﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26200-VIII-50/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1998-1999</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.1__2.4" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST32609</ordernr>
    <vergjaar>1998-1999</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 200 VIII</nummer>
      <naam>Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van
het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII) voor het jaar
1999</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>50</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoetermeer,  <datum>4 december 1998</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met een gevoel van erkentelijkheid voor de constructieve bijdragen van
de verschillende afgevaardigden, kijk ik terug op de vruchtbare gedachtewisseling
met uw college tijdens het wetgevingsoverleg over cultuur, media en het kunstvakonderwijs
van 30 november jl. Zoals toegezegd, kom ik door middel van deze brief
terug op enkele onderwerpen waarover de discussie niet kon worden afgerond:
de rol en de positie van de «culturele intendant», de productiviteitskorting,
het kunstvakonderwijs, investeringen in nieuwe media, de beschikbaarstelling
van omroepmiddelen voor commerciële omroepen, experimenteren met een
anti-pornografiechip en het ter beschikking stellen van het Beste Van Nederland
(BVN)-programma van de Wereldomroep aan de Nederlandse Antillen en Aruba. </al>
      <tuskop letat="vet">Intendant</tuskop>
      <al>Er is geen sprake van dat de culturele intendant die mij voor ogen staat,
zou kunnen beschikken over een eigen budget. Zij of hij opereert binnen de
structuur van een cultureel fonds en heeft daarbij een zware adviserende stem
ten aanzien van de besteding van een relatief bescheiden gedeelte van het
fondsbudget. Het is uiteindelijk aan het fondsbestuur om te beslissen of zo'n
advies wordt overgenomen. Evenals in het geval dat een subsidiebeslissing
totstand komt via de voorstellen van een uit verscheidene leden bestaande
commissie is aldus het fondsbestuur ten volle verantwoordelijk voor een eventuele
subsidieverlening. Een dergelijke gang van zaken is in overeenstemming met
de strekking van de motie-Dittrich c.s. (nr. 45) die ik dan ook als een steun
in mijn rug beschouw.  </al>
      <tuskop letat="vet">Kunstvakonderwijs</tuskop>
      <al>Het kunstvakonderwijs ontvangt als onderdeel van het HBO een rijksbijdrage
die in beperkte mate is gebaseerd op de algemene bekostigingssystematiek voor
het HBO (huisvesting, budgetfactor). Een wettelijke uitzonderingsbepaling
vormt de basis voor de exploitatiebekostiging van het kunstvakonderwijs. Krachtens
deze tijdelijke uitzonderingsbepaling en onderliggende regelgeving ontvangen
deze opleidingen een budget op basis van vooraf bepaalde aantallen studenten,
onder de conditie dat de instellingen een instroomreductie realiseren. De
middelen die als gevolg van deze instroomreductie bij de instellingen vrijvallen,
dienen zij in te zetten voor kwaliteitsverbetering van opleidingen en vooropleidingen.
Bij deze opzet is ervan uitgegaan dat wachtgeldconsequenties gezien de budgettaire
condities niet in de rede liggen. Mochten die echter toch optreden, dan komen
ze voor rekening van de desbetreffende hogeschool.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kunstvakonderwijs ziet zich thans geconfronteerd met drie ontwikkelingen
met financiële consequenties:</al>
      <al>1. Instellingen beraden zich op de gevolgen voor hun onderwijsaanbod en
het daarbij passende docentencorps van de instroomreductie bij afstudeerrichtingen
waarvoor studenten in de afgelopen jaren minder belangstelling hebben getoond;
hieraan kunnen wachtgeldconsequenties zijn verbonden.</al>
      <al>2. Instellingen worden geconfronteerd met de arbeidsproductiviteitkorting
die is opgenomen in het Regeerakkoord voor het hele HBO; in overleg met de
HBO-Raad op 14 oktober jl. is vastgesteld dat deze taakstelling invulling
krijgt zonder kaderstellende richtinggevende uitspraken van de kant van de
overheid. Het is de verantwoordelijkheid van elke hogeschool om zelf keuzes
te maken.</al>
      <al>3. Instellingen dienen rekening te houden met een taakstelling specifiek
voor het kunstvakonderwijs. Voor 1998 en 1999 is deze taakstelling geheel
ingevuld, conform het Algemeen Overleg met de Tweede Kamer op 10 december
1997 (o.a. het collegegeld en niet-EU-maatregel) en de in 1998 vastgestelde
wet betreffende voortgezette kunstopleidingen muziek waarover in de brief
van 14 mei 1998 een toelichting op de financiële context is gegeven.
Daarbij wijs ik erop dat zowel in 1999 als in 2000 de taakstelling met 4 miljoen
is verlicht vanwege de aangepaste invulling van de niet-EU-maatregel. Vanaf 2000
is de taakstelling met de genoemde maatregelen ten dele gerealiseerd. Voor
2000 dient nog 11 miljoen te worden ingevuld. En vanaf 2001 een bedrag
van 21 miljoen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vooral met het oog op de eerst twee punten is het voor instellingen niet
mogelijk om de besluitvorming over adviezen van de Projectorganisatie Kunstvakonderwijs
af te wachten. Het is overigens geenszins zo dat er, gelet op de weg die naar
deze adviezen wordt afgelegd, voor iedereen onvermoede uitkomsten uit de koker
van de Projectorganisatie zullen komen. Om hun begrotingen voor 2000 voor
te kunnen bereiden, zullen de instellingen op korte termijn actie moeten nemen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Juist omdat de Projectorganisatie in voortdurend contact staat met het
kunstvakonderwijs is het mogelijk zodanig op de advisering te anticiperen
dat de keuzes die daarbij worden gemaakt een goede inhoudelijke basis hebben.
Ik mag aannemen dat de instellingen geen keuzen zullen maken die in strijd
zijn met de voorgenomen herstructurering. Voor de goede orde merk ik daarbij
nog op dat ik van de Projectorganisatie een advies verwacht met algemene richtinggevende
uitspraken waarbij de instellingen in belangrijke mate zelf verantwoordelijk
blijven voor de invulling. In dit opzicht heb ik vertrouwen in de hogescholen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Indien nu als uitvloeisel van de motie van de leden Visser-Van Doorn en
Halsema (nr. 39) een deel van de taakstelling voor 2000 en 2001 geparkeerd
zou worden ten koste van frictiegelden van 50 miljoen, dan zou dit een aantal
ongewenste gevolgen hebben. In de eerste plaats betreft het een tijdelijke
maatregel waarbij de structurele taakstelling niet van tafel is, maar boven
de markt blijft hangen met alle onzekerheden bij instellingen en docenten
die dat meebrengt. Bovendien gaat de politiek-bestuurlijke omgang met het
kunstvakonderwijs afwijken van de in de Kamer vastgestelde lijn met het overige
HBO. Een ander bezwaar is dat de beperkte hoeveelheid beschikbare frictiemiddelen
om transitiekosten te dekken in de hand zou werken, dat er «goed»
geld naar «kwaad» geld wordt gebracht. Tenslotte wijs ik erop
dat de discussie over de herstructurering van het kunstvakonderwijs die de
komende zomer zal worden gevoerd, aanmerkelijk zou worden belast. In dit licht
ontraad ik de motie en bepleit ik nogmaals mijn voorstel. In overleg met de
HBO-Raad op 3 november heb ik aangegeven instellingsspecifieke plannen
die nu in de maak zijn in lijn met de contouren van de adviezen van de Projectorganisatie
te willen ondersteunen met een deel van de frictiegelden. Dit voorstel is
gedaan om zoveel mogelijk recht te doen aan intenties van hogescholen en waar
mogelijk weg te blijven van een additionele generieke korting. </al>
      <tuskop letat="vet">Arbeidsproductiviteitkorting</tuskop>
      <al>De korting op het cultuurbudget uit hoofde van de algemene ontwikkeling
van arbeidsproductiviteit vloeit voort uit de afspraken van het Regeerakkoord.
De opbrengsten van deze maatregel belopen circa 3,5 miljoen in 1999 en ongeveer
7 miljoen in 2000, tot circa 13,7 miljoen in 2002. Als ik deze maatregel uit
de intensiveringen zou bekostigen, komt er onvoldoende geld vrij voor de prioriteiten
die in het Regeerakkoord worden genoemd. Ik heb geen onderzoek nodig om dat
te kunnen constateren. Bovendien zou inwilliging van de motie een ongewenst
precedent kunnen hebben voor andere sectoren. Ik ontraad dan ook de motie
die Mw. Halsema ter zake onder nummer 43 heeft ingediend. De kortingen zullen
overigens wel worden verwerkt met de beschikbare budgettaire ruimte in de
systematiek van de volgende cultuurnota. </al>
      <tuskop letat="vet">Investeringen van de publieke omroep in nieuwe media</tuskop>
      <al>In zoverre de motie die de heer Atsma onder nummer 40 heeft ingediend
erop zou duiden dat er extra geld voor de publieke omroep moet komen buiten
de omroepbegroting, stel ik vast dat er geen alternatieve financieringsbron
wordt aangegeven. Ik hecht aan een actieve opstelling van de publieke omroepen
bij het ontwikkelen van nieuwe mediadiensten. De zendgemachtigden plegen reeds
aanzienlijke inspanningen en zij zijn voornemens die nog uit te breiden. Zo
heeft de Raad van Bestuur van de NOS in het meerjarenplan 1999–2000
de hierna vermelde bedragen opgenomen voor technologie en nieuwe diensten.
In 1999: 2,2 miljoen; in 2000: 7,0 miljoen; in 2001: 6,3 miljoen en in 2002:
4,8 miljoen. Ik ben inmiddels akkoord gegaan met de voorziening voor 1999.
Ook in de jaren daarna zal ik op grond van de voorstellen van de NOS ruimte
geven voor de beoogde investeringen. In dat licht bezien, lijkt de motie overbodig. </al>
      <tuskop letat="vet">Omroepmiddelen ten behoeve van commerciële omroepen</tuskop>
      <al>Ik ben niet van plan omroepmiddelen ter beschikking te stellen voor de
financiering van programma's van commerciële omroepen. De desbetreffende
motie van de heer Atsma c.s. (nr. 41) lijkt me derhalve overbodig. Ik heb
mij ooit in het openbaar uitgelaten over de mogelijkheid dat zowel publieke
als commerciële omroepen bijdragen zouden kunnen ontvangen uit
een fonds dat mede zou worden gevoed door de commerciële omroepen een
fictieve mogelijkheid, gezien de omstandigheid dat een dergelijk fonds niet
bestaat. </al>
      <tuskop letat="vet">Uitbreiding van het experiment met een anti-geweldchip
tot uitingen van pornografie</tuskop>
      <al>De vorige minster van Justitie heeft laten onderzoeken of een experiment
met een v-chip in Nederland mogelijk was. Met name om financiële redenen
bleek dat niet het geval, zoals de minister van Justitie enige tijd geleden
heeft laten weten in antwoord op vragen vanuit de Kamer. Op dit moment laat
de Europese Commissie ingevolge de Europese richtlijn voor televisie onderzoek
doen naar technische mogelijkheden om de controle van ouders te versterken.
Ik verwacht de resultaten in het voorjaar. Er zijn verschillende manieren
waarop televisie jeugdige kijkers schade kan berokkenen. Naast het laten zien
van geweld zijn dat bijvoorbeeld het opwekken van angst, het vertonen van
pornografie en propaganda voor drugsgebruik. Electronische voorzieningen waarmee
bepaalde soorten programma's kunnen worden geweerd, kunnen op afzonderlijke
programmasoorten worden ingesteld. Het is te verwachten dat bij een Nederlands
experiment ook pornografie tot de te weren programma's zal worden gerekend.
Ik heb dan ook geen bezwaar tegen de motie van de leden Stellingwerf en Van
der Vries (nr. 46). Ik kan echter kan niet garanderen dat deze zal worden
uitgevoerd. </al>
      <tuskop letat="vet">BVN-programma ter beschikking van de Nederlandse Antillen
en Aruba</tuskop>
      <al>Tenslotte doe ik de toezegging gestand om schriftelijk te reageren op
de vraag van Mw. Halsema over de uitvoering van de motie-Rosenmüller,
zoals ingediend en aanvaard bij de behandeling van de begroting voor Koninkrijksrelaties
(Hoofdstuk IV). In deze motie wordt de regering verzocht te bevorderen dat
het BVN-programma ter beschikking wordt gesteld aan de Nederlandse Antillen
en Aruba en tevens dat de uitzending van Antilliaanse programma's in Nederland
mogelijk wordt gemaakt. Anders dan Mw. Halsema veronderstelde wordt in de
motie geen gewag gemaakt van een bedrag van 1 miljoen. De kosten voor een
satelietverbinding liggen overigens in de orde van het dubbele.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Staatssecretaris voor Koninkrijksrelaties heeft bij de behandeling
van zijn begroting overigens reeds opgemerkt dat hij gaarne bereid is de motie
uit te voeren. Tevens heeft hij de realistische verwachting uitgesproken dat
de Antilliaanse autoriteiten een helder en bevredigend antwoord zullen geven
op een aantal nog openstaande vragen over enkele financiële en technische
aspecten met betrekking tot de exploitatie. Gezien mijn verantwoordelijkheid
voor de samenwerking met de Antillen op het gebied van de media ben ik reeds
in overleg met de Staatssecretaris voor Koninkrijksrelaties over de uitvoering
van een aantal projecten waaronder die welke in de motie worden genoemd. Het
via een satelietverbinding leveren van het BVN-programma heeft daarbij prioriteit.
Over de financiering daarvan dienen nu nadere afspraken te worden gemaakt.
De Staatssecretaris voor Koninkrijksrelaties heeft daarbij het voortouw. Over
de voortgang zullen wij gezamenlijk de Kamer zo spoedig mogelijk nader informeren.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,</functie>
        <naam>F. van der Ploeg </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>