﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26122-32/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2001-2002</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.6.1__3.2" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST61431</ordernr>
    <vergjaar>2001-2002</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 122</nummer>
      <naam>Srebrenica</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>32</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER-PRESIDENT, MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN EN DE
MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN VAN DEFENSIE</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>22 april 2002</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tijdens het op woensdag 17 april jl. gevoerde debat in uw Kamer over de
ontslagaanvraag van het kabinet is verzocht om een brief ten behoeve van een
debat op hoofdlijnen over het NIOD-rapport. Ondergetekenden voldoen hierbij
aan dat verzoek.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals gesteld in de verklaring van de minister-president van 16 april
jl., onderschrijft het kabinet de hoofdlijnen van het rapport. Deze zijn weergegeven
in de epiloog van het NIOD-rapport. De genoemde verklaring gaat in het bijzonder
in op de vier fasen die in de tijd kunnen worden onderscheiden in de ontwikkeling
van het drama dat zich in juli 1995 rond Srebrenica heeft afgespeeld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Inmiddels heeft Uw Kamer op 17 april met algemene stemmen de motie Melkert
c.s. aangenomen, waarbij de Kamer het onderzoek van NIOD als gedegen en evenwichtig
kwalificeert en vervolgens besluit tot instelling van een Tijdelijke Commissie,
die tot taak heeft voor het debat op hoofdlijnen te rapporteren over onderwerpen
voor een mogelijk parlementair onderzoek van korte duur. Wij gaan ervan uit
dat die rapportage medebepalend zal zijn voor de reikwijdte van het te voeren
debat op hoofdlijnen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In dat licht is het kabinet van mening dat het – tegen de achtergrond
van het NIOD-rapport zelve en de eerdergenoemde verklaring van de minister-president –
niet in de rede ligt om thans daarnaast met een separate nadere beschouwing
te komen. Daarmee zou immers vooruitgelopen worden op het werk van de Tijdelijke
Commissie, met het risico dat afbreuk zou worden gedaan aan de zorgvuldigheid
van de verdere behandeling van dit onderwerp door Uw Kamer. Uiteraard is het
kabinet beschikbaar om op basis van door de Kamer aan te geven
aspecten of vraagpunten naar vermogen nadere inlichtingen te verschaffen.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister-President,</functie>
        <naam>Minister van Algemene Zaken,</naam>
        <naam>W. Kok</naam>
        <functie>De Minister van Buitenlandse Zaken,</functie>
        <naam>J. J. van Aartsen</naam>
        <functie>De Minister van Defensie,</functie>
        <naam>F. H. G. de Grave</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>