT11 32110 289– 1 032– 9,1%
Beroepsmilitairen BT12 28614 8082 52220,5%
Totaal militair personeel23 60725 0971 4906,3%
Burgerpersoneel9 2628 757– 505– 5,5%
Totaal personeel32 86933 8549853,0%
Koninklijke luchtmacht    
Beroepsmilitairen OT8 0047 526– 478– 6,0%
Beroepsmilitairen BT3 4683 7552878,3%
Totaal militair personeel11 47211 281– 191 – 1,7%
Burgerpersoneel1 7171 666– 51– 3,0%
Totaal personeel13 18912 947– 242– 1,8%
Koninklijke marechaussee    
Beroepsmilitairen OT3 2093 23223 0,7%
Beroepsmilitairen BT1 8652 0041397,5%
Totaal militair personeel5 0745 2361623,2%
Burgerpersoneel 251   254    31,2%
Totaal personeel5 3255 4901653,1%
Centrale Organisatie    
Beroepsmilitairen OT624608– 16– 2,6%
Beroepsmilitairen BT 38   38    00,0%
Totaal militair personeel 662646 – 16– 2,4%
Burgerpersoneel1 001 902 – 99– 9,9%
Totaal personeel1 6631 548– 115– 6,9%
DICO    
Beroepsmilitairen OT1 100971– 129– 11,7%
Beroepsmilitairen BT 327 421    9428,7%
Totaal militair personeel1 4271 392– 35– 2,5%
Burgerpersoneel1 2791 180 – 99– 7,7%
Totaal personeel2 7062 572– 134– 5,0%
Homogene groep    
Beroepsmilitairen OT15915900,0%
Beroepsmilitairen BT  1  1    00,0%
Totaal militair personeel16016000,0%
Burgerpersoneel  19  19    00,0%
Totaal personeel17917900,0%
Totaal overzicht Defensie    
Beroepsmilitairen OT32 95731 114– 1 843– 5,6%
Beroepsmilitairen BT22 29425 158    6412,8%
Totaal militair personeel55 25156 27210211,8%
Burgerpersoneel17 85016 847–  1 003– 5,6%
Subtotaal73 10173 119  
     
Agentschappen    
Defensie Telematica Organisatie    
Beroepsmilitairen148  
Burgerpersoneel1 013  
Totaal personeel1 161  
Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen    
Beroepsmilitairen70  
Burgerpersoneel1 047  
Totaal personeel1 117  
Subtotaal2 278   
Totaal-generaal75 335   

1 Sterktes uitgedrukt in volle-tijds equivalenten (vte'n) en: burgerpersoneel: incl. A&O, SAJO en niet-Nederlands hulppersoneel; excl. uitzendkrachten en niet-actief personeel; militair personeel: incl. BV-LOM, A&O en SAJO; excl. herhalingsoefeningen. 2 De gewenste sterkte 2003 is afgeleid van de Prioriteitennota en geactualiseerd voor overhevelingen en andere aanpassingen.

3.2 Personeelsvoorziening

De krapte op de arbeidsmarkt zal in 1999 waarschijnlijk aanhouden. Daardoor blijft een relatief grote inspanning nodig om personeel voor de krijgsmacht te werven. Dit geldt in het bijzonder voor technische, gevechts(ondersteunende) en medische functies. De in 1998 genomen wervingsmaatregelen zijn in dit verband belangrijk. De Tweede Kamer is hierover uitvoerig ingelicht (Kamerstuk 25 600 X, nr. 46). Voor een deel zullen de maatregelen pas in 1999 effect sorteren. Dit geldt onder meer voor de invoering van miniloopbanen voor categorieën militairen met een aanstelling voor bepaalde tijd bij de Koninklijke landmacht, waardoor de gemiddelde aanstellingsduur langer wordt en moeilijk te vullen functies aantrekkelijker worden. Ook zullen aan het einde van het schooljaar 1998–1999 de eerste resultaten van de uitbreiding van het aantal op de krijgsmacht gerichte voorschakeltrajecten zichtbaar worden. De goede verwachtingen ten aanzien van de effecten van deze maatregelen laten onverlet dat in de komende jaren de personeelsvoorziening voortdurend zal moeten worden bewaakt. Waar nodig zullen nieuwe maatregelen de arbeidsmarktpositie van Defensie moeten versterken.

Tot de knelpunten in de werving behoren, zoals gezegd, direct beschikbare medische specialisten, specialistische en algemene verpleegkundigen en medisch ondersteunend personeel. Om te kunnen voldoen aan de operationele behoefte aan medisch gespecialiseerd personeel voor crisisbeheersingsoperaties, zijn in 1998 plannen ontwikkeld voor een intensieve samenwerking van Defensie met civiele ziekenhuizen. Doel van de samenwerking is dat Defensie, in ruil voor de financiering van bovenformatieve plaatsen bij ziekenhuizen, voor uitzendingen een beroep kan doen op medisch specialistisch personeel (Kamerstuk 25 600 X, nr. 52).

3.3 Flexibilisering personeelsstructuur

Defensie voert een studie uit naar flexibilisering van het personeelssysteem. Deze is nodig om gelijke tred te kunnen houden met de veranderende eisen die aan de krijgsmacht worden gesteld. De huidige personeelsstructuur vormt bovendien een aanzienlijke financiële belasting voor de defensie-organisatie. Ook moet ieder jaar een groot aantal werknemers worden geworven en opgeleid als gevolg van de betrekkelijk korte duur van de BBT-contracten.

Vooruitlopend op de uitkomsten van de studie zijn al enkele maatregelen genomen. Zo zullen de krijgsmachtdelen het percentage BBT-ers in het functiebestand verhogen en wordt gestreefd naar een zo flexibel mogelijke contractduur, verlenging van contracten en invoering van miniloopbanen. Bovendien zal het BOT-bestand zoveel mogelijk uit het BBT-bestand worden geworven.

3.4 Arbeidsvoorwaarden

Het arbeidsvoorwaardenakkoord loopt af per 1 juni 1999. Dit najaar zullen de nieuwe arbeidsvoorwaardenonderhandelingen worden voorbereid. Defensie zal zich, ook tegen de achtergrond van het wervingsvraagstuk, een aantrekkelijke werkgever moeten tonen. In verband hiermee zal de plaats van het personeel op de arbeidsmarkt («employability») moeten worden versterkt. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer. In het arbeidsvoorwaardenakkoord-1997 zijn daarover afspraken gemaakt, die in het komende akkoord zullen worden uitgewerkt.

3.5 Beleid voor postactieven

3.5.1 Pensioenen en sociale zekerheid

Het militaire pensioenstelsel wordt herzien. Het voornemen is de militaire pensioenen, evenals die van het overige overheidspersoneel, onder te brengen bij het ABP. Een wetsvoorstel is in voorbereiding. Het militaire pensioenstelsel zal worden teruggebracht tot een Kaderwet militaire pensioenen met een privaatrechtelijk pensioenreglement voor de reguliere ouderdoms- en nabestaandenpensioenen en twee algemene maatregelen van bestuur voor de bijzondere pensioenrechten bij overlijden, arbeidsongeschiktheid en invaliditeit. Het privaatrechtelijke reglement zal, behoudens enkele uitzonderingen, overeenkomen met het ABP-reglement. Over de inhoud van deze vereenvoudiging en de conversie van de opgebouwde rechten bestaat overeenstemming met de centrales van overheids-personeel. Opgebouwde rechten en ingegane pensioenen staan overigens niet ter discussie.

Voor de financiering zal, aanvullend op de kapitaaldekking voor de militaire nabestaandenpensioenen, geleidelijk worden overgegaan op kapitaal-dekking voor de militaire ouderdomspensioenen. Overeenkomstig de arbeidsvoorwaardenovereenkomst-1997 zijn hiervoor middelen gereserveerd. De opgebouwde rechten zullen via het begrotingsstelsel worden gedekt.

Er wordt een verzekerden-administratie opgericht, waarin de door de actieve en postactieve deelgerech-tigden opgebouwde aanspraken worden geregistreerd. Dit gebeurt in samenwerking met het ABP, aangezien militairen aan het ABP-ouderdomspensioen zullen deelnemen en de militaire nabestaandenpensioenen op kapitaaldekkingsbasis bij het ABP zijn ondergebracht. Dankzij deze verzekerden-administratie kan de dienstverlening aan deelgerechtigden belangrijk worden verbeterd. Zij helpt ook bij het opstellen van een verantwoorde begroting.

Nu het kabinet de besluitvorming over de ziektewet en de werkloosheidswet heeft opgeschort, gaat in eerste aanleg alle aandacht uit naar het tijdig verstrekken van de juiste uitkeringen aan alle belanghebbenden. Zowel de uitvoeringsinstelling voor de sociale zekerheid (USZO) als de uitvoering bij Defensie worden regelmatig geëvalueerd. Daarbij wordt tevens aandacht geschonken aan de voorlichting aan de betrokkenen. Knelpunten zullen in overleg met het Landelijk Instituut voor Sociale Verzekeringen (LISV) en de USZO worden opgelost.

De Vaste Commissie voor Defensie van de Tweede Kamer is op 5 februari 1998 ingelicht over de knelpunten bij de geneeskundige verstrekkingen voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers. Oplossingen voor deze knelpunten zijn inmiddels in het Sectoroverleg Defensie (SOD) geaccordeerd en worden vastgelegd in de desbetreffende rechtspositievoorschriften.

3.5.2 Veteranenbeleid

Op 17 april jl. is de Tweede Kamer de veteranenbrief (Kamerstuk 21 490, nr. 21) aangeboden, waarin is uiteengezet hoe ook in de toekomst een goede begeleiding van veteranen kan worden gewaarborgd. Het in de brief aangekondigde convenant om te komen tot het Instituut voor Veteranenzorg, is inmiddels door de betrokken partijen (onder andere Defensie, de Stichting Dienstverlening Veteranen, de Bond van Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers en de Stichting Veteranen Platform) ondertekend. Werkgroepen onderzoeken hoe de samenwerking tussen deze organisaties kan worden versterkt. Beoogd wordt midden 1999 nadere afspraken tussen de partijen vast te leggen in een «uitwerkingsconvenant».

Op grond van de eind 1997 van kracht geworden «Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen» is inmiddels meer dan 50 000 veteranen een uitkering van f 1000,– toegekend. De verzoeken van veteranen worden sneller ingediend dan was verwacht. Om toch zoveel mogelijk veteranen zo snel mogelijk antwoord te geven op hun verzoek, is de Dienst Veteranenuitkering tot het einde van dit jaar met 25 personen uitgebreid tot 50. Het streven is voorts in 1998 80 procent (80 000) van het totaal aantal verwachte uitkeringen te verstrekken.

Er lopen twee onderzoeken naar gezondheidsklachten van militairen die uitgezonden zijn geweest. Het gaat om personeel dat heeft gediend in Cambodja en in Lukavac in het voormalige Joegoslavië. Het Cambodja-onderzoek wordt uitgevoerd door het Academisch Ziekenhuis Nijmegen, in samenwerking met de Vrije Universiteit Amsterdam. Zoals al is vermeld in de eerder genoemde Veteranenbrief, is het onderzoek naar de «post-Cambodja-klachten» zó ingewikkeld dat het niet op korte termijn kan worden afgesloten. Wel zal de Kamer nog dit jaar een tussenrapportage over de eerste fase van het onderzoek ontvangen. Het Lukavac-onderzoek wordt uitgevoerd door «TNO Preventie en Gezondheid», in samenwerking met de Arbo-dienst van de Koninklijke landmacht. Het eindrapport zal de Kamer waarschijnlijk eind 1998 worden aangeboden.

3.6 Reservepersoneel

Het reservistenbeleid, verwoord in de nota reservistenbeleid (Kamerstuk 24 400 X, nr 104, vergaderjaar 1995–1996), wordt thans ten uitvoer gelegd en nader uitgewerkt. In november 1997 (Stb 1997, 669) zijn de in de nota aangekondigde beschikbaarheidstoelage en de opkomsttoeslag ingevoerd. Bij de Koninklijke landmacht, het krijgsmachtdeel met het grootste mobilisabele bestand, wordt ernaar gestreefd de voorziene 2400 functies voor actieve reservisten dit najaar te hebben aangewezen en vervuld. Op 20 november 1997 is het College van Advies Employer Support Krijgsmacht geïnstalleerd. Dit is een platform voor en met werkgevers, waar niet alleen gesproken kan worden over de plaats van reservisten binnen de bedrijven, maar ook over de arbeidsmarktpositie van BBT-ers.

3.7 Emancipatiebeleid

Het emancipatiebeleid van Defensie berust op drie pijlers: verhoging van het aantal vrouwen dat in dienst treedt, beperking van het aantal vrouwen dat Defensie verlaat en bevordering van een vrouwvriendelijke cultuur bij de krijgsmacht. De nieuwe regelingen met betrekking tot deeltijdverlof en herintreding, aangekondigd in de beleidsbrief Emancipatie (Kamerstuk 1996–1997, 25 436, nr 1), zijn inmiddels getroffen. De Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht zal extra aandacht besteden aan knelpunten die hij bij de uitvoering van het emancipatiebeleid constateert.

Per 1 juli 1998 maakten de volgende aantallen vrouwen deel uit van de defensie-organisatie:

 
 Totaal
 ManVrouw
 AantalPercentageAantalPercentage
Koninklijke marine12 42890,8%1 2599,2%
Koninklijke landmacht23 68093,7%1 6056,3%
Koninklijke luchtmacht11 07893,3%7966,7%
Koninklijke marechaussee4 39492,4%3597,6%
Totaal51 58092,8%4 0197,2%

3.8 Homosexualiteit

In 1993 is de Tweede Kamer op de hoogte gesteld van de resultaten van een onderzoek naar homoseksualiteit en de krijgsmacht (Kamerstuk 22 800 X, nr. 51.). Het onderzoek stelde vast dat van openlijke discriminatie van homosexuelen in de krijgsmacht nauwelijks sprake was. Wel werd een gebrek aan acceptatie geconstateerd. Om deze situatie te verbeteren richtte het beleid zich op opleidingen, hulpverlening en voorlichting. In 1993 is aangekondigd na vijf jaar een vervolgonderzoek te houden.

Begin 1998 is het instituut voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek IVA Tilburg gevraagd dit vervolgonderzoek te verrichten. Het richt zich op de integratie en de emancipatie van homoseksueel defensiepersoneel, zowel burgers als militairen. Ook is een begeleidingscommissie opgericht, die tevens beleidsaanbevelingen zal formuleren. Het onderzoek en de aanbevelingen zullen begin 1999 gereed zijn.

3.9 Minderheden

De instroom van allochtonen vertoont een stijgende lijn. De integratie van allochtone werknemers in de krijgsmacht verloopt zonder noemenswaardige problemen. Er is dan ook geen aanleiding de hoofdlijnen van het huidige beleid aan te passen.

Wat betreft de instroom van allochtonen, is Defensie goed op weg te voldoen aan de normen van de per 1 januari 1998 van kracht geworden Wet stimulering arbeidsdeelname minderheden (Wet SAMEN). Een aantal voorzieningen heeft hieraan bijgedragen. Zo kunnen allochtone jongeren die nog niet geheel aan de gestelde instroomeisen voldoen, evenals jongeren uit andere doelgroepen (zoals langdurig werklozen), via korte voorschakeltrajecten (looptijd: twee tot vijf maanden) in de gelegenheid worden gesteld alsnog aan de normen voldoen. In enkele gevallen gebeurt dit in samenwerking met Arbeidsvoorziening Nederland. Ook heeft Defensie ongeveer 200 werkervaringsplaatsen voor allochtonen aangeboden.

3.10 Arbeidsomstandigheden

De huidige arbeidsomstandighedenwet is niet van toepassing op arbeid verricht in militaire dienst, tenzij bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (amvb) anders is bepaald. In het voorstel voor de arbeidsomstandighedenwet-1998 wordt Defensie niet meer uitgezonderd, al kunnen bij amvb elementen van arbeid die zijn verricht in militaire dienst worden uitgezonderd. De onderwerpen waarover afwijkende of aanvullende regels zijn vastgesteld of waarop de arbeidsomstandighedenwet slechts gedeeltelijk van toepassing is, zijn nader omschreven in het arbeidsomstandighedenbesluit. Met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is overeengekomen dat voorgenomen wijzigingen van de regelgeving over de arbeidsomstandigheden altijd aan de minister van Defensie zullen worden voorgelegd. De minister van Defensie kan samen met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid besluiten dat de wijziging leidt tot uitzonderingen, aanvullingen of afwijkingen voor Defensie.

Het overleg met personeel over de arbeidsomstandigheden zal, na invoering van het Besluit medezeggenschap defensie, worden gevoerd in de bijzondere commissies en de medezeggenschapsorganen bij de diensteenheden. Het personeel heeft zo rechtstreeks invloed op het arbobeleid van de diensteenheid. De werkgever moet zich met ingang van 1 januari 1998 laten bijstaan door een gecertificeerde arbodienst, die beschikt over deskundigheid op het gebied van arbeidshygiëne, veiligheid, arbeid en organisatie en (bedrijfs)gezondheid. De beleidsterreinen binnen Defensie kunnen kiezen tussen inschakeling van een externe arbodienst of de vorming van een interne dienst. De Koninklijke marine, de Koninklijke landmacht en de Koninklijke luchtmacht hebben elk een eigen arbodienst opgericht; de Koninklijke marechaussee maakt gebruik van de Arbodienst KL en de Centrale organisatie heeft de Arbo Managementgroep (AMG) in de arm genomen. Het Dico maakt ook gebruik van de diensten van de AMG.

3.11 Geestelijke verzorging

De besprekingen over de evaluatie van de verdeling van geestelijke verzorgers over de rooms-katholieke, de protestantse en humanistische genootschappen zijn onlangs afgerond (zie Kamerstuk 25 600 X, nr. 44). Met de zendende instanties en de diensten geestelijke verzorging is overeenstemming bereikt over een nieuwe verdeelsleutel. Deze gaat uit van een basisformatie bij elke dienst. De verdeling van formatieplaatsen bovenop deze basisformatie berust onder meer op de voorkeur van het actief dienende personeel en de levensbeschouwelijke kaart van Nederland. Ook is een aantal plaatsen gerelateerd aan het militaire personeel dat geen voorkeur uitspreekt voor een denominatie.

HOOFDSTUK 4: HET MATERIEELBELEID

4.1 Inleiding

In het materieelbeleid is een koers ingeslagen om de Nederlandse industrie en onderzoeksinstellingen meer te betrekken bij investeringen in defensiematerieel. Mede gelet op de clustervorming in de internationale defensie-industrie, zal de Nederlandse defensie-industrie zo goed mogelijk in staat moeten worden gesteld om te kunnen deelnemen aan grote internationale materieelvervangingsprojecten. De afstemming tussen Defensie, Economische Zaken en de Nederlandse defensie-industrie en -onderzoeksinstellingen zal in dat verband moeten worden gestimuleerd. Dit vergt van Defensie een goede planning van toekomstige investeringen en van de Nederlandse defensie-industrie en onderzoeksinstellingen een bedrijfsstrategie die is afgestemd op het ontwikkelen en het produceren van onderdelen voor defensiematerieel waaraan vooral in Europa voldoende behoefte bestaat. Daarbij wordt in het kader van de compensatie zo veel mogelijk gestreefd naar participatie, waardoor de defensietechnologische en -industriële basis wordt versterkt.

4.2 Defensie Materieelkeuze Proces

De afgelopen kabinetsperiode zijn over enkele grote materieelprojecten besluiten genomen. Het gaat om luchttransport, helikopters, het amfibisch transportschip, de vervanging van de geleidewapenfregatten en twee standaardfregatten, en de vervanging van pantservoertuigen. Een aantal grote projecten is aangewezen voor een meer gedetailleerde rapportage in het kader van de regeling «grote projecten». Het betreft de projecten commando- en luchtverdedigingsfregatten en vervanging pantservoertuigen.

Sinds 1996 volgen ook infrastructuurprojecten, exploitatieprojecten met een technisch hoogwaardig karakter en automatiseringsprojecten de regels van het Defensie Materieelkeuze Proces (DMP). De verbetering van de Mechanische Centrale Werkplaats is hiervan een voorbeeld.

4.3 Verwervingsbeleid

Een belangrijk selectiecriterium bij de aanschaf van materieel zijn de levenscycluskosten: alle kosten die worden gemaakt om het materieel te verwerven en te exploiteren tegen de gewenste prestatie-eisen. Mede op grond van een berekening van de verwachte levenscycluskosten kan tevens een afweging worden gemaakt tussen de aanschaf van nieuw materieel en de verbetering van bestaand materieel. Er wordt onderzocht hoe de analyse van de levenscycluskosten bij de aanschaf van materieel in de afgelopen jaren is toegepast. Aan de hand van de resultaten van dit onderzoek zal worden bezien of aanpassingen nodig zijn.

De eerste stappen op weg naar invoering van «Continuous Acquisition and Life-cycle Support» (Cals) worden gezet op het gebied van het elektronisch zaken doen. Cals brengt informatiestromen bij elkaar vanaf het ontwerp van een nieuw wapensysteem tot en met de gebruikersfase. Zo worden doublures in de informatiestromen beperkt en wordt het inzicht bevorderd in de prestaties en de kosten van een wapensysteem. Er wordt naar gestreefd omstreeks 2000 bij de grootste raam- en afroepcontracten elektronisch zaken te doen. Ook bij investeringsprojecten zal Defensie de industrie deze mogelijkheid bieden. Deze initiatieven passen binnen het actieprogramma Elektronische Snelwegen.

Defensie neemt deel aan een project onder leiding van Economische Zaken waarin wordt nagegaan hoe innovatief aanbesteden bij de overheid kan worden bevorderd. In dat verband wordt ook bezien hoe de Nederlandse industrie beter kan worden ingeschakeld.

4.4 Internationale materieelbetrekkingen

De stijgende kosten van de ontwikkeling van modern materieel en de toenemende stuksprijs van nieuwe wapensystemen maken verdergaande bi- en multinationale samenwerking noodzakelijk. Er wordt zowel gekeken naar de mogelijkheden van transatlantische samenwerking als naar defensiematerieelsamenwerking in Europees verband. De Europese landen zijn voor de aanschaf van defensiematerieel gebaat bij een sterke Europese defensietechnologische en -industriële basis als gelijkwaardige tegenhanger van de Amerikaanse defensie-industrie. Dit is van belang voor de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk Europees defensiebeleid, dat volgens het Verdrag van Amsterdam door de samenwerking van de lidstaten op bewapeningsgebied kan worden ondersteund.

In de Conference of National Armaments Directors (CNAD) van de Navo ligt de nadruk op multinationale samenwerkingsprojecten, zoals het «Alliance Ground Surveillance»-programma en «Theatre Ballistic Missile Defence». De CNAD bezint zich voorts op verbetering van de bondgenootschappelijke defensiematerieelsamenwerking via het «NATO Armaments Review», in het bijzonder met betrekking tot het «Conventional Armaments Planning System». De NAMSA speelt een belangrijke rol bij de logistieke ondersteuning en het opwaarderen van systemen (zoals de «Multiple-Launched Rocket Systems»).

Naast de samenwerking met de Verenigde Staten blijft die met de andere bondgenoten belangrijk. De bilaterale contacten met de Midden- en Oost-Europese landen worden verder ontwikkeld, in het bijzonder met de drie toetreders tot het bondgenootschap: Hongarije, Polen en de Tsjechië. Ook de samenwerking met Roemenië wordt verdiept.

In het kader van de Western European Armaments Group (Weag) streeft Nederland voor de lange termijn naar een volwaardig internationaal materieelagentschap voor samenwerking tussen de Europese bondgenoten. Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk hebben vooruitlopend hierop in 1996 het initiatief genomen tot de oprichting van het materieelagentschap Occar. Nederland zal in beginsel in de tweede helft van 1998 als vijfde land tot Occar toetreden.

In aanvulling op het in 1996 verschenen rapport van de Europese commissarissen Bangemann en Van den Broek over de toekomst van de Europese defensie-industrie, heeft de Europese Commissie in november 1997 een vervolgrapport uitgebracht. De rapporten geven richting aan de discussie over een Europese defensietechnologische en -industriële basis. In het vervolgrapport staan voorstellen om de markt voor defensiematerieel in EU doorzichtiger te maken en bij de aanbesteding van defensie-opdrachten meer «value-for-money» te krijgen.

Op 6 juli 1998 hebben de ministers van Defensie van zes Europese landen – Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje, Zweden en het Verenigd Koninkrijk – een intentieverklaring ondertekend over het scheppen van een kader voor samenwerking ter ondersteuning van de herstructurering van de Europese defensie-industrie. De verklaring richt zich op de ondersteunende rol van de betrokken overheden hierbij, in het bijzonder wat betreft de luchtvaart, de ruimtevaart en de defensie-electronica. De zes landen beschikken, anders dan Nederland, over een zelfscheppend militair luchtvaartprogramma. Eerder hadden de Europese lucht- en ruimtevaartindustrieën (de deelnemers in het Airbus-consortium en het Italiaanse Alenia) de betrokken regeringsleiders opgeroepen de juridische barrières voor nauwere Europese defensiematerieelsamenwerking te slechten. Als de zes landen erin slagen concrete afspraken te maken, krijgt hun initiatief mogelijk een vervolg in de Weag.

4.5 Overheidssteun aan exportactiviteiten

Het ministerie van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het Nederlandse exportbeleid samen met dat van Buitenlandse Zaken op het gebied van defensiematerieel. Samen met Economische Zaken steunt Defensie het Nederlandse bedrijfsleven om zich op verschillende internationale defensievakbeurzen te presenteren. Deze steun is vooral belangrijk in voor het bedrijfsleven minder toegankelijke landen, waar de overheid vaak nog sterk gericht is op het zaken doen van overheid tot overheid.

Om de exportactiviteiten van het Nederlandse bedrijfsleven zo goed mogelijk te steunen, is informatie-uitwisseling tussen de betrokken ministeries (Economische Zaken, Defensie en Buitenlandse Zaken) en tussen ministeries en de industrie belangrijk. Onder voorzitterschap van Economische Zaken wordt daarom regelmatig overleg gevoerd met enkele, vaak grote bedrijven. Gezien het specifieke karakter van de defensiesector zullen overheidsdelegaties die een bezoek brengen aan defensievakbeurzen, overeenkomstig afspraken tussen Economische Zaken en Defensie, door Defensie worden geleid.

4.6 Defensie en de Nederlandse industrie

Het materieelbeleid is er mede op gericht een bijdrage te leveren aan de instandhouding en de versterking van de nationale defensietechnologische en -industriële basis, mede in het licht van de aanbevelingen van het tweede rapport van Europees commissaris Bangemann over de Europese defensie-industrie. De Nederlandse industrie wordt zoveel mogelijk ingeschakeld bij defensieopdrachten. Ongeveer tweederde van de in 1997 geplaatste opdrachten is bij Nederlandse leveranciers terechtgekomen; hierbij zijn internationale samenwerking en compensatie niet inbegrepen. In het kader van grote materieelprojecten, zoals het LCF-project, de vervanging van het F-16 jachtvliegtuig en de vervanging van gepantserde voertuigen, streeft Nederland naar actieve betrokkenheid van de Nederlandse industrie. Aangezien bij dergelijke grote projecten de gebruikelijke compensatie niet leidt tot het best haalbare resultaat, geniet rechtstreekse participatie van Nederlandse bedrijven en onderzoeksinstellingen de voorkeur.

Om de Nederlandse industrie zoveel mogelijk bij de materieelverwerving te betrekken, besteedt Defensie veel aandacht aan de informatievoorziening. Zo wordt gewerkt aan het actualiseren van de brochure «Zaken doen met Defensie». Ook worden de mogelijkheden onderzocht om informatie op digitale wijze beschikbaar stellen en wordt periodiek met het NIID overlegd.

4.7 Verbetering materiële functiegebied

In het kader van het verbeteren van het materiële functiegebied wordt onderzocht of procedures moeten worden aangepast. Het gaat om het identificeren van «best practices», het voorkomen van doublures, de concentratie van kennis en kunde en het gebruik van «lessons learned». Recente voorbeelden hiervan zijn decentrale verwerving, eenvormige leverancierscartotheken en een onderzoek naar de aansturing van infrastructuurprojecten.

4.8 Afstoting

Het merendeel van het door de herstructurering en de verkleining van de krijgsmacht overtollig geworden materieel is afgestoten. Voor de M-113 C&V, de PRTL en het F-16 jachtvliegtuig is tot dusver geen geschikte afnemer gevonden. De onverkoopbare strategische roerende zaken zullen waar mogelijk worden ontmanteld; zo is met de ontmanteling van de af te stoten F-16's begonnen. Onderdelen die niet kunnen worden verkocht of gebruikt, zullen worden verschroot. Hoewel minder materieel wordt afgestoten, blijven de opbrengsten de komende jaren hoog door de uitstaande termijnbetalingen van verkocht groot materieel, zoals de S-fregatten en de Leopard-tanks. Het voorspoedige verloop van afstotingen geldt vooralsnog niet voor onroerende zaken, mede omdat bestemmings-plannen moeten worden gewijzigd en de bodem moet worden gesaneerd.

In de ontwerpbegroting voor 1999, hoofdstuk IXB (Financiën), zijn de ontvangsten uit de verkoop van overtollige roerende en onroerende defensiegoederen geraamd. De ramingen voor 1999 en 2000 berusten voor het strategisch materieel op termijnbetalingen van al gesloten contracten en op principeovereenstemmingen. Voor niet-strategische roerende en voor onroerende zaken worden posten van respectievelijk f 20 miljoen en f 10 miljoen gehanteerd.

Op grond van de met Financiën gemaakte middelenafspraak wordt de defensiebegroting verhoogd met de geraamde verkoopopbrengsten minus een bedrag van f 30 miljoen dat ten gunste komt van de algemene middelen. De ramingen, met inbegrip van de f 30 miljoen, zijn als volgt (in miljoenen afgerond):

 
19992000200120022003  
240130100100100  

Ten opzichte van de ontwerpbegroting 1998 is de geraamde opbrengst voor 1999 verhoogd met f 103 miljoen, waarmee de verkoopkosten volledig kunnen worden gedekt. Naast de genoemde franchise van f 30 miljoen geldt voor 1999 een extra inspanningsverplichting van f 20 miljoen. De extra opbrengst tot het maximum van deze inspanningsverplichting komt ten gunste van de algemene middelen.

4.9 Onroerend goed

Uit milieu- en energie-overwegingen worden in toenemende mate andere eisen gesteld aan het vastgoed van Defensie. Duurzaam bouwen wordt steeds belangrijker. Maatregelen worden getroffen om het gebruik van eindige stoffen te verminderen. Het gebruik van «secundaire» stoffen en vernieuwbare materialen en het gescheiden inzamelen van bouw- en sloopafval wordt bevorderd.

4.10 Wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling

Het wetenschappelijk (defensie-)onderzoek wordt steeds internationaler. Uitwisseling van kennis en kunde, gezamenlijke onderzoeksprojecten en -programma's en internationale afstemming van de onderzoeksprogrammering zijn belangrijk om duplicatie van onderzoek zoveel mogelijk te voorkomen. Al geruime tijd wordt in Navo-verband op onderzoeksgebied samengewerkt. Daarnaast is de laatste jaren in het bijzonder aandacht besteed aan de intensivering van de brede Europese samenwerking, waaronder die met Zweden en Midden- en Oost-Europese landen.

Nederlandse onderzoeksinstellingen, zoals de Hoofdgroep Defensieonderzoek van de Nederlandse organisatie voor natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO/DO), het Nationaal luchten ruimtevaartlaboratorium (NLR) en het Maritiem researchinstituut Nederland (MARIN), spelen bij de internationale samenwerking een belangrijke rol. Deze instellingen geven Defensie toegang tot de nationale en internationale onderzoekswereld en tot belangrijke technologische ontwikkelingen, die overigens steeds meer door civiele markten worden bepaald. Internationaal worden per gezamenlijk project complementaire onderzoeksactiviteiten gedefinieerd en uitgevoerd. Dit geldt onder meer voor het «soldier modernization»-programma, humanitair mijnruimen en de vervanging van het F-16 jachtvliegtuig.

De geconstateerde tekortkomingen op het gebied van de passieve verdediging tegen massavernietigingswapens (zie paragraaf 1.4) vergen in nationaal en internationaal verband een intensivering van het onderzoek. Binnen de Navo is op dit terrein vooral het «Human Factors and Medicine Panel», dat deel uitmaakt van de «Research and Technology Organization», actief. TNO-defensieonderzoek is hierbij betrokken. Binnen Defensie is een werkgroep gevormd die de inspanningen op het gebied van de passieve verdediging coördineert en stimuleert.

De «Science and Technology Study» (SCITEC), die door de overheid en de industrie van de Weag-landen is verricht, heeft geleid tot een «WEAG science & technology strategy». Deze strategie vormt een nuttige aanvulling op het defensiebeleid voor wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling. Uitgangspunt is dat er een technologie-afhankelijkheid bestaat tussen de Weag-landen.

De deelneming aan het «European Cooperation for the long term in Defence»-programma (Euclid) beoogt de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse defensiegerelateerde bedrijfsleven te versterken. Het gaat om internationale samenwerkingsprojecten voor het ontwikkelen van nieuwe technologieën en «technology demonstrators». Op verzoek van de industrie nemen ook onderzoeksinstellingen aan de projecten deel. Voor de nationale bijdrage in de totale projectkosten wordt in beginsel uitgegaan van «equal cost sharing» tussen de deelnemende landen. Inmiddels heeft de praktijk uitgewezen dat het centraal plaatsen van contracten door de WEAO Research Cell aanmerkelijk sneller gaat dan door een «lead nation» afzonderlijk. In het belang van het opbouwen en instandhouden van een brede kennisbasis heeft Nederland in alle Europese prioriteitsgebieden aan projecten deelgenomen. Ook bereidt ons land het nieuwe Europese prioriteitsgebied «electrical engineering» voor. Bij de industrie en onderzoeksinstellingen in de deelnemende landen bestaat hiervoor veel belangstelling.

Voor de Eurofinderronde in 1997 hebben industrieën van de deelnemende landen een groot aantal technologievoorstellen ingediend bij de WEAO Research Cell. De Nederlandse industrie doet vooral mee aan voorstellen ter ontwikkeling van geavanceerde materialen en constructies, geavanceerde informatieverwerking en modelling- en simulatietechnieken. Voor een van de voorstellen treedt Nederland als «lead nation» op.

Het «Technology arrangement for laboratories for defence European science» (Thales) stelt overheidsonderzoeksinstel-lingen van de WEAG-landen in staat samen te werken in gezamenlijke onderzoeksprogramma's en onderling kennis over te dragen. De resultaten ondersteunen de mogelijkheden tot technologieontwikkeling in het kader van Euclid. Hierdoor wordt bijgedragen aan het vergroten van de Europese defensietechnologische basis en aan de harmonisatie van eisen en standaardisatie van defensiematerieel. Nederland neemt binnen dit programma deel aan onderzoeksprojecten op het gebied van moderne radartechnologie en energetische materialen.

4.11 Luchtvaartcluster

Het luchtvaartcluster bestaat uit vliegtuiggebruikers, industrie, onderhoudsbedrijven en kennisinfrastructuur. Bij het luchtvaartcluster zijn vijf departementen betrokken: Economische Zaken, Verkeer en Waterstaat, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Financiën en Defensie. Het belang van Defensie is vooral gelegen in de beschikbaarheid van deskundige ondersteuning bij de aanschaf, het operationele gebruik en de instandhouding van met de luchtvaart verbonden systemen. Het regeringsbeleid inzake de herstructurering en de stimulering van het Nederlandse luchtvaartcluster is erop gericht de betrokken partijen de kans te bieden aan te sluiten bij internationale vliegtuigprogramma's. Alleen zó is het mogelijk een voldoende omvang te handhaven en te concurreren.

Bij twee programma's doen zich thans concrete mogelijkheden voor: het Europese civiele Airbus en het Amerikaanse militaire «Joint Strike Fighter» (JSF)-programma. Ten aanzien van participatie in JSF is besloten de Nederlandse industrie en kennisinstituten te positioneren voor de «Engineering and Manufacturing Development» (EMD)-fase, die in 2001 begint. Hieraan dragen Economische Zaken (f 100 miljoen) en Defensie (f 50 miljoen) bij. De deelneming aan de EMD-fase vergt een afzonderlijk besluit, dat na de formele behoeftestelling in het kader van het DMP aan het parlement zal worden voorgelegd.

HOOFDSTUK 5: RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEU

5.1 Ruimtelijke ordening

Overeenkomstig de motie Middel-Van den Doel (Kamerstuk 25 600 X, nr. 33) heeft het kabinet de uitplaatsing van de Luchtmobiele brigade naar Oost-Groningen opnieuw overwogen. Omdat de voordelen van uitplaatsing niet in verhouding blijken te staan tot de nadelen (zoals de hoge kosten), wordt hiervan afgezien. Met dit besluit is de weg vrij voor de opstelling van het Structuurschema Militaire Terreinen 2 (SMT2). Waarschijnlijk wordt in 1999 een ontwerp-PKB voor het SMT2 voorgelegd.

De rijschool in Venlo zal op termijn worden verplaatst naar de Strijpse Kampen bij Oirschot. De Frederik Hendrikkazerne zal dan worden ontruimd en kan vermoedelijk worden afgestoten.

5.2 Milieu

Op grond van de begin 1998 voltooide evaluatie van het Defensie Meerjarenplan Milieu (DMPM) en het verschijnen van het NMP3, zal een nieuw defensiemilieubeleidsplan worden voorbereid en waarschijnlijk in 1999 worden vastgesteld.

In samenspraak met het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) is een lijst opgesteld van milieubelastende («prioritaire») stoffen die risico's voor de gezondheid opleveren. Door middel van registratie zal worden nagegaan of er een verband bestaat tussen de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen op de werkplek en de medische toestand van medewerkers die met deze stoffen mogelijk in aanraking zijn gekomen.

Het milieu krijgt ook in het materieelbeleid steeds meer aandacht, zowel bij grote investeringen als bij de aanschaf van klein materieel. Er worden strenge milieu-eisen gesteld aan de te verwerven producten. Ook wordt de aanwezigheid van «prioritaire» stoffen in al in gebruik genomen materieel zoveel mogelijk teruggedrongen.

De inventarisatie van de aanwezigheid van asbest in onroerende defensiegoederen zal vóór 1 oktober 1999 zijn voltooid. De resultaten van de inventarisatie zullen de Tweede Kamer worden aangeboden. Er zal dan beter inzicht bestaan in de gezondheidsrisico's als gevolg van de aanwezigheid van asbest op de betrokken locaties. Vanzelfsprekend worden onmiddellijk maatregelen getroffen als asbest wordt aangetroffen in losgebonden vorm (ontruiming en sanering). Asbest in hechtgebonden vorm wordt gemarkeerd, geregistreerd en tijdens reguliere onderhoudsbeurten in een later stadium verwijderd.

In veel landen waar Nederlandse eenheden actief zijn, komt asbest nog op grote schaal voor. Als bij oefeningen vooraf asbest wordt aangetroffen op plaatsen waar dat gezondheidsrisico's kan opleveren, wordt de oefening elders gehouden. Wordt asbest tijdens de oefening aangetroffen, dan wordt zij gestaakt of zo aangepast dat geen gevaar voor de gezondheid meer bestaat. In het kader van vredesoperaties kan het welzijn van het personeel niet altijd worden gewaarborgd. Niettemin wordt er op toegezien dat het personeel niet onnodig aan asbest wordt blootgesteld.

5.3 Geluidszonering

In het kader van de luchtvaartwet is op dit ogenblik voor acht van de elf militaire luchtvaartterreinen de geluidszone wettelijk vastgesteld. Het betreft de zones bij de luchtvaartterreinen Leeuwarden, Twenthe, Deelen, Soesterberg, De Kooy, Valkenburg, Gilze-Rijen en Volkel. In 1999 zullen de geluidszones voor de overige drie luchtvaartterreinen (Woensdrecht, Eindhoven en De Peel) worden vastgesteld. De geluidsisolatieprojecten rondom de militaire luchtvaartterreinen worden voortgezet. Het totale programma zal waarschijnlijk in 2000 zijn voltooid.

HOOFDSTUK 6: DE DEFENSIE-ORGANISATIE

6.1 Kerndepartement

Overeenkomstig de Novemberbrief (Kamerstukken II 1994/95, 23 900 X, nr 8) worden de beleids- en de beleidsondersteunende capaciteit van de Centrale organisatie (CO) met 25 procent verminderd. De CO heeft inmiddels de eerste taakstelling gerealiseerd. De reductie-operatie moet in 2000 zijn voltooid; in 2002 moet het overtollig personeel zijn herplaatst. Tot en met het jaar 2000 bestaat er tijdelijk een aanvullende behoefte van 25 formatieplaatsen als gevolg van de administratieve werklast in het kader van de uitvoering van de «Uitkeringswet tegemoetkoming twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen». Overeenkomstig deze moties wordt een uitkering van f 1 000,- netto verstrekt aan gewezen dienstplichtigen die in de periode 1938–1962 tussen de twee en vijf jaar werkelijke dienst hebben verricht (vooral Indië-veteranen).

6.2 Militaire Inlichtingendienst

6.2.1 Reorganisatie

De afslanking van de Militaire Inlichtingendienst (MID) verloopt naar wens. Voor 1999 wordt een sterkte van 759 vte'n geraamd. In 1998 wordt de reorganisatie en afslanking van de MID door de Directie Organisatie en Informatie van de DGEF worden geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zal in 1999 worden vastgesteld welke aanpassingen nog noodzakelijk zijn. Vervolgens zal worden begonnen met de uitvoering daarvan. Eind 1999 zullen de stafcomponenten van de dienst op het Van Alkemadecomplex in Den Haag zijn geconcentreerd. Wegens de huisvestingsproblemen van de MID zijn delen van de MID tijdelijk gehuisvest in het TNO-FEL-gebouw.

6.2.2 Voortgang plan van aanpak MID-archieven

De Algemene Rijksarchivaris (ARA) heeft in 1997, ter uitvoering van het in artikel 25 van de Archiefwet 1995 aan hem opgedragen toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de rijksorganen, een inspectie uitgevoerd bij de MID. Eind juli 1997 heeft de ARA het inspectieverslag aan de minister van Defensie aangeboden. Het algemene beeld was dat binnen de MID in een aantal gevallen archiefbescheiden oneigenlijk waren vernietigd en dat het archief niet goed toegankelijk was.

De minister heeft dit verslag op 9 december 1997 aangeboden aan de voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstuk 25 809, nr. 1). Tijdens het mondelinge overleg met de vaste commissies voor Binnenlandse Zaken, Defensie, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van de Tweede Kamer op 17 december 1997 heeft de minister een plan van aanpak gepresenteerd voor de verbetering van het archiefbeheer.

De Tweede Kamer heeft naar aanleiding van de behandeling van het inspectierapport besloten zelf een onderzoek uit te voeren naar het beheer van de archieven van onder andere de MID. De werkgroep Onderzoek Archieven Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten heeft haar rapport op 13 mei 1998 aan de voorzitters van de vaste commissies voor Binnenlandse Zaken, Defensie en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aangeboden (Kamerstukken 1997/1998, 25 809, nrs 4 en 5). Op 17 juni 1998 heeft de minister-president, ook namens de minister van Defensie, de reactie van de regering op dit rapport aangeboden (Kamerstuk 25 809, nr. 8).

Op basis van het plan van aanpak wordt gewerkt aan het ordenen van het archief. De omvang van het alleen het papier bedraagt ongeveer 1500 meter. De ordening daarvan zal geruime tijd in beslag nemen. In overleg met de ARA zullen nadere maatregelen worden getroffen voor de elektronische en filmarchieven. De verdere opleiding van het MID-personeel op het terrein van archieven is ter hand genomen. Eind dit jaar zal een plan gereed zijn voor de inrichting van een gezamenlijke archiefruimte van een aantal afdelingen van de MID, dat op de Frederikkazerne zal worden gehuisvest. Begin 1999 zal één nieuw postregistratiesysteem worden ingevoerd. Begin volgend jaar zal opnieuw verslag worden gedaan van de voortgang bij het beheer van de archieven van de MID.

6.3 Millenniumprobleem

Defensie streeft er naar dat de geautomatiseerde systemen die van belang zijn voor de inzet van de krijgsmacht en voor een doeltreffende bedrijfsvoering, tijdig, dus voor 2000, millenniumbestendig te maken. Het millenniumprobleem is inmiddels voortvarend ter hand genomen. Het aantal objecten met een mogelijk millenniumprobleem is in 1998 vastgesteld op 214 881. Dit aantal is zo hoog omdat in de gehele organisatie alle objecten zijn geïnventariseerd. Voor de inzet van de krijgsmacht en voor de bedrijfsvoering van het ministerie en van de krijgsmachtdelen, wordt immers zeer intensief gebruik gemaakt van geautomatiseerde systemen.

Deze grondige aanpak is noodzakelijk om een juist en volledig inzicht te verkrijgen in de capaciteit die nodig is om alle afzonderlijke problemen op te lossen. Dit betekent niet dat alle geïdentificeerde objecten een millenniumprobleem hebben. Dit moet nader worden onderzocht. Is de uitkomst bevestigend, dan moet worden besloten tot aanpassing of vervanging van het systeem.

Er is nog sprake van onvergelijkbaarheid van opgaven tussen Defensie en andere departementen door verschillende definities van het begrip object. Daarom wordt nu gewerkt aan de samenstelling van meer geaggregeerde data. De millenniumgevoelige objecten worden in zogenaamde clusters samengebracht. Hierbij nemen de diensten van Defensie die van vitaal maatschappelijk belang zijn een centrale plaats in. Op deze wijze kan voorrang worden gegeven aan de aanpak van de meest vitale diensten en systemen en wordt de vergelijkbaarheid met de gegevens van andere departementen bevorderd. Daarmee wordt tevens tegemoetgekomen aan de wensen van de Algemene Rekenkamer.

Planning

De achterstand van Defensie ten opzichte van de normplanning van het ministerie van Binnenlandse Zaken voor analyse en reparatie van als «vitaal» aangemerkte objecten wordt ingelopen. De achterstand bij de analyse van objecten heeft twee oorzaken: de omvang van het probleem, is groot en de benodigde gegevens worden soms niet tijdig geleverd door Nederlandse of buitenlandse leveranciers of producenten van de desbetreffende systemen. Het is zorgwekkend dat zij soms niet reageren of niet volledige informatie verstrekken. Vaak leidt dit tot extra analysewerk, wat vertragend werkt.

De achterstand bij de reparatie van de geconstateerde problemen bij vitale systemen kan onder meer worden verklaard uit het feit dat het niet mogelijk is bepaalde objecten tegelijkertijd aan te pakken, omdat dit wegens de onderlinge afhankelijkheid volgtijdelijk moet gebeuren. Bepaalde projecten vragen meer tijd omdat rekening moet worden gehouden met aanbestedingsregels van de Europese Unie.

Prioriteit

De Ministerraad heeft de krijgsmacht aangemerkt als een maatschappelijk vitale sector, die gedurende de millenniumovergang ongestoord moet blijven functioneren. In tegenstelling tot de reguliere taken van de defensieorganisatie heeft Defensie een bijzondere prioriteitsstelling als het gaat om de beheersing van het millenniumprobleem:

1. het leveren van cruciale (maatschappelijke) diensten en de deelneming aan crisisbeheersingsoperaties;

2. het verlenen van bijstand en hulp bij nationale calamiteiten;

3. het leveren van gevechtskracht ten behoeve van de verdediging van het Nederlandse grondgebied, de Koninkrijksdelen en van het bondgenootschappelijk grondgebied.

De objecten zijn op grond van deze taken tot clusters samengevoegd, waarbij de clusters die tot prioriteit één behoren de meeste aandacht krijgen. Dit betekent dat objecten met op zichzelf een lage prioriteit toch met voorrang kunnen worden behandeld; zij vormen dan een schakel in een keten van objecten die de hoogste prioriteit heeft. Een keten is immers zo sterk als zijn zwakste schakel. De aandacht dient zich ook te richten op de energievoorziening, beveiliging, alarmering, communicatiemiddelen en ICT-infrastructuur.

Een aantal diensten van Defensie is van groot maatschappelijke belang:

– de kustwacht;

– de grensbewaking;

– de «Search-and-Rescue»-taken;

– de luchtverkeersbeveiliging;

– de Defensiepijpleidingorganisatie;

– de aanwezige systemen voor calamiteitenhulp.

Bij de oplossing van het millenniumprobleem in deze sectoren wordt samengewerkt met andere departementen (o.a. Binnenlandse Zaken, Justitie en Verkeer en Waterstaat). Veel van de gehanteerde systemen beschikken over noodprocedures; deze zullen nader worden bezien en zo nodig worden aangepast.

De sensor-, wapen- en commandosystemen (sewaco-systemen) en de inlichtingen- en communicatiesystemen van de krijgsmachtdelen zijn noodzakelijk voor de instandhouding van de gevechtskracht. In bepaalde gevallen is al bekend dat leveranciers hun millenniumbestendigheidsverklaringen pas in het voorjaar van 1999 kunnen leveren. De belangrijkste zorg betreft de inzetbaarheid van bij vredesoperaties betrokken eenheden, inclusief het materieel en de wapensystemen.

Organisatie

De onderdelen van Defensie (Koninklijke landmacht, Koninklijke marine, Koninklijke luchtmacht, Koninklijke marechaussee, het Dico en de Centrale Organisatie) zijn zelf verantwoordelijk voor het oplossen van het probleem. De problemen zullen in hoofdzaak worden opgelost door:

– de Defensie Telematica Organisatie voor de bestuurlijke informatiesystemen en statische communicatie-infrastructuur;

– de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen van Defensie voor de gebouw- en terreingebonden installaties;

– externe leveranciers voor de sensor-, wapen- en commandosystemen.

De Defensie Accountantsdienst toetst de aanpak, de opzet en de werking van de millenniumprojectorganisatie.

De directeur-generaal Economie en Financiën is verantwoordelijk voor de coördinatie van het beleid. Hij is daartoe voorzitter van een stuurgroep waarin de eerstverantwoordelijken van de beleidsterreinen zitting hebben. De projectgroep millennium Defensie, die ondergeschikt is aan de stuurgroep, zorgt voor de begeleiding en de coördinatie. Per beleidsterrein is een coördinator benoemd, die wordt gesteund door een eigen projectorganisatie en lid is van de projectgroep. Ten behoeve van het defensiepersoneel is een informatiecentrum ingericht.

Financieel beslag

Met het oplossen van de millenniumproblematiek is naar verwachting een bedrag van f 635 miljoen gemoeid. In dit bedrag zijn opgenomen alle uitgaven voor detectie, analyse, reparatie en testen van de aanwezige objecten. Het gaat om hardware en software voor de bestuurlijke informatiesystemen en de sewaco-systemen. Ook gaat het om de uitgaven voor de reparatie en de vervanging van de «embedded software» in gebouwen, installaties en wapensystemen. Rekening houdend met de gebruikelijke termijnen voor levering, facturering en betaling zijn in de begroting voor de periode 1998–2000 de volgende bedragen geraamd:

Overzicht millenniumuitgaven 1998–2000 per beleidsterrein (in mln.)
 199819992000totaal
Koninklijke Marine16,748,016,881,5
Koninklijke Landmacht33,8160,274,1268,1
Koninklijke Luchtmacht39,071,520,5131,0
Koninklijke Marechaussee8,610,20,819,6
Defensie Interservice Commando6,88,30,815,9
Defensie agentschappen25,331,03,159,4
kerndepartement en MID9,211,91,422,5
infrastructuur en installaties10,71,30,012,0
projectbureau millennium defensie10,010,05,025,0
Totaal160,1352,4122,5635,0

Deze bedragen zijn in de begroting en de meerjarenraming van het ministerie en de agentschappen verwerkt. Een deel wordt gedekt door de bijdrage uit de algemene middelen ten behoeve van de millenniumproblematiek van f 231,6 miljoen. Dit bedrag is beschikbaar gesteld voor 1998 (f 102,4 mln.) en 1999 (f 129,2 mln.). De uitgaven voor het defensieprojectbureau worden verantwoord op beleidsterrein 01 Kerndepartement. Ook zijn de verwachte uitgaven voor aanpassingen aan de defensie-infrastructuur en -installaties voorlopig op beleidsterrein 01 geraamd.

6.4 Project Herinrichting Informatievoorziening Defensie

Het twee jaar durende Project Herinrichting Informatievoorziening Defensie is in maart 1998 voltooid. Het eindrapport van de projectgroep bevat een toetsingskader, een blauwdruk voor de informatie- en beveiligingsarchitectuur en de opzet voor een beheersorganisatie voor de informatievoorziening bij Defensie. De voorstellen van de projectgroep zullen de komende jaren worden uitgevoerd. Het gaat om een samenhangende stelselherziening, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan kwaliteit en kostenbeheersing. Zij berust op de uitgangspunten:

– gezamenlijk, tenzij...;

– gemeenschappelijk, tenzij...;

– bestaande (markt-)producten, tenzij... .

Dankzij de stelselherziening zal de doelmatigheid waarschijnlijk belangrijk verbeteren. Hierdoor kan worden voorkomen dat de kosten van de informatievoorziening in de komende jaren sterk toenemen.

Het doel van de voorgestelde maatregelen is de bestuurbaarheid en de beheersbaarheid van de informatievoorziening te verbeteren. De prijs die hiervoor moet worden betaald is een beperking van de individuele vrijheid en de variatie. Er zal een evenwicht moeten worden gevonden tussen de behoefte van de afzonderlijke delen van de organisatie en het belang van de gehele organisatie. Ten behoeve van de uitvoering van het nu geformuleerde beleid zal het zoveel mogelijk worden opgenomen in de binnen Defensie gebruikelijke planning-, control- en behoeftestellingsmechanismen.

De invoering bij Defensie van de vernieuwde bedrijfsvoering heeft geleid tot een groeiende behoefte aan integrale informatievoorziening. Bij de Koninklijke marine, de Koninklijke landmacht en de Koninklijke marechaussee zijn of worden daarom gestandaardiseerde lokale computernetwerken ingevoerd, die worden gekoppeld aan het «Netherlands Armed Forces Integrated Network» (Nafin). De Koninklijke luchtmacht heeft een begin gemaakt met het projekt «Klu Implementatie Middenlaag» (Kluim) om een integrale bedrijfsvoering mogelijk te maken. Op elk van de twaalf onderdelen van de Koninklijke luchtmacht zal een beveiligd netwerk worden aangelegd. Deze netwerken zullen ook worden aangesloten op het Nafin.

6.5 Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst (Vir)

Informatiebeveiliging is van groot belang voor een goede en betrouwbare informatievoorziening. Defensie heeft met departementale regelgeving nader inhoud gegeven aan het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst (Vir) van de rijksoverheid. De invoering van het Vir en de departementale regelgeving is voor 2000 voltooid.

Het interdepartementale Informatiebeveiligingsberaad heeft enkele initiatieven genomen om technische middelen ter beveiliging van informatie beschikbaar te stellen. Defensie speelt een belangrijke rol bij de financiering en de uitvoering van deze initiatieven. Het gaat in het bijzonder om de ontwikkeling en de productie van beveiligingsmiddelen voor werkstations en netwerken en van een management- en distributiesysteem voor cryptografische sleutels en certificaten.

In 1998 zal een beveiligingsplan voor het Nafin gereed zijn. De beveiligingsmaatregelen zullen stapgewijs worden uitgevoerd. Via het Nafin kunnen dan op een betrouwbare manier (gevoelige) gegevens worden uitgewisseld tussen verschillende defensielokaties binnen Nederland.

6.6 Evaluatie-onderzoeken

Midden 1997 is een begin gemaakt met het structureren van de evaluatiefunctie («auditfunctie») bij Defensie door deze functie te koppelen aan de jaarlijkse plannings- en begrotingscyclus. Naast evaluatie- en doelmatigheidsonderzoeken zal meer aandacht uitgaan naar bedrijfsvoeringsaudits. Deze onderzoeken richten zich op een betere beheersing en besturing van de organisatie. Er zal een gezamenlijk defensiebeleid op het gebied van «auditing», met inbegrip van beleidsevaluaties en doelmatigheidsonderzoeken, worden opgesteld. Alle beleidsterreinen hebben een bijdrage geleverd aan het Auditjaarplan Defensie 1999.

De afgelopen jaren is aandacht besteed aan de verplichte evaluaties van subsidies die door het Ministerie van Defensie verleend worden. Alle bestaande subsidies dienen ingevolge van interne regelgeving eens in de drie jaar te worden doorgelicht op actualiteit, effectiviteit en doelmatigheid. In de evaluatiebijlage zijn de geplande evaluatiedata van de subsidies opgenomen. In de subsidiebijlage is per subsidie de datum van laatste evaluatie opgenomen.

6.7 Archivering

Op het gebied van de digitale archivering zijn de functionele specificaties voor een documentair informatiesysteem (Dis) voor defensie ontwikkeld. Het Dis, dat bestaat uit de modulen postregistratie en archivering, documentmanagement, e-mail, «imaging» en «workflow»-management, zal in de hele organisatie worden toegepast en deel uitmaken van de totale bedrijfsvoering. Hierdoor zullen onder meer de processen met andere geautomatiseerde informatiesystemen inzichtelijk worden gemaakt en doelmatiger kunnen worden beheerd. Dit gebeurt in het kader van het project Herinrichting informatievoorziening Defensie (zie paragraaf 6.4). De richtlijnen met betrekking tot de digitale archivering zijn vrijwel gereed en voor toetsing aangeboden bij het Programmabureau Digitale Duurzaamheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Met de implementatie van de basismodule postregistratie en archivering van het Dis is een aanvang gemaakt. Bij de diverse beleidsterreinen van defensie wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden van e-mail. In afwachting van de daarop betrekking hebbende regelgeving wordt een afdruk van de desbetreffende berichten in de dossiers opgenomen.

De concentratie van de uitvoering van gelijksoortige taken met betrekking tot de documentaire informatievoorziening wordt voortgezet, wat zal leiden tot een doelmatiger en efficiënt archiefbeheer. Op dit ogenblik wordt onderzocht hoe fysieke archieven kunnen worden geconverteerd naar andere gegevensdragers. Daarbij wordt vooral bezien of van mikrofilm en digitale opslag gebruik kan worden gemaakt.

De institutionele onderzoeken binnen drie functiegebieden van Defensie – militair materieel, militair personeel en operatiën zijn in het kader van het Project Invoering Verkorting Overbrengings Termijn (Pivot) afgerond. Van het functiegebied militair materieel is een goedgekeurd basisselectiedocument beschikbaar. Er is een begin gemaakt met een selectie «op handelingen» in het semi-statische archief van Defensie. De Pivot-selectiemethodiek zal bij de mogelijke conversie naar andere gegevensdrager(s) worden toegepast.

De omvang van het totale defensie-archief is per 1 april 1998 ruim 64 strekkende kilometer lang. In 1997 is 3046 meter vernietigd. De verwachte groei voor 1999 is 2990 meter.

HOOFDSTUK 7: FINANCIËN

7.1 Financieel kader

7.1.1 Voorjaarsnota

In de voorjaarsnota 1998 heeft het kabinet besloten een kwart van de totale prijsbijstelling aan de verschillende begrotingen uit te delen. Defensie heeft ervoor gekozen de prijsbijstelling volledig aan de beleidsterreinen uit te delen en de vanaf 1998 hieruit voortvloeiende problematiek van structureel ongeveer f 68 miljoen als een financiële taakstelling uit te voeren. In het kader van de begroting 1999 is deze taakstelling gedeeltelijk ingevuld met al geïdentificeerde «meevallers», waardoor maatregelen met een structureel karakter voor dat jaar gedeeltelijk zijn vermeden.

De opbrengst uit verkopen roerende en onroerende zaken is voorts met f 103 miljoen verhoogd. De verkoopkosten kunnen hieruit volledig worden gedekt.

7.1.2 Regeerakkoord

Volgens het regeerakkoord wordt het uitgavenniveau voor Defensie per 1999 structureel verlaagd met f 375 miljoen. Verder dient Defensie in het kader van enkele rijksbrede maatregelen vorm te geven aan meer marktconformiteit in de ziektekostentegemoetkomingen en wordt de jaarlijkse vergoeding voor incidentele loonontwikkeling, evenals voor 1997 en 1998, op een percentage van 0,6 gebudgetteerd. De verwerking van de taakstelling uit hoofde van de ziektekosten (ingaande 2000) zal worden meegenomen in de arbeidsvoorwaardenonderhandelingen 1999. De budgettering van de incidentele loonontwikkeling zal worden verrekend met de uitdeling van de loonbijstelling 1999. Naast deze maatregelen dient Defensie binnen de eigen sector ook, overeenkomstig het regeerakkoord, de diensteinderegelingen voor het militaire personeel, waaronder de regeling Uitkeringswet gewezen Militairen (UKW), te herijken.

Zoals in de inleiding is aangegeven, zal in 2000 een Defensienota worden uitgegeven. Hierbij zal de invulling met structurele maatregelen van de bovenstaande taakstellingen duidelijk zijn en kunnen de taakstellingen verwerkt worden in de ramingen voor de desbetreffende beleidsterreinen. In afwachting van de nadere structurele verwerking zijn de bovenstaande bedragen in mindering gebracht op de defensiemeerjarenramingen voor de jaren 2000 en volgende (via artikel 01.28 Prijsbijstelling).

Voor 1999 is de taakstelling van f 375 miljoen ingevuld door een aantal investeringsprogramma's te vertragen of uit te stellen en door gebruik te maken van een incidentele herfasering binnen het project Midlife Update F-16. Het onderstaande overzicht geeft aan om welke projecten het gaat. In de artikelsgewijze toelichting bij de investeringsartikelen van de krijgsmachtdelen wordt toegelicht welke gevolgen de maatregelen voor de genoemde projecten hebben. In algemene zin leidt het uitstellen van investeringsprojecten tot een navenante verzwaring van de problematiek in de jaren na 1999 (een «boeggolf»). Deze wordt opgevangen binnen het volgens de meerjarenramingen beschikbare budget voor investeringen. Dat leidt er overigens toe dat in die jaren andere projecten moeten worden vertraagd. De in het regeerakkoord opgenomen bezuiniging zal dan ook niet kunnen worden uitgevoerd zonder het nemen van structurele maatregelen.

Maatregelen voor 1999 ter verwerking regeerakkoord (miljoenen guldens)
Maatregelen Koninklijke marine
uitstel project aanpassing mijnenbestrijding71,9
uitstel capability-upkeep Orion-vliegtuigen3,4
uitstel Active Towed Array System (ATAS)1,2
Totaal Koninklijke marine76,5
Maatregelen Koninklijke landmacht 
uitstel simulatiemiddelen36,0
uitstel gevechtsveld controleradar24,0
uitstel vervanging Meteo-station4,0
uitstel MILSATCOM17,0
uitstel warmtebeeld handkijker7,5
uitstel verbrandingscapaciteit munitie1,0
uitstel explosieveilige machine Veenhuizen9,0
uitstel EOV14,8
Totaal Koninklijke landmacht113,3
Maatregelen Koninklijke luchtmacht 
uitstel inbouw MLU-modificaties14,4
uitstel multifunctional bombloading2,3
uitstel scheidingswand KDC-105,0
uitstel ATM-NAFIN35,0
uitstel MILSATCOM12,2
Totaal Koninklijke luchtmacht68,9
Eenmalige kasschuif MLU F-16 door vervroeging leveringen en betalingen116,3
Totaal invulling taakstelling regeerakkoord375,0

De eenmalige kasschuif van f 116,3 miljoen vindt zijn oorsprong in een versnelling van de leveringen van de modificatiekits voor het MLU-programma F-16. Deze versnelling heeft ertoe geleid dat uitgaven die voorzien waren voor 1999 al in 1998 moesten worden verricht. Door een tragere realisatie in 1998 van andere investeringsprojecten bij de Koninklijke landmacht, de Koninklijke marine en bij het Defensie Interservice Commando (Dico) is hiervoor de ruimte gevonden. Vanwege de eerdere betaling is er sprake van een eenmalige vrijval van f 145 miljoen in 1999, die voor een bedrag van f 116,3 miljoen is aangewend voor de taakstelling uit het regeerakkoord. Het restant is nodig voor de opvang in 1999 van de in 1998 vertraagde projecten bij de marine (f 25 miljoen) en het Dico (f 3,7 miljoen).

7.2 Overzicht reële ontwikkeling defensiebudget

De onderstaande overzichten laten de gevolgen zien van de bezuinigingen in de afgelopen jaren voor de reële ontwikkeling van het defensiebudget sinds de Prioriteitennota. Op dit ogenblik zal de begroting voor 1999 in reële termen (dat wil zeggen exclusief loon- en prijsstijgingen en incidentele effecten) 12,2 procent lager zijn dan voorzien in de Prioriteitennota.

Overzicht financiële kortingen op Defensie sinds de Prioriteitennota (in miljoenen guldens)
 199519961997199819992000200 12002
1994 begrotings-voorbereiding– 249– 254– 258– 259– 259– 259–  259– 259
1995 begrotings-voorbereiding– 318– 322– 322– 322– 322– 322–  322– 322
Regeerakkoord 1994– 129– 259– 516– 593– 593– 593– 593– 593
Herijking buitenlands beleid  + 200+ 200+ 200+ 200+ 200+ 200
1997 begrotings-voorbereiding  – 77– 66– 46– 46– 46– 46
1999 begrotings-voorbereiding   – 68– 68– 68– 68– 68
Regeerakkoord 1998    – 375– 375– 375– 375
 – 696– 835– 973– 1 108– 1 463– 1 463– 1 463– 1 463

De ontwikkeling van het defensiebudget sinds de Prioriteitennota geeft reëel het volgende beeld te zien (in percentages):

 
Jaarten opzichte van het voorafgaande jaargecumuleerd sinds de Prioriteitennota
1994– 2,1– 2,1
1995– 4,1– 6,1
1996– 1,2– 7,2
1997– 1,2– 8,3
1998– 1,2– 9,4
1999– 3,1– 12,2
vanaf 2000– – 12,2

7.3 Verdeling over de bestedingscategorieën 1997–1999

De afgelopen jaren is, mede dankzij de voortgang van de herstructurering, het inzicht toegenomen in de verdeling van financiële middelen tussen enerzijds personeels- en materieeluitgaven en anderzijds investeringen. In het algemeen is sprake van een stijging van de exploitatieuitgaven ten opzichte van de investeringsuitgaven. Dit is onder meer het gevolg van de toegenomen inzet van de krijgsmacht, vooral in het kader van vredesoperaties. De professionalisering van de krijgsmacht heeft bovendien geleid tot meer en intensiever oefenen en tot het gebruik van verschillende vliegende wapensystemen. De stijging van de materiële exploitatie is ook te wijten aan de gestegen dollarkoers en aan begrotingstechnische overhevelingen. Zo heeft de oprichting van het Dico op verschillende beleidsterreinen geleid tot de overheveling van fondsen van de post investeringen naar de post materiële exploitatie.

Hieronder is de verdeling van het totale defensiebudget over de bestedingscategorieën weergegeven:

1997 (in miljoenen guldens)
OmschrijvingPersonele exploitatieMateriële exploitatieInvesteringenPensioenen & wachtgeldenTotaal
Ontwerpbegroting 19976 005,42 584,43 238,81 815,613 644,2
in %44,0%18,9%23,8%13,3%100,0%
      
Eerste wijzigingsvoorstel, samenhangende met de      
Voorjaarsnota 1997– 31,9+ 86,4+ 127,7+ 7,6189,8
Tweede wijzigingsvoorstel, samenhangende met de Najaarsnota 1997+ 172,9+ 64,3– 158,2+ 1,980,9
Derde wijzigingsvoorstel,      
Slotwet 1997+ 43,2+ 21,0– 67,8– 2,4– 6,0
Totaal realisatie 19976 189,62 756,13 140,51 822,713 908,9
in %44,5%19,8%22,6%13,1%100,0%
1998 (in miljoenen guldens)
OmschrijvingPersonele exploitatieMateriële exploitatieInvesteringenPensioenen & wachtgeldenTotaal
Ontwerpbegroting 19986 082,32 570,53 424,81 891,413 969
in %43,5%18,4%24,5%13,6%100,0%
      
Eerste wijzigingsvoorstel, samenhangende met de Voorjaarsnota 1998262,2100,908371,1
Nadere bijstellingen– 16,2380,8– 249,98,5123,2
Totaal vermoedelijke uitkomsten 19986 328,33 052,23 174,91 907,914 463,3
in %43,7%21,1%22,0%13,2%100,0%
1999 (in miljoenen guldens)
OmschrijvingPersonele uitgavenMateriële uitgavenInvesteringenPensioenen & wachtgeldenTotaal
Ontwerpbegroting 19996 182,42 986,33 131,11 840,514 140,3
in %43,7%21,1%22,2%13,0%100,0%

7.4 Financiële aspecten ingebruikgeving/medegebruik

Voor de ontvangsten uit ingebruikgeving en/of medegebruik van zaken waarvan het materieelbeheer bij Defensie berust, geldt sinds de begroting-1997 een met het ministerie van Financiën gemaakte middelenafspraak. Een ontvangstenbedrag van f 5 miljoen komt ten gunste van de algemene middelen. Hogere of lagere ontvangsten komen ten gunste of gaan ten laste van de defensiebegroting.

7.5 Kengetallen

7.5.1 Stand van zaken ramingskengetallen

In de begroting voor het jaar 1999 zijn ramings-kengetallen opgenomen die goed aansluiten op de gewijzigde begrotingsindeling en voldoen aan de kwaliteitseisen ten aanzien van bruikbaarheid voor sturing, verantwoording en presentatie in begrotingsstukken. De ramingsbedragen van de uitgavenartikelen «Personeel en materieel» en het uitgavenartikel 02.02 «Militaire pensioenen en uitkeringen» worden met meerjarige ramingskengetallen toegelicht. De zoveel mogelijk geüniformeerde ramingskengetallen zijn als volgt samen te vatten:

– de bezoldigingsuitgaven worden volledig op basis van het gemiddelde salaris per volle-tijdsequivalent (vte) met vier uniforme ramings-kengetallen toegelicht: voor actief burgerpersoneel, niet-actief burgerpersoneel, militairen beroeps onbepaalde tijd en militairen beroeps bepaalde tijd;

– voor zover de uitgaven zinvol met ramingskengetallen zijn te onderbouwen, zijn bij de personele en materiële uitgaven uniforme ramingskengetallen opgenomen voor huur van personeel (uitzendkrachten op basis van mensjaren/uren en uitbesteding O,I&A-deskundigheid op basis van mensjaren/uren), persoonsgebonden personele uitgaven (op basis van vte'n) en persoonsgebonden materiële uitgaven (op basis van vte'n). Voor enkele soorten van uitgaven, bijvoorbeeld die voor vliegopleidingen, zijn specifieke ramingskengetallen opgenomen;

– de uitgaven voor militaire pensioenen, de wachtgelden en inactiviteitswedden zijn – per soort van regeling – met uniforme ramings-kengetallen op basis van «aantallen in uitkeringsjaren» toegelicht.

7.5.2 Prestatie-indicatoren

In de defensiebegroting voor 1999 is de gebruikswaarde van de prestatie-indicatoren verbeterd. De geplande prestatie voor 1999 is geprojecteerd naast de geactualiseerde planning voor 1998 en de geplande prestatie voor 2000. Hierdoor worden trends zichtbaar. In de begroting van 2000 zal ook de realisatie van 1998 worden aangegeven.

7.5.3 Doeltreffendheidskengetallen

Defensie onderzoekt de mogelijkheid doeltreffendheidskengetallen te ontwikkelen. Deze geven informatie over de mate waarin doelstellingen zijn bereikt. In de methode die wordt onderzocht, wordt het beleid op consequent vertaald in opdrachten naar lager managementniveau's. Kengetallen zijn daarbij een hulpmiddel. Waarschijnlijk kan de benadering vanaf 1999 breder binnen Defensie worden toegepast.

7.6 Financiering vredesoperaties

7.6.1. Financiering vredesoperaties

Op artikel 08.02 «Vredesoperaties» worden de uitgaven voor vredesoperaties verantwoord. Het gaat om twee categorieën uitgaven:

– aanvullende uitgaven als gevolg van de deelneming van Nederlandse eenheden aan vredesoperaties;

– contributies aan de VN voor VN-vredesoperaties die Nederland als lid van de VN is verschuldigd, onafhankelijk van Nederlandse deelneming aan deze vredesoperaties. Het Nederlandse aandeel in de contributies bedraagt 1,59%.

Op artikel 08.02 «ontvangsten naar aanleiding van vredesoperaties» worden met name de vergoedingen van de VN voor de deelneming van Nederlandse eenheden aan VN-vredesoperaties verantwoord. Ook worden op dit artikel de verrekeningen met Ontwikkelings-samenwerking verantwoord voor de inzet van defensiemiddelen voor humanitaire operaties. De artikelen in verband met vredesoperaties maken deel uit van de Homogene Groep Internationale Samenwerking.

Zowel de additionele uitgaven als de uitgaven voor de VN-contributies zijn moeilijk te ramen. De hoogte van de VN-contributies wordt bepaald door het aantal, de omvang en de duur van vredesoperaties. De meeste VN-vredesoperaties berusten op mandaten die ten hoogste een half jaar geldig zijn. Op verlenging van mandaten of het begin van nieuwe VN-operaties kan moeilijk vooruit worden gelopen. De hoogte van de raming van de additionele uitgaven wordt bepaald door de politieke besluitvorming over de inzet van Nederlandse eenheden bij vredesoperaties. Zonder politiek besluit over een vredesoperatie kan in de begroting geen specifieke raming worden opgenomen. Het kabinet heeft besloten een structurele voorziening voor vredesoperaties in de defensiebegroting op te nemen.

7.6.2 Begrotingen 1998 en 1999

Voor 1998 zijn de uitgaven voor vredesoperaties in de eerste suppletore begrotingswet geraamd op f 261,6 miljoen: f 40 miljoen ten behoeve van VN-contributies en f 221,6 miljoen aan additionele uitgaven. Het leeuwendeel van de additionele uitgaven wordt veroorzaakt door de Nederlandse deelneming aan de Sfor-operatie met een gemechaniseerd bataljon in Bosnië en een F-16 detachement vanuit Italië. Nederland neemt deel aan de VN-vredesoperatie op Cyprus (Unficyp) (sedert juni 1998) en aan enkele kleinere operaties. Mogelijk zal Nederland in het najaar van 1998 deelnemen aan de VN-operatie in de Westelijke Sahara (Minurso).

De ontvangstenraming voor 1998 bedraagt f 31,4 miljoen: f 28,3 miljoen voor VN-vergoedingen en f 3,1 miljoen aan verrekening met de minister voor Ontwikkelingssamenwerking.

Voor 1999 bedraagt de voorziening voor vredesoperaties f 270,6 mln. Hiervan is f 50 miljoen gereserveerd voor VN-contributies en f 8,7 miljoen voor de VN-vredesmissie Unficyp.

7.6.3 Claims bij de VN

Landen die aan VN-vredesoperaties deelnemen ontvangen van de VN vergoedingen voor de inzet van personele en materiële middelen. Deze worden vergoed uit het speciale VN-budget voor vredesoperaties, waaraan alle VN-lidstaten financieel bijdragen. Door grote betalingsachterstanden bij een aantal lidstaten verkeren de VN al enige jaren in grote financiële problemen. Hierdoor ondervindt de uitbetaling van vergoedingen grote vertraging, wat eveneens een onzekere factor voor de ramingen is.

De besprekingen in VN-verband over de hoogte van in het bijzonder de Nederlandse claims voor de inzet van materieel tijdens de VN-operaties in het voormalige Joegoslavië zijn begin 1998 afgesloten. De vordering van Nederland voor een bedrag van in totaal 75 miljoen dollar is aanvaard. Vooruitlopend op deze overeenkomst is vanaf 1994 al f 52 miljoen van de VN ontvangen. Over het moment van betalen van deze en nog resterende door de VN te betalen claimbedragen wordt overleg gevoerd met de VN.

7.7 Financieel beleid en beheer

Het financieel-economisch en bedrijfsvoeringsbeleid is onverminderd gericht op de invoering van het verbeterde economische beheer. Decentralisatie van de bedrijfsvoering, resultaatgericht management en een beter inzicht in en beheersing van de kosten van de bedrijfsvoering zijn de voornaamste doelstellingen. Wel is gebleken dat aandacht moet worden besteed aan de (administratief-)organisatorische gevolgen van de nieuwe werkwijze. Het overdragen van bevoegdheden dient gelijke tred te houden met het daarop aanpassen van de organisatie die de bevoegdheden krijgt. Ook is gebleken dat er geen standaardoplossing is voor de omvang van te decentraliseren bevoegdheden. De criteria bij het maken van afwegingen zijn inmiddels op hoofdlijnen vastgesteld.

Mede op grond van de uitkomst van de midden 1997 gehouden evaluatie, is het bedrijfsvoeringsbeleid aangepast en zijn bestaande instrumenten verder ontwikkeld. Het betreft onder meer het gebruik van kengetallen in de bedrijfsvoering, de budgettering van de dienstverlening tussen defensie-onderdelen, het gebruik van kosteninformatie en het hanteren van het evaluatie-instrument. De resultaten zijn vastgelegd in de nieuwe bundel bedrijfsvoering van Defensie. Met deze bundel zal de komende jaren kunnen worden gewerkt aan de invoering voor heel Defensie.

De herstructurering en de reorganisaties als gevolg van de Prioriteitennota en de Novemberbrief hebben een negatief effect gehad op enkele aspecten van het financieel beheer. Dat geldt in het bijzonder voor de kwaliteit van de administratieve organisatie. Voorts hebben de decentralisatie en de vele verplaatsingen van personeel geleid tot een vermindering van de kennis. Dit is aanleiding geweest om samen met de accountantsdienst een omvangrijk verbetertraject te beginnen. In het Verbeterplan Financieel Beheer Defensie worden de al bestaande acties bij de verschillende beleidsterreinen gecombineerd met enkele projecten ter verbetering van het financiële beheer. De kennis en de kunde van financieel beheer bij de decentrale organisaties worden verbeterd door aanbieding van een aangepast opleidingsprogramma. Voorts worden de kwaliteit en de toegankelijkheid van de financieel beheerregelingen verbeterd door de invoering van een Handboek Financieel Beheer. Dit zal ook richtlijnen bevatten die het opstellen van een versnelde departementale verantwoording in het jaar 2000 mogelijk maken.

7.8 Invoering van de Euro

De invoering van de Euro heeft onder meer gevolgen voor de financiële administratie, informatiesystemen, contracten, wet- en regelgeving en voorlichting. De eerste inventarisatie van de noodzakelijke aanpassingen is afgesloten en in een draaiboek opgenomen. Om volledigheid van de inventarisatie te waarborgen, wordt een volledigheidstoets uitgevoerd. De planning van de aanpassing van informatiesystemen zal in 1999 beginnen zodra er uitzicht is op een oplossing van de milleniumproblematiek. De financiële administratie is al geschikt voor girale eurobetalingen vanaf 1 januari 1999. Een departementale werkgroep coördineert de veranderingen.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen)

INLEIDING

Begrotingsindeling

In hoofdstuk 7 van de memorie van toelichting bij de defensiebegroting 1998 (Kamerstukken II 1997–1998, 25 600 X, nr. 2) is ingegaan op de evaluatie van het bedrijfsvoeringsbeleid bij Defensie. Daarbij is melding gemaakt van de uit het verbeterd economisch beheer voortvloeiende nieuwe begrotingsindeling 1998 (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 113). Bij de krijgsmachtdelen worden de bedrijfsvoeringsbudgetten in de begrotingsartikelen personeel en materieel zichtbaar gemaakt en worden alle investeringen op één begrotingsartikel Investeringen groot materieel en infrastructuur geraamd. In verband hiermee en mede gegeven de comptabele voorschriften is in 1998 een nieuwe nummering van begrotingsartikelen bij de beleidsterreinen doorgevoerd.

In bijlage 12 zijn de gerealiseerde begrotingsbedragen voor het jaar 1997 opgenomen volgens de oude indeling van de begrotingsartikelen en de artikelonderdelen.

Nieuwe mutaties

Bij de begrotingsartikelen personeel en materieel van de beleidsterreinen worden met ingang van de begroting 1999 de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties naar aard en oorzaak op het niveau van organisatorische groep van resultaatverantwoordelijke eenheden gepresenteerd en toegelicht.

Personele ramingen

De uitgaven van het actief dienende personeel zijn geraamd met behulp van het Systeem Nieuwe Integrale Personeelsbegroting (SNIP). De uitkomst hiervan is aangepast voor ontwikkelingen in de komende jaren en voor de categorieën die niet in het SNIP zijn opgenomen, zoals niet-actief dienend personeel, NATRES, zakgelders en niet-Nederlands hulppersoneel.

Loon- en prijspeil

De ramingen staan in loon- en prijspeil 1998. De ramingen voor het jaar 2003 worden verkregen door de extrapolatie van de verwachte realisatie in 2002 rekening houdend met de ontwikkelingen van de aantallen personeel en de mutaties in het activiteitenprogramma ten opzichte van het jaar 2002.

Loonbijstelling 1998

De aan Defensie toegekende loonbijstelling 1998 is verantwoord op artikel 01.27 Loonbijstelling. Tevens is op dit artikel deze aan de beleidsterreinen uitgedeelde loonbijstelling, onder verrekening van de in 1998 aan de orde zijnde premie-effecten, verantwoord.

De uitdeling aan de beleidsterreinen betreft onder andere de tranche 1998 van de in het arbeidsvoorwaardenakkoord 1997–1999 voor 1998 opgenomen salarismaatregelen. Dat wil zeggen dat over de loonsom (onder verrekening van premie-effecten) een structurele bijdrage is uitgedeeld van 1,8% per jaar vanaf 1 september 1998 en een incidentele bijdrage (eindejaarsuitkering) in 1998 van 0,5%. In het arbeidsvoorwaardenakkoord is voor 1998 een generieke salarismaatregel van 2,6% per 1 september 1998 opgenomen en een éénmalige uitkering van 0,5%. Er heeft voor 1998 dan ook (nog) geen volledige uitdeling aan de beleidsterreinen plaatsgehad. Het restant van 0,8% structureel vanaf 1999 wordt uit de kabinetsbijdrage 1999 gefinancierd en na ontvangst van deze bijdrage in 1999 aan de beleidsterreinen uitgedeeld. Er is geen rekening gehouden met de vergoeding voor incidenteel loon voor de jaren 1999 en verder.

Per 1 januari 1998 is de WAO van toepassing voor het overheidspersoneel inclusief de burger- en militaire ambtenaren van Defensie. In dit kader is tevens de per 1 januari 1998 aan de orde zijnde wet Premiedifferentiatie en Marktwerking bij Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba) van toepassing voor het personeel van Defensie. De consequenties voor de Defensiebegroting zijn vanuit de algemene middelen gecompenseerd. Het gaat daarbij in onderlinge samenhang om:

– de introductie van een (gedifferentieerde) werkgeverspremie WAO;

– het vervallen van de pseudo-werknemerspremie WAO;

– de introductie van een franchise in de pseudopremie WW;

– een substantiële verlaging van de overhevelingstoeslag (OT);

– een met de OT-verlaging verband houdende verhoging van de (bruto) vergoeding ziektekosten;

– het vervallen van de FAOP-premie voor het burgerpersoneel;

– het vervallen van de WAO-component van de militaire arbeidsongeschiktheidspensioenen;

– het vervallen van de AAW-claims voor actief en postactief militair personeel;

– het vervangen van de WAO-conforme uitkering voor het burgerpersoneel in het tweede ziektejaar door een overeenkomstige WAO-uitkering (dit betreft een geldstroom van USZO richting Defensie als compensatie voor (volledige) doorbetaling bezoldiging);

– de introductie van een WAO-uitkering voor het militaire personeel in het tweede ziektejaar (het betreft eveneens een geldstroom van USZO richting Defensie als compensatie voor de (volledige) doorbetaling van bezoldiging)

De door het ministerie van Financiën verstrekte compensatiebedragen zijn op basis van per beleidsterrein aan de orde zijnde meer-/minderuitgaven uitgedeeld aan de beleidsterreinen. Tevens heeft saldering plaatsgehad van de voorheen ten gunste van de middelen geboekte AAW-claims respectievelijk WAO-conforme uitkeringen.

In de toelichting bij de desbetreffende ressorts van de beleidsterreinen zijn de loonbijstellings- en Pemba bedragen, samen met de uitgedeelde prijsbijstelling, zichtbaar gemaakt.

Prijsbijstelling 1998

In de ontwerpbegroting 1999 is rekening gehouden met de ontwikkeling naar het prijsniveau 1998. De prijsstijging van 1997 naar 1998 bedraagt 1,3% voor de materiële overheidsconsumptie en 2,8% voor de bouw. Bij de behandeling van de Voorjaarsnota 1998 is door het Kabinet besloten om een kwart van de hiermee overeenkomende bedragen via de aanvullende post prijsbijstelling aan de departementen uit te delen. Via het begrotingsartikel 01.28 Prijsbijstelling is echter de prijsbijstelling 1998 volledig verdeeld over de begrotingsartikelen van de beleidsterreinen. De oplossing van de hieruit voortvloeiende problematiek is in hoofdstuk 7.1.1. van de memorie van toelichting nader toegelicht. In de toelichting bij de betreffende ressorts van de beleidsterreinen zijn de prijsbijstellingsbedragen, samen met de bedragen voor de loonbijstelling en de Pemba, zichtbaar gemaakt.

Actualisering Prioriteitennota

De uitbreidingen van de personele sterkte bij de krijgsmachtdelen als gevolg van de actualisering van de Prioriteitennota in 1997 zijn reeds in de begroting 1998 verwerkt.

Per krijgsmachtdeel wordt bij de toelichting van de ontwikkeling van de personele sterkte ingegaan op de voortgang van de actualisering.

Verplichtingen-kassystematiek

In de Comptabiliteitswet, artikel 4, vijfde lid, is de bepaling opgenomen dat als verplichting van een jaar wordt geraamd het bedrag van de juridische verplichting die in dat jaar rechtstreeks ontstaat op grond van een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, een ministeriële regeling, een beschikking of een verbintenis en die in dat jaar dan wel in een later jaar tot uitgaven leidt of kan leiden.

Het zesde lid van dit artikel biedt echter de mogelijkheid voor een beperkt aantal categorieën niet de juridische verplichting als uitgangspunt te nemen voor de verplichtingenraming, maar het bedrag dat in dat jaar als uitgaaf wordt geraamd. Dit betreft onder andere:

– salarissen, wachtgelden en soortgelijke periodieke verplichtingen (lid 6, punt a);

– huren, pachten en soortgelijke verplichtingen (lid 6, punt d);

– andere door de minister van Financiën aan te wijzen categorieën (lid 6, punt e).

Dit laatste is ingevuld door de «Aanwijzingsregeling verplichtingen-kas 1991» van 6 juli 1993, laatstelijk gewijzigd 10 september 1997, waarin onder andere algemene categorieën worden onderscheiden waarbij het uit het oogpunt van begrotingsbeheer niet noodzakelijk is voorafgaand aan iedere betaling eerst de bijbehorende individuele verplichting te boeken. Indien het doelmatig is, kan worden volstaan met het vooraf boeken van collectieve verplichtingen die bijvoorbeeld overeenkomen met het uitgavenbudget van de betrokken post. Ook is het mogelijk dat op het moment van betalen de corresponderende verplichting, ter grootte van het kasbedrag, wordt geboekt.

In algemene termen worden onder andere de verplichtingen vermeld die:

– voortvloeien uit privaatrechtelijke rechtshandelingen, met uitzondering van deelnemingen, krediet- of garantieverleningen, tot een door de minister van Financiën vast te stellen bedrag (categorie 1.a). Te denken valt daarbij aan verbruiksgoederen, telefoon- en energiekosten;

– samenhangen met declaraties die rijksambtenaren, arbeidscontractanten en derden op grond van geldende personele en organieke rijksregelingen bij het Rijk kunnen indienen (categorie 1.b). Hieronder vallen vergoedingen voor dienstreizen, verplaatsingskosten en andere emolumenten.

Specifiek genoemd worden voorts de artikelen voor onvoorziene uitgaven (categorie 2.a), geheime uitgaven (categorie 2.b) en loon- en prijsbijstelling (beide categorie 2.c).

Indien het bovenstaande bij een artikel van toepassing is, wordt daarvan in de artikelsgewijze toelichting melding gemaakt. Daarbij wordt tevens aangegeven welke formele regeling in dat geval van kracht is.

01. BELEIDSTERREIN ALGEMEEN

Algemeen

De totaal geraamde uitgaven van het beleidsterrein Algemeen voor de jaren 1998 tot en met 2003 zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 1000,–199819992000200120022003
01.20 Personeel en materieel       
– Kerndepartement209 465185 247171 381159 466158  995140 196
– Militaire inlichtingendienst (MID)104 10987 93785 19793 554100 553100 553
– Wachtgelden en inactiviteitswedden8 1217 9796 8856 5586 1185 233
Totaal 01.20 Personeel en materieel321 695281 163263 463259 578265 666245 982
01.21 Subsidies en bijdragen130 569129 803128 855128 588128 608128 598
01.22 Geheime uitgaven1 3001 1001 1001 1001 1001 100
01.23 Internationale verplichtingen151 600146 522152 615152 818152 282152 282
01.24 Garanties
01.25 Milieumaatregelen9 36119 3602 8602 8602 8602 860
01.26 Technologie-ontwikkeling32 47931 00429 95029 45029 45029  450
01.27 Loonbijstelling35 62349 27963 27769 13085 98877 659
01.28 Prijsbijstelling00– 404 000– 433 000– 462 000– 462 000
01.29 Overige departementale uitgaven125 116135 990122 415122 318122 318122 319
Totale uitgaven807 743794 221360 535332 842326 272298 250

01.20 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In dit artikel zijn de verplichtingen en uitgaven opgenomen die nodig zijn voor het functioneren van het ambtelijk apparaat van de ressorts Kerndepartement (KD) en de Militaire Inlichtingendienst (MID).

Deze ressorts zijn opgebouwd uit de volgende artikelonderdelen:

– ambtelijk burgerpersoneel, waarin begrepen de loonkosten en overige tot het loon te rekenen kosten van de bewindslieden en het burgerpersoneel;

– militair personeel;

– overige personele uitgaven;

– materiële uitgaven.

Daarnaast worden de bedragen voor de wachtgelden voor het burger- en militair personeel en het aandeel in de uitvoeringskosten USZO op het artikelonderdeel 01.20.09 geraamd en verantwoord.

De meerjarenraming is een afgeleide van het project-/beleidsprogramma. Voor een belangrijk deel leggen de loonkosten beslag op de totale cijfers. Deze zijn niet of nauwelijks beïnvloedbaar.

Het budgettaire beslag dat is gemoeid met de uitbesteding van werkzaamheden bedraagt in 1999 f 21,705 miljoen. Het betreft hier voornamelijk organisatie- en informatieadvieswerkzaamheden.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998   281 930256 693262 337248 953256 231 
1e suppletore wet 1998  5 370– 2 355– 2 305– 2 305– 2 305 
Stand 1e suppletore wet 1998  287 300254 338260 032246 648253 926 
Nieuwe mutaties (zie uitgavenopbouw)  34 81625 9042 93812 96312 740 
Stand ontwerpbegroting 199920 460345 309322 116280 242262 970259 611266 666241 782
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  281 509257 614249 330248 920255 231 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  5 370– 2 35511 195– 2 305– 2 305 
Stand 1e suppletore wet 1998  286 879255 259260 525246 615252 926 
Nieuwe mutaties:  
– Kerndepartement  33 14723 12175010 91110 953 
– Militaire Inlichtingen Dienst  1 5892 0081 9431 9311 904 
– Wachtgelden en inactiviteitswedden  80775245121– 117 
Stand ontwerpbegroting 1999 338 720321 695281 163263 463259 578265 666245 982

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

Bovenvermelde mutaties worden naar oorzaak bij de ramingen van de ressorts en het artikelonderdeel Wachtgelden en inactiviteitswedden toegelicht.

Ressort Kerndepartement

Het ressort Kerndepartement bestaat naast de algemene leiding (minister, staatssecretaris, secretaris-generaal en plaatsvervangend secretaris-generaal inclusief enkele onder hen ressorterende diensten) uit:

– defensiestaf;

– directoraat-generaal personeel;

– directoraat-generaal materieel;

– directoraat-generaal economie en financiën;

– de zelfstandige directies:

– directie juridische zaken;

– directie algemene beleidszaken;

– directie voorlichting;

– defensie accountantsdienst.

Daarnaast is nog een aantal bijzondere organisatie-eenheden aan de directoraten-generaal respectievelijk directies toegevoegd, zoals de staf van de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht en defensiepersoneel werkzaam bij de permanente vertegenwoordiging van Nederland bij de Navo.

Het Kerndepartement heeft een drietal hoofdtaken, te weten:

– advisering van de bewindslieden;

– integrale sturing van de krijgsmachtdelen op hoofdlijnen;

– controle op de uitvoering van het beleid door de krijgsmachtdelen.

Personeel Kerndepartement

In de novemberbrief (Kamerstukken II 1994/95, 23 900 X, nr. 8) is meegedeeld dat de beleids- en de beleidsondersteundende capaciteit van de Centrale organisatie (CO) met 25% zal worden ingekrompen. De CO heeft inmiddels de eerste taakstelling gerealiseerd. De reductie-operatie moet in 2000 zijn voltooid, terwijl in 2002 het overtollig personeel herplaatst dient te zijn. Tot en met het jaar 2000 is een tijdelijke meerbehoefte van 25 formatieplaatsen ontstaan als gevolg van de extra administratieve werklast door de uitvoering van de «Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen». Deze zijn gericht op het verstrekken van een uitkering van f 1 000,– netto aan een bepaalde categorie van voormalig personeel (gewezen dienstplichtigen), die in de periode 1938–1962 langer dan twee jaar doch korter dan vijf jaar werkelijke dienst hebben verricht (vooral Indië-veteranen).

Ontwikkeling personeelsbestand

De defensiebrede vacaturestop beperkt de aanname van personeel. Naast aandacht voor het kwantitatieve aspect van het personeelsbestand zal het Kerndepartement als krimpende organisatie aandacht besteden aan de kwalitatieve aspecten van het (burger) personeelsbestand. Naast in- en uitstroom is doorstroom van personeel daarbij een belangrijk element. Vanaf 1998 wordt aandacht besteed aan het mobiliteitsbeleid. In dit beleid zal bovendien specifiek aandacht worden gegeven aan de doelgroep vermeld in de beleidsbrief Emancipatie.

Gezien de beperkte instroom van extern personeel zal de nadruk liggen op het behoud en de doorstroom van dit personeel. Medio 1998 zal de inventarisatie zijn afgerond waarna een gericht pakket maatregelen kan worden opgesteld. Beslaglegging in de vorm van personele capaciteit en financiële middelen zal vervolgens bekend zijn.

Door het Kerndepartement is invulling gegeven aan het creëren van zogeheten (tijdelijke) Melkert II functies. Defensiebreed wordt onderzocht op welke wijze doorstroom naar reguliere functies mogelijk is. Daar gedurende de reductie-operatie slechts een beperkte externe werving mogelijk is, zal ook de instroom van personen uit de allochtone doelgroep gering zijn.

Werving

Externe instroom is door de beperkte aanname gering. De werving voor 1998 richt zich met name op het vervullen van vacatures bij de accountantsdienst.

Opleidingen

In het kader van het mobiliteitsbeleid zal aandacht worden besteed aan het aspect opleidingen. Gestreefd wordt naar het verder verhogen van de kennis en de kwaliteit van het personeel.

Materieel Kerndepartement

Het huisvestingsbeleid is gericht op concentratie van het Kerndepartement in het complex aan het Plein. Voor de huisvesting van de MID wordt in de komende jaren waar mogelijk teruggevallen op een Haagse kazerne. Om tegemoet te komen aan de acute huisvestingsproblemen van de MID, zijn delen van de MID tijdelijk gehuisvest in het TNO-FEL gebouw.

De informatievoorziening van de CO kan naar drie aandachtsgebieden worden onderverdeeld, te weten:

– concern-informatiesystemen,

– management-informatiesystemen,

– standaard technische infrastructuur Plein (STIP).

In zijn algemeenheid is merkbaar dat een kleinere bedrijfsomvang van de CO directe gevolgen heeft voor de behoeftestellingen zoals die worden ingediend. Ook de invoering van het STIP en de daarmee voor ieder beschikbare software-applicaties, heeft merkbaar gevolgen voor de aanvraag van hardware en software voor kantoorautomatisering.

De verplichtingen en uitgaven Kerndepartement

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000,–)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 199819992000200120022003199819992000200120022003
01.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel68 68966 59364 19661 42959 25759 25768 68966 59364 19661 42959 25759 257
01.20.02 Militair personeel32 27431 56231 02930 00629 59829 59832 27431 56231 02930 00629 59829 598
01.20.03 Overige personele uitgaven17 35417 12116 61315 13315 43615 43617 35417 12116 61315 13315 43615 436
01.20.04 Materiële uitgaven91 14869 97159 54352 89854 70435 90591 14869 97159 54352 89854 70435 905
Stand ontwerpbegroting 1999209 465185 247171 381159 466158 995140 196209 465185 247171 381159 466158 995140 196
Stand 1e suppletore wet 1998176 318162 126170 631148 555148 042176 318162 126170 631148 555148 042
Nieuwe mutaties33 14723 12175010 91110 95333 14723 12175010 91110 953
Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000,–)
bedragen x f 1000,–19981999200020012002
Technische bijstellingen:     
– loon- en prijsaanpassing 19985 5505 6865 5095 1615 100
– herschikking beveiliging/IT-budget  – 13 500  
Beleidsmatige bijstellingen:      
– millenniumuitgaven27 90018 2001 400  
– overheveling Rijksgebouwendienst 6 7426 4916 2666 482
– overige mutaties, per saldo– 303– 7 507850– 516– 629
Totaal van de nieuwe mutaties33 14723 12175010 91110 953

Toelichting op de nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het prijs- en loonniveau 1998. In de loonbijstellingsbedragen is de compensatie voor de Pemba-uitgaven begrepen (introductie van premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen).

De overheveling naar de Koninklijke luchtmacht betreft een herschikking ten behoeve van de beveiliging van geautomatiseerde informatievoorzieningssystemen.

Beleidsmatige bijstellingen

De millenniumuitgaven betreffen de uitgaven voor de detectie, analyse, reparatie en testen van automatiseringssystemen in verband met de eeuwwisseling.

Naast de bijdrage uit de co-financiering voor het Projectbureau Millennium Defensie en de «embedded software», voor 1999 f 13,49 miljoen, bestaat de mutatie uit een ramingsbijstelling binnen de materiële uitgaven.

De overheveling Rijksgebouwendienst (RGD) betreft het CO-deel van het door het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer naar Defensie overgehevelde budget als gevolg van de stelselwijziging van de rijkshuisvesting. Hierdoor krijgt de RGD met ingang van 1 januari 1999 de status van agentschap.

De overige mutaties betreffen per saldo de actualisering van diverse kostenposten en herschikking van budgetten.

Toelichting per artikelonderdeel

01.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten dat betrekking heeft op het burgerpersoneel van het ressort Kerndepartement.

Ramingskengetallen ambtelijk burgerpersoneel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– actief personeel aantal vte'n687649626599578578
– gemiddeld salarisx f 1,–98 549101 190101 160101 150101 106101 106
– totale uitgavenx f 1000,–67 70365 67263 32660 58958 43958 439
– niet-actief personeelaantal vte'n262625242323
– gemiddeld salarisx f 1,–37 92335 42334 80035 00035 56535 565
– totale uitgavenx f 1000,–986921870840818818
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–68 68966 59364 19661 42959 25759 257

Toelichting ambtelijk burgerpersoneel

De afname van het actief reguliere personeel is ten opzichte van de Prioriteitennota bijgesteld als gevolg van een correctie op de overheveling van het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf naar beleidsterrein 09 Dico.

De stijging van het gemiddelde salaris van het actief personeel in 1999 is toe te schrijven aan de salarismaatregel met ingang van 1 september 1998.

De uitgaven voor niet-actief personeel hebben betrekking op langdurig zieken en deelnemers aan de regeling Partiële Arbeidsparticipatie Senioren, alsmede op regelingen voor ouderschapsverlof. De fluctuatie in de middensom is het gevolg van de (verwachte) samenstelling van het bestand, alsmede door afronding.

01.20.02 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten dat betrekking heeft op het militair personeel van het ressort Kerndepartement.

Ramingskengetallen militair personeel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Sterkte begroting 1999aantal vte'n263254250242239239
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n239230226218215215
– gemiddeld salarisx f 1,–128 481130 470130 420130 514130 437130 437
– totale uitgavenx f 1000,–30 70730 00829 47528 45228 04428 044
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n242424242424
– gemiddeld salarisx f 1,–65 29264 75064 75064 75064 75064 750
– totale uitgavenx f 1000,–1 5671 5541 5541 5541 5541 554
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–32 27431 56231 02930 00629 59829 598

Toelichting militair personeel

De afname van het bestand militair personeel is ten opzichte van de Prioriteitennota bijgesteld als gevolg van een correctie op de eerdere overheveling van het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf naar beleidsterrein 09 Dico.

In 1999 neemt het gemiddeld salaris van het beroepspersoneel onbepaalde tijd toe als gevolg van de salarismaatregel per 1 september 1998.

01.20.03 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel. De uitgaven omvatten onder meer reizen, verplaatsen, representatie, persoonsgebonden toelagen en uitkeringen, onderwijs en opleidingen, inhuur tijdelijk personeel en geneeskundige verzorging.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– inhuur tijdelijk personeelmensjaren13,2013,0012,5911,8711,2411,24
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 1,–71 00071 00071 00071 00071 00071 000
– totale uitgavenx f 1000,–937923894843798798
– overige persoonsgebondenaantal vte'n949902875839816816
personele uitgaven(bp en mp)       
– gemiddeld per vtex f 1,–12 05412 22712 18711 90812 19112 191
– totale uitgavenx f 1000,–11 43911 02910 6649 9919 9489 948
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–12 37611 95211 55810 83410 74610 746
Andere volumegegevens:        
– Representatie bijzondere projectenx f 1000,–400400675400400400
– Georganiseerd overlegx f 1000,–2 5912 5912 5912 5912 5912 591
– Raden en commissiesx f 1000,–642593568558558558
– Lump-sum geneeskundige verzorgingx f 1000,–364375375
– Overige personele zakenx f 1000,–9811 2108467501 1411 141
Sub-totaalx f 1000,–4 9785 1695 0554 2994 6904 690
Totaal overige personele uitgavenx f 1000,–17 35417 12116 61315 13315 43615 436

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

De uitgaven voor de inhuur van tijdelijk personeel zijn bedoeld voor het opvangen van het wisselend aanbod van werkzaamheden.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

De uitgaven hebben voornamelijk betrekking op reizen en opleidingen.

Het gemiddelde bedrag per vte is de basis voor de raming van de overige persoonsgebonden personele uitgaven die in beheer zijn bij het ressort Kerndepartement en de begrotingssterkte van dit ressort.

Toelichting andere volumegegevens

Representatie bijzondere projecten

De uitgaven hebben betrekking op de jaarlijks te houden internationale bijeenkomsten waarbij Nederland als gastland optreedt.

Georganiseerd overleg

Dit betreft bijdragen aan de personeelscentrales voor georganiseerd overleg.

Raden en commissies

Dit betreft deelname en bijdragen aan diverse raden en commissies waaronder de Adviesraad Vrede en Veiligheid en secretariaatskosten van de «Western European Armament Group».

Lump-sum geneeskundige verzorging

Hierbij gaat het om een afdracht aan de belastingdienst die verband houdt met voormalig dienstplichtig personeel.

Overige personele zaken

Dit betreft bemiddelingskosten voor herplaatsing van overtollig personeel («outplacement») en medische keuringen van burgerpersoneel.

01.20.04 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven geraamd anders dan personele uitgaven. Het betreft hier uitgaven voor onder meer kleine bedrijfsmatige investeringen, huisvesting, bureauzaken, inventarisgoederen en klein materieel, informatiesystemen, data- en telecommunicatie, voertuigen en uitbesteding O-, I- en A-deskundigheid. Tevens zijn voor 1999 de uitgaven geraamd voor de detectie, analyse, reparatie en het testen van automatiseringssystemen in verband met de eeuwwisseling voor het Kerndepartement voor een totaalbedrag van f 18,2 miljoen, waaronder het Projectbureau Millennium Defensie (f 10 miljoen) en de «embedded software» (f 1,26 miljoen).

Ramingskengetallen materiële uitgaven
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– uitbesteding O-, I- en A-deskundigheiduren199 51686 82039 26028 06026 460
– gemiddelde uitgaven per uurx f 1,–250250250250250
– totale uitgavenx f 1000,–49 87921 7059 8157 0156 615
– overige persoonsgebondenaantal vte'n949902875839816
materiële uitgaven(bp en mp)     
– gemiddeld per vtex f 1,–16 96525 61130 18628 77029 879
– totale uitgavenx f 1000,–16 10023 10126 41324 13824 381
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–65 97944 80636 22831 15330 996
Andere volumegegevens:       
– kleine bedrijfsmatige investeringenx f 1000,–6 7447 8954 8723 0964 395
– informatiesystemenx f 1000,–16 34415 47816 31316 81417 208
– voertuigenx f 1000,–1 1058241 1538521 122
– overige materiële uitgavenx f 1000,–976968977983983
Sub-totaalx f 1000,–25 16925 16523 31521 74523 708
Totaal materiële uitgavenx f 1000,–91 14869 97159 54352 89854 704

Toelichting uitbesteding O-, I- en A-deskundigheid

In de totale uitgaven voor de uitbesteding voor O-, I – en A-deskundigheid is tevens een deel van de millennium-uitgaven opgenomen. In de bedragen voor 1999 en 2000 is het terugbetalen van een aan de Defensie Telematica Organisatie in 1998, in het kader van het millenniumprobleem, verstrekte lening van f 10 miljoen begrepen.

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

Het gemiddelde bedrag per vte is het uitgangspunt voor de raming van een aanzienlijk deel van de persoonsgebonden materiële uitgaven die in beheer zijn bij het ressort Kerndepartement en de begrotingssterkte van dit ressort.

Met ingang van 1999 is, als gevolg van de stelselwijziging rijkshuisvesting, een budget toegevoegd van f 6,5 miljoen per jaar.

Doordat het uitgaven betreffen, zoals huisvesting, die voor een langere periode vastliggen bij een wisselend aantal vte'n, fluctueert het gemiddeld bedrag per vte. Het incidenteel hogere kengetal in 1998 is toe te schrijven aan de huur van gebouwen en aan automatiseringskosten.

Toelichting andere volumegegevens

Kleine bedrijfsmatige investeringen

Voor investeringen in automatiseringsapparatuur is uitgegaan van een normbedrag van f 2000,– per ambtenaar per jaar. Daarnaast is een bedrag geraamd voor specifieke nieuwe investeringen.

Specifieke investeringen in automatiseringsapparatuur hebben vooral betrekking op de kwaliteitsverbetering. Daarnaast worden investeringen gedaan voor de instandhouding en het onderhoud van systemen voor personeelsinformatie.

De uitgaven, die betrekking hebben op telecommunicatie-apparatuur, zijn te verdelen in:

– investeringen in draagbare- en autotelefoons;

– investeringen in telefaxapparatuur;

– vervanging van de telefooncentrale.

Informatiesystemen

Dit betreft exploitatiekosten automatisering waarbij wordt aangetekend dat het niveau van de uitgaven mede bepaald wordt door gemeenschappelijke uitgaven, zoals automatiserings- en informatiesystemen die ten dienste staan van de gehele krijgsmacht. Daarbij gaat het onder meer om de salarisadministratie en het begrotingsadministratiesysteem.

Voertuigen

Het niveau van de uitgaven voor vervangingsinvesteringen wordt bepaald door de omvang van het wagenpark (personenauto's) en een vervanging na vier jaren of 120 000 kilometer. In het bestand is ook het voertuigenpark ten behoeve van de inspecteurs van de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht (IGK) begrepen.

Ressort Militaire Inlichtingendienst (MID)

Algemene toelichting

De Militaire Inlichtingendienst (MID) voert zijn werkzaamheden uit op basis van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV). Naar aanleiding van de uitspraak van de afdeling bestuursrecht van de Raad van State, ligt een geactualiseerd wetsontwerp momenteel nog bij deze Raad voor advies. Hiermee komt de wet weer in overeenstemming met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens.

In samenhang met de doelmatigheidsoperatie bij Defensie is de organisatie van de MID vanuit de krijgsmachtdelen bij dit ressort ondergebracht. Om de beoogde doelmatigheid te realiseren wordt voor het jaar 1999 een reductie van het personeel geraamd ten opzichte van de na de overheveling aanwezige 839 vte'n tot 760 vte'n. Desondanks blijft gegarandeerd dat zowel de politieke en militaire top van het departement en andere ministeries blijven beschikken over hoogwaardige inlichtingen. Om relevante ontwikkelingen met een gereduceerde organisatie te kunnen blijven volgen, is de introductie en instandhouding van geavanceerde informatiesystemen noodzakelijk. Tevens is het noodzakelijk aanvullende maatregelen te nemen om de kwaliteit en toegankelijkheid van de postregistratie en de te concentreren MID-archieven te verbeteren en de digitale duurzaamheid zeker te stellen.

Voorzien wordt dat eind 1999 de stafcomponenten van de dienst op het Van Alkemadecomplex in Den Haag zijn geconcentreerd. Tot dat moment zullen extra uitgaven noodzakelijk zijn ten gevolge van tijdelijke verhuizingen en het herbeleggen van vrijgekomen accomodaties.

Tevens is voor de MID een aanvullend bedrag geraamd op het artikel 01.22 Geheime uitgaven waarmee de taak ten aanzien van de Inlichtingendienst Buitenland kan worden voorbereid.

De verplichtingen en de uitgaven Militaire Inlichtingendienst

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000,–)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 199819992000200120022003199819992000200120022003
01.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel31 35930 87830 39630 37230 34930 34931 35930 87830 39630 37230 34930 349
01.20.06 Militair personeel36 49235 11034 99734 97734 94934 94936 49235 11034 99734 97734 94934 949
01.20.07 Overige personele uitgaven7 5116 8067 2688 0079 0539 0537 5116 8067 2688 0079 0539 053
01.20.08 Materiële uitgaven29 16814 22212 04320 23127 20222 00228 74715 14312 53620 19826 20226 202
Stand ontwerpbegroting 1999104 53087 01684 70493 587101 55396 353104 10987 93785 19793 554100 553100 553
Stand 1e suppletore wet 1998102 94185 00882 76191 65699 649102 52085 92983 25491 62398 649
Nieuwe mutaties1 5892 0081 9431 9311 9041 5892 0081 9431 9311 904
Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000,–)
Omschrijving19981999200020012002
Technische bijstellingen:     
– loon- en prijsaanpassingen 19981 5891 9291 8641 8521 825
Beleidsmatige bijstellingen:     
– aanpassing van de begrotingssterkte 79797979
Totaal van de nieuwe mutaties1 5892 0081 9431 9311 904

Toelichting op de nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast op het prijs- en loonniveau 1998. In de loonbijstellingsbedragen is de compensatie voor de Pemba-uitgaven begrepen.

Beleidsmatige bijstellingen

Deze mutatie betreft de overheveling van één vte militair personeel voor de MID-liaison Nederlandse Antillen en Aruba-functionaris van de Koninklijke marine naar de MID.

Toelichting per artikelonderdeel

01.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort MID.

Ramingskengetallen burgerpersoneel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– actief personeelaantal vte'n369352347347347347
– gemiddeld salarisx f 1,–84 03586 84186 73886 67786 61186 611
– totale uitgavenx f 1000,–31 00930 56830 09830 07730 05430 054
– niet-actief personeelaantal vte'n444444
– gemiddeld salarisx f 1,–87 50077 50074 50073 75073 75073 750
– totale uitgavenx f 1000,–350310298295295295
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–31 35930 87830 39630 37230 34930 349

Toelichting kengetal

De afname van het actief personeel, overeenkomstig de Prioriteitennota, is gecorrigeerd met de overhevelingen vanuit de krijgsmachtdelen in verband met de centralisatie van de inlichtingendienst.

De stijging per 1999 van het gemiddeld salaris van het actief personeel wordt veroorzaakt door de salarismaatregel per 1 september 1998.

De uitgaven voor niet-actief personeel hebben betrekking op langdurig zieken en deelnermers aan de regeling Partiële Arbeidsparticipatie Senioren en op regelingen voor ouderschapsverlof. De fluctuatie in de middensom is het gevolg van de (verwachte) samenstelling van het bestand.

01.20.06 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort MID.

Ramingskengetallen militair personeel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Sterkte begroting 1999aantal vte'n421408407407407407
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n407394393393393393
– gemiddeld salarisx f 1,–87 62787 03886 97286 92186 85086 850
– totale uitgavenx f 1000,–35 66434 29334 18034 16034 13234 132
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n141414141414
– gemiddeld salarisx f 1,–59 14358 35758 35758 35758 35758 357
– totale uitgavenx f 1000,–828817817817817817
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–36 49235 11034 99734 97734 94934 949

Toelichting kengetal

Het verloop van het aantal vte'n beroeps onbepaalde tijd, overeenkomstig de Prioriteitennota, is gecorrigeerd met de overhevelingen vanuit de krijgsmachtdelen in verband met de centralisatie van de inlichtingendienst. Als gevolg van een gewijzigde rangsopbouw neemt het gemiddeld salaris iets af.

01.20.07 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reizen, verplaatsen, representatie, persoonsgebonden toelagen en uitkeringen, onderwijs en opleidingen, inhuur tijdelijk personeel en geneeskundige verzorging.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– inhuur tijdelijk personeelmensjaren4,353,653,653,223,223,22
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 1,–71 00071 00071 00071 00071 00071 000
– totale uitgavenx f 1000,–309259259229229229
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n790760754754754754
– gemiddeld per vtex f 1,–8 9248 4149 09410 11411 50111 501
– totale uitgavenx f 1000,–7 0506 3956 8577 6268 6728 672
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–7 3596 6547 1167 8558 9018 901
Overige personele uitgavenx f 1000,–152152152152152152
Totaal personele uitgavenx f 1000,–7 5116 8067 2688 0079 0539 053

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

De uitgaven voor de inhuur van tijdelijk personeel zijn bedoeld voor het opvangen van het wisselend aanbod van werkzaamheden.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

Het gemiddelde bedrag per vte is de basis voor de raming van de overige persoonsgebonden personele uitgaven die in beheer zijn bij het ressort MID.

Toelichting andere volumegegevens

Overige personele uitgaven

De uitgaven hebben betrekking op kinderopvang en overige posten, waaronder bemiddelingskosten voor herplaatsing van overtollig personeel («outplacement»), voeding en kleding.

01.20.08 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven geraamd anders dan personele uitgaven. Het betreft hier uitgaven voor onder meer kleine bedrijfsmatige investeringen, huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, data- en telecommunicatie en voertuigen.

Ramingskengetallen materiële uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– overige persoonsgebondenaantal vte'n790760754754754754
materiële uitgaven(bp en mp)       
– gemiddeld per vtex f 1,–17 2808 2424 7725 3225 0535 053
– totale uitgavenx f 1000,–13 6516 2643 5984 0133 8103 810
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–13 6516 2643 5984 0133 8103 810
Overige kleine bedrijfsmatige investeringenx f 1000,–15 0968 8798 93816 18522 39222 392
Totaal materiële uitgavenx f 1000,–28 74715 14312 53620 19826 20226 202

Toelichting overige persoonsgebonden materiële uitgaven

Het gemiddelde bedrag per vte is de basis voor de raming van de overige persoonsgebonden materiële uitgaven die in beheer zijn bij het ressort MID. De uitgaven zijn tot en met 1999 hoger als gevolg van additionele uitgaven voor huisvesting, verhuizing en inrichting.

Toelichting andere volumegegevens

Kleine bedrijfsmatige investeringen

De kleinere investeringen hebben voornamelijk betrekking op stationaire- en mobiele telefoons in verband met de mobiliteit van de «veldwerkers».

Investeringen automatisering: verdergaande automatisering is één van de randvoorwaarden bij de uitvoering van de doelmatigheidsoperaties bij de MID. In dit kader worden onder andere de projecten Dienst Ondersteunend Netwerk Alle Ressorts (DONAR) en Contra, Inlichtingen- en Veiligheidsinformatie- en Communicatiesysteem (CIVIC) in 1998 en 1999 voltooid. Deze systemen bieden ondersteuning aan de ressorts inlichtingen en contra-inlichtingen en veiligheid. De eerste automatiseringsfase zal worden afgerond met de invoering van een managementinformatie-systeem in 1999.

Vervoermiddelen MID: medewerkers in de buitendienst hebben uit praktische overwegingen de beschikking over een kleine dienstpersonenauto voor onder meer de uitvoering van (veiligheids)onderzoe- ken. Het niveau van de uitgaven voor vervangingsinvesteringen wordt bepaald door de omvang van het wagenpark (personenauto's) en een vervanging na vier jaren of 120 000 kilometer.

De overige investeringen hebben betrekking op alle projecten van de afdeling verbindingsinlichtingen. De integratie van operationele verbindingslijnen te Eibergen maakt het noodzakelijk te investeren in kostbare technische peilapparatuur en de daarbij behorende automatiseringssystemen. Investeringen in strategische verbindingsinlichtingen zijn noodzakelijk om de (geografische en technische) zeer diverse doelen te kunnen onderscheppen. Samenwerking in dit kader, zowel interdepartementaal als internationaal, vergt eveneens aanzienlijke investeringen.

Artikelonderdeel 01.20.09 Wachtgelden

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor burgerpersoneel van het Kerndepartement en de MID. Separaat zichtbaar zijn de uitgaven voor wachtgelden in verband met het Sociaal Beleidskader (SBK) en de Uitstroom Bevorderende Maatregel Ouderen (UBMO).

Het beleid blijft er op gericht de instroom in de wachtgeldregelingen zoveel mogelijk te beperken door middel van een actieve herplaatsingsinspanning en het gebruik van SBK-instrumenten, waaronder om-, her- en bijscholing. Sinds 1996 omvat dit artikel ook de uitgaven die betrekking hebben op de uitvoeringskosten van de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO).

Conform het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit artikelonderdeel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De geraamde bedragen en ramingskengetallen wachtgelden
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel        
– aantallen in uitkeringsjarenaantal17916614413412297
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–30 78231 72934 29234 98535 13135 062
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–5 5105 2674 9384 6884 2863 401
Overige wachtgelden burgerpersoneel        
– aantallen in uitkeringsjarenaantal535830252323
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–27 62326 98326 66728 92029 78329 783
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–1 4641 565800723685685
Totaal toegelicht met ramingskengetallenx f 1 000,–6 9746 8325 7385 4114 9714 086
Bij: uitvoeringskostenx f 1 000,–1 1471 1471 1471 1471 1471 147
Stand ontwerpbegroting 1999x f 1 000,–8 1217 9796 8856 5586 1185 233
Stand 1e suppletore begroting 1998x f 1 000,–8 0417 2046 6406 4376 235 
Nieuwe mutatiesx f 1 000,–80775245121– 117 

Toelichting

Bij de overige wachtgelden voor burgerpersoneel is met ingang van het jaar 2000 een daling van het aantal aanspraken voorzien. Hierin zijn de diverse (niet-SBK) uitkeringsregelingen verantwoord. Deze regelingen hebben eigen specifieke kengetallen. Derhalve kan (relatief) hoge instroom in een regeling met een relatief laag bedrag per uitkeringsjaar het hier gepresenteerde bedrag per uitkeringsjaar ten behoeve van overige wachtgelden beïnvloeden.

Specificatie van de nieuwe mutaties
bedragen x f 1 000,–19981999200020012002
Technische bijstellingen:     
Loonbijstelling 199898119110106103
Beleidsmatige bijstellingen:     
Actualisering van de raming– 1865613515– 220
Totaal van de nieuwe mutaties80775245121– 117

Uitgaven Sociaal Beleidskader

De geraamde uitgaven voor wachtgelden in verband met het Sociaal Beleidskader (SBK) en de Uitstroombevorderende Maatregel Ouderen (UBMO) worden beïnvloed door de nog in uitvoering zijnde reorganisatie van de Centrale organisatie. Verdere bijstellingen van de geraamde uitgaven zijn dan ook niet uit te sluiten. Het beleid blijft er op gericht de instroom in de wachtgeldregelingen te beperken, vooral door het gebruik van de SBK-instrumenten gericht op de tewerkstelling van overtollig personeel van de Centrale organisatie, zowel binnen als buiten de (rijks)overheid.

In onderstaand overzicht zijn de voorziene uitgaven voor het Sociaal Beleidskader opgenomen. De uitgaven hebben betrekking op burgerpersoneel van de Centrale organisatie. De verantwoording van de uitgaven vindt, met uitzondering van de wachtgelden, plaats ten laste van de desbetreffende artikelonderdelen «ambtelijk burgerpersoneel» en overige personele uitgaven. De uitgaven van de wachtgelden worden, zowel voor het Kerndepartement als voor de MID, geraamd en verantwoord ten laste van dit artikelonderdeel 01.20.09.

 
Sociaal Beleidskader (bedragen x f 1000,–)1997199819992000200120022003
– Om-, her- en bijscholing en outplacement1872002002002002000
– Verplaatsen2550505050500
– Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel4 5875 5105 2674 9384 6884 2863 401
– BDOS plaatsingen burgerpersoneel5 1002 5502 975  
Totaal Sociaal Beleidskader9 8998 3108 4925 1884 9384 5363 401

01.21 Subsidies en bijdragen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel zijn de uitgaven geraamd voor:

– subsidies aan verschillende instellingen;

– bijdragen aan andere ministeries ten behoeve van verenigingen, stichtingen en comités.

Subsidies worden verleend aan instellingen die voor Defensie een zeker nut hebben en ook zelf financiële middelen bijeenbrengen, maar daarnaast mede afhankelijk zijn van financiële hulp van Defensie. De doelstellingen van deze instanties worden uiteengezet in bijlage 6 bij de Memorie van Toelichting.

In overeenstemming met het gestelde in artikel 4, lid 6 punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit begrotingsartikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  119 548119 285118 611118 484118 484 
Mutatie 1e suppletore wet 1998  223  
Stand 1e suppletore wet 1998  119 771119 285118 611118 484118 484 
Nieuwe mutaties:         
Technische bijstellingen:         
– loon- en prijsaanpassingen 1998  2 2692 0902 0812 0812 081 
Beleidsmatige bijstellingen:         
– ramingsbijstelling  5294281632343 
– uitbreiding subsidie Veteranen  8 0008 0008 0008 0008 000 
Stand ontwerpbegroting 1999  130 569129 803128 855128 588128 608128 598

Toelichting op de nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast op het prijs- en loonniveau 1998.

Beleidsmatige bijstellingen

De ramingsbijstelling is het gevolg van samenvoeging van de subsidies ten behoeve van de Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reserve Officieren en de Algemene Vereniging voor Reserve Militairen. De nieuwe benaming is Nederlandse Reservisten Federatie Krijgsmacht. Tevens zijn aan de Stichting Protestants Interkerkelijk Thuisfront en de Stichting Nationaal Katholiek Thuisfront subsidies verleend. Als gevolg van de intensivering van het veteranenbeleid, is de subsidie voor het Veteranenplatform verhoogd. Bovendien wordt de bijdrage aan het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ten behoeve van het informatie- en coördinatie-orgaan dienstverlening oorlogsgetroffenen (ICODO) in drie jaar tijd afgebouwd. Voorts zijn diverse subsidies aangepast.

Uitbreiding subsidie Stichting Dienstverlening Veteranen

Met de Stichting Dienstverlening Veteranen (SDV) is overeengekomen dat de uitvoeringskosten van de veteranenpas met ingang van 1998 deel uitmaken van de begroting van de SDV. In beleidsterrein 02 Pensioenen en Uitkeringen was daarvoor een bedrag van f 8,0 miljoen opgenomen, dat wordt overgeheveld naar beleidsterrein 01 Algemeen.

De meerjarenraming per artikelonderdeel
Artikelonderdelen (bedragen x f 1 000,– )Volume van de uitgaven    
 199819992000200120022003   
I. Subsidies:          
– het Comité International de Médicine et de Pharmacie Miitaires444444    
– de Koninklijke Vereniging ter beoefening van de Krijgswetenschap ten behoeve van de buitengewone leerstoel militair recht aan de Universiteit van Amsterdam en het tijdschrift de «Militaire Spectator»450450450450450450   
– Veteranenplatform218260280290310300   
– Defensie Vrouwennetwerk101010101010   
– Atlantic Exchange Program151515151515   
– Stichting Dienstverlening Veteranen10 01710 01710 01710 01710 01710 017   
– Stichting Maatschappij en Krijgmacht498498498498498498   
– Stichting Vrouw en Uniform262626262626   
– Stichting Homosexualiteit en Krijgsmacht555555555555   
– Nederlandse Reservisten Federatie Krijgsmacht100100100100100100   
– Stichting Koepelorganisatie Militaire Tehuizen1 9101 9101 9101 9101 9101 910   
– Stichting Protestants Interkerkelijk Thuisfront505050505050   
– Stichting Nationaal Katholiek Thuisfront252525252525   
– Stichting bijzondere scholen voor onderwijs op algemene grondslag9 8009 9119 9109 9339 9339 933   
– Stichting rechtsbijstand dienstplichtige militairen143        
– Bond Nederlandse Militaire Oorlogsslachtoffers (BNMO)54936  
Totaal subsidies23 87023 36723 35023 38323 40323 393   
          
II. Bijdragen aan:          
– ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII):          
♦ in de doelsubsidie TNO/DO100 09399 22798 78598 78598 78598 785   
– ministerie van Buitenlandse Zaken (V):          
♦ Nationaal Bureau voor Verbindingsbeveiliging3 0303 7833 4443 2943 2943 294   
♦ Stichting Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen «Clingendael»1 7581 7581 7581 7581 7581 758   
♦ Internationaal Comité van het Rode Kruis707070707070   
♦ Stichting Atlantische Commissie298298298298298298   
– ministerie van Verkeer en Waterstaat (XII):          
♦ bijdrage aan het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium1 0001 0001 0001 0001 0001 000   
– ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI):          
♦ bijdrage ten behoeve van het Informatie- en Coördinatie-orgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen (ICODO)450300150  
Totaal bijdragen106 699106 436105 505105 205105 205105 205   
Totaal subsidies23 87023 36723 35023 38323 40323 393   
Totaal artikel130 569129 803128 855128 588128 608128 598   

De doelstellingen van de ontvangers van subsidies en bijdragen worden uiteengezet in bijlage 6 bij de Memorie van Toelichting.

01.22 Geheime uitgaven

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Overeenkomstig artikel 19 van de Comptabiliteitswet 1976 en de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften, is artikel 01.22 bij Defensie aangewezen als het artikel waarop de geheime uitgaven worden verantwoord.

Door toepassing van categorie 2.b van de «Aanwijzingsregeling verplichtingenkas 1991» wordt bij dit artikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  200200200200200 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  
Stand 1e suppletore wet 1998  200200200200200 
Nieuwe mutaties:         
Beleidsmatige bijstellingen:         
– ramingsbijstelling  1 100900900900900 
Stand ontwerpbegroting 1999  1 3001 1001 1001 1001 1001 100

Toelichting op de nieuwe mutaties

De ramingsbijstelling houdt verband met de uitvoering van een MICIV-besluit.

De geheime uitgaven worden jaarlijks door de President van de Algemene Rekenkamer gecontroleerd.

01.23 Internationale verplichtingen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Nederland neemt deel aan een aantal gemeenschappelijk gefinancierde programma's in Navo-verband. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de samenhang van het bondgenootschap. Het betreft onder meer het Navo Veiligheids Investeringsprogramma (het vroegere Navo-infrastructuurprogramma), de Navo Militaire begroting en het «Airborne Early Warning and Control System» (Awacs).

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
 t/m 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  141 138135 801144 318144 518143 989 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  – 10 579  
Stand 1e suppletorewet 1998  130 559135 801144 318144 518143 989 
Nieuwe mutaties  584421597600593 
Stand ontwerpbegroting 199931 965187 848131 143136 222144 915145 118144 582144 582
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  159 918146 101152 018152 218151 689 
Mutatie 1e suppletore wet 1998  – 8 902  
Stand 1e suppletore wet 1998  151 016146 101152 018152 218151 689 
Nieuwe mutaties  584421597600593 
Stand ontwerpbegroting 1999  151 600146 522152 615152 818152 282152 282

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutatie in de verplichtingen- en uitgavenopbouw betreft met name de prijsbijstelling 1998.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000,–)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 199819992000200120022003199819992000200120022003
Navo Veiligheids Investeringsprojecten in Nederland19 10323 54531 76231 76231 23331 23329 78023  54531 76231 76231 23331 233
Bijdrage aan Navo Veiligheids            
Investeringsprogramma64 35664 35664 35664 35664 35664 35664 35664 35664 35664 35664 35664 356
Investeringen AWACS1 5841 4211 5971 6001 5931 59311 36411 7219 2979 3009 2939 293
Exploitatie AWACS14 80014 80014 80014 80014 80014 80014 80014 80014 80014 80014 80014 800
Bijdrage aan de militaire begroting van de Navo28 10028 10028 10028 10028 10028 10028 10028 1002 8 10028 10028 10028 100
Overige bijdragen3 2004 0004 3004 5004 5004 5003 2004 0004 3004 5004 5004 500
Totaal131 143136 222144 915145 118144 582144 582151 600146 522152 615152 818152 282152 282

Toelichting per artikelonderdeel

Navo Veiligheids Investeringsprojecten in Nederland

De uitgaven voor veiligheidsinvesteringsprojecten in Nederland betreffen projecten die naar verwachting in de jaren 1998 t/m 2003 zullen worden voltooid. Een deel van die uitgaven wordt verrekend met de Navo. De hieruit voortvloeiende ontvangsten worden verantwoord op het ontvangstenartikel 01.20.

Bijdrage aan het Navo Veiligheids Investeringsprogramma

In dit programma is gekozen voor gemeenschappelijke financiering van samenhangende projecten waarvan het belang, c.q. het gebruik, uitgaat boven het nationale niveau. Voor de ramingen vanaf 1998 wordt uitgegaan van een totaal contributieniveau van NAU 170 miljoen ofwel circa f 1 285 miljoen (één Navo Accounting Unit (NAU) = f 7,56). Het Nederlands aandeel van ongeveer 5% betekent een bedrag van f 64,4 miljoen.

Investeringen AWACS

De investeringen worden gedaan in het kader van de eerste fase («near-term») en tweede fase («mid term») van de AWACS-verbeteringspro- gramma's. De investeringen betreffen met name verbeteringen van de radars en de verbindingen.

Exploitatie AWACS

De uitgaven voor het operationeel houden van de AWACS-vloot berusten op de in het «operation and support»-budget voorziene behoeften. Bij de raming is rekening gehouden met een door de deelnemende landen overeengekomen reële nulgroei. Het Nederlandse aandeel is ongeveer 3,75%.

Bijdrage aan de militaire begroting van de Navo

Ten laste van de militaire begroting van de Navo, waaraan Nederland ongeveer 3,5% bijdraagt, komen de onderstaande posten:

– de exploitatie-uitgaven van de militaire hoofdkwartieren, agentschappen en speciale programma's;

– de uitgaven ten behoeve van gemeenschappelijk gefinancierde investeringsprojecten.

Overige bijdragen

De overige bijdragen betreffen pensioenbijdragen en het Nederlandse aandeel in verschillende specifieke projecten en voorzieningen van Navo, bijvoorbeeld de internationale school van SHAPE en NAMSA.

01.24 Garanties

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Het ministerie van Defensie heeft de volgende garanties verleend:

– voor de lening aan de Woonstichting «Ons Belang» voor een maximum van f 0,4 miljoen met een looptijd tot het jaar 2002;

– voor Eurometaal met een maximum van f 2 miljoen.

Naar de huidige inzichten zijn de uitgaven tot en met het jaar 2003 nihil.

01.25 Milieumaatregelen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In dit artikel zijn de uitgaven opgenomen voor aan milieumaatregelen gerelateerd wetenschappelijk onderzoek naar oppervlaktewater- en luchtverontreiniging en naar overige vormen van milieubelasting. Dit geldt ook voor de contributies aan milieu-organisaties.

Tevens worden op dit artikel de kosten van het onderzoek naar de omvang van het asbestprobleem bij de werkplekken van het defensiepersoneel verantwoord.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
 t/m 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  3 3603 3602 8602 8602 860 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  16 001  
Stand 1e suppletore wet 1998  19 3613 3602 8602 8602 860 
Nieuwe mutaties (zie uitgavenopbouw)  – 10 00016 000  
Stand ontwerpbegroting 19992 1571 2129 36119 3602 8602 8602 8602 860
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  3 3603 3602 8602 8602 860 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  16 001  
Stand 1e suppletore wet 1998  19 3613 3602 8602 8602 860 
Nieuwe mutaties        
– asbestproblematiek  – 10 00016 000  
Stand ontwerpbegroting 1999  9 36119 3602 8602 8602 8602 860

Toelichting op de nieuwe mutaties

De nieuwe mutatie in verplichtingen en uitgaven heeft betrekking op de inventarisatie van het aanwezig zijn van asbest in onroerend goed dat in gebruik is bij het ministerie van Defensie.

01.26 Technologie-ontwikkeling

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel zijn de uitgaven geraamd voor technologie-ontwikkeling, alsmede voor het vergroten, instandhouden en gebruik van kennis en kunde door de Centrale organisatie (Wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling voor de Centrale organisatie). De uitgaven voor het gebruik van kennis en kunde door de krijgsmachtdelen, inclusief de uitgaven voor de ontwikkeling van materieel ten behoeve van de krijgsmacht, komen ten laste van de krijgsmachtdeelbudgetten.

Het ministerie van Economische Zaken neemt financieel deel aan technologie- en materieelontwikkelingsprojecten, waarbij de bijdrage afhankelijk is van de bijdrage die door de industrie wordt geleverd. Het streven is de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie op specifieke gebieden te verbeteren. Het overleg over de financiële bijdrage van het ministerie van Economische Zaken vindt plaats in de commissie ontwikkeling defensiematerieel (Codema).

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
 t/m 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  27 95127 91525 40018 30018 600 
Mutatie 1e suppletore wet 1998  – 302  
Stand 1e suppletore wet 1998  27 64927 91525 40018 30018 600 
Nieuwe mutaties (zie uitgavenopbouw)  – 2 502 5007 1006 800 
Stand ontwerpbegroting 199936 38424 79825 14727 91525 90025 40025 40025 400
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  32 97931 00429 45029 45029 450 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  2 002  
Stand 1e suppletore wet 1998  34 98131 00429 45029 45029 450 
Nieuwe mutaties:         
– Ramingsbijstelling  – 2 502 500  
Stand ontwerpbegroting 1999  32 47931 00429 95029 45029 45029 450

Toelichting op de nieuwe mutaties

Ramingsbijstelling

De nieuwe mutaties in de verplichtingen en de uitgaven zijn met name het gevolg van het actualiseren van de verplichtingenramingen van de technologie-ontwikkelingsprojecten.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000,–)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 199819992000200120022003199819992000200120022003
Bijdrage ruimtevaartprogramma4 2004 0003 2003 2003 2003 2005 2004 2003 2003 2003 2003 200
Ontwikkeling Defensietechnologie14 53517 61516 00015 40015 10015 10021 37920 50420 05019 45019 15019 150
WOO Centrale organisatie/Defensie6 4126 3006 7006 8007 1007 1005 9006 3006 7006 8007 1007 100
Totaal25 14727 91525 90025 40025 40025 40032 47931 00 429 95029 45029 45029 450

Toelichting per artikelonderdeel

Bijdrage ruimtevaartprogramma

In 1999 wordt f 4,2 miljoen beschikbaar gesteld voor het ruimtetechnologieprogramma van het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR). De voorziene uitgaven nemen verder af als gevolg van doelmatigheidsbesparingen.

Ontwikkeling defensietechnologie

De uitgaven die worden verantwoord bij dit artikelonderdeel hebben betrekking op:

– technologie-ontwikkeling in het kader van Codema;

– internationale technologie-ontwikkeling in WEAG/Euclid-verband;

– internationale technologie-ontwikkeling in overig verband en

– nationale technologie-ontwikkeling.

De meerjarenraming van dit artikelonderdeel (uitgaven x f 1000,–)
 199819992000200120022003
Technologie-ontwikkeling Codema4 5004 6004 9005 3005 3005 300
Internationale technologie-ontwikkeling in WEAG/EUCLID verband9 2009 80010 00010 00010 00010 000
Internationale technologie-ontwikkeling in overig verband1 50020001 5001 0001 0001 000
Nationale technologie-ontwikkeling6 1794 1043 6503 1502 8502 850
Totaal21 37920 50420 05019 45019 15019 150

Technologie-ontwikkeling in het kader van Codema

Voor technologie-ontwikkelingsprojecten in het kader van Codema geldt in beginsel dat Defensie een derde van de kosten bijdraagt, evenals de industrie en het ministerie van Economische Zaken. De spreiding van de uitgaven kan over de jaren, afhankelijk van de voortgang van de lopende projecten, van de raming afwijken.

Internationale technologie-ontwikkeling (WEAG/Euclid)

Voor internationale technologie-ontwikkeling is in WEAG-verband het Euclid-programma opgesteld. Hierin streven de WEAG-landen naar gemeenschappelijke projecten, waaraan elk land een bijdrage levert. Het resultaat is voor alle deelnemende landen beschikbaar. Ieder land streeft er naar tenminste één nationale industrie of onderzoeksinstelling te vinden, die deelneemt aan voor dat land relevante technologieprojecten. Ter ondersteuning van het Euclid-programma is in 1995 een «Research Cell» opgericht. De financiering van Euclid-projecten geschiedt volgens een afgesproken verdeelsleutel, die verband houdt met de tussen de deelnemende landen overeengekomen werkverdeling.

Er wordt in beginsel een eigen financiële bijdrage van de deelnemende industrieën en onderzoeksinstellingen verwacht. Aan Euclid-projecten wordt in een aantal gevallen eveneens door het ministerie van Economische Zaken bijgedragen.

Internationale technologie-ontwikkeling in overig verband

Naast de internationale technologie-ontwikkeling binnen het WEAG/Euclid-programma worden ook samenwerkingsovereenkomsten afgesloten met landen die een vergelijkbaar of groter onderzoekspotentieel hebben.

Nationale technologie-ontwikkeling

De uitgaven van dit onderdeel zijn bedoeld voor de ontwikkeling, met name door nationale onderzoeksinstellingen, van voor defensie specifieke nieuwe technologieën die een hoge kans op industriële toepassing maken. De uitgaven van dit artikelonderdeel zullen in de loop der jaren dalen als gevolg van in de begroting 1998 verwerkte bezuinigingen.

Wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling voor de Centrale organisatie/Defensie

De uitgaven die worden verantwoord bij dit artikelonderdeel hebben betrekking op:

– het vergroten en instandhouden van kennis en kunde voor en

– het gebruik van kennis en kunde door de Centrale organisatie.

De meerjarenraming van dit artikelonderdeel (uitgaven x f 1000,–)
 199819992000200120022003
Vergroten en instandhouden van kennis en kunde2 9002 8002 7002 6002 5002 500
Gebruik van kennis en kunde3 0003 5004 0004 2004 6004 600
Totaal5 9006 3006 7006 8007 1007 100

Vergroten en instandhouden van kennis en kunde voor Defensie

Het vergroten en het instandhouden van kennis en kunde voor Defensie heeft betrekking op onderzoek ten behoeve van de primaire processen van Defensie, zoals beleids-, plannings- en besluitvormingsprocessen. Dit onderzoek vindt in beginsel buiten TNO/DO en het NLR plaats, zoals bij universiteiten, academische ziekenhuizen en andere instellingen. Het gaat om het opbouwen van nieuwe methoden en technieken.

Gebruik van kennis en kunde door de Centrale organisatie

Het gebruik van kennis en kunde door de Centrale organisatie (CO) heeft betrekking op uitgaven voor advisering en algemene ondersteuning van de verschillende organisatiedelen van de CO. Het betreft onder andere onderzoek op het gebied van personeel, inlichtingen, technologische verkenningen en zeer specifiek milieu-onderzoek. De uitgaven voor algemeen milieu-onderzoek maken hier geen onderdeel van uit. Dit onderzoek kan volgens de bestaande systematiek niet worden gefinancierd uit de doelfinanciering aan TNO. Het betreft het toepassen van de bestaande kennis en kunde.

01.27 Loonbijstelling

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Via dit artikel worden de ontvangen bedragen voor de loonbijstelling en de incidentele looncomponent als nieuwe mutaties over de beleidsterreinen verdeeld.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  84 028115 381112 803113 393113 393 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  48 44142 73749 87848 43746 346 
Stand 1e suppletore wet 1998  132 469158 118162 681161 830159 739 
Nieuwe mutaties:         
– toekenning loonbijstelling 1998  132 505125 745123 600123 147123 011 
– uitdeling loonbijstelling 1998 over de beleidsterreinen  – 99 771– 111 091– 109 071– 108 515– 97  761 
– uitdeling compensatie voor de effecten van de Pemba-introductie over de beleidsterreinen  – 129 580– 123 493– 113 933– 107 332– 99 001 
Stand ontwerpbegroting 1999  35 62349 27963 27769 13085 98877 659

Toelichting op de nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties vloeien voort uit de op het arbeidsvoorwaardenakkoord 1997–1999 betrekking hebbende loonbijstelling 1998 en de compensatie voor de effecten van de introductie van de wet Pemba (Premiedifferentiatie en Marktwerking bij Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen).

Toelichting op de geraamde bedragen

De stand ontwerpbegroting 1999 op dit artikel wordt verklaard door de hierop gestalde bedragen voor onder meer de scholing en vorming in het kader van het nieuwe medezeggenschapsbesluit alsmede de beoogde introductie van de kapitaaldekking voor militaire pensioenen.

01.28 Prijsbijstelling

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De ramingen van de materiële uitgaven in de ontwerpbegroting 1999 berusten op het prijspeil van 1998. De compensatie voor de door het Centraal Planbureau vastgestelde prijsmutatie voor 1998 is via dit begrotingsartikel verdeeld over de daarvoor in aanmerking komende artikelen van de beleidsterreinen.

De totale prijsbijstelling 1998 voor Defensie bedraagt f 91 miljoen per jaar. Met de Voorjaarsnota 1998 is besloten hiervan een kwart (f 23 miljoen) te compenseren ten laste van het generale beeld. Om recht te doen aan de jaarlijkse (technische) prijsbijstellingssystematiek heeft Defensie er voor gekozen de prijsbijstelling voor 100% aan de beleidsterreinen uit te delen. Het tekort aan prijsbijstelling (f 68 miljoen per jaar) is door middel van interne herschikkingen en structurele maatregelen, met name op het gebied van de bedrijfsvoering, binnen de defensiebegroting gevonden.

Tevens zijn op dit artikel de bedragen verwerkt die betrekking hebben op het regeerakkoord 1998. Hierin is besloten het uigavenniveau voor Defensie ingaande 1999 structureel met f 375 miljoen te verlagen. Verder is op dit artikel voorlopig opgenomen de financiële taakstelling, als uitvloeisel van het regeerakkoord, die moet worden gevonden in de herijking van de diensteinderegelingen van het militair personeel. Hiermee is een reeks van f 29 miljoen in 2000, oplopend tot f 87 miljoen vanaf 2002 gemoeid.

Voor 1999 is invulling gegeven aan de taakstelling van f 375 miljoen door het uitstellen van een aantal investeringsprogramma's en door een incidentele herfasering binnen het project Midlife Update F-16. Deze taakstelling is in hoofdstuk 7 van de memorie van toelichting nader gespecificeerd.

Het uitstellen van deze investeringen, gecombineerd met de invulling van de taakstellingen voor onderhavige jaren, zal voor de jaren na 1999 leiden tot verschuivingen in de meerjarenramingen van de komende begrotingen en de in 2000 nieuw te publiceren defensienota.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  00000  
Mutaties 1e suppletore wet 1998  00000 
Stand 1e suppletore wet 1998  00000  
Nieuwe mutaties:         
– invulling taakstelling Defensie volgens het regeerakkoord    – 375 000– 375 000– 375 000 
– herijking diensteinderegelingen militair personeel  00– 29 000– 58 000– 87 000 
Stand ontwerpbegroting 1999  00– 404 000– 433 000– 462 000– 462 000

Toelichting op de nieuwe mutaties

Zoals hiervoor al toegelicht zijn de op het regeerakkoord betrekking hebbende bedragen in afwachting van nadere invulling op dit artikel verwerkt.

01.29 Overige departementale uitgaven

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen de gemeenschappelijke uitgaven ten behoeve van het gehele ministerie van Defensie. Het betreft uitgaven voor:

– voorlichting;

– schadevergoedingen;

– hulpprogramma's aan Navo-lidstaten, zoals steun aan landen met «developing defence industries» (DDI);

– samenwerkingsprogramma's met de Midden- en Oost-Europese landen waaronder uitgaven voor wapenbeheersing;

– exploitatiekosten van het WEU-satellietcentrum;

– overige uitgaven, zoals drukwerk en publicatiekosten en de uitgaven in het kader van de wettelijke bepalingen omtrent telecommunicatie en frequentiebeheer;

– uitgaven met betrekking tot bouwactiviteiten (artikelonderdeel 05 Infrastructuur). Hierop worden momenteel de uitgaven verantwoord die betrekking hebben op kosten van renovaties en onderhoud van de defensiegebouwen in gebruik bij TNO/DO;

– uitgaven met betrekking tot de Ziektekostenvoorziening Defensiepersoneel (ZVD-regeling). Het daarmee gemoeide budget is met ingang van 1998 vanuit de begroting van het ministerie van Binnnenlandse Zaken naar Defensie overgeheveld.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
 t/m 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  32 81732 76732 76732 68832 688 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  88 75787 66076 26076 26076 260 
Stand 1e suppletore wet 1998  121 574120 427109 027108 948108 948 
Nieuwe mutaties (zie uitgavenopbouw)  2 96915 56313 38813 37013 370 
Stand ontwerpbegroting 19991 30530 253124 543135 990122 415122 318122 318122 319
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  32 76732 76732 76732 68832 688 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  89 38087 66076 26076 26076 260 
Stand 1e suppletore wet 1998  122 147120 427109 027108 948108 948 
Nieuwe mutaties:         
– Ramingsbijstelling  – 1 720     
– Prijsbijstelling 1998  327422393375375 
– Werkervaringsplaatsen  4 362     
– Reparatie-effecten Wet Van Otterloo   15 14112 99512 99512 995 
Stand ontwerpbegroting 1999 28 506125 116135 990122 415122 318122 318122 319

Toelichting op de nieuwe mutaties

Prijsbijstelling 1998

Overeenkomstig de berekeningswijze van het ministerie van Financiën is de prijsbijstelling 1998 aan dit artikel toegevoegd.

Werkervaringsplaatsen

Dit betreft de toevoeging vanuit het A&O budget ten behoeve van de in de arbeidsvoorwaardenovereenkomst 1997–1999 opgenomen werkervaringsplaatsen.

Reparatie-effecten Wet van Otterloo

Het betreft hier de nadere verstrekking aan Defensie van de ZVO-gelden die gemoeid zijn met de reparatie van de effecten van de Wet van Otterloo. De in 1994 conform de Wet van Otterloo onder het ziekenfonds gebrachte postactieve defensie-ambtenaren hebben de mogelijkheid zich opnieuw particulier te verzekeren en komen in dat geval in aanmerking voor de ZVD.

De onderverdeling naar artikelonderdelen (meerjarenraming)

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000,–)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 199819992000200120022003199819992000200120022003
01.29.01 Voorlichting3 8013 8013 8013 8013 8013 8013 8013 8013  8013 8013 8013 801
01.29.02 Schadevergoedingen12 89012 89012 89012 89012 89012 89012 89012 89012 89012 89012 89012 890
01.29.03 Samenwerkingprogramma's4 7124 7124 7124 7124 7124 7124 7124 7124 7124 7124 7124 712
01.29.04 Overige uitgaven12 9939 2049 2049 1259 1259 12513 5669 2049 2049 1259 1259 125
01.29.05 Infrastructuur2 2202 2212 2202 2192 2192 2202 2202 2212 2202 2192 2192 220
01.29.06 ZVD-regeling87 927103 16289 58889 57189 57189 57187 927103 16289 58889 57189 57189 571
Totaal124 543135 990122 415122 318122 318122 319125 116135 990122 415122 318122 318122 319

Toelichting per artikelonderdeel

01.29.01 Voorlichting

De uitgaven voor specifieke voorlichting, films, exposities, defensie-informatiecentra, voorlichtingsbrochures, defensiemaandbladen en de defensiekrant worden in dit artikelonderdeel verantwoord. In het kader van doelmatigheidsbesparingen worden vanaf 1998 geen financiële middelen meer beschikbaar gesteld voor exposities.

De totale oplagen per jaar van de diverse defensiemaandbladen zijn als volgt te specificeren:

Defensiekrant 1 977 600

Alle Hens  306 000

Legerkoerier  900 000

Vliegende Hollander  300 000

Militair Rechtelijk Tijdschrift   11 700

01.29.02 Schadevergoedingen

Hieronder vallen de uitgaven voor de vergoeding van schade waarbij de krijgsmachtdelen zijn betrokken, waaronder die in verband met oefeningen en vliegtuigongevallen. Deze uitgaven, waarvoor meerjarig f 12,89 miljoen wordt geraamd, zijn als volgt verdeeld:

 
bedragen x f 1000,–199819992000200120022003
Koninklijke marine700700700700700700
Koninklijke landmacht4 0004 0004 0004 0004 0004 000
Koninklijke luchtmacht1 0001 0001 0001 0001 0001 000
Oefenschade6 0006 0006 0006 0006 0006 000
Schadevergoeding 1985400400400400400400
Gerechtelijke procedures790790790790790790
Totaal12 89012 89012 89012 89012 89012 890

01.29.03 Hulp- en samenwerkingsprogramma's

Voor deze uitgaven wordt gemiddeld f 4,7 miljoen geraamd. Hierin is de bijdrage opgenomen van Defensie in de rentelasten die voortvloeien uit drie door Nederland aan Turkije verstrekte leningen. Deze leningen lopen af in 1999. Daarnaast zijn hier ook de bijdragen geraamd voor de deelname aan het WEU-programma voor satellietwaarneming (te Torrejon in Spanje) en de steun aan landen met een ontwikkelende defensie-industrie, te weten Griekenland, Portugal en Turkije. Voorts worden hier de uitgaven geraamd voor de wapenbeheersings- en samenwer-kingsprogramma's met de Navo-lidstaten en de Midden- en Oost-Europese landen.

 
bedragen x f 1000,–199819992000200120022003
WEU-programma1 7001 7001 7001 7001 7001 700
DDI-steun700700700700700700
Samenwerkingsprogramma's2 3122 3122 3122 3122 3122 312
Totaal4 7124 7124 7124 7124 7124 712

01.29.04 Overige uitgaven

Deze uitgaven, waarvoor nu ongeveer f 9,2 miljoen wordt geraamd, hebben betrekking op:

– uitgaven voor drukwerk ten behoeve van het ministerie van Defensie, waaronder reglementen, voorschriften en formulieren;

– uitgaven in het kader van de wettelijke bepalingen voor telecommunicatie en frequentie-beheer;

– uitgaven voor het technisch beheer van onroerende goederen door de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen;

– uitgaven ten behoeve van de werkervaringsplaatsen, zoals opgenomen in de arbeidsvoorwaardenovereenkomst 1997–1999.

 
bedragen x f 1000,–199819992000200120022003
– Drukwerk3 9003 9003 9003 8003 8003 800
– Telecommunicatie en frequentiebeheer3 5003 5003 5003 5003 5003 500
– Technisch beheer1 8041 8041 8041 8251 8251 825
– Werkervaringsplaatsen4 362  
Totaal13 5669 2049 2049 1259 1259 125

01.29.05 Infrastructuur

Deze uitgaven, waarvoor gemiddeld f 2,2 miljoen wordt geraamd, hebben betrekking op nieuwbouw, onderhoud en renovatie van defensiegebouwen in gebruik bij TNO/DO.

Afhankelijk van de soort activiteit wordt per vierkante meter een prijs gehanteerd die varieert van f 2100,– tot f 4500,–. Daarnaast worden de faciliteiten in Rijswijk aan de wettelijke eisen aangepast.

Bezien wordt op welke wijze kan worden voorzien in de behoefte van TNO/DO aan vervangende nieuwbouw op het complex Plaspoelpolder in Rijswijk.

01.29.06 Ziektekostenvoorziening defensiepersoneel

Voor de Ziektekostenvoorziening defensiepersoneel (ZVD-regeling) is met ingang van het jaar 1998 het relevante aandeel in de Rijksregeling Ziektekostenvoorziening Overheidspersoneel (ZVO) naar Defensie overgeheveld. Deze regeling werd tot dat jaar door het ministerie van Binnenlandse Zaken centraal uitgevoerd. Tevens zijn hierin de uitgaven als gevolg van de effecten van de Wet van Otterloo verwerkt.

02. BELEIDSTERREIN PENSIOENEN EN UITKERINGEN

02.01 Wachtgelden burgerpersoneel en inactiviteitswedden militair personeel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Dit artikel bevatte tot en met 1997 uitgaven met betrekking tot diverse wachtgeldregelingen burgerpersoneel en inactiviteitswedden militair personeel.

Met ingang van de begroting 1998 zijn de uitgaven van dit artikel overgeheveld naar de betrokken beleidsterreinen en ondergebracht bij de artikelen Personeel en materieel van die beleidsterreinen.

02.02 Militaire pensioenen en uitkeringen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De militaire diensttijdpensioenen en de nabestaandenpensioenen die verband houden met overlijden als gevolg van een dienstongeval zijn in eigen beheer bij Defensie. De uitkeringen in verband met de Uitkeringswet gewezen militairen (UKW) en de invaliditeits- en arbeidsongeschiktheidspensioenen (IP/AO) zijn in handen van de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO). De desbetreffende uitkeringen worden verantwoord op dit artikel.

Voor pensioenen ten behoeve van weduwen en wezen van militair personeel is het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) uitvoeringsorgaan. De in dit kader aan het ABP betaalde premie maakt deel uit van de militaire loonsom die wordt verantwoord bij de artikelen Personeel en materieel van de respectievelijke beleidsterreinen/ressorts.

Daarnaast worden op dit artikel ook de programma-uitkeringen geraamd die betrekking hebben op uitkeringen in het kader van het veteranenbeleid, met uitzondering van de op het beleidsterrein 01 Algemeen verantwoorde subsidies. Tenslotte is op dit artikel opgenomen de voor de opzet van een Verzekerdenadministratie (VZA) voorziene uitgaven.

De uitgaven met betrekking tot de gegevensverzameling ten behoeve van de vulling van deze VZA worden verantwoord op het beleidsterrein 09 Dico.

Conform het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit artikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  1 687 1701 656 0111 639 8491 631 3991 663 614 
Verwerking amendement Zijlstra  22 000  
Stand autorisatiebegroting 1998  1 709 1701 656 0111 639 8491 631 3991 663 614 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  62 4896 1736 1626 1866 186 
Stand 1e suppletore wet 1998  1 771 6591 662 1841 646 0111 637 5851 669 800 
Nieuwe mutaties:         
Actualisering pensioenen en uitkeringen  – 18 23334 26922 96323 59024 752 
Loonaanpassingen 1998  1 393– 808– 3 600– 6 694– 9 519 
Overboeking veteranenpas naar beleidsterrein  – 8 000– 8 000– 8 000– 8 000– 8 000 
Algemeen         
Bijstelling verrekenbare ontvangsten  – 25 475– 25 475– 25 475– 25 475– 25 475 
Overheveling naar Dico in verband met Team Gegevensverzameling   – 4 100– 3 600– 3 400– 3 400 
Definitieve eindejaarsmarge 1997  – 1 799  
Stand ontwerpbegroting 1999 1 822 7441 719 5451 658 0701 628 2991 617 6061 648  1581 640 964

Actualisering pensioenen en uitkeringen

De mutaties die ten grondslag liggen aan de in de wet opgenomen bedragen, zijn het gevolg van de door de beleidsterreinen geactualiseerde in- en uitstroom van het militair personeel in de diverse uitkerings- en pensioenregelingen.

Loonaanpassingen 1998

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loonniveau 1998. Met de loonbijstellingsbedragen zijn verrekend de effecten van Pemba (introductie van premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen) voor het post-actieve personeel.

Overboeking Veteranenpas naar beleidsterrein Algemeen

Het betreft hier een subsidie aan de Stichting Dienstverlening Veteranen, die dient voor de verstrekking van de veteranenpas.

Bijstelling verrekenbare ontvangsten

Het betreft de in het kader van Pemba weggevallen verrekenbare AAW-claims, ten bedrage van f 25,475 miljoen per jaar.

Overheveling naar Dico in verband met Team Gegevensverzameling

In het kader van de totstandkoming van de Verzekerdenadministratie voor de militaire pensioenen, is het bij Dico/DARIC ondergebrachte Team Gegevensverzameling (TGV) ingesteld. Dit team brengt de gegevens in kaart die nodig zijn voor de voor de vaststelling van de door (gewezen) militairen per 1 januari 2000 opgebouwde pensioenaanspraken, zoals relevante diensttijd- en de berekeningsgrondslag.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling van het volume van de uitgaven (x f 1000,–)
 199819992000200120022003
Militaire nabestaandenpensioenen62 71063 78665 04266 39667 79467 675
Militaire diensttijdpensioenen607 326607 768609 010607 471613 317606 014
Militaire invaliditeitspensioenen181 644182 064179 566174 755170 022163 165
Uitkeringswet gewezen militairen703 681705 388706 363716 160744 201752 216
Sociale zorg13 43313 43313 43313 43313 43313 433
Overige uitkeringen15 99115 99115 99115 99115 99115 991
Reserve-overdracht17 00017 00018 00018 00018 00017 100
Veteranenbeleid103 16028 3405 8943 4003 4003 400
Verzekerdenadministratie14 60024 30015 00020002  0002 000
Totaal volume van de uitgaven1 719 5451 658 0701 628 2991 617 6061 648 1581 640 994

Militaire nabestaandenpensioenen

De militaire weduwen- en wezenpensioenen komen ten laste van dit artikelonderdeel indien het overlijden van de actieve of post-actieve militair is toe te schrijven aan de gevolgen van de uitoefening van de militaire dienst. De uitgaven voor de overige militaire weduwen- en wezenpensioenen komen ten laste van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) dat ook voor de uitvoering daarvan zorgdraagt.

Er is rekening gehouden met een gemiddeld bestand van ruim 4400 personen, dat in de jaren toeneemt tot ruim 4700 personen.

 
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Militaire nabestaandenpensioenen:        
– uitkeringsjarenaantal4 3204 4074 5074 6144 7234 727
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–14 51614 47414 43114 39014 35414 317
– toegelicht begrotingsbedragx f 1000,–62 71063 78665 04266 39667 79467 675

Militaire diensttijdpensioenen

De trendmatige stijging van de uitgaven tot het jaar 2002 is het gevolg van de verwachte toename van het aantal voormalige beroepsmilitairen dat de leeftijd van 65 jaar zal bereiken.

 
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Militaire diensttijdpensioenen:        
– uitkeringsjarenaantal24 39524 70024 79724 80225 02725 212
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–24 89624 60624 56024 49324 50624 037
– toegelicht begrotingsbedragx f 1000,–607 326607 768609 010607 471613 317606 014

Militaire invaliditeitspensioenen

Verwacht wordt dat het beroep op de militaire invaliditeitspensioenen geleidelijk zal dalen. Voor wat betreft het invaliditeitspensioen voor (gewezen) verlofspersoneel houdt dit verband met het opschorten van de dienstplicht. Het beroep op het invaliditeitspensioen voor (gewezen) beroepspersoneel zal – als gevolg van de leeftijd van de betrokken populatie – dalen in verband met overlijden.

Het financieel beslag van de (boven- en naastwettelijke) militaire arbeidsongeschiktheidsregelingen blijft ongeveer constant.

 
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Invaliditeitspensioenen ex-dienstplichtigen < 65 jaar:        
– uitkeringsjarenaantal7 0656 9176 7286 4996 2726 039
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–9 4649 4639 4299 3979 3699 178
– toegelicht begrotingsbedragx f 1000,–66 86665 45863 43661 07458 76455 427
 
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Invaliditeitspensioenen beroeps < 65 jaar:        
– uitkeringsjarenaantal945944936931928936
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–10 12210 09010 0269 9389 9539 936
– toegelicht begrotingsbedragx f 1000,–9 5659 5259 3849 2529 2369 300
 
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Invaliditeitspensioenen ex-dienstplichtigen >= 65 jaar:        
– uitkeringsjarenaantal4 7454 8974 9104 7904 6294 433
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–11 86711 87011 88211 89712 00311 977
– toegelicht begrotingsbedragx f 1000,–56 31058 12958 34256 98855 56353 096
 
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Invaliditeitspensioenen beroeps >= 65 jaar:        
– uitkeringsjarenaantal2 0361 9951 9581 9181 8641 803
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–16 03516 04716 02415 96815 92915 891
– toegelicht begrotingsbedragx f 1000,–32 64832 01331 37530 62629 69128 652
 
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Arbeidsongeschiktheidspensioenen < 15%:        
– uitkeringsjarenaantal2 3002 3402 3772 4152 4522 481
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–2 7062 7122 7182 7182 7212 723
– toegelicht begrotingsbedragx f 1000,–6 2236 3476 4616 5646 6726 756
 
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Bovenwettelijke arbeidsongeschiktheid:        
– uitkeringsjarenaantal1 0321 0401 0491 0531 0591 071
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–5 7795 9005 8575 5925 4725 282
– toegelicht begrotingsbedragx f 1000,–5 9646 1366 1445 8885 7955 657
 
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Suppletieregeling:        
– uitkeringsjarenaantal249276277277277277
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–16 33716 14515 97115 75115 52715 440
– toegelicht begrotingsbedragx f 1000,–4 0684 4564 4244 3634 3014 277

Uitkeringswet gewezen militairen

De uitgaven in het kader van de Uitkeringswet gewezen militairen zullen de komende jaren ongeveer op gelijk niveau blijven, waarna vanaf het jaar 2001 als gevolg van de bestandssamenstelling van de actieven de uitgaven weer zullen toenemen.

De verwachting is gebaseerd op het volgende aantal gerechtigden:

 
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Uitkeringswet gewezen militairen        
– uitkeringsjarenaantal10 29510 23310 28010 46110 87111 041
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–68 35268 93368 71268 46068 45768 129
– toegelicht begrotingsbedragx f 1000,–703 681705 388706 363716 160744 201752 216

Sociale zorg

Hieronder vallen materiële voorzieningen in het kader van sociale zorg aan post-actieve militairen, alsmede de uitvoering van de regeling gezondheidszorg. Jaarlijks wordt hiervoor gemiddeld f 13 miljoen geraamd.

Overige uitkeringen

De uitgaven, die worden verantwoord bij het artikelonderdeel overige uitkeringen, hebben betrekking op:

– Uitkering RRDPL (Reglement Rechtsbijstand Dienstplichtigen);

– Gratificatie Invaliditeitspensioenen Beroepspersoneel;

– Gratificatie Invaliditeitspensioenen Verlofspersoneel;

– Uitkering Algemeen Militair Ambtenaren Reglement;

– Overlijdensuitkeringen;

– WAMIL (Wet Arbeidsongeschiktheid Militairen);

– Uitkeringen voor ontslag;

– Pensioenkosten algemeen.

Rekening wordt gehouden met een bedrag van jaarlijks gemiddeld f 16 miljoen.

Reserve-overdracht

Sedert 1 december 1987 biedt de Algemene Militaire Pensioenwet de mogelijkheid bij dienstverlating de financiële gevolgen van pensioenbreuk te voorkomen. Dit komt er op neer dat de actuariële tegenwaarde van het bij Defensie opgebouwde recht op ouderdoms- en weduwenpensioen wordt overgedragen aan het pensioenfonds van de nieuwe werkgever. Sedert 8 juli 1994 is sprake van een wettelijk recht op reserve-overdracht.

In de begroting is ervan uitgegaan dat in belangrijke mate van dit recht gebruik wordt gemaakt. In het kader van de privatisering van het ABP en het Spoorwegpensioenfonds gaat het sedert 1994 ook om waarde-overdracht bij overgang naar een burgerfunctie binnen de overheid. Rekening is gehouden met de toename van het aantal beroepsmilitairen bepaalde tijd en de stimulering van de uitstroom in het kader van de herstructurering van de krijgsmacht.

Vanaf 1999 wordt hiervoor jaarlijks ongeveer f 17 miljoen geraamd.

Veteranenbeleid

Veteranen kunnen in aanmerking komen voor een veteranenpas, die onder meer recht geeft op reisfaciliteiten. Hiervoor was in de raming een bedrag van f 8,0 miljoen per jaar opgenomen. Met ingang van 1998 zijn deze bedragen overgeheveld naar de subsidie aan de Stichting Dienstverlening Veteranen (artikel 01.21). Verwacht wordt overigens een jaarlijkse groei van het aantal uit te geven passen met 5000 per jaar. Voor de overige uitgaven wegens nazorg voor veteranen is vanaf 1998 f 3,4 miljoen beschikbaar.

In 2000 zijn de laatste programmakosten zichtbaar voor de uitvoering van de éénmalige uitkering van f 1 000,00 netto als gevolg van de Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen. Deze uitgaven bedragen in de periode 1998–2000 f 127,2 miljoen.

Verzekerdenadministratie

Met het oog op een verantwoorde informatieverstrekking aan de rechthebbenden op militair pensioen en een verbeterde raming van de militaire pensioenen, zal een verzekerdenadministratie worden opgezet. Hiertoe is een budgetreeks opgenomen, die zowel de initiële kosten als de tijdelijke extra exploitatiekosten voor de opzet van een verzekerdenadministratie (onderhoud verzekerdenadministratie en voortzetting van de huidige administratie) betreft. De daling ten opzichte van de begroting 1998 wordt veroorzaakt door een herfasering en de overheveling van het Team Gegevensverzameling (TGV) naar beleidsterrein 09 Dico en de herfasering van de systeemontwikkeling in het kader van de lopende discussie met het ABP.

03. Beleidsterrein Koninklijke marine

Algemeen

De uitgaven binnen het artikel 03.20 Personeel en materieel bij het beleidsterrein Koninklijke marine zijn verdeeld in vijf ressorts en het artikelonderdeel wachtgelden: Commandant der Zeemacht in Nederland, Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied, Commandant van het Korps Mariniers, Ondersteunende eenheden en Admiraliteit. De artikelen 03.21 Subsidies en 03.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur completeren de uitgavenbegroting van de Koninklijke marine.

De totale geraamde uitgaven van de Koninklijke marine voor de jaren 1998 tot en met 2003 zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 1000,-199819992000200120022003
03.20 Personeel en materieel       
– Commandant der Zeemacht Nederland678 401667 779651 070648 222644 878638 519
– Commandant der Zeemacht CARIB103 619100 76699 09297 87496 06095 876
– Commandant van het Korps mariniers193 673193 384196 174197 324196 469196 429
– Ondersteunende eenheden557 858506 348476 370462 969466 321466 578
– Admiraliteit563 572534 502522 292528 670515 967523 425
– Wachtgelden en inactiviteitswedden32 21934 49935 70937 69338 92536 737
Totaal Personeel en materieel2 129 3422 037 2781 980 7071 972 7521 958 6201 957 564
03.21 Subsidies533533483483483483
03.22 Groot materieel en infrastructuur692 303903 5131 021 809910 839952 621973 115
Totale uitgaven2 822 1782 941 3243 002 9992 884 0742 911 7242 931 162

Uitgaven die betrekking hebben op samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba en op attachés worden, conform de nota «Herijking van het buitenlands beleid» (Kamerstukken II 1994/95, 24 337 X, nr. 1), verantwoord op het artikel 08.04 Overige uitgaven Internationale Samenwerking.

03.20 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De uitgaven binnen het artikel 03.20 Personeel en materieel bij het beleidsterrein Koninklijke marine zijn verdeeld in vijf ressorts: Commandant der Zeemacht in Nederland, Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied, Commandant van het Korps mariniers, Ondersteunende eenheden en Admiraliteit.

Per ressort worden vier vaste artikelonderdelen gepresenteerd: ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel, overige personele uitgaven en materiële uitgaven. De wachtgelduitgaven voor het burger- en het militair personeel worden geraamd en verantwoord op het artikelonderdeel 03.20.21.

Het beleid is gericht op verdere decentralisatie van budgetten en beheersbevoegdheden. Daarmee wordt beoogd de doelmatigheid van opereren te verhogen. De decentrale manager, in casu de commandant of directeur van de RVE wordt daarmee in staat gesteld de middelen (personeel, materieel en financieel) optimaal in te zetten.

De uitgaven van het actief dienend personeel zijn geraamd met behulp van het Systeem Nieuwe Integrale Personeelsbegroting (SNIP). De uitkomst hiervan is aangepast voor ontwikkelingen in de komende jaren en voor de categorieën die niet in het SNIP zijn opgenomen, zoals niet-actief dienend personeel en niet-Nederlands hulppersoneel op de Nederlandse Antillen en Aruba.

Het aantal functies van de ressorts is gebaseerd op de aantallen zoals genoemd in de Prioriteitennota en vervolgens aangepast op de gewijzigde samenstelling van de vloot en de tot nu toe doorgevoerde herstructurerings- en reorganisatieplannen.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  1 942 8951 922 3891 850 6851 843 5331 846 483 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  10 6818 2108 3097 8728 298 
Stand 1e suppletore wet 1998  1 953 5761 930 5991 858 9941 851 4051 854 781 
Nieuwe mutaties (zie uitgavenopbouw)  159 890111 585111 611111 699102 780 
Stand ontwerpbegroting 199988 715235 6242 113 4662 042 1841 970 6051 963 1041 957 5611 956 505

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 19981 958 7711 917 4831 860 7871 853 1811 847 542 
Mutaties 1e suppletore wet 199810 6818 2108 3097 8728 298 
Stand 1e suppletore wet 19981 969 4521 925 6931 869 0961 861 0531 855 840 
Nieuwe mutaties:       
Commandant der Zeemacht Nederland58 07554 94251 11549 28948 286 
Commandant der Zeemacht Carib21 70218 17817 60317 58315 157 
Commandant van het Korps Mariniers11 03312 12811 1099 2639 175 
Ondersteunende eenheden59 93737 53338 07122 25831 424 
Amiraliteit11 281– 9 224– 4 31115 258687 
Wachtgelden en inactiviteitswedden– 2 138– 1 972– 1 976– 1 952– 1 949 
Stand ontwerpbegroting 19992 129 3422 037 2781 980 7071 972 7521 958 6201 957 564

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

Bovenvermelde verplichtingen- en uitgavenmutaties worden naar oorzaak bij de ramingen van de ressorts en het artikelonderdeel Wachtgelden en inactiviteitswedden toegelicht.

De verplichtingen en uitgaven Commandant der Zeemacht in Nederland

Het ressort Commandant der Zeemacht in Nederland (CZMNED) is een Resultaat Verantwoordelijke Eenheid (RVE) onder de BDZ. Jaarlijks komen de BDZ en de CZMNED een convenant overeen betreffende de realisatie van het gewenste operationeel product en de verstrekking van de daartoe behorende middelen.

Dit ressort bestaat uit de Groep Escorte Schepen, de Groep Maritieme Helikopters, de Groep Maritieme Patrouille Vliegtuigen, de Onderzeedienst, de Mijnendienst en de Overige eenheden van CZMNED, zoals het commandement, het Kustwachtcentrum, het Maritiem Hoofdkwartier Nederland, kazernes en walinrichtingen.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 VerplichtingenUitgaven
artikelonderdeel199819992000200120022003199819992000200120022003
03.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel77 34977 17775 40175 48875 21975 21977 34977 17775 40175 48875 21975 219
03.20.02 Militair personeel509 031501 812489 058487 150484 258477 872509 031501 812489 058487 150484 258477 872
03.20.03 Overige personele uitgaven29 10328 46528 49827 59127 61727 61929 10328 46528 49827 59127 61727 619
03.20.04 Materiële uitgaven50 73259 43054 52656 87656 91156 93662 91860 32558 11357 99357 78457 809
Stand ontwerpbegroting 1999666 215666 884647 483647 105644 005637 646678 401667 779651 070648 222644 878638 519
Stand 1e suppletore begroting 1998608 140611 942596 368597 816595 719 620 326612 837599 955598 933596 592 
Nieuwe mutaties58 07554 94251 11549 28948 286 58 07554 94251 11549 28948 286 

Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19981999200020012002
Technische bijstellingen:      
– loon en-prijsaanpassingen 199827 76627 98826 61425 64124 978
– instandhouding Lynx2 3782 4042 4042 4682 158
– kleine bedrijfsmatige investeringen4 1192 3502 0221 7301 730
– overheveling VEB-budgetten19 34719 24518 95718 63218 660
– overige mutaties, per saldo263– 380– 380– 380– 380
Sub-totaal technische bijstellingen53 87351 60749 61748 09147 146
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing van de begrotingssterkte967967967967967
– vaar- en onderhoudsschema schepen  – 1 880– 1 880– 1 880
– bestuurlijke informatiesystemen4 1023 4503 6883 5133 581
– overige mutaties, per saldo– 867– 1 082– 1 277– 1 402– 1 528
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen4 2023 3351 4981 1981 140
Totaal van de nieuwe mutaties58 07554 94251 11549 28948 286

Toelichting nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het prijs- en loonniveau 1998. In de loonbijstellingsbedragen is de compensatie voor de Pemba-uitgaven begrepen (introductie van premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen).

Als gevolg van de excessieve stijging van het Britse pond stijgt het voor de instandhouding van de Lynx-helikopters benodigde bedrag.

De kleine bedrijfsmatige investeringen, die voorheen werden geraamd op het investeringsartikel 03.22, worden met ingang van de begroting 1999 geraamd op het artikel 03.20 Personeel en materieel als onderdeel van het bedrijfsvoeringsbudget van dit ressort.

Ten behoeve van de bedrijfsvoering van het ressort CZMNED heeft voor diverse budgetten een verdere decentralisatie van taken en bevoegdheden plaatsgevonden. De overheveling betreft met name de budgetten voor Voeding en Haven-, Sluis- en Loodsgelden.

Overige mutaties, per saldo

De overige mutaties bevatten een groot aantal kleine bijstellingen die per saldo tot deze reeks leiden.

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing van de begrotingssterkte

Vanwege een wettelijke verplichting dient de Koninklijke marine als gevolg van het civiel medegebruik op het Marine Vliegkamp De Kooy, de brandweercapaciteit aldaar met tenminste twaalf vte'n uit te breiden.

Op grond van een financiële analyse blijkt het in eigen beheer onderhouden van communicatie-apparatuur van het Kustwachtcentrum voordeliger dan uitbesteding. Hiervoor worden drie vte'n burgerpersoneel aan CZMNED toegevoegd.

Ter invulling van de verplichtingen in het kader van de ARBO-wet wordt de ARBO-dienst KM ingericht. Uitvoeren in eigen beheer blijkt voordeliger dan uitbesteding. Hiervoor worden zes vte'n burgerpersoneel en drie vte'n militair personeel toegevoegd. Hiervan wordt één vte burgerpersoneel en één vte militair personeel aan het ressort CZMNED toegevoegd.

Na evaluatie van de verruimde openstelling van het Marinevliegkamp De Kooy is gebleken dat, in aanvulling op de uitbreiding van de luchtverkeersbeveiligingsorganisatie met vier vte'n, een verdere uitbreiding met drie vte'n noodzakelijk is.

Aanpassing vaar- en onderhoudschema Hr.Ms. Tromp en Hr.Ms. De Ruyter

Op de fregatten van de Zeven Provinciën-klasse wordt een aantal systemen geplaatst die van Hr.Ms. Tromp, Hr.Ms. de Ruyter en de beide te vervangen S-fregatten komen. De programma's van Hr.Ms. Tromp en Hr.Ms. de Ruyter worden hierdoor beïnvloed. Dit leidt tot lagere uitgaven voor deze schepen.

Bestuurlijke informatiesystemen

Als gevolg van actualisering van en prioriteitsstelling binnen de ramingen voor de informatietechnologie (IT) stijgt het voor de systemen van CZMNED benodigde bedrag. De totale budgetten voor IT blijven gelijk.

Overige mutaties, per saldo

De overige mutaties bevatten een groot aantal kleine bijstellingen die per saldo tot deze reeks leiden.

Activiteitentoelichting

Het ressort CZMNED heeft de volgende hoofdactiviteiten:

– het inzetbaar maken en houden van de operationele eenheden van de vloot;

– het inzetten van de operationele eenheden van de vloot.

In het kader van de Belgisch-Nederlandse samenwerking worden deze activiteiten door de Commandant der Zeemacht in Nederland in zijn functie van Admiraal Benelux ook ontplooid ten behoeve van de toegewezen eenheden van de Belgische marine.

De activiteiten die moeten worden uitgevoerd voor het inzetten van de operationele eenheden van de (gezamenlijke Nederlands-Belgische) vloot worden door CZMNED nader uitgewerkt in het jaarlijkse «Belgian and Netherlands Operation Schedule» (BENOPS). Deze activiteiten omvatten onder andere deelname aan een veelheid van Navo-, Partnership for Peace (PfP)-, multinationale en nationale oefeningen en opwerkactiviteiten, op het niveau van de individuele eenheid en in nationaal of internationaal taakgroepverband.

Ook omvat het BENOPS activiteiten die samenhangen met de inzet voor vredesoperaties, het uitvoeren van kustwachttaken, de inzet van eenheden ten behoeve van operationele verrichtingen van het ressort Commandant van het Korps mariniers, het uitvoeren van technische, operationele en materiële beproevingen en evaluaties, het leveren van eenheden ten behoeve van opleidingen, inzet van eenheden ten behoeve van voorlichting en «public relations» en voorts activiteiten welke voortvloeien uit internationale en nationale verplichtingen en afspraken. CZMNED levert permanent een fregat met een boordhelikopter en twee P3-C Orion maritieme patrouillevliegtuigen voor de inzet door CZMCARIB in het Caribisch gebied.

Voor het jaar 1999 worden naar verwachting onder meer de volgende belangrijke activiteiten uitgevoerd:

– permanente deelname met elk één fregat met boordhelikopter aan de Standing Naval Forces Atlantic (STANAVFORLANT) en de Standing Naval Forces Mediterranean (STANAVFORMED);

– permanente deelname met één mijnenjager aan de Standing Naval Forces Channal (STANAVFORCHAN);

– standaard inzet aan vaardagen en vlieguren ten behoeve van de Kustwacht Nederland;

– deelname aan negen grotere oefeningen.

Toelichting per artikelonderdeel

03.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten dat betrekking heeft op het burgerpersoneel van het ressort CZMNED.

Ramingskengetallen burgerpersoneel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– actief personeelaantal vte'n1 0721 0581 0311 0311 0281 028
– gemiddeld salarisx f 171 25372 02172 18572 27172 22172 221
– totale uitgavenx f 100076 38376 19874 42374 51174 24374 243
– niet-actief personeelaantal vte'n161616161616
– gemiddeld salarisx f 160 37561 18861 12561 06361 00061 000
– totale uitgavenx f 1000966979978977976976
Totaal toegelicht bedragx f 100077 34977 17775 40175 48875 21975 219

03.20.02 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten dat betrekking heeft op het militair personeel van het ressort CZMNED.

Ramingskengetallen militair personeel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Sterkte begroting 1999aantal vte'n6 6406 6226 4946 4936 4856 382
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n4 5484 5454 4874 4864 4784 398
– gemiddeld salarisx f 181 59480 97880 44680 19480 12780 123
– totale uitgavenx f 1000371 091368 046360 960359 752358 810352 380
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n2 0922 0772 0072 0072 0071 984
– gemiddeld salarisx f 165 93764 40363 82663 47762 50563 252
– totale uitgavenx f 1000137 940133 766128 098127 398125 448125 492
Totaal toegelicht bedragx f 1000509 031501 812489 058487 150484 258477 872

03.20.03 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de activiteitenplanning. De uitgaven hebben onder meer betrekking op kleding en uitrusting, voeding, reizen, representatie, onderwijs en opleidingen en de inhuur van tijdelijk personeel.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren102,594,895,495,395,395,3
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 172 07672 07672 07672 07672 07672 076
– totale uitgavenx f 10007 3896 8316 8796 8686 8686 868
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)7 7127 6807 5257 5247 5137 410
– gemiddeld per vtex f 12 8162 8172 8732 7542 7622 800
– totale uitgavenx f 100021 71421 63421 61920 72320 74920 751
Totaal toegelicht bedragx f 100029 10328 46528 49827 59127 61727 619

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

In de beveiliging van objecten van de CZMNED wordt deels voorzien door de inhuur van extern personeel. Tevens wordt voor de bedrijfsrestaurants extern personeel ingehuurd. In verband met een reorganisatie wordt voor magazijnwerkzaamheden in 1998 tijdelijk extern personeel aangetrokken.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

De uitgaven betreffen kleding en uitrusting, voeding, reizen, representatie, opleidingen en overige personele zaken.

03.20.04 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven geraamd. Deze uitgaven betreffen onder meer kleine bedrijfsmatige investeringen, huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, data- en telecommunicatie, zaken van operationele aard, inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, herbevoorradingsartikelen voor de vliegtuigen en helikopters, onderhoud van gebouwen en terreinen, milieu, bevoorrading, uitbestedingen aan O-, I- en A-deskundigen alsmede de uitgaven voor het oplossen van de millenniumproblemen.

Ramingskengetallen materiële uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– O-, I- en A-deskundigheidaantal mensjaren2,20,40,20,20,20,2
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 1257 040257 040257 040257 040257 040257 040
– totale uitgavenx f 10005709555555555
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)7 7127 6807 5257 5247 5137 410
– gemiddeld per vtex f 12 3882 2582 2532 2402 2512 266
– totale uitgavenx f 100018 41817 34516 95616 85416 90916 794
– overige materiële uitgavenx f 100043 93042 88541 10241 08440 82040 960
Totaal materiële uitgavenx f 100062 91860 32558 11357 99357 78457 809

Toelichting O-, I- en A-deskundigheid

De totale uitgaven voor de uitbestedingen aan O-, I- en A-deskundigen zijn voor 1999 weer op het normale niveau teruggebracht nadat voor 1998 eenmalig een hoger bedrag was geraamd.

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

De ramingen voor de persoonsgebonden materiële uitgaven zijn met ramingskengetallen toegelicht. Dit zijn uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, kleine bedrijfsmatige investeringen, data- en telcommunicatie, trainingssystemen, milieu, inventarisgoederen en klein materieel en overige materiële zaken.

Toelichting overige materiële uitgaven

Specifieke gegevens materiële uitgaven
OmschrijvingEenheid19981999
Overige zaken van operationele aard:    
Havenbezoekenaantal358352
gemiddelde uitgaven per havenbezoekx f 18 3838 435
Totale uitgaven havenbezoekenx f 10003 0012 969
Kanaalpassages Kielerkanaalaantal3131
gemiddelde uitgaven per kanaalpassagex f 14 6454 645
Totale uitgaven Kielerkanaalpassagesx f 1000144144
Kanaalpassages Suezkanaalaantal22
gemiddelde uitgaven per kanaalpassagex f 193 50093 500
Totale uitgaven Suezkanaalpassagesx f 1000187187

In het ressort CZMNED wordt voorts een deel van de uitgaven geraamd voor het onderhoud en herstel en herbevoorradingsartikelen van de patrouillevliegtuigen van het type P3-C Orion en de Lynx-helikopters van de Marine Luchtvaart Dienst. De raming voor het jaar 1999 bedraagt f 31,2 miljoen. Voor onderhoud en herstel van schepen (inclusief SEWACO-systemen) is bij dit ressort f 0,9 miljoen opgenomen.

Tevens wordt voor oefeningen met geleide wapensystemen en geschut voor 1999 een bedrag van f 3,7 miljoen geraamd.

Het decentraal beheerde deel van de uitgaven op het gebied van het onderhoud van gebouwen en terreinen alsmede de voorzieningen aan gebouwen en terreinen worden door dit ressort geraamd en bedragen voor het jaar 1999 f 2,1 miljoen.

Daarnaast worden diverse kleinere bedragen geraamd. De totale omvang hiervan bedraagt in 1999 f 1,7 miljoen.

De verplichtingen en uitgaven Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied

Het ressort Commandant der Zeemacht in het Caribisch (CZMCARIB) gebied is een Resultaat Verantwoordelijke Eenheid (RVE) onder de BDZ. Jaarlijks komen de BDZ en de CZMCARIB een convenant overeen betreffende de realisatie van het gewenste operationeel product en de verstrekking van de daartoe behorende middelen.

Dit ressort bestaat uit:

– het commandement der zeemacht in het Caribisch gebied ten behoeve van het uitoefenen van operationeel en logistiek gezag en functionele bevoegdheden;

– de marinebasis Parera, de marinekazerne Suffisant en het vliegveld HATO-militair te Curaçao en de marinierskazerne Savaneta te Aruba;

– twee infanteriecompagnieën mariniers en een ondersteuningspeloton die deel uitmaken van het deels mobilisabele Vierde Mariniersbataljon;

– de Antilliaanse en Arubaanse militie;

– het transportschip Hr.Ms. Pelikaan;

– de radiostations in het Caribisch gebied.

Hoewel zij niet onder dit ressort vallen, beschikt CZMCARIB eveneens over:

– het stationschip met boordhelikopter en twee P3-C Orion maritieme patrouillevliegtuigen (CZMNED);

– het 336 squadron van de Koninklijke luchtmacht met de daartoe behorende twee F-27-M vliegtuigen.

De Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied vervult de nevenfunctie van de Commandant Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba. In de Amerikaanse organisatie «Joint Inter Agency Task Force East» (JIATF-EAST) voor counter drugsoperaties vervult CZMCARIB de functie van Commander Task Group 4.4 (CTG 4.4).

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 199819992000200120022003199819992000200120022003
03.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel5 9995 8925 8925 8915 8875 8875 9995 8925 8925 8915 8875 887
03.20.06 Militair personeel73 52471 58171 31770 93070 43869 95673 52471 58171 31770 93070 43869 956
03.20.07 Overige personele uitgaven5 2955 4985 3255 3045 3025 2935 2955 4985 3255 3045 3025 293
03.20.08 Materiële uitgaven18 80117 79516 55815 74914 43314 74018 80117 79516 55815 74914 43314 740
Stand ontwerpbegroting 1999103 619100 76699 09297 87496 06095 876103 619100 76699 09297 87496 06095 876
Stand 1e suppletore wet 199881 91782 58881 48980 29180 903 81 91782 58881 48980 29180 903 
Nieuwe mutaties21 70218 17817 60317 58315 157 21 70218 17817 60317 58315 157 

Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19981999200020012002
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199818 62717 23217 05416 53816 352
– kleine bedrijfsmatige investeringen800150150150150
– onderhoud Hr. Ms. Pelikaan (Rijkswerf) – 1 000 – 700– 700
– overige mutaties, per saldo – 257– 257– 257– 257
Sub-totaal technische bijstellingen19 42716 12516 94715 73115 545
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing van de begrotingssterkte62– 17– 17– 17– 17
– onderhoud F-27M vliegtuigen1 9192 4541 5491 719499
– overige mutaties, per saldo294– 384– 876150– 870
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen2 2752 0536561 852– 388
Totaal van de nieuwe mutaties21 70218 17817 60317 58315 157

Toelichting op de nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast op het prijs- en loonniveau 1998. In de loonbijstellingsbedragen is de compensatie voor de Pemba-uitgaven begrepen (introductie van premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen). Ook is rekening gehouden met de koersstijging van de Antilliaanse gulden.

De kleine bedrijfsmatige investeringen die voorheen werden geraamd op het investeringsartikel 03.22, worden met ingang van de begroting 1999 geraamd op het artikel 03.20 Personeel en materieel als onderdeel van het bedrijfsvoeringsbudget van dit ressort.

De raming voor het meerjarig onderhoud van Hr.Ms. Pelikaan is overgebracht naar de Rijkswerf.

Overige mutaties, per saldo

De overige mutaties bevatten een groot aantal kleine bijstellingen die per saldo tot deze reeks leiden.

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing van de begrotingssterkte

Ter invulling van de verplichtingen in het kader van de ARBO-wet wordt de ARBO-dienst KM ingericht. Uitvoeren in eigen beheer blijkt voordeliger dan uitbesteding. Hiervoor worden zes vte'n burgerpersoneel en drie vte'n militair personeel toegevoegd. Hiervan wordt één vte burgerpersoneel aan het ressort CZMCARIB toegevoegd.

In verband met de concentratie van het functiegebied «Inlichtingen en veiligheid» tot één Militaire Inlichtingdienst (MID) wordt, in aanvulling op eerder gestelde mutaties in de begrotingen 1996 en 1997 één vte militair personeel, voor de MID-Liaison Nederlandse Antillen en Aruba functionaris, overgeheveld naar het ressort Kerndepartement van beleidsterrein Algemeen.

Onderhoud F-27M vliegtuigen

Het voor groot onderhoud en modificaties aan de F-27M vliegtuigen benodigde bedrag, stijgt met name vanwege de vervanging van de radar.

Overige mutaties, per saldo

De overige mutaties bevatten een groot aantal kleine bijstellingen die per saldo tot deze reeks leiden.

Activiteitentoelichting

De Koninklijke marine is belast met de verdediging van de Nederlandse Antillen en Aruba. De defensie-inspanningen zijn er op gericht, naast de verdediging van het grondgebied van het Koninkrijk, een bijdrage te leveren aan de strijd tegen de handel in drugs. Om hieraan uitvoering te geven omvatten de hoofdactiviteiten die CZMCARIB ontplooit, het inzetbaar houden en het inzetten van de ter beschikking gestelde operationele eenheden.

De activiteiten omvatten de deelname aan nationale en internationale oefeningen in de regio, nationale maritieme presentie, individuele opwerkactiviteiten, counter drugsoperaties in het kader van CTG 4.4, het oproepen, keuren, selecteren, opleiden en op peil houden van de geoefendheid van de dienstplichtige Antilliaanse en de vrijwillige (na)dienende Arubaanse militie, het uitvoeren van militaire bijstand en militaire steun in het openbaar belang, het leveren van eenheden voor opleidingen, de inzet van eenheden voor voorlichting en «public relations» en voorts overige activiteiten die voortvloeien uit nationale en internationale (Koninkrijks-)verplichtingen en afspraken.

In 1999 voorziet CZMCARIB deelname aan twee grote oefeningen.

Toelichting per artikelonderdeel

03.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort CZMCARIB.

Ramingskengetallen burgerpersoneel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– actief personeelaantal vte'n737171717171
– gemiddeld salarisx f 182 17882 98682 98682 97282 91582 915
– totale uitgavenx f 10005 9995 8925 8925 8915 8875 887

03.20.06 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort CZMCARIB.

Ramingskengetallen militair personeel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Sterkte begroting 1999aantal vte'n604601601601601601
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n321318318318318318
– gemiddeld salarisx f 1116 555112 604113 412113 041113 226113 000
– totale uitgavenx f 100037 41435 80836 06535 94736 00635 934
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n283283283283283283
– gemiddeld salarisx f 1104 972103 972102 329102 159101 261101 261
– totale uitgavenx f 100029 70729 42428 95928 91128 65728 657
– ANT-/ARUMILaantal vte'n170166166165166166
– gemiddeld salarisx f 137 66538 24737 91036 80034 78932 319
– totale uitgavenx f 10006 4036 3496 2936 0725 7755 365
Totaal toegelicht bedragx f 100073 52471 58171 31770 93070 43869 956

Toelichting ANT- /ARUMIL

In 1996 is de opkomstplicht van de Arubaanse militie opgeschort. Om toch in de behoefte van personeel te kunnen voorzien, zal de Koninklijke marine vrijwillig (na)dienende militairen werven.

03.20.07 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van zowel de personeelssterkte als de activiteitenplanning. De uitgaven hebben onder meer betrekking op kleding, voeding, reizen, verplaatsen, onderwijs en opleidingen, inhuur van tijdelijk personeel en voorziening woonruimte.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren3,33,33,33,33,33,3
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 172 07672 07672 07672 07672 07672 076
– totale uitgavenx f 1000241241241241241241
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)677672672672672672
– gemiddeld per vtex f 17 4657 8237 5657 5347 5317 518
– totale uitgavenx f 10005 0545 2575 0845 0635 0615 052
Totaal toegelicht bedragx f 10005 2955 4985 3255 3045 3025 293

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

De totale uitgaven voor de inhuur van tijdelijk personeel zijn de vermenigvuldiging van het geraamde aantal afgeronde mensjaren met de gemiddelde uitgaven per mensjaar.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

Dit zijn uitgaven voor kleding en uitrusting, voeding, reizen, verplaatsen, onderwijs en opleidingen, voorziening woonruimte en overige personele zaken.

In het kader van de Vlootdag 1999 worden éénmalig extra uitgaven voorzien in verband met de viering van de 500ste verjaardag van de ontdekking van Curaçao.

Uitgaven ten behoeve van het ressort CZMCARIB die worden beheerd door het ressort Admiraliteit zijn opgenomen in de kengetallen aldaar.

03.20.08 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven geraamd. Het betreft hier onder meer de uitgaven voor kleine bedrijfsmatige investeringen, huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, data- en telecommunicatie, inventarisgoederen en klein materieel, zaken van operationele aard, geneeskundig materieel, onderhoud en herstel van het materieel, het onderhoud van gebouwen en terreinen en brandstoffen, olie, smeermiddelen en bedrijfsstoffen.

Ramingskengetallen materiële uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)677672672672672672
– gemiddeld per vtex f 114 66312 16111 79211 82311 68211 397
– totale uitgavenx f 10009 9278 1727 9247 9457 8507 659
– overige materiële uitgavenx f 10008 8749 6238 6347 8046 5837 081
Totaal materiële uitgavenx f 100018 80117 79516 55815 74914 43314 740

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

De ramingen voor de persoonsgebonden materiële exploitatie zijn met ramingskengetallen toegelicht. Dat zijn uitgaven voor kleine bedrijfsmatige investeringen, data- en telecommunicatie, huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, inventarisgoederen en klein materieel, geneeskundig materieel en overige materiële zaken.

Toelichting overige materiële uitgaven

Naast de persoonsgebonden materiële uitgaven worden binnen het ressort CZMCARIB onder meer de uitgaven voor het onderhoud van gebouwen en terreinen geraamd. De raming hiervoor in het jaar 1999 bedraagt f 4,4 miljoen. Tevens worden de uitgaven voor het onderhoud en herstel en modificaties aan de F-27M vliegtuigen geraamd in 1999 voor f 3,7 miljoen. Verder worden voor 1999 enkele kleinere uitgavenposten tot een bedrag van f 1,5 miljoen geraamd.

De verplichtingen en uitgaven Commandant van het Korps mariniers

Organisatie en samenstelling

Het ressort Commandant van het Korps Mariniers (CKMARNS) is een Resultaat Verantwoordelijke Eenheid (RVE) onder de BDZ. Jaarlijks komen de BDZ en de CKMARNS een convenant overeen betreffende de realisatie van het gewenste operationeel product en de verstrekking van de daartoe behorende middelen.

Dit ressort bestaat uit:

– het hoofdkwartier van CKMARNS;

– de Groep Operationele Eenheden Mariniers (GOEM), waarin de operationele eenheden zijn ondergebracht met uitzondering van 4 MARNSBAT dat onder operationeel gezag staat van CZMCARIB. In vredestijd bestaat de GOEM uit het Eerste en het Tweede mariniersbataljon, het gevechtssteunbataljon, het logistieke bataljon en de Bijzondere Bijstandseenheid (BBE);

– de marinierskazernes te Doorn, Rotterdam en Texel;

– het Mariniersopleidingscentrum;

– de mobilisabele eenheden, waaronder het Derde Mariniersbataljon, de gevechtsveld-reserve en de bewakingsdetachementen;

– de marinierskapel.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 199819992000200120022003199819992000200120022003
03.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel2 5242 4592 4652 4682 4662 4662 5242 4592 4652 4682 4662 466
03.20.10 Militair personeel155 528158 623161 381162 704161 583161 583155 528158 623161 381162 704161 583161 583
03.20.11 Overige personele uitgaven8 7218 9008 9288 8628 8628 8628 7218 9008 9288 8628 8628 862
03.20.12 Materiële uitgaven26 49423 40223 40023 29023 55823 51826 90023 40223 40023 29023 55823 518
Stand ontwerpbegroting 1999193 267193 384196 174197 324196 469196 429193 673193 384196 174197 324196 469196 429
Stand 1e suppletore wet 1998182 234181 256185 065188 061187 294 182 640181 256185 065188 061187 294 
Nieuwe mutaties11 03312 12811 1099 2639 175 11 03312 12811 1099 2639 175 

Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19981999200020012002
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199810 11810 85910 72210 0989 768
– overige mutaties, per saldo59– 688– 688– 688– 688
Sub-totaal technische bijstellingen10 17710 17110 0349 4109 080
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing van de begrotingssterkte7181 8101 1556262
– overige mutaties, per saldo138147– 80– 20933
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen8561 9571 075– 14795
Totaal van de nieuwe mutaties11 03312 12811 1099 2639 175

Toelichting op de nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast op het prijs- en loonniveau 1998. In de loonbijstellingsbedragen is de compensatie voor de Pemba-uitgaven begrepen (introductie van premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen).

Overige mutaties, per saldo

De overige mutaties bevatten een groot aantal kleine bijstellingen, die per saldo tot deze reeks leiden.

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing van de begrotingssterkte

Ter invulling van de verplichtingen in het kader van de ARBO-wet wordt de ARBO-dienst KM ingericht. Uitvoeren in eigen beheer blijkt voordeliger dan uitbesteding. Hiervoor worden zes vte'n burgerpersoneel en drie vte'n militair personeel toegevoegd. Hiervan wordt één vte burgerpersoneel aan het ressort CKMARNS toegevoegd.

De uitbreiding van het Korps mariniers met 150 vte'n wordt sneller uitgevoerd dan in de begroting 1998 was voorzien. Als gevolg hiervan stijgen de salarisuitgaven in de jaren 1998, 1999 en 2000.

Overige mutaties, per saldo

De overige mutaties bevatten een groot aantal kleine bijstellingen dat per saldo leidt tot deze reeks.

Activiteitentoelichting

Het ressort Commandant van het Korps Mariniers ontplooit de volgende hoofdactiviteiten:

– het inzetbaar maken en houden van de operationele eenheden;

– het uitvoeren van de opgedragen inzet.

Het jaarprogramma omvat activiteiten die samenhangen met de inzet voor vredesoperaties, het beschikbaar hebben van eenheden voor noodhulp, de inzet van eenheden en personeel voor operationele verrichtingen van CZMNED, de inzet van eenheden voor voorlichting, «public relations», ceremonieel en personeelswerving en voorts activiteiten welke voortvloeien uit internationale en nationale (Koninkrijks-) verplichtingen en afspraken.

De activiteiten omvatten ook deelname aan een veelheid van oefeningen in Navo-, UK/NL-, PvV- en WEU-verband, «Cross Training» met verschillende landen op groeps-, pelotons- of compagniesniveau alsmede het uitvoeren van opleidings- en opwerkactiviteiten en nationale oefeningen.

In 1999 voorziet CKMARNS deelname aan zeven grote oefeningen.

Toelichting per artikelonderdeel

03.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort CKMARNS.

Ramingskengetallen burgerpersoneel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– actief personeelaantal vte'n383636363636
– gemiddeld salarisx f 166 42168 30668 47268 55668 50068 500
– totale uitgavenx f 10002 5242 4592 4652 4682 4662 466

03.20.10 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort CKMARNS.

Ramingskengetallen militair personeel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Sterkte begroting 1999aantal vte'n2 3342 3882 4342 4622 4622 462
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n1 1341 1431 1771 1971 1971 197
– gemiddeld salarisx f 174 00374 26374 11273 85073 79273 792
– totale uitgavenx f 100083 91984 88387 23088 39988 32988 329
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n1 2001 2451 2571 2651 2651 265
– gemiddeld salarisx f 159 67459 22958 99058 73957 90857 908
– totale uitgavenx f 100071 60973 74074 15174 30573 25473 254
Totaal toegelicht bedragx f 1000155 528158 623161 381162 704161 583161 583

In de actualisering van de Prioriteitennota is vastgesteld dat het Korps Mariniers met 150 mariniers zal worden uitgebreid. Deze uitbreiding verklaart de toename van de uitgaven tussen 1998 en 2001.

03.20.11 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van zowel de personeelssterkte als de activiteitenplanning. De uitgaven hebben onder meer betrekking op kleding en uitrusting, voeding, reizen, onderwijs en opleidingen en inhuur tijdelijk personeel.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren5,38,28,28,28,28,2
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 172 07672 07672 07672 07672 07672 076
– totale uitgavenx f 1000381594594594594594
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)2 3722 4242 4702 4982 4982 498
– gemiddeld per vtex f 13 5163 4273 3743 3103 3103 310
– totale uitgavenx f 10008 3408 3068 3348 2688 2688 268
Totaal toegelicht bedragx f 10008 7218 9008 9288 8628 8628 862

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

Voor het bedrijfsrestaurant op de Van Ghentkazerne worden vanaf medio 1998 arbeidscontractanten ingehuurd.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

Dit zijn uitgaven voor kleding en uitrusting, voeding, reizen, onderwijs en opleidingen en overige personele zaken.

03.20.12 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven geraamd. Dit zijn onder meer de uitgaven voor kleine bedrijfsmatige investeringen, huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, zaken van operationele aard, herbevoorrading van mariniersartikelen, inventarisgoederen en klein materieel, data- en telecommunicatie, onderhoud en herstel van het materieel, het onderhoud en herstel van gebouwen en terreinen, milieu, brandstoffen, olie en smeermiddelen.

Ramingskengetallen materiële uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)2 3722 4242 4702 4982 4982 498
– gemiddeld per vtex f 13 4453 4593 4063 3233 4313 415
– totale uitgavenx f 10008 1718 3848 4128 3028 5708 530
– overige materiële uitgavenx f 100018 72915 01814 98814 98814 98814 988
Totaal materiële uitgavenx f 100026 90023 40223 40023 29023 55823 518

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

De ramingen voor de persoonsgebonden materiële exploitatie zijn met ramingskengetallen toegelicht. Het betreft hier uitgaven voor kleine bedrijfsmatige investeringen, huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, data- en telecommunicatie, milieu, inventarisgoederen en klein materieel, alsmede de uitgaven voor het oplossen van de millenniumproblemen.

Toelichting overige materiële uitgaven

Naast de persoonsgebonden materiële uitgaven worden binnen het ressort CKMARNS onder meer de uitgaven van het onderhoud van gebouwen en terreinen geraamd. De raming hiervoor in het jaar 1999 bedraagt f 5,8 miljoen. Voor herbevoorradingsartikelen wordt in 1999 f 3,5 miljoen geraamd. De uitgaven voor het onderhoud en herstel van transportmiddelen worden geraamd op f 1,4 miljoen; voor brandstoffen, olie en smeermiddelen f 1,2 miljoen. Voor operationele zaken is in 1999 f 3 miljoen opgenomen. Daarnaast worden diverse kleinere uitgaven geraamd. De omvang daarvan in 1999 bedraagt f 0,2 miljoen.

De verplichtingen en uitgaven Ondersteunende eenheden

Het ressort Ondersteunende Eenheden bestaat uit het Marinebedrijf, het «Centrum voor Automatisering van Wapen- en Commando Systemen» en de opleidingseenheden van de Koninklijke marine. Het Marinebedrijf bestaat uit de Rijkswerf, het SEWACO-bedrijf en het «Marine Elektronisch en Optisch Bedrijf Oegstgeest» (MEOB-O). De verhuizing van MEOB-O naar Den Helder en de fysieke integratie tot één marinebedrijf zal naar verwachting in het jaar 2000 zijn voltooid.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 199819992000200120022003199819992000200120022003
03.20.13 Ambtelijk burgerpersoneel188 275184 403180 609180 144176 002174 888188 275184 403180 609180 144176 002174 888
03.20.14 Militair personeel153 502140 189131 467129 812129 709129 709153 502140 189131 467129 812129 709129 709
03.20.15 Overige personele uitgaven32 95824 49621 41222 62822 18622 15832 95824 49621 41222 62822 18622 158
03.20.16 Materiele uitgaven183 123157 260142 882130 385138 424139 823183 123157 260142 882130 385138 424139 823
Stand ontwerpbegroting 1999557 858506 348476 370462 969466 321466 578557 858506 348476 370462 969466 321466 578
Stand 1e suppletore wet 1998497 921468 815438 299440 711434 897 497 921468 815438 299440 711434 897 
Nieuwe mutaties59 93737 53338 07122 25831 424 59 93737 53338 07122 25831 424 

Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19981999200020012002
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199812 30516 73916 95119 39416 348
– kleine bedrijfsmatige investeringen11 07011 8959 2959 2959 295
– onderhoud Hr.Ms. Pelikaan 1 000 700700
– wisselsets (naar artikel 03.22)– 8 000– 2000   
– overige mutaties, per saldo547345345345345
Sub-totaal technische bijstellingen15 92227 97926 59129 73426 688
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing van de begrotingssterkte13991919191
– herbevoorrading26 500     
– inhuur6 0002000200020002000
– instandhouding– 2831 93411 782– 8 2346 078
– bestuurlijke informatiesystemen4 1842 8572 0262 1311 917
– overige mutaties, per saldo7 4752 672– 4 419– 3 464– 5 350
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen44 0159 55411 480– 7 4764 736
Totaal van de nieuwe mutaties59 93737 53338 07122 25831 424

Toelichting op de nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast op het prijs- en loonniveau 1998. In de loonbijstellings-bedragen is de compensatie voor de Pemba-uitgaven begrepen (introductie van premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen).

De kleine bedrijfsmatige investeringen, die voorheen werden geraamd op het investeringsartikel 03.22, worden met ingang van deze begroting geraamd op het artikel 03.20 Personeel en materieel als onderdeel van het bedrijfsvoeringsbudget van de marinebedrijven.

De raming voor het meerjarig onderhoud van Hr.Ms. Pelikaan is van het ressort Commandant Zeemacht in het Caribisch overgebracht naar de Rijkswerf.

De doorlooptijd van het onderhoud aan enkele buitendekse opstellingen van de SEWACO-apparatuur aan boord van de M-fregatten is relatief lang ten opzichte van de overige componenten. Door gebruik te maken van wisselsets voor deze opstellingen kan de doorlooptijd van het tussentijds onderhoud worden verkort. Hierdoor kan tevens de onderhoudswerklast worden gespreid in de tijd, hetgeen doelmatiger is. Deze raming wordt, gezien de aard van dit project, overgebracht van het P&M-artikel naar het investeringsartikel.

Overige mutaties, per saldo

De overige mutaties bevatten een groot aantal kleine bijstellingen, die per saldo tot deze reeks leiden.

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing van de begrotingssterkte

De Voortgezette Vakopleiding (VVO) van de Logistieke school werd tot op heden uitbesteed. Als gevolg van de gestegen kosten van het commerciële opleidingsinstituut is een afweging tussen in- en uitbesteden opgesteld. Hieruit blijkt dat het in eigen beheer geven van de opleiding voordeliger is. Hiervoor zijn drie vte'n militair personeel benodigd.

Met ingang van 1 september 1998 is één vte burgerpersoneel (douanedeclarant van het magazijn voor electronentechnisch materieel) naar de Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie van het beleidsterrein Dico overgeheveld.

Inhuur

De leeftijdsopbouw van het personeelsbestand bij de Rijkswerf en het SEWACO-bedrijf is onevenwichtig. Dit heeft als gevolg dat er over enkele jaren een forse uitstroom zal zijn als gevolg van leeftijdsontslag. Gelet op de huidige schaarste op de arbeidsmarkt aan technisch personeel in het algemeen, is het noodzakelijk om de kennisoverdracht te waarborgen. Bij deze bedrijven worden 40 jonge medewerkers bovenformatief in dienst genomen, die een «training on the job» krijgen. Hiervoor wordt structureel f 2 miljoen geraamd. De overige mutaties hangen samen met de aanpassingen in het Vaar- en Onderhoudschema.

Bij het MEOB-Oegstgeest is als gevolg van de komende verplaatsing naar Den Helder sprake van meer vacatures dan gebruikelijk. Om de continuïteit van het bedrijf tot de verhuizing te waarborgen, wordt vervangend personeel ingehuurd. In 1998 betreft dit een bedrag van f 4 miljoen.

Instandhouding

De instandhouding bij de ondersteunende eenheden betreft met name onderhoud aan de schepen. De mutaties in de ramingen voor het onderhoud worden met name veroorzaakt door aanpassingen in het vaar- en onderhoudsplan, het aanpassen van de onderhoudsperioden en een doelmatiger werkverdeling van de Rijkswerf en het SEWACO bedrijf. De raming voor het meerjarig onderhoud aan de Hr.Ms. Bruinvis gedurende 1999 en 2000 is verhoogd met respectievelijk f 0,9 en f 2,7 miljoen; dit is gebaseerd op de ervaringen die het onderhoud aan voorgaande onderzeeboten leverde. Het tussentijds onderhoud (TTO) van de Hr.Ms. Zuiderkruis is in verband met de planning vervroegd van 2001 naar 2000. Daarnaast is de raming voor het meerjarig onderhoud van Hr.Ms. Pelikaan overgebracht van CZMCARIB naar de Rijkswerf.

Bestuurlijke informatiesystemen

Als gevolg van de actualisering van en de prioriteitsstelling binnen de ramingen voor de IT stijgt het voor de systemen van de ondersteunende eenheden benodigde bedrag. De totale budgetten voor IT blijven gelijk.

Overige mutaties, per saldo

De overige mutaties bevatten een groot aantal kleine bijstellingen, die per saldo tot deze reeks leiden.

Activiteitentoelichting

De activiteiten van het ressort Ondersteunende Eenheden zijn erop gericht voorwaarden te scheppen zodat de eenheden van de Koninklijke marine in materieel en in personeel opzicht kunnen voldoen aan de vereiste operationele doelstellingen.

Materieel-logistiek

De activiteiten binnen het materieel-logistieke functiegebied omvatten het innoveren, instandhouden en verbeteren van de platform- en de sensor-, wapen- en commandosystemen van de eenheden van de Koninklijke marine en het beschikbaar stellen van de materiële middelen die nodig zijn om het materieel van de Koninklijke marine in gebruiksgerede staat te brengen en te houden.

 
Benoemd onderhoudOntwerpbegroting1998Vermoedelijkeuitkomsten 1998Raming 1999Raming 2000
Aantal MJO's4444
Aantal TTO's6666

Het meerjaarlijks onderhoud (MJO), aangegeven in het vaar- en oefenschema, is het onderhoud aan een eenheid van de vloot dat nodig is om de materiële gereedheid ten minste tot aan een volgende geplande onderhoudsperiode van die eenheid op een kosteneffectieve wijze op peil te houden. De eenheid is gedurende langere tijd niet belast met operationele taken.

Het tussentijds onderhoud (TTO) is een tussen de MJO's vallende korte reparatieperiode, tijdens de periodieke dokbeurt, waarbij in principe alleen met de directe veiligheid en materiële gereedheid verband houdende werkzaamheden worden uitgevoerd. De eenheid is gedurende kortere tijd niet belast met operationele taken.

 
Incidenteel onderhoudOntwerpbegroting1998Vermoedelijkeuitkomsten 1998Raming 1999Raming 2000
Aantal reparatie-orders11 74311 74310 86810 900

Het incidenteel onderhoud betreft noodzakelijke reparaties tussen de geplande reparatie-perioden (MJO/TTO).

 
EngineeringOntwerpbegroting1998Vermoedelijkeuitkomsten 1998Raming 1999Raming 2000
Marinebedrijf204 589219 175183 498183 000

De uren «engineering» betreffen het ontwerpen en ontwikkelen van kleinere verbeteringen die voortkomen uit het gebruik van het materieel. Ook het configuratiebeheer valt hieronder (het bewaren van de uniformiteit van het materieel binnen een klasse). Voor 1999 zijn minder engineering- en meer productie-uren gepland dan voor 1998.

Opleidingen

Binnen het functiegebied opleidingen zijn de activiteiten voornamelijk gericht op het geven van onderwijs aan militairen. Deze omvatten initiële opleidingen voor nieuw binnenstromend personeel, cursussen en opleidingen voor het vervullen van specifieke functies, loopbaanfase-opleidingen voor de ontwikkeling en geschiktmaking voor een hoger functieniveau en het ontwikkelen van cursussen en opleidingen voor bediening, onderhoud en het vinden van storing voor nieuw materieel.

 
OmschrijvingOntwerpbegroting1998Vermoedelijkeuitkomsten 1998Raming 1999Raming 2000
Initiële opleidingen1 4811 4811 3151 300
Loopbaanfase-opleidingen722722721700
Functie-opleidingen24 22024 22020 72420 700
Totaal opleidingen26 42326 42322 76022 700
     
KIM-publicaties1551558180

Toelichting per artikelonderdeel

03.20.13 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort Ondersteunende eenheden.

Ramingskengetallen burgerpersoneel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– actief personeelaantal vte'n2 5612 4772 4102 4002 3462 331
– gemiddeld salarisx f 172 57073 46073 92974 04473 98473 982
– totale uitgavenx f 1000185 852181 961178 169177 706173 566172 452
– niet-actief personeelaantal vte'n404040404040
– gemiddeld salarisx f 160 57561 05061 00060 95060 90060 900
– totale uitgavenx f 10002 4232 4422 4402 4382 4362 436
Totaal toegelicht bedragx f 1000188 275184 403180 609180 144176 002174 888

03.20.14 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort Ondersteunende eenheden.

Ramingskengetallen militair personeel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Sterkte begroting 1999aantal vte'n2 3852 2092 0692 0442 0442 044
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n1 8591 7381 6681 6681 6681 668
– gemiddeld salarisx f 170 52369 83969 41869 31169 25569 255
– totale uitgavenx f 1000131 102121 380115 790115 610115 518115 518
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n526471401376376376
– gemiddeld salarisx f 142 58639 93439 09537 77137 74237 742
– totale uitgavenx f 100022 40018 80915 67714 20214 19114 191
Totaal toegelicht bedragx f 1000153 502140 189131 467129 812129 709129 709

De daling van het gemiddelde salaris van BBT'ers is het gevolg van de verlaging in de instroomsalarissen.

03.20.15 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van zowel de personeelssterkte als de activiteitenplanning. De uitgaven hebben onder meer betrekking op kleding en uitrusting, voeding, reizen, verplaatsen, onderwijs en opleiding, representatie en de inhuur van tijdelijk personeel.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren279,0213,3144,3167,2113,799,4
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 172 07672 07672 07672 07672 07672 076
– totale uitgavenx f 100020 11015 37210 40012 0538 1947 163
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)4 9464 6864 4794 4444 3904 375
– gemiddeld per vtex f 12 5981 9472 4592 3803 1873 427
– totale uitgavenx f 100012 8489 12411 01210 57513 99214 995
Totaal toegelicht bedragx f 100032 95824 49621 41222 62822 18622 158

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

Uitgaande van de meerjarenplanning wordt de minimale omvang van het personeelsbestand van de ondersteunende eenheden bepaald, waarbij geconcentreerd wordt op de kerntaken. Voor de logistieke ondersteuningstaken wordt in principe personeel ingehuurd als dat niet strijdig is met operationele eisen.

In verband met de onevenwichtige opbouw van het personeelsbestand zal er bij de Rijkswerf en het SEWACO-bedrijf over enkele jaren een forse uitstroom zijn als gevolg van leeftijdontslag. Teneinde de kennisoverdracht te waarborgen worden jonge medewerkers bovenformatief in dienst genomen, die een «training on the job» krijgen. Het betreft een jaarlijks bedrag van f 2 miljoen. Bij het MEOB-Oegstgeest is als gevolg van de komende verplaatsing naar Den Helder sprake van meer vacatures dan gebruikelijk. Teneinde de continuïteit van het bedrijf tot de verhuizing te waarborgen, wordt vervangend personeel ingehuurd. In 1998 betreft dit een bedrag van f 4 miljoen.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

Dit zijn uitgaven voor kleding en uitrusting, voeding, reizen, verplaatsen, representatie, onderwijs en opleidingen en overige personele zaken. Onder meer als gevolg van het tijdelijke personeel bij het MEOB-Oegstgeest stijgt de opleidingsinspanning, hetgeen resulteert in een bijstelling van de raming in 1998.

03.20.16 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven geraamd anders dan personele uitgaven. Dit zijn onder meer de uitgaven voor kleine bedrijfsmatige investeringen, huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, data- en telecommunicatie, inventarisgoederen en klein materieel, onderhouden herstel van het materieel, herbevoorrading, het onderhoud en herstel van gebouwen en terreinen, milieu, het uitbesteden aan O-, I- en A-deskundigheid alsmede de uitgaven voor het oplossen van de millenniumproblemen.

Ramingskengetallen materiële uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– O-, I- en A-deskundigheidaantal mensjaren4,43,72,92,61,41,6
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 1257 040257 040257 040257 040257 040257 040
– totale uitgavenx f 10001 120958757657357407
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)4 9464 6864 4794 4444 3904 375
– gemiddeld per vtex f 19 7959 1458 5548 7678 9188 991
– totale uitgavenx f 100048 44542 85438 31238 96139 15139 337
Totaal toegelicht bedragx f 100049 56543 81239 06939 61839 50839 744
– overige materiële uitgavenx f 1000133 558113 448103 81390 76798 916100 079
Totaal materiële uitgavenx f 1000183 123157 260142 882130 385138 424139 823

Toelichting O-, I- en A-deskundigheid

Enkele advieswerkzaamheden op het gebied van de automatisering en de bedrijfsvoering worden uitbesteed.

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

De ramingen voor de persoonsgebonden materiële uitgaven zijn met ramingskengetallen toegelicht. Dit zijn uitgaven voor kleine bedrijfsmatige investeringen, huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, data- en telecommunicatie, inventarisgoederen en klein materieel, milieu en overige materiële zaken.

Toelichting overige materiële uitgaven

Naast de persoonsgebonden materiële uitgaven worden binnen het ressort Ondersteunende eenheden onder meer de uitgaven voor het onderhoud en herstel van schepen geraamd. Hiervoor wordt in 1999 f 45,8 miljoen geraamd. Per jaar fluctueren deze uitgaven als gevolg van de jaarlijks verschillende activiteiten in het vaaren onderhoudschema.

De ramingen voor herbevoorradingsuitgaven bedragen voor 1999 f 59,7 miljoen. Dit zijn met name artikelen voor het onderhoud en herstel van schepen. De daling ten opzichte van 1998 is het gevolg van de in dat jaar noodzakelijke inhaalslag bij het aanvullen van de voorraden.

Tevens worden de uitgaven op het gebied van het onderhoud van gebouwen en terreinen alsmede de voorziening aan gebouwen en terreinen ten behoeve van het ressort Ondersteunende eenheden geraamd. De raming hiervoor in het jaar 1999 bedraagt f 6,6 miljoen. Voor overige uitgaven wordt binnen het ressort Ondersteunende eenheden f 1,3 miljoen geraamd.

De verplichtingen en uitgaven Admiraliteit

Het ressort Admiraliteit bestaat uit de Marinestaf, de Directie Materieel KM, de Directie Personeel KM en de Directie Economisch Beheer KM.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 VerplichtingenUitgaven
 199819992000200120022003199819992000200120022003
03.20.17 Ambtelijk burgerpersoneel61 30360 46754 44954 45153 96953 96961 30360 46754 44954 45153 96953 969
03.20.18 Militair personeel105 38995 26791 47189 71088 97288 958105 38995 26791 47189 71088 97288 958
03.20.19 Overige personele uitgaven77 08576 16876 19278 61278 52978 99378 07576 16876 19278 61278 52978 993
03.20.20 Materiele uitgaven316 511308 401293 665297 366294 311301 319318 805302 600300 180305 897294 497301 505
Stand ontwerpbegroting 1999560 288540 303515 777520 139515 781523 239563 572534 502522 292528 670515 967523 425
Stand 1e suppletore wet 1998549 007549 527520 088504 881515 094 552 291543 726526 603513 412515 280 
Nieuwe mutaties11 281– 9 224– 4 31115 258687 11 281– 9 224– 4 31115 258687 

Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19981999200020012002
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199819 97714 77614 43813 53714 260
– overheveling VEB-budgetten– 19 953– 19 851– 19 563– 19 238– 19 266
– werving en vervoer (naar Dico)– 2 835– 2 978– 2 978– 2 978– 2 978
– overige mutaties, per saldo– 337– 347– 317– 371– 190
Sub-totaal technische bijstellingen– 3 148– 8 400– 8 420– 9 050– 8 174
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing van de begrotingssterkte321321321321321
– instandhouding18 011– 6 630– 7 5587 786– 3 781
– onderhoud gebouwen en terreinen2 2004 400   
– curatieve zorg militairen (ziektekosten)1 9551 9551 9551 9551 955
– bestuurlijke informatiesystemen– 7 225– 1 767397– 1 323– 1 284
– overige mutaties, per saldo– 8338978 99415 56911 650
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen14 429– 8244 10924 3088 861
Totaal van de nieuwe mutaties11 281– 9 224– 4 31115 258687

Toelichting op de nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast op het prijs- en loonniveau 1998. In de loonbijstellingsbedragen is de compensatie voor de Pemba-uitgaven begrepen (introductie van premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen).

Als gevolg van verdere decentralisatie van taken en bevoegdheden naar de ressorts CZMNED, CKMARNS en Ondersteunende Eenheden heeft een overheveling plaatsgevonden van diverse budgetten. De overheveling betreft met name de budgetten voor voeding en haven-, sluis- en loodsgelden.

Als gevolg van hogere wervingsbehoeften van de Koninlijke marine worden fondsen overgeheveld naar de Defensie-organisatie voor Werving en Selectie (DWS) van het beleidsterrein Dico.

Vooruitlopend op de definitieve besluitvorming omtrent de behoeftestelling van de Koninklijke marine, wordt budget overgeheveld naar de Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie (DVVO) van het beleidsterrein Dico.

Overige mutaties, per saldo

De overige mutaties bevatten een groot aantal kleine bijstellingen die per saldo tot deze reeks leiden.

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing van de begrotingssterkte

Ter invulling van de verplichtingen in het kader van de ARBO-wet wordt de ARBO-dienst KM ingericht. Uitvoeren in eigen beheer blijkt voordeliger dan uitbesteding. Hiervoor worden zes vte'n burgerpersoneel en drie vte'n militair personeel toegevoegd. Hiervan worden drie vte'n burgerpersoneel en twee vte'n militair personeel aan het ressort Admiraliteit toegevoegd.

Instandhouding

In 1998 is in de raming een bedrag van f 15 miljoen opgenomen voor het verkoopgereed maken van de fregatten voor de Verenigde Arabische Emiraten.

Het groot onderhoud aan de P3-C-Orion maritieme patrouillevliegtuigen wordt met een interval van zes jaar uitgevoerd. Onderzoek heeft uitgewezen, dat een kortere onderhoudsinterval doelmatiger is. De technische levensduur van het vliegtuig wordt hierdoor verlengd. Tevens worden ingrijpende reparaties voorkomen door preventief in plaats van correctief onderhoud. Per saldo zijn de uitgaven bij een vierjarige interval minimaal. De raming stijgt hierdoor in de jaren 1998 en 2001 met respectievelijk f 10,4 en f 7,3 miljoen. In 1999 daalt de raming met f 6,6 miljoen. De verdere verlaging vindt buiten de begrotingsperiode plaats.

De overige mutaties zijn een gevolg van aanpassingen in het Vaar- en onderhoudsplan.

Onderhoud gebouwen en terreinen

De marinekazerne Vlissingen blijft langer open dan gepland, aangezien de nieuwbouw van schepen bij de Koninklijke Schelde Groep, accommodatie vergt voor toezicht en aanloopbemanningen.

Tevens maken sinds kort de Koninklijke landmacht en -marechaussee gebruik van deze kazerne waardoor de kazerne in Middelburg kan worden gesloten. Derhalve is ten behoeve voor het onderhoud f 6,6 miljoen meer benodigd dan geraamd.

Curatieve zorg militairen (ziektekosten)

Door het ministerie van Defensie wordt het militaire personeel tegen ziektekosten verzekerd bij de Stichting Ziektekosten Verzekering Krijgsmacht. De extra uitgaven voor curatieve zorg als gevolg van varen, inzet, vliegen en oefenen (VIVO) van het marinepersoneel komen ten laste van de Koninklijke marine. Deze uitgaven blijken f 2 miljoen hoger dan was geraamd.

Bestuurlijke informatiesystemen

Als gevolg van actualisering van en prioriteitsstelling binnen de ramingen voor de IT daalt het voor de systemen van de admiraliteit benodigde bedrag. De totale budgetten voor bestuurlijke informatiesystemen blijven gelijk.

Overige mutaties, per saldo

De overige mutaties bevatten een groot aantal kleine bijstellingen die per saldo tot deze reeks leiden.

Activiteitentoelichting

De activiteiten van het ressort Admiraliteit omvatten:

– het voeren van het operationeel beleid van de Koninklijke marine.

– het doen functioneren van de militaire eenheden en inrichtingen van de Koninklijke marine voor zover deze onder de Admiraliteit zijn gesteld, in onderlinge samenhang en elk afzonderlijk ter uitvoering van de opgedragen taken in vredestijd en in geval van oorlogsvoorbereiding.

– het voeren van een personeelsbeleid en het onderhouden van een personeel-logistiek proces, dat er op is gericht de KM-organisatie, te allen tijde en in alle omstandigheden te doen beschikken over de gewenste hoeveelheid voor zijn taak berekend en gemotiveerd personeel.

– het voeren van materieelbeleid gericht op de materieel-logistieke processen «voorzien in», «instandhouden» en «afvoeren».

– het bevorderen en bewaken van de doelmatigheid van de Koninklijke marine door het vormgeven aan en het uitvoeren van het financieel-economisch beleid en het toetsen van de rechtmatigheid van de bestedingen.

– het voeren van een bedrijfsvoerings- en automatiseringsbeleid.

De uitgavenverdeelstaat

 
Bedragen x f 1000199819992000200120022003
Uitgaven Admiraliteit:563 572534 502522 292528 670515 967523 425
Volledig toe te rekenen aan:       
– apparaatsuitgaven Admiraliteit235 000228 678217 620213 886211 099211 504
Specifiek (uniek) toe te rekenen aan:       
– CZMNED93 29295 64095 37795 32795 89897 649
– CZMCARIB15 66015 70115 75415 78815 79915 788
– CKMARNS2 1604 6164 6124 6114 6114 611
– Ondersteunende eenheden34 00728 51531 22041 11228 42728 427
Niet specifiek toe te rekenen:183 453161 352157 709157 946160 133165 446

Toelichting op de uitgavenverdeelstaat

De uitgaven voor het ressort Admiraliteit betreffen enerzijds uitgaven ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering en anderzijds uitgaven ten behoeve van het functioneren van andere KM-ressorts.

De uitgaven ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering zijn opgenomen in de regel apparaatsuitgaven Admiraliteit. Dit zijn de uitgaven voor personele en materiële middelen voor alle onder het ressort vallende eenheden. Deze laatste post bestaat onder andere uit huisvestingskosten, bureauzaken, informatiesystemen en inventarisgoederen en klein materieel.

De uitgaven ten behoeve van het functioneren van andere KM-ressorts kunnen worden onderscheiden in specifiek en niet-specifiek toe te rekenen uitgaven. Deze uitgaven houden voornamelijk verband met het centraal voorzien in de functie materieel. Gezien de benodigde technische en commerciële deskundigheid en de doelmatigheidsbesparing als gevolg van de vraagaggregatie, wordt een groot deel van de materiële middelen voor met name de operationele taakuitvoering centraal verworven.

Hiervoor zijn de op dit moment nog niet gedecentraliseerde budgetten opgenomen. Het beleid van de Koninklijke marine is gericht op verdere decentralisatie van budgetten en bevoegdheden. Deze doelstelling zal zich op termijn vertalen in een verschuiving van budgetten en de, daarvoor benodigde bevoegdheden van het ressort Admiraliteit naar de overige ressorts (eenheden).

De specifiek (uniek) toe te rekenen uitgaven bestaan uit personele en materiële uitgaven. Dit betreft onder andere de aanschaf van levensmiddelen, verplaatsingskosten, persoonsgebonden toelagen en uitkeringen, huisvestingskosten en brandstoffen. Daarnaast zijn uitgaven, genoemd onder niet specifiek toe te rekenen uitgaven – met uitzondering van de uitgaven voor instandhouding – met name aan het ressort CZMNED toegerekend.

De niet specifiek toe te rekenen uitgaven bestaan uit personele en materiële uitgaven, onder meer ten behoeve van werving, geneeskundige verzorging, opleiding, bureaukosten (waaronder communicatiekosten), oefenmunitie, onderhoud gebouwen en terreinen en de instandhouding van materieel.

Toelichting per artikelonderdeel

03.20.17 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort Admiraliteit.

Ramingskengetallen burgerpersoneel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– actief personeelaantal vte'n694678608607602602
– gemiddeld salarisx f 187 17087 99188 22588 37488 30988 309
– totale uitgavenx f 100060 49659 65853 64153 64353 16253 162
– niet-actief personeelaantal vte'n131313131313
– gemiddeld salarisx f 162 07762 23162 15462 15462 07762 077
– totale uitgavenx f 1000807809808808807807
Totaal toegelicht bedragx f 100061 30360 46754 44954 45153 96953 969

03.20.18 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort Admiraliteit.

Ramingskengetallen militair personeel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Sterkte begroting 1998aantal vte'n1 1671 029991977971971
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n929796768754748748
– gemiddeld salarisx f 199 125104 106103 746103 480103 337103 318
– totale uitgavenx f 100092 08782 86879 67778 02477 29677 282
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n238233223223223223
– gemiddeld salarisx f 155 89153 21552 88852 40452 35952 359
– totale uitgavenx f 100013 30212 39911 79411 68611 67611 676
Totaal toegelicht bedragx f 1000105 38995 26791 47189 71088 97288 958

03.20.19 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van zowel de personeelssterkte als de activiteitenplanning. De uitgaven hebben onder meer betrekking op kleding en uitrusting, voeding, reizen, verplaatsen, representatie, geneeskundige verzorging, overige personele zaken, persoonsgebonden toelagen en uitkeringen, onderwijs en opleidingen, vliegopleidingen en de inhuur van tijdelijk personeel.

De ramingen betreffen zowel die voor het ressort Admiraliteit zelf als de nog niet gedecentraliseerde uitgavenbudgetten ten behoeve van de gehele Koninklijke marine. De ramingskengetallen ten behoeve van de gehele Koninklijke marine zijn derhalve opgenomen onder dit ressort.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren26,619,719,719,719,719,7
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 172 07672 07672 07672 07672 07672 076
– totale uitgavenx f 10001 9161 4201 4201 4201 4201 420
– overige persoonsgebonden personele uitgaven voor de Admiraliteitaantal vte'n (bp en mp)1 8611 7071 5991 5841 5731 573
– gemiddeld per vtex f 13 9334 2844 5734 6174 6494 649
– totale uitgavenx f 10007 3197 3137 3137 3137 3137 313
– overige persoonsgebonden uitgaven voor de gehele Koninklijke marineaantal vte'n (bp en mp)17 56917 17016 74616 72316 64716 529
– gemiddeld per vtex f 13 9183 9274 0284 1794 1934 251
– totale uitgavenx f 100068 84067 43567 45969 87969 79670 260
Totaal toegelicht bedragx f 100078 07576 16876 19278 61278 52978 993

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

In verband met piekbelasting, ontstaan door het niet invullen van vacatures, wordt personeel ingehuurd.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven voor de Admiraliteit

Het betreft hier de uitgaven voor reizen van het ressort Admiraliteit.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven voor de gehele Koninklijke marine

Het betreft hier de uitgaven voor kleding en uitrusting, voeding, verplaatsen, representatie, persoonsgebonden toelagen en uitkeringen, onderwijs en opleiding, vliegopleidingen, geneeskundige verzorging en overige personele zaken.

03.20.20 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven geraamd. Dit zijn uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, geneeskundig materiaal, bevoorrading, onderhoud en herstel van het materieel, munitie, data- en telecommunicatie, inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel gebouwen en terreinen, onderhoud en herstel van het materieel, zaken van operationele aard, uitbestedingen aan O-, I- en A-deskundigen, B.T.W., invoerrechten en accijnzen, milieu, brandstoffen, olie en smeermiddelen alsmede de uitgaven voor het oplossen van de millenniumproblemen.

De ramingen betreffen zowel het ressort Admiraliteit als de nog niet gedecentraliseerde uitgavenbudgetten ten behoeve van de gehele Koninklijke marine. De ramingskengetallen ten behoeve van de gehele Koninklijke marine zijn derhalve opgenomen onder dit ressort.

Ramingskengetallen materiële uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– O-, I - & A- deskundigheidaantal mensjaren3,52,52,12,12,12,1
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 1257 040257 040257 040257 040257 040257 040
– totale uitgavenx f 1000890650550550550550
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)17 56917 17016 74616 72316 64716 529
– gemiddeld per vtex f 15 9476 3096 3976 1466 1776 278
– totale uitgavenx f 1000104 491108 331107 124102 783102 828103 777
Totaal toegelicht bedragx f 1000105 381108 981107 674103 333103 378104 327
– overige materiële uitgavenx f 1000213 424193 619192 506202 564191 119197 178
Totaal materiële uitgavenx f 1000318 805302 600300 180305 897294 497301 505

Toelichting O-, I- en A-deskundigheid

Enkele advieswerkzaamheden op het gebied van de automatisering en de bedrijfsvoering worden aan extern personeel uitbesteed.

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

Dit zijn de uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, bestuurlijke informatiesystemen, data en telecommunicatie, inventarisgoederen en klein materieel, geneeskundig materieel, trainingssystemen, herbevoorrading van persoonsgebonden artikelen, milieu en overige materiële zaken die ten behoeve van de gehele Koninklijke marine worden beheerd door het ressort Admiraliteit.

Toelichting overige materiële uitgaven

Naast de uitgaven voor de persoonsgebonden materiële uitgaven en de uitgaven voor de uitbestedingen aan O-, I- en A-deskundigheid, worden binnen dit ressort brandstoffen, olie en smeermiddelen zijn met ramingskengetallen toegelicht. In 1998 is aan de P3-C Orion patrouillevliegtuigen meer dan normaal onderhoud gepleegd. Hierdoor is in dat jaar minder dan normaal gevlogen en derhalve minder kerosine verbruikt. Voor 1999 wordt weer een normaal verbruik voorzien.

 
Omschrijving 19981999
Brandstoffen en smeermiddelen:    
• gasolie schepenx 1000 m385,884,4
• kerosine patrouillevliegtuigenx 1000 m310,614,2
• helikopterbrandstofx 1000 m32,22,2
• Totale uitgavenx f 100033 37940 340

Op dit ressort worden tevens de uitgaven voor het onderhoud en herstel van het materieel en de herbevoorrading geraamd. De in omvang belangrijkste posten zijn het onderhoud en het herstel van de fregatten, de bevoorradingsschepen, de onderzeeboten en de mijnenbestrijdingsvaartuigen. Delen hiervan worden bij het ressort Ondersteunende eenheden geraamd. De geraamde bedragen worden grotendeels bepaald door de omvang van de vloot, de leeftijd van de verschillende schepen en het Vaar- en onderhoudsplan.

Ook de uitgaven voor het onderhoud en herstel en de herbevoorrading van het bewapeningsmaterieel, de uitgaven op het gebied van onderhoud en herstel en herbevoorrading van het elektronisch en nautisch materieel worden in dit ressort geraamd. Voor deze posten wordt in totaal f 50,4 miljoen geraamd.

Het niet bij het ressort CZMNED ondergebracht deel van de uitgaven voor het onderhoud en herstel van de maritieme patrouillevliegtuigen van het type P3-C Orion en de Lynx-helikopters van de Marine Luchtvaart Dienst wordt binnen het ressort Admiraliteit geraamd. De raming hiervoor in het jaar 1999 bedraagt f 11,4 miljoen.

De uitgaven voor munitie voor het Korps Mariniers, Oto Melara-kanons van de fregatten en overige scheeps- en vliegtuigmunitie, voor zover aangeschaft voor oefendoeleinden, worden binnen het ressort Admiraliteit geraamd. De raming hiervoor in het jaar 1999 bedraagt f 25,9 miljoen.

Binnen het ressort Admiraliteit worden delen van de uitgaven op het gebied van onderhoud van gebouwen en terreinen alsmede de voorzieningen aan gebouwen en terreinen geraamd. Daarnaast worden hier de uitgaven geraamd met betrekking tot de ondergrondse infrastructuur, zoals rioleringen en pijpleidingen, alsmede de kleine renovatieprojecten. De hoogte van de onderhoudsuitgaven is mede afhankelijk van de mogelijkheid om nieuwbouwinvesteringen te plegen. De raming in het ressort Admiraliteit voor het jaar 1999 bedraagt f 45,9 miljoen.

De bedragen voor B.T.W. die niet kunnen worden toegerekend aan specifieke uitgaven, worden binnen het ressort Admiraliteit opgenomen. Hiervoor is een bedrag geraamd van f 10 miljoen.

Daarnaast worden kleinere uitgaven geraamd. De totale omvang in 1999 bedraagt f 9,6 miljoen.

Artikelonderdeel 03.20.21 Wachtgelden en inactiviteitswedden

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor het burger- en militair personeel van de Koninklijke marine. Naast het reguliere wachtgeld worden op dit artikelonderdeel ook de uitgaven voor wachtgelden en uitstroombevorderende maatregelen geraamd en verantwoord die uit het Sociaal Beleidskader (SBK) voortvloeien.

Volgens het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit artikelonderdeel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De geraamde bedragen en ramingskengetallen wachtgelden en inactiviteitswedden
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Wachtgelden SBK/UBMO        
burgerpersoneel:       
– aantallen in uitkeringsjarenaantal281312348393425398
– bedrag per uitkeringsjaarx f 147 18149 80151 26451 90651 73951 731
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 00013 25815 53817 84020 39921 98920 589
Overige wachtgelden burgerpersoneel:        
– aantallen in uitkeringsjarenaantal135135130125122120
– bedrag per uitkeringsjaarx f 140 28938 46734 62333 51232 55731 192
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0005 4395 1934 5014 1893 9723 743
Wachtgelden SBK/UBMO        
militair personeel:        
– aantallen in uitkeringsjarenaantal263639353224
– bedrag per uitkeringsjaarx f 137 61541 88945 07746 54346 75040 458
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0009781 5081 7581 6291 496971
Werkloosheidsbesluit militairen:        
– aantallen in uitkeringsjarenaantal285285285285285285
– bedrag per uitkeringsjaarx f 124 14024 09524 07424 06024 03924 039
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0006 8806 8676 8616 8576 8516 851
Overige wachtgelden militair personeel:        
– aantallen in uitkeringsjarenaantal433612876
– bedrag per uitkeringsjaarx f 127 53527 13927 75025 37528 71427 833
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0001 184977333203201167
Totaal toegelicht met ramingskengetallenx f 1 00027 73930 08331 29333 27734 50 932 321
Bij: uitvoeringskostenx f 1 0004 4804 4164 4164 4164 4164 416
Totale uitgaven wachtgelden en inactiviteitsweddenx f 1 00032 21934 49935 70937 69338 92536 737
Stand 1e suppletore begroting 1998x f 1 00034 35736 47137 68539 64540 874 
Nieuwe mutatiesx f 1 000– 2 138– 1 972– 1 976– 1 952– 1 949 

Toelichting nieuwe mutaties

De mutatie is het gevolg van een neerwaartse bijstelling van de instroomraming ten opzichte van de eerste suppletore begroting 1998. Daarnaast zijn de uitgaven op het loonpeil 1998 gebracht en heeft een aanvulling plaatsgevonden voor de introductie van premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba).

Uitgaven Sociaal Beleidskader

De geraamde uitgaven voor wachtgelden in verband met het Sociaal Beleidskader (SBK) en de Uitstroombevorderende Maatregel Ouderen (UBMO) worden beïnvloed door de nog in uitvoering zijnde reorganisatie van de Koninklijke marine. Het beleid blijft er op gericht de instroom in de wachtgeldregelingen te beperken, vooral door het gebruik van de SBK-instrumenten gericht op de tewerkstelling van overtollig personeel van de Koninklijke marine binnen en buiten de (Rijks)overheid.

In onderstaand overzicht zijn de voorziene uitgaven voor het Sociaal Beleidskader opgenomen. De uitgaven hebben zowel betrekking op burgerpersoneel als op militair personeel van de Koninklijke marine. De uitgaven worden, met uitzondering van de wachtgelden, verantwoord ten laste van de artikelonderdelen ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel en overige personele uitgaven. De uitgaven van de wachtgelden worden geraamd en verantwoord ten laste van dit artikelonderdeel 03.20.21.

 
Sociaal Beleidskader (bedragen x f 1000) 199819992000200120022003
– Om-, her-, bijscholing en outplacement 280280280280280280
– Verplaatsen 100100100100100100
– Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel 13 25815 53817 84020 39921 98920 589
– Wachtgelden SBK/UBMO militair personeel 9781 5081 7581 6291 496971
– BDOS plaatsingen burgerpersoneel 2 8293 6736 5055 7011 1100
– BDOS plaatsingen militair personeel 2 5713 3222 2761 03200
Totaal Sociaal Beleidskader 20 01624 42128 75929 14124 97521 940

03.21 Subsidies en bijdragen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden uitgaven geraamd voor subsidies en bijdragen. Deze worden verleend aan instanties die activiteiten uitvoeren die het belang van de Koninklijke marine direct of indirect dienen. De doelstellingen van deze instanties worden uiteengezet in bijlage 6 (de subsidiebijlage).

In overeenstemming met het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit begrotingsartikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
   199819992000200120022003 
Stand ontwerpbegroting 1998  848838778768768  
1e suppletore wet 1998  
Nieuwe mutaties  – 315– 305– 295– 285– 285  
Stand ontwerpbegroting 1999  533533483483483483 

Toelichting op de nieuwe mutaties

Het grootste deel van het aan de Stichting Militaire Tehuizen Overzee (SMTO) toekomende bedrag betreft zaken die niet onder de subsidieregeling valt. Om die reden is een en ander dan ook aangepast. Wat nu nog wordt geraamd en verantwoord (f 0,015 miljoen), betreft de feitelijke subsidie.

De onderverdeling naar artikelonderdelen respectievelijk soort van subsidies en bijdragen (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 199819992000200120022003
03.21.01Koninklijke marine jachtclub117117117117117117
03.21.02Marine Watersportvereniging717171717171
03.21.03Marine Sanatoriumfonds555555
03.21.04Koninklijke Vereniging Marine Officieren757575757575
03.21.05Zeekadetkorps Nederland505050505050
03.21.06Stichting Militaire Tehuizen Overzee151515151515
03.21.07Bijdrage aan het ministerie van Economische Zaken ten behoeve van het Nederlands Instituut voor Maritieme Ontwikkeling (NIM)200200150150150150
Totaal533533483483483483

03.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd voor de investeringen in groot materieel en infrastructuur die niet onder het begrotingsartikel 03.20 Personeel en materieel worden geraamd en verantwoord.

Het beleid is gericht op de verbetering van het bestaande materieel, de opheffing van tekortkomingen en vervanging van verouderd materieel. De nadruk ligt op investeringen ten behoeve van luchtverdediging, mijnenbestrijding, onderzeebootbestrijding in kustwateren en vergroting van de strategische mobiliteit bij inzet voor crisisbeheersingsoperaties.

De belangrijkste projecten in de komende jaren zijn de aanbouw van de fregatten van De Zeven Provinciën-klasse, het Capability Upkeep Program (CUP) van de P3-C Orion maritieme patrouillevliegtuigen, het project aanpassing mijnenbestrijdingscapaciteit (PAM) en het project NH-90. Daarnaast is het project Millennium opgenomen waarin fondsen zijn gereserveerd voor detectie, analyse, reparatie en testen van systemen.

Daarnaast worden infrastructurele projecten uitgevoerd. Dit betreft renovatie en nieuwbouw, mede als gevolg van de aanpassing van de organisatie en nieuwe wetgeving op het gebied van ARBO en Milieu.

Het artikel is onderverdeeld in de volgende artikelonderdelen: schepen, vliegtuigen, elektronisch materieel, munitie, overig groot materieel en infrastructuur.

Het geheel van de bij de artikelonderdelen genoemde ontwikkelingen leidt tot de mutaties in de verplichtingen- en uitgavenopbouw van de genoemde projecten.

De ramingen zijn in prijspeil 1998.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  885 4312 028 312572 775537 590885 828 
Verwerking amendement Zijlstra  – 4 400  
Stand autorisatie begroting 1998  881 0312 028 312572 775537 590885 828 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  1 225 516– 4 040– 3 965– 3 965– 3 965 
Stand 1e suppletore wet 1998  2 106 5472 024 272568 810533 625881 863 
Nieuwe mutaties:         
Fregatten van De Zeven Provinciënklasse  313 80060 100– 15 800– 14 300– 130 200 
Vervanger S/L fregatten  0000– 303 200 
Aanpassing mijnenbestrijdingscapaciteit  – 538 400634 80012 700– 43 1005 500  
NH-90  – 74 30072 800– 160 700203 600– 21 500 
Cup P3-C Orion  – 244 800278 300000 
Millennium  8 48046 310000 
Vorming één marinebedrijf  – 7 700– 5 00011 00000 
Overige projecten, per saldo  – 27 524– 179 869– 46 901310 01497 358 
Stand ontwerpbegroting 19991 287 432445 5681 536 1032 931 713369 109989 839529 821605 415
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  846 569958 1961 050 691969 7661 007 355 
Verwerking amendement Zijlstra  – 4 400  
Stand autorisatiebegroting 1998  842 169958 1961 050 691969 7661 007 355 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  24 816– 4 040– 3 965– 3 965– 3 965 
Stand 1e suppletore wet 1998  866 985954 1561 046 726965 8011 003 390 
Nieuwe mutaties:         
Fregatten van De Zeven Provinciënklasse  – 52 39461 01035 71131 5475 668 
Vervanger S/L fregatten  0000– 3 000 
Aanpassing mijnenbestrijdingscapaciteit  – 127 744– 104 0229 53036 52830 278  
NH-90  – 9 078– 7 136– 26 461– 23 782– 14 355 
Cup P3-C Orion  – 5 600– 29 100– 15 969– 22 922– 18 362 
Millennium  1 78043 2509 76000 
Vorming één marinebedrijf  – 6 923– 1 13811 06800 
Overige projecten, per saldo  25 277– 13 507– 48 556– 76 333– 50 998 
Stand ontwerpbegroting 1999  692 303903 5131 021 809910 839952 621973 115

Artikelonderdeel Schepen

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Schepen1 211 300831 200416 381556 759643 287560 210551 641480 598

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor investeringen in het varend materieel van de Koninklijke marine. De volgende projecten worden thans financieel afgerond: Multi-Purpose Fregatten, Vervanging Poolster (AOR), Landing Platform Dock (amfibisch transportschip) en de onderzeeboten van de Walrus-klasse. Voor het project fregatten van de De Zeven Provinciën-klasse zijn de verplichtingen voor de bouwmeestercontracten alsmede een aantal Sensor-, Wapen- en Commandosysteem (Sewaco)-onderdelen al aangegaan. De Landing Craft Utilities zijn eveneens aanbesteed. De projecten Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit (PAM) en Vervanging Zuiderkruis zijn in voorbereiding. Voor het project vervanging S/L Fregatten zijn tot en met het jaar 2003 geen uitgaven geraamd. De projecten fregatten van de De Zeven Provinciën-klasse en Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit worden hieronder toegelicht.

Project fregatten van de De Zeven Provinciën-klasse

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Fregatten De Zeven Provinciën-klasse1 148 903120 778314 795470 389488 535414 289343 006314 730

Op 2 maart 1998 is bij de Koninklijke Schelde Groep de bouw begonnen van het eerste fregat van de De Zeven Provinciën-klasse (LCF-project). Het betreft hier een serie van vier luchtverdedigings- en commandofregatten die de twee geleide wapenfregatten van de Tromp-klasse en twee van de vier resterende standaardfregatten zullen vervangen. De Koninklijke marine verzorgt de verwerving en de integratie van de Sewaco-systemen. Door een vertraging in de verwerving van onderdelen van het luchtverdedigingssysteem heeft een aanpassing van betalingsmomenten plaatsgevonden. Het betreft hier met name de radarsystemen «Active Phased Array Radar» (APAR) en SMART-L. Het budget voor het totale project blijft ongewijzigd.

De proeftocht van het eerste schip is voorzien in 2001 en de overdracht aan de Koninklijke marine in 2002. De volgende drie schepen volgen telkens een jaar later. In het project wordt onder meer samengewerkt met Duitsland en Spanje.

De verplichtingen die in 1998 worden aangegaan, hebben betrekking op onder andere de SMART-L, de APAR, het informatieverwerkendsysteem en de sonar.

Op 18 maart 1998 is het parlement ingelicht over de voortgang van het project met een gecombineerde basisbeschrijving en eerste jaarrapportage (Kamerstukken II, 25 800 X, nr. 3). Het budget voor het LCF-project bedraagt f 3195,4 miljoen voor nieuwbouw en f 94,2 miljoen voor walreservedelen.

Project Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
PAM 685 7096 00353 281148 412115 496123 89582 767

Het project aanpassing mijnenbestrijdingscapaciteit (PAM) betreft het samenvoegen van de eerdere projecten «vervanging mijnenbestrijdingscapaciteit Dokkum-klasse» en «Capability Upkeep Program Alkmaarklasse». De instandhouding van de hydrografische capaciteit is eveneens onderdeel van het project.

Als gevolg van de invulling van de taakstelling uit het regeerakkoord wordt het beschikbare budget voor 1999 verlaagd met f 71,9 miljoen. Hierdoor zal het project een jaar extra vertragen, met als gevolg dat de verbeterde mijnenbestrijdingscapaciteit later beschikbaar zal komen.

Onderdeel van het PAM is de instandhouding van de hydrografische capaciteit van de Koninklijke marine. Gezien de technische staat van de Noordzee-opnemers dient de verplichting voor de instandhouding van de hydrografische capaciteit in 1999 te worden aangegaan.

Tevens worden de verplichtingen voor het mijnenvernietigingssysteem en de sonarsystemen in 1999 aangegaan.

Het budget voor het PAM-project blijft ongewijzigd f 753,9 miljoen.

Artikelonderdeel vliegtuigen

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Vliegtuigen23 2001 399 90017 50328 71358 37070 53084 323100 359

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor het vliegend materieel van de Koninklijke marine. Het betreft hier voornamelijk de vervanging van de Lynx-helikopters en de CUP van de P3-C Orion maritieme patrouillevliegtuigen. Deze projecten worden hieronder toegelicht. Andere projecten die op dit artikelonderdeel worden geraamd, zijn de Bolted Main Rotorheads voor de Lynx-helikopters en het Global Positioning System (GPS) voor de P3-C Orion maritieme patrouillevliegtuigen.

Project NH-90

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
NH-901 8021 121 57612 32818 88937 75351 42758 65169 244

Het NH-90 project is een internationaal samenwerkingsproject dat wordt uitgevoerd met Frankrijk, Duitsland en Italië. Voor Nederland gaat het om de vervanging van de 22 Lynx-helikopters van de Koninklijke Marine door 20 NH-90-helikopters in de maritieme versie. Eind 1997 is de offerte van de industrie voor de pre-productie- en productiefase ontvangen. De positiebepaling van de landen onderling en de onderhandelingen met de industrie hierover zijn nog gaande.

Voor zowel de productievoorbereiding als de productie zelf wordt uitgegaan van het aangaan van de verplichtingen in 1999. Oplevering van de eerste helikopters is voorzien vanaf 2004. De planning staat echter onder druk.

Het parlement is op 10 maart 1998 (Kamerstukken II, 25 928 X, nr. 1 ) ingelicht over de voortgang van het project. Het budget voor het NH-90 project bedraagt f 1727,8 miljoen.

Project Capability Upkeep Program voor de P3-C Orions

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
CUP 278 312  15 33917 10323 67229 115

Het CUP voor de maritieme patrouillevliegtuigen betreft de modernisering van de sensor-, wapen- en commandosystemen van de P3-C Orions van de Koninklijke marine. Tijdens de voorstudie is de behoeftestelling nogmaals bezien en is overleg gevoerd met de Navo-bondgenoten omtrent aansluitingen bij soortgelijke programma's. Hierbij is gebleken dat de projectdefinitie van voor het project van belang zijnde overeenkomstige programma's eerst in de tweede helft van 1998 definitief zal worden vastgesteld. Als gevolg van de invulling van het regeerakkoord wordt het beschikbare budget in 1999 verlaagd met f 3,4 miljoen. Hierdoor wordt het CUP een jaar vertraagd en zal de verbeterde capaciteit van de P3-C Orion later beschikbaar komen.

Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat de gehele verplichting voor het CUP in 1999 zal worden aangegaan.

Rond de jaarwisseling zal het parlement nader worden ingelicht. Voor dit project is ongewijzigd f 278,3 miljoen gereserveerd.

Artikelonderdeel elektronisch materieel

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Elektronisch materieel82 500180 20063 59447 38246 71261 51888 40490 691

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor het elektronisch materieel van de Koninklijke marine, voor zover deze niet in een projectbudget onder een ander artikelonderdeel zijn opgenomen. Het gaat om het Verbeterd Actief Onderzeebootbestrijdingssysteem ATAS, het project Local Area Missile System (LAMS), het project satellietcommunicatie voor militair gebruik (MILSATCOM), het geïntegreerd verbindingsproject, de vervanging verbindingsapparatuur Mariniers, de update van de Lynx full-mission flighttrainer, de basistrainer M-fregatten, navigatie- en communicatiemiddelen en de P3-C Orion radio-, peil-, zoek- en ontvangst-apparatuur en 99-kanaals sonoboeiontvanger. De projecten ATAS, LAMS en MILSATCOM worden onderstaand nader toegelicht.

Project Verbeterd Actief Onderzeeboot Bestrijdingssysteem ATAS

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
ATAS 104 600  5 50015 80026 10029 500

Het Active Towed Array System (ATAS) is bedoeld voor het verbeteren van de actieve opsporingscapaciteit onder andere bij de meer complexe onderzeebootbestrijdingsoperaties dicht bij land en in ondiep water. Het voornemen bestaat de M-fregatten met deze systemen uit te rusten. Het project is in een gecombineerde voorstudie/studiefase. Als gevolg van de invulling van het regeerakkoord wordt het beschikbare budget in 1999 verlaagd met f 1,2 miljoen. Hierdoor wordt het project een jaar vertraagd en zal de verbeterde opsporingscapaciteit later beschikbaar komen.

Project Local Area Missile System (LAMS)

Het project Local Area Missile System (LAMS) is een ontwikkelingsproject met een viertal onderdelen. Deze vormen de kern van het luchtverdedigingssysteem van de fregatten van de De Zeven Provinciën-klasse (LCF-project). In het kader van de gecombineerde basisbeschrijving en eerste jaarrapportage van het LCF-project (Kamerstukken II, 25 800 X, nr. 3 ) is tevens gerapporteerd omtrent de voortgang van het project LAMS.

Het project bevindt zich in de eindfase. Van de totale projectomvang van f 130,5 miljoen moet nog f 12,5 miljoen worden betaald.

Project MILSATCOM

Dit project voorziet in de krijgsmachtbrede behoefte aan satellietcommunicatiecapaciteit voor militair gebruik. Voor het project is een investeringsbudget geraamd van f 283 miljoen. Het budget is op basis van verbruikseenheden volgens een vaste verdeelsleutel aan de krijgsmachtdelen toegerekend.

De Koninklijke marine is belast met de uitvoering van dit project. Het DMP-B document is op 9 februari 1998 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 1997/98, 25 886 X, nr. 1).

Dit project maakt deel uit van de invulling van de taakstelling uit het regeerakkoord. Voor de Koninklijke marine heeft dit in 1999 geen financiële consequenties.

Artikelonderdeel munitie

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Munitie68 600360 40015 11544 99770 70076 28085 010145 048

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor de aanschaf van kapitale munitie zoals onder andere de Standard-Missiles, de Nato Seasparrow missiles (NSSM), de Evolved Seasparrow Missiles (ESSM), de Harpoon-missiles en de torpedo's. Tevens wordt rekening gehouden met de aanschaf van conventionele munitie, zoals die voor de klein kaliber wapens en de Oto Melara-kanons, voor zover deze munitie als aanvulling van de oorlogsvoorraden wordt verworven.

Als norm voor de kapitale munitie wordt de «Nato maritime stockpile planning guidance» (NMSPG) gehanteerd. In deze NMSPG zijn de normen voor de Koninklijke marine vastgesteld, uitgaande van de sterkte en samenstelling van de vloot volgens de Prioriteitennota.

Artikelonderdeel overig groot materieel

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Overig groot materieel55 503103 61393 311121 57098 44059 26259 60473 280

Dit artikelonderdeel betreft projecten die naar hun aard niet in één van de andere artikelonderdelen van het groot materieel kunnen worden ondergebracht, waaronder automatisering van de bestuurlijke informatiesystemen en projecten die niet groter zijn dan f 5 miljoen. Van de projecten met een omvang van meer dan f 5 miljoen, betreft het hier onder andere:

Project vorming één marinebedrijf

Als uitvloeisel van de doelmatigheidsoperatie is besloten tot het vormen van één onderhoudsbedrijf voor de Koninklijke marine. Het nieuwe bedrijf zal worden gevormd uit achtereenvolgens de Rijkswerf, het Sewacobedrijf en het MEOB-Oegstgeest. De verhuizing van het MEOB-Oegstgeest naar Den Helder en de volledige integratie tot één marinebedrijf zal naar verwachting in 2000 zijn voltooid. Medio 1997 zijn de afzonderlijke bedrijven reeds bestuurlijk samengevoegd.

Project Millennium

De millenniumproblematiek kan zich voordoen bij alle informatiesystemen, zowel bij wapen- en commandosystemen als bij bestuurlijke informatiesystemen. De systemen die vitaal zijn voor de continuïteit van de primaire taakstelling van de Koninklijke marine krijgen prioriteit bij het onderzoek naar en waar nodig, het oplossen van het millenniumprobleem. Voorts worden plannen opgesteld voor de eventuele noodzakelijke aanpassing van de overige systemen. De detectie, analyse, reparatie en het testen van de binnen de Koninklijke marine aanwezige systemen wordt geraamd op f 81,5 miljoen, waarvan f 48 miljoen in 1999. Van het totaal is f 54,8 miljoen als projectbudget specifiek voor het oplossen van het millenniumprobleem gereserveerd. De overige f 26,7 miljoen maakt onderdeel uit van reguliere budgetten, waarvan f 5,3 miljoen in het investeringsartikel en f 21,4 miljoen in het artikel Personeel en materieel.

Van de raming voor 1999 wordt f 26,2 miljoen gefinancierd uit de co-financiering van het ministerie van Financiën. De overige f 21,8 miljoen is binnen de begroting van de Koninklijke marine gevonden, met name door het vertragen van investeringsprojecten.

Artikelonderdeel Infrastructuur

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Infrastructuur95 00056 40086 399104 092104 30083 03983 63983 139

Op dit artikelonderdeel wordt het (nieuw-)bouwprogramma voor gebouwen, werken en terreinen voor de Koninklijke marine geraamd. Binnen dit artikelonderdeel vinden als gevolg van het actualiseren van de ramingen diverse bijstellingen plaats. Deze aanpassingen in het bouwprogramma leiden tot een verlaging van de ramingen, met name in de jaren 2001 en 2002. In de nieuwe ramingen zijn onder meer de volgende ontwikkelingen verwerkt:

– de nieuwbouw van de kantoorruimten voor het Commandement Zeemacht in het Caribisch Gebied is in uitvoering en zal in 1998 zijn afgerond. Dit wordt gecombineerd met ruimten voor de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba;

– de bouw van het zendstation Ouddorp heeft vertraging opgelopen. Het project is in 1997 begonnen en zal in 1998 worden voltooid;

– op de Van Ghentkazerne te Rotterdam is de nieuwbouw voor het hoofdkwartier van het Korps Mariniers uitgesteld. Eerst moeten enkele noodzakelijke legeringsgebouwen en het bedrijfsrestaurant gereed zijn;

– aanpassing van de haven en de noodzakelijke uitbreiding van de loodsen op de Joost Dourlein-kazerne op Texel. Deze projecten zullen in 1998 beginnen;

– op de marinekazerne Willemsoord op het Nieuwe Haventerrein in Den Helder zijn de nieuwbouw en de renovatiewerkzaamheden ten behoeve van de legering van officieren en kantoorruimte voor CZMNED vertraagd.

04. BELEIDSTERREIN KONINKLIJKE LANDMACHT

Algemeen

De uitgaven onder het artikel 04.20 Personeel en materieel bij het beleidsterrein Koninklijke landmacht zijn verdeeld over vijf ressorts (en het artikelonderdeel wachtgelden): het 1(GE/NL) Legerkorps, het Nationaal Commando, het Commando Opleidingen Koninklijke landmacht, de groep Overige eenheden Bevelhebber Landstrijdkrachten (BLS) en de Landmachtstaf. De artikelen 04.21 Subsidies en 04.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur completeren de begroting van de Koninklijke landmacht. De totale geraamde uitgaven van de Koninklijke landmacht voor de jaren 1998 tot en met 2003 zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 1000199819992000200120022003
04.20 Personeel en materieel       
– 1(GE/NL) Legerkorps1 097 5531 000 369991 974981 132961 686959 491
– Nationaal Commando1 174 0751 130 3601 092 6521 064 6301 044 9461 034 487
– Commando Opleidingen Koninklijke landmacht298 111438 826437 017439 141437 896440 823
– Overige eenheden Bevelhebber der Landstrijdkrachten885 499909 563834 091832 376834 259822 275
– Landmachtstaf97 81972 15570 93771 40671 55771 552
– Wachtgelden en inactiviteitswedden111 827107 881108 353108 842103 06296 173
Totaal Personeel en materieel3 664 8843 659 1543 535 0243 497 5273 453 4063 424 801
04.21 Subsidies en bijdragen1 8491 8541 8531 8581 8611 861
04.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur808 1371 050 0281 133 6391 078 0411 201 1901  084 449
Totale uitgaven4 474 8704 711 0364 670 5164 577 4264 656 4574 511 111

Uitgaven die betrekking hebben op de samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba en op attachés worden, overeenkomstig de nota «Herijking van het buitenlands beleid» (Kamerstukken II 1994/95, 24 337 X, nr. 1), verantwoord op het artikel 08.04 Overige uitgaven Internationale Samenwerking.

04.20 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Naar aanleiding van de gewijzigde begrotingsindeling, als gevolg van de integratie van de begrotingsartikelen personeel en materieel en het Verbeterd Economisch Beheer (Kamerstukken II 1995/1996, 24 400 X, nr. 113), wordt met ingang van de begroting 1998 inzicht gegeven in de bedrijfsvoeringsuitgaven per ressort. De vijf ressorts waar het bij de Koninklijke landmacht om gaat zijn: het 1(GE/NL) Legerkorps, het Nationaal Commando, het Commando Opleidingen Koninklijke landmacht, de groep Overige Eenheden BLS en de Landmachtstaf. Per ressort worden vier vaste artikelonderdelen gepresenteerd: ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel, overige personele uitgaven en materiële uitgaven. Met ingang van de begroting 1998 worden de wachtgelduitgaven voor het burger- en het militair personeel op het artikelonderdeel 04.20.21 geraamd en verantwoord.

De uitgaven voor het actief dienend personeel zijn geraamd met behulp van het Systeem Nieuwe Integrale Personeelsbegroting (SNIP). De uitkomst hiervan is aangepast voor de categorieën (Niet-Nederlands Hulppersoneel, Nationale Reserve-(NATRES)personeel en zakgelders) die niet in het SNIP zijn opgenomen en voor ontwikkelingen in de komende jaren.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  3 545 0123 415 7113 245 4293 215 5143 176 873 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  1 959– 3 011– 3 185– 2 748– 2 420 
Stand 1e suppletore wet 1998  3 546 9713 412 7003 242 2443 212 7663 174 453 
Nieuwe mutaties:         
1(GE/NL) Legerkorps  44 640– 67 096– 97 763– 140 835– 157 570 
Nationaal Commando  124 640105 968116 959113 835108 959 
Commando Opleidingen KL  – 575160 145160 517161 988161 373 
Overige eenheden BLS   59 01286 80356 104175 454117 689 
Landmachtstaf  – 1 848– 18 400– 12 296– 10 282– 8 832 
Wachtgelden en inactiviteitswedden  – 16 973– 23 019– 12 347642– 2 338 
Stand ontwerpbegroting 1999 489 4903 755 8673 657 1013 453 4183 513 5683 393 7343 386 596

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  3 480 6863 409 1233 332 7183 291 3893 252 120 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  1 959– 3 011– 3 185– 2 748– 2 420 
Stand 1e suppletore wet 1998  3 482 6453 406 1123 329 5333 288 6413 249 700 
Nieuwe mutaties:         
1(GE/NL)Legerkorps  47 667– 67 096– 97 763– 140 835– 157 570 
Nationaal Commando  127 749115 542126 758122 489112 804 
Commando Opleidingen KL  1 110160 145160 517161 988161 373 
Overige eenheden BLS   20 04185 87040 62274 88498 269 
Landmachtstaf  2 645– 18 400– 12 296– 10 282– 8 832 
Wachtgelden en inactiviteitswedden  – 16 973– 23 019– 12 347642– 2 338 
Stand ontwerpbegroting 1999  3 664 8843 659 1543 535 0243 497 5273 453 4063 424 801

Toelichting op de nieuwe uitgavenmutaties

Bovenvermelde verplichtingen- en uitgavenmutaties worden toegelicht bij de ramingen van de ressorts en het artikelonderdeel Wachtgelden en inactiviteitswedden.

De verplichtingen en uitgaven 1(GE/NL) Legerkorps

Het ressort betreft het Nederlandse deel van 1(GE/NL) Legerkorps. Dit bestaat uit 1(NL) Divisie «7 December», 11 Luchtmobiele brigade en het Nederlandse aandeel in de binationale legerkorpsstaf en de binationale legerkorpstroepen (Command Support Group).

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 199819992000200120022003199819992000200120022003
04.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel20 6729 4479 4589 4669 4499 45220 6729 4479 4589 4669 4499 452
04.20.02 Militair personeel948 507861 172859 003847 836827 816825 343948 507861 172859 003847 836827 816825 343
04.20.03 Overige personele uitgaven38 43238 26638 42139 48139 47539 56238 64638 26638 42139 48139 47539 562
04.20.04 Materiële uitgaven86 91591 48485 09284 34984 94685 13489 72891 48485 09284 34984 94685 134
Stand ontwerpbegroting 19991094 5261000 369991 974981 132961 686959 4911097 5531000 369991 974981 132961 686959 491
Stand 1e suppletoor 19981049 8861067 4651089 7371121 9671119 256 1049 8861067 4651089 7371121 9671119 256 
Nieuwe mutaties44 640– 67 096– 97 763– 140 835– 157 570 47 667– 67 096– 97 763– 140 835– 157 570 

Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19981999200020012002
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199891 484126 174128 768126 668121 980
Sub-totaal technische bijstellingen91 484126 174128 768126 668121 980
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing van de begrotingssterkte– 31 717– 181 881– 210 604– 265 469– 274 657
– overige mutaties, per saldo– 12 100– 11 389– 15 927– 2 034– 4 893
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen– 43 817– 193 270– 226 531– 267 503– 279 550
Totaal van de nieuwe mutaties47 667– 67 096– 97 763– 140 835– 157 570

Toelichting op de nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast op het prijs- en loonniveau 1998. In de loonbijstellingsbedragen is de compensatie voor de Pemba-uitgaven begrepen (introductie van premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen).

Door met name de stijging van de VROB-component is het gemiddelde salaris van militair personeel van 1(GE/NL) Legerkorps aanzienlijk gestegen. Het gemiddelde salaris van een BBT'er ligt ook hoger als gevolg van het beleid om meer contractverlengingen aan te bieden. De BBT'er blijft hierdoor immers langer in dienst en ontvangt meer periodieken.

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing van de begrotingssterkte

Per 1 januari 1999 worden de schoolbataljons van het 1(GE/NL) Legerkorps overgeheveld naar het Opleidingscentrum Initiële Opleidingen (OCIO) van het ressort COKL. Als gevolg hiervan worden met ingang van 1 januari 1999 170 burger vte'n en 577 militaire vte'n overgeheveld. Gelijktijdig worden ook de daarbij behorende overige personele en materiële uitgaven overgeboekt.

Een verbeterd inzicht in de personele planning leidt voorts tot een neerwaartse bijstelling van het burgerpersoneelsbestand van 34 vte'n.

De bijstelling op de militaire personeelssterkte betreft met name de verschuiving tussen BOT- en BBT-personeel. Tot 2003 zal het militaire personeelsbestand (BOT en BBT) ongeveer 13 800 vte'n bedragen. Daarbinnen vindt echter een verschuiving plaats van het relatief duurdere BOT-personeel naar het relatief goedkopere BBT-personeel. Ook is ten opzichte van de vorige begroting rekening gehouden met een lagere instroom van BBT-personeel. Doordat het instrument van contractverlengingen wordt toegepast om de gevolgen van de tegenvallende werving te beperken, kan met een lagere instroom worden volstaan.

Overige mutaties, per saldo

De overige mutaties hebben onder meer betrekking op de verwerking van de minder-behoefte aan uitbesteding van O-, I- en A-personeel vanaf 2000, de bijstelling van de uitgaven voor informatiesystemen, achterstallig onderhoud, milieu, huisvesting, bureauzaken en inventarisgoederen.

Activiteitentoelichting

De vorming van een beroepsleger heeft grote invloed gehad op het 1(GE/NL) Legerkorps. Naast de binationale samenwerking moeten er voortdurend eenheden beschikbaar zijn voor inzet in vredesoperaties. Het impliceert dat het ressort zich voortdurend dient voor te bereiden op een breed scala van inzetopties en derhalve flexibel en anticiperend moet optreden.

Het 1(GE/NL) Legerkorps levert nagenoeg alle operationele eenheden van de Koninklijke landmacht voor werkelijke inzet. Teneinde de opgedragen taken binnen de vereiste reactietijden te kunnen uitvoeren en voortdurend eenheden gereed te hebben voor inzet in vredesoperaties, is een constante hoge graad van geoefendheid noodzakelijk.

Er is in toenemende mate sprake van gezamenlijk optreden in internationaal verband en in samenwerking met andere krijgsmachtdelen. In dit kader moeten eenheden aan hoge eisen voldoen. De uitbreiding van het takenpakket maakt daarenboven oefeningen onder andere, meer extreme, klimatologische omstandigheden noodzakelijk. Voorts vergt een daadwerkelijke inzet in vredesoperaties veelal nog aanvullende opleidingen in verband met bepaalde situationeel aanwezige omstandigheden.

De activiteiten van het 1(GE/NL) Legerkorps worden onderverdeeld in:

• opleiden en oefenen;

• eenheden gereedstellen voor vredesondersteunende operaties;

• overige steunverlening.

De activiteiten op het gebied van opleiden en oefenen kunnen in twee hoofdgebieden worden verdeeld. Het eerste hoofdgebied bestaat uit activiteiten om de basisinzetbaarheid te garanderen. Deze hebben een standaard karakter, een hoge herhalingsfactor en een vast patroon. Voor dit basispakket hanteert het 1(GE/NL) Legerkorps 630 000 oefenmandagen per jaar. Het tweede hoofdgebied omvat een breed en gevarieerd scala aan oefeningen om ook de hogere niveaus te trainen (brigade, divisie en legerkorps) en om te voldoen aan internationale verplichtingen. Internationale oefeningen betreffen deelname aan het Partnerschap voor de Vrede (PvV)-programma voor de Navo, oefeningen met de drie kandidaatleden van de Navo en oefeningen van 11 Luchtmobiele brigade met de Multi National Division (Central).

Voor het gereedstellen van eenheden, wordt meestal een aanvullend programma opgesteld. De komende jaren wordt rekening gehouden met een jaarlijkse inzet van 1350 manjaren.

Toelichting per artikelonderdeel

04.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten die betrekking hebben op het burgerpersoneel van het 1(GE/NL) Legerkorps.

Ramingskengetallen ambtelijk burgerpersoneel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– actief personeelaantal vte'n307136136136136136
– gemiddeld salarisx f 166 47267 47867 55967 61067 49367 515
– totale uitgavenx f 100020 4079 1779 1889 1959 1799 182
– niet-actief personeelaantal vte'n444444
– gemiddeld salarisx f 166 25067 50067 50067 75067 50067 500
– totale uitgavenx f 1000265270270271270270
Totaal toegelicht bedragx f 100020 6729 4479 4589 4669 4499 452

Toelichting ambtelijk burgerpersoneel

De verkleining van het burgerpersoneelsbestand in 1999 (ten opzichte van 1998) is een gevolg van de overheveling van de schoolbataljons en het voor de oprichting van de overkoepelende kernstaf Opleidingscentrum Initiële Opleidingen benodigde personeel naar het ressort COKL. De totale overheveling van burgerpersoneel omvat 170 vte'n.

04.20.02 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten die betrekking hebben op het militair personeel van het 1(GE/NL) Legerkorps.

Ramingskengetallen militair personeel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Sterkte begroting 1999aantal vte'n15 85913 87513 87013 78513 79013 850
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n4 6644 0803 9703 8103 6303 470
– gemiddeld salarisx f 179 11779 90380 60881 17580 57780 621
– totale uitgavenx f 1000369 003326 004320 013309 276292 496279 755
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n11 1959 7959 9009 97510 16010 380
– gemiddeld salarisx f 151 76554 63754 44353 99152 68952 561
– totale uitgavenx f 1000579 504535 168538 990538 560535 320545 588
Totaal toegelicht bedragx f 1000948 507861 172859 003847 836827 816825 343

Toelichting militair personeel

De verkleining van het militair personeelsbestand in 1999 (ten opzichte van 1998) is een gevolg van de overheveling van de schoolbataljons en het voor de oprichting van de overkoepelende kernstaf Opleidingscentrum Initiële Opleidingen benodigde personeel naar het ressort COKL. De totale overheveling bedraagt bij het BOT-personeel 513 vte'n en bij het BBT-personeel 1664 vte'n (waaronder 1600 BBT-leerlingen).

Tot 2003 zal het militaire personeelsbestand (BOT en BBT) ongeveer 13 800 vte'n bedragen. Daarbinnen vindt een verschuiving plaats van het relatief duurdere BOT-personeel naar het relatief goedkopere BBT-personeel.

De daling van het gemiddelde salaris BBT-personeel, vanaf 2000, wordt enerzijds veroorzaakt door verlaging van de instroomschalen en anderzijds door de afschaffing van aanstellingspremies voor categorieën waarin geen knelpunten bestaan.

04.20.03 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burgeren militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de activiteiten. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reis- en verblijfkosten, verplaatsen, representatie, personele toelagen en uitkeringen, onderwijs en opleidingen en het inhuren van tijdelijk personeel (uitzendkrachten op formatieve en/of bovenformatieve arbeidsplaatsen). De uitbestedingen aan O-, I- en A-deskundigheid worden geraamd en verantwoord ten laste van het artikelonderdeel Materiële uitgaven. In verband met de centrale aanschaf voor de gehele Koninklijke landmacht worden de uitgaven voor kleding en uitrusting en voeding bij het ressort «Overige Eenheden BLS» geraamd en verantwoord. De uitgaven voor onderwijs en opleidingen BBT'ers worden om dezelfde reden geraamd en verantwoord bij het ressort COKL.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)16 17014 01514 01013 92513 93013 990
– gemiddelde uitgavenx f 12 0902 3522 3602 4462 4452 440
– totale uitgavenx f 100033 79332 96233 06234 06734 06234 137
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren45,9150,5650,5650,6050,5950,70
– gemiddeld salarisx f 180 00080 00080 00080 00080 00080 000
– totale uitgavenx f 10003 6734 0454 0454 0484 0474 056
Totaal toegelicht bedragx f 100037 46637 00737 10738 11538 10938 193
Overige personele uitgavenx f 10001 1801 2591 3141 3661 3661 369
Totaal overige personele uitgavenx f 100038 64638 26638 42139 48139 47539 562

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

In dit ramingskengetal zijn de uitgavencomponenten reis- en verblijfkosten, verplaatsen, representatie, personele toelagen en uitkeringen en onderwijs en opleidingen opgenomen.

De stijging van het gemiddelde bedrag per vte in 1999 ten opzichte van 1998 wordt verklaard door de reeds eerder genoemde overheveling van personeel naar het ressort COKL. Door de overdracht van met name BBT-leerlingen, die relatief weinig gebruik maken van de genoemde uitgavencomponenten, stijgt het gemiddelde bedrag per vte vanaf 1999.

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

Bij de inhuur van tijdelijk personeel gaat het voornamelijk om uitzendkrachten. Per jaar wordt voorzien dat de behoefte bestaat uit ongeveer 50 uitzendkrachten voor het totale ressort 1(GE/NL) Legerkorps.

04.20.04 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor onder meer commandantenvoorzieningen, bureauzaken, informatiesystemen, data- en telecommunicatie, overige zaken van operationele of materiële aard en de uitgaven voor de uitbestedingen aan inhuren van O-, I- en A-deskundigheid. De uitgaven voor huisvesting, inventarisgoederen en klein materieel en onderhoud gebouwen en terreinen worden bij het ressort NATCO geraamd en verantwoord en zijn aldaar in de ramingskengetallen opgenomen.

Ramingskengetallen materiële uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– O-, I-, en A- deskundigheidaantal mensjaren23,434,6811,919,039,039,05
– gemiddeld salarisx f 1280 170280 170280 170280 170280 170280  170
– totale uitgavenx f 10006 5559 7163 3372 5302 5302 535
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)16 17014 01514 01013 92513 93013 990
– gemiddeld per vtex f 11 1501 6261 6331 6451 6871 684
– totale uitgavenx f 100018 59522 78322 88322 90123 50523 555
Totaal toegelicht bedragx f 100025 15032 49926 22025 43126 03526 090
Overige materiële uitgavenx f 100064 57858 98558 87258 91858 91159 044
Totaal materiële uitgavenx f 100089 72891 48485 09284 34984 94685 134

Toelichting O-, I- en A-deskundigheid

De totale uitgaven voor de uitbestedingen aan O-, I- en A-deskundigheid zijn het produkt van het geraamde aantal mensjaren en het gemiddelde jaartarief van een O-, I- en A-deskundige. Als gemiddeld jaartarief is een uniform tarief van f 280 170 gehanteerd.

Het betreft hier met name bovenformatieve uitbestedingen aan O-, I- en A-deskundigheid. De daling vanaf 2000 wordt veroorzaakt door de verwachte vulling van de (Communicatie- en Informatiesystemen) CIS-organisatie, waardoor minder behoefte bestaat aan O-, I- en A-capaciteit. In 1999 is een piek voorzien in verband met de oprichting van de CIS-organisatie.

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

In dit ramingskengetal zijn de uitgavencomponenten bureauzaken, commandanten-voorzieningen, informatiesystemen en data- en telecommunicatie (voorzover verworven door het 1(GE/NL) Legerkorps) opgenomen. Uitgaven ten behoeve van dit ressort die worden beheerd door het ressort Overige Eenheden BLS zijn opgenomen in de kengetallen aldaar.

De stijging ten opzichte van 1998 voor 1999 en verder is te verklaren uit de reeds eerder genoemde overdracht van met name BBT-leerlingen. Zij hebben een geringe invloed op de genoemde uitgaven-componenten, zodat het gemiddelde bedrag per vte stijgt. Daarnaast is vanwege de herschikking van de gevechtskracht (oprichting 43 Mechbrig en de uitbreiding van het Korps Commando Troepen [KCT]) een geringe toename verwerkt in deze post.

Toelichting overige materiële uitgaven

Het voor 1999 geraamde bedrag van f 58,9 miljoen heeft in het bijzonder betrekking op de uitgaven voor zelfstandige aanschaf en uitbesteding, binationale uitgaven en uitgaven voor overige zaken voor operationele aard zoals legering en inhuur van oefenterreinen in het buitenland. Het aandeel van de uitgaven voor overige zaken van operationele aard beslaat in 1999 en verder f 43,5 miljoen ten opzichte van f 52 miljoen in 1998. Deze neerwaartse bijstelling is een gevolg van de versobering van het oefenprogramma.

De verplichtingen en uitgaven Nationaal Commando

Het ondersteunend ressort Nationaal Commando (NATCO) is ingericht op basis van resultaatverantwoordelijke eenheden, georganiseerd volgens de principes van een lijnstaforganisatie. De organisatie van het NATCO bestaat in 1999 uit de volgende eenheden: Staf, de drie Regionaal Militair Commando's, het Netherlands Armed Forces Support Agency Germany (NASAG), het Landelijk Bevoorradingsbedrijf KL, het Nationaal Verzorgingscommando, het Hoger Onderhoudsbedrijf KL, de Arbodienst KL, het Explosieven Opruimingscommando KL en de Prepositioned Organizational Material Sites (POMS).

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven 
 199819992000200120022003199819992000200120022003
04.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel461 107447 179432 727422 583414 156412 124461 107447 179432 727422 583414 156412 124
04.20.06 Militair personeel222 068217 125208 594204 117202 703201 306222 068217 125208 594204 117202 703201 306
04.20.07 Overige personele uitgaven68 06661 64250 50740 15639 91034 67468 06661 64250 50740 15639 91034 674
04.20.08 Materiële uitgaven422 834395 133392 189386 598382 584380 968422 834404 414400 824397 774388 177386 383
Stand ontwerpbegroting 19991174 0751121 0791084 0171053 4541039 3531029 0721174 0751130 3601092 6521064 6301044 9461034 487
Stand 1e suppletore wet 19981049 4351015 111967 058939 619930 394 1046 3261014 818965 894942 141932 142 
Nieuwe mutaties124 640105 968116 959113 835108 959 127 749115 542126 758122 489112 804 

Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19981999200020012002
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199824 81048 97551 84650 95249 118
Sub-totaal technische bijstellingen24 81048 97551 84650 95249 118
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing van de begrotingssterkte26 54523 88313 837459– 7 701
– aanpassing NATRES6 0007 2007 2007 2007 200
– basisvaccinatie KL-militairen2 6501 3001 300  
– data- en telecommunicatie44 20021 00021 00021 00021 000
– onderhoud gebouwen en terreinen15 0005 8005 70013 20014 800
– overdracht facilitaire dienst7 0007 0007 0007 0007 000
– overdracht CDIKL 12 00012 00012 00012 000
– overheveling RGD-budgetten van VROM 6 6006 6006 6006 600
– overige mutaties, per saldo1 544– 18 2162754 0782 787
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen102 93966 56774 91271 53763 686
Totaal van de nieuwe mutaties127 749115 542126 758122 489112 804

Toelichting op de nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast op het prijs- en loonniveau 1998. In de loonbijstellingsbedragen is de compensatie voor de Pemba-uitgaven begrepen (introductie van premie-differentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen).

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing van de begrotingssterkte

Burgerpersoneel.

In 1997 zijn maatregelen genomen om het inzicht in de formatie en de verwachte in- en uitstroom van personeel te verbeteren. Dit leidt tot wijzigingen in eerder voorziene aantallen. Daarnaast is de personeelscategorie niet-actief (134 vte'n) met ingang van 1998 bij het ressort NATCO ondergebracht. Vertraging in de personeelsreductie, onder andere door noodzakelijkerwijs langer openhouden van kazernecomplexen, leidt tot aanpassing van de aantallen hetgeen doorwerkt in de gehele ramingsperiode. Voorts is sprake van een decentraal informatiesysteem salarissen (SNIP) wat de mutaties in gemiddelde salarissen ten opzichte van voorgaande ramingen beter zichtbaar maakt. Dit leidt tot mutaties die doorwerken in de gehele ramingsperiode.

Militair personeel.

In 1997 zijn maatregelen genomen om het inzicht in de formatie en de verwachte in- en uitstroom van personeel te verbeteren. Dit leidt tot wijzigingen in eerder voorziene aantallen. Voorts is sprake van een decentraal informatiesysteem salarissen (SNIP) wat leidt tot mutaties in de gemiddelde salarissen ten opzichte van voorgaande ramingen.

Aanpassing NATRES

De NATRES-organisatie, thans ondergebracht bij het ressort NATCO, wordt aangepast. De aanpassing leidt tot een andere taakverdeling, waarbij behalve het ressort NATCO ook de ressorts 1 (GE/NL) Legerkorps en Overige eenheden BLS (CDPO) zullen zijn betrokken. Teneinde de omvang van deze aanpassing aan te kunnen geven zijn de hiermee gemoeide personele uitgaven bij het ressort NATCO inzichtelijk gemaakt.

Basisvaccinatie KL-militair

Gelet op de mogelijkheid dat personeel naar alle werelddelen wordt uitgezonden is de Wet Immunisatie Militairen gewijzigd. Deze wetswijziging is noodzakelijk om militairen te beschermen tegen de meest voorkomende ziekten.

De wettelijke vereisten leiden ertoe dat een (basis)vaccinatieprogramma is opgesteld voor de immunisatie. Het programma valt uiteen in een inhaalslag voor het huidige personeel, een basisprogramma voor nieuw instromend personeel en een onderhoudsdosis voor het huidige personeel.

De uitgaven die gemoeid zullen zijn met de inhaalslag bestaan uit een éénmalig bedrag, terwijl daarnaast sprake is van geraamde uitgaven voor het basisprogramma tot en met het jaar 2000. Het na die periode benodigde bedrag voor het nieuw instromend personeel en de onderhoudsdosis van het al in dienst zijnde personeel wordt nader geïnventariseerd.

Data- en telecommunicatie

Als gevolg van de oprichting van het DTO verschuiven taken en activiteiten van de Koninklijke landmacht naar het beleidsterrein Dico. Tevens is er sprake van een herverdeling van gelden binnen de Koninklijke landmacht van personele naar materiële uitgaven, daar werkzaamheden van het DTO bij de KL in rekening worden gebracht. Hiertoe is aan het ressort NATCO een bedrag van f 21 miljoen toegevoegd.

Onderhoud gebouwen en terreinen

Het ressort NATCO voert een anti-splinterbeleid om de uitgaven voor onderhoud aan gebouwen en terreinen te beperken. Dit beleid houdt in dat eenheden gehuisvest op kleine(re) locaties zoveel mogelijk worden ondergebracht op grote(re) KL-complexen. Dit beleid is echter niet geheel geïmplementeerd, waardoor de kleine(re) locaties langer open moeten blijven dan gepland waardoor langer onderhoud moet worden verricht. Het onderhoudsbudget wordt als gevolg hiervan in 1999 verhoogd met f 5,8 miljoen oplopend tot f 14,8 miljoen in 2002.

Overdracht Facilitaire Dienst

In verband met de overdracht van de Facilitaire Dienst Den Haag van de Landmachtstaf naar het onder het ressort NATCO vallende Regionaal Militair Commando west/Garnizoen Den Haag is het bijbehorende budget van f 7 miljoen overgeheveld.

Overdracht CDIKL

In verband met de overdracht van het «Druk- en Bindwerk» van de Landmachtstaf naar het ressort NATCO is voor de gehele ramingsperiode een bedrag van f 12 miljoen overgeheveld.

Overheveling van RGD-budgetten van VROM

Met ingang van 1 januari 1999 krijgt de onder het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) ressorterende Rijksgebouwendienst (RGD), als gevolg van de stelselwijziging van de Rijkshuisvesting, de status van agentschap. De hiermee samenhangende budgetten zijn naar de Koninklijke landmacht overgeheveld.

Overige mutaties, per saldo

De overige uitgaven voor 1999 zijn neerwaarts bijgesteld als gevolg van de herziene ramingen voor met name de huisvestingskosten. In de jaren na 1999 is een correctie op een eerdere, te optimistische inschatting van de ontwikkeling van de uitgaven voor huisvestingskosten verwerkt, onder andere als gevolg van de vertraagde afstoting van kazernes. Hierdoor is een opwaartse bijstelling van de uitgaven noodzakelijk. Daarnaast is hierin begrepen de overheveling naar het beleidsterrein Dico vanwege de meeruitgaven medisch specialistenteams en de meeruitgaven voor luchttransport.

Activiteitentoelichting en prestatie-indicatoren

Het Nationaal Commando is een serviceverlenend commando van de Koninklijke landmacht, dat anderen, binnen en buiten de Koninklijke landmacht, in staat stelt hun taken uit te voeren. Het staat garant voor de bewaking van kazernes en strategische objecten en voor de ondersteuning van bondgenoten op Nederlands grondgebied en biedt faciliteiten op het gebied van oefeningen, werken, educatie, recreatie, huisvesting en geneeskundige verzorging. Het onderhoudt materieel van allerlei aard en voorziet in de opslag en distributie daarvan. Tevens draagt het zorg voor steunverlening en militaire bijstand, bijvoorbeeld in de vorm van humanitaire noodhulp en rampenbestrijding.

De verbetering van de bedrijfsvoering van het ressort NATCO is nog niet afgerond. De door de resultaatverantwoordelijke eenheden benoemde prestaties en produkten, alsmede de planning- en controlinstrumenten worden verder uitgebouwd en in de praktijk getoetst en geëvalueerd. De ervaringen in de praktijk en de resultaten van de evaluaties hebben vooralsnog geleid tot een kleine bijstelling van de definities (clustering) van de hoofdprodukten en prestaties van het ressort NATCO. Voor 1999 worden de volgende hoofdprodukten onderscheiden:

• onderhoud van materieel: het correctief, preventief, modificatief en levensduurverlengend onderhoud aan al het materieel van de Koninklijke landmacht (inclusief engineering);

• verzorging van personeel: de 1e lijn geneeskundige verzorging, de voedings- en kantine-functie, de ouderen- en gedetineerdenzorg en het optimaliseren van de arbeidsomstandigheden;

• onderhoud en beveiliging van locaties;

• opslag en distributie van materieel en informatie;

• militaire bijstand en explosievenopruiming.

Voor de jaren 1998 en 1999 is ten aanzien van bovenstaande hoofdprodukten de volgende capaciteitsinzet gepland (x 1000 manuren):

 
 199819992000
onderhoud materieel:2 0202 0001 820

De voorziene daling van de onderhoudsactiviteiten wordt mogelijk gemaakt door verlaging van de onderhoudsbehoefte als gevolg van het toepassen van droge luchtsystemen en het verlagen van de onderhoudsfrequentie van opgeslagen materieel, en door een kleine vermindering van de onderhoudsoverloop van 1(GE/NL) Legerkorps.

 
 199819992000
verzorging personeel:3 3603 2403 240

De vermindering in 1999 wordt veroorzaakt door een sanering van het basispakket facilitaire dienstverlening (waaronder de voedings- en kantinedienst).

 
 199819992000
onderhoud en beveiliging locaties:1 8501 7501 750

De uitvoering van het project integrale veiligheidszorg leidt tot een lagere behoefte aan bewakingspersoneel.

 
 199819992000
opslag en distributie van materieel en informatie1 5461 6371 542

De herschikking van taken in het logistieke domein en de oprichting van het Landelijk bevoorradingsbedrijf leidt tot een verschuiving van werklast binnen de Koninklijke landmacht, met name van DMKL naar het ressort NATCO.

 
 199819992000
militaire bijstand en explosieven opruiming:371371371

Toelichting per artikelonderdeel

04.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort NATCO.

Ramingskengetallen burgerpersoneel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– actief personeelaantal vte'n6 9856 7166 4866 3266 2066 176
– gemiddeld salarisx f 164 77165 28265 36765 41565 32465 313
– totale uitgavenx f 1000452 427438 431423 968413 817405 403403 372
– niet-actief personeelaantal vte'n134134134134134134
– gemiddeld salarisx f 164 77665 28465 36665 41865 32165 313
– totale uitgavenx f 10008 6808 7488 7598 7668 7538 752
Totaal toegelicht bedragx f 1000461 107447 179432 727422 583414 156412 124

04.20.06 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort NATCO.

Ramingskengetallen militair personeel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Sterkte begroting 1999aantal vte'n2 5292 4302 3302 2802 2702 250
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n2 2162 1602 0802 0302 0202 010
– gemiddeld salarisx f 186 35987 32187 16187 20387 06487 080
– totale uitgavenx f 1000191 371188 613181 295177 023175 869175 030
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n313270250250250240
– gemiddeld salarisx f 157 20158 16358 05657 21656 25256 263
– totale uitgavenx f 100017 90415 70414 51414 30414 06313 503
Totaal toegelicht bedragx f 1000209 275204 317195 809191 327189 932188 533
Uitgaven inzake de Nationale reservex f 100012 79312 80812 78512 79012 77112 773
Totaal militair personeelx f 1000222 068217 125208 594204 117202 703201 306

De daling van het gemiddelde salaris BBT-personeel, vanaf 2000, wordt enerzijds veroorzaakt door verlaging van de instroomschalen en anderzijds door de afschaffing van aanstellingspremies voor categorieën waarin geen knelpunten bestaan.

04.20.07 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de activiteiten. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reis- en verblijfkosten, verplaatsen, representatie, onderwijs en opleidingen en het inhuren van tijdelijk personeel (uitzendkrachten op formatieve en/of bovenformatieve arbeidsplaatsen). De uitbestedingen aan O-, I- en A-deskundigen wordt geraamd en verantwoord ten laste van het artikelonderdeel «Materiële uitgaven». In verband met de centrale aanschaf voor de gehele Koninklijke landmacht worden de uitgaven voor kleding en uitrusting en voeding bij het ressort «Overige eenheden BLS» geraamd en verantwoord. De uitgaven voor onderwijs en opleidingen BBT'ers worden om dezelfde reden geraamd en verantwoord bij het ressort COKL.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)9 6489 2808 9508 7408 6108 560
– gemiddeld per vtex f 13 1373 1463 1453 1483 1473 154
– totale uitgavenx f 100030 26429 19428 15127 51027 09726 998
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren422,3372,2242,8137,6139,775,5
– gemiddelde salarisx f 180 00080 00080 00080 00080 00080 000
– totale uitgavenx f 100033 78629 77919 42011 01111 1776 037
Totaal toegelicht bedragx f 100064 05058 97347 57138 52138 27433 035
Overige personele uitgavenx f 10004 0162 6692 9361 6351 6361 639
Totaal overige personele uitgavenx f 100068 06661 64250 50740 15639 91034 674

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

In deze ramingskengetallen zijn de uitgavencomponenten reis- en verblijfkosten, verplaatsen, representatie, personele toelagen en uitkeringen en onderwijs en opleidingen (voor zover verworven door het ressort NATCO) opgenomen.

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

De totale inhuuruitgaven van het ressort NATCO zijn opgebouwd uit vier posten: «inhuur formatief» (daar waar niet door middel van herplaatsers in de behoefte is te voorzien, voornamelijk essentiële functies), «inhuur bovenformatief» (voornamelijk inhuurkrachten ten behoeve van projecten), «inhuur Nederlandse Veiligheidsdienst» (als gevolg van de vertraging in het project Integrale Veiligheidszorg (IVZ) en «overige inhuur» (voornamelijk inhuur voor de Voeding- en kantinediensten). Tot 2000 loopt deze inhuurpost terug doordat het Legerkorps de bewaking op de kazernes voor een deel overneemt. Vanaf het jaar 2000 lopen de uitgaven terug omdat ervan wordt uitgegaan dat het project IVZ zal zijn afgerond waardoor een groot deel van de bewakingstaken door electronische bewaking zullen worden overgenomen.

04.20.08 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor onder meer huisvesting (KL-breed), onderhoud gebouwen en terreinen (KL-breed), bureauzaken, inventarisgoederen en klein materieel (KL-breed), informatiesystemen, data- en telecommunicatie, overige specifieke materiële zaken en de uitbestredingen aan O-, I- en A-deskundigheid.

Ramingskengetallen materiële uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)9 6489 2808 9508 7408 6108 560
– gemiddeld per vtex f 17 0866 4846 7226 8896 9927 048
– totale uitgavenx f 100068 36460 17560 16560 21160 20360 333
– huisvesting KL-breedaantal vte'n (bp en mp)33 33132 86932 46132 19432 13632 109
– gemiddeld per vtex f 13 3823 6473 6923 7253 7323 743
– totale uitgavenx f 1000112 720119 873119 852119 935119 925120 172
– inventarisgoederen en klein materieel KL-breedaantal vte'n (bp en mp)33 33132 86932 46132 19432 13632 109
– gemiddeld per vtex f 11 0961 1381 1531 1631 1651 168
– totale uitgavenx f 100036 51937 42037 41337 44237 43737 519
– onderhoud van gebouwen en terreinen KL-breedaantal vte'n (bp en mp)33 33132 86932 46132 19432 13632 109
– gemiddeld per vtex f 14 9244 5344 5444 5444 2864 249
– totale uitgavenx f 1000164 120149 038147 514146 303137 745136 434
Totaal toegelicht bedragx f 1000381 723366 506364 944363 891355 310354 458
Overige materiële uitgavenx f 100041 11137 90835 88033 88332 86731 925
Totaal materiële uitgavenx f 1000422 834404 414400 824397 774388 177386 383

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

In deze ramingskengetallen zijn de uitgavencomponenten bureauzaken, onderhoud gebouwen (commandanten-voorzieningen), informatiesystemen en data- en telecommunicatie (voor zover verworven door ressort NATCO) opgenomen. Uitgaven ten behoeve van dit ressort die worden beheerd door het ressort Overige Eenheden BLS zijn opgenomen in de ramingskengetallen aldaar. De daling van 1998 naar 1999 kan worden verklaard doordat als gevolg van de IT-problematiek (onder andere prioriteitstelling ten behoeve van «Millennium») de raming voor het ressort NATCO van de data- en telecommunicatie is verlaagd met f 23,2 miljoen. Nadere besluitvorming over de verdeling van de budgetten zal tot bijstelling van de ramingen leiden. De stijging van het gemiddelde bedrag per vte bij een afnemend personeelsbestand kan worden verklaard doordat de door personeel uit te voeren werkzaamheden worden overgenomen door informatie-, data- en telecommunicatiesystemen.

Toelichting huisvesting, inventarisgoederen en klein materieel en onderhoud van gebouwen en terreinen

Deze ramingskengetallen betreffen uitgavencomponenten die door het ressort NATCO worden verworven ten behoeve van de gehele Koninklijke landmacht.

Toelichting onderhoud van gebouwen en terreinen

Het langer dan gepland openhouden van kazernecomplexen en de daaruit voortvloeiende niet voorziene uitgaven voor onderhoud zijn een extra belasting voor dit budget.

Toelichting overige materiële uitgaven

Het voor 1999 geraamde bedrag van f 37,9 miljoen heeft in het bijzonder betrekking op de uitgaven voor overige specifieke materiële zaken (het betreft hier voornamelijk uitgaven voor zelfstandige aanschaf en uitbesteding).

De verplichtingen en uitgaven Commando Opleidingen Koninklijke landmacht

Het ressort Commando Opleidingen Koninklijke landmacht (COKL) bestaat uit twaalf resultaatverantwoordelijke eenheden. Dit betreft, naast de Staf, negen opleidingscentra – Manoeuvre, Vuursteun, Genie, Logistiek, Rijden, Ede, Initiële Opleidingen, de Koninklijke Militaire School en het Instituut voor Leiderschap, Media en Opleidingskunde – en twee bijzondere organisatie-eenheden (de Begeleidingsorganisatie Civiel Onderwijs en de Lichamelijke Oefening en Sportorganisatie).

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven 
 199819992000200120022003199819992000200120022003
04.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel47 28360 11059 49760 56260 48860 47247 28360 11059 49760 56260 48860 472
04.20.10 Militair personeel184 375313 624309 013307 337306 966309 264184 375313 624309 013307 337306 966309 264
04.20.11 Overige personele uitgaven 39 79740 70540 48440 94741 78742 99440 28740 70540 48440 94741 78742 994
04.20.12 Materiële uitgaven24 97124 38728 02330 29528 65528 09326 16624 38728 02330 29528 65528 093
Stand ontwerpbegroting 1999296 426438 826437 017439 141437 896440 823298 111438 826437 017439 141437 896440 823
Stand 1e suppletore wet 1998297 001278 681276 500277 153276 523 297 001278 681276 500277 153276 523 
Nieuwe mutaties – 575160 145160 517161 988161 373 1 110160 145160 517161 988161 373 
Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19981999200020012002
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 19984 64815 46514 77014 15112 849
Sub-totaal technische bijstellingen4 64815 46514 77014 15112 849
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing van de begrotingssterkte– 9 864139 234141 261143 592145 011
– maatschappelijke meerwaarde BBT-ers9 41916 82515 80614 83214 031
– overige mutaties, per saldo– 3 093– 11 379– 11 320– 10 587– 10 518
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen– 3 538144 680145 747147 837148 524
Totaal van de nieuwe mutaties1 110160 145160 517161 988161 373

Toelichting op de nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast op het prijs- en loonniveau 1998. In de loonbijstellings-bedragen is de compensatie voor de Pemba-uitgaven begrepen (introductie van premie-differentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen).

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing van de begrotingssterkte

Per 1 januari 1999 worden de schoolbataljons van het ressort 1(GE/NL) Legerkorps overgeheveld naar het Opleidings Centrum Initiële Opleidingen (OCIO) van het ressort COKL. Als gevolg hiervan worden met ingang van 1 januari 1999 170 burger vte'n en (naast 1 600 leerlingen) 577 militaire vte'n overgeheveld. Met deze overheveling worden ook de daarbij behorende overige personele en materiële uitgaven overgeboekt.

Maatschappelijke meerwaarde BBT'ers

Op basis van de in 1997 gerealiseerde uitgaven heeft een bijstelling van de uitgaven voor onderwijs en opleiding ten behoeve van BBT-personeel plaatsgevonden.

Overige mutaties, per saldo

De per saldo verlaging van de uitgaven betreft onder andere de beperkte inhuur van tijdelijk personeel en het beperken van de niet direct voor de functie-uitoefening noodzakelijke opleidingen. Ook een voorziene besparing op de uitgaven voor bureaukosten, onderhoud infra, aanschaf inventarisgoederen en de uitgaven voor de overige materiële uitgaven draagt bij aan de lagere uitgaven.

Activiteitentoelichting en prestatie-indicatoren

Het ressort COKL verzorgt individuele opleidingen voor zover deze niet aan de Koninklijke Militaire Academie zijn opgedragen of zijn uitbesteed aan het Instituut Defensie Leergangen. Het ressort is belast met het ontwikkelen van beleid en het verzorgen van individuele opleidingen, met inbegrip van lichamelijke opvoeding, sport, fysieke training, het certificeren van het militair onderwijs en het bieden van civiele (bij)scholingsmogelijkheden. Tevens betreft dit methoden en technieken van onderwijs en het gebruik van audiovisuele hulpmiddelen ten behoeve van opleiden en oefenen. Het ressort COKL begeleidt het personeel van de Koninklijke landmacht en bemiddelt inzake de te volgen opleidingen.

Een herbezinning op de benoeming en clustering van de primaire aktiviteiten van het COKL heeft geleid tot een indeling naar zes hoofdproduktgroepen. De nieuwe indeling sluit aan bij de wens om de opleidingsinspanningen in het kader van uitzendingen en het civiel onderwijs ten behoeve van BBT'ers separaat zichtbaar te maken. De volgende hoofdproduktgroepen worden onderscheiden:

• algemene militaire/kaderopleidingen (AMO/AKO; in geslaagde leerlingen): opleidingen in het kader van de algemene opleiding van een militair; het betreft hier opleidingen die voorzien in de basis militaire vaardigheden;

• initiële functie opleidingen (in aantal opleidingsplaatsen): functie-opleidingen die aan een instromende militair wordt gegeven om de eerste functie naar behoren te functioneren, volgt op de AMO/AKO;

• loopbaanopleiding (in aantal opleidingsplaatsen): opleidingen die gevolgd moeten worden teneinde in aanmerking te komen voor een hogere rang en of functie;

• functie- en overige opleidingen (in aantal opleidingsplaatsen): grote variëteit aan opleidingen waaronder functie-opleidingen, die het goed of beter functioneren van medewerkers van de Koninklijke landmacht ondersteunt;

• opleidingen ten behoeve van uitzendingen (in aantal opleidingsplaatsen);

• civiel onderwijs ten behoeve van BBT'ers.

Naast een andere productindeling is ook een andere kwalificeringsgrondslag voor de te leveren productie gehanteerd, die vergelijking met het begrotingsjaar 1998 niet zinvol maken. De gewijzigde grondslag houdt verband met de mate waarin het resoort in staat is de prestaties te beïnvloeden. De taakoverdracht van het 1(GE/NL) Legerkorps inzake het verzorgen van de algemene militaire opleidingen en de gevolgen van een gewijzigd beleid ten aanzien van het moment waarop een aantal functie-opleidingen wordt genoten zijn in de geplande prestaties verwerkt. De financiële consequenties zijn in de personele- en materiële budgetten opgenomen. Voor wat betreft de initiële functie-opleidingen zijn de ramingen gebaseerd op een gerealiseerde wervingsbehoefte van 3500 BBT-soldaten en korporaals.

De volgende productie-aantallen (uitgedrukt in cursisten/opleidingsplaatsen) worden geraamd:

 
 19992000
• Algemene militaire/kaderopleiding3 7203 800
• Initiële functie-opleidingen14 20013 700
• Loopbaanopleidingen1 5001 500
• Functie en overige opleidingen36 40038 200
• Opleidingen voor uitzendingen5 4005 400
• Civiel onderwijs BBT'ers2 3002 400

Toelichting per artikelonderdeel

04.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten die betrekking hebben op het burgerpersoneel van het ressort COKL.

Ramingskengetallen burgerpersoneel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– actief personeelaantal vte'n671841831846846846
– gemiddeld salarisx f 169 02770 30470 41270 42170 33570 317
– totale uitgavenx f 100046 31759 12658 51259 57659 50359 488
– niet-actief personeelaantal vte'n141414141414
– gemiddeld salarisx f 169 00070 28670 35770 42970 35770 286
– totale uitgavenx f 1000966984985986985984
Totaal toegelicht bedragx f 100047 28360 11059 49760 56260 48860 472

04.20.10 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort COKL.

Ramingskengetallen militair personeel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Sterkte begroting 1999aantal vte'n2 6014 9594 9244 9444 9895 044
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n2 4773 0803 0102 9702 9602 950
– gemiddeld salarisx f 171 85672 41272 10172 02871 86771 848
– totale uitgavenx f 1000177 987223 029217 023213 922212 725211 952
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n1241 8791 9141 9742 0292 094
– gemiddeld salarisx f 151 51648 21448 06247 32346 44746 472
– totale uitgavenx f 10006 38890 59591 99093 41594 24197 312
Totaal toegelicht bedragx f 1000184 375313 624309 013307 337306 966309 264

Toelichting militair personeel

De daling van het gemiddelde salaris BBT-personeel, vanaf 2000, wordt enerzijds veroorzaakt door verlaging van de instroomschalen en anderzijds door de afschaffing van aanstellingspremies voor categorieën waarin geen knelpunten bestaan.

04.20.11 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de activiteiten. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reis- en verblijfkosten, verplaatsingen, onderwijs en opleidingen en inhuur van personeel (uitzendkrachten op formatieve en/of bovenformatieve arbeidsplaatsen). In verband met de centrale aanschaf voor de gehele Koninklijke landmacht worden de uitgaven voor kleding en uitrusting en voeding bij het ressort Overige Eenheden BLS geraamd en verantwoord. De totale uitgaven voor onderwijs en opleidingen ten behoeve van het BBT-personeel worden om dezelfde reden geraamd en verantwoord bij het ressort COKL.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)3 2865 8145 7695 8045 8495 904
– gemiddeld per vtex f 14 1593 0462 9953 0062 9753 066
– totale uitgavenx f 100013 66617 70717 27617 44717 40018 099
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren26,352,492,22,387,747,78
– gemiddeld salarisx f 180 00080 00080 00080 00080 00080 000
– totale uitgavenx f 10002 108199176190619622
– onderwijs en opleiding t.b.v. BBT-personeelaantal vte'n11 92812 28612 41712 56912 81913 094
– gemiddeld per vtex f 11 8341 8341 8341 8341 8341 834
– totale uitgavenx f 100021 88122 53322 77323 05223 51024 014
Totaal toegelicht bedragx f 100037 65540 43940 22540 68941 52942 735
Overige uitgavenx f 10002 632266259258258259
Totaal overige personele uitgavenx f 100040 28740 70540 48440 94741 78742 994

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

In dit ramingskengetal zijn de uitgavencomponenten reis- en verblijfkosten, verplaatsen, representatie, personele toelagen en uitkeringen en onderwijs en opleidingen opgenomen. De daling van de gemiddelde uitgaven per vte wordt veroorzaakt door de overkomst van de schoolbataljons. Deze grotendeels uit leerlingen bestaande bataljons hebben een nivellerende werking op de gemiddelde uitgaven per vte.

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

De totale uitgaven voor de inhuur van tijdelijk personeel (met name functionarissen voor het ontwikkelen van opleidingen, het concipiëren van syllabi en in voorkomende gevallen geven van opleidingen en cursussen) zijn het resultaat van het geraamde aantal mensjaren en het gemiddeld jaartarief van een inhuurkracht. De afname van het aantal mensjaren in 1999, 2000 en 2001 wordt veroorzaakt doordat als gevolg van een nadere prioriteitstelling binnen het ressort COKL minder wordt ingehuurd. Vanaf 2002 zal als gevolg van het inlopen van achterstanden bij het ontwikkelen van opleidingen en syllabi extra personeel moeten worden ingehuurd.

Toelichting onderwijs en opleiding ten behoeve van BBT-personeel

De uitgaven maatschappelijke meerwaarde opleidingen BBT-ers vloeien voort uit de financiële rechtspositie van de BBT-er. Hierbij zijn geen limieten gesteld aan het maximum te vergoeden bedrag of het aantal te volgen opleidingen per militair. Wel geven de begeleiders van de educatieve centra adviezen over de te volgen opleidingsrichting. Ook zijn in dit ramingskengetal de door het ressort COKL gedane KL-brede uitgaven voor uitbesteding van opleidingen opgenomen. Vanuit planmatige overwegingen is voor de raming van het kengetal het gemiddelde bedrag per vte vastgesteld op f 1 834,– (dit kengetal is afgeleid uit de realisatie 1997).

04.20.12 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden uitgaven geraamd voor onder meer commandantenvoorzieningen, bureauzaken, informatiesystemen, data- en telecommunicatie en overige zaken van operationele of materiële aard. De KL-brede uitgaven voor huisvesting, inventarisgoederen en klein materieel en onderhoud gebouwen en terreinen worden bij het ressort NATCO geraamd en verantwoord en zijn aldaar in de ramingskengetallen opgenomen.

Ramingskengetallen materiële uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)3 2865 8145 7695 8045 8495 904
– gemiddeld per vtex f 15 2342 9313 5833 8373 6203 487
– totale uitgavenx f 100017 20017 04120 67322 27121 17120 586
Overige materiële uitgavenx f 10008 9667 3467 3508 0247 4847 507
Totaal materiële uitgavenx f 100026 16624 38728 02330 29528 65528 093

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

In dit ramingskengetal zijn de uitgavencomponenten bureauzaken, commandantenvoorzieningen, informatiesystemen en data- en telecommunicatie (voor zover verworven door het ressort COKL) opgenomen. De daling van de gemiddelde uitgaven per vte ten opzichte van 1998 wordt veroorzaakt door de overkomst van de schoolbataljons. Deze grotendeels uit leerlingen bestaande bataljons hebben een nivellerende werking op de gemiddelde uitgaven per vte.

Nadere prioriteitstelling heeft in 1999 geleid tot een taakstellende reductie op volume. Vanaf 2000 en verder is weer enige toename mogelijk.

De verplichtingen en uitgaven Overige eenheden Bevelhebber der Landstrijdkrachten (BLS)

Het ressort Overige eenheden BLS bestaat uit de Koninklijke Militaire Academie, de Topografische Dienst Nederland, de Centrale Dienst Personeel en Organisatie (CDPO) en de Directie Materieel Koninklijke landmacht (DMKL). Daarnaast zijn er nog enkele kleine organisatie-elementen ondergebracht bij dit ressort, zoals het personeel van de Koninklijke landmacht bij de Navo-staven.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven 
 199819992000200120022003199819992000200120022003
04.20.13 Ambtelijk burgerpersoneel126 431103 308103 665104 070103 99396 536126 431103 308103 665104 070103 99396 536
04.20.14 Militair personeel168 185154 892152 117150 677151 263151 795168 185154 892152 117150 677151 263151 795
04.20.15 Overige personele uitgaven217 415184 020163 228182 661177 288197 876190 081166 847183 127183 706177 799178 690
04.20.16 Materiële uitgaven473 656474 571342 110422 185347 636343 278400 802484 516395 182393 923401 204395 254
Stand ontwerpbegroting 1999985 687916 791761 120859 593780 180789 485885 499909 563834 091832 376834 259822 275
Stand 1e suppletore wet 1998926 675829 988705 016684 139662 491 865 458823 693793 469757 492735 990 
Nieuwe mutaties59 01286 80356 104175 454117 689 20 04185 87040 62274 88498 269 

Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19981999200020012002
Technische bijstellingen:      
– loon en-prijsaanpassingen 1998– 26 75826 13636 50135 43535 585
Sub-totaal technische bijstellingen– 26 75826 13636 50135 43535 585
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing van de begrotingssterkte25 988– 22 2803 87126 45247 866
– kleding en uitrusting– 9 078– 12 325– 14 097– 12 556– 10 868
– voeding6 4878 1727 9858 0017 952
– reizen en verplaatsen9 0899 1889 9869 9729 384
– onderwijs en opleidingen4 7144 4285 1984 9924 683
– inventarisgoederen en -systemen7 23310 694– 6– 35– 8
– informatiesystemen119– 12 328– 14 480– 12 768– 10 623
– data- en telecommunicatie– 4 918– 6 607– 33533
– voertuigen en geniematerieel12 1435 05010– 3948
– munitie– 6 208– 6 8262 9622 5303 021
– manoeuvre– 2 022– 41– 12 396– 15 014– 14 986
– artillerie en luchtdoelartillerie12 02318 867– 714 97215 008
– geneeskundig materieel6 79510 00010 00010 00010 000
– bijdrage Millennium 56 670    
– overige mutaties, per saldo– 15 566– 2 9285 1282 9371 174
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen46 79959 7344 12139 44962 684
Totaal van de nieuwe mutaties20 04185 87040 62274 88498 269

Toelichting op de nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast op het prijs- en loonniveau 1998. In de loonbijstellingsbedragen is de compensatie voor de Pemba-uitgaven begrepen (introductie van premie differentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen).

De stijging van het gemiddeld salaris is onder andere het gevolg van plaatsen van (voornamelijk dure) vrijwillige herplaatsers bij de CDPO en verhoging van het personeelsbestand van de BLS Interne Staven en Overige eenheden (BISO).

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing van de begrotingssterkte

De bijstelling van de aantallen is met name het gevolg van gewijzigde taken van ressorts en de daarvoor toebedeelde capaciteit.

Kleding en uitrusting

De bestellingen én afleveringen inzake het project NBC-kleding waren voorzien in 2000, 2004 en 2008 (elk f 20 miljoen). Gezien de thans ingeschatte levertijd, dienen de bestellingen eerder dan gepland te worden geplaatst om het gewenste instroommoment te kunnen halen. Dit betekent een stijging van de verplichtingen in 1999 (en een daling in 2000) zonder kasgeldconsequenties.

Voorts is in de gehele begrotingsperiode sprake van een daling, die met name wordt veroorzaakt door de lagere instroom van BBT'ers.

Voeding

De stijging van de uitgaven is ontstaan door de meerbehoeften als gevolg van een andersoortig oefenprogramma dan in het verleden (met name in het buitenland). Voorts is sprake van kwaliteitsverbetering van de kantine-artikelen, waardoor de uitgaven stijgen; dit wordt voor een deel via de ontvangstenbegroting «terugverdiend». In absolute zin is hierdoor sprake van een stijging van het voedingsbudget ten opzichte van de ontwerpbegroting 1998.

Reizen en verplaatsen

De uitgaven voor wat betreft reizen zijn toegenomen als gevolg van de opname van de vrijwillige herplaatsers in de organisatie van de CDPO en door de oprichting van de Individuele Begeleidingsdienst Koninklijke landmacht (IBDKL).

Onderwijs en opleidingen

In het kader van de Regeling Opleiding Militairen KL worden militairen aangewezen voor automatiseringsopleidingen, met als doel de inhuur van tijdelijk personeel te laten dalen. Dit leidt tot stijging in de verplichtingen en de uitgaven.

Inventarisgoederen en klein materieel

De stijging van de uitgaven in 1999 betreft met name meerbehoeften aan veldlegeringsmaterieel (camouflagenetten, tentmaterieel en dergelijke) door hoger verbruik ten gevolge van het oefenprogramma nieuwe stijl. Voorts is sprake van een nieuwe behoefte aan garage-apparatuur. Het betreffen verplichtingen die in 1998 worden aangegaan en in 1999 tot uitgaven leiden.

Informatiesystemen

De daling over de gehele begrotingsperiode wordt vooral veroorzaakt door beleidsterrein-brede prioriteitstellingen in de «IT-behoeften» (informatie-technologie).

Data- en telecommunicatie

Door het uitstel van het (investerings)project MILSATCOM (militaire satellietcommunicatie) vervalt in 1999 de behoefte aan logistieke ondersteuning voor dit systeem. Deze daling wordt voor een deel teniet gedaan (gecompenseerd) met de verschuiving van het aflevermoment uit 1998 van «groene» (veld)telefoon-kabels.

Voertuigen (inclusief Geniematerieel)

De stijging in 1999 betreft met name «meerbehoeften» aan reservedelen voor diverse typen vrachtauto's en aan algemeen klein materieel (accu's, banden en dergelijke). Onder meer door toedoen van het oefenprogramma is meer onderhoud benodigd aan wielvoertuigen. In de begroting 1998 is rekening gehouden met een verdere intering op de voorraden. Inmiddels zijn desbetreffende voorraden reeds tot een minimum teruggedrongen, zodat aanvullende verwerving ter afdekking van het verbruik noodzakelijk is.

Munitie

De belangrijkste verschuivingen van bestelmomenten in de begrotingsperiode zijn: Unimodulaire Ladingen (f 80 miljoen, van 1998 naar 2001 in relatie met het project Vervanging M-109), diverse 81mm munitie (van 1999 naar 2000 door heroverweging van de behoeftestellingen) en scherfhandgranaten (van 2000 naar 1998 vanwege de krappe voorraadsituatie). Voorts zijn bestellingen voorzien in 2001–2002 van 81mm en 120mm mortiermunitie (nieuwe behoeften in verband met aanpassingen van de schietopleidingen in relatie met VN-operaties).

Tenslotte verschuift het aflevermoment van de 120mm illuminating van 1998 naar 1999 om verwervingstechnische redenen (verplichting in 1998).

Manoeuvre

De daling van het kasgeld in 2000–2002 is met name het gevolg van de voorgenomen inbesteding van het toestandafhankelijk onderhoud aan 150 Leopard-2 gevechtstanks. Met name de personeelscomponent van de geplande uitgaven zorgt voor de besparing. De hieraan verbonden daling van de verplichtingen heeft plaatsgevonden in 1998. De inbesteding biedt tevens de mogelijkheid de voorgenomen bestellingen meer te spreiden in de tijd (naar 1999–2000), zodat de aflevermomenten van de benodigde reservedelen en componenten optimaal kunnen worden afgestemd met de capaciteiten bij de betrokken KL-werkplaatsen.

Artillerie en luchtdoelartillerie

In de begrotingsperiode is sprake van een (structurele) meerbehoefte aan diverse onderhoudsvoorzieningen (met name ter afdekking van het verbruik aan reservedelen en componenten) PRTL 35mm, doelvliegtuigen en van de Leopard-1 afgeleide versies (brugleggende, bergings- en genietank).

Reeds in 1998 is de verplichting aangegaan van het basisonderhoud aan de Mortier-opsporingsradar (nodig in het kader van de inzet voor VN-operaties) en de (technische) documentatie-aanpassingen PRTL 35mm. Uitgaven hiervoor zijn voorzien vanaf 1999.

Geneeskundig materiaal

De structurele opname van f 10 miljoen heeft betrekking op het voorziene verbruik door de Koninklijke landmacht van de voorraad geneeskundig materiaal bij het GLC/Geneeskundig Facilitair Bedrijf (GFB).

Millennium

De uitgaven voor de detectie, analyse, reparatie en het testen van de sensor-, wapen- en commandosystemen (SEWACO) zijn voor het deel dat wordt gedekt uit de co-financiering, te weten f 56,67 miljoen in 1999, separaat geraamd binnen de materiële uitgaven.

Overige mutaties, per saldo

De overige mutaties hebben betrekking op een groot aantal kleinere ramingsaanpassingen van de overige personele en materiële uitgaven.

Activiteitentoelichting

De Overige eenheden BLS ondersteunen de Landmachtstaf en de ressorts bij het uitvoeren van de hun opdragen taken. De diensten van de huidige directies, die vanwege doelmatigheidsoverwegingen niet gedecentraliseerd worden, worden als centraal ondersteunend aangemerkt. Zij ondersteunen de Landmachtstaf bij het ontwikkelen van beleid, instrumenten en planalternatieven.

De DMKL is belast met het verwerven, in stand houden en afstoten van materiële middelen, de CDPO ondersteunt het personele proces in de Koninklijke landmacht. Deze twee eenheden bevinden zich nog midden in een herstructurering. Met name de herverdeling van taken en middelen in het materieel logistieke functiegebied tussen de DMKL en het ressort NATCO heeft vergaande consequenties voor de organisatie en de werkwijze.

Binnen het ressort Overige eenheden BLS is de Koninklijke Militaire Academie (KMA) zowel voor de Koninklijke landmacht als de Koninklijke luchtmacht het instituut dat de opleiding en vorming verzorgt tot officier, zowel voor beroepspersoneel bepaalde tijd als onbepaalde tijd. In 1999 bedraagt de gemiddelde sterkte aan leerlingen en cadetten 370. Ook verricht de KMA wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van het onderwijs in de militaire bedrijfskunde. De KMA dient daarnaast de kennis en kunde van het wetenschappelijk personeel (burgers en militairen) beschikbaar te stellen voor het helpen oplossen van militair bedrijfskundige vraagstukken binnen de krijgsmacht.

De Topografische Dienst Nederland voorziet de Koninklijke landmacht van geografische informatie in de vorm van bestanden, kaartseries en afgeleide produkten.

De uitgavenverdeelstaat

Bedragen x f 1000
 199819992000200120022003
Uitgaven Overige eenheden BLS885 499909 563834 091832 376834 259822 275
Volledig toe te rekenen aan:       
– apparaatsuitgaven Overige eenheden BLS398 615362 123361 074353 331350 702343 086
Specifiek (uniek) toe te rekenen aan:       
– 1(GE/NL) Legerkorps163 680187 402183 917182 149192 851193 272
Niet specifiek toe te rekenen:       
– KL-brede uitgaven323 204360 038289 100296 896290 706285 917

Toelichting op de uitgavenverdeelstaat

De totaal geraamde uitgaven van de Overige eenheden BLS betreffen enerzijds uitgaven ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering en anderzijds uitgaven ten behoeve van het functioneren van de overige ressorts binnen de Koninklijke landmacht, waarvan een deel specifiek is toe te rekenen.

De specifiek aan de ressorts toe te rekenen uitgaven betreffen de uitgaven die rechtstreeks verband houden met de bij de ressorts ingedeelde wapensystemen en uitrustingsstukken. Het merendeel van de specifiek aan 1(GE/NL) Legerkorps toe te rekenen uitgaven hebben betrekking op de logistieke ondersteuning van Leopard-2 gevechtstanks (met name het toestandsafhankelijk onderhoud), M109 en YPR (onderhoudsprogramma 2000).

De uitgaven ten behoeve van het functioneren van de andere ressorts van de Koninklijke landmacht betreffen met name de uitgaven die verband houden met de (centrale) «voorzien-in-functie» van materieel. Gezien de benodigde technische en commerciële deskundigheid en de doelmatigheid van bundeling van behoeften, wordt een groot deel van de materiële middelen voor met name de operationele taakuitvoering centraal verworven. Dit materieel, zoals reservedelen ten behoeve van diverse uitrustingsstukken en wapensystemen, voertuigen, communicatiemiddelen en munitie, is bestemd voor meerdere ressorts en derhalve opgenomen in de post «niet specifiek toe te rekenen».

Toelichting per artikelonderdeel

04.20.13 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort Overige eenheden BLS.

Ramingskengetallen burgerpersoneel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– actief personeelaantal vte'n1 5271 2331 2381 2401 2441 145
– gemiddeld salarisx f 181 50982 16982 12482 31581 99382 570
– totale uitgavenx f 1000124 465101 314101 669102 070101 99994 543
– niet-actief personeelaantal vte'n242424242424
– gemiddeld salarisx f 181 91783 08383 16783 33383 08383 042
– totale uitgavenx f 10001 9661 9941 99620001 9941 993
Totaal toegelicht bedragx f 1000126 431103 308103 665104 070103 99396 536

De daling in het personeelsbestand van het ressort Overige Eenheden BLS wordt met name in 1999 veroorzaakt door de reorganisaties bij de DMKL. Hierbij zullen functies worden overgeheveld naar het ressort NATCO en zullen er functies worden gereduceerd. Op deze reducties wordt geanticipeerd door het toepassen van een restrictief vullingsbeleid. Tevens zijn in de planperiode de vrijwillige herplaatsers ondergebracht in de CDPO-organisatie.

04.20.14 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort Overige eenheden BLS.

Ramingskengetallen militair personeel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Sterkte begroting 1999aantal vte'n2 2982 0942 0712 0652 0832 090
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n1 6881 4761 4421 4161 4241 431
– gemiddeld salarisx f 187 38488 57288 32588 29488 07488 012
– totale uitgavenx f 1000147 505130 733127 365125 025125 418125 945
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n276333344364374374
– gemiddeld salarisx f 157 34859 91059 75058 93457 89657 904
– totale uitgavenx f 100015 82819 95020 55421 45221 65321 656
– zakgeldgenietenden KMAaantal vte'n334285285285285285
– gemiddeld salarisx f 114 52714 76814 73014 73714 70914 716
– totale uitgavenx f 10004 8524 2094 1984 2004 1924 194
Totaal toegelicht bedragx f 1000168 185154 892152 117150 677151 263151 795

De daling in de jaren na 2000 van het gemiddeld salaris BBT wordt veroorzaakt door de verlaging van de BBT-premies en de effecten daarvan op de salarissen. Een ander wordt pas zichtbaar in de begroting aan het einde van de contractperiode van de BBT-er.

04.20.15 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reis- en verblijfkosten, verplaatsingen, representatie, personele toelagen en uitkeringen, onderwijs en opleiding en het inhuren van tijdelijk personeel (uitzendkrachten op formatieve en/of bovenformatieve arbeidsplaatsen). De uitbestedingen aan O-, I- en A-deskundigen worden geraamd en verantwoord ten laste van het artikelonderdeel Materiële uitgaven. Naast deze apparaatsuitgaven bevat dit artikelonderdeel tevens de uitgaven ten behoeve van de centrale aanschaffingen van kleding en uitrusting en voeding. Het ramingskengetal kleding en uitrusting heeft derhalve betrekking op het militaire personeel van de Koninklijke landmacht, het ramingskengetal voeding heeft betrekking op het militair- en burgerpersoneel van de Koninlijke landmacht.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)3 8253 3273 3093 3053 3273 235
– gemiddeld per vtex f 16 1164 6844 7304 7364 6924 852
– totale uitgavenx f 100023 39515 58515 65215 65115 61115 697
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren83,1451,8751,1650,1948,6146,94
– gemiddeld salarisx f 1100 000100 000100 000100 000100 000100 000
– totale uitgavenx f 10008 3145 1875 1165 0194 8614 694
– kleding en uitrusting ten behoeve van militair personeel (KL-breed)aantal vte'n (mp)23 53223 60723 43423 31023 36823 470
– gemiddeld per vtex f 12 2331 8432 5282 5872 4202 428
– totale uitgavenx f 100052 54343 50359 23960 31256 56056 988
– voeding (KL-breed)aantal vte'n (bp en mp)33 33132 86932 46132 19432 13632 109
– gemiddeld per vtex f 11 8941 9111 9211 9551 9521 958
– totale uitgavenx f 100063 13162 81862 37262 94362 73262 869
– overige persoonsgebonden personele uitgaven (KL-breed)aantal vte'n (bp en mp)33 33132 86932 46132 19432 13632 109
– gemiddeld per vtex f 11 2391 1681 2141 1951 1451 159
– totale uitgavenx f 100041 28438 40339 41738 48436 79237 222
Totaal toegelicht bedragx f 1000188 667165 496181 796182 409176 556177 470
Overige personele uitgavenx f 10001 4141 3511 3311 2971 2431 220
Totaal overige personele uitgavenx f 1000190 081166 847183 127183 706177 799178 690

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

In dit ramingskengetal zijn de uitgavencomponenten reis- en verblijfkosten, verplaatsen, representatie, personele toelagen en uitkeringen en onderwijs en opleidingen opgenomen. De daling in de begrotingsperiode ten opzichte van 1998 betreft met name de budgetten verplaatsen en onderwijs en opleidingen bij de DMKL. Ten aanzien van het budget verplaatsen wordt in 1998 een grotere dislocatie woon-/werkverkeer voorzien dan in latere jaren in verband met het personeel, dat in dat jaar overgaat naar het Landelijk Bevoorradingsbedrijf Koninklijke landmacht, vallend onder het ressort NATCO. Voor onderwijs en opleiding wordt de daling veroorzaakt door de, ten opzichte van latere jaren, hogere opleidingsbehoefte in 1998 met betrekking tot functionarissen, waarvan de functie in de reorganisatie van DMKL mogelijkerwijs komt te vervallen; de opleidingen terzake dienen ter vergroting van de kans om buiten de (DM)KL-organisatie een nieuwe functie te verkrijgen.

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

De hogere behoefte aan tijdelijk personeel in 1998 ten opzichte van latere jaren wordt veroorzaakt doordat de inkrimping van de DMKL-organisatie vooruit is gelopen op de reductie van de omvang van de werkzaamheden in het kader van de reorganisatie van de DMKL. Verwacht wordt, dat vanaf 1999 het personeelsbestand en de omvang van de werkzaamheden op elkaar zijn afgestemd en derhalve minder inhuur is benodigd. Overigens is met deze tendens reeds in de begroting 1998 rekening gehouden.

Toelichting kleding en uitrusting (KL-breed)

In dit ramingskengetal is de uitgavencomponent kleding en uitrusting opgenomen. Het betreft uitgaven die centraal door de Overige Eenheden BLS worden verworven ten behoeve van het militaire personeel van de gehele Koninklijke landmacht. Zowel in de begroting 1998 als in de ontwerpbegroting 1999 kent dit kengetal voor het begrotingsjaar 1999 een lager niveau dan de overige jaren in de begrotingsperiode. Dit verschijnsel wordt veroorzaakt door de instroom van NBC-kleding en DT-pakketten (Dagelijks Tenue) vanaf 2000.

Toelichting voeding (KL-breed)

In dit ramingskengetal is de uitgavencomponent voeding opgenomen. Het betreft uitgaven die centraal door de Overige Eenheden BLS worden verworven ten behoeve van het burgeren militaire personeel van de gehele Koninklijke landmacht. De ontvangsten hieromtrent zijn opgenomen in de ontvangstenbegroting van de Koninklijke landmacht.

Toelichting overige persoonsgebonden uitgaven (KL-breed)

In dit ramingskengetal zijn de uitgavencomponenten opgenomen die door de Overige Eenheden BLS worden verworven ten behoeve van het burger- en militair personeel van de gehele Koninklijke landmacht. Het betreft hier onder meer uitgaven in het kader van verplaatsen (transportkosten), voorziening woonruimte, onderwijs en opleiding, kinderopvang en herplaatsingsuitgaven.

04.20.16 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven van onder meer commandantenvoorzieningen, bureauzaken, inventarisgoederen en klein materieel, informatiesystemen, data- en telecommunicatie, voertuigen en geniematerieel, brandstoffen, olie en smeermiddelen, munitie en het onderhoud van tanks, rupsvoertuigen en bewapening. De KL-brede uitgaven voor huisvesting, inventarisgoederen en klein materieel (kazerneringsgoederen) en onderhoud gebouwen en terreinen worden bij het ressort NATCO geraamd en verantwoord en zijn aldaar in de ramingskengetallen opgenomen.

Ramingskengetallen materiële uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)3 8253 3273 3093 3053 3273 235
– gemiddeld per vtex f 13 5403 3293 6723 6183 5803 662
Totaal toegelicht bedragx f 100013 54111 07412 14911 95811 91011 848
Overige materiële uitgavenx f 1000387 261473 442383 033381 965389 294383 406
Totaal materiële uitgavenx f 1000400 802484 516395 182393 923401 204395 254

Toelichting overige persoonsgebonden materiële uitgaven

In dit ramingskengetal zijn de uitgavencomponenten bureauzaken en onderhoud gebouwen (commandantenvoorzieningen) opgenomen.

Toelichting overige materiële uitgaven

Het voor 1999 geraamde bedrag van f 473 miljoen heeft betrekking op de uitgaven voor inventarisgoederen en klein materieel f 39 miljoen, informatie-systemen en kleinschalige automatisering f 81 miljoen, data- en telecommunicatie f 31 miljoen, separate uitgaven millennium f 57 miljoen, voertuigen en geniematerieel f 41 miljoen, brandstoffen, olie en smeermiddelen f 38 miljoen, munitie f 54 miljoen en het onderhoud van tanks, rupsvoertuigen en bewapening f 133 miljoen.

Binnen de totale raming in 1999 voor de detectie, analyse, reparatie en het testen van systemen in het kader van het oplossen van de millenniumproblematiek is f 94,7 miljoen geraamd ten behoeve van de sensor- wapen- en commandosystemen (SEWACO).

Van deze f 94,7 miljoen is f 57 miljoen opgenomen als separate raming, gedekt door de co-financiering. De overige middelen zijn binnen de budgetten voor informatiesystemen, data- en telecommunicatie en manoeuvre vrijgemaakt.

De verplichtingen en uitgaven Landmachtstaf

Tot het ressort Landmachtstaf (LAS) worden de volgende eenheden gerekend: de Beleidsstaf, waaronder de Directeur Beleid en Planning, de Directeur Control en de Directeur Personeel, de Operationele Staf BLS, een ondersteunend element met daarin het kabinet van de BLS en een stafgroep met een aantal kleine eenheden. De Landmachtstaf ondersteunt de bevelhebber bij de aansturing van de Koninklijke landmacht en schept de beleidsmatige voorwaarden om de eenheden en/of het individuele (reserve)personeel van de Koninklijke landmacht gereed te hebben en beschikbaar te stellen voor alle taken in het gehele crisisbeheersingsspectrum.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven 
 199819992000200120022003199819992000200120022003
04.20.17 Ambtelijk burgerpersoneel26 11428 31928 34828 35328 31328 26426 11428 31928 34828 35328 31328 264
04.20.18 Militair personeel24 45026 18725 07624 90424 89524 89724 45026 18725 07624 90424 89524 897
04.20.19 Overige personele uitgaven6 6005 4785 5125 4645 4485 5556 6005 4785 5125  4645 4485 555
04.20.20 Materiële uitgaven36 16212 17112 00112 68512 90112 83640 65512 17112 00112 68512 90112 836
Stand ontwerp begroting 199993 32672 15570 93771 40671 55771 55297 81972 1 5570 93771 40671 55771 552
Stand 1e suppletore wet 199895 17490 55583 23381 68880 389 95 17490 55583 23381 68880 389 
Nieuwe mutaties– 1 848– 18 400– 12 296– 10 282– 8 832 2 645– 18 400– 12 296– 10 282– 8 832 

Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19981999200020012002
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 19982 7233 8253 6403 6063 556
Sub-totaal technische bijstellingen2 7233 8253 6403 6063 556
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing van de begrotingssterkte– 4 682– 423608471471
– overdracht CDIKL – 12000– 12000– 12000– 12000
– overdracht Facilitaire Dienst– 7 000– 7 000– 7 000– 7 000– 7 000
– overige mutataties, per saldo11 604– 2 8022 4564 6416 141
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen– 78– 22 225– 15 936– 13 888– 12 388
Totaal van de nieuwe mutaties2 645– 18 400– 12 296– 10 282– 8 832

Toelichting op de nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast op het prijs- en loonniveau 1998. In de loonbijstellingsbedragen is de compensatie voor de Pemba-uitgaven begrepen (introductie van premie differentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen).

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing van de begrotingssterkte

In de loop van de herstructurering van de LAS is duidelijk geworden dat een in de vorige begroting verwachte stijging van het aantal burger-vte'n per 2000 zich niet zal voordoen. Daar tegenover staat dat de, in de vorige begroting verwachte daling van het aantal militaire vte'n zich per 2000 niet voor zal doen.

Overdracht CDIKL

In de huidige begroting is vanaf 1999 f 12 miljoen overgeheveld als gevolg van de overdracht van de uitgaven voor het Druk- en Bindwerk (inclusief de Bibliotheek) van de LAS naar het ressort NATCO.

Overdracht Facilitaire Dienst

In verband met de overdracht van de Facilitaire Dienst Den Haag van de LAS naar het Regionaal Militair Commando West/Garnizoen Den Haag van het ressort NATCO is in de huidige begroting f 7 miljoen overgeheveld.

Overige mutaties Materiële uitgaven

De in de vorige begroting verwachte daling van de uitgaven voor materiële uitgaven in de jaren 2000 en verder voor met name informatiesystemen wordt niet gerealiseerd. De oorzaak hiervan is dat de in het jaar 1999 doorgevoerde prioriteitsstellingen een inhaalslag voor deze systemen in latere jaren noodzakelijk maakt.

Activiteitentoelichting

De Landmachtstaf ondersteunt de bevelhebber bij de aansturing van de Koninklijke landmacht. Belangrijke aktiviteiten van de LAS zijn het uitwerken van de grondslagen en hoofdlijnen van het beleid van de Koninklijke landmacht en het scheppen van de beleidsmatige voorwaarden om de eenheden en/of het individuele (reserve)personeel van de Koninklijke landmacht gereed te hebben en beschikbaar te stellen voor alle taken in het gehele crisisbeheersingsspectrum. De LAS draagt zorg voor het integreren van het beleid in de ter beschikking staande financiële ruimte, het opstellen van plandocumenten en het verzorgen van de informatie-uitwisseling met de centrale organisatie. Daarbij waarborgt de LAS een doelmatige inrichting en uitvoering van de bedrijfsprocessen en verschaft zij inzicht in de kwaliteit van de bedrijfsvoering. Tenslotte verzorgt de LAS de beleidsmatige voorbereiding, de coördinatie en de evaluatie van alle uitzendingen en treedt op als aanspreekpunt en coördinator naar de Defensiestaf en het Defensie Crisisbeheersingscentrum en naar instanties buiten de KL.

Toelichting per artikelonderdeel

04.20.17 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbend op het burgerpersoneel van het ressort Landmachtstaf.

Ramingskengetallen burgerpersoneel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– actief personeelaantal vte'n309336336336336336
– gemiddeld salarisx f 183 42983 28983 37583 39083 27183 128
– totale uitgavenx f 100025 78027 98528 01428 01927 97927 931
– niet-actief personeelaantal vte'n444444
– gemiddeld salarisx f 183 49983 50083 50083 50083 50083 250
– totale uitgavenx f 1000334334334334334333
Totaal toegelicht bedragx f 100026 11428 31928 34828 35328 31328 264

04.20.18 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort Landmachtstaf.

Ramingskengetallen militair personeel
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
Sterkte begroting 1999aantal vte'n245249239236236236
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n225240230230230230
– gemiddeld salarisx f 1103 462106 883106 700106 752106 735106 743
– totale uitgavenx f 100023 27925 65224 54124 55324 54924 551
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n2099666
– gemiddeld salarisx f 158 55059 44459 44458 50057 66757 667
– totale uitgavenx f 10001 171535535351346346
Totaal toegelicht bedragx f 100024 45026 18725 07624 90424 89524 897

Toelichting militair personeel

De daling in de jaren na 2000 van het gemiddeld salaris BBT wordt veroorzaakt door de verlaging van de BBT-premies en de effecten daarvan op de salarissen. Een en ander wordt pas zichtbaar in de begroting aan het einde van de contractperiode van de BBT-er.

04.20.19 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de activiteiten. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reis- en verblijfkosten, verplaatsingen, representatie, personele toelagen en uitkeringen, onderwijs en opleidingen en het inhuren van tijdelijk personeel (uitzendkrachten op formatieve en/of bovenformatieve arbeidsplaatsen).

De uitbestedingen aan O-, I- en A-deskundigen worden geraamd en verantwoord ten laste van het artikelonderdeel «Materiële uitgaven». In verband met de centrale aanschaf voor de gehele Koninklijke landmacht worden de uitgaven voor kleding en uitrusting en voeding bij het ressort Overige Eenheden BLS geraamd en verantwoord. De uitgaven voor onderwijs en opleidingen BBT'ers worden om eenzelfde reden geraamd en verantwoord bij het COKL.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven
OmschrijvingEenheid199819992000200120022003
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)558589579576576576
– gemiddeld per vtex f 17 8987 8277 8267 8287 8287 845
– totale uitgavenx f 10004 4074 6104 5314 5094 5094 519
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren21,748,489,619,359,1910,16
– gemiddeld salarisx f 1100 000100 000100 000100 000100 000100 000
– totale uitgavenx f 10002 1748489619359191 016
Totaal toegelicht bedragx f 10006 5815 4585 4925 4445 4285 535
Overige uitgavenx f 1000192020202020
Totaal overige personele uitgavenx f 10006 6005 4785 5125 4645 4485 555

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

In deze ramingskengetallen zijn de uitgavencomponenten reis- en verblijfkosten, verplaatsen, representatie, personele toelagen en uitkeringen en onderwijs en opleidingen opgenomen.

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

Het betreft hier de uitgaven voor de inhuur van tijdelijk personeel (uitzendkrachten op formatieve en/of bovenformatieve arbeidsplaatsen). De daling ten opzichte van 1998 in 1999 en verder is het gevolg van het feit dat enkele taken van LAS/INFO in 1999 overgaan naar de Telematicagroep Garnizoen Den Haag van het ressort NATCO. Hierdoor hoeven ten behoeve van de Landmachtstaf minder mensen te worden ingehuurd.

04.20.20 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor onder meer bureauzaken, informatiesystemen, data- en telecommunicatie en overige zaken van operationele of materiële aard en voor de uitbestedingen aan O-, I- en A-deskundigheid. De KL-brede uitgaven voor huisvesting, inventarisgoederen en klein materieel en onderhoud gebouwen en terreinen worden bij het ressort NATCO geraamd en verantwoord en zijn aldaar in de ramingskengetallen opgenomen.

Ramingskengetallen materiële uitgaven
OmschrijvingEenheid19981999 2000200120022003
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)558589579576576576
– gemiddeld per vtex f 155 84613 24412 31612 59512 59212 618
– totale uitgavenx f 100031 1627 8017 1317 2557 2537 268
– O-, I en A-deskundigheidaantal mensjaren4,72,72,72,72,72,8
– gemiddeld salarisx f 1280 170280 170280 170280 170280 170280 170
– totale uitgavenx f 10001 311769768769769771
Totaal toegelicht bedragx f 100032 4738 5707 8998 0248 0228 039
Overige materiële zakenx f 10008 1823 6014 1024 6614 8794 797
Totaal materiële uitgavenx f 100040 65512 17112 00112 68512 90112 836

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

In dit ramingskengetal zijn de uitgavencomponenten bureauzaken, onderhoud gebouwen (commandantenvoorzieningen), informatiesystemen en data- en telecommunicatie (voor zover verworven door de Landmachtstaf) opgenomen. Uitgaven ten behoeve van dit ressort die worden beheerd door het ressort Overige Eenheden BLS zijn opgenomen in de kengetallen aldaar. De daling in 1999 in het gemiddelde per vte is het gevolg van de afronding van het BedrijfsBesturings Systeem (opgenomen onder Informatiesystemen) en de overdracht van het CDIKL (opgenomen onder Bureauzaken) naar het ressort NATCO.

Toelichting O-, I- en A-deskundigheid

De daling van de benodigde deskundigheid in 1999 is het gevolg van de overdracht van enkele taken van LAS/INFO naar de Telematicagroep Garnizoen Den Haag van het ressort NATCO waardoor minder inhuur ten behoeve van de Landmachtstaf noodzakelijk is.

Artikelonderdeel 04.20.21 Wachtgelden en inactiviteitswedden

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor het burger- en militair personeel van de Koninklijke landmacht. Naast het regulier wachtgeld worden op dit artikelonderdeel ook de uitgaven voor wachtgelden en uitstroombevorderende maatregelen geraamd en verantwoord die voor de Koninklijke landmacht uit het Sociaal Beleidskader (SBK) voortvloeien. Volgens het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit artikelonderdeel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De geraamde bedragen en ramingskengetallen wachtgelden en inactiviteitswedden

 
Omschrijving Eenheid199819992000200120022003
Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel:       
– aantallen in uitkeringsjarenaantal654651691588487415
– bedrag per uitkeringsjaarx f 135 86236 13435 46038 62439 46837 393
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 00023 45423 52324 50322 71119 22115 518
Overige wachtgelden burgerpersoneel:        
– aantallen in uitkeringsjarenaantal445483489493522547
– bedrag per uitkeringsjaarx f 128 22926 75624 47425 42425 65525 830
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 00012 56212 92311 96812 53413 39214 129
Wachtgelden SBK/UBMO militair personeel:        
– aantallen in uitkeringsjarenaantal1 0269631 027941850731
– bedrag per uitkeringsjaarx f 141 95037 87634 72738 78738 80238 662
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 00043 04136 47535 66536 49932 98228 262
Werkloosheidsbesluit militairen:        
– aantallen in uitkeringsjarenaantal632741808811814847
– bedrag per uitkeringsjaarx f 124 52424 14724 63125 53325 31224 778
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 00015 49917 89319 90220 70720 60420 987
Overige wachtgelden militair personeel:        
– aantallen in uitkeringsjarenaantal736033425357
– bedrag per uitkeringsjaarx f 129 37031 61734 75828 85731 81136 263
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0002 1441 8971 1471 2121 6862 067
Totaal toegelicht met ramingskengetallenx f 1 00096 70092 71193 18593 66387 88580 963
Bij: uitvoeringskostenx f 1 00015 12715 17015 16815 17915 17715 210
Totale uitgaven wachtgelden en inactiviteitsweddenx f 1 000111 827107 881108 353108 842103  06296 173
Stand 1e suppletore begroting 1998x f 1 000128 800130 900120 700108 200105 400 
Nieuwe mutatiesx f 1 000– 16 973– 23 019– 12 347642– 2 338 

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 100019981999200020012002
Prijsbijstelling 1998127170168179177
Minderuitgaven wachtgelden BBT'ers– 13 201– 21 507– 23 398– 20 093– 22 996
Wachtgelden SBK/UBMO/overige wachtgelden burgerpersoneel4 0545 8239 1039 5117 321
Wachtgelden SBK/UBMO/overige wachtgelden militair personeel– 5 659– 5 4255 86514 89915 882
Overige ramingsbijstellingen– 2 294– 2 080– 4 085– 3 854– 2 722
Totaal van de nieuwe mutaties– 16 973– 23 019– 12 347642– 2 338

Toelichting nieuwe mutaties

Minderuitgaven wachtgelden BBT'ers

De lagere uitgaven voor de wachtgelden van het BBT-personeel zijn het gevolg van een lagere instroom in de wachtgeldregeling. De lagere instroom is het resultaat van opleidingen met maatschappelijke meerwaarde, waardoor minder aanspraak hoeft te worden gemaakt op wachtgelden. Dit gecombineerd met de toename van de werkgelegenheid op de arbeidsmarkt, de lagere wervingsresultaten en wervingsbehoeften (BBT-besturingsmodel) en de contractverlengingen («mini-loopbaan» BBT'ers) leidt tot die lagere instroom.

Wachtgelden SBK/UBMO/overige wachtgelden burgerpersoneel

De toename van de SBK-uitgaven voor het burgerpersoneelsbestand is het gevolg van de bijstelling van de instroomprognoses. De bijstelling is noodzakelijk doordat een aantal grote reorganisaties in 1998 en deels in 1999 (met name bij DMKL en NATCO) hun beslag zullen krijgen. Een deel van deze overtolligheid ontstaat door een kwalitatieve mismatch. Dat wil zeggen dat het te herplaatsen burgerpersoneel niet voldoende gekwalificeerd of te hoog gekwalificeerd is voor een andere (vacante) functie binnen de Koninklijke landmacht.

Wachtgelden SBK/UBMO/overige wachtgelden militair personeel

De toename van de SBK-uitgaven voor het beroepspersoneel onbepaalde tijd vanaf het jaar 2000 en verder betreft voornamelijk een bijstelling van de meerjarenprognose. Uit de thans beschikbare realisatiegegevens blijkt dat de vorig jaar opgenomen meerjarenprognose bijstelling behoeft, doordat nu blijkt dat het personeel gemiddeld langer in de wachtgeldregeling verblijft dan oorspronkelijk is aangenomen.

Toelichting bij de artikelonderdelen wachtgelden en inactiviteitswedden

Het wachtgeld- en inactiviteitsweddebeslag neemt in de periode 1999–2003 af van ongeveer f 108 miljoen tot circa f 96 miljoen. Deze vermindering is voornamelijk het gevolg van een verwachte lagere instroom van het BBT-personeel in de wachtgeldregeling. Deze lagere instroom wordt in hoofdzaak bereikt door de opleidingen (maatschappelijke meerwaarde) en de toename van de werkgelegenheid op de civiele arbeidsmarkt.

De gepresenteerde (jaarlijks afwijkende) middensommen zijn het gevolg van de verschillende instroommomenten van personeel gedurende de loop van het jaar in een regeling en de verschillende samenstelling van het bestand per jaar. Bovendien is binnen een wachtgeldregeling sprake van een diversiteit aan uitkeringsmogelijkheden: bijvoorbeeld een uitkering van 2 maanden en een uitkeringssuppletie.

Uitgaven Sociaal Beleidskader

De uitgaven voor dit beleidskader nemen in de tijd gezien af doordat de herstructurering en de herschikking van de Koninklijke landmacht kort na de eeuwwisseling afgerond zal zijn. Twee grote reorganisaties bij het NATCO en bij de DMKL zijn in gang gezet. Deze reorganisaties hebben met name consequenties voor het burgerpersoneel en zullen tot enige overtolligheid leiden. Getracht wordt door middel van een pro-actief beleid het betreffende personeel vroegtijdig te informeren met betrekking tot het vervallen van hun functie. Instroom in een wachtgeldregeling wordt zoveel mogelijk voorkomen, doordat het personeel zelf of via het herplaatsingstraject actie onderneemt om binnen de Koninklijke landmacht, Defensie of buiten Defensie een andere werkkring te vinden. Voorts wordt door het bieden van scholingsmogelijkheden getracht eventuele nieuwe vaardigheden aan te leren, zodat andere functies waar vacatures zijn opgevuld kunnen worden of door personeel tijdelijk op militaire functies te plaatsen. De wachtgelduitgaven voor het «werkloosheidbesluit Defensie burgerpersoneel» zullen na het jaar 2000 weer oplopen naar het normale niveau van voor de herstructureringsperiode, daar de (vervroegde) uitstroommaatregelen dan niet meer van toepassing zijn.

In onderstaand overzicht zijn de voorziene uitgaven voor het Sociaal Beleidskader opgenomen. De uitgaven hebben zowel betrekking op burgerpersoneel als op militair personeel van de Koninklijke landmacht. De verantwoording van de uitgaven vindt, met uitzondering van de wachtgelden, plaats ten laste van de desbetreffende artikelonderdelen «Ambtelijk burgerpersoneel», «Militair personeel» en «Overige personele uitgaven».

De uitgaven van de wachtgelden worden geraamd en verantwoord ten laste van het artikelonderdeel 04.20.21.

 
Sociaal Beleidskader (bedragen x f 1000)1997199819992000200120022003
– Om-, her- en bijscholing en outplacement29 50018 4004 5004 400   
– Verplaatsen1 00050046530050  
– Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel24 40023 50023 50024 50022 70019 20015 500
– Wachtgelden SBK/UBMO militair personeel44 40043 00036 50035 70036 50033 00028 300
– BDOS plaatsingen burgerpersoneel6 0005 3004 7002 600   
– BDOS plaatsingen militair personeel38 50017 70016 20011 5002 300  
Totaal Sociaal Beleidskader143 800108 40085 86579 00061 55052 20043 800

04.21 Subsidies en bijdragen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden uitgaven geraamd voor subsidies aan de stichtingen Koninklijk Nederlands Leger- en Wapenmuseum «Generaal Hoefer» en Jeugdwerk Duitsland. Deze stichtingen zijn uitsluitend of hoofdzakelijk werkzaam op het terrein van de Koninklijke landmacht. De doelstellingen van deze instanties worden uiteengezet in bijlage 6 (de subsidiebijlage).

In overeenstemming met het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit begrotingsartikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
   199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  1 9351 9381 9381 9411 945 
1e suppletore wet 1998  1  
Nieuwe mutaties  – 87– 84– 85– 83– 84 
Stand ontwerpbegroting 1999  1 8491 8541 8531 8581 8611 861

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 100019981999200020012002
Stichting Jeugdwerk Duitsland1414141414
Stichting KNLW Generaal Hoefer– 117– 119– 119– 119– 120
Prijsbijstelling 19981621202222
Totaal van de nieuwe mutaties– 87– 84– 85– 83– 84

Toelichting op de nieuwe mutaties

In tegenstelling tot voorgaande jaren is de subsidie aan de Stichting Koninklijk Nederlands Leger- en Wapenmuseum «Generaal Hoefer» omgezet in een vaste financiële bijdrage in plaats van een jaarlijks fluctuerend bedrag, gebaseerd op jaarlijkse afrekeningen.

Aan de volgende instanties verstrekt de Koninklijke landmacht subsidies:

 
Omschrijving (bedragen x f 1000)Uitgaven
 199819992000200120022003
Stichting Jeugdwerk Duitsland250250250250250250
Stichting Koninklijk Nederlands Leger- en Wapenmuseum1 5991 6041 6031 6081 6111 611
Totaal1 8491 8541 8531 8581 8611 861

04.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd voor investeringen in groot materieel en infrastructuur die niet onder het begrotingsartikel 04.20 Personeel en materieel worden geraamd en verantwoord.

Het beleid is gericht op verbetering van het bestaande materieel, opheffing van tekortkomingen, zowel kwantitatief als kwalitatief, en vervanging van verouderd materieel door modern hoogwaardig materieel. Door snelle ingrijpende ontwikkelingen van moderne technologieën worden hoge eisen gesteld aan het materieel, met name op de aspecten bescherming, vuurkracht, mobiliteit en leidbaarheid. Voor het materieel binnen de operationele eenheden van de Koninklijke landmacht is voor de komende jaren een aantal hoofdaandachtspunten onderkend, te weten verbetering van de logistieke ondersteuning, communicatiemiddelen, luchtverdedigingsmiddelen en geniematerieel. Daarnaast is het project Millennium opgenomen waarin fondsen zijn gereserveerd voor projectmatige detectie, analyse, reparatie en testen van systemen.

De herstructurering van de Koninklijke landmacht leidt tevens tot maatregelen op infrastructureel gebied. Het beleid is erop gericht de legering op het voor een beroepsleger beoogd kwalitatief niveau te brengen en tot een optimale kazernebelegging en oefen- en schietterreinindeling te komen. Bovendien worden infrastructuurprojecten uitgevoerd, welke noodzakelijk zijn als gevolg van de invoering van de ARBO-wet en milieuwetgeving.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  2 508 3801 479 963800 5381 953 1731 187 821 
Verwerking amendement Zijlstra  – 10 000  
Stand autorisatie begroting 1998  2 498 3801 479 963800 5381 953 1731 187 821 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  – 21 221  
Stand 1e suppletore wet 1998  2 477 1591 479 963800 5381 953 1731 187 821 
Nieuwe mutaties:         
MiLSATCOM  – 160 000138 800 – 39 000  
Duelsimulatoren/instrumentatie  – 99 00099 000    
SHORAD  – 330 000330 000    
Verbetering Leopard 2   – 73 00079 100227 000– 212 00022 000 
EOV-fase 1  – 24 00029 000    
EOV-fase 2   – 17 000     
Vervanging pantservoertuigen   75 000– 30 000   
Verplaatsing PIROC   46 200     
Overige projecten, per saldo  – 937 254386 367133 492672 845– 128 475 
Stand ontwerpbegroting 1999 1 496 905853 9052 646 4301 131 0302 375 0181 081 346566 570

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  940 8441 201 2431 242 2441 186 4901 312 656 
Verwerking amendement Zijlstra  – 10 000  
Stand autorisatiebegroting 1998  930 8441 201 2431 242 2441 186 4901 312 656 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  – 21 221  
Stand 1e suppletore wet 1998  909 6231 201 2431 242 2441 186 4901 312 656 
Nieuwe mutaties:         
MILSATCOM  – 4 000– 22 5006 500– 1 400– 9 500 
Duelsimulatoren/instrumentatie  – 4 100– 30 000– 1 000 36 000 
SHORAD  – 8 500– 15 000– 12 20025 000  
Verbetering Leopard 2   38 60010 900– 35 400– 27 000– 94 100 
EOV-fase 1  – 6 200– 18 30016 00013 0007 500 
EOV-fase 2  – 3 000– 9 0001 000– 3 000– 2000 
Vervanging pantservoertuigen    7 000– 4 00016 000 
Millennium  27 78012 400     
Verplaatsing PIROC   46 200     
Explosie-veilige machine Veenhuizen   – 9 000     
Gevechtsveld controleradar   – 24 000  24 000 
Warmtebeeld handkijker   – 7 500    
Overige projecten, per saldo  – 142 066– 85 415– 90 505– 111 049– 89 366 
Stand ontwerpbegroting 1999  808 1371 050 0281 133 6391 078 0411 201 1901 084 449

Hieronder wordt inzicht gegeven in de onderdelen van het artikel, waarbij de belangrijkste ontwikkelingen binnen de artikelonderdelen alsmede een nadere specificatie van grote projecten worden aangegeven.

Artikelonderdeel Automatisering

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Automatisering132 685100 180110 71482 03934 20019 10020 80030 500

In dit artikelonderdeel zijn de investeringsuitgaven opgenomen die samenhangen met de verwerving van informatiesystemen en met de automatisering die de bedrijfsvoering van de Koninklijke landmacht ondersteunen.

Een belangrijk aandachtsgebied is het bereiken van een betere ondersteuning van de logistieke processen. Zo wordt ondermeer een systeem opgezet ten behoeve van het geautomatiseerd registreren van goederen en zorgt het project ondersteuning behoeftebepalings- en vervullingstraject (OBVT) voor een snellere afhandeling van het materieelvoorzieningsproces. Op het gebied van de personele informatievoorziening vindt samenwerking met de Koninklijke luchtmacht plaats in het Project Informatievoorziening ter Ondersteuning van de Personeelsfunctie, waarmee de decentralisatie van de personeelsfunctie wordt ondersteund. Uitgaven zijn voorzien voor het voor de bedrijfsvoering noodzakelijke project Koninklijke Landmacht Implementatie Middenlaag (KLIM), de multifunctionele smartcard, waarmee ondermeer de toegang van KL-objecten wordt beveiligd en het (interdepartementale) project V-kaart, betreffende het ontwikkelen van een pc-beveiligingskaart. Deze projecten waren voorheen opgenomen onder het artikelonderdeel commandovoering, verbindingen en gevechtsinlichtingen.

Project Millennium

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Millennium67 40054 80033 70065 40023 100   

De millenniumproblematiek wordt binnen de Koninklijke landmacht deels projectmatig aangepakt. Voor de fase waarin de omvang van de problematiek wordt geïnventariseerd en de detectie van het zogenoemde millenium-probleem plaatsvindt, is f 30 miljoen geraamd. De verplichtingen hiervoor zijn in 1998 aangegaan. Op grond van de verkregen informatie zijn de financiële middelen voor de reparatie en het testen van de geïnventariseerde knelpunten vastgesteld.

De co-financiering vanuit het Millenniumfonds bedraagt voor de Koninklijke landmacht f 12,4 miljoen in 1999. De overige middelen zijn vrijgemaakt door het stellen van prioriteiten binnen de informatiserings- en automatiseringsprojecten.

Artikelonderdeel Logistiek

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Logisitiek108 899132 98563 44781 87088 202104 546144 412186 200

Dit artikelonderdeel heeft betrekking op de investeringen in het kader van de logistieke ondersteuning van de Koninklijke landmacht. Het betreft de verwerving van een grote diversiteit aan uitrustingsstukken voor de uitvoering van logistieke taken.

In de begroting is een aantal projecten voorzien om de logistieke voertuigen die het einde van hun levensduur hebben bereikt, te vervangen. Zowel de materieelveroudering als de intensievere samenwerking in internationaal verband is voor de Koninklijke landmacht reden geweest om een aantal studies op het gebied van de logistiek te initiëren. De resultaten van de studies zijn mede bepalend voor de aard en aantallen van aan te schaffen materieel.

De uitgaven op dit artikelonderdeel worden gedaan voor de projecten lichte vrachtauto's, modificatie van vrachtauto's en de prototypen voor het project wissellaadsystemen. Om de onderhoudskosten van in opslag gehouden materieel te verminderen worden droge luchtsystemen aangeschaft. Voor de verbetering van geneeskundige voorzieningen worden mobiele geneeskundige installaties verworven.

De verschuiving van het onderdeel Munitie-aflak-straat (MAS) van het project explosie-veilige machines als onderdeel van de invulling van de taakstelling uit het regeerakkoord betekent een langere continuering dan voorzien van de huidige werkwijze (met beperkingen) ten aanzien van de renovatie van munitie.

Als gevolg van uitstel van het project verbrandingscapaciteit munitie, dient de lopende studie naar exportmogelijkheden van de te vernietigen munitie te worden geïntensiveerd danwel zo spoedig mogelijk te worden afgerond. Het uitstel van dit project is eveneens een gevolg van de invulling van het regeerakkoord.

Artikelonderdeel Commandovoering, verbindingen en gevechtsinlichtingen

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Commandovoering142 346357 800179 944191 629187 195133 66874 57651 728

De investeringen in dit artikelonderdeel betreffen de communicatie- en informatiesystemen die het operationele command- en controlproces ondersteunen.

De ramingen voor dit artikelonderdeel hebben onder meer betrekking op reeds aangegane verplichtingen voor de projecten Combat Net Radio, Remotely Piloted Vehicle (RPV), de ontwikkeling van prototypen voor het project Single Channel Radio Access (SCRA) en de vervanging van Hoog Frequent Enkel Zijband radio's (HF-EZB) inclusief de manpackversie.

Project Remotely Piloted Vehicle (RPV)

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
RPV8 000 5200042 900    

Het project RPV voorziet in middelen voor het verkrijgen van gevechtsinlichtingen op middelbare afstand. Hiertoe is in 1995 een verplichting aangegaan voor het hoofdcontract voor de levering van de «Sperwer», een onbemand vliegtuigje. De totale financiële omvang van het project is f 144,1 miljoen. In 1998 zullen de eerste systemen worden afgeleverd.

Project Midlife Upgrade Zodiac

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Zodiac2 900108 3001 70016 00041 50035 00020 000 

In de plannen is tevens het project Midlife upgrade Zodiac (MLU Zodiac) opgenomen. De basis voor dit project ligt in het feit dat het huidige tactische straalverbindingssysteem Zodiac, dat is ingevoerd in de jaren 1980–1985, volledig is toegesneden op het destijds geldende operationele optreden. Om dit systeem aan te passen aan het gewijzigde operationeel optreden, aan de verdergaande digitalisering en aan de gewijzigde omvang en aard van de informatiestromen, alsmede in verband met de technische veroudering van systeemdelen, dient het communicatiesysteem in de komende periode een MLU te ondergaan. Voor dit project is f 114,2 miljoen gereserveerd.

Project MILSATCOM

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
MILSATCOM 138 800 50046 50018 60011 5004 700

Dit project voorziet in de krijgsmachtbrede behoefte aan satellietcommunicatiecapaciteit voor militair gebruik. Voor het project is een investeringsbudget geraamd van f 283 miljoen. Het budget is op basis van verbruikseenheden volgens een vaste verdeelsleutel aan de krijgsmachtdelen toegerekend.

De Koninklijke marine is belast met de realisatie van dit project. Het DMP-B document is op 9 februari 1998 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 1997/98, 25 886 X, nr. 1).

Dit project maakt deel uit van de invulling van de taakstelling van het regeerakkoord. Voor de Koninklijke landmacht is f 17 miljoen kasgeld 1999 verschoven naar 2000.

Artikelonderdeel Elektronisch materieel

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Elektronisch materieel32 23262 00025 75111 66920 71722 12317 5005 000

In dit artikelonderdeel zijn de investeringen opgenomen die betrekking hebben op middelen voor elektronische oorlogsvoering. In 1999 zijn uitgaven geraamd voor de completering van de eerste fase van het project elektronische oorlogsvoering (EOV). Na afronding van deze fase beschikt de Koninklijke landmacht over middelen om vijandelijke eenheden te lokaliseren en te identificeren op basis van uitgezonden elektronische (radio)signalen. Hierbij bestaat tevens de mogelijkheid om door middel van stoor- en misleidingsoperaties het gebruik van deze signalen te bemoeilijken. De afronding zal niet voor 2000 plaatsvinden als gevolg van invulling van de taakstelling uit het regeerakkoord, waarbij het kasgeld met betrekking tot het deelproject EGB uit 1999 is verschoven. De operationele consequenties hiervan zijn acceptabel.

Voornoemde taakstelling is tevens de oorzaak voor de latere start van de ontwikkeling van de 2e fase van het EOV-project (van 1999 naar 2000). Het betreft hier een systeem, waarmee vijandelijke grondgebonden radaruitzendingen kunnen worden opgespoord, geïndentificeerd, gelokaliseerd en gestoord. Voor de invulling van deze behoefte zal in beginsel worden aangesloten bij de behoefte van Duitsland. Door deze verschuiving zal het Legerkorps langer dan gepland verstoken blijven van de beoogde radarverkennings- en radarstoringscapaciteit.

Artikelonderdeel Nucleair, biologisch en chemisch materieel (NBC)

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
NBC materieel30 4009 3004 92816 89112 5809005 0007 500

Dit artikelonderdeel staat in het teken van investeringen op het gebied van alarmerings-, verkennings-, beschermings- en ontsmettingsapparatuur.

Hoewel internationaal wordt gestreefd naar het terugdringen van nucleaire, biologische en chemische (NBC) wapens blijft het risico reëel aanwezig dat Nederlandse militairen tijdens de uitvoering van hun taken worden geconfronteerd met (de dreiging van) dit soort wapens. Op het gebied van nucleaire en chemische alarmering, bescherming en verkenning is een aantal projecten in realisatie. De uitgaven hebben betrekking op diverse NBC-voorzieningen waaronder het project compagniesontsmetting en de vervanging van tactische en residuele dosismeters waarvan de verwerving in 1998 is voorzien.

Artikelonderdeel Luchtverdediging

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Luchtverdediging40 771621 80057 84491 209102 593111 728133 185125 000

De Koninklijke landmacht zal in de komende periode maatregelen treffen om de beschikbaarheid en effectiviteit van haar huidige luchtverdedigingssystemen zeker te stellen. Ter voorbereiding op de latere vervanging van luchtverdedigingsmiddelen participeert de Koninklijke landmacht in een multinationale Navo-studie die zich richt op de ontwikkeling van de opvolgers van deze middelen.

De uitgaven die in 1999 worden voorzien, betreffen reeds aangegane verplichtingen voor de projecten Gevechtswaarde-instandhouding van de Pantserrups tegen Luchtdoelen (GWI-PRTL) en Stinger-RMP. In de planning is rekening gehouden met de uitgaven van een modificatie pakket voor de Stinger-RMP dat zal worden aangebracht ter verbetering van de effectiviteit tegen helikopterdreiging. Ten behoeve van opleidingen wordt voorzien in een tweede Stinger-bol, waarvan de verwerving is gepland in 1998.

Project Gevechtswaarde instandhouding PRTL

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
PRTL  46 70083 90063 20012 900  

Het project Gevechtswaarde instandhouding PRTL (GWI PRTL) wordt in samenwerking met Duitsland uitgevoerd. Het betreft het uitvoeren van het basisonderhoud met een beperkt aantal verbeteringen (systeem aanpassingen). De gevechtswaarde instandhouding wordt uitgevoerd aan 60 stukken. De totale financiële omvang van dit project bedraagt f 382,9 miljoen.

Project SHORAD

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
SHORAD 330 0003 700 27 80065 00065 00093 000

Eveneens wordt rekening gehouden met de verwerving van het project Short Range Air Defence (SHORAD). Dit project betreft de verwerving van een aanvullende component voor de verdediging van eenheden en objecten die het mogelijk maakt om vliegtuigen en helikopters al op grotere afstand (circa tien kilometer) te kunnen bestrijden. Het systeem vormt een noodzakelijke aanvulling op de huidige luchtverdedigingsmiddelen. De totale financiële omvang van dit project voor de Koninklijke landmacht bedraagt f 337 miljoen. Het project dat zowel de behoefte van de Koninklijke land- en luchtmacht invult, wordt geleid door de Koninklijke luchtmacht en wordt gefaseerd uitgevoerd. De kasgeldreeks is om projecttechnische redenen aangepast.

Artikelonderdeel Manoeuvre

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Manoeuvre111 3551 010 210172 962264 825368 643336 405359 257205 481

Dit artikelonderdeel heeft betrekking op uitgaven die samenhangen met tanks, (gevechts-)voertuigen en bewapening. Ook de onderwijsleermiddelen en simulatoren voor deze uitrustingsstukken vallen hieronder.

Project Verbetering Leopard 2

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Verbetering Leopard 22 70079 100133 000140 600122 80057 20036 00016 000

Voortschrijdende technologische ontwikkelingen leiden tot vernieuwde inzichten in operationeel optreden, of het nu gaat om de bondgenootschappelijke verdedigingstaak in Navo-verband of om vredesondersteunende operaties in VN-verband. Mede op grond hiervan is voor de gevechtstank Leopard 2 een verbeteringsprogramma gestart, dat de gevechtswaarde op een aanmerkelijk hoger peil brengt. Het project Verbetering Leopard 2 wordt in fasen uitgevoerd, waarbij verbeteringen worden doorgevoerd in bescherming, door het aanbrengen van aanvullende bepantsering, en in vuurkracht, door het aanbrengen van een verlengde schietbuis alsmede de verwerving van verbeterde munitie. De Leopard 2 is daarmee in staat alle moderne tanks uit te schakelen. De verbeterde bescherming is voor een deel van het bestand reeds in realisatie. De totale financiële omvang van dit project bedraagt f 891 miljoen.

Project Pantservoertuigen vredesoperaties

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Pantservoertuigen6 500 27 200114 2009 300   

Met het project Pantservoertuigen vredesoperaties heeft de Koninklijke landmacht een aantal jaren geleden in navolging van andere Navo-landen besloten de eisen ten aanzien van de bescherming van in het kader van VN-operaties uitgezonden personeel te verhogen. De verwerving van de pantservoertuigen voor vredesoperaties heeft in 1997 plaatsgevonden en de eerste voertuigen zullen in de tweede helft van 1998 worden geleverd. De financiële omvang van dit project bedraagt f 166 miljoen.

Project Vervanging Pantservoertuigen

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Pantservoertuigen 75 000 17 00016 00016 00016 00010 000

Het project Vervanging Pantservoertuigen betreft de vervanging van het bestand pantserinfanteriegevechtsvoertuigen YPR en de hiervan afgeleide versies alsmede het commandovoertuig M577. Gelet op de omvang van het project zal vervanging van het totale bestand aan pantservoertuigen over de jaren tot 2025 worden gespreid. De totale omvang van het project bedraagt f 5600 miljoen.

In de eerste fase van het project zullen als eerste de voertuigen bij de verkenningseenheden worden vervangen door 210 gepantserde wielvoertuigen. Voor de ontwikkeling van dit voertuig zal in 1999 de verplichting worden aangegaan. Nederland gaat in dit deel van het project samenwerken met Duitsland, Frankrijk en Groot Brittannië.

Project Duelsimulatoren en instrumentatie

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Duelsimulatoren90099 000900 69 00030 000  

Met het project Duelsimulatoren en instrumentatie wordt voorzien in een set duelsimulatoren en een mobiele instrumentatieset voor oefeningen van operationele eenheden tot en met compagniesniveau, zo mogelijk in internationaal verband. Bij het project wordt gezocht naar samenwerkingsmogelijkheden met andere landen. De betalingen op dit project zijn met een jaar vertraagd en vangen pas in 2000 aan. De financiële omvang van dit project bedraagt f 100 miljoen.

Door de verschuiving van dit project naar aanleiding van het regeerakkoord wordt de mogelijkheid tot invulling van de opleidingsbehoefte aan geïnstrumenteerd oefenen door het Legerkorps verder vertraagd. Dit impliceert dat – voor het bereiken van het vereiste niveau van geoefendheid – minder gebruik zal kunnen worden gemaakt van geavanceerde oefenmogelijkheden in een geautomatiseerde oefenomgeving.

De vertraging van de invoering van de gevechtsveldcontroleradar als onderdeel van de invulling van de taakstelling uit het regeerakkoord heeft als gevolg dat de waarnemingsmogelijkheden voor verkennings- en bewakingsdoeleinden voor een langere periode beperkt zullen blijven. De eveneens aan de invulling van het regeerakkoord gerelateerde verschuiving van kasgeld 1999 met betrekking tot het project warmtebeeldkijkers naar latere jaren betreft een herfasering van de af te leveren aantallen warmtebeeldhandkijkers in de periode 1999–2001.

Project Medium Range Anti-Tanksystems (MRAT)

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Duelsimulatoren 492 000  15 00036 50051 00055 500

Het project MRAT betreft de vervanging van de DRAGON, die sinds 1997 binnen de Koninklijke landmacht en de Koninklijke marine wordt gevoerd en die niet meer voldoet aan de actuele operationele eisen (met name voor wat betreft de maximale effectieve dracht, het optreden tegen moderne tanks en de bescherming van de schutter). Het project is gesplitst in:

* MRAT ten behoeve van «lichte» eenheden (Luchtmobiele brigade, verkenningseenheden en het Korps Mariniers) voor f 242 miljoen;

* MRAT ten behoeve van zware eenheden (pantser-infanteriebataljons) voor f 250 miljoen.

Artikelonderdeel Vuursteun

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Vuursteun38 700113 50031 25839 27659 13959 228144 191151 000

Op dit artikelonderdeel zijn de investeringen ten behoeve van de veldartillerie opgenomen. Voor doelopsporing zijn verbeteringen voorzien voor de voorwaartse waarnemers in de vorm van een opbouw op het waarnemingsvoertuig. Voor de langere afstanden worden de zogenaamde «grondgebonden doelopsporingsmiddelen ten behoeve van de grondwapensysteembestrijding» voorzien. Dit zijn geavanceerde radarsystemen, waarmee op grotere afstand, vijandelijke grondwapensystemen kunnen worden gelokaliseerd wanneer deze vuur uitbrengen.

Project Vuist fase 1

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Vuist fase 18 300 29 10033 90015 500   

Er zijn ondermeer uitgaven geraamd voor fase 1 van het vuursteun-informatie-systeem (VUIST 1) inbegrepen de integratie met de nieuwe Combat net radio en de integratie van mortieren in het project. Het project VUIST 1 betreft een al lopend project om het vuursteuninformatiesysteem te automatiseren. De verplichting hiervoor is in 1997 aangegaan. De totale financiële omvang van dit project bedraagt f 116,6 miljoen. Naar verwachting zullen de leveringen in de tweede helft van 1998 aanvangen.

In 1999 is de verwerving voorzien van de projecten Vuist 2, grondgebonden doelopsporingsmiddelen. Het later, naar aanleiding van de invulling van het regeerakkoord, invoeren van het ballistisch meteostation betekent dat de huidige, veroudere weerkundige stations, langer dan verwacht de operationele behoefte moeten afdekken.

Artikelonderdeel Gevechtssteun

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Gevechtsteun38 55429 50013 64323 32836 52269 34482 30098 000

In dit artikelonderdeel zijn investeringen opgenomen ten behoeve van geniematerieel. Dit onderdeel wordt voor een groot deel bepaald door het nieuwe Nederlandse regeringsbeleid inzake landmijnen. Nieuw te verwerven mijnen dienen te voldoen aan de aan dit beleid af te leiden eisen. Tot dit artikelonderdeel behoren ook de middelen voor de ondersteuning van de mobiliteit van de eigen eenheden. Het betreft hier onder andere brugslagmiddelen en middelen voor het onder operationele omstandigheden maken van doorgangen door vijandelijke mijnenvelden.

De voor 1999 voorziene uitgaven hebben betrekking op ondermeer geniemunitie en het onderzoek naar middelen ten behoeve van ontmijningsoperaties. Op de langere termijn zullen voorzieningen worden getroffen voor het verkrijgen van mijndoorbraakcapaciteit.

Artikelonderdeel Infrastructuur

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Infrastructuur177 963209 155147 646247 292223 848220 999219 969224 040

Ten laste van dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor nieuwbouw en renovatie van kazernes mede als gevolg van de herstructurering van de Koninklijke landmacht op gebied van legering van militairen en de aanvullende voorzieningen zoals compagniesburelen, centrale wapenkamers, voedings- en kantinefaciliteiten en opleidingsfaciliteiten. Daarnaast zijn investeringen noodzakelijk op gebied van logistieke voorzieningen zoals opleg- en opslagfaciliteiten van materieel. Voor bewaking en beveiliging van objecten worden infrastructurele en elektronische voorzieningen getroffen. Binnen dit onderdeel worden eveneens de bodemsaneringsprogramma's gerealiseerd.

Ten aanzien van de behoefte aan oefen- en schietterreinen worden, in het kader van het verkrijgen van oefenmogelijkheden voor vredes(ondersteunende) operaties, voorzieningen gecreëerd. Zo is in Lauwersmeer gestart met de voorbereidingen voor de realisatie van een oefendorp, waar potentiële situaties en omstandigheden kunnen worden nagebootst en getraind.

Project Verplaatsing PIROC

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 19981999199819992000200120022003
Verplaatsing PIROC 46 200 46 200    

In het kader van VINEX is met de gemeente Eindhoven en Veldhoven de verplaatsing van het PIROC overeengekomen. Hierdoor zal de rijopleiding uit Eindhoven naar de «Strijpse Kampen» worden verplaatst.

05. BELEIDSTERREIN KONINKLIJKE LUCHTMACHT

Algemeen

De uitgaven binnen het artikel 05.20 Personeel en materieel bij het beleidsterrein Koninklijke luchtmacht zijn verdeeld in, naast het artikelonderdeel wachtgelden, drie ressorts: Commando Tactische Luchtmacht (CTL), Decentrale Ondersteunende eenheden (DOE) en Hoofdkwartier Koninklijke Luchtmacht (HKKLu). Het artikel 05.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur completeert de begroting van de Koninklijke luchtmacht.

De totaal geraamde uitgaven van de Koninklijke luchtmacht voor de jaren 1999 tot en met 2003 zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 1000199819992000200120022003
05.20 Personeel en materieel      
– Commando Tactische Luchtmacht844 701834 973822 718817 389822 620817 497
– Decentrale Ondersteunende eenheden312 510298 091291 378294 700295 288291 556
– Hoofdkwartier Koninklijke Luchtmacht751 046653 682692 627720 335746 724757 411
– Wachtgelden en inactiviteitswedden26 65524 02920 29417 56715 90513 594
Totaal Personeel en materieel1 934 9121 810 7751 827 0171 849 9911 880 5371 880 058
05.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur963 862577 630657 889745 111744 9721 098 288
Totale uitgaven2 898 7742 388 4052 484 9062 595 1022 625 5092 978 346

Uitgaven die betrekking hebben op samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgaven die betrekking hebben op attachés worden, conform de nota «Herijking van het buitenlands beleid» (Kamerstukken II 1994/95, 24 337 X, nr. 1), verantwoord op het artikel 08.04 Overige uitgaven Internationale Samenwerking.

05.20 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Naar aanleiding van de gewijzigde begrotingsindeling als gevolg van de verplichte integratie van de begrotingsartikelen personeel en materieel en het Verbeterd Economisch Beheer (Kamerstukken II 1995/1996, 24 400 X, nr. 113) is met ingang van de begroting 1998 inzicht verschaft in de bedrijfsvoeringsuitgaven per ressort van resultaatverantwoordelijke eenheden. De drie ressorts waar het bij de Koninklijke luchtmacht om gaat zijn:

– Commando Tactische Luchtmacht (CTL)

– Decentrale Ondersteunende Eenheden (DOE)

– Hoofdkwartier Koninklijke luchtmacht (HKKLu)

Het beleid is er nog immer op gericht de bevoegdheden en budgetten te leggen waar ook de uitvoering plaatsvindt. Dit past in het beleid van de Koninklijke luchtmacht om via decentralisatie te komen tot een Verbeterd Economisch Beheer. In dit verband vinden ook reorganisaties plaats als de oprichting van het Opleidingscentrum KLu (OCKLu), de bestuurlijke integratie van de Depots tot één Logistiek Centrum (LCKLu) en de reorganisatie van de topstructuur van de Koninklijke luchtmacht. Deze reorganisaties beogen tevens een verdere afslanking van het personeelsbestand.

Per ressort worden vier vaste artikelonderdelen gepresenteerd: ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel, overige personele uitgaven en materiële uitgaven. Met ingang van de begroting 1998 worden de wachtgelduitgaven voor het burger- en militair personeel op het artikelonderdeel 05.20.13 geraamd en verantwoord. Terzake van de thans beschikbare bedrijfsvoeringsbudgetten per ressort zijn afzonderlijke tabellen opgenomen.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  1 793 8931 796 0001 707 2091 763 9121 664 904 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  2 975– 498– 498– 498– 498 
Stand 1e suppletore wet 1998  1 796 8681 795 5021 706 7111 763 4141 664 406 
Nieuwe mutaties:         
Commando Tactische Luchtmacht  56 41447 89342 76738 78945 109 
Decentrale Ondersteunende Eenheden  25 19520 81816 90321 42422 912 
Hoofdkwartier Koninklijke luchtmacht  193 30050 936– 4 8479 49552 376 
Wachtgelden en inactiviteitswedden  2 9193 6273 3433 2141 428 
Stand ontwerpbegroting 1999363 7031 876 7782 074 6961 918 7761 764 8771 836 3361 786 2311 842 596
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998  1 796 1261 789 8091 777 4081 768 8961 803 290 
Mutaties 1e suppletore wet 1998  2 975– 498– 498– 498– 498 
Stand 1e suppletore wet 1998  1 799 1011 789 3111 776 9101 768 3981 802 792 
Nieuwe mutaties:         
Commando Tactische Luchtmacht  56 08447 89342 76738 78945 109 
Decentrale Ondersteunende Eenheden  25 22320 81816 94821 41922 907 
Hoofdkwartier Koninklijke luchtmacht  51 585– 50 874– 12 95118 1718 301 
Wachtgelden en inactiviteitswedden  2 9193 6273 3433 2141 428 
Stand ontwerpbegroting 1999  1 934 9121 810 7751 827 0171 849 9911 880 5371 880 058

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

Bovenvermelde verplichtingen- en uitgavenmutaties worden naar oorzaak bij de ramingen van de ressorts en het artikelonderdeel Wachtgelden en inactiviteitswedden toegelicht.

De Koninklijke luchtmacht heeft besloten om het operationele tempo in de eerste jaren (1999 en 2000) enigermate aan te passen. Dit biedt de mogelijkheid om de ervaringen van de «out-of area»-operaties en -oefeningen van de afgelopen jaren te evalueren en in de «contingency-plannen» te verwerken. Voorts krijgt de organisatie door deze consolidatie in het kader van werkdruk/werklast de noodzakelijke extra rust. Door deze tijdelijke beleidsbijstelling wordt de stijging van het niveau van de materiële exploitatie voor de eerstkomende jaren getem-poriseerd. Na verloop van een tweetal jaren zullen de activiteiten weer op een normaal niveau worden gebracht. De vermindering van de activiteiten uit zich onder meer in een tijdelijke in samenhang met de aanloop van de invoering van de Mid Life Update doorgevoerde herziening van de F-16 vliegoperaties met een daaraan gekoppelde vermindering van het aantal jachtvlieguren voor 1999. Voorts is het aantal oefendagen, dat de laatste jaren een stijgende tendens liet zien, nu weer naar een lager maar nog steeds goed niveau teruggebracht. De vermindering van activiteiten heeft tevens een positief effect op de noodzaak tot het inhuren van extern personeel.

De verplichtingen en uitgaven Commando Tactische Luchtmacht

Het ressort Commando Tactische Luchtmacht (CTL) bestaat uit de Groep Jachtvliegtuigen, de Tactische Helikoptergroep (THGKLu), de Groep Grond-Lucht Geleide Wapens (GLGW), de Luchttransportvloot en het Air Operations Control Station. Hieronder ressorteren vervolgens de vliegbases en de andere operationele onderdelen van de Koninklijke luchtmacht.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 199819992000200120022003199819992000200120022003
05.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel30 49128 62228 01627 46127 43727 28330 49128 62228 01627 46127 43727 283
05.20.02 Militair personeel639 450647 404638 036630 750630 334626 929639 450647 404638 036630 750630 334626 929
05.20.03 Overige personele uitgaven67 17061 61557 33459 64660 31758 75367 17061 61557 33459 64660 31758 753
05.20.04 Materiële uitgaven107 55997 33299 33299 532104 532104 532107 59097 33299 33299 532104 532104 532
Stand ontwerpbegroting 1999844 670834 973822 718817 389822 620817 497844 701834 973822 718817 389822 620817 497
Stand 1e suppletore wet 1998788 287787 080779 951778 600777 511 788 617787 080779 951778 600777 511 
Nieuwe mutaties56 38347 89342 76738 78945 109 56 08447 89342 76738 78945 109 

Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19981999200020012002
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199831 69533 79932 83232 11231 551
– decentralisatie VEB-budgetten11 0009 0007 0007 0007 000
Sub-totaal technische bijstellingen42 69542 79939 83239 11238 551
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing van de begrotingssterkte6 10010 9001 200– 1 800– 1 700
– luchttransport6 3006 9006 9006 9006 900
– overige mutaties, per saldo989– 12 706– 5 165– 5 4231 358
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen13 3895 0942 935– 3236 558
Totaal van de nieuwe mutaties56 08447 89342 76738 78945 109

Toelichting op de nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast op het prijs- en loonniveau 1998. In de loonbijstellingsbedragen is de compensatie voor de Pemba-uitgaven begrepen (introductie van premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen).

De verdere decentralisatie van verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het ressort HKKLu naar de overige ressorts, heeft geleid tot deze hiermee samenhangende budgetmutatie.

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing van de begrotingssterkte

De ramingsaanpassing voor het burgerpersoneel betreft een kleine (neerwaartse) bijstelling van de uitgaven naar aanleiding van de afbouw van het personeelsbestand. De aanpassing van de uitgavenreeks voor militair personeel is voornamelijk het gevolg van de technische decentralisering vanuit het ressort HKKLU. Voor het jaar 1999 zijn hiermee 189 vte'n gemoeid.

Luchttransport

De verhoging van deze uitgaven zijn het gevolg van de decentralisatie van de uitgaven voor brandstoftanken in het buitenland en de toename in de uitgaven voor landingsrechten.

Overige mutaties, per saldo

Een groot aantal kleinere bijstellingen is doorgevoerd als gevolg van aanpassingen in de ramingen voor onder andere onderhoud infrastructuur, inventarisgoederen en reis- en verblijfkosten.

Activiteitentoelichting

Het ressort CTL is verantwoordelijk voor het inzetbaar maken en houden en het inzetten van de operationele eenheden van de Koninklijke luchtmacht.

Ten behoeve van deze activiteiten wordt dagelijks geoefend. Daarnaast worden regelmatig oefeningen in groter verband gehouden. De operationele eenheden worden in de praktijk ingezet tijdens diverse vredesoperaties. Tevens worden individuele militairen van de Koninklijke luchtmacht ingezet voor operaties in het kader van de Navo, VN en WEU.

05.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen en het aandeel in de sociale lasten voor het burgerpersoneel van het ressort CTL.

Ramingskengetallen burgerpersoneel
OmschrijvingEenheid19981999 2000200120022003
– actief personeelaantal vte'n441416403395395395
– gemiddeld salarisx f 169 14168 80369 51969 52269 46169 071
– totaal toegelicht bedragx f 100030 49128 62228 01627 46127 43727 283

Toelichting

Bij het ressort CTL wordt een aantal burgerfuncties opgeheven in het kader van de personeelsreductie. In de loop van het jaar 2000 wordt het niveau van de Prioriteitennota bereikt.

05.20.02 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, en het aandeel in de sociale lasten voor het militair personeel van het ressort CTL. Vanaf 1998 is de extra behoefte op de THGKLu en de vliegbasis Eindhoven om operationele taken uit te voeren verwerkt.

Ramingskengetallen militair personeel
OmschrijvingEenheid19981999 2000200120022003
Sterkte begroting 1999aantal vte'n8 4578 5418 4488 3788 3618 361
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n6 0136 0395 8965 7755 7065 652
– gemiddeld salarisx f 183 06783 82183 78783 78384 20983 871
– totale uitgavenx f 1000499 483506 198494 009483 844480 494474 041
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n2 4442 5022 5522 6032 6552 709
– gemiddeld salarisx f 157 27056 43756 43756 43756 43756 437
– totale uitgavenx f 1000139 967141 206144 027146 906149 840152 888
Totaal toegelicht bedragx f 1000639 450647 404638 036630 750630 334626 929

Toelichting

De Koninklijke luchtmacht beoogt meer BBT'ers in de organisatie op te nemen en een betere balans te bereiken tussen leeftijds- en ervaringsopbouw. Tevens wordt een grotere flexibiliteit bereikt. In deze ramingskengetallen wordt duidelijk dat de verhouding BOT/BBT verandert. Dit heeft ook als effect dat de totale uitgaven militair personeel op termijn enigszins dalen.

05.20.03 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn sterk afhankelijk van de personeelssterkte. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reis- en verblijfkosten, verplaatsen, onderwijs en opleidingen en de inhuur van tijdelijk personeel (uitzendkrachten op formatieve en/of bovenformatieve arbeidsplaatsen). De uitgaven voor uitbestedingen aan O-, I- en A-deskundigheid worden geraamd en verantwoord ten laste van het artikelonderdeel materiële uitgaven.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven
OmschrijvingEenheid19981999 2000200120022003
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren221515212121
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 196 36496 33396 33396 19096 19096 190
– totale uitgavenx f 10002 1201 4451 4452 0202 0202 020
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)8 8988 9578 8518 7738 7568 756
– gemiddeld per vtex f 12 0662 0512 0752 0942 0982 098
– totale uitgavenx f 100018 38718 36918 36918 36918 36918 369
– kleding en uitrusting voor militair personeelaantal vte'n8 4578 5418 4488 3788 3618 361
– gemiddeld per vtex f 1204202205206207207
– totale uitgavenx f 10001 7281 7281 7281 7281 7281 728
– voeding voor militair personeelaantal vte'n (mp)8 4578 5418 4488 3788 3618 361
– gemiddeld per vtex f 11 3081 2961 3101 3211 3231 323
– totale uitgavenx f 100011 06511 06511 06511 06511 06511 065
Totaal toegelicht bedragx f 100033 30032 60732 60733 18233 18233 182
Overige uitgavenx f 100033 87029 00824 72726 46427 13525 571
Totaal overige personele uitgavenx f 100067 17061 61557 33459 64660 31758 753

Toelichting

De inhuur van tijdelijk personeel is noodzakelijk voor het opvangen van pieken in de werklast en het compenseren van vacatures bij specifieke personeelscategorieën.

Het ramingskengetal overige persoonsgebonden uitgaven is gebaseerd op de gedecentraliseerde uitgaven met betrekking tot uitgaven personeelsgebonden onderzoek, vergoeding sportactiviteiten, uitgaven filmvoorziening krijgsmacht, toelagen muziekkorpsen, uitgaven ontspanningsevenementen, overige uitgaven sport en ontspanning, begrafeniskosten, luister- en kijkgelden, proces- en/of advocaatskosten, (muziek)auteursrechten, overige uitgaven en raden en commissies. Naar verwachting zullen de uitgaven nagenoeg constant blijven.

Onder het kengetal kleding en uitrusting ten behoeve van militair personeel worden de uitgaven voor verstrekkingen van PSU en NBC en diverse typen specifieke kleding en uitrusting (zoals out-of-area-kleding, brandbestrijdings-, reddings- en veiligheidsmateriaal) begrepen. Vanwege enerzijds de afname van militair personeel en anderzijds een groter aandeel BBT'ers zullen de uitgaven naar verwachting nagenoeg constant blijven.

Aanschaf van levensmiddelen (ook voor oefeningen) wordt geraamd in het kengetal voeding ten behoeve van militair personeel. Verwacht wordt dat de uitgaven constant blijven.

05.20.04 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden uitgaven geraamd van algemene en specifieke aard, waaronder de aankoop van inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, het onderhoud van onroerende zaken, de uitbestedingen aan O-, I- en A-deskundigheid en de aankoop van brandstoffen, olie en smeermiddelen, munitie en reservedelen.

De materiële uitgaven worden in toenemende mate geraamd op de plaats waar ook de uitvoering plaatsvindt. Dit past in het beleid van de Koninklijke luchtmacht om via decentralisatie te komen tot Verbetering van het Economisch Beheer (VEB). De uitgaven die inmiddels op decentraal niveau worden geraamd, betreffen zowel uitgaven voor het instandhouden van het onderdeel (uitgaven van huishoudelijke aard) als uitgaven ten behoeve van de uitvoering van de taak van het onderdeel. De taken van de onderdelen van het CTL zijn vastgelegd in managementcontracten (taakopdrachten).

Bij de huishoudelijke uitgaven is een belangrijke post de uitgaven ten behoeve van nieuwe inventarisgoederen. De verantwoordelijkheid voor het klein onderhoud aan infrastructuur en de inrichting is gedecentraliseerd. Hiertoe behoort tevens de controle op de omvang van bijvoorbeeld milieuheffingen. Voor het gebruik van computercapaciteit van de DTO worden de onderdelen zelf belast. Daarnaast zijn ze ook verantwoordelijk voor het onderhoud en beheer van eigen systemen. Dit artikelonderdeel bevat echter ook operationele uitgaven ten behoeve van het onderhoud van vliegtuigen en betaling van landingsrechten. Daarnaast vindt ook het onderhoud van voertuigen in belangrijke mate decentraal plaats. De grote contracten met betrekking tot de aanschaf van onderhoudsartikelen staan vooralsnog geraamd bij het ressort HKKLu.

Ramingskengetallen materiële uitgaven
OmschrijvingEenheid19981999 2000200120022003
– O-, I- & A-deskundigheidaantal mensjaen3,32,52,52,92,92,9
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 1240 000240 000240 000240 000240 000240 000
– totale uitgavenx f 1000803603603703703703
– overig persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n 8 8988 9578 8518 7738 7568 756
– gemiddeld per vtex f 16 0836 0316 1036 1576 1696 169
– totale uitgavenx f 100054 12554 01754 01754 01754 01754 017
Totaal toegelicht bedragx f 100054 92854 62054 62054 72054 72054 720
Overige materiële uitgavenx f 100052 66242 71244 71244 81249 81249 812
Totaal materiële uitgavenx f 1000107 59097 33299 33299 532104 532104 532

Toelichting

Het kengetal O-, I- en A-deskundigheid is samengesteld uit de ramingen van de onderdelen die onder het ressort CTL vallen. De raming is gebaseerd op ervaringsgegevens met betrekking tot de behoefte aan deze deskundigheid.

Het ramingskengetal persoonsgebonden materiële uitgaven is gebaseerd op de gedecentraliseerde uitgaven voor huisvesting, commandantenfondsen, bureauzaken, inventarisgoederen en klein materieel, informatiesystemen en overige materiële zaken.

De verplichtingen en uitgaven Decentrale Ondersteunende eenheden

Het ressort Decentrale Ondersteunende eenheden (DOE) bestaat uit het Depot Mechanisch Vliegtuigmaterieel en Straalmotoren (DMVS), het Depot Elektronisch Materieel (DELM), de Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO), de Koninklijke Militaire School Luchtmacht (KMSL), de Luchtmacht Elektronische School (LETS), de Luchtmacht Meteorologische Groep (LMG), de 2e Luchtmacht Verbindingsgroep (2LVG) en een aantal overige kleine, zowel nationale als internationale, organisatie-eenheden.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 199819992000200120022003199819992000200120022003
05.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel55 05751 67950 66549 55649 50749 19955 05751 67950 66549 55649 50749 199
05.20.06 Militair personeel173 909173 278171 958171 002171 248170 301173 909173 278171 958171 002171 248170 301
05.20.07 Overige personele uitgaven26 29819 37717 95519 92720 11619 77626 29819 37717 95519 92720 11619 776
05.20.08 Materiële uitgaven57 78653 75750 75554 22054 42252 94557 24653 75750 80054 21554 41752 280
Stand ontwerp- begroting 1999313 050298 091291 333294 705295 293292 221312 510298 091291 378294 700295 288291 556
Stand 1e suppletore wet 1998287 855277 273274 430273 281272 381 287 287277 273274 430273 281272 381 
Nieuwe mutaties25 19520 81816 90321 42422 912 25 22320 81816 94821 41922 907 

Specificatie nieuwe uitgavenmutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19981999200020012002
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199810 24810 97310 63410 36010 162
– ontvlechting MDD– 11 562– 11 063– 10 965– 10 965– 10 965
– verdere decentralisatie7 0007 0007 0007 0007 000
Sub-totaal technische bijstellingen5 6866 9106 6696 3956 197
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing van de begrotingssterkte3 5001 5006001 5001 900
– onderhoud PC-7 vliegtuigen2 5003 0003 5004 0004 000
– inhuur tijdelijk personeel7 2001 2008001 4001 500
– overige mutaties, per saldo6 3378 2085 3798 1249 310
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen19 53713 90810 27915 02416 710
Totaal van de nieuwe mutaties25 22320 81816 94821 41922 907

Toelichting op de nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast op het prijs- en loonniveau 1998. In de loonbijstellingsbedragen is de compensatie voor de Pemba-uitgaven begrepen (introductie van premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen).

De overheveling van de Maatschappelijk Dienst Defensie (MDD) naar het beleidsterrein Dico heeft geleid tot een ontvlechting van de budgetten (voornamelijk salarissen). Hiermee zijn 72 vte'n burger- en 49 vte'n militair personeel gemoeid.

De verdere decentralisatie van verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het ressort HKKLu naar de andere ressorts, heeft geleid tot deze hiermee samenhangende budgetmutatie.

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing van de begrotingssterkte

De verlaging van het burgerpersoneel heeft te maken met een technische bijstelling en een verkleining van het burgerpersoneelsbestand. De verhoging van de uitgaven ten behoeve van het militair personeelsbestand is voornamelijk het gevolg van een technische bijstelling vanuit het ressort HHKLu en de veranderende verhouding tussen BOT- en BBT-personeel. Het betreft hier 29 vte'n.

Onderhoud PC-7 vliegtuigen

Aangezien in 1997 het aantal lesvliegtuigen met drie is uitgebreid, worden voor het noodzakelijke onderhoud meer uitgaven geraamd.

Inhuur tijdelijk personeel

Vanwege het uitvoeren van een aantal projecten, alsmede voor het opvangen van pieken in de werklast, is het noodzakelijk de ramingen voor inhuur van tijdelijk personeel aan te passen. De inhuur is onder meer noodzakelijk voor het uitvoeren van «maintenance engineering» taken, alsmede voor de opvang van de tijdelijke extra werklast. Als gevolg van aantoonbare doelmatigheidswinst wordt een aantal tijdelijke functies omgezet naar formatieve arbeidsplaatsen. Hierdoor zal de inhuur en daarmee de overige personele uitgaven ten opzichte van 1998 verminderen.

Overige mutaties, per saldo

De overige bijstellingen bestaan uit vele mutaties van diverse aard, waarvan de belangrijkste betrekking hebben op het onderhoud aan gebouwen, inventarisgoederen en geleide wapens (elektronica).

Activiteitentoelichting

De activiteiten die door het ressort DOE worden uitgevoerd zijn erop gericht zodanige voorwaarden te scheppen dat de eenheden van de Koninklijke luchtmacht zowel qua materieel als in personeel opzicht kunnen voldoen aan de vereiste operationele doelstellingen, zodat uitvoering kan worden gegeven aan het gestelde in de Prioriteitennota.

De activiteiten binnen het materieel-logistieke functiegebied omvatten het innoveren, instandhouden en verbeteren van de wapenen overige systemen van de eenheden van de Koninklijke luchtmacht en het beschikbaar stellen van de materiële middelen die nodig zijn om het materieel van de Koninklijke luchtmacht gereed te hebben. Deze systemen zijn de F-16 jachtvliegtuigen, helikopters, lesvliegtuigen, geleide-wapens en overige systemen. De activiteiten en uren voor de groothandelsfunctie en de indirecte uren zijn niet in het overzicht opgenomen. Binnen de Koninklijke luchtmacht wordt gewerkt aan de bestuurlijke integratie van DMVS en DELM. Dan ontstaat het Logistiek Centrum Koninklijke Luchtmacht (LCKLu). Deze integratie zal in 2000 worden voltooid. Naar verwachting zullen dan tevens nog meer taken, bevoegdheden en budgetten worden gedecentraliseerd. Voor het jaar 1999 en 2000 zijn voor de genoemde systemen de volgende directe uren (capaciteit) gepland (x 1000):

 
OmschrijvingDMVSDELMTotaal
 Ontwerp-begrotingVer-moed. uitkomstRamingRamingOnt-werp-begrotingVer-moed. uitkomstRamingRamingOnt-werp-begrotingVer-moed. uitkomstRamingRaming
 199819981999200019981998199920001998199819992000
– Planmatig/preventief aantal uren onderhoud/modificatie19615418019365212188150261366368343
– Aantal uren incidenteel/correctief onderhoud15521421321987108104109242322317328
– Aantal uren engineering9387878741706464134157151151
Totaal aantal uren444455480499193390356323637845836822

Het preventief onderhoud DMVS neemt toe als gevolg van het toenemend aantal helikopterinspecties. Op DELM neemt dit af omdat een aantal grotere modificatieprojecten ten einde loopt. Het correctief onderhoud blijft op beide depots nagenoeg constant. De totale werklast loopt enigszins terug. De werklast blijft ruim voldoende voor het vaste personeelsbestand. Wel zal minder tijdelijk personeel hoeven te worden ingehuurd.

De activiteiten van de opleidingsinstituten KMSL en LETS bestaan uit het verzorgen van opleidingen, in principe voor militair personeel, die niet worden verzorgd aan de Koninklijke Militaire Academie of het Instituut Defensie Leergangen. De opleidingsactiviteiten omvatten het geven van initiële en bijscholingsopleidingen om nieuw en zittend personeel gereed te maken en te houden om te functioneren binnen de Koninklijke luchtmacht. Tevens wordt gewerkt aan de integratie van de KMSL en de LETS. Deze integratie dient in 2000 te zijn voltooid. Dan ontstaat het Opleidingscentrum Koninklijke Luchtmacht (OCKLu). Buiten het verzorgen van de geplande opleidingen staat 1999 in het teken van de laatste voorbereidingen voor de integratie van de scholen. Het OCKLu zal zijn gevestigd op de vliegbasis Woensdrecht.

De activiteiten van de DPO, LMG, 2LVG en een aantal overige kleine organisatie-elementen zijn ook ondergebracht bij het ressort DOE. De activiteiten van deze overige elementen betreffen de inzet van Administratieve Korpsen, opleidings- en trainingsdetachementen en detachering van personeel bij de industrie en defensie-organisaties.

Voor 1999 en 2000 staan de volgende aantallen cursisten gepland (een opleiding kan diverse cursussen beslaan):

 
Omschrijving
Aantal cursistenOntwerpbegroting 1998Vermoe-delijke uitkomst 1998Ontwerpbegroting 1999Raming 2000
– algemene militaire- en kaderopleidingen1 0181 0381 0501 050
– initiële functie-opleidingen6639501 0001 000
– loopbaanopleidingen359398400400
– overlge opleidingen11 32011 05011 00011 000
Totaal13 36013 43613 45013 450

De toename van de initiële functie-opleidingen wordt onder meer veroorzaakt door een toename van het aantal technische functies (voornamelijk bij de THG) en wijzigingen in het opleidingstraject. De definitieve plancijfers voor 1999 en 2000 zijn nog afhankelijk van de resultaten van het wervings- en selectieproces.

Gegeven de geringe daling van de werklast van de depots/LCKLu zijn de bedrijfsvoeringsbudgetten in de overeenkomstige jaren eveneens enigszins lager. Voor de scholen/OCKLu geldt dat, gelet op de nagenoeg constant blijvende opleidingsinspanning, de exploitatiebudgetten ook constant blijven. Voor het gehele ressort is sprake van een geleidelijke en geringe daling van het bedrijfsvoeringsbudget.

05.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort DOE.

Ramingskengetallen burgerpersoneel
OmschrijvingEenheid19981999 2000200120022003
– actief personeelaantal vte'n803759735719719719
– gemiddeld salarisx f 168 56468 08868 93268 92468 85568 427
– totaal toegelicht bedragx f 100055 05751 67950 66549 55649 50749 199

Toelichting

Met de integratie van de depots en de scholen tot respectievelijk LCKLu en OCKLu zal het burgerpersoneelsbestand verder worden gereduceerd. Inmiddels zijn maatregelen genomen om de achterstand in de reductie weg te werken. Hiermee wordt bereikt dat het burgerpersoneelsbestand in de loop van 2000 op de eerder geraamde aantallen komt.

05.20.06 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort DOE.

Ramingskengetallen militair personeel
OmschrijvingEenheid19981999 2000200120022003
Sterkte begroting 1999aantal vte'n2 3012 2882 2792 2732 2732 273
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n1 6121 5831 5601 5401 5251 510
– gemiddeld salarisx f 183 40684 32784 21884 17884 61284 264
– totale uitgavenx f 1000134 450133 490131 380129 634129 033127 239
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n689705719733748763
– gemiddeld salarisx f 157 27056 43756 43756 43756 43756 438
– totale uitgavenx f 100039 45939 78840 57841 36842 21543 062
Totaal toegelicht bedragx f 1000173 909173 278171 958171 002171 248170 301

Toelichting

Met de integratie van de depots en de scholen zal ook het militair personeelsbestand verder worden verminderd. Evenals bij het ressort CTL is hier de veranderende verhouding BOT/BBT-personeel in de tijd zichtbaar gemaakt.

05.20.07 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn sterk afhankelijk van de personeelssterkte. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reis- en verblijfkosten, verplaatsen, onderwijs en opleidingen en het inhuren van tijdelijk personeel (uitzendkrachten op formatieve en/of bovenformatieve arbeidsplaatsen). De uitgaven voor uitbestedingen aan O-, I- en A-deskundigheid worden geraamd en verantwoord ten laste van het artikelonderdeel 05.20.08 Materiële uitgaven.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven
OmschrijvingEenheid19981999 2000200120022003
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren1183028353535
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 169 35668 90068 89369 40069 40069 400
– totale uitgavenx f 10008 1842 0671 9292 4292 4292 429
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)3 1043 0473 0142 9922 9922 992
– gemiddeld per vtex f 11 1781 1361 2221 2311 2311 231
– totale uitgavenx f 10003 6583 4603 6833 6833 6833 683
– kleding en uitrusting voor militair personeelaantal vte'n (mp)2 3012 2882 2792 2732 2732 273
– gemiddeld per vtex f 1340291308309309309
– totale uitgavenx f 1000782666702702702702
– voeding voor militair personeelaantal vte'n2 3012 2882 2792 2732 2732 273
– gemiddeld per vtex f 11 2741 2881 1611 1651 1651 165
– totale uitgavenx f 10002 9312 9472 6472 6472 6472 647
Totaal toegelicht bedragx f 100015 5559 1408 9619 4619 4619 461
Overige uitgavenx f 100010 74310 2378 99410 46610 65510 315
Totaal overige personele uitgavenx f 100026 29819 37717 95519 92720 11619 776

Toelichting

De inhuur van tijdelijk personeel is noodzakelijk voor het opvangen van pieken in de werklast en het compenseren van vacatures bij specifieke personeelscategorieën. Bij DMVS wordt tevens personeel ingehuurd ten behoeve van beheerstaken («maintenance engineering»). Deze functies zullen worden omgezet in formatieve arbeidsplaatsen. Als gevolg van de activiteitenvermindering in 1999 en 2000 is ook in het ressort DOE de raming inhuur tijdelijk personeel in die jaren lager.

Het ramingskengetal overige persoonsgebonden uitgaven is gebaseerd op de gedecentraliseerde uitgaven met betrekking tot uitgaven personeelsgebonden onderzoek, vergoeding sportactiviteiten, uitgaven filmvoorziening krijgsmacht, toelagen muziekkorpsen, uitgaven ontspanningsevenementen, overige uitgaven sport en ontspanning, begrafeniskosten, luister- en kijkgelden, proces- en/of advocaatskosten, (muziek)auteursrechten, overige uitgaven en raden en commissies. Naar verwachting zullen de uitgaven nagenoeg constant blijven.

Onder het kengetal kleding en uitrusting voor militair personeel worden de uitgaven voor verstrekkingen van PSU, NBC en diverse typen specifieke kleding en uitrusting (zoals out-of-area-kleding, brandbestrijdings-, reddings- en veiligheidsmateriaal) begrepen. Vanwege enerzijds de afname militair personeel en anderzijds een groter aandeel BBT'ers zullen de uitgaven naar verwachting nagenoeg constant blijven.

Aanschaf van levensmiddelen (ook voor oefeningen) wordt geraamd in het kengetal voeding ten behoeve van militair personeel. Verwacht wordt dat de uitgaven constant blijven.

05.20.08 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden uitgaven geraamd van algemene en specifieke aard, waaronder de aankoop van inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, het onderhoud van onroerende zaken, de uitbestedingen aan O-, I- en A-deskundigheid alsmede de aankoop van brandstoffen, olie en smeermiddelen, munitie en reservedelen.

Ramingskengetallen materiële uitgaven
OmschrijvingEenheid19981999 2000200120022003
– O-, I- & A-deskundigheidaantal mensjaren3,30,71,71,81,81,8
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 1240 000240 000240 000240 000240 000240 000
– totale uitgavenx f 1000788169405430430438
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n 3 1043 0473 0142 9922 9922 992
– gemiddeld per vtex f 17 5336 7956 7796 8166 8206 818
– totale uitgavenx f 100023 38220 70320 43320 39320 40620 399
Totaal toegelicht bedragx f 100024 17020 87220 83820 82320 83620 837
Overige materiële uitgavenx f 100033 07632 88529 96233 39233 58131 443
Totaal materiële uitgavenx f 100057 24653 75750 80054 21554 41752 280

Toelichting

Het kengetal O-, I- en A-deskundigheid is samengesteld uit de ramingen van de onderdelen die onder het ressort DOE vallen. De raming is gebaseerd op ervaringscijfers met betrekking tot de behoefte aan deze deskundigheid. Sprake is van een relatief geringe hoeveelheid uitbestedingen op dit gebied. Vaak worden deze gecombineerd met het ressort HKKLu. In 1998 vindt een geringe verhoging plaats als gevolg van de integratie van de depots en de scholen, alsmede de daarbij benodigde informatiesystemen.

Het ramingskengetal persoonsgebonden materiële uitgaven is gebaseerd op gedecentraliseerde uitgaven voor huisvesting, commandantenfondsen, bureauzaken, inventarisgoederen en klein materieel, informatiesystemen en overige materiële zaken.

De verplichtingen en uitgaven Hoofdkwartier Koninklijke luchtmacht (HKKLu)

Het ressort HKKLu bestaat uit de Staf Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, de Directie Operatiën KLu, de Directie Materieel KLu, de Directie Personeel KLu, de Directie Economisch Beheer KLu en het Korps Luchtmacht Staven.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 199819992000200120022003199819992000200120022003
05.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel42 45139 77139 06838 30438 27038 05542 45139 77139 06838 30438 27038 055
05.20.10 Militair personeel47 56647 27747 10747 01247 03746 78247 56647 27747 10747 01247 03746 782
05.20.11 Overige personele uitgaven130 959119 127110 308122 048116 331107 535157 05292 743110 408122 148116 481112 684
05.20.12 Materiële uitgaven669 314555 508434 049499 311450 775526 634503 977473 891496 044512 871544 936559 890
Stand ontwerp- begroting 1999890 290761 683630 532706 675652 413719 006751 046653 682692 627720 335746 724757 411
Stand 1e suppletore wet 1998696 990710 747635 379697 180600 037 699 461704 556705 578702 164738 423 
Nieuwe mutaties193 30050 936– 4 8479 49552 376 51 585– 50 874– 12 95118 1718 301 

Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19981999200020012002
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199813 19914 94114 63115 49915 529
– verdere decentralisatie– 18 000– 16 000– 14 000– 14 000– 14 000
Sub-totaal technische bijstellingen– 4 801– 1 0596311 4991 529
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing van de begrotingssterkte– 22 193– 15 242– 11 180– 9 410– 9 800
– onderhoud vliegend materieel42 200– 10 3003 40012 6003 600
– inhuur tijdelijk en O-, I- en A-personeel25 90011 3008 00010 2009 900
– overheveling naar Dico– 16 035– 15 540– 15 480– 15 510– 15 600
– vermindering vliegtuigbrandstoffen– 14 000– 9 800– 10 100– 9 000– 8 000
– aanpassing vliegopleidingen29 100– 18 300– 3 0008 7002 300
– overige mutaties, per saldo11 4148 06714 77819 09224 372
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen56 386– 49 815– 13 58216 6726 772
Totaal van de nieuwe mutaties51 585– 50 874– 12 95118 1718 301

Toelichting op de nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast op het prijs- en loonniveau 1998. In de loonbijstellingsbedragen is de compensatie voor de Pemba-uitgaven begrepen (introductie van premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen).

De verdere decentralisatie van verantwoordelijkheden en bevoegdheden uit het ressort HKKLu naar de ressorts CTL en DOE, heeft geleid tot deze hiermee samenhangende budgetmutatie.

Technische bijstellingen

Aanpassing van de begrotingssterkte

De overheveling van de Maatschappelijk Dienst Defensie (MDD) naar het beleidsterrein Dico heeft geleid tot een ontvlechting van de bijbehorende budgetten (materiële en overige personele exploitatie).

De ramingsaanpassing voor met name militair personeel is onder meer het gevolg van een (neerwaartse) technische bijstelling naar de ressorts CTL en DOE.

Onderhoud vliegend materieel

Voor het noodzakelijke onderhoud aan jachtvliegtuigen, helikopters en luchttransportvliegtuigen worden de respectieve budgetten aangepast als gevolg van bijgestelde behoeften, aangepaste betalingsschema's alsmede als gevolg van de hogere (plan)dollarkoers.

Inhuur tijdelijk en O-, I- en A-personeel

Vanwege het uitvoeren van een aantal projecten, alsmede voor het opvangen van pieken in de werklast, is het noodzakelijk de ramingen voor inhuur van tijdelijk personeel aan te passen. Deze inhuur geschiedt grotendeels ten behoeve van de ressorts CTL en DOE.

Voor een aantal grotere (automatiserings)projecten, alsmede ten behoeve van de millennium-problematiek bestaat een grotere behoefte aan het uitbesteden aan O-, I- en A-personeel.

Overhevelingen naar Dico

Aanvullende budgetten zijn overgeheveld naar het beleidsterrein Dico vanwege de grotere behoefte aan Dico-diensten (voornamelijk wervings- en vervoerscapaciteit), aangezien deze groter is dan initieel uit het budget van de Koninklijke luchtmacht is ontvlochten.

Aanpassing vliegopleidingen

De uitgaven voor de vliegopleidingen worden geraamd en verantwoord bij het artikelonderdeel overige personele uitgaven. Eerder was een tijdelijk verhoogde instroom van 65 vliegers voorzien tot en met het jaar 2000. Dit was, op grond van een inschatting van het aantal beschikbare en geschikte kandidaten op de arbeidsmarkt het maximaal haalbare aantal. In de afgelopen jaren is het aantal dankzij extra inspanning bij de werving inderdaad gehaald.

De werving voor 1998 en de jaren daarna komt onder druk te staan. Op