﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25897-5/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1997-1998</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.1__2.4" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST28757</ordernr>
    <vergjaar>1997-1998</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>25 897</nummer>
      <naam>Ontslag Voorzitter College van Procureurs- Generaal</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>5</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>'s-Gravenhage,  <datum>2 april 1998</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het debat over het ontslag van de Voorzitter van het College van Procureurs-Generaal
op 19 februari 1998 is een motie aanvaard van het lid Rabbae, waarin,
na de overweging dat de huidige afvloeiingsregeling voor ambtenaren kan leiden
tot onverantwoord hoge uitgaven door het Rijk, aan het kabinet verzocht wordt
om te onderzoeken in hoeverre een aanpassing van het Algemeen Rijks-ambtenarenreglement
dit onwenselijk effect kan wegnemen (TK 1997–1998, 25 897, nr.
3) Alvorens op het standpunt van het kabinet over deze motie in te gaan, hecht
ik er aan eerst nader in te gaan op de plaats van individuele afvloeiingsregelingen
binnen het ontslagrecht en op hetgeen zich met betrekking tot individuele
afvloeiingsregelingen in het recente verleden heeft voorgedaan. </al>
      <tuskop letat="vet">Het ontslagrecht</tuskop>
      <al>De ambtelijke rechtspositieregelingen kennen een aantal gronden voor ontslag.
De belangrijkste daarvan zijn strafontslag, ontslag wegens reorganisatie,
vanwege al dan niet medische ongeschiktheid, en «ontslag op andere gronden».
Het ontslag op andere gronden is uitzondering. Deze ontslaggrond wordt gehanteerd
in situaties waarin sprake is van «incompatibilité d'humeur»
of anderszins verstoorde verhoudingen en er geen alternatieven zijn (zoals
overplaatsing). In dergelijke situaties heeft de ambtenaar vaak wel voldoende
gefunctioneerd, maar ontstaat bijvoorbeeld door verschillen in karakter of
inzicht een situatie waarin verdere samenwerking is uitgesloten. Een dergelijk
conflict kan het functioneren van de organisatie in uiterste instantie zodanig
belemmeren dat de betrokken ambtenaar plaats moet maken voor een ander.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een tweede situatie waarin deze ontslaggrond wel wordt gehanteerd is de
situatie dat een werkgever een ambtenaar wil ontslaan wegens ongeschiktheid
of onbekwaamheid, maar niet in staat is concrete feiten aan te dragen voor
het (door de rechter te toetsen) oordeel dat de ambtenaar niet meer geschikt
is voor de verdere uitoefening van zijn functie. Zoals hierna wordt vermeld,
meent het kabinet dat het gebruik van de onderhavige ontslaggrond
in dergelijke situaties zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Door onder
andere meer aandacht te besteden aan de professionalisering van het management
op personeelsgebied dient voorkomen te worden dat de werkgever in een situatie
geraakt waarbij ontslag de enige oplossing is, maar er tegelijkertijd onvoldoende
materiaal is op basis waarvan de werkgever de ongeschiktheid kan motiveren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De keus van de grond van ontslag op andere gronden heeft gevolgen voor
de daaraan verbonden uitkering. In het algemeen is aan een ontslag, met uitzondering
van het strafontslag en het ontslag wegens ongeschiktheid waarbij sprake is
van duidelijke verwijtbaarheid, een aanspraak op wachtgeld verbonden. Bij
een ontslag op «andere gronden» dient een uitkeringsregeling te
worden vastgesteld die niet minder mag bedragen dan het wachtgeld en met het
oog op de omstandigheden van het geval redelijk is. </al>
      <tuskop letat="vet">Voorgeschiedenis</tuskop>
      <al>De problematiek van de individuele afvloeiingsregelingen is in 1995 expliciet
aan de orde geweest bij het vertrek van de Procureur-Generaal van het Hof
te Amsterdam. Naar aanleiding van dat vertrek en de daarbij getroffen regeling
heeft de Minister van Binnenlandse Zaken, in antwoord op vragen van het lid
van de Tweede Kamer Marijnissen, o.m. medegedeeld: «Aangezien het bij
de vaststelling van in het kader van artikel 99 te treffen uitkeringsregelingen
gaat om een beoordeling van alle omstandigheden en belangen in concrete gevallen,
acht ik het contra-produktief ter zake algemene richtlijnen op te stellen.»
(TK 1995–1996, Aanhangsel pag. 307)</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naar aanleiding van latere vragen van het lid Marijnissen heeft de Minister
van Binnenlandse Zaken o.m. geantwoord dat gedacht werd aan procedurele afspraken
binnen het kabinet. Daarbij lag de gedachte voor dat tijdige consultatie van
deskundigen zoals b.v. de landsadvocaat verstandig is, en dat het ministerie
van Binnenlandse zaken als meld- en contactpunt zou kunnen gaan functioneren.</al>
      <al>Daarmee werd niet beoogd een soortgelijke situatie te creëren als
voor 1987, waarbij in de regelgeving was vastgelegd dat afvloeiingsregelingen
met instemming van de Minister-President tot stand moesten komen. Een dergelijke
procedure zou immers geen recht doen aan de verantwoordelijkheid van individuele
ministers, terwijl de Minister van Binnenlandse Zaken materieel niet in de
positie verkeert volledig de ontstaansgeschiedenis en de aanleiding voor een
afvloeiingsregeling op hun merites te beoordelen. De Minister gaf aan bij
circulaire de individuele ministers nog eens op een en ander te wijzen.</al>
      <al>De opstelling van inhoudelijke bindende richtlijnen voor vast te stellen
uitkeringsregelingen werd contraproduktief geacht. Het gaat immers om uitzonderlijke
gevallen, waarin gelet op de specifieke omstandigheden van het geval beoordeeld
moet worden welke uitkeringsregeling redelijk is. Daarenboven is het risico
reëel dat inhoudelijke richtlijnen als een bodem gaan functioneren ten
opzichte waarvan in de onderhandelingen alleen nog maar «plussen»
kunnen gaan ontstaan. (TK 1995–1996, Aanhangsel, pag. 1365 en 1366)</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De aangekondigde circulaire aan de Ministers is vervolgens op 23 mei
1996 verzonden (AB96/U475).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vervolgens kwam de materie van de individuele afvloeiingsregelingen aan
de orde in het in december 1996 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden
rapport «Benoeming, beloning en ontslag van topfunctionarissen
in de (semi-)publieke sector». In dat rapport is onder meer geconstateerd
dat in de periode van 1 januari 1994 tot 1 juni 1996 op een totaal
van 2800 topfunctionarissen in de sectoren Rijk, Defensie en Rechterlijke
Macht 26 individuele afvloeiingsregelingen zijn getroffen (derhalve slechts
zo'n 10 gevallen per jaar). In dat rapport is verder verwoord dat:</al>
      <al>– het kabinet van mening is dat de ambtelijke rechtspositie qua
opzet voldoende juridische gronden kent om topfunctionarissen te ontslaan,
zodat er in dat opzicht geen reden is de ambtelijke rechtspositie aan te passen;</al>
      <al>– er in de rijkssectoren een preventief beleid gevoerd moet worden,
in die zin dat door professionalisering van het management op personeelsgebied,
bevordering van mobiliteit van topfunctionarissen en een zorgvuldige voorbereiding
van ontslagbesluiten, het aantal ontslagen met een individuele afvloeiingsregeling
beperkt blijft; en</al>
      <al>– er voor die gevallen dat toch tot ontslagverlening met een individuele
afvloeiingsregeling moet worden overgegaan, binnen het kabinet voor de rijkssectoren
afspraken zijn gemaakt ten einde onnodig dure afvloeiingsregelingen te voorkomen.
Die afspraken hebben betrekking op tijdige inschakeling door de ministers
van deskundigen, en op de gedragslijn dat niet tot elke prijs naar overeenstemming
met de betreffende ambtenaar zal worden gestreefd. Het is immers het bevoegd
gezag dat een besluit moet nemen.</al>
      <al>In een Algemeen Overleg Overheidspersoneelsbeleid op 18 februari 1997
is met de Tweede Kamer onder meer over dit rapport gesproken. In dat debat
zijn geen moties ingediend en evenmin zijn er door de Minister van Binnenlandse
Zaken toezeggingen gedaan. </al>
      <tuskop letat="vet">Het onderwerp van de motie Rabbae</tuskop>
      <al>De motie heeft betrekking op de individuele afvloeiingsregelingen die
getroffen moeten worden bij ontslagen als bedoeld in artikel 99 van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement en vergelijkbare bepalingen in andere regelingen
van het rijk.</al>
      <al>Genoemd artikel 99 luidt:</al>
      <al>1. Aan de ambtenaar in vaste dienst kan ook op andere gronden dan die
in artikel 98 zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt verwezen, ontslag
worden gegeven. Dat ontslag wordt eervol verleend.</al>
      <al>2. In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt door het tot ontslagverlening
bevoegde gezag een regeling getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering verleend
wordt, die, naar het oordeel van dat bevoegde gezag, met het oog op de omstandigheden
redelijk is te achten. Deze uitkering zal in geen geval minder mogen zijn
dan die, welke de ambtenaar op grond van het bepaalde in het volgende artikel
zou toekomen, in geval van een ontslag als daar bedoeld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het artikel 98 waarnaar wordt verwezen geeft een opsomming van ontslaggronden,
zoals bv. ongeschiktheid voor de functie en verwijst naar de ontslaggrond
van overtolligheid als gevolg van reorganisatie of opheffing van de functie.</al>
      <al>Het volgende artikel, waarnaar verwezen wordt, geeft b.v. in geval van
ontslag wegens overtolligheid aanspraak op een wachtgeld krachtens het Rijkswachtgeldbesluit
1959.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Genoemd artikel 99 wordt in de praktijk gehanteerd in situaties waarin
sprake is van «incompatibilité d'humeur» of anderszins
verstoorde arbeidsrelaties. Opmerking verdient dat dit artikel niet alleen
toegepast wordt voor gewone ambtenaren, maar ook wordt gehanteerd voor topambtenaren.
Dit wijkt af van de situatie in het bedrijfsleven, waar voor topfunctionarissen
over het algemeen immers geen gebruik wordt gemaakt van de reguliere
vormen van beëindiging van het dienstverband, zoals opzegging na van
de directeur van het RBA verkregen vergunning en ontbinding door de kantonrechter.
Veelal wordt daar een beëindi-gingsovereenkomst gesloten met een afkoopsom,
ook wel aangeduid als «gouden handdruk». Over de hoogte van die
gouden handdrukken is, behoudens sporadische krantenberichten, weinig bekend.
Het vermoeden bestaat dat de afkoopsommen aanzienlijk uitstijgen boven de
door de kantonrechter toegekende vergoedingen, waarbij de vergoeding wordt
berekend aan de hand van het maandsalaris, het gewogen aantal dienstjaren
en de zogenoemde correctiefactor welke de mogelijkheid biedt om met de specifieke
omstandigheden van het geval rekening te houden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De afvloeiingsregeling die ingevolge artikel 99 moet worden getroffen
bedraagt ten minste het reguliere wachtgeld. Afhankelijk van de vraag welke
partij in welke mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van de situatie waarin
ontslag wordt verleend, dient er een plus op het reguliere wachtgeld gezet
te worden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de duur van het dienstverband,
de leeftijd van de ambtenaar, zijn kansen op een nieuwe baan en de wijze waarop
hij tijdens zijn dienstverband heeft gefunctioneerd.</al>
      <al>Naarmate de schuld meer bij de ambtenaar ligt kan de schadeloosstelling
kleiner zijn. Uit de jurisprudentie zijn nogal wat gevallen bekend waarin
niets of nagenoeg niets meer dan het reguliere wachtgeld behoefde te worden
geboden.</al>
      <al>Opmerking verdient verder dat de gewezen ambtenaar gedurende de looptijd
van het reguliere wachtgeld verplicht is actief te zoeken naar andere werkzaamheden
en aangeboden passende functies te aanvaarden. Inkomsten uit nieuwe werkzaamheden
komen in mindering op het bedrag van het wachtgeld, voor zover wachtgeld en
nieuwe inkomsten meer bedragen dan de oude bezoldiging. Om die reden is het
onjuist om op het moment van toekenning van wachtgeld de maximale wachtgeldlasten
als kosten van een ontslag te kwalificeren. Naarmate sneller ander werk wordt
gevonden, liggen de werkelijke kosten immers aanmerkelijk lager. Slechts in
zeer beperkte uitzonderingsgevallen is afkoop van het recht op het reguliere
wachtgeld mogelijk. In dergelijke gevallen is de gedragslijn dat wordt afgekocht
tegen 30% van de gekapitaliseerde waarde. </al>
      <tuskop letat="vet">Beoordeling van de motie Rabbae</tuskop>
      <al>In de overweging van de motie wordt de zorg uitgesproken dat afvloeiingsregelingen
zouden kunnen leiden tot onverantwoord hoge uitgaven door het Rijk. Ook het
kabinet is van mening dat onnodig dure afvloeiingsregelingen moeten worden
voorkomen. Juist ook om die reden heeft het kabinet de in het Rapport «Benoeming,
beloning en ontslag van topfunctionarissen in de (semi-)publieke sector»
vermelde afspraken gemaakt. Die afspraken houden in dat de ministers tijdig
deskundigen inschakelen en dat zij niet tot elke prijs zullen streven naar
overeenstemming met de betreffende ambtenaar over de hoogte van de afvloeiingsregeling.
Doel van die afspraken is dat het bevoegd gezag, mede op grond van kennis
over wat in soortgelijke situaties door de rechter redelijk is geacht, ook
echt komt tot een afvloeiingsregeling die met het oog op de omstandigheden
van het concrete geval redelijk is.</al>
      <al>Het kabinet meent dat deze afspraken ook worden nageleefd en dat er sindsdien
ook geen onnodig dure afvloeiingsregelingen tot stand zijn gebracht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Niettemin heeft het kabinet bezien of ook een wijziging van de tekst van
artikel 99 een bijdrage zou kunnen leveren aan het voorkomen van onnodig dure
afvloeiingsregelingen. In theorie zijn verschillende wijzigingen denkbaar.
In de eerste plaats zou gedacht kunnen worden aan een zodanige
wijziging dat het reguliere wachtgeld niet meer een minimum is, maar standaard.
Dat zou betekenen dat ook in alle gevallen van een ontslag op grond van artikel
99 aanspraak bestaat op een regulier wachtgeld, en niets meer. Voordeel zou
zijn dat de regeling duidelijk is en dat de uitkering niet afwijkt van wat
in andere gevallen van ontslagverlening gebruikelijk is. Datzelfde is echter
tevens een nadeel. Geen rekening zou immers volgens artikel 99 meer gehouden
kunnen worden met de bijzondere omstandigheden van het concrete geval.</al>
      <al>Bovendien rijst de vraag of ook werkelijk in alle gevallen volstaan zou
kunnen worden met het reguliere wachtgeld. In dat verband moet artikel 3:4,
lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht worden vermeld. Dat artikel bepaalt
dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit
niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen
doelen. Wanneer het ontslag plaatsvindt in een situatie waarin het ook voor
een belangrijk deel aan het bevoegd gezag ligt dat tot ontslag moet worden
besloten, zal genoemd artikel met zich meebrengen dat alleen tot ontslag mag
worden besloten indien daaraan een passende schadevergoeding wordt verbonden.
In wezen blijft dan toch de situatie bestaan dat het bevoegd gezag een «met
het oog op de omstandigheden redelijk te achten» regeling dient te treffen.
Deze optie lijkt dan ook geen bijdrage te kunnen leveren.</al>
      <al>Hetzelfde soort nadelen is verbonden aan de mogelijkheid om in artikel
99 niet alleen een minimum, maar ook een maximum op te nemen, eventueel door
middel van een bepaalde formule. Zo'n maximum zou een redelijke ruimte moeten
geven om in concrete gevallen tot een adequate regeling te komen en zou dus
noodzakelijkerwijs ook ruim moeten worden geformuleerd. Het risico bestaat
dan echter dat ambtenaren in beginsel dat maximum zullen claimen, ook als
daar in wezen geen aanleiding voor is. Bovendien is niet op voorhand uit te
sluiten dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin het bevoegd gezag zich
genoodzaakt ziet om toch boven dat maximum uit te gaan. En als het bevoegd
gezag daar geen aanleiding toe ziet, dan is nog mogelijk dat de rechter tot
het oordeel komt dat niet volstaan kon worden met de door artikel 99 gemaximeerde
uitkering. Wanneer dat een paar keer zou gebeuren zou het maximum-karakter
van artikel 99 weer verloren gaan. Ook deze optie lijkt derhalve geen bijdrage
te kunnen leveren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De norm voor een uitkeringsregeling, nl. dat deze «met het oog op
de omstandigheden van het geval redelijk is te achten» is naar de mening
van het kabinet een juiste norm. Met de binnen het kabinet gemaakte afspraken
wordt bereikt dat ook daadwerkelijk aan die norm wordt voldaan. Alsdan kan
niet gesproken worden van «onverantwoord hoge uitgaven door het Rijk».
Het gaat dan immers om uitgaven die wel verantwoord zijn. Het kabinet is dan
ook van mening dat met een wijziging van de tekst van artikel 99 en vergelijkbare
bepalingen niet het door de motie beoogde effect zal worden bereikt.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Binnenlandse Zaken,</functie>
        <naam>H. F. Dijkstal </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>