﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26200-VI-9/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1998-1999</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.1__2.4" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST31375</ordernr>
    <vergjaar>1998-1999</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 200 VI</nummer>
      <naam>Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van
het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 1999</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>9</nummer>
      <titel>VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG</titel>
      <datum>Vastgesteld 6 oktober 1998</datum>
      <al>De vaste commissie voor Justitie<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> heeft op
2 september 1998 overleg gevoerd met staatssecretaris Cohen van Justitie over
de brieven d.d.:</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">– 23 februari 1998 inzake kabinetsstandpunt over rapport Rechtspraak
bij de tijd van de adviescommissie toerusting en organisatie van de zittende
magistratuur (commissie-Leemhuis)</nadruk>(25 600-VI, nr. 45);</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">– 23 juli 1998 inzake verzoek van de commissie om informatie
aangaande enkele toezeggingen; onderdeel punt 3 (J 98-575);</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="vet">– 26 augustus 1998 inzake modernisering rechterlijke organisatie</nadruk> (25 600-VI, nr. 72).</al>
      <al>Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.  </al>
      <tuskop letat="vet">Vragen en opmerkingen uit de commissie</tuskop>
      <al>Omdat de staatssecretaris in zijn brief van 26 augustus jl. aankondigt
aan het einde van dit jaar met een samenhangende beleidsnota te komen, had
de heer <nadruk type="vet">Van Wijmen</nadruk> (CDA) er behoefte aan in dit stadium enkele
principiële vragen van zijn fractie voor te leggen waarop de brief geen
antwoord geeft, met name over de constitutionele positie van de op te richten
raad voor de rechtspraak, de ministeriële verantwoordelijkheid en de
onafhankelijkheid van de rechtsprekende macht. Inhoudelijk gezien kon de CDA-fractie
zich in beginsel vinden in het belangrijkste voorstel van de commissie-Leemhuis,
de invoering van het zogenaamde integraal management voor de zittende magistratuur,
gekoppeld aan een nieuwe bestuursstructuur voor de gerechten. Zij vond overigens
de naam «raad voor de rechtspraak» niet de gelukkigste en vroeg
zich af of deze raad ook richtlijnen kan geven of beleidsregels kan opstellen
die raken aan de inhoud van rechterlijke uitspraken. Zij was het ermee eens
dat deze raad op geen enkele wijze de onafhankelijkheid van de rechter of
de rechtspraak in haar geheel mag aantasten en vond het een goede zaak dat
daartoe ook waarborgen worden voorzien, o.a. de mogelijkheid dat de rechter
in zijn vonnis of arrest gemotiveerd kan afwijken van richtlijnen of beleidsregels
van de raad. De argumenten van de commissie-Leemhuis voor instelling van zulk
een raad – een bufferfunctie tussen de minister en de gerechten, de
wenselijkheid allerlei zaken op centraal niveau te kunnen aanpakken, meer
rechterlijke samenwerking bestuursrechtelijke beleids-regels,
straftoemeting – en dat integraal management doen veeleer denken aan
een raad voor de rechterlijke organisatie. Het lijkt daarom beter hem die
naam ook te geven. Bovendien zullen de instelling, taken en bevoegdheden ook
in de Wet op de rechterlijke organisatie moeten worden geregeld.</al>
      <al>Ook over de positie van deze raad leefden bij de CDA-fractie nog heel
wat vragen. Wat is bijvoorbeeld zijn constitutionele plaats en maakt hij nu
zelf wel of geen deel uit van de rechterlijke macht? Aanvankelijk nog niet,
maar later, na wijziging van de Grondwet wel ineens, maar hoe zit het dan
met de twee van de vijf bestuursleden die geen rechter zijn? Wat denkt de
staatssecretaris overigens van de suggestie van de Orde van advocaten om de
horizonbepaling in de bestuursstructuur in die zin te veranderen dat na enkele
jaren niet zetels van rechters-bestuursleden vervallen, maar van de twee management-bestuursleden?
Hoe is voorts de verhouding tussen de raad voor de rechtspraak en de Hoge
Raad, die zijn eigen benoemingsprocedure kent en blijft behouden net als zijn
eigen bevoegdheden op het stuk van ontslag van rechters? Ook krijgt de Hoge
Raad de bevoegdheid om te oordelen over een beroep van een individuele rechter
tegen een richtlijn of beleidsregel van de raad voor de rechtspraak. Zit daar
geen frictie in?</al>
      <al>Een andere vraag betreft de verhouding tussen de raad voor de rechtspraak
en de minister. De commissie Leemhuis stelt daarover onder andere dat de raad
een orgaan sui generis is en het midden houdt tussen een zelfstandig bestuursorgaan
en een hoog college van staat; een «duale fundering». Is dat toch
niet een wat hybride situatie? Desgevraagd merkte de heer Van Wijmen nog op
zich wat de financiering betreft wel een parallel te kunnen voorstellen met
een hoog college. De minister houdt wel toezicht, zij het slechts marginaal
op de doelmatigheid van het beheer, maar weer volledig op de rechtmatigheid
daarvan, maar hij mag ook aanwijzingen geven «met een algemene strekking».
Kunnen die op hun beurt de inhoud van de richtlijnen of beleidsregels betreffen?
Weliswaar zou de Hoge Raad de betreffende beleidsregel of richtlijn onverbindend
kunnen verklaren, maar dit soort «end-of-pipeoplossingen» (die
bovendien afhankelijk zijn van een beroep door een individuele rechter) vond
hij toch een staatsrechtelijk monstrum. De commissie-Leemhuis stelt dat de
oprichting van een landelijk orgaan «passend is in het licht van het
noodzakelijke evenwicht tussen de drie staatsmachten». De derde, te
weten de rechtspraak «wordt hiermee reëel in staat gesteld als
organisatie het nodige tegenwicht te bieden aan de twee andere staatsmachten»
(wetgever en bestuur). Was dat evenwicht dan tot heden niet aanwezig of verbroken?
De geciteerde zin wijst overigens ook in de richting van de rechterlijke organisatie
en niet zozeer in die van de rechtspraak sensu stricto. Het ware volgens de
CDA-fractie dan ook beter dit zowel in positie als in de naamgeving van de
nieuwe raad zo duidelijk mogelijk tot uitdrukking te brengen.</al>
      <al>De CDA-fractie vroeg de bewindsman vervolgens of er binnen de rechterlijke
macht voldoende draagvlak voor en vertrouwen bestaat in het nieuwe centrale
bestuurs- en sturingsmodel? Kan de raad zich in concreto inlaten met overplaatsing
van rechters, hun wisseling van sector en dergelijke? Kan hij zich via beleidsregels
of richtlijnen bemoeien met allerlei «tarieven» (straftoemeting,
smartengeld in verkeerszaken, vergoeding bij ontbinding arbeidsovereenkomst
wegens incompatibilité d'humeurs, alimentatie e.d.)?</al>
      <al>De CDA-fractie had sterke twijfels aan de financiële onderbouwing
van de voornemens tot wijziging van rechterlijke bestuursstructuur en invoering
van integraal management, twijfels die nog eens extra zijn gevoed door de
brief van 31 augustus 1998 van het Algemeen secretariaat zittende magistratuur.
Er bestaat een grote discrepantie tussen de bedragen die de commissie-Leemhuis
nodig acht en de bedragen die in het regeerakkoord worden gevoteerd. Daarin
is voor 1999 175 mln. uitgetrokken voor politie/overige justitiële
keten, voor 2000 350 mln., voor 2001 500 mln. en voor 2002 750 mln.
Kan de staatssecretaris aangeven hoeveel elk jaar voor de regeringsvoornemens
op het stuk van het rapport-Leemhuis ter beschikking komt? De heer Van Wijmen
wees er in dat verband nog op dat alleen al voor «achterstallig onderhoud»
zo'n 170 mln. nodig is en dat invoering van de overige ideeën van
de commissie-Leemhuis structureel zo'n 300 mln. vergt. Is er met andere
woorden niet sprake van een financieel gat van enkele honderden miljoenen,
waardoor het illusoir is te veronderstellen dat het proces in drie jaar zal
kunnen worden afgerond?</al>
      <al>De CDA-fractie nam met instemming kennis van het voornemen de kantongerechten
alleen bestuurlijk met de rechtbanken samen te voegen en daarin onder te brengen
als zelfstandige sectoren, waardoor er geen consequenties optreden voor het
takenpakket en de werkwijze van de kantongerechten. Zij zijn immers decentraal,
laagdrempelig, informeel, direct. Gelukkig trekt de commissie-Leemhuis wel
de juiste consequentie uit haar voorstellen, te weten het verleggen van het
appèl in kantongerechtszaken naar de gerechtshoven: intern appèl
is een te vermijden kwaad in een systeem van rechtspraak dat het twee-instantiebeginsel
hoog in het vaandel voert.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Dittrich</nadruk> (D66) memoreerde zijn door de Kamer aanvaarde
motie (25 000-VI, nr. 30) waarin de vragen werden opgeworpen of
de rechterlijke macht wel goed genoeg georganiseerd was en of zij van de politiek
ook wel voldoende middelen ter beschikking had gekregen om te kunnen voldoen
aan de eisen die de samenleving stelt, zoals kortlopende procedures. De Kamer
had ook de indruk dat rechters er niet voldoende toe konden komen om zich
te specialiseren. In een rechtsstaat is de positie van de rechterlijke macht
essentieel en in de Nederlandse trias politica is er eigenlijk altijd wel
sprake geweest van een beïnvloeding van de drie machten. De wetgever
gaat over het budget van de rechtsprekende macht, over de rechtspositie van
de individuele rechters, het procesrecht, maar in de eerder genoemde motie
is niet voor niets gesteld dat de onderscheiden posities zo duidelijk mogelijk
moeten blijven en gewezen op de onafhankelijke positie van de rechter.</al>
      <al>De D66-fractie beoordeelde de voorstellen van de commissie-Leemhuis in
het licht van de vraag of de burger door wijzigingen in de rechterlijke organisatie
verbeteringen kan verwachten en of ongewenste directe of indirecte beïnvloeding
van rechters kan worden vermeden. Zij heeft de voorstellen ook bezien in het
licht van de ministeriële verantwoordelijkheid en de politieke controle.
Het meest in het oog springende voorstel van de commissie-Leemhuis is toch
wel de raad voor de rechtspraak. De commissie maakt een onderscheid tussen
beheers- en beleidstaken, maar de heer Dittrich vond het moeilijk dat onderscheid
heel duidelijk aan te geven al zal daartoe in de loop van het verdere proces
toch wel een poging moeten worden gewaagd. Hij achtte het van belang dat de
zittende magistratuur een aanspreekpunt is en met één mond kan
spreken. De overwegende beheerstaken – gebouwen, veiligheid, begroting,
automatisering – die nu onder de verantwoordelijkheid van de minister
vallen, zouden inderdaad aan die raad kunnen worden overgedragen, maar het
is dan wel van belang dat er een duidelijk toezicht wordt geconstrueerd. De
raad kan weliswaar een beslissende bevoegdheid krijgen, maar de Kamer moet
toch een vinger aan de pols kunnen houden. Naar de mening van de heer Dittrich
zou de bewindsman dit punt in de toegezegde nota nog wat meer moeten uitwerken
dan de commissie-Leemhuis.</al>
      <al>Iets anders ligt het voor de beleidstaken, taken die meer de rechtsprekende
functie raken. Het rapport van de commissie-Leemhuis zou wat hem betreft op
dat punt wel wat meer mogen worden verduidelijkt. Als de raad voor de rechtspraak
open algemene beleidsregels stelt, zoals het invullen van open normen, dan
zal de individuele rechter daaraan moeten voldoen of daartegen
in beroep gaan, maar hoe verhoudt zich dat tot de rol die de wetgever moet
vervullen bij het stellen van algemene regels? Kan niet het gevaar ontstaan
dat de raad als het ware een surrogaat wetgever wordt? Volgens de commissie-Leemhuis
zou de raad ook beleidsregels kunnen stellen in het kader van de eenheid,
maar daarvoor zijn allerlei al processuele regels, uiteindelijk tot de Hoge
Raad. Is dan niet het risico dat via beleidsregels van de raad voor de rechtspraak
eenheid tot stand wordt gebracht, terwijl de Hoge Raad er via hoger beroep
ook bij betrokken kan worden, waardoor twee systemen tegen elkaar in gaan
werken? De D66-fractie vroeg zich met andere woorden af of het wel zo verstandig
was om de raad voor de rechtspraak een beslissende bevoegdheid inzake beleidstaken
te geven. Vooralsnog leek het haar beter op dit punt aan te haken bij initiatieven
die vanuit de zittende magistratuur naar voren komen.</al>
      <al>Voor de bestuurlijke onderbrenging van de kantonrechters bij de rechtbanken
leek de heer Dittrich wetgeving noodzakelijk. De bewindsman spreekt in zijn
brief over een fasering. Nu aan een aparte kantonsectie wordt gedacht en de
aard van de werkzaamheden hetzelfde blijft is er voor zijn fractie niets meer
op tegen om hier snel mee te beginnen. Het leek haar van belang om vaart te
zetten achter het veranderingsproces.</al>
      <al>In zijn brief van 26 augustus jl. legt de staatssecretaris de Kamer enkele
meer procedurele voorstellen voor, zoals terzake van het project verbetering
rechterlijke organisatie, het pVRO. Verloopt dat via mandaat? Zo ja, is degene
die het mandaat geeft dan ook niet bevoegd om instructies te geven aan degene
die het mandaat krijgt? Als de bewindsman mandaat zou geven aan degenen die
bij het pVRO betrokken zijn, waaronder enkele rechters, zouden zij als het
ware ondergeschikt worden aan en aanwijzingen moeten opvolgen vanuit de politieke
lijn? Brengt dat weer niet de onafhankelijkheid van de rechter in gevaar?</al>
      <al>In diezelfde brief zegt de bewindsman eveneens toe eind dit jaar met een
beleidsnota te komen. De D66-fractie wilde in dat verband nog kwijt dat zij
eraan hecht dat het nevenlocatiebeleid, zoals dat in het desbetreffende wetsvoorstel
is opgenomen, snel daadwerkelijk vorm zal worden gegeven, waarbij kan worden
gedacht aan gemeenten met 100 000 inwoners met heel weinig rechterlijke
voorzieningen, zoals Eindhoven, Almere, enz.</al>
      <al>De heer Dittrich achtte het eveneens van belang dat de Kamer het project-Leemhuis
tot een groot project verklaart. Het gaat immers over bijzonder lastige, maar
in tijd wel begrensde activiteiten onder verantwoordelijkheid van de staatssecretaris
met aanmerkelijke financiële consequenties en uitvoeringsrisico's. Bij
zo'n groot project wordt de Kamer in verschillende stadia gestructureerd geïnformeerd.</al>
      <al>Ten slotte ging hij in op de in het regeerakkoord beschikbaar gestelde
middelen voor de implementatie van de Leemhuisvoorstellen die volgens de commissie
structureel 300 mln. zouden vergen en incidenteel nog eens 170 mln.
Daartussen bestaat een aanmerkelijk verschil en hij hoopte dat dit de zittende
magistratuur niet zal demotiveren. Hij zag graag dat de bewindsman en uiteraard
ook de Kamer de inspanningsverplichting op zich nemen om bij elke begroting
te bezien of het mogelijk is om meer middelen vrij te maken voor dit zo belangrijke
veranderingsproces.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gelet op de zogenaamde «filevorming» vroeg de heer <nadruk type="vet">Rabbae</nadruk> (GroenLinks) met name aandacht voor het capaciteitsvraagstuk. Hij onderschreef
het advies van de commissie-Hoekstra voor een integrale managementsconstructie
voor de rechterlijke organisatie. In iets mindere mate onderschreef zijn fractie
het advies van de commissie-Leemhuis voor een landelijk orgaan dat ten dienste
staat van alle rechters in het land. Dat orgaan kan de slagvaardigheid en
efficiency alleen maar ten goede komen. Als dat zich beperkt tot de beheerstaken –
al zou men dan nog van gedachten kunnen wisselen over de omschrijving daarvan –
zou zijn fractie er helemaal geen moeite mee hebben, maar wel
als het ook de beleidstaken zou betreffen, richtlijnen, algemene aanwijzingen,
e.d., want dat zou de kern van de positie van de rechter, zijn onafhankelijkheid,
kunnen raken. Er wordt inderdaad wel eens kritiek geuit op individuele rechters
waar het gaat om de straftoemeting in wat als ongeveer identieke zaken worden
gezien, maar daar kan zijns inziens weinig aan worden gedaan gelet op de onafhankelijke
positie van de rechterlijke macht. Het Nederlandse rechtsstelsel kent mede
daarom ook verschillende beroepsmogelijkheden waardoor eventuele fouten kunnen
worden gecorrigeerd. Echter, door de zogenaamde compromiswetgeving die ook
kenmerk is van een coalitie, moeten rechters nog steeds leemtes invullen die
de wetgever open heeft gehouden, hetgeen de heer Rabbae geen goede zaak vond,
maar de politiek bepaalt uiteindelijk hoe een wet in elkaar zit en dat is
niet altijd even goed afgedicht. Ook de door de commissie-Leemhuis gesuggereerde
raad voor de rechtspraak mag zijns niet de taak krijgen om die grijze gebieden
in te vullen; dat is en blijft een verantwoordelijkheid voor de wetgever.</al>
      <al>Als de raad voor de rechtspraak een beleidstaak krijgt toebedeeld, komt
het erop neer dat de rechterlijke macht als het ware zelf een eigen wet- en
regelgeving gaat ontwikkelen. De fractie van GroenLinks vroeg zich af of dat
niet in strijd zou zijn met art. 6 van het EVRM, het Europees verdrag voor
de rechten van de mens, mede gelet op de zaken die bij het Europese Hof aanhangig
zijn gemaakt. Zo lang daarover geen zekerheid is verkregen, leek het haar
in ieder geval onverstandig om deze weg op te gaan.</al>
      <al>Als het inderdaad een taak is voor de wetgever om te voorzien in leemtes
die zij in de wetgeving heeft opengelaten, stonden er naar de mening van de
heer Rabbae twee wegen open: enerzijds richtlijnen, maar dan via het OM, want
daarop is politieke controle mogelijk, anderzijds nieuwe dan wel aanvullende
wetgeving. Het was hem niet duidelijk waarom het rechters wel zou lukken om
richtlijnen uit te vaardigen waar het gaat om zware moorden en het OM dat
niet zou kunnen. Als het OM dat zou doen, zou dat zijns inziens een goede
taak- en positieverdeling zijn tussen de zittende en de staande magistratuur.
Dat zou ook de voorkeur van zijn fractie hebben boven een mengvorm met alle
problemen en onduidelijkheden van dien.</al>
      <al>Hij vond het overigens ook een vreemde constructie dat een individuele
rechter op een bepaald moment in beroep kan gaan tegen een beleids- of richtlijn
of algemene aanwijzing van de raad voor de rechtspraak. Hij had ook begrepen
dat men er in de rechterlijke macht zelf de nodige vraagtekens bij plaatst.
Het leek hem al met al onjuist om de rechter te belasten met het toetsten
van eigen richtlijnen, want het is immers juist een taak van de rechter om
de wet- en regelgeving van de wetgever te toetsen.</al>
      <al>Hij vond het wel een goede zaak dat zowel de commissie-Leemhuis als de
commissie-Hoekstra streven naar geschillenbeslechting op maat, dichtbij de
burger. In dat licht gezien onderschreef hij ook de opmerkingen van de collega's
over de kantongerechten. Maar, hoe zal de burger, nog afgezien van de advocatuur,
reageren als de rechterlijke macht eigen regelgeving, richtlijnen, aanwijzingen,
e.d. maakt? De kerntaak van de rechter is toch het toetsen van wet- en regelgeving
die door de politiek zijn gemaakt?</al>
      <al>De heer Rabbae herinnerde er voorts aan dat de vorige minister van Justitie
in haar brief van februari jl. meedeelde dat zij zich nog wilde beraden op
onder andere de constitutionele positie van de voorgestelde raad voor de rechtspraak
en dat zij de Kamer nader zou informeren. Hij nam aan dat deze staatssecretaris
dat beraad heeft overgenomen en vroeg naar het resultaat daarvan.</al>
      <al>Ook sloot hij zich aan bij de opmerkingen over de grote discrepantie tussen
financiële middelen die deze regering beschikbaar heeft gesteld voor
de implementatie van de adviezen van onder andere de commissie-Leemhuis en
het bedrag dat die commissie daarvoor nodig acht. Pas als de Kamer
zich een goed beeld heeft kunnen vormen van de opzet en werkwijze van zo'n
raad voor de rechtspraak, zal zijn fractie zich ongetwijfeld aansluiten bij
het verzoek van de heer Dittrich om er een groot project van te maken.</al>
      <al>Ten slotte wilde hij nog de opmerking kwijt dat zijn fractie liever had
gezien dat de Kamer voor het uitspreken van haar definitieve oordeel betrokkenen
had kunnen horen, maar hij hoopte dat dit alsnog zal gebeuren, temeer omdat
de staatssecretaris eind dit jaar toch nog met een nadere notitie komt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Rouvoet</nadruk> (RPF) sprak mede namens de fractie van het
GPV in dit stadium van het proces er zijn voldoening over uit dat met name
het rapport-Leemhuis zo'n groot draagvlak geniet, niet alleen bij de rechterlijke
macht, maar ook bij het kabinet en het parlement. Dat is een goede zaak gelet
op het belang van het onderhavige project om de Nederlandse rechtspraak bij
de tijd aan te passen. Pikant detail is dat «rechtspraak bij de tijd»
ook de titel is van het rapport dat zo'n drie weken uitkwam nadat de commissie-Leemhuis
volgens het instellingsbesluit eigenlijk al niet meer bestond.</al>
      <al>De noodzaak om de rechtspraak bij de tijd te brengen, werd zijns inziens
door niemand betwist. Er moet een kwaliteitsslag worden gemaakt, er is sprake
van een grote werkdruk en van organisatorische knelpunten en aan de toerusting
van de rechterlijke macht mankeert ook nog het een en ander. De betrokkenheid
van de rechterlijke macht bij het proces is van evident belang. Gelet op de
omvang ervan is een fasering eveneens een verstandige keuze. Al met al konden
de fracties van de RPF en het GPV de door de staatssecretaris in zijn brief
van 26 augustus jl. geschetste aanpak ondersteunen, inclusief de gedachte
aan een beleidsnota die eind dit jaar zou moeten verschijnen. Daarna zou er
wel periodiek over de voortgang moeten worden gerapporteerd. De suggestie
om er een groot project van te maken is gelet op de omvang en de ingrijpendheid
ervan niet zo'n gekke.</al>
      <al>Beide fracties waren het zeer eens met veel aspecten van het rapport-Leemhuis
en het kabinetsstandpunt terzake, zoals het integraal management, die bovendien
ook nog in de projectgroep onomstreden zijn. Wat meer moeite hadden zij met
de voorgestelde raad voor de rechtspraak. Ook zij vonden de door de CDA-fractie
voorgestelde naamgeving wat beter. Het voorstel op zich heeft enkele belangrijke
aandachtspunten, met name constitutionele, zoals de ministeriële verantwoordelijkheid
en de rechterlijke onafhankelijkheid. De heer Rouvoet hechtte eraan het uitgangspunt
van de commissie-Leemhuis te onderstrepen, nl. dat de ministeriële verantwoordelijkheid
onverlet blijft. Wat de rechterlijke onafhankelijkheid betreft, had hij een
principiële grens gevonden daar waar in het rapport staat dat het toezicht
dat de raad moet gaan uitoefenen gericht zal zijn op de besturen van de gerechten
en niet op de individuele rechters. Daaraan zal de nadere uitwerking, met
name op het gebied van beleidstaken, nauwkeurig moeten worden getoetst. Over
de precieze afgrenzing van bevoegdheden, e.d. kan nadere informatie worden
verschaft in de beleidsnota die de staatssecretaris voor eind dit jaar heeft
toegezegd. </al>
      <al>De rechterlijke macht heeft al de wens geuit om meer zeggenschap over
de eigen begroting, het benoemingenbeleid, e.d. te krijgen en in dat kader
is wel de suggestie gehoord haar aan te haken aan de Hoge Colleges van Staat.
Enerzijds ligt dat voor de hand, maar anderzijds mag daarbij niet worden vergeten
dat ook in dat geval de gevoelige kwestie ontstaat als bij de Tweede Kamer,
nl. dat het budget van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties afkomstig
is die de Tweede Kamer toch wordt geacht te controleren. In het geval van
de Tweede Kamer is het overigens nog mogelijk om de begroting van BZK in het
uiterste geval op dat punt te amenderen. Gelet op de wens tot onafhankelijkheid
kan dat volgens de heer Rouvoet wel een probleem zijn, maar ook
hij zag geen andere oplossing, want het budget zal toch van een van de ministeries
afkomstig moeten zijn. Wellicht valt het te overwegen op dit punt te handelen
naar analogie van een hoog college van staat zonder er ook een hoog college
van staat van te maken.</al>
      <al>In een van de bijlagen van het rapport-Leemhuis wordt nog eens de vinger
gelegd bij een dreigend gat in de incompatibiliteitenregeling waar het gaat
om de mogelijkheid dat een rechter – behalve leden van en PG dan wel
AG bij de Hoge Raad – tevens lid van de Staten-Generaal kan zijn. Gelet
op het principe van de scheiding der machten en op het belang van de onafhankelijkheid
van rechters kwam het de heer Rouvoet voor dat die mogelijkheid nadere discussie
verdiende, al of niet in het kader van het onderhavige verbeteringsproces.</al>
      <al>Wat de eventuele integratie van de kantongerechten in rechtbanken betreft
zag hij twee benaderingen; ofwel een volledige integratie maar dan met een
actief nevenvestigingenbeleid, ofwel de bestuurlijke integratie met behoud
van kantonrechtspraak als aparte sector. Gelet op de al genoemde specifieke
voordelen van kantonrechtspraak kon hij zich de keuze voor de tweede benadering
wel voorstellen, maar hij vroeg zich wel af of het aanwijzen van de kantonrechtspraak
als een aparte sector, dus naast de sectoren straf-, civiel en bestuursrechtspraak,
wel zo helder is.</al>
      <al>Het bedrag dat volgens de commissie-Leemhuis voor de uitvoering van haar
voorstellen nodig is, staat inderdaad niet in verhouding met dat wat in het
regeerakkoord is neergelegd. Ook de zittende magistratuur acht dat volstrekt
onvoldoende. Eerder is vanuit die kring wel de opmerking gehoord dat als het
bedrag waaraan de commissie-Leemhuis denkt niet op tafel komt gevreesd moet
worden voor een crisis, maar gelukkig had de heer Rouvoet een dergelijke opmerking
daarna niet meer gehoord. Wel is er vanuit de zittende magistratuur nog indringend
op gewezen dat in het op 20 mei jl. aangeboden rapport «rechtspraak
en rechtshandhaving, maatschappelijke effecten van verbetering» staat
dat als dat bedrag er inderdaad komt, er een uiteindelijke besparing kan worden
behaald van 3 mld. à 3,5 mld. Welke gevolgen zal het hebben als er
dus minder geld beschikbaar wordt gesteld? Overigens had de heer Rouvoet begrepen
dat het commitment van de zittende magistratuur aan het pVRO en het conceptplan
van aanpak er niet minder om is geworden en is gebaseerd op het in het regeerakkoord
neergelegde financiële plaatje.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Vos</nadruk> (VVD) beschouwde dit overleg als een eerste oriënterend
gesprek over het complexe proces van het moderniseren van de rechterlijke
macht. Na verschijning van het rapport-Leemhuis kwam de vorige minister van
Justitie al vrij snel met een zeer terughoudende reactie: zij zou nog nadenken
over de financiering, de raad voor de rechtspraak, de bestuurlijke invoeging
en de termijnen van het proces. Daarna heeft de zittende magistratuur de hand
in eigen boezem gestoken en een groot aantal manco's erkend, zoals de te langdurige
procedures en de onvolledige rechtseenheid. Daarom is de zittende magistratuur
een project versterking rechterlijke organisatie gestart. In hoeverre kan
dit overigens te prijzen initiatief in strijd komen met de reorganisatiegedachten
die nu binnen het ministerie leven en het instellen van die raad voor de rechtspraak?
Ook de heer Vos was getroffen door de statement vanuit de rechterlijke macht
dat er op dit moment in de rechtspraak een crisis dreigt. Zijn dat niet nogal
forse woorden voor een beroepsgroep die zich gewoonlijk zeer genuanceerd en
voorzichtig uit? Hoe heeft de bewindsman deze uitspraak geïnterpreteerd?</al>
      <al>In het regeerakkoord worden die raad voor de rechtspraak en de bestuurlijke
invoeging van de kantongerechten in het vooruitzicht gesteld. In zijn brief
stelt de staatssecretaris vervolgens dat er zal worden gewerkt aan versterking
van de rechterlijke organisatie en dat er een afstemming zal plaatsvinden
tussen de rechterlijke organisatie en het ministerie van Justitie.
Hoe denkt hij die afstemming in de praktijk gestalte te geven, zonder dat
de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in het geding komt? Hoe ziet
hij zijn rol en zijn invloed in dit grote proces?</al>
      <al>De bewindsman stelt eind dit jaar een beleidsnota in het vooruitzicht
en periodieke rapporten aan de Kamer. De tweede fase van de herziening van
de rechterlijke organisatie zal in heroverweging worden genomen en de derde
fase wordt vooralsnog gestopt. De VVD-fractie kon daarmee wel instemmen, zij
het dat zij zich nog zorgen maakte over de positie van de kantongerechten.
Op zich vond zij een bestuurlijke invlechting wel begrijpelijk, maar zij achtte
het daarnaast van groot belang om de eigenheid van de sector overeind te houden.
Hoe kan dat worden gewaarborgd?</al>
      <al>De herziening van de rechterlijke organisatie heeft in feite twee doelstellingen:
aanpassing van de organisatie op zich en verbetering van de toegankelijkheid
van de organisatie via het procesrecht, het locatiebeleid en de alternatieve
geschillenbeslechting. De VVD-fractie was enigszins bezorgd dat die tweede
doelstelling niet die aandacht zal krijgen die zij verdient gelet op de grote
aandacht voor de eerste doelstelling.</al>
      <al>Met anderen vond de heer Vos het van belang te constateren dat de rechterlijke
organisatie de beschikbare financiën volstrekt ontoereikend vindt. Hij
hoopte dat de staatssecretaris dit signaal goed verstaat. Wat denkt hij daaraan
te doen en wanneer zal hij de Kamer daarover berichten?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van der Staaij</nadruk> (SGP) stelde dat veranderingen in de
structuur van de rechterlijke organisatie weinig mensen boeit, maar wel veel
mensen raakt. Het zwaartepunt van de discussie over de herziening van de rechterlijke
organisatie en de structuur ervan is de afgelopen tijd nogal ingrijpend veranderd.
Deed de toenmalige minister Van Agt in 1971 de toezegging om een staatscommissie
in te stellen die een algehele herziening van de rechterlijke organisatie
moest voorbereiden, terecht zijn later aspecten als doelmatigheid en kwaliteit
van de rechtspraak naar voren gekomen. Algemeen wordt in ieder geval nu het
belang onderschreven om zorg te dragen voor een adequate toerusting en organisatie
van de rechterlijke macht die is afgestemd op hedendaagse eisen. Bij het denken
over kwaliteit stelt de commissie-Leemhuis terecht de snelheid als een van
de aspecten daarvan nadrukkelijk aan de orde en dat weer heeft uiteraard ook
gevolgen voor de benodigde financiën.</al>
      <al>De SGP-fractie had veel waardering voor het rapport van de commissie-Leemhuis,
maar vooral de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht vroeg haars inziens
een kritische toets van de voorgestelde maatregelen, met name omdat daarbij
de kwaliteit van de rechtsstaat in het geding is. Het rapport geeft gemotiveerd
aan dat de strikte scheiding tussen beleid en beheer in het bestuur van de
gerechten verschillende problemen oproept in de sfeer van de bevoegdheden
en verantwoordelijkheden. Integraal management wordt in dat verband als mogelijke
oplossing voorgedragen en daarnaast de instelling van een landelijke raad
voor de rechtspraak. Als «prijs» voor de modernisering van de
rechterlijke macht wordt wel een zekere hiërarchisering van de rechterlijke
verhoudingen gevraagd, maar die prijs wordt in het algemeen onvermijdelijk
geacht voor onder meer het verwerven van meer afstand tussen de rechterlijke
macht en de magistratuur. Het is aannemelijk dat ook uit het oogpunt van doelmatigheid
het integraal management een stap in de goede richting is, maar er dient dan
wel kritisch op te worden toegezien dat in de uitwerking de onafhankelijkheid
van de rechterlijke macht voldoende is gewaarborgd. Dat zal ook een voldoende
draagvlak voor de voorstellen vergen.</al>
      <al>Wat betreft de bedenkingen van constitutionele aard, verwees de heer Van
der Staaij nog naar een artikel in de Staatscourant van 28 augustus jl. Welke
waarborgen zijn er overigens dat het toezicht van de minister op de raad voor
de rechtspraak niet indringt in het beleid van de gerechten? Hoe kan
worden voorkomen dat de rechtsstatelijkheid het aflegt tegen de politieke
opportuniteit? Er is sprake van richtlijnen waaraan de rechters in beginsel
gebonden kunnen zijn, maar in hoeverre is dat verenigbaar met de eisen die
onder meer art. 6 EVRM aan de onafhankelijke rechtspraak stelt? Zijn alle
problemen op dit punt opgelost door de individuele rechters een afwijkingsbevoegdheid
toe te kennen? De heer Van der Staaij was zich er ten volle van bewust dat
«onafhankelijkheid» niet het enige trefwoord in dezen is en dat
ook de rechtseenheid een groot goed is, net als doelmatigheid en kwaliteit.
Het is op zich een goede zaak dat rechtseenheid wordt nagestreefd door openbare
richtlijnen, maar er moet wel voorzichtig worden omgegaan met mondelinge afspraken
over de inhoudelijke afstemming binnen de rechterlijke macht, met name waar
het gaat om de openbaarheid.</al>
      <al>De instelling van de raad voor de rechtspraak is inderdaad een ingrijpende
wijziging van de rechterlijke organisatie. Verdient die raad dan ook geen
grondwettelijke grondslag?</al>
      <al>De heer Van der Staaij had er met instemming kennis van genomen dat een
volledige integratie van kantongerechten en rechtbanken van de baan lijkt
te zijn. Er wordt thans een wat bescheidener bestuurlijke samenvoeging voorgestaan.
Hij onderschreef het uitgangspunt om de kantongerechten als afzonderlijke
eenheden herkenbaar te houden, zodat ook op termijn de voordelen in de sfeer
van toegankelijkheid en snelheid behouden blijven. In haar brief van 23 januari
jl. gaf de regering aan de komende maanden te gebruiken voor een effectieve
gedachtewisseling met betrokkenen in de rechterlijke organisatie. Tot welk
resultaat hebben die nu geleid?</al>
      <al>De heer Van der Staaij was het ermee eens dat gelet op het belang van
dit proces een voldoende financiële armslag voor de rechterlijke organisatie
onontbeerlijk is. Er is een duidelijke berekening van de gelden die de komende
jaren noodzakelijk zijn om de zo gewenste innovaties en verbeteringen te implementeren:
300 mln. structureel en 170 mln. incidenteel. In het regeerakkoord
wordt aanzienlijk minder uitgetrokken. Welke conclusie moet daaruit worden
getrokken?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van Oven</nadruk> (PvdA) vond het een goede zaak dat nadat er
de vorige jaren extra geld is gekomen voor politie, OM en het gevangeniswezen
nu ook extra geld beschikbaar is gesteld voor het aan de tijd aanpassen van
de zittende magistratuur. In het najaar van 1996 vroeg de Kamer in een motie
van de heer Dittrich om een studie die de regering aan de commissie-Leemhuis
heeft opgedragen.</al>
      <al>De door de commissie-Leemhuis voorgestelde raad voor de rechtspraak grijpt
in feite terug op een discussie die al jaren geleden is gevoerd. De PvdA-fractie
denkt er in het algemeen vrij positief over, maar zij vindt de voorstellen
van de commissie-Leemhuis nog wat te ver gaan als het gaat om de status en
de samenstelling ervan. Vooralsnog denkt de PvdA-fractie aan drie hoofdtaken:
allereerst een op het gebied van de regelgeving, vervolgens van de financiën
en van het personeelsbeleid. Daarover moet allereerst duidelijkheid worden
verkregen in de aangekondigde beleidsnota voordat een besluit wordt genomen
over de status en samenstelling van de raad voor de rechtspraak. Vooralsnog
was de PvdA-fractie wat terughoudender waar het gaat om de bevoegdheden van
die raad in de sfeer van de regelgeving. De rechterlijke onafhankelijkheid
mag niet in het geding komen door een te vergaande inhoudelijke regelgevingsbevoegdheid.
Zij kon zich wel verenigen met de gedachte dat deze raad een bepaalde toezichthoudende
taak op het punt van het beheer krijgt en vroeg zich af, of de bevoegdheden
op het punt van het personeelsbeleid niet wat verder zouden moeten gaan dan
nu wordt voorgesteld. Echter, hoe zwaarder de taken en bevoegdheden, hoe zwaarder
ook de status van de raad moet zijn en hoe meer het ook voor de hand ligt
om er niet-leden afkomstig uit de rechterlijke organisatie in te benoemen.
In het regeerakkoord wordt zo'n raad in feite al in het vooruitzicht
gesteld en de heer Van Oven nam aan dat die er dan deze kabinetsperiode zal
komen, maar dat zal wat moeilijk zal als daarvoor wijziging van de Grondwet
noodzakelijk is. Overigens is de PvdA-fractie de mening toegedaan dat het
niet aangaat om de verdere gedachtevorming en besluitvorming over die eventuele
raad te laten wachten tot het moderniseringsproces is afgerond. De heer Van
Oven hechtte eraan dit zo duidelijk te stellen gehoord de regeringsverklaring
waarin werd gesproken over de instelling van die raad op termijn.</al>
      <al>Met anderen was de heer Van Oven van mening dat het hoog tijd wordt om
de organisatie van de rechterlijke macht te moderniseren. Het verheugde hem
dat dit proces wordt aangepakt in nauwe samenwerking met de zittende magistratuur
in de vorm van het zogenaamde kernteam. Uit het schema van het secretariaat
van de zittende magistratuur staat tussen het kernteam en de DG WRR tussen
haakjes «overeen- en afstemming plus verantwoording». Onderaan
deze pagina staat weliswaar plan van aanpak project versterking rechterlijke
organisatie, concept 29 juni 1998, maar hoe ziet de staatssecretaris nu die
koppeling tussen dat kernteam en het ministerie? Constitutioneel gezien was
de heer Van Oven het ermee eens dat een directe mandaatsverhouding inderdaad
niet goed mogelijk is.</al>
      <al>Wat het bestuur van de gerechten betreft, kon hij instemmen met de nieuwe
invulling van de kantonrechtspraak. Wel had hij nog enige zorgen over de positie
van de zogenaamde sectorhoofden. Ook had hij enige zorgen over de voorgestelde
vereenvoudiging van het burgerlijk procesrecht dat in het wetsontwerp tweede
fase rechterlijke organisatie een nadrukkelijke plaats inneemt. Er wordt nu
met zoveel woorden aangekondigd dat dit ontwerp zal worden ingetrokken. De
bewindsman stelt in zijn brief dat het burgerlijk procesrecht zal worden herzien,
maar daarvoor is dan toch weer een nieuw wetgevingstraject noodzakelijk? Is
dat de bedoeling dan wel noodzakelijk en is het niet mogelijk om gelet op
het feit dat die vereenvoudiging van het burgerlijk procesrecht zo positief
is bejegend in het kader van de tweede fase, die uit dat wetsontwerp te «tillen»
en afzonderlijk door te zetten?</al>
      <al>Over de benodigde kosten is al heel veel gezegd en de heer Van Oven sloot
zich kortheidshalve bij de daarover gemaakte opmerkingen aan. Het is evident
dat de in het regeerakkoord uitgetrokken middelen bij lange na niet voldoende
zijn om de door de commissie-Leemhuis voorgestelde maatregelen uit te voeren.
Houdt dat wellicht een temporisering in met alle ongewenste maatschappelijke
effecten van dien? De staatssecretaris blijft daar in zijn brief nogal vaag
over. In de in het vooruitzicht gestelde notitie moet daarover dan wel de
nodige duidelijkheid worden geschapen. Het is dan niet alleen van belang dat
wordt aangegeven wat er gedaan kan worden, maar ook dat duidelijk wordt gemaakt
wat niet mogelijk is. Daarmee kan dan weer rekening worden gehouden bij de
behandeling van de Voorjaarsnota 1999.</al>
      <al>Traditioneel gezien is het «justitieveld» niet erg op cijfers
gericht en in het verleden is daarom cijfermatig gezien aan de uitrusting
van de rechtspraak nogal eens te weinig aandacht besteed. Op dat punt is dus
zeker een inhaalslag wenselijk. De heer Van Oven was het daarom van harte
eens met de suggestie van de heer Dittrich om er een groot project van te
maken.</al>
      <al>De PvdA-fractie maakte zich overigens grote zorgen over de voortgang met
de derde fase van de rechterlijke organisatie. De heer Van Oven verwees in
dit verband naar de daarover in november 1997 aangenomen motie-Kalsbeek-Jasperse
c.s. waarin met inhoudelijke redenen werd gevraagd om af te zien van het voornemen
om die derde fase geruime tijd uit te stellen. Het gebouw is immers niet voltooid.
Er bestaat een verschil tussen «niet doen» en «er niet over
denken» en de PvdA-fractie zou er bezwaar tegen hebben als het denken
ook zou stoppen. Zij zag dan ook graag dat de bewindsman tegelijk
met de notitie over de modernisering ook met een notitie kwam over die derde
fase van de reorganisatie, eventueel met een aangepast tijdschema.</al>
      <al>Samenvattend vroeg de heer Van Oven de staatssecretaris ten slotte een
brief over de vereenvoudiging van het procesrecht, notities over de raad voor
de rechtspraak en over de derde fase en het begeleidingsproject wat betreft
de kosten die met de modernisering zijn gemoeid, een notitie die de Kamer
in ieder geval in de gelegenheid stelt daarop in de loop van 1999 terug te
komen. </al>
      <tuskop letat="vet">Antwoord van de regering</tuskop>
      <al>Het verheugde de <nadruk type="vet">staatssecretaris</nadruk> dat hij leiding mocht geven
aan het project reorganisatie van de rechtsprekende macht en hoopte daaraan
de komende jaren in zeer goed overleg met de Kamer mede gestalte te kunnen
geven en van gedachten te kunnen wisselen. In die gedachtewisseling zal overigens
de rechterlijke macht zelf ook een prominente rol vervullen.</al>
      <al>De oorsprong van het project ligt inderdaad in de al genoemde motie-Dittrich
c.s. In reactie daarop heeft het kabinet besloten tot instelling van de commissie-Leemhuis
die met een rapport is gekomen waarvan de grote lijnen brede instemming genieten.
Dat de vorige minister van Justitie zo terughoudend op het rapport heeft gereageerd
kon hij zich wel voorstellen, want er stond zoveel in dat er nog wel het nodige
moest gebeuren voordat er een gefundeerd standpunt kon worden ingenomen. Het
eerste was bijvoorbeeld een zeer goed overleg met het provisioneel beraad
van de rechterlijke macht (PBRM), waarin vertegenwoordigd zijn de Hoge Raad,
de presidenten van de rechtbanken en van de appèlcolleges, de kring
van kantonrechters, de Nederlandse vereniging voor rechtspraak en de Orde
van advocaten. Dat overleg, dat de afgelopen maanden heeft plaatsgevonden,
heeft er onder meer toe geleid dat belangrijke vertegenwoordigers ervan zich
con amore achter het project hebben gesteld. Er zijn ook enkele interne werkgroepen
ingesteld en een van de resultaten daarvan is geweest het rapport over de
maatschappelijke effecten van investeringen in de rechtspleging die op zo'n
3 mld. zijn geraamd. Voor alle duidelijkheid voegde de bewindsman daar nog
aan toe dat dit de maatschappelijke effecten zijn en dus niet slaan op het
budget voor de rechterlijke macht. Hij vond het overigens moeilijk expliciet
aan te geven welke gevolgen het zal hebben dat er minder geld beschikbaar
is dan is gevraagd. Het doel van het project op zich zijn natuurlijk ook niet
de financiën, maar een betere rechtspraak voor de burgers. Daaruit vloeien
dan die maatschappelijke effecten voort, al kon de bewindsman niet verhelen
dat een betere efficiency ertoe kan leiden dat er voor het rechterlijke apparaat
minder overheidsgeld nodig is, in ieder geval dat die gelden beter worden
gebruikt.</al>
      <al>Hij memoreerde vervolgens dat afgelopen juni enkele werkconferenties hebben
plaatsgevonden waaraan rechters en medewerkers van het ministerie van Justitie
hebben deelgenomen. Dat heeft geresulteerd in het plan van aanpak pVRO. Dat
er nog het woord «concept» op staat komt omdat er nog overleg
over moest plaatsvinden tussen de opstellers van het plan en hun eigen achterban.
Dat is nu afgerond en het definitieve plan zal onderwerp worden van overleg
tussen de rechterlijke macht en het ministerie. Uiteindelijk zal in de toegezegde
contourennota worden aangegeven hoe het project zal worden aangepakt. Al met
al vond de bewindsman het van groot belang dat alle presidenten zich achter
de aanpak hebben geschaard, want gelet op de ingrijpendheid van het project
en de onafhankelijke positie van de rechterlijke macht is het essentieel dat
er een groot draagvlak voor is.</al>
      <al>Een belangrijk verschil met de reorganisatie van het OM is inderdaad de
onafhankelijkheid van de rechtsprekende macht. Dat houdt in dat het project
zoals dat thans voor ogen staat voor een belangrijk deel moet worden getrokken
door die onafhankelijke rechtsprekende macht zelf. De exacte afbakening tussen
die verantwoordelijkheid en de verantwoordelijkheid van het ministerie van
Justitie zal heel nauwgezet moeten plaatsvinden en dat vormt dan ook onderwerp
van nadere studie. In dat licht gezien, zal ook worden bezien of het formeel
gezien wel mogelijk is om er een groot project van te maken, zoals de heer
Dittrich suggereerde.</al>
      <al>Gelet op het stadium waarin het project verkeert, kon de bewindsman vandaag
nog heel weinig inhoudelijke antwoorden geven, maar wel wat meer procedureel
getinte. De inhoudelijke antwoorden zullen ongetwijfeld aan bod komen in de
voor eind dit jaar aangekondigde nota die hij zou willen aanduiden als contourennota.
Bij de opstelling daarvan zal dan ook dankbaar gebruik worden gemaakt van
de opmerkingen die nu vanuit de verschillende fracties naar voren zijn gekomen.</al>
      <al>Voordat er met het eigenlijke project van start kan worden gegaan, moet
er volgens de bewindsman toch wel zo ongeveer bekend zijn hoe dat «huis»
eruit zal moeten zien. Er zal dan ook bekend moeten zijn hoe de kantongerechten
bestuurlijk moeten worden ondergebracht en of het inderdaad wel zo verstandig
is om de kantonrechtspraak als een aparte sector te zien, zoals de heer Rouvoet
zich afvroeg. In ieder geval had hij tot zijn vreugde grote overeenstemming
bespeurd over de wijze waarop daarover wordt gedacht. Hij was het overigens
graag met de heer Dittrich eens dat die bestuurlijke onderbrenging van de
kantongerechten bij de rechtbanken prioriteit geniet. Voorts zal er duidelijkheid
moeten bestaan over de inrichting van het bestuur van elk rechtscollege afzonderlijk,
over het integraal management en over de raad voor de rechtspraak. Hij kon
zich overigens heel goed voorstellen dat de commissie daar zoveel aandacht
aan heeft besteed, want er zitten inderdaad nogal ingewikkelde haken en ogen
aan, ten dele opgeroepen door het rapport-Leemhuis. Juist omdat dit de grondslagen
van de rechtspraak en dus ook de trias politica raakt, zou het ook hem geen
enkele moeite kosten om daarover langdurig met elkaar van gedachten te wisselen,
maar er moest zijns inziens wel voor worden opgepast dat het praten erover
de voortgang van de werkzaamheden belemmert. Dat roept de nodige problemen
op, want enerzijds is het noodzakelijk dat de contouren van het huis duidelijk
zijn voordat er aan het werk kan worden gegaan, anderzijds zal het moeilijk
zijn om het snel met elkaar eens te worden over alle ins en outs van die raad
voor de rechtspraak. Het is geenszins de bedoeling om die raad voor de rechtspraak
vooruit te schuiven, zeker niet naar de volgende kabinetsperiode, al kan niet
worden uitgesloten dat er een wijziging voor de Grondwet voor nodig is, maar
dan zou in deze periode in ieder geval de eerste lezing kunnen worden afgerond.
In reactie op een interruptie van de heer Van Wijmen zegde de bewindsman toe
ook de suggestie van een voorlopige raad bij de opstelling van de zogenaamde
contourennota mee te nemen, net als de gesuggereerde naam «raad voor
de rechterlijke organisatie».</al>
      <al>Door de term «dreigende crisis» begreep hij dat ook binnen
de rechterlijke macht het besef aanwezig is van het grote belang van de reorganisatie
van de rechtsprekende macht en dat, als die nu niet echt goed wordt aangepakt,
dit er op termijn toe kan leiden dat er inderdaad sprake is van een filevorming.
Het project is er in ieder geval op gericht om het risico van die files zo
klein mogelijk te maken.</al>
      <al>Hij was het met de heer Van Oven eens dat het van groot belang is door
te gaan met in ieder geval de herziening van het burgerlijk procesrecht, maar
er zal wel goed moeten worden bezien hoe dat buiten die tweede fase om kan
worden aangepakt. Wellicht moet daartoe het desbetreffende wetsvoorstel worden
«omgebouwd», maar dat zal weinig tijdwinst opleveren, of anders
zal er een geheel nieuw wetsvoorstel moeten komen zonder dat dit tot veel
vertraging leidt, maar er moet nog worden bezien wat het verstandigst
is. Hij zegde toe de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren.</al>
      <al>Wat de derde fase herziening rechterlijke organisatie betreft, had hij
al in zijn brief gememoreerd dat die voor het kabinet geen prioriteit geniet
gelet op de nogal omvangrijke activiteiten die in het kader van het pVRO zullen
moeten worden ontplooid. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat het denken daarover
dan ook zal worden stilgezet. Uiteraard zal dat denken te eniger tijd moeten
uitmonden in doen, maar hij is geneigd dat wat naar achteren te schuiven.
Jammer genoeg kon hij vanwege de beperkte capaciteit op het ministerie op
korte termijn geen notitie hierover toezeggen, want ook die zal de nodige
denkkracht vereisen die hij graag aan het pVRO zou besteden, temeer omdat
zijns inziens het geschikte moment is aangebroken om het traject-Leemhuis
te implementeren en hij de rechterlijke macht niet ook nog met de derde fase
wil belasten. Na een interruptie van de heer Dittrich zegde hij toe de suggestie
om een wetenschappelijk onderzoek naar die derde fase en alle aspecten daarvan
te laten doen te zullen overwegen en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk
te informeren.</al>
      <al>Hij kon niet ontkennen dat de in het regeerakkoord beschikbaar gestelde
middelen niet overeenkomen met het bedrag waaraan de commissie-Leemhuis dacht,
maar ook daarin waren keuzes noodzakelijk. In de contourennota zal in ieder
geval worden aangegeven wat met het beschikbare geld kan worden gedaan en
dus ook wat er niet kan worden gedaan omdat er niet voldoende geld voor is.
Het kan zijns inziens overigens niet echt weinig worden genoemd. In de gehele
rechtsprekende magistratuur gaat op dit moment zo'n 750 mln. om en er
komt nu structureel zo'n 130 mln. bij. </al>
      <tuskop letat="vet">Nadere gedachtewisseling</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van Wijmen</nadruk> (CDA) wilde nog wel even naar voren brengen
dat hij de suggestie van de heer Dittrich ondersteunde om van het pVRO een
groot project te maken, al kon hij zich voorstellen dat dit gelet op de onafhankelijkheid
van de rechterlijke macht formele problemen zal opleveren.</al>
      <al>Ten slotte wilde hij de vraag van de heer Rouvoet in herinnering roepen
inzake de mogelijkheid dat een lid van de zittende magistratuur ook lid kan
zijn van de Tweede of Eerste Kamer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Dittrich</nadruk> (D66) hoopte dat er een periodieke terugkoppeling
zal plaatsvinden naar de Kamer en dat de opmerkingen die in dit overleg zijn
gemaakt inderdaad verwerkt zullen worden in de contourennota die hopelijk
nog in 1998 aan de Kamer zal kunnen worden voorgelegd. Daarin zal de staatssecretaris
ook een richting moeten schetsen die toch ook door de Kamer zal moeten worden
geaccordeerd.</al>
      <al>Hij hechtte er groot belang aan om dit project als groot project te beschouwen
en kondigde aan dat ook aan de commissie voor te stellen.</al>
      <al>Ten slotte merkte hij op dat ook deze staatssecretaris gebonden is aan
het regeerakkoord en voor de verschillende beleidsdoelen uitgetrokken middelen.
Toch blijft hij de voor dit zo belangrijke project uitgetrokken middelen nogal
weinig vinden, vooral als je goed kijkt naar wat er zoal zal moeten veranderen.
Vandaar zijn verzoek aan de staatssecretaris om een inspanningsverplichting
op zich te nemen om waar mogelijk extra geld voor dit belangrijke project
te vergaren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Rabbae</nadruk> (GroenLinks) stelde het niet alleen op prijs
dat de staatssecretaris slagvaardig aan het werk wil gaan, maar ook kiest
voor een integrale benadering waardoor hij niet alleen voor zichzelf, maar
ook voor de Kamer een goed inzicht kan bieden in de volgende stap. Ook had
hij er begrip voor dat de bewindsman op andere punten kiest voor een zorgvuldige fasering onder het motto «liever drie blijvende
maar wellicht wat kleinere stappen dan struikelen over een snelle 100 meter»!</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Rouvoet</nadruk> (RPF) zag met belangstelling uit naar de contourennota
of zelfs nog naar een eerdere gedachtewisseling met de staatssecretaris over
dit zo belangrijke project als de Kamer er althans toe besluit om het als
een groot project te beschouwen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van der Staaij</nadruk> (GPV) ondersteunde de passage in de
brief van de staatssecretaris waar het gaat om de derde fase. De tweede fase
is bewust voor de derde geplaatst en daarin is al de nodige vertraging opgetreden.
Bovendien vergt die nog zodanige investeringen dat het zijn fractie gerechtvaardigd
lijkt om nog maar even met die derde fase te wachten. Het denken daarover
moet zeker wel doorgaan, maar dat gebeurt ook wel, zoals in de preadviezen
van de Nederlandse juristenvereniging van verleden jaar onder de titel «beroep
in herziening».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van Oven</nadruk> (PvdA) bleef met de staatssecretaris van mening
verschillen waar het gaat om de derde fase. Gelet op het overleg dat voor
de volgende week is gepland en waarin ook de positie van de Raad van State
ter sprake komt en omdat in de brief van 26 augustus staat dat de Kamer op
korte termijn nader geïnformeerd zal worden over het resultaat van de
beraadslagingen over die derde fase in het kabinet wacht hij dat resultaat
nog even af. Op basis daarvan zal hij met zijn fractie overleggen of en, zo
ja, welke acties dan nog moeten worden ondernomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">staatssecretaris</nadruk> had inmiddels begrepen dat de beslissing
om er een groot project van te maken aan de Kamer is. Op zich had hij daar
uiteraard geen moeite mee en zag zelfs uit naar de veelvuldige gedachtewisselingen
over dit project.</al>
      <al>Met de heer Dittrich hoopte hij dat het mogelijk zal zijn om de contourennota
nog dit jaar aan de Kamer voor te leggen, maar kort dag is het wel. Er moet
nog het nodige overleg plaatsvinden met de rechterlijke macht en vervolgens
nog in het kabinet worden besproken.</al>
      <al>Wat de financiën betreft, hechtte hij eraan af te wachten totdat
in de contourennota duidelijk is aangegeven wat er met de beschikbare middelen
wel en niet kan. Dat zal de nodige argumenten opleveren om extra middelen
te zoeken als dat nodig is om het project tot een goed einde te brengen.</al>
      <al>In de richting van met name de heer Rabbae herhaalde hij nog dat hij allereerst
een integraal overzicht wenselijk acht om vervolgens gefaseerd te werk te
gaan.</al>
      <al>Hij hoopte ten slotte dat de contourennota de heer Van Oven zal overtuigen
dat er zoveel moet gebeuren dat de derde fase er niet meer bij kan en hij
zag dan ook graag dat verdere uitspraken daarover tot dat moment werden opgeschort.
Als het mogelijk is om dat inzicht eerder te verschaffen zal hij dat overigens
zeker niet nalaten. </al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
        <naam>Van Heemst</naam>
        <functie>De griffier van de commissie,</functie>
        <naam>Pe </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling: Leden: Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Swildens-Rozendaal
(PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Middel (PvdA), Van
Heemst (PvdA), voorzitter, Dittrich (D66), ondervoorzitter, Rabbae (GroenLinks),
Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), O. P. G. Vos (VVD), Van Wijmen (CDA),
Patijn (VVD), De Wit (SP), Duijkers (PvdA), De Milliano (CDA), Niederer (VVD),
Nicolaï (VVD), Halsema (GroenLinks), Weekers (VVD), Albayrak (PvdA),
Van der Staaij (SGP), Wijn (CDA), Brood (VVD).</al>
    <al>Plv. leden: Balkenende (CDA), Verhagen (CDA), Apostolou (PvdA), Van Vliet
(D66), Arib (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Barth (PvdA), De Graaf (D66),
Karimi (GroenLinks), Schutte (GPV), Santi (PvdA), Van den Doel (VVD), Rietkerk
(CDA), Rijpstra (VVD), Marijnissen (SP), Belinfante (PvdA), Buijs (CDA), Passtoors
(VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), De Vries
(VVD), Zijlstra (PvdA), Van Walsem (D66), Van der Hoeven (CDA), Kamp (VVD).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>