﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25880-5/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1998-1999 </subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="pr1.3__1.13" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>KST34686 </ordernr>
    <vergjaar>1998-1999 </vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>25 880</nummer>
      <naam>Wetgeving voor de elektronische snelweg </naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>5 </nummer>
      <titel>VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG</titel>
      <datum>Vastgesteld 14 april 1999</datum>
      <al>De vaste commissie voor Justitie<voetref refid="vn1" nr="1"></voetref> heeft op
12 april 1999 overleg gevoerd met de minister van Justitie over <nadruk type="vet">de nota
Wetgeving voor de elektronische snelweg (25 880, nr. 2)</nadruk>.</al>
      <al>Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.</al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,</functie>
        <naam>Van Heemst</naam>
        <functie>De griffier van de vaste commissie voor Justitie,</functie>
        <naam>Pe </naam>
      </ondtek>
      <mo>
        <context>
          <titel>Stenografisch verslag van een notaoverleg van de vaste commissie voor
Justitie</titel>
          <tijd>
            <dag>Maandag </dag>
            <datum>12 april 1999</datum>
            <aanvang>19.00 uur</aanvang>
          </tijd>
          <vrznaam>Wagenaar</vrznaam>
          <aanw>
            <al>Aanwezig zijn 5 leden der Kamer, te weten:</al>
            <al>Nicolaï, Vendrik, Van der Staaij, Wijn en Wagenaar,</al>
            <al>alsmede de heer Korthals, minister van Justitie, die vergezeld is van
enige ambtenaren van zijn ministerie. De volgende ambtenaar nam deel aan de
beantwoording: de heer A. Patijn, raadadviseur.</al>
          </aanw>
        </context>
        <mbody>
          <draad>
            <al>Aan de orde is:</al>
            <ondw>
              <wetvlst>
                <wetv>de nota Wetgeving voor de elektronische
snelweg (25 880, nr. 2).</wetv>
              </wetvlst>
            </ondw>
          </draad>
          <voorz nw="nee">
            <al>Ik open de vergadering van de vaste commissie voor Justitie en heet welkom
de minister van Justitie, de hem vergezellende ambtenaren, de leden en de
belangstellenden op de publieke tribune.</al>
            <al>Aan dit overleg zijn schriftelijke vragen voorafgegaan. De desbetreffende
antwoorden heeft u in uw bezit, alsmede de resultaten van de hoorzitting over
dit onderwerp.</al>
            <al>Ik meld dat de heer Bakker van de fractie van D66 zich helaas moet laten
verontschuldigen. Hij is ziek geworden.</al>
            <al>Ikzelf zal in de loop van het debat namens de PvdA-fractie het woord voeren.</al>
          </voorz>
          <ondtit>Eerste termijn van de zijde van de commissie</ondtit>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Mevrouw de voorzitter! Wij vinden de nota een indrukwekkend stuk werk.
Naar onze mening was het nuttig en nodig om het in ieder geval één
keer op deze manier te doen. Wij beschouwen de nota enerzijds als een goede
inventarisatie van alle voor de elektronische snelweg relevante rechtsgebieden
en anderzijds als een adequaat toetsingskader voor verdere uitbouw van regelgeving
waar dat nodig is.</al>
            <al>De exercitie was hard nodig, maar moet nu in principe haar weg vinden
in alle rechtsgebieden. Ik heb begrepen dat het de bedoeling is dit over twee
jaar te herhalen of te updaten. Ik wil daarover graag iets meer horen. Wat
ons betreft behoeft de exercitie niet op deze manier herhaald te worden. Deze
nota legt een goede bodem. Een en ander moet echter verder uitgewerkt worden
in de verschillende rechtsgebieden. Het coördineren en stimu- leren daarvan
moet centraal gebeuren. Kan de minister iets meer inzicht geven in de manier
waarop hij zich dit voorstelt? Ik neem aan dat dit vanuit het ministerie van
Justitie gebeurt, maar hoe verhoudt zich dat dan weer tot EZ dat ten aanzien
van de elektronische snelweg nog steeds een coördinerende positie inneemt?</al>
            <al>Aan de inhoud zijn twee kanten te onderscheiden, enerzijds de specifieke
punten en anderzijds de gedachte die in de nota wordt ontwikkeld. Wat die
specifieke punten betreft, heb ik geen behoefte om de vragen te herhalen die
wij schriftelijk hebben gesteld en waarop nuttige en verhelderende antwoorden
zijn gekomen. Een enkel punt komt nog wel aan de orde. Ik wil mij nu concentreren
op de inhoudelijke hoofdlijn.</al>
            <al>De teneur daarvan beoordelen wij positief. Het uitgangspunt van de nota
zou ik nogmaals krachtig willen onderstrepen: wat juridisch gesproken off
line geldt, moet ook on line gelden. Daarover is toch weer enige discussie.
Natuurlijk kun je altijd een voorbeeld verzinnen, waarbij dit uitgangspunt
een beetje wringt. Ik hecht er zeer aan die gedachte toch overeind te houden,
omdat ik van mening ben dat de elektronische snelweg niet gezien moet worden
als een zelfstandige entiteit. Het is niet iets nieuws, het is in feite alleen
communicatie, echter geavanceerder dan voorheen. Het is geavanceerdere informatie-uitwisse-
ling en dus niet iets eigensoortigs dat eigensoortige regelgeving behoeft.</al>
            <al>De verschillen betreffen allereerst de schaal waarop informatie wordt
uitgewisseld, op de tweede plaats de snelheid waarmee gecommuniceerd wordt
en op de derde plaats de interactiviteit waarmee gecommuniceerd kan worden.</al>
            <al>In algemene zin zijn er naar mijn mening vooral twee juridische consequenties.
De eerste consequentie is dat de hele wetgeving doorgelicht moet worden op
het technologieonafhankelijk laten zijn van de regelgeving, ook al omdat de
technieken en technologie zo snel veranderen. Ik wil niet de behandeling van
de nota dunnetjes overdoen, maar allereerst valt het bestuursrecht in het
oog, waarbij ontzettend veel is gebaseerd op schriftelijke informatie. Dat
komt natuurlijk op deze manier op de helling. Ik noem in het kader van technologieonafhankelijk
zijn één specifiek voorbeeld: wij hebben nog niet zo lang geleden
een mooie Telecommunicatiewet in de Kamer vastgesteld en wij hebben ook een
Mediawet die wij steeds weer verfijnen. Maar dit zijn technologieafhankelijke
wetten. Als de convergentie tussen Internet en televisie, om het simpel aan
te duiden, plaatsvindt, dan ontstaat hetzelfde euvel, namelijk
dat een en ander niet voldoende technologieonafhankelijk is geformuleerd.</al>
            <al>De tweede en veruit belangrijkste juridische consequentie in het algemeen
van het ontstaan van een elektronische snelweg betreft de internationale kant.
Dat zal iedereen duidelijk zijn, maar het kan niet genoeg benadrukt worden.
De titel van het WRR-rapport over de hele snelwegproblematiek was "Staat zonder
land". Dat typeert in heel korte bewoordingen de kwestie waarvoor wij staan.
In de nota wordt erkend, maar het is daarom niet minder zorgelijk dat wij
ons eigenlijk een onvoldoende beeld kunnen vormen van wat het betekent. Nogmaals,
het blijft een zorg. Tweede zorg betreft de internationale kant is de praktijk.
Wat er gebeurt, is dat er veel op Europees niveau wordt geregeld. En wij zijn
daar al blij mee, terwijl dat natuurlijk on line ook maar weer een eiland
is. In feite moet alles als het even kan mondiaal geregeld worden.</al>
            <al>Ik wil enkele voorbeelden geven van de internationalisering en de consequenties
daarvan. Het is mooi dat de privacy in Europees verband wordt geregeld. Maar
ja, de Verenigde Staten hebben het weer heel anders geregeld. Er worden allerlei
criminele acties via netwerken gepleegd. Er liggen veel vragen over de jurisdictie.
Wie is waarop aanspreekbaar? Als via een buitenlandse computer criminele acties
worden ondernomen die in Nederland consequenties hebben, bestaat er volgens
de nota geen mogelijkheid om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar
die buitenlandse computer. Dat zou toch niet zo mogen zijn. Kan de regering
hierop reageren? Dit geeft aan dat wij op het punt van de criminaliteit nog
tegen een heleboel problemen aanlopen. Ik noem in dit verband ook de positie
van de providers. Zij hebben ook niet veel met landsgrenzen te maken en kunnen
dus ook niet erg worden gebonden. Zij moeten ook niet te zeer gebonden worden,
omdat zij het neutrale doorgeefluik zijn en moeten blijven. Als het gaat om
opsporing, moet een provider natuurlijk wel meewerken. Dat is iets anders
dan een soort van censuur vooraf. Er moet natuurlijk wel een redelijke maat
worden gehouden aan de kosten die daaraan verbonden zijn. Wil de regering
hierop nader ingaan? Mijn laatste voorbeeld betreft de handel die internationaal
is en natuurlijk al was. Die vindt nu voor een deel via het netwerk plaats.
Het ene na het andere voorbeeld duikt op van hoezeer men in het gedrang komt
met de nationale regelgeving. Ik noem het ontduiken van de vaste boekenprijs
door via het net in België boeken te bestellen, het gratis downloaden
van het world wide web van "De bestemming" van Marco Borsato en het bestellen
van Viagra. Zo kan ik nog honderdduizend andere voorbeelden geven.</al>
            <al>Regelgeving moet erop gericht zijn om zaken mogelijk te maken en niet
om zaken te bemoeilijken. Dit geldt bij uitstek voor de elektronische snelweg,
in de eerste plaats omdat wij het hier hebben over vrije communicatie. Dat
is de essentie van dit hele onderwerp. Dat moet dus eerder worden toejuicht
en worden bevorderd dan dat er paal en perk aan wordt gesteld. In de tweede
plaats gaan de technologische veranderingen soms zo snel dat je moet oppassen
om te snel iets in regelgeving vast te leggen. Uitgangspunt is dat vanuit
een andere optiek naar de regelgeving moet worden gekeken, namelijk vanuit
zelfregulering waar dat maar kan. Dat biedt de mogelijkheid om flexibel mee
te gaan met de ontwikkelingen. Ik noem in dit verband ook het auteursrecht
in algemene zin. Natuurlijk moet alles auteursrechtelijk netjes geregeld worden.
Ik vind het wel van belang om op te merken dat de informatiesamenleving die
inmiddels is ontstaan en die in omvang nog steeds toeneemt, niet is bedoeld
om daar vooral de intellectueel eigenaar baat bij te laten hebben, om degene
die ooit iets verzonnen heeft daarvan vooral te laten profiteren. De informatiesamenleving
is vooral bedoeld voor en moet ten bate komen van de burger die beter informatie
kan krijgen.</al>
            <al>Er is een ander aspect dat in aanmerking moet worden genomen, waarbij
evenmin direct aan regelgeving gedacht moet worden: de technologische mogelijkheden.
In het bijzonder vraag ik aandacht voor PET, privacy enhancing technology.
Dat kan een zeer effectieve manier zijn die regelgeving met betrekking tot
privacybescherming niet eens nodig maakt. Tot slot noem ik in dit rijtje de
betrouwbaarheid. Het garanderen van de betrouwbaarheid op de elektronische
snelweg vormt een groot probleem. Hoe weet je wie wie is en waar de informatie
vandaan komt? Een reële verwachting is dat de markt zelf voor regulering
zorgt. Dat gebeurt eigenlijk al. TTP is een ontwikkeling die gestimuleerd
kan worden in de enge zin van het woord: zij kan door de overheid mogelijk
gemaakt worden. Mij lijkt hier sprake van een geweldige groeimarkt. Als iemand
nieuwe mogelijkheden voor het net zoekt, zou ik hem aanraden met TTP te beginnen.
Dat lijkt mij namelijk iets voor de toekomst. Wat weer wel iets voor de overheid
is, is het regelen van de erkenning. Een notaris is ook erkend en hierbij
gaat het in feite om de notarissen van de digitale snelweg.</al>
            <al>Wat de VVD betreft zou dit het toetsingskader kunnen zijn waarmee wij
het toetsingskader in deze nota beoordelen. Alvorens een oordeel over het
toetsingskader zelf te geven, wil ik nog een procedurele vraag stellen. Wat
is de stand met betrekking tot het toetsingskader? Is het al verwerkt in de
Aanwijzingen voor de regelgeving? Wordt wetgeving die nu de Kamer wordt aangeboden
al getoetst aan het kader dat in de nota is verwoord?</al>
            <al>Zowel in Europees als in mondiaal verband zou veel regelgeving tot stand
moeten komen, maar elders houdt men niet veel rekening met het Nederlandse
toetsingskader. Hoe groot is de spanning op dit punt? Ik denk hierbij ook
aan de WBP, de Wet bescherming persoonsgegevens: je kunt ons toetsingskaders
laten gelden, maar voor een groot deel gaat het om een uitvloeisel van de
Europese richtlijn, die dat toetsingskader niet kent.</al>
            <al>Voorzitter! Wij onderschrijven inhoudelijke het toetsingskader, zij het
dat dat op een enkel punt iets aangescherpt zou kunnen worden. In de eerste
plaats zou nog duidelijker de voorkeur aangegeven moeten worden voor het laten
gelden van de regelgeving op zo groot mogelijke schaal. Wij zien dus liever
een mondiale regeling dan een Europese of een nationale, althans als je al
tot regelgeving moet komen. Verder geven wij de voorkeur aan zelfregulering.
Op dat punt zijn wij het dus volledig eens met wat er in de nota staat. De
formuleringen daarover kunnen evenwel scherper worden. In de nota wordt aangegeven
wanneer zelfregulering niet de goede weg zou zijn. Er worden in dat verband
drie  punten genoemd. De nota zegt allereerst dat zelfregulering
niet aan de orde is als het gaat om opsporingsaangelegenheden. Dat is logisch,
zij het dat ik ook daarover nog wel een opmerking wil maken en die heeft dan
specifiek betrekking op encryptie. De gedachte is dat het voor de opsporing
nuttig zou zijn als de sleutels van alle vormen van geheimtaal op een centrale
plaats werden gedeponeerd. Die gedachte spreekt ons absoluut niet aan, los
van allerlei meer praktische bezwaren. Juist van datgene wat je wilt achterhalen,
zal de sleutel niet afgegeven worden. Dat zal iemand die daar achter zit van
zijn levensdagen niet doen. Dus met deze operatie zou je niets opschieten.</al>
            <al>Verder zou niet tot zelfregulering overgegaan moeten worden als fundamentele
normen en waarden in het geding zijn. Dat klinkt heel logisch, maar zelfs
op dit punt wil ik een relativerende opmerking maken. Ook als het gaat om
fundamentele normen en waarden kan zelfregulering adequaat zijn. Ik noem kinderporno.
Niemand zal toch tegenspreken dat zoiets alles te maken heeft met fundamentele
normen en waarden. Wat in dat verband vooral effectief is, is een meldpunt
kinderporno. Dat is bij uitstek een voorbeeld van zelfregulering dat heel
goed werkt. In het algemeen is het heel goed om met meldpunten te werken.
Dat is nog iets heel anders dan formele wetgeving.</al>
            <al>De derde grond om niet tot zelfregu- lering over te gaan betreft de situatie
waarin het risico van verdringing dreigt, dus als de digitale communicatie
de ouderwetse media zou verdringen. Ook hierbij wil ik een paar kanttekeningen
maken. Het beeld van verdringing dat in de nota wordt geschetst, vind ik niet
helder. Er wordt gesproken over het derde stadium. Volgens de nota hebben
we eerst het stadium van de snelweg als luxe goed, als aanvullende communicatie.
Daarna komt het stadium van nevenschikking van deze twee vormen van media.
Het derde stadium is het stadium van de verdringing. Naar mijn mening is dit
niet een reële voorstelling van zaken. Alledrie de vormen kunnen zich
tegelijkertijd op verschillende terreinen voordoen.</al>
            <al>In de tweede plaats is er het bezwaar tegen het begrip "verdringing".
Het is een negatief begrip. Zo is het ook bedoeld in de nota, maar de VVD-fractie
is van mening dat je het zo niet moet zien. Het is vervanging. Vervolgens
is de vraag of je dat positief of negatief waardeert.</al>
            <al>Dat brengt mij op mijn laatste opmerking. Het begrip verdringing, dus
vervanging, wordt nu gehanteerd om aan te geven dat er geen sprake moet zijn
van zelfregulering, maar van regelgeving, zodat iedereen gegarandeerd zijn
informatie via de klassieke media kan krijgen. Tenzij ik het in die 273 pagina's
heb gemist, wordt niet genoemd dat de burgers worden toegerust om via de digitale
weg te kunnen communiceren. Misschien kan dit niet binnen de huidige generatie,
maar het is een erg groot gemis dat in deze nota niet heel nadrukkelijk wordt
gesproken over media- en ICT-educatie op school. Zoals je leert lezen en schrijven,
wat wij allemaal hebben geleerd, moet over een generatie iedereen als vanzelfsprekend
met de computer kunnen omgaan.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Vendrik</naam>
              <partij>GroenLinks</partij>
            </wie>
            <al>Voorzitter! Mijn collega Femke Halsema laat zich verontschuldigen. Ik
neem voor een keer haar plaats in. Dat is een gewaagde operatie, maar ik hoop
dat u het verschil niet zult merken. Net als de heer Nicolaï zal ik mij
in dit overleg beperken tot een aantal algemene opmerkingen.</al>
            <al>Eigenlijk voeren wij nu een overleg over een deels achterhaalde nota.
Met velen ben ik van mening dat het een kwalitatief hoogwaardig stuk is geworden.
Het is een interessant, leesbaar en goed geformuleerde nota geworden, die
echter al een jaar oud is. De technologische ontwikkelingen zijn razendsnel
doorgegaan. Ik lees ergens in de nota dat het misschien mogelijk zal worden
dat mobiele telefoons ook van e-mail en fax worden voorzien. Ik heb inmid-
dels begrepen dat die apparatuur ruimschoots voorhanden is. Dat voorbeeldje
plaatst wetgeving voor de elektronische snelweg naar het oordeel van de fractie
van GroenLinks in een bijzonder daglicht. Het blijkt dat wetgeving als instrument
van overheidsbeleid stamt uit meer onthaaste tijden, waarin de snelheid van
veranderingen van maatschappelijke verhoudingen vrijwel altijd lager was dan
de constructie van de wetgeving die geacht werd deze verhoudingen te reguleren.</al>
            <al>De stap die de regering zet, het technologieonafhankelijk maken van wetgeving,
is alleen al hierom logisch, maar is om diezelfde reden niet geheel zonder
problemen. Het punt lijkt mij te zijn dat de elektronische snelweg in al zijn
hoedanigheden en variëteiten een in belangrijke mate unieke ontwikkeling
sui generis is, waarvoor bovendien geldt "wat niet is, zal heel snel komen".
Dat wordt ruimschoots onderkend in de notitie. In de aanvullende lijst van
vragen en antwoorden van 31 december jl. wordt het ook omstandig herhaald.
De regering spreekt uitvoerig over het revolutionaire karakter van de elektronische
snelweg en de daaraan inherente processen zoals dematerialisering, internationalisering
en technologische turbulentie. Het wordt naar het oordeel van mijn fractie
echter nog te weinig als een fundamentele kwestie beschouwd die de principes
van het recht danig in de war kunnen brengen. Mede daarom plaatst mijn fracties
vraagtekens bij het principe dat alles on line net zo geregeld moet worden
als off line. Zoals gezegd, brengen de digitale revoluties die zich nu voltrekken
en de overgang naar een informatiesamenleving een deels nog ongekende wereld
tot stand. Ik heb net het boek gekocht van Manuel Castells, een buitengewoon
fascinerend boek, een trilogie van honderden pagina's over wat de toekomst
kan brengen. Het is bijna onmogelijk om daarvan een goed beeld te krijgen.
Het blijkt ook dat de regering nog geen helder antwoord kan geven –
ik zie dat als een onderbouwing van mijn stelling – op de vraag of wij
hier te maken hebben met een publieke ruimte in de klassieke zin. Dat is een
voor ons bekend begrip; dan weten wij hoe wij de verhouding publiek-privaat
moeten zien en welke wetgeving daaruit voortvloeit.</al>
            <al>De snelle beweging naar een letterlijk ongekende wereld tekent zich nog
scherper af als wij tegelijk inzien dat alle deskundigen voorspellen dat wij
over vijf jaar middenin de grote digitale convergentiegolf zitten, waardoor
bijvoorbeeld aparte wetgeving voor de media, de telecommunicatie en de elektronische
snelweg in feite alweer achterhaald is. Wellicht kan door te snelle wetgeving,
het proberen greep te krijgen op de ontwikkelingen, de wet van de  remmende
voorsprong in werking treden. Ik krijg op dit punt graag een reactie van de
minister.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Het is aardig te constateren dat dit ongeveer de tegenovergestelde ingang
is van die welke ik net koos. Deze ontwikkeling vertoont volgens de heer Vendrik
wel de kenmerken van een sui-generis- regeling, ook in juridische zin. Welke
rechtsbeginselen staan volgens u op de helling, en worden principieel anders
door de elektronische snelweg?</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Vendrik</naam>
              <partij>GroenLinks</partij>
            </wie>
            <al>Een beginsel waarnaar al wordt verwezen, is dat van het verlies van het
territorialiteitsbeginsel, dat in wetgeving buitengewoon belangrijk is. Wij
raken dat in zeer snel tempo kwijt, wat een veelheid van vragen oproept over
de betekenis van het juridisch instrumentarium. Ik doel met name op de vraag,
wat regels nog voorstellen als je iets wilt reguleren ten aanzien van de elektronische
snelweg. Het is heel lastig een goed beeld te krijgen van de nabije toekomst,
en om je vervolgens een beeld te vormen van de rol die wetgeving daarbij kan
spelen. Ik wil het niet als fundamentele kritiek positioneren, want zoals
gezegd, lees ik in de nota dat de regering zelf die ontwikkelingen ook wel
ziet. Het roept bijvoorbeeld wel de vraag op hoe onproblematisch de stelling
van de regering is, dat on line en off line hetzelfde geregeld moeten worden.
De vraag is of dat allemaal wel zo makkelijk kan.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Ik ben het natuurlijk gloeiend eens met het voorbeeld van de internationalisering.
Dat was juist mijn eigen kanttekening bij dat hele principe. Niet om het u
lastig te maken, maar zou u nog een ander voorbeeld kunnen geven? Mijn idee
is namelijk dat er, afgezien van de internationalisering, nu juist zo weinig
voorbeelden zijn te verzinnen van het heel anders bezien van de rechtsbeginselen.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Vendrik</naam>
              <partij>GroenLinks</partij>
            </wie>
            <al>U maakt het mij inderdaad moeilijk. Hoewel dit niet echt mijn thema is,
kan ik mij daar wel iets bij voorstellen. Ons idee is dat de elektronische
snelweg in de tamelijk nabije toekomst voor andere maatschappelijke verhoudingen
gaat zorgen. Vandaar de principiële vraag, hoe het rechtssysteem daarop
moet reageren. Dat geldt niet alleen voor het territorialiteitsbeginsel, maar
voor een veel bredere werkingssfeer. Ik doel op het auteursrecht en op het
eigendomsrecht, waar een heel aantal nieuwe kwesties aan de orde komt. De
vraag is of je die met het instrumentarium dat wij nu hebben, kunt ordenen.
De elektronische snelweg biedt een enorme variëteit aan mogelijkheden
en kansen, waarbij met grote snelheid technologische innovatie wordt gepleegd.
Wij kunnen ons nauwelijks een beeld voorstellen van de situatie over vijf
jaar. Wat is dan nodig aan wetgeving, en over welke sector hebben wij het
dan eigenlijk? Waarover spreken wij precies? Wat zou dat bijvoorbeeld betekenen
voor de verschillende toezichthouders? Op basis van welke wet- en regelgeving
zouden die wel of niet moeten interveniëren in de markt? Daarvoor hebben
wij nu bepaalde systemen, die misschien over vijf jaar totaal nutteloos zijn
geworden. Dát is mijn punt. Wij zitten hier met een heel lastig probleem,
omdat het gaat om een terrein waarop de ontwikkelingen zo snel gaan, dat wij
ze eigenlijk nauwelijks kunnen percipiëren, en dus nauwelijks daarop
kunnen anticiperen. Dus vind ik het wat makkelijk om zoals de regering te
zeggen dat off line en on line dezelfde regels van toepassing moeten zijn.
Misken je daarmee niet dat de kwaliteit on line heel anders is dan die off
line?</al>
            <al>Mevrouw de voorzitter! Ik kom toe aan het toetsingskader. Wij vinden dat
in het op zich sympathieke toetsingskader, waarbij wij ons heel veel kunnen
voorstellen, een heel eenvoudige drempelbepaling ontbreekt. Het lijkt ons
dat de allereerste vraag zou moeten luiden, of het ontbreken van regulering
op dit moment een maatschappelijk onaanvaardbaar probleem veroorzaakt. Zou
de nationale wetgever voorlopig niet wat meer geduld moeten betrachten? Is
regulering werkelijk nodig? Ik maak deze opmerking ook tegen het licht van
de Europese Unie, die naar ik heb begrepen uitvoerig met wet- en regelgeving
bezig is. Wellicht kan de minister nader ingaan op de verhouding tussen de
verschillende rechtssystemen voor de elektronische snelweg.</al>
            <al>Mevrouw de voorzitter! Enig geduld lijkt misschien ook op haar plaats,
nu op dit moment nog een staatscommissie bezig is om te kijken of, en zo,
ja hoe digitale grondrechten vorm zouden kunnen krijgen in de Grondwet. Ik
heb niet de allerlaatste informatie over waar deze staatscommissie zich op
dit moment bevindt – wellicht kan de minister daarover nog iets zeggen –
maar ik vraag mij toch af of, los van de procedure, niet eerst over het principe
van digitale grondrechten een knoop moet worden doorgehakt, voordat wordt
toegekomen aan allerlei lagere wet- en regelgeving.</al>
            <al>Mevrouw de voorzitter! Terecht stelt het kabinet dat een mondiale aanpak
van mogelijke regulering van de elektronische snelweg de voorkeur verdient.
Dat klinkt sympathiek. Dat roept eerlijk gezegd onmiddellijk de vrij simpele
vraag op, welke positie de Verenigde Naties in dit geheel gaan innemen. Die
organisatie wordt nogal eens gepasseerd. Het is de vraag of dat nu ook zou
moeten gebeuren. Is de VN niet juist de aangewezen organisatie, misschien
wel de eerste organisatie om vorm te geven aan de mondiale aanpak? De acties
van de Nederlandse regering lijken daar slechts in beperkte mate op gericht.
Men slaat mondiale mogelijkheden snel over – zo lijkt het – om
het vooral te zoeken in regelgeving door allerlei Europese organisaties in
EU- en OESO-verband. Is het niet mogelijk om een meer mondiaal spoor te bewandelen,
zodat geen nieuwe ongelijkheid ontstaat tussen rijke landen hier in Europa
dan wel, in OESO-verband, Amerika, Canada en Korea en arme landen?</al>
            <al>Wat betreft het internationale aspect van deze notitie heeft mijn fractie
moeite met het standpunt van de regering dat in beginsel niet afwijzend wordt
gestaan ten opzichte van – ik citeer nu uit de nota –: "internationale
eenmaking van wetgeving die is gebaseerd op culturele verschillen, zoals uitingsdelicten".
Dat klinkt niet helemaal goed, want het zou voor Nederland al snel een inperking
van de vrijheid van meningsuiting kunnen betekenen. Ik hoor daarom graag een
nadere duiding van die zin. Mijn fractie heeft als uitgangspunt dat strafrecht
geen ordeningsprincipe is. Dat moet ook via en bij de elektronische snelweg
gaan gebeuren. Het braakliggende terrein van de  elektronische
snelweg mag niet dienen voor vergaande strafrechtelijke bepalingen, waarvan
men tot nu toe heeft afgezien in de klassieke rechtsorde. Terecht stellen
de verzamelde Nederlandse Internetproviders dan ook dat het voornaamste juridische
probleem niet zozeer ligt in geen of verkeerde wetgeving, maar in een tekort
aan opsporing en handhaving van de kant van de overheid. Daar ligt een knelpunt.
Mijn fractie kan zich dan ook wel iets voorstellen bij de kritiek van prof.
Dommering afgelopen najaar dat aan een fraaie algemene nota over de elektronische
snelweg ten onrechte alleen de vraag naar juridische antwoorden wordt gekoppeld.
Daardoor lijkt het alsof daar het grootste knelpunt zit.</al>
            <al>De fractie van GroenLinks vindt privacybescherming op Internet een belangrijke
en misschien wel absolute prioriteit. Wij zouden dan ook grote moeite hebben
met een ontwikkeling waarbij encryptie sterk aan banden zou worden gelegd.
Ik begrijp dat er op dat punt ontwikkelingen gaande zijn. Ik hoor graag van
de minister waar wij ons op dit moment precies bevinden. Maakt het blauw op
straat plaats voor het blauw op de elektronische snelweg?</al>
            <al>In het kader van de privacy zou het daarentegen wel goed zijn als zelfregulering
wordt gebruikt om bijvoorbeeld datamining af te grenzen. Verleden jaar kwam
een wel heel vergaande vorm daarvan aan het licht. Uit berichten uit de Groene
Amsterdammer bleek dat de Amerikaanse inlichtingendienst stelselmatig het
Europese telefoon-, e-mail- en faxverkeer aftapt door middel van het zogenaamde
echelonsysteem. Daarover zijn toen vragen gesteld. Ik herhaal die voor een
deel. Wordt daar nu iets aan gedaan?</al>
            <al>De fractie van GroenLinks ziet als eerste prioriteit voor overheidsbemoeienis
met de elektronische snelweg dat de overheid de emanciperende werking ervan
versterkt. Het Rathenau-instituut heeft daar in zijn bijdrage behartigenswaardige
woorden over gesproken. In dat licht is aandacht gevraagd voor een wat meer
problematiserende analyse van het aspect "verdringing". Internet is een nieuw
medium dat kansen biedt voor individuele ontplooiing en sociale en economische
ontwikkeling. Daarvoor is in de allereerste plaats misschien niet zozeer wetgeving
nodig. Het lijkt eerder zaak om de burgers zodanig toe te rusten dat zij daadwerkelijk
toegang krijgen tot de elektronische snelweg en daarop uit de voeten kunnen.
Daarbij moeten wij niet vergeten dat Internet, één van de onderdelen
van de elektronische snelweg, juist deze emanciperende functie zo goed heeft
kunnen vervullen door zijn libertaire karakter en doordat commerciële
handelingen tot 1993 niet waren toegestaan.</al>
            <al>Als het al tot wetgeving komt, bijvoorbeeld gericht op de kwaliteit van
de publieke dienstverlening, waarom zou de overheid deze wetgeving en andere
wetgeving niet meteen kosteloos voor eenieder beschikbaar stellen op Internet?
Waarom is dat nog steeds niet het geval?</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Van der Staaij</naam>
              <partij>SGP</partij>
            </wie>
            <al>Voorzitter! De nota waarover wij vanavond spreken, is naar de mening van
de SGP-fractie een verdienstelijke poging om samenhangend in beeld te brengen
welke gevolgen de ontwikkeling van de informatiesamenleving moet hebben voor
de wetgeving. Daarbij zijn fundamentele vragen aan de orde over de aard en
omvang van de overheidsverantwoordelijkheid. Ik beperk mij tot een enkel punt.</al>
            <al>De nota ziet drie hoofdtaken voor de overheid ten aanzien van de elektronische
snelweg. Als eerste taak wordt genoemd het waarborgen van fundamentele waarden
en normen. Een tweede hoofdtaak wordt gezien in het faciliëren van het
elektronische verkeer. Als derde hoofdtaak noemt de nota het garanderen van
een brede toegankelijkheid tot elementaire voorzieningen die nodig zijn voor
het maatschappelijk functioneren van burgers en bedrijven. De suggestie is
dat deze laatste taak pas uitvoering vraagt wanneer het verdringingsniveau
is bereikt. Daarbij past een kritische kanttekening. Zo heeft het Rathenau-instituut
de vraag naar voren gebracht of het economisch perspectief niet te zeer domineert
waarbij het gaat om optimale benutting van de mogelijkheden van de elektronische
snelweg. Opmerkelijk vond ik het om op pagina 53 van de nota als expliciete
doelstelling van het kabinetsbeleid aan te treffen, het nemen van stappen
ter facilitatie van de 24-uurseconomie.</al>
            <al>De SGP-fractie vindt uitdrukkelijke aandacht voor het sociale perspectief
noodzakelijk. Grote groepen burgers verkeren in een achterstandssituatie wat
betreft het gebruik van informatie- en communicatietechnologie. Hoe zal voorkomen
kunnen worden dat zij van een deel van het rechtsverkeer de facto uitgesloten
worden? Bij het wegvallen van traditionele voorzieningen zullen zij buiten
de boot vallen of althans gemarginaliseerd worden. Dat kan nog een extra rol
spelen als de overheid zich in het verkeer met burgers meer en meer van de
elektronische snelweg gaat bedienen. De vraag is dan ook gerechtvaardigd of
de minister hierbij mogelijkheden ziet voor een anticiperend beleid. Ik begrijp
overigens wel dat het niet in de eerste plaats een taak van justitie is om
gesignaleerde achterstanden weg te werken, maar ruimer genomen acht ik het
wel een verantwoordelijkheid van de overheid dat ook het traditionele aanbod
van voorzieningen langs niet-elektronische weg beschikbaar blijft, zeker als
de overheid zich meer en meer gaat bedienen van de elektronische snelweg.
Als het ter inzage leggen van een ontwerpbestemmingsplan niet alleen maar
op de papieren manier gebeurt, moet ook voorkomen worden dat mensen die dat
via de elektronische snelweg kunnen raadplegen veel meer faciliteiten hebben
dan de mensen die deze informatie via de papieren manier moeten achterhalen.
Hoe dan ook, het regeringsbeleid moet erop gericht zijn om te voorkomen dat
er een kaste van digibeten ontstaat.</al>
            <al>Het uitgangspunt van de nota dat de normen en waarden die in de fysieke
wereld, off line, behoren te gelden, ook op de elektronische snelweg, on line,
tot gelding moeten worden gebracht, heeft onze instemming. Ook wij hebben
kennisgenomen van alle kanttekeningen die er bij de uitvoering gemaakt kunnen
worden, maar het lijkt ons evenwel een heel heldere uitgangspositie en een
goede keuze. Duidelijk is dat het internationale karakter van de elektronische
snelweg die uitwerking niet eenvoudig maakt. Idealiter zal regelgeving betreffende
de elektronische snelweg een mondiaal karakter moeten hebben, zo stelt de
nota. Dat roept ook de vraag op of er niet altijd landen zullen zijn die zich
aan internationale afspraken zullen  onttrekken en zullen fungeren
als vrijhaven. De minister noemt het in de beantwoording van de vragen opvallend
dat het mogelijk ontstaan van vrijhavens internationaal niet als een probleem
wordt gezien. Inderdaad kun je dat als opvallend beschouwen. De vraag is dan
ook waarop dat optimisme is gegrond. Verder mis ik inzicht in de rol van de
Europese Unie als het gaat om de elektronische snelweg en de wetgeving die
in dit verband noodzakelijk is. Welke rol kent de minister de EU in dit verband
toe?</al>
            <al>Ook de technologische turbulentie compliceert de totstandbrenging van
adequate wetgeving, maar technologische ontwikkelingen bieden ook kansen.
Ik denk aan filtersystemen ter bescherming van jeugdigen. In hoeverre kan
het niet benutten van filtersystemen in strijd zijn met artikel 240a van het
Wetboek van Strafrecht, dat juist ook op de bescherming van jeugdigen doelt?
Is ook op dit terrein geen nadere regelgeving gewenst? In ieder geval zouden
wij een stimulerende rol van de overheid in dezen op prijs stellen.</al>
            <al>De verwijzing naar de anarchistische structuur van Internet maakt temeer
de vraag naar de rechtshandhaving klemmend. Handhaving van strafrechtelijke
normen is bij uitstek een taak van de overheid, ook op Internet. De overheid
mag die verantwoordelijkheid niet ontlopen als bijvoorbeeld kinderpornogra-
fische afbeeldingen of racistische opmerkingen zich in een elektronische omgeving
voordoen. Ook hierbij is er een nadrukkelijke taak voor de overheid aanwezig.
De nota wekt de suggestie dat meer dan in de wereld, off line, in de elektronische
omgeving een beroep wordt gedaan op zelfregulering. Is die indruk juist? Hoe
ziet de minister precies de rol van de zelfregulering in verband met wat hij
noemt het voorkomen van strafbare uitingen? Is zelfregulering hier in wezen
niet zelfhandhaving? Als een gebruiker op verzoek van een provider verboden
materiaal van een site haalt, is er toch geen sprake van voorkomen van een
delict, maar van het wegnemen van de gevolgen daarvan? Roept het ook geen
problemen op dat je in wezen bezig bent met het uitwissen van bewijsmateriaal
van een gepleegd delict?</al>
            <al>De vraag blijft of politie en justitie thans voldoende toegerust zijn
om hun verantwoordelijkheden inzake opsporing en vervolging waar te maken.
Naar de mening van de SGP-fractie zou aan een inhaalslag op dit terrein grote
prioriteit moeten worden toegekend. Wij zouden ook graag meer horen van de
minister wat er op dit terrein al precies gebeurt.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Wijn</naam>
              <partij>CDA</partij>
            </wie>
            <al>Mevrouw de voorzitter! Ik wil mij aansluiten bij de vorige sprekers die
hun complimenten hebben uitgesproken over deze nota. Hij is zeer uitvoerig,
zeer algemeen en wekt alleen al daardoor de schijn van uitputtendheid. Dat
zal in de toekomst niet waar blijken te zijn, vanwege de turbulentie in technologie,
die ook wordt onderkend in deze nota. De nota is een verzameling van allerlei
kleine deelonderwerpen. Daarom zijn de uitgangspunten, die een meer overkoepelend
karakter hebben, het belangrijkst. Het is te prijzen dat daaraan gewerkt is,
zodat op alle deelterreinen op dezelfde manier met de elektronische snelweg
om kan worden gegaan.</al>
            <al>Ik loop gemakshalve de manage- mentsamenvatting langs, want ik ben wat
gehinderd in mijn voorbereiding. Vrij in het begin wordt gesproken over Internet
als luxe goed, de elektronische snelweg als nevenschikking, staand naast andere
communicatiemiddelen, versus verdringing, waarbij Internet andere vormen van
communicatie buiten werking zou stellen. Uit de nota blijkt dat men eigenlijk
pas iets wil gaan doen om de burger in staat te stellen toegang te hebben
tot de elektronische snelweg op het moment dat verdringing zich daadwerkelijk
manifesteert. Een collega merkte al terecht op: wij moeten niet toe naar een
maatschappij waarin wij "digibeten" krijgen, mensen die van de elektronische
snelweg afgezonderd blijven. Hoe merk je die verdringing op als overheid en
hoe kun je daarop anticiperen? Ik vind dat nu een beetje reactieve houding
in wordt genomen.</al>
            <al>Een ander punt in de algemene overwegingen betreft de internationalisering.
Het is niet voor niets dat diverse commentatoren die op de hoorzitting zijn
geweest, hebben gezegd dat daar de echte uitdaging ligt. De heer Vendrik is
al ingegaan op de rol van de Verenigde Naties. Bij elektronische handel is
er al een code van de Verenigde Naties. Wat hier ook blijkt, is dat wederom,
net als bij die verdringing, sprake is van een wat reactieve houding vanuit
Nederland. Het zou aardig zijn als wij ook op juridisch vlak proberen koploper
te worden met betrekking tot ICT. Ik vind dat wij daar bij het onderwijs al
wat op achterlopen. Je krijgt nu echter langzamerhand de indruk dat wij dat
ook op juridisch gebied gaan doen. Den Haag is internationaal gezien de juridische
hoofdstad, laten wij ernaar streven om dat ook op ICT-gebied te zijn. Dan
geldt het adagium dat ik mee heb genomen van mijn vorige werkgever: wie schrijft
die blijft. Zorg dat je als eerste het initiatief neemt en op het moment dat
je dat doet, kun je volgers krijgen. Je ziet dat Duitsland dat in de Europese
Unie heeft gedaan met betrekking tot elektronische handel. Ik zou de minister
willen oproepen op dat punt meer ambitie te hebben.</al>
            <al>Wat betreft het adagium "wat off line geldt, moet ook on line gelden",
sluit ik mij aan bij de opmerking van de heer Nicolaï. Hij heeft gezegd
dat er diverse voorbeelden kunnen worden verzonnen van zaken die on line misschien
eerder gelden dan off line, of waar on line off line bepaalt en andersom.
Ik denk dat het voor de burger belangrijk is om te weten dat ICT een heel
normaal communicatiemiddel is geworden en gaat worden. Het wordt steeds meer
een integraal deel van ons leven. Daarom moet zoveel mogelijk analogie worden
betracht.</al>
            <al>Een van de belangrijke rollen die de overheid zichzelf toekent bij de
elektronische snelweg is de bevordering daarvan. Dat is heel goed. Ik heb
er net al over gesproken dat ik het gevoel heb dat Nederland langzamerhand
zijn voorloperspositie binnen Europa, voorzover die er al was, aan het prijsgeven
is. In die zin vraag ik naar de stand van zaken met de trusted third parties.
Hoe staat het daarmee op Justitie, Verkeer en Waterstaat en Economische Zaken?
Het is heel belangrijk dat er een informatiebron is die garandeert dat bepaalde
gegevens authentiek of integer zijn. Internet moet meer gestimuleerd worden.
Daarom kan ook hier een rol voor de overheid liggen. De markt moet vlotgetrokken
worden. Er zijn nu immers veel partijen met tegengestelde belangen. Hoe kijkt
de minister tegen dit punt aan? Kan hij iets zeggen over de vraag of de overheid,
bijvoorbeeld,  moet komen tot een erkenningssysteem van TTP's?</al>
            <al>Ik heb een brief gekregen waarin wordt gepleit voor meerdere soorten TTP's.
Ik ben de bron even kwijt. In de brief wordt echter gepleit voor meerdere
soorten TTP's, met een scheiding tussen die trusted third parties die zich
toeleggen op authenticiteit en integriteit van informatie en die TTP's die
zich meer richten op de vertrouwelijkheid van TTP's. Hoe kijkt de minister
hier tegenaan? Ik kan mij voorstellen dat het van belang is dat het informatieaanbod
van de overheid zelf, bijvoorbeeld bij rampen, volledig juist en authentiek
is. Hoe wil de minister daarmee omgaan?</al>
            <al>Wat betreft de vragen met betrekking tot het inleveren van geheimschriftsleutels,
de inscripties, sluit ik mij aan bij de heer Nicolaï.</al>
            <al>Een ander punt dat wordt genoemd zijn de drie lagen op de elektronische
snelweg. Dat begint al bij de algemene uitgangspunten. Het gaat om de netwerklaag,
de infrastructuur zelf, de transportlaag, de schakel tussen infrastructuur
en gebruiker, en de inhoudslaag. Die drieslag is wel degelijk van belang als
wordt gekeken naar de aansprakelijkheid van providers. Een accessprovider
zou bij de eerste laag passen, een serviceprovider bij de tweede laag en een
contentprovider bij de derde laag. Wellicht kan de minister ingaan op twee
ogenschijnlijk tegengestelde uitspraken van rechters. Aan de ene kant is er
de uitspraak met betrekking tot de kabeltelevisie Amsterdam, waarbij is gezegd
dat een kabelbedrijf aansprakelijk is op het moment dat zij iets doorgeven.
Aan de andere kant is er de uitspraak in de zaak van de Scientology Church
versus XS4ALL, waarin gezegd wordt dat "het louter gelegenheid tot openbaar
maken" niet zorgt voor aansprakelijkheid. Kan de minister ingaan op het punt
van de aansprakelijkheid?</al>
            <al>In de stukken valt te lezen dat de minister van zins is om providers te
verplichten om alle handelingen die abonnees op het net verrichten in een
soort logboek bij te houden. Is dat correct? Hoe komt de minister tot dit
standpunt?</al>
            <al>Ik kom bij de meldpunten. Op het moment is er het Meldpunt kinder- porno.
Wellicht kan de minister ingaan op de vraag hoe dit meldpunt tot nu toe werkt.
Ik kan mij voorstellen dat er ook meldpunten moeten komen voor, bijvoorbeeld,
terrorisme of discriminatie. Recent heeft iemand in Nederland een site op
het net gezet waarin werd opgeroepen om bij doktoren die abortus uitvoeren
de ruiten in te gooien of daar nog ergere dingen mee te doen. Deze site stond
in Amerika op het net. De site werd in Amerika verboden. Vlak voordat de site
effectief van het net werd gehaald, heeft iemand in Nederland deze site gedownloaded
en vervolgens in Nederland op het net gezet. Ik kom er straks op terug. Dit
is een heel curieuze gang van zaken en in mijn beleving is het ook een slechte
gang van zaken. Er is een Meldpunt kinderporno. Dit voorval is eigenlijk terrorisme.
Zou er niet gekomen moeten worden tot een meldpunt terrorisme en ook een meldpunt
discriminatie?</al>
            <al>Ik heb hierover een vraag waarbij ik mij aansluit bij de heer Van der
Staaij. In de nota wordt gesproken over een adequate overheidsondersteuning
van meldpunten. De vraag is, als het gaat om zaken als kinderporno, terrorisme
en discriminatie, hoever je gaat met zelfregulering en wat "adequate overheidsondersteuning"
in dit verband is. Is er misschien een analogie met het Meldpunt ongebruikelijke
transacties?</al>
            <al>Op dezelfde bladzijde is iets vermeld over het auteursrecht. Ik begrijp
dat in het Europees Parlement een richtlijn is aangenomen waarin het zogenaamde
"cachen" belast wordt met auteursrecht. Als een site van bijvoorbeeld de Verenigde
Staten direct naar de gebruiker in Nederland gaat, is er inderdaad sprake
van een 1 op 1-relatie. Het komt echter ook voor dat providers een site die
vaak wordt opgevraagd tijdelijk in Nederland op een computer stallen, waarna
individuele gebruikers in Nederland die site op die computer in Nederland
kunnen ophalen. Volgens de richtlijn zou nu ook voor dat cachen auteursrecht
verschuldigd zijn, hoewel er dan nog geen sprake is van openbaarmaking. Dat
is pas het geval op het moment dat de site daadwerkelijk bij een individuele
gebruiker komt. Hoe kijkt de minister hier tegenaan?</al>
            <al>Ik sprak zojuist over de site over Amerikaanse abortusartsen. Dat voorbeeld
geeft al aan dat wij met een probleem zitten als het gaat over internationale
harmonisatie van materiële normen. In Nederland zijn wij misschien wat
soepeler met pikante sites, terwijl men in de Verenigde Staten misschien wat
soepeler is met politieke uitingen die wellicht zelfs extreem rechts kunnen
zijn. Of misschien geldt wel het omgekeerde; wie zal het zeggen. Verder is
al iets gezegd over activiteiten van bijvoorbeeld Amerikaanse opsporingsinstanties
in Nederland. Stel nu eens dat ik op een site iets neerzet dat in Amerika
streng verboden is, terwijl die site wel bereikbaar is vanuit Amerika. Nu
ben ik Nederlander, dus ik neem aan dat ik niet word uitgeleverd aan Amerika,
maar wat kan een Amerikaanse opsporingsinstantie hier nu wel of niet aan doen
in Nederland? Wat betekent het als wordt gezegd dat men het vereiste van dubbele
strafbaarheid laat vallen?</al>
            <al>In de nota wordt over de technologische turbulentie gezegd dat over enige
jaren nog eens gekeken moet worden naar de afstemming tussen de Telecommunicatiewet
en de Mediawet. Nu heb ik begrepen dat inmiddels al meer radiostations via
Internet uitzenden dan via de ether. Moeten wij daar dan pas over enige jaren
naar kijken, of moet dat toch eerder gebeuren?</al>
            <al>Ik kom tot het heikele onderwerp zelfregulering. In verband met de technologische
turbulentie en het CDA-gedachtegoed dat zelfregulering vaak een heel goede
oplossing is tussen enerzijds de koude markt en anderzijds de almachtig regulerende
overheid, kunt u zich voorstellen dat de insteek van zelfregulering ons ook
principieel zeer bevalt. Er wordt een aantal eisen aan zelfregulering gesteld.
Zo moet er sprake zijn van een gelijkwaardige belangenbehartiging, moet er
binding zijn voor partijen en moet de handhaving verzekerd zijn. Ik heb daarbij
nog een vraag over de tijdigheid van zelfregulering. In bijvoorbeeld het bankwezen
is te zien dat partijen er wel erg lang over doen om tot zelfregulering te
komen, als de overheid niet een stevige stok achter de deur zet. Hoe ziet
de minister dat waar het gaat om de elektronische snelweg? Daarnaast is er
bij zelfregulering het gevaar dat de private sector een substituut voor de
overheid wordt, waarbij betrokkenen te zeer afhankelijk worden van de nukken
van de markt. Hoe kijkt de minister daar tegenaan?</al>
            <al>Hierna wordt in de nota gesproken over de inhoudelijke toetsing van  zelfregulering. Daarbij worden zaken genoemd als grondrechten, rechtshandhaving
en rechtszekerheid. Wat vindt de minister nu vooral belangrijk in regelgeving?
Flexibiliteit, of rechtszekerheid? Als je op een gegeven moment ziet dat de
rechtszekerheid in het geding komt, moet je dan toch niet meer kiezen voor
desnoods technologisch afhankelijke wetgeving omdat je anders een rechtsonzekere
situatie zou laten bestaan?</al>
            <al>Er wordt gesteld dat het overheidsoptreden getoetst zal worden aan klassieke
grondrechten. Geldt dat bijvoorbeeld ook voor goede zeden? Moet de overheid
daarop ook inspringen of is dat juist alleen maar zelfregulering?</al>
            <al>Consumentenbescherming, bescher- ming van mensen in afhankelijke posities,
lijkt mij absoluut een taak van de overheid en op dat punt zou dan dus ook
zelfregulering moeten worden getoetst.</al>
            <al>Er wordt gesteld dat het invullen van normen bij ICT aan de rechter zou
moeten worden overgelaten. Er is sprake van een juridisering van de samenleving,
waaraan op dit moment terecht veel aandacht wordt geschonken. Dat krijg je
zeker met onduidelijke en open formuleringen van normeringen. Wellicht kan
de minister in zijn reactie hierop meteen wat preluderen op de Wet bescherming
persoonsgegevens waarin veel van dat soort open formuleringen voorkomen.</al>
            <al>In de update van de minister wordt aan de implementatie van de nota een
kwart A4'tje gewijd, terwijl dat in de oorspronkelijke nota enkele pagina's
beslaat. Het kabinet is heel ambitieus van start gegaan, maar op diverse terreinen
is achterstand opgelopen. Kan de minister al die terreinen iets uitgebreider
dan hij in de brief heeft gedaan even langsgaan en aangeven welke projecten
zijn vertraagd en waarom, en wat nu de prioriteitenstelling van die projecten
is? Het gaat mij er niet om te zeggen dat het kabinet te ambitieus is geweest,
het daarom niet heeft gehaald en daarom ook niet functioneert, maar ik vind
het belangrijk om te leren van zo'n nieuw onderwerp en te bezien hoe in de
tijd en op tijd adequate regelgeving kan worden gemaakt.</al>
            <al>De ontwikkelingen op het punt van ICT gaan heel snel. Het bedrijfsleven
heeft grote moeite om informatici te werven, mensen die zicht hebben op wat
er met ICT gebeurt. Hoe kan de overheid ervoor zorgen dat zij up-to-date blijft?
Ik zei al dat ik de nota af en toe wat reactief vind en juist als je dat naar
een proactieve houding wilt ombuigen, is het hebben van goede mensen en een
kennis die up-to-date is, zo erg belangrijk. Hoe kan de overheid in de toekomst
haar ambities op dit punt blijven waarmaken?</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Mevrouw</aanspr>
              <naam>Wagenaar</naam>
              <partij>PvdA</partij>
            </wie>
            <al>Wij vinden het erg belangrijk dat wij vandaag deze lijvige, deskundige
en goed opgezette nota kunnen bespreken. De problematiek is inderdaad niet
eenvoudig, maar wel uitdagend. Immers, de digitale rechtsstaat is een nog
weinig tastbaar begrip of, om met de WRR te spreken, het is een staat zonder
land. Dat maakt de totstandkoming van wet- en regelgeving op nationaal niveau
beperkt en bemoeilijkt handhaving.</al>
            <al>Toch is wet- en regelgeving op een aantal fronten nodig. De informatiemaatschappij
ontwikkelt zich met grote sprongen. Informatie is macht geworden en de toegankelijkheid
van die informatie zegt iets over het democratische karakter van een samenleving.
Internet kan zich twee richtingen uit ontwikkelen. Het kan de toegankelijkheid
en daarmee de spreiding van kennis en informatie bevorderen. In het wezen
van Internet zijn daarvoor alle voorwaarden aanwezig. In de nota Elektronische
overheid worden deze uitgangs- punten ook onderschreven. Maar, de toegang
tot het Internet kan ook een restrictief karakter krijgen. Als je voor het
downloaden van iedere vorm van informatie straks eerst je creditcardnummer
moet intoetsen, zijn wij op de verkeerde weg. De nieuwe auteursrichtlijn –
ik kom daar straks nog op terug – gaat meer die laatste kant op en daar
maken wij ons grote zorgen over.</al>
            <al>De 21ste eeuw kan zich ontwikkelen tot een informatiesamenleving of tot
een infocratie, waarbij informatie een stevig geprijsd goed wordt en slechts
de economisch sterken daartoe toegang hebben. De PvdA kiest voor een ontwikkeling
naar een informa- tiesamenleving waarin nieuwe media en aanverwante technologieën
worden ingezet om toegankelijkheid tot kennis en informatie te bevorderen.
Digitaal burgerschap moet dan ook worden gestimuleerd. In dit kader vinden
wij het instellen van de commissie digitale grondrechten positief.</al>
            <al>De opstelling van Nederland op internationaal gebied is nogal passief.
Daar waar Nederland zo graag brainport wil zijn en koploper in Europa wil
worden op elektronisch gebied, zou Nederland ook in juridisch opzicht meer
een voortrek- kersrol kunnen vervullen. De PvdA vindt dat Nederland met een
reputa- tie op het gebied van internationaal recht de aangewezen plek is voor
de vestiging van een virtueel broeinest van ontwikkeling van recht en zelfreguleringsafspraken
ten aanzien van de elektronische snelweg. Nederland zou het voortouw kunnen
nemen bij bundeling van expertise op dit gebied, niet in de laatste plaats
overigens omdat wij een aantal internationaal vermaarde wetenschappers op
dit vlak in huis hebben. Vroeger moest je voor zo'n centrum een groot gebouw
neerzetten. Nu kun je volstaan met de inrichting van een aantal virtuele ruimten
met bijbehorende infrastructuur. Door die virtuele aanpak is internationale
uitwisseling (en de stimulans daarvan) van kennis en ervaring op het gebied
van wetgeving over de elektronische snelweg eenvoudig te realiseren. Wij zouden
dan ook graag zien dat de minister initiatieven ontwikkelde om te komen tot
de oprichting van een virtueel, internationaal, juridisch centrum. Wellicht
kan het budget dat bestemd is voor de ontwikkeling van ICT en recht, hiervoor
gedeeltelijk worden aangewend. Het zou Nederland sieren als het op het gebied
van de ontwikkeling van dergelijk recht een koploperspositie zou innemen.
De nota is een eerste, goede stap, doch in het karakter van de elektronische
snelweg ligt besloten dat de volgende stap alleen maar een internationale
kan zijn.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Dat idee van zo'n virtueel instituut klinkt heel aardig, maar ik kan mij
er geen beeld van vormen. Ik neem aan dat ook de teneur van uw verhaal is
dat het net van onderaf werkt, dat mensen elkaar zelf vinden. Daar heb je
de overheid relatief weinig voor nodig. Wie moet de overheid geld geven ten
behoeve van wat? Een site is niet zo duur en elkaar vinden gaat vanzelf.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Mevrouw</aanspr>
              <naam>Wagenaar</naam>
              <partij>PvdA</partij>
            </wie>
            <al>De overheid zou volgens de PvdA  moeten stimuleren dat de
afspraken over wat op het gebied van recht en zelfregulering wordt ontwikkeld
in Nederland en andere landen, ergens bij elkaar komen en dat die expertise
wordt gebundeld. Soms is wetgeving nodig en soms is zelfregulering heel noodzakelijk
en werkt zoiets uitstekend. Nu is iedereen bezig het wiel uit te vinden. Het
zou heel goed zijn als Nederland, dat een reputatie heeft op het gebied van
internationaal recht, het voortouw nam om alle expertise op dit gebied te
bundelen. Vroeger zou men allerlei mensen bij elkaar halen en zou men een
gebouwtje neerzetten bij bijvoorbeeld een universiteit. Het is bekend dat
wetenschappers tegenwoordig heel vaak op internationaal niveau kennis met
elkaar uitwisselen. Specifiek ten aanzien van de elektronische snelweg zouden
wij dit een extra steuntje in de rug kunnen geven door betrokkenen een virtuele
ruimte met daaraan een website gekoppeld aan te bieden. Daarvan zou Nederland
vervolgens heel duidelijk gebruik kunnen maken. Dan blijven wij onze positie
op het gebied van internationaal recht waarmaken.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Die ruimte hoeft niet aangeboden te worden. Die kan gevonden worden. Als
u doelt op een soort databank van wet- en regelgeving en zelfreguleringsplannen,
kan ik mij daar nog iets bij voorstellen, maar dat is heel iets anders dan
een virtueel instituut.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Mevrouw</aanspr>
              <naam>Wagenaar</naam>
              <partij>PvdA</partij>
            </wie>
            <al>Ik doel echt op een instituut dat niet fysiek ergens gehuisvest hoeft
te zijn – nu wij de 21ste eeuw ingaan, hebben wij dat wel gehad –
maar dat virtueel gehuisvest is en waaraan men een website kan koppelen. Het
gaat om een ontmoetingsplaats waar expertise en wetgeving ontwikkeld worden.
Ik kan mij daarnaast voorstellen dat alle wetenschappers die daarbij betrokken
zijn, elkaar één keer per jaar daadwerkelijk ontmoeten, want
dat soort communicatie levert ook het een en ander op. Mijn bedoeling is dat
de overheid stimuleert dat er meer wordt gedaan. Wij lopen nu vaak achter
allerlei ontwikkelingen op technologisch gebied aan. Ik wil graag dat de overheid
meer bij de les is en dit soort zaken stimuleert.</al>
            <al>Wat betreft recht en openbaar bestuur wordt in de nota voorgesteld een
experimenteerbepaling in de Algemene wet bestuursrecht (AWB) op te nemen,
waardoor digitale communicatie tot rechtshandeling kan worden. Het zou mijns
inziens meer in de lijn van de nota Elektronische overheid liggen om tot aanpassing
van de AWB over te gaan. Digitaal verkeer tussen overheid en burgers vergemakkelijkt
veelal de toegang tot overheden. Bij de handhaving van de AWB bleek vooral
tijdigheid een van de problemen te zijn. Digitalisering kan aan beide kanten
communicatie vergemakkelijken. Iets meer enthousiasme in de lijn van de nota
Elektronische overheid c.q. consistentie in het kabinetsbeleid lijkt hier
op zijn plaats. Verder is het de vraag of het formele zorgvuldigheidsbeginsel
uit de AWB, neergelegd in artikel 3.2, niet moet worden aangepast. Het gebruikmaken
van de kennisgevings- en inspraakmogelijkheden via Internet zal toch in de
zeer nabije toekomst onderdeel moeten worden van een reeks van vanzelfsprekende
handelingen die een overheid op dit gebied verricht. Kortom: iets meer enthousiasme,
iets minder experimenteren en iets meer vanzelfsprekendheid.</al>
            <al>De positie van providers is regelmatig in discussie geweest. Sommigen
pleiten ervoor hen op dezelfde wijze strafrechtelijk aansprakelijk te stellen
als bijvoorbeeld uitgevers. Zijzelf wijzen dit absoluut af; zij zien zichzelf
veel meer als technisch doorgeefluik. Ook hebben ze initiatieven tot zelfregulering
genomen. Op dit moment zie ik geen aanleiding om een strengere strafrechtelijke
aansprakelijkheid voor providers te creëren, maar wel wil ik weten hoe
het kan dat de rechtbank in Utrecht zich op 20 november 1998 onbevoegd verklaarde
in een rechtszaak tegen twee Internetproviders wegens het weigeren van een
rechterlijk bevel tot aftappen van een klant die door de regiopolitie Utrecht
van verspreiding van kinderporno werd verdacht. Kunnen providers alleen in
hun arrondissement van vestiging gedaagd worden? Zo ja, zou enige voorlichting
op dit punt binnen het OM dan niet op haar plaats zijn? In dit geval was er
sprake van een verloren zaak.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Voorlopig wil de fractie van de PvdA de positie van de providers even
aanzien. Zo klinkt het althans; misschien heb ik het niet goed begrepen. Kiest
u nu wel of niet voor de opvatting dat de provider, mits niet selecterend –
dan is het immers inderdaad een soort uitgever – niets meer en niets
minder is dan een neutraal doorgeefluik?</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Mevrouw</aanspr>
              <naam>Wagenaar</naam>
              <partij>PvdA</partij>
            </wie>
            <al>Wij willen inderdaad afwachten hoe dit zich in de toekomst ontwikkelt.
Op dit moment zien wij geen aanleiding om hiervoor strakke regels te formuleren,
maar wel zien wij graag de voors en tegens op een rij gezet.</al>
            <al>Wat de zelfregulering betreft juichen wij de activiteiten van het Meldpunt
kinderporno toe. Met de fractie van het CDA vinden wij dat het instellen van
meer meldpunten moet worden gestimuleerd. Het is echter heel jammer dat er
nog weinig aansluiting bestaat tussen het OM en het meldpunt kinderporno.
De mensen van dit meldpunt voelen zich vaak genegeerd door het OM waar het
gaat om de zaken die men aandraagt. Naar de letter van de wet betreft het
niet altijd kinderporno, zo wordt door het OM terecht gesteld. Vervolgens
voelt men zich bij het meldpunt gefrustreerd. Wellicht zou het beter zijn
wanneer het OM in dezen wat minder formeel zou reageren. De communicatie tussen
meldpunt en OM moet worden verbeterd. Wij hebben hier te maken met een goed
initiatief op het terrein van de zelfregulering, wij hebben ook goede wetgeving
op het terrein van kinderporno, maar er moet een betere communicatie tot stand
worden gebracht. Voorkomen moet worden dat men vol onbegrip naar elkaars werk
zit te kijken.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Van der Staaij</naam>
              <partij>SGP</partij>
            </wie>
            <al>Rond augustus 1998 is al over deze materie gesproken en toen werd gesteld
dat het nodige zou worden gedaan om tot een betere aansluiting te komen tussen
dit meldpunt en het OM. Heeft u signalen waaruit blijkt dat men op dit terrein
nog altijd tekortschiet? Baseert u zich nu op recente informatie?</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Mevrouw</aanspr>
              <naam>Wagenaar</naam>
              <partij>PvdA</partij>
            </wie>
            <al>Inderdaad, ik stel deze vragen op grond van recente informatie.</al>
            <al>Het lijkt mij zinnig dat de voordelen en de tekortkomingen van deze praktijk
van zelfregulering in de komende jaren worden geëvalueerd en dat wordt
nagegaan hoe men in andere landen met dit fenomeen omgaat. Mochten wij dan
tot  regelgeving willen komen – ik sluit niets uit voor
de toekomst – dan is dit bij uitstek een punt om op internationaal gebied
initiatieven te ondernemen.</al>
            <al>Zeker de e-commerce en de aanpassingen die ons Burgerlijk Wetboek vergt,
verdienen onze aandacht. De bespreking van deze nota vormt niet het moment
om in te gaan op iedere vorm van sectorale wetgeving die nog niet bij de Kamer
is ingediend. Dit punt verdient echter onze aandacht, want de normen in het
BW zijn nogal open. Hoe moet je bijvoorbeeld op Internet omgaan met zoiets
als het kennisnemen van algemene voorwaarden? Moet de koper die zelf opzoeken,
moet de verkoper die actief aanbieden, of moet de koper door middel van een
muisklik aangeven dat hij van deze algemene voorwaarden kennis heeft genomen?</al>
            <al>Verder zou ik willen stilstaan bij het actieplan dat ruim een jaar geleden
is opgesteld. Het zou goed zijn als wij daarvan een actuele versie ontvangen,
alsmede jaarlijks een voortgangsrapportage.</al>
            <al>Ik heb reeds gesproken over de auteursrichtlijn. Daarover maken wij ons
grote zorgen. Die richtlijn moet in ieder geval zodanig ingericht zijn dat
een actieve spreiding van infor- matie via Internet in de toekomst niet zal
worden bemoeilijkt. Bij de behandeling van de databankrichtlijn heeft de minister
reeds een notitie daarover toegezegd. Daaraan wilde ik hem nog eens herinneren.
Ook een snelle indiening van het wetsvoorstel computercriminaliteit II is
zeer gewenst.</al>
            <al>Verder wordt er een notitie aangekondigd over de inrichting van een infrastructuur
voor trusted third parties. Het is belangrijk dat die notitie snel verschijnt,
teneinde duidelijkheid te krijgen over de rol van de TTP's. Mensen hebben
immers behoefte aan duidelijke afspraken over zaken zoals de elektronische
handtekening en encryptie.</al>
            <al>Uitgangspunt van het kabinet bij encryptie is dat bij opsporing de oorspronkelijke
tekst te achterhalen moet zijn. Net als bij de Telecommu- nicatiewet moet
iedere vorm van elektronisch berichtenverkeer te achterhalen zijn, aldus het
kabinet. In principe zijn wij het eens met dat uitgangspunt. De vraag is echter
hoe dat vormgegeven kan worden zonder privacyschending. Wij zijn dan ook zeer
benieuwd naar initiatieven van het kabinet in dezen.</al>
            <al>Onlangs is de besluitvorming over het Nationaal actieprogramma digitaal
rechercheren afgerond. Dit programma wil deskundigheid op dit gebied creëren
bij politie en OM. Die is op dit moment nog gering. Wat meer stimulans zou
geen kwaad kunnen. Het zit nu nog op het voorlichtende niveau, terwijl iedere
rechercheur er verstand van zou moeten hebben.</al>
            <al>Fouten in software kunnen tot maatschappelijk zeer ongewenste situaties
leiden. Ziet het kabinet het tot zijn taak om op dit punt expertise te ontwikkelen
bij politie en OM? Dat zou naar onze mening wel moeten gebeuren.</al>
            <al>Uit de schriftelijke beantwoording blijft onduidelijk wat de invloed van
het millenniumprobleem is geweest op de tragere uitvoering van het actieplan.
Ook zou ik willen weten hoe de minister aankijkt tegen de aansprakelijkheid
voor mogelijke storingen in het elektronisch verkeer rond de eeuwwisseling.
Is daaraan in internationaal verband reeds aandacht besteed?</al>
          </spreker>
          <draad>
            <al>De vergadering wordt tien minuten geschorst.</al>
          </draad>
          <ondtit>Eerste
termijn van de zijde van de regering</ondtit>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Mevrouw de voorzitter! Het verheugt mij dat de vaste commissie voor Justitie
zich zo uitvoerig heeft beziggehouden met de wetgeving voor de elektronische
snelweg. Ik kan vaststellen dat deze nota over het algemeen bijzonder positief
is ontvangen. Ik moet zeggen dat wij vanuit Nederland baanbrekend werk hebben
verricht om te proberen een overall overzicht te geven van wat er op dit gebied
speelt. Dat is, voorzover ik weet, voor het eerst in Nederland gebeurd.</al>
            <al>De overheidsbetrokkenheid bij de ontwikkelingen op de elektronische snelweg
had in eerste instantie vooral een economische invalshoek. Het Nationaal actieprogramma
elektronische snelwegen uit 1995 van Paars I en de vele aandacht daarvoor
in de Kamer zijn daarvan het resultaat geweest. De totstandkoming van de nota
Wetgeving voor de elektronische snelweg van 12 februari 1998 markeert het
belang dat het kabinet hecht aan een goede juridische infrastructuur bij de
ontwikkelingen in een elektronische omgeving en daarmee ook de rol van de
minister van Justitie en van de vaste commissie voor Justitie.</al>
            <al>Mijn voorgangster heeft in de nota de hoofdlijnen vastgelegd voor het
overheidsbeleid voor de komende jaren op het belangrijke terrein van recht
en de elektronische snelweg. Zoals uit de schriftelijke beantwoording op de
vragen aan het einde van december reeds is gebleken, wil ik de gekozen richting
verder volgen. Ik vind het zeer plezierig dat ik nu de gelegenheid heb de
hoofdlijnen uit de nota en natuurlijk ook de ontwikkelingen die nadien hebben
plaatsgevonden, met de commissie te bespreken. De leidraad van het kabinetsbeleid
op juridisch terrein in de komende jaren zie ik als volgt.</al>
            <al>Ten eerste kiest de overheid in het algemeen voor een terughoudende rol.
De snelle en onvoorspelbare ontwikkelingen in de elektronische omgeving zijn
daar een hoofdreden voor. Deze ontwikkelingen vinden vanuit de particuliere
sector plaats. De overheid is, zo zij dat al zou willen, niet in staat om
in deze turbulente omgeving daadwerkelijk te sturen.</al>
            <al>Ten tweede doet die terughoudendheid geen afbreuk aan de verantwoordelijkheid
die de overheid natuurlijk draagt. De overheid moet die verantwoordelijkheid
waarmaken door ervoor te zorgen dat de bescherming van fundamentele waarden
en normen van de rechtsstaat op afdoende wijze wordt gewaarborgd, dit met
het oog op de bescherming van kwetsbare belangen. Het strafrecht is hiervoor
een belangrijk, maar zeker niet het enige instrument. Daarnaast facilieert
de overheid het elektronische rechtsverkeer. De regels van het privaatrecht
én het bestuursrecht waar het gaat om rechtsverkeer met de overheid
kunnen daarvoor gebruikt worden. Met andere woorden, de overheid levert de
juridische infrastructuur voor de informatiesamenleving, terwijl de particuliere
sector zorgt voor de technische infrastructuur.</al>
            <al>Ten derde wordt voor de invulling van de overheidsverantwoordelijk- heid
de conclusie gehandhaafd uit de nota Wetgeving voor de elektronische snelweg,
namelijk dat ons rechtsstelsel op hoofdlijnen voldoet. Deze conclusie houdt
nauw verband met het adagium "wat off line geldt, moet ook on line gelden".
Overigens  heb ik kennisgenomen van de interessante beschouwing
van de heer Vendrik in dezen. Dit is een punt waaraan wij aandacht moeten
geven. Voor de komende jaren acht ik een grootscheepse renovatie van ons rechtsstelsel
niet nodig. Een en ander houdt overigens niet in dat de wetgever kan blijven
stilzitten. Soms zal er wetgeving nodig zijn om te bewerkstelligen dat het
recht dat is geformuleerd voor de fysieke wereld, ook echt kan gelden in de
elektronische omgeving.</al>
            <al>Soms ook zullen wettelijke bepalingen die het elektronisch verkeer belemmeren,
moeten worden heroverwogen. Over het adagium "off line is on line" ontstaat
altijd veel discussie. In mijn schriftelijke beantwoording van 31 december
ben ik daarop reeds uitgebreid ingegaan. Hier wil ik nog eens benadrukken
dat het adagium geen panacee is voor de langere termijn, wanneer de betekenis
van ICT in de samenleving nog veel ingrijpender kan zijn geworden. Het biedt
wel een oplossing voor de komende jaren waarin het elektronische rechtsverkeer
een rol speelt naast, maar niet in plaats van, het fysieke rechtsverkeer.</al>
            <al>Een en ander brengt mij op het vierde element van de leidraad voor het
kabinetsbeleid. Wat betekent deze terughoudende overheidsrol nu voor de interventie
van de wetgever? De nota Wetgeving voor de elektro- nische snelweg heeft de
randvoorwaarden vastgelegd in het zogenaamde toetsingskader. Ik haal er twee
punten uit die voor mij centraal staan.</al>
            <al>Zelfregulering heeft in beginsel mijn voorkeur boven formele wetgeving.
Ik zeg nadrukkelijk: in beginsel. Die zelfregulering zal er immers wel moeten
komen en bovendien recht moeten doen aan de gerechtvaardigde belangen van
alle betrokken segmenten van de samenleving, dus niet alleen aan die van de
industrie, maar ook aan die van de gebruikers. Ik denk daarbij niet alleen
aan de gevestigde industrie, maar ook aan mogelijke nieuwkomers. De voorkeur
voor zelfregulering leidt er immers niet toe dat de overheid voor haar verantwoordelijkheid
wegloopt.</al>
            <al>Daarnaast heb ik een eveneens voorwaardelijke voorkeur voor technologieonafhankelijke
formuleringen in de regelgeving. Technologieonafhankelijkheid zorgt voor regels
die beter tegen de tijd bestand zijn.</al>
            <al>Het vijfde element van de leidraad ziet op de internationale kant van
de elektronische snelweg. De elektronische snelweg doet grenzen vervagen.
Daarom zijn bij uitstek op dit terrein oplossingen vaak onvoldoende. De Nederlandse
regering moet haar belangen dus in de eerste plaats in internationale gremia
veiligstellen. Alle leden hebben hierop gewezen. Dit betekent een actieve
rol bij het dichterbij brengen van oplossingen voor het vraagstuk van internationalisering
en rechtsmacht binnen de Europese Unie, de Raad van Europa en de OESO. Ik
steun de sterke rol die in de gedachtevorming bij deze instellingen aan marktpartijen
wordt toegekend. Wij moeten evenwel niet vergeten dat ook de overheid een
verantwoordelijkheid behoudt.</al>
            <al>Ik heb de indruk dat in de internationale beleidsvorming onvoldoende oog
is voor de bescherming van kwetsbare belangen, zoals de bescherming van grondrechten
en meer in het algemeen de bescherming van de rechtsstaat alsook de bescherming
van de belangen van consumenten. Zo bleek op de ministeriële conferentie
die de OESO afgelopen oktober in Ottawa organiseerde, nauwelijks aandacht
te bestaan voor de gerechtvaardigde wensen van consumentenorganisa- ties en
vakbonden. Vragen over de rechtsstatelijkheid kwamen al helemaal niet aan
de orde. Over het vraagstuk van internationalisering kom ik nog te spreken,
maar de kern van mijn boodschap is dat wij op dit punt natuurlijk waakzaamheid
zullen moeten betrachten.</al>
            <al>Samenvattend omvat de leidraad voor deze kabinetsperiode het volgende.
De overheid vervult een terughoudende rol. Dit neemt niet weg dat er een overheidsverantwoor-
delijkheid is, in ieder geval om de fundamentele waarde te beschermen en om
het rechtsverkeer te ordenen. Er vindt geen grootscheepse reno- vatie van
ons rechtsstelsel plaats, wel aanpassingen op onderdelen, onder meer om het
adagium "off line is on line" te kunnen waarmaken. Zelfregulering en technologieonafhankelijke
formuleringen hebben de voorkeur. De sterke inzet moet gericht zijn op internationale
oplos- singen waarbij Nederland in het bijzonder oog heeft voor de bescher-
ming van kwetsbare belangen. Ik concludeer tot mijn genoegen dat ook deze
lijn eigenlijk door de gehele Kamer wordt gerespecteerd.</al>
            <al>Natuurlijk moeten wij ook nadenken over de aanpak op de langere termijn.
Het veelgenoemde rapport van de WRR "Staat zonder land" uit 1998 geeft hiervoor
een eerste aanzet. Ook het project van staatssecretaris Van der Ploeg, getiteld
"Gedachtevorming over de informatiepartij", ziet op die langere termijn.</al>
            <al>Al met al moet over de gevolgen van ons rechtsstelsel op de langere termijn
het maatschappelijk debat nog plaatsvinden. Meer ingrijpende aanpassingen
van ons rechtsstelsel in verband met technologische ontwikkelingen zijn niet
uit te sluiten. Het kabinet zal een actieve bijdrage leveren aan het wetenschappelijk
onderzoek op dit terrein, onder meer via het Stimuleringsprogramma informatietechnologie
en recht.</al>
            <al>Bij de vele discussies waartoe de nota Wetgeving voor de elektronische
snelweg aanleiding gaf, kwamen twee punten steeds weer naar voren, te weten
het ambitieniveau van de overheid en de handhaving van het nationaal recht
op de internationale elektronische snelweg. Het ambitieniveau van de nota
is gebaseerd op de terughoudende rol van de overheid. Ontwikkelingen vinden
in de maatschappij zelf plaats. De overheid richt zich op ordening. Deze terughoudende
of ordenende rol wordt ingegeven door een aantal factoren. Het geloof in een
sturende overheid is de laatste decennia, los van de ontwikkelingen op de
elektronische snelweg, aanzienlijk afgenomen. Op de elektronische snelweg
komen daar nog enkele elementen bovenop die een sturende rol van de overheid
niet meer goed denkbaar maken. Specifieke kenmerken van de elektronische snelweg
zijn immers dematerialisering, internationalisering en technologische turbulentie.
Een vierde kenmerk van de elektronische omgeving dat in de literatuur naar
voren komt, is horizontalisering, waarbij de overheid niet boven maar middenin
de samenleving staat. Kortom, wij willen geen te hoog ambitieniveau en kunnen
dat ook niet waarmaken.</al>
            <al>Dat neemt niet weg dat de terughoudende rol geen afbreuk doet aan de verantwoordelijkheid
van de overheid voor een tweetal taken. De ambitie moet erop gericht zijn
die  taken zo goed mogelijk uit te voeren. Voor de rechtsstaat
belangrijke normen en waarden moeten kunnen worden waargemaakt. Dit betekent
onder meer dat strafrecht en strafvordering goed moeten worden toegesneden
op de elektronische omgeving. Het wetsvoorstel computercriminaliteit II, waarover
het advies van de Raad van State net binnen is, strekt daartoe. Hetzelfde
geldt voor de grondwettelijke bescherming van burgers. Mijn collega Peper
en ik hebben hiertoe de commissie grondrechten in het digitale tijdperk ingesteld.</al>
            <al>Bovendien facilieert de wetgever de ontwikkelingen. Het privaatrecht speelt
daarbij een belangrijke rol. Belemmeringen voor elektronische ontwikkelingen
in het privaatrecht worden opgeheven. Ik denk daarbij aan bepalingen uit het
Burgerlijk Wetboek die de schriftelijke vorm voorschrijven voor bepaalde rechtshandelingen.
Voorts steunt het recht de ontwikkelingen door middel van maatregelen die
de rechtszekerheid voor partijen bij elektronische rechtshandelingen moeten
vergroten. De voorgestelde algemene bepalingen in het Burgerlijk Wetboek en
de verruiming van de mogelijkheden voor elektronische besluitvorming in het
kader van de Algemene wet bestuursrecht zijn daarvoor belang- rijke initiatieven.
Het vrij omvangrijke actieplan bij de nota Wetgeving voor de elektronische
snelweg vormt de weerslag van een overheid die qua sturingspretenties weliswaar
terug- houdend is, maar die haar hoofdtaken wel wil waarmaken.</al>
            <al>Voorzitter! Ik kom bij het tweede discussiepunt, te weten de handhaving
van het recht in een internationale omgeving. Naar mijn oordeel is dat het
fundamentele probleem waarvoor de elektronische snelweg ons stelt. De nota
Wetgeving voor de elektronische snelweg biedt daarvoor een pragmatische meersporenaanpak
aan, waarmee het probleem aanzien- lijk kan worden gereduceerd. In internationaal
verband gebeurt op dit moment veel en het gaat snel. Op drie fronten zie ik
dat in de internationale rechtsgemeenschap aansprekende vooruitgang wordt
geboekt. De OESO ontwikkelt een filosofie voor nieuw overheidsbeleid met een
zeer dominante marktfilosofie. Die filosofie is vastgelegd in een aantal verklaringen
naar aanleiding van een conferentie in Ottawa in oktober 1998. Ik ben van
mening dat de aanpak die de OESO kiest zeer kansrijk is. De OESO kiest voor
een nauwe samenwerking tussen overheden en marktpartijen om tot normstelling
te komen. Overigens moet er wat die aanpak betreft wel een duidelijke overheidsverantwoordelijkheid
blijven bestaan.</al>
            <al>In EU-verband hecht ik veel waarde aan de totstandkoming van de EG-richtlijn
over de juridische aspecten van elektronische handel. Deze richtlijn is een
echte stap voorwaarts naar een ordening van het elektronische rechtsverkeer.
Onderhandelingen daarover vinden nu plaats in een raadswerkgroep en ook in
de juridische en financieel-economische commissies van het Europees Parlement.
Inhoudelijk heb ik overigens wel wat bezwaren tegen het commissievoorstel.
Zo passen de voorgestelde regels over aansprakelijkheid niet binnen het evenwichtige
en technologieonafhankelijke stelsel van het Nederlandse privaatrecht en strafrecht.
Een adequate samenwerking tussen opsporingsdiensten moet ertoe leiden dat
handhaving van het strafrecht echt mogelijk wordt. Het verdrag van de Raad
van Europa over "Crime in cyberspace" moet op dat terrein eveneens een stap
voorwaarts worden. Als voornaamste prioriteit voor de inbreng van de Nederlandse
regering in internationale verbanden zie ik op dit moment dat wij erin slagen
op een goede en pragmatische wijze aan te sluiten op de internationale ontwikkelingen.
De aanpak uit de nota dient daarbij als ijkpunt, evenals het opkomen voor
kwetsbare belangen. Ik ging daarop reeds eerder in. De snelle internationale
ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat wij een belangrijke ambitie nog niet
hebben kunnen waarmaken, namelijk het inbrengen van de aanpak van de nota
in de verschillende internationale verbanden. Niettemin moet dit wel gebeuren.
Ik zal de Nederlandse inzet en de samenhang tussen de verschillende activiteiten
in een notitie aan de Tweede Kamer nader uitwerken. Overigens wil ik hier
waken voor een mogelijk misverstand. Mijn indruk is dat de nota in internationaal
verband wel is opgemerkt als een belangwekkend en vanwege het overkoepelend
karakter uniek document, en wij hebben daarvoor natuurlijk ons best gedaan.</al>
            <al>Resumerend: voordat ik inga op de meer specifieke vragen die de leden
van de commissie hebben gesteld, zeg ik de Kamer nog het volgende. De juridische
problematiek die de elektronische snelweg meebrengt, leidt tot een geheel
nieuw terrein van het recht, een terrein waarop de uitgangspunten voor overheidsoptreden
nog lang niet vaststaan. Dit heeft geleid tot het ontwikkelen van die uitgangspunten
in de nota Wetgeving voor de elektronische snelweg. Die uitgangspunten zullen
voorlopig nog wel in discussie blijven. De zoektocht naar een nieuwe filosofie
voor overheidsoptreden gaat voort.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Op dit plechtige moment wil ik een vraag stellen. Met deze laatste woorden,
maar ook aan het begin, waar u zegt dat het hele idee van het vergelijkbaar
zijn van off line en on line op termijn kan veranderen, bent u volgens mij
het uitgangspunt om in principe vast te houden aan de gedachte "wat off line
geldt, geldt on line", een beetje aan het ondergraven. Zie ik dat goed?</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Nee, dat ziet u niet goed. In beginsel geldt "off line is on line", zij
het dat ik rekening houd met vergaande ontwikkelingen, die nu niet of nauwelijks
te voorzien zijn. Op een gegeven moment kan het nodig zijn de sui-generismetho-
diek voor de elektronische snelweg aan te passen. Ik kan dat nu niet helemaal
overzien, maar ik denk dat het nooit kwaad kan om daarmee al rekening te houden.</al>
            <al>Voorzitter! Verder zijn wij druk bezig de uitgangspunten die wij nu voorlopig
hebben vastgesteld, om te zetten in concrete maatregelen. Al oogt het misschien
niet zo spectaculair, ik ben van mening dat wij nog veel moeten doen op dit
moeilijke terrein. Ik vind het belangrijk daarin de steun van uw Kamer te
hebben, en zeker wil ik het debat over de uitgangspunten voor de toekomst
met de Kamer voeren.</al>
            <al>Voorzitter! Dit is een vrij algemene inleiding, wat komt omdat ik dit
een heel belangrijk onderwerp vind. Het wonderlijke doet zich altijd voor
dat bij belangrijke onderwerpen de belangstelling van buitenstaanders over
het algemeen iets minder groot is. In de pauze heb ik gezegd dat ik mij ooit
het leplazarus, sorry, dat ik ooit heel hard heb gewerkt aan de algemene voorwaarden,
waaraan in geen enkele krant ooit aandacht is besteed, terwijl dat wezenlijk
is voor  ons staatsbestel. Maar goed, wat niet is, kan komen.</al>
          </spreker>
          <voorz nw="nee">
            <al>Wij hebben daarvan nu akte genomen.</al>
          </voorz>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>De heren Nicolaï en Van der Staaij hebben gezegd dat zij "verdringing"
een negatieve klank vinden hebben, maar het is de vraag of de term zonder
meer kan worden ingeruild voor "vervanging". Daarvan spreek je immers pas
als alle burgers goed toegerust zijn voor de informatiesamenleving. Daar ligt
een taak voor de overheid. Belangrijk is dat de overheid klantvriendelijke
digitale diensten aanbiedt. De onlangs verschenen nota van collega Van Boxtel
over de elektronische overheid besteedt hieraan dan ook terecht aandacht.
De overheid heeft daarin een belangrijke voorbeeldfunctie.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Voorzitter! Ik wil er geen woordenspel van maken, maar vervanging is een
neutraal begrip dat in bepaalde gevallen goed kan zijn, maar in andere gevallen
verwerpelijk of riskant. Verdringing is een negatief begrip. Dat is het verschil
tussen die twee begrippen. Het gaat niet om het woord, maar om de gedachte
die erachter zit. Naar de mening van de VVD is het niet per definitie een
gevaar en een bezwaar als er gevallen zijn waarin digitale informatie klassieke
informatie vervangt, zeker niet op termijn.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>De redenering is dat je pas van vervanging kunt spreken wanneer iedereen
ermee werkt. Dat is de normale betekenis van vervanging. Ik ben het niet eens
met de negatieve klank die de heer Nicolaï in "verdringing" legt. Vandaar
mijn antwoord, maar wij blijven doordenken over een ander woord. Vervanging
vinden wij overigens ook niet zo geslaagd.</al>
            <al>De heer Nicolaï vroeg ook naar de coördinatie in het kader van
het Nationaal actieplan elektronische snelweg. Dat blijft plaatsvinden. Er
komt een nieuwe nota als vervolg op het NAP uit Paars I. Daarin vindt coördinatie
van overheidsbeleid plaats. De eerstverantwoordelijke minister daarvoor is
de minister van Economische Zaken, mevrouw Jorritsma.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Dat geldt voor de verantwoordelijkheid van EZ. Als het om wetgeving gaat,
dan is Justitie verantwoordelijk. Mijn vraag was echter hoe die twee zich
verhouden, want het gaat om veel ministeries bestrijkende activiteiten.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Voorzitter! Wij werken niet langs elkaar heen. De minister van Economische
Zaken is de eerstverantwoordelijke op dit terrein. De minister van Justitie
is de eerstverantwoordelijke op een ander terrein. Als bepaalde punten elkaar
raken, dan vindt natuurlijk samenspraak plaats binnen de overheid. Het komt
allemaal samen in de nota ICT.</al>
            <al>Dan het toetsingskader. Dit is nog niet verwerkt in aanwijzingen voor
de regelgeving, maar het wordt al wel in de praktijk toegepast. De heer Nicolaï
geeft enkele voorbeelden van de aanscherping van het toetsingskader. Ik heb
de indruk dat hij hiermee de inzet, zoals die in de nota is verwoord, op hoofdlijnen
steunt. De heer Nicolaï is van oordeel dat er steeds een rol voor zelfregulering
is, ook bij zaken als kinderporno. Dat ontkennen wij niet, maar er is steeds
ook een rol voor de wetgever. Op zichzelf zijn wij het eens met de benadering
van de heer Nicolaï, althans op de wijze die ik heb weergegeven.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Voorzitter! Het toetsingskader is nog niet verwerkt in aanwijzingen voor
regelgeving, maar het wordt feitelijk al wel gebruikt om regelgeving aan te
toetsen. Is dat gebeurd bij de Wet bescherming persoonsgegevens?</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Neen, die wet is van daarvoor, maar wellicht kan die vraag nog eens worden
gesteld in de schriftelijke ronde over de Wet bescherming persoonsgegevens.
Dan weten wij waarop wij antwoord moeten geven.</al>
            <al>Dan de mondiale aanpak. Wat betreft het privaatrecht voor de elektronische
handel kan worden gewezen op het werk van Uncitral. Dat is een commissie van
de VN die zich met het internationale handelsrecht bezighoudt. In de nota
is de Modelwet inzake de elektronische handel van 1996 vrij uitgebreid aan
de orde geweest als inspiratiebron voor het gehele privaatrecht voor de elektronische
snelweg. Momenteel werkt Uncitral aan mondiale regels voor elektronische handtekeningen
en voor certificerende instanties. De belangrijkste handicap van dit mondiale
werk is dat de mogelijkheden om snelle voortgang te verzekeren, op wereldniveau
zeer beperkt zijn. Anders gezegd: het gaat langzaam en het is tamelijk vrijblijvend.
De Europese Unie is weliswaar een inherent ongeschikter niveau van regelgeving
dan het mondiale, maar zij biedt wel meer kansen op het tot stand brengen
van regelingen op betrekkelijk korte termijn. Overigens is het duidelijk dat
dit tevens een nadeel kan zijn, namelijk daar waar je van mening bent dat
het misschien verstandiger zou zijn om niet direct tot regelgeving over te
gaan, maar te wachten op een beter inzicht in de te regelen materie. Ik denk
dat dit een uitge- breider antwoord is dan de heer Vendrik van tevoren gedroomd
had toen hij zijn vraag stelde.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Vendrik</naam>
              <partij>GroenLinks</partij>
            </wie>
            <al>Mijn dromen zijn heel bijzonder. Misschien mag ik toch nog een vraag stellen.
Ik begrijp dat de effectiviteit vaak de doorslag geeft om op een lager niveau
overeenstemming te zoeken over de internationale regelgeving. In die zin dwingen
de snelle ontwikkelingen in die sector als het ware een lager niveau af dan
wellicht wenselijk zou zijn. Het valt mij wel op dat ten aanzien van het toetsingskader
heel prominent wordt genoemd het punt dat de regelgeving bij voorkeur dient
plaats te vinden op mondiaal niveau, terwijl daarvoor in de rest van het verhaal
heel weinig aanknopingspunten worden genoemd. De minister noemde zo-even een
voorbeeld dat meer gericht is op regelgeving voor het economisch verkeer.
Als een dergelijke aanpak de voorkeur heeft, dan zou ik iets meer tekst en
uitleg willen krijgen over de positie die de Verenigde Naties daarbij in de
wat verdere toekomst zullen krijgen. Effectiviteit betekent ook dat westerse
landen onderling een bepaalde standaard afspreken, waarnaar de landen uit
de Derde Wereld, de ontwikkelingslanden zich vervolgens mogen voegen. Dat
is op de lange termijn toch niet echt een houdbare strategie.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Wat wij nu doen, is rekening houden met de ontwikkelingen die er op dit
gebied zijn. Daar moet je pragmatisch op reageren. Op korte termijn geldt
dat je dat beter zo  dicht mogelijk bij huis kunt doen en dus
binnen de EU. Ik ben het er volstrekt mee eens dat dit op langere termijn
in meer mondiaal verband moet gebeuren. Een opstap naar de VN zou bijvoorbeeld
de OESO kunnen zijn. Vandaar dat wij daarin veel investeren. Maar het werkt
helaas nu eenmaal niet zo snel als op dit moment eigenlijk nodig is.</al>
            <al>Ik ben het met de heren Nicolaï en Vendrik eens dat flankerend beleid
gewenst is. Dat gebeurt dan ook niet alleen in het onderwijs. In het kader
van het project communicatie overheid-burger worden onder meer alle openbare
bibliotheken aangesloten op het Internet. Bovendien worden cursussen aangeboden
aan bezoekers om te leren omgaan met elektronische overheidsinformatie. Voor
dit project is in het kader van het NAP een bedrag van 20 mln. beschikbaar
gesteld.</al>
            <al>De technologieonafhankelijkheid van het telecomnet is mede afhankelijk
van de achterliggende Brusselse regelgeving, die in de loop van dit jaar en
volgend jaar nader bezien zal worden, mede ten aanzien van het aspect van
de convergentie.</al>
            <al>Mevrouw Wagenaar en de heer Van der Staaij hebben gevraagd naar de stand
van zaken rond het digitaal rechercheren. Het actieprogramma zal binnenkort
officieel aan mij worden aangeboden. In dat actie- programma worden aanbevelingen
en voorstellen gedaan voor de verdere ontwikkeling van digitaal rechercheren
binnen de politiek. De analyse van de huidige situatie is dat landelijk gezien
de ontwikkeling van digitaal rechercheren onvoldoende is. De ontwikkelingen
gaan te langzaam en er is nog geen sprake van een landelijk dekkend netwerk
voor digitaal rechercheren. De voorstellen in dit actieprogramma dragen bij
aan versnelling van de ontwikkelingen en aan het realiseren van een landelijk
dekkend netwerk. Bovendien wordt in dat programma nadrukkelijk de inhoudelijke
samen- hang aangegeven met de activiteiten van het openbaar ministerie en
partners in de opsporing, zoals de bijzondere opsporingsdiensten, de marechaussee
en de rijksrecherche. Met name dat laatste is voor mij erg belangrijk, omdat
ik ervan overtuigd ben dat veel effectiviteits- en efficiencywinst te halen
valt als bij de implementatie van digitaal recher- cheren de strafrechtelijke
keten als uitgangspunt wordt genomen. Ik zal mij dan ook op korte termijn
met mijn collega van Binnenlandse Zaken beraden over de uitvoering van het
actieprogramma en de daarvoor benodigde financiële middelen. En dan maar
hopen dat de economische groei toe zal nemen.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Mevrouw</aanspr>
              <naam>Wagenaar</naam>
              <partij>PvdA</partij>
            </wie>
            <al>Het is leuk dat u binnenkort dat programma digitaal rechercheren krijgt
aangeboden, maar ik neem aan dat u ook naar streefcijfers heeft gevraagd en
voor uzelf heeft gesteld waar politie en OM de komende tijd op uit moeten
komen. Dit klinkt allemaal mooi, maar vrijblijvend.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Ik kan mij niet meer herinneren wat ik precies heb gevraagd, maar ik dacht
niet dat ik erg veel cijfers heb gevraagd. Ik zal dat echter nagaan. U zult
daar een schriftelijke reactie op krijgen.</al>
            <al>De heer Nicolaï heeft gevraagd naar de kosten van opsporing. Wie
betaalt de kosten van medewerking door de Internetserviceprovider aan een
opsporingsonderzoek? Het Wetboek van Strafvordering voorziet in een vergoeding
van kosten die moeten worden gemaakt om in individuele opsporingsonderzoeken
medewerking te verlenen aan justitie.</al>
            <al>Verder vroeg de heer Nicolaï naar het onderzoek in het buitenland.
Als er vanuit het buitenland in Nederland een strafbaar feit wordt gepleegd,
mag de Nederlandse politie dan in de computer in het buitenland opsporen?
De opvattingen over de omvang van jurisdictie in de informatiemaatschappij
lopen internationaal nogal uiteen. Er wordt in het kader van de Raad van Europa,
waarbij dan ook de Verenigde Staten en Canada meedoen, aan gewerkt om overeenstemming
te bereiken. De Nederlandse opvatting is – die wordt door veel andere
landen gedeeld – dat de gegevens in onze computers opgeslagen, onder
uitsluitende Nederlandse jurisdictie vallen. Die impliceert dat wij ons onthouden
van onderzoek in computers in andere landen. In afwachting van een verdrag
zijn wij dus afhankelijk van rechtshulp in het land waar de computers staan.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Is dat gezien de juridische mogelijkheden op dit moment of is dat de wenselijke...?</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Gezien de juridische mogelijkheden. Wij proberen in internationale verdragen
tot verdere samenwerking te komen. Dat is dat "Crime in cyberspace", dat verdrag
waar wij aan werken, maar naarmate er meer landen aan mee zullen doen, zal
het ook weer langer duren om het tot stand te brengen. Ik denk dat over het
algemeen de noodzaak daartoe door vele landen, zeker door de deskundigen uit
die landen die eraan meedoen, wordt ingezien.</al>
            <al>De heer Wijn vroeg hoe het Meldpunt kinderporno functioneert. Het Meldpunt
kinderporno is een initiatief van diverse Internetproviders, die iets wilden
ondernemen tegen kinderporno op Internet. Gebruikers van Internet kunnen aan
het meldpunt doorgeven dat zij kinderpornografie op Internet hebben aangetroffen.
Het meldpunt gaat vervolgens na of het aangemelde materiaal inderdaad kinderporno-
grafie is en sommeert dan degene die het op het net heeft geplaatst, de afbeeldingen
er binnen 24 uur af te halen. Indien hieraan geen gevolg wordt gegeven, doet
het meldpunt aangifte bij de CRI. Bij ernstige gevallen wordt onmiddellijk
aangifte gedaan. Vanuit de CRI wordt onderzoek gestart naar de identiteit
van de overtreder. Als deze bekend is, neemt de CRI contact op met de regio
waarin de verdachte woont en stelt alle informatie ter beschikking. Het Meldpunt
kinderporno wordt financieel ondersteund door Justitie. In totaal gaat het
voor de periode september 1998 tot september 1999 om een bedrag van ƒ 100.000.
Mevrouw Wagenaar heeft daaraan toegevoegd dat haar bekend zou zijn dat dat
niet goed liep. Er zijn duidelijke afspraken over gemaakt tussen CRI en KLPD.
De informatie die ik krijg, is dat het best goed loopt. Ik ben zelf twee maanden
geleden bij de CRI en het KLPD geweest. Toen is mij dat ook gezegd. Als er
andere geluiden zijn, dan verneem ik die graag. In feite heb ik die nu al
vernomen. Ik wil die echter graag geadstrueerd zien.</al>
            <al>De heer Wijn heeft gevraagd wat er gebeurt als er in Nederland pikante
informatie op een website wordt gezet die vanuit de Verenigde Staten kan worden
geraadpleegd. Internationaal bestaat overeenstemming dat een handeling strafbaar
is in een ander land als het een specifiek effect heeft. Dat betekent dat,
zolang er nog geen verdragsrechtelijke  regels zijn, een Nederlander
ermee rekening moet houden dat hij in de Verenigde Staten wordt vervolgd wanneer
hij dat land vrijwillig bezoekt. Hij zal niet door Nederland worden uitgeleverd
zolang hij geen handelingen verricht die in Nederland strafbaar zijn.</al>
            <al>De vraag kan verder toegespitst worden op de situatie waarin de handelingen
zowel in Nederland als in de Verenigde Staten strafbaar zijn. Ik denk dat
uitlevering daarbij tot de mogelijkheden behoort.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Wijn</naam>
              <partij>CDA</partij>
            </wie>
            <al>Een persoon die een site die in Amerika strafbaar is in Nederland op het
net plaatst of opnieuw in omloop brengt, loopt dus gerede kans om op een vliegveld
in Amerika in de kraag gevat te worden?</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Dat zeker! Dat kan ik verzekeren. De volgende vraag is of door een internationaal
rechtshulpverzoek van de Verenigde Staten de persoon in kwestie zal worden
uitgeleverd vanuit Nederland aan de Verenigde Staten. Volgens mij kan dat.
Laten wij veronderstellen dat er kinderporno wordt geplaatst. Dat feit is
strafbaar in Amerika en ook in Nederland. Volgens mij behoort uitlevering
dan tot de mogelijkheden.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Wijn</naam>
              <partij>CDA</partij>
            </wie>
            <al>Er is gezegd dat men het vereiste van dubbele strafbaarstelling laat vallen.
Wat nu in de situatie dat iets in Amerika wel, maar in Nederland niet strafbaar
is? Wat doen wij dan?</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Dat is een van de punten waarover internationaal wordt onderhandeld. Daarbij
probeert men specifieke bepalingen te treffen. Ik kan niet aangeven hoe precies
en in welke gevallen. Het is echter niet meer zo stringent dat wat in Nederland
niet strafbaar is en in de Verenigde Staten wel, sowieso niet betekent dat
er niet uitgeleverd wordt. In sommige gevallen zal ook in de toekomst uitlevering
mogelijk moeten zijn. Dat geldt ook andersom, vice versa. Dat is nu nog niet
het geval.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Wijn</naam>
              <partij>CDA</partij>
            </wie>
            <al>Wij hebben in Nederland een vrij liberale cultuur. Wij hebben eigen ideeën
over de vrijheid van meningsuiting. Die vrijheid is in Nederland wellicht
veel ruimer dan in andere landen. Dat zou betekenen dat de opvattingen die
in andere landen heersen, uiteindelijk bepalen wat in Nederland onder een
en ander moet worden verstaan.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Dat is een punt dat verder zal moeten worden bepaald. Dit is een heel
gevaarlijke ontwikkeling. Een beter voorbeeld lijkt mij het in voorraad hebben
van drugs en daar, wellicht, reclame voor maken op een website in de Verenigde
Staten. Dat zou kunnen betekenen dat daarvoor uitlevering gevraagd wordt,
waaraan Nederland zou moeten voldoen. Met andere woorden, hier moeten wij
met de grootst mogelijke zorgvuldigheid en terughoudendheid naar kijken. Het
is niet een, twee, drie vanzelfsprekend dat iets wat hier niet strafbaar is
en in de Verenigde Staten wel, in de toekomst uitlevering betekent. Dat zal
in de praktijk, behoudens een enkel duidelijk geval, niet voorkomen. Zover
zijn wij overigens nog niet. De Kamer blijft op de hoogte gesteld worden van
de ontwikkelingen. Als dat niet gebeurt, ben ik ervan overtuigd dat de Kamer
ernaar zal vragen.</al>
            <al>Voorzitter! Een volgende vraag is of ISP's alleen worden gedagvaard in
hun plaats van vestiging. De rechtbank te Utrecht heeft de regels van het
Wetboek van Strafvordering inzake de relatieve competentie toegepast op ISP's
die een bevel tot medewerking niet zijn nagekomen. Het OM is zich goed bewust
van deze jurisprudentie. In de concrete casus oordeelde de rechtbank dat er
onvoldoende aanknopingspunten waren voor haar bevoegdheid.</al>
          </spreker>
          <voorz nw="nee">
            <al>Wat u nu doet, is herhalen wat ik ook zei, namelijk hoe het vonnis van
de rechtbank was. Ik heb daar echter twee vragen aan verbonden, namelijk of
een Internetserviceprovider alleen in de plaats of het arrondissement van
vestiging vervolgd kan worden, en of u van plan bent om binnen het OM enige
voorlichting hierover te geven. Het OM heeft hier immers iets geprobeerd dat
kennelijk niet is gelukt.</al>
          </voorz>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Een verdachte wordt in beginsel altijd daar gedag- vaard waar hij zijn
woonplaats heeft, maar de heer Patijn kan hier nader op ingaan.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Patijn</naam>
            </wie>
            <al>De regels voor relatieve competentie in het Wetboek van Strafvordering
zijn vrij ingewikkeld. De plaats van vestiging is een aanknopingspunten, maar
er zijn er meer, met name ook de relatie met andere strafbare feiten. In dit
geval heeft de rechtbank in Utrecht geoordeeld dat er onvoldoende relatie
was met het strafbare feit dat in Utrecht werd vervolgd.</al>
            <al>Wat de voorlichting aan het OM betreft: het OM praat in allerlei gremia
over deze uitspraak, dus ik denk dat voorlichting hierover niet nodig is.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Door diverse leden van de commissie is mij gevraagd om nader in te gaan
op de aansprakelijkheid van tussenpersonen. Het lijkt mij goed inhoudelijk
in te gaan op de aansprakelijkheid van Internetproviders. Hun aansprakelijkheid
voor illegale informatie die zij doorgeven of op hun computers hebben staan,
is een min of meer nieuwe kwestie. Hun functie is vergelijkbaar met die van
tussenpersonen in de gewone wereld, zoals uitgevers van boeken of aanbieders
van telefonie. Toch hebben zij, vooral vanwege de massaliteit van het informatieverkeer
dat via hen loopt, een eigensoortige rol die wij op haar eigen merites zullen
moeten beoordelen. In het algemeen meen ik dat de normale aansprakelijkheidsregels
heel goed op Internetproviders kunnen worden toegepast. Dat geldt zowel voor
het burgerlijk recht – denk aan de onrechtmatige daad en de maatschappelijke
zorgvuldig- heidsnormen – als voor het strafrecht met zijn criteria
voor medeplichtigheid en schuld. Daarbij zal een provider vermoedelijk niet
snel aansprakelijk worden gehouden. Immers, hij heeft doorgaans geen wetenschap
van de inhoud van informatie en hij kan er vanwege de massaliteit van de informatie
ook moeilijk toezicht op houden. Terughoudendheid bij de aansprake- lijkheidstelling
van providers lijkt mij ook een goed uitgangspunt. Zij vervullen immers een
cruciale rol in de informatiemaatschappij.</al>
            <al>Dat neemt niet weg dat van hen een bepaalde zorgvuldigheid kan worden
geëist, met name waar het gaat om informatie met een strafbare inhoud
zoals kinderporno of racisme. Zoals u weet, is in het wetsvoorstel computercriminaliteit
II gepoogd een goed evenwicht te vinden tussen enerzijds aan Internetproviders
te  stellen zorgvuldigheidseisen en anderzijds vrijwaring van
aansprakelijkheid.</al>
            <al>Bijkomstigheid is het richtlijnvoorstel over de juridische aspecten van
elektronische handel. Dit voorstel biedt een regeling voor de aansprakelijkheid
van providers. Op zichzelf acht ik het juist dat de Europese Unie zich dit
onderwerp aantrekt. Tegen de inhoud van het commissievoorstel heb ik echter
wel enkele bezwaren. De aansprakelijkheid is afhankelijk gesteld van de gebruikte
techniek. Bij bepaalde handelingen is iedere aansprakelijkheid uitgezonderd,
zelfs bij maatschappelijk onzorgvuldig handelen. Verder valt ook strafrechtelijke
aansprakelijkheid onder het voorstel. Ik acht het niet nodig dat dit op EU-niveau
wordt geregeld.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Ik ben onaangenaam verrast door wat ik nu hoor, voorzitter. Volgens mij
verhoudt zich dit slecht tot hetgeen eerder in dit huis is gewisseld. De minister
noemt zelf de richtlijn die in Europees verband wordt besproken. Indertijd
is van de kant van enkele fracties nadrukkelijk gevraagd of de regering als
inzet voor internationale afspraken in Europees verband kiest dat een serviceprovider
ten princi- pale het neutrale doorgeefluik is en in die zin een aantal aansprakelijkheden
niet van toepassing zijn die wel van toepassing zijn als het gaat om bijvoorbeeld
uitgevers en andere tussenpersonen. Bij die gelegenheid is van de kant van
de regering gezegd dat dit inderdaad haar inzet is. Ik hoor nu echter een
heel ander verhaal. Ik hecht zelf sterk aan het eerste, maar in ieder geval
kan er maar één verhaal zijn.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Aansprakelijkheid is niet in alle gevallen uitgesloten. Wat ik hier zeg,
is dat de provider in beginsel niet aansprakelijk is en dat dit ook ons uitgangspunt
is bij de voorstellen over de Europese richtlijn. De punten die ik noemde,
zijn juist onze bezwaren tegen het voorstel van de Commissie. Maar, mevrouw
de voorzitter, wellicht is het beter als ik dit punt verder schriftelijk beantwoord.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Ik wil het de minister niet moeilijk maken, maar het gaat wel om een heel
principiële kwestie. Is het een postbode of is het een uitgever? Het
is geen uitgever zolang er niet geselecteerd wordt, maar een postbode. Als
een postbode door een vensterenvelop ziet dat er kinderporno in zit, heeft
hij ook een bepaalde aansprakelijkheid. Die vergelijking kan worden gemaakt,
maar je kunt niet een postbode aanspreken op het feit dat hij gesloten enveloppen
met kinderporno verspreidt!</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Wijn</naam>
              <partij>CDA</partij>
            </wie>
            <al>Voorzitter! Ik sluit mij hier volledig bij aan, want het is een zeer principieel
punt, met name omdat er wel drie lagen in het Internet genoemd worden en dat
de drie rollen of statussen van providers, namelijk access, contents, service,
daar nauw op aansluiten. Wellicht kan de minister in zijn schriftelijke antwoord
dan meteen meenemen zijn argument met betrekking tot massaliteit. Juist als
via software pagina's volautomatisch kunnen worden gescreend op hun inhoud,
is de massaliteit van de informatie op zich wellicht niet een echt steekhoudend
argument.</al>
          </spreker>
          <voorz nw="nee">
            <al>Wellicht kan de minister hierover met een notitie komen?</al>
          </voorz>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Van der Staaij</naam>
              <partij>SGP</partij>
            </wie>
            <al>Komt dit al niet uitgebreid aan de orde in het kader van het wetsvoorstel
computercriminaliteit II dat wij op korte termijn kunnen verwachten? Ik neem
aan dat daarin ook is verwoord in hoeverre providers tevens worden verplicht
de verdere verspreiding van strafbaar materiaal te voorkomen en dat medewerking
daaraan hen vrijstelt van vervolging op grond van medeplichtigheid.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Ik ben er over het algemeen erg voor om dingen samen te nemen, maar in
dit geval niet, want ik vind niet dat dit in de lucht mag blijven hangen.
Wij moeten zo snel mogelijk weten hoe de regering hier tegenover staat.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Wijn</naam>
              <partij>CDA</partij>
            </wie>
            <al>Ik sluit mij daarbij aan, want voorzover ik weet, is computercriminaliteit
alleen strafrechtelijk, terwijl in dit geval natuurlijk ook de civielrechtelijke
kant van belang is.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Dat wilde ik ook al zeggen. In ieder geval wordt de civielrechtelijke
aansprakelijkheid in de notitie besproken voorzover nodig. Het loopt erg vooruit
op het wetsvoorstel computercriminaliteit II, waarin ook de strafrechtelijke
kant van de zaak aan de orde komt. Ik ga ervan uit dat dit wetsvoorstel nog
voor het zomerreces bij de Tweede Kamer zal zijn. Dan kunnen wij het ook los
van elkaar behandelen.</al>
            <al>Voorzitter! Ik kom op de tegenstrijdige rechterlijke uitspraken inzake
de aansprakelijkheid van providers. Het is inderdaad de vraag of de kabel-
televisie-uitspraak en die inzake de Scientology Church geheel met elkaar
sporen. De geleerden zijn het daarover niet met elkaar eens. De benadering
van de Scientology-uitspraak lijkt de regering voor tussenpersonen op de elektronische
snelweg voorlopig de meest voor de hand liggende, zoals ook uit de nota –
zie de pagina's 66 en 67 – kan worden afgeleid. Deze uitspraak gaat
ook over zo'n tussenpersoon, terwijl het geval van de kabeltelevisie weliswaar
op bepaalde punten vergelijkbaar is, maar zeker niet helemaal. Zekerheid hieromtrent
kan op dit moment uiteraard niet worden geboden. Verdere ontwikkelingen in
de rechtspraak zullen daarover meer duidelijkheid moeten geven.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Wijn</naam>
              <partij>CDA</partij>
            </wie>
            <al>Voorzitter! Dit zou dus zo'n voorbeeld kunnen zijn waar de overheid wellicht
wel actief invulling zou moeten geven aan de aard van de tussenpersonen en
de context waarbinnen ze opereren. Wellicht dat de minister daarop ook in
zijn notitie nog wat meer kan ingaan.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>In die notitie zullen wij ook daaraan aandacht geven. Wij kunnen echter
geen volledig inzicht daarin geven, omdat wij niet weten hoe dit in de rechts-
praktijk uitkristalliseert. Wellicht wordt in de tussentijd een andere uitspraak
gedaan.</al>
            <al>De heer Wijn vroeg: komt er een verplichting voor Internetserviceproviders
om alle handelingen van abonnees in een logboek bij te houden? Op grond van
de Telecommunicatiewet moeten de verkeersgegevens een bepaalde periode worden
bewaard, bijvoorbeeld ten behoeve van de rekeningen van de abonnees. Deze
wet schrijft niet voor dat alle handelingen van abonnees door de provider
in een logboek worden vastgelegd. Dus bepaalde zaken moeten wel en andere
niet in een logboek worden vastgelegd.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Wijn</naam>
              <partij>CDA</partij>
            </wie>
            <al>Bepaalde zaken moeten worden vastgelegd en andere niet, zegt u. Ik ben
niet volledig thuis in de Telecommunica- tiewet, maar ik vind het van belang
te weten welke zaken wel en welke zaken niet worden vastgelegd. Dat wordt
vastgelegd hoe lang men op het net heeft gezeten, lijkt mij voor de facturering
van belang. Het lijkt mij niet van belang vast te leggen welke sites men heeft
bekeken. Welke zaken moeten worden wel vastgelegd en welke niet?</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Het gaat om verkeersgegevens, termijnen en dergelijke. Dit staat allemaal
in de Telecommunicatiewet. Misschien kunnen wij zoiets een keer gezamenlijk
bekijken.</al>
            <al>Voorzitter! Ik kom tot de opmerkingen en vragen van de heer Nicolaï
over het auteursrecht en de informatiemaatschappij. De regering heeft zeker
een open oog voor de belangen van andere dan rechthebbenden bij het vormgeven
van regelgeving, nationaal en internationaal, op het gebied van auteursrecht.
Daarbij valt vooral te denken aan de belangen van bibliotheken, scholen en
andere organisaties die een algemeen maatschappelijk belang vertegenwoordigen.
Als deze te zeer in het gedrang komen, zullen de voordelen van een verdere
ontwikkeling van de informatiemaatschappij niet worden bereikt. Ook in internationale
gremia wordt het streven naar een balans van de belangen van rechthebbenden
en meer algemeen maatschappelijke belangen door Nederland uitgedragen.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Ik ben blij dit te horen. U sprak over instanties, maar ik neem aan dat
het evenzeer geldt voor de individuele burger.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Uiteraard.</al>
            <al>Voorzitter! De heer Wijn heeft gesproken over caching in het EG-richtlijnvoorstel.
Caching is een techniek waarmee het informatieverkeer op Internet makkelijker
wordt gemaakt. Het komt in feite neer op het tijdelijk opslaan of vasthouden
van informatie, zodat er geen opstoppingen op de lijnen ontstaan of om te
voorkomen dat afnemers te lang moeten wachten op berichten. Het zijn eigenlijk
tijdelijke, vluchtige kopieën op de elektronische snelweg. Daardoor gaat
het verkeer op Internet sneller. Ik hoefde dit niet uit te leggen aan de heer
Wijn, want de heer Wijn wist dit natuurlijk. Ik heb dit voor de andere leden
uitgelegd.</al>
            <al>In het kader van het EG-richtlijnvoor- stel auteursrecht en naburige rechten
in de informatiemaatschappij wordt gediscussieerd over de vraag of caching
iets is waarvoor auteursrechtelijke toestemming nodig is als het zou gaan
om een stuk muziek of film. Er wordt namelijk een kopie gemaakt, ook al is
het maar een tijdelijke kopie. De meningen daarover zijn verdeeld. In het
richtlijnvoorstel van de Europese Commissie wordt het opengelaten. Het Europees
Parlement vindt dat caching onder het auteursrecht moet worden gebracht, maar
het is de vraag of de Europese Commissie dat zal overnemen. Ook wordt het
onderwerp geregeld in het EG-richtlijnvoorstel elektronische handel. Onder
bepaalde voorwaarden, nader uiteengezet in dat richtlijnvoorstel, leidt het
niet tot aansprakelijkheid van de Internettussenpersoon. Mijn stelling is
dat het aan de rechter is om uit te maken of caching onder het auteurs- recht
valt. Dat staat ook in de brief over auteursrecht en nieuwe media die aan
de Kamer zal worden gestuurd.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Wijn</naam>
              <partij>CDA</partij>
            </wie>
            <al>Wij hebben het inmiddels al een paar keer gehad over de inzet van de overheid
en het overlaten aan de rechter. Het is weer dat reactieve. Ik zou er toch
voor willen pleiten dat, als hierover nog in Europa wordt gediscussieerd,
Nederland hierin wat verdergaat dan dat een en ander wordt overgelaten aan
de rechter. Wij zijn er niet voor dat zo'n "tussenpagina" auteursrechtplichtig
wordt.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Mevrouw</aanspr>
              <naam>Wagenaar</naam>
              <partij>PvdA</partij>
            </wie>
            <al>Daar sluit ik mij bij aan. De fractie van de PvdA is van oordeel dat het
verkeer op Internet sterk wordt bemoeilijkt wanneer men dit onder het auteursrecht
zou laten vallen. Ik zou de minister dan ook willen vragen om de brief die
hij kennelijk nog niet naar de Kamer heeft verzonden en waarin naar de rechter
wordt verwezen, in heroverweging te nemen. Het lijkt mij van belang dat er
nog eens goed naar de bedoelde richtlijn wordt gekeken. De inzet van de Nederlandse
regering zou mijns inziens moeten zijn dat dit punt absoluut niet onder deze
richtlijn dient te vallen.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Dat is ook het standpunt van de Nederlandse regering. Het feit dat wij
dit in het kader van de richtlijn electronic commerce willen regelen, houdt
in dat de normsteller of wetgever met regels komt. Het is nog altijd zo dat
de rechter uitspraken moet doen op grond van wat de wetgever heeft bepaald.
Zo nu en dan is het niet helemaal duidelijk en kan de rechter er een zekere
interpretatie aan geven, maar de rechter kan zaken niet naar eigen believen
gaan invullen.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Wijn</naam>
              <partij>CDA</partij>
            </wie>
            <al>Een rechter kan de wet niet terzijde stellen. Wanneer in de wet staat
dat dit niet onder het auteursrecht valt, is er weinig ruimte voor een rechter
om ánders te beslissen.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>En dus is uw zorg dat de rechter dit zou uitmaken niet gefundeerd, gelet
op het standpunt van de Nederlandse regering.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Wijn</naam>
              <partij>CDA</partij>
            </wie>
            <al>Dat is een geruststelling.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Dan kunt u vanavond gerust gaan slapen.</al>
            <al>Voorzitter! De heer Van der Staaij bepleit het inzetten van filters zodat
voor minderjarigen schadelijk materiaal kan worden geweerd. Dergelijke filters
zijn in de naaste toekomst op commerciële basis op Internet beschikbaar.
Hiermee worden ouders, scholen en bibliotheken in staat gesteld om bepaalde
schadelijke informatie te weren zonder dat de overheid als censor behoeft
op te treden.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Van der Staaij</naam>
              <partij>SGP</partij>
            </wie>
            <al>Wat is uw eigen oordeel hierover? Vindt u dit een positieve ontwikkeling
die u wenst te stimuleren?</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Wij hopen dat door middel van zelfregulering goede resultaten kunnen worden
behaald. Als het op deze manier niet lukt, moet wellicht worden gedacht aan
wettelijke maatregelen, zoals een strafbaarstelling voor aanbieders van voor
minderjarigen schadelijke informatie.</al>
            <al>Voorzitter! Meldpunten zijn in beginsel initiatieven van particuliere
gebruikers van Internet. Justitie  stimuleert de oprichting ervan.
Zo wordt het Meldpunt kinderporno financieel gesteund. Wanneer er een aanvrage
komt in verband met een meldpunt terrorisme en discriminatie, zou ook daaraan
steun kunnen worden gegeven.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Wijn</naam>
              <partij>CDA</partij>
            </wie>
            <al>Stimuleren kent twee aspecten. Enerzijds is het mogelijk om steun te verlenen
als een meldpunt er al is. Anderzijds kan een aanzet worden gegeven om te
komen tot zo'n meldpunt of kan een discussie worden gestart. Vindt u een meldpunt
terrorisme en discriminatie gewenst, zodat u daarover gaat praten met de providers?
Als u dat doet, kunnen wij spreken over een minder reactieve overheid die
initiatieven neemt.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Dat is wel mooi, maar naarmate de overheid meer initiatieven neemt, gaan
particulieren minder doen. Je moet ook iets overlaten aan "de gegoede burger"
om tot initiatieven te komen. Overigens is er al een meldpunt discriminatie.
Dat geldt nog niet voor een meldpunt terrorisme, maar ik kan mij voorstellen
dat het er komt.</al>
            <al>De heer Wijn vraagt voorts hoe de overheid omgaat met het tekort aan informatici.
In reactie op het AWT-advies terzake zal een taskforce worden ingesteld die
er samen met de markt voor moet zorgen dat voldoende ICT'ers met de juiste
curricula worden opgeleid.</al>
            <al>Mevrouw Wagenaar, de heer Wijn en de heer Nicolaï hebben gevraagd
naar de stand van zaken omtrent de TTP-beleidsnotitie. In maart 1998 is een
conceptnotitie aan de projectgroep TTP aangeboden. In dit concept was nog
één overgebleven punt, te weten de rechtmatige toegang van justitie
en inlichtingen- en veiligheidsdiensten tot versleutelde communicatie via
het Internet. Onlangs is hierover een interdepartementaal compromis bereikt.
Dit compromis is verwerkt in de TTP-beleidsnotitie. Deze notitie zal zeer
binnenkort door de minister van Verkeer en Waterstaat en de minister van Economische
Zaken via de RWTI en de ministerraad aan de Kamer worden aangeboden.</al>
            <al>De hoofdconclusies uit de TTP-beleidsnotitie zijn de volgende.</al>
            <al>1. Overheid en bedrijfsleven dienen een aantal concrete maatregelen te
treffen om de snelle ontwikkeling van een betrouwbare TTP-infrastructuur te
bevorderen. Daarbij zal aansluiting worden gezocht bij het zelfreguleringsmechanisme.</al>
            <al>2. De overheid, aanbieders en gebruikers van TTP-diensten dienen het initiatief
te nemen tot het oprichten van een TTP-kamer, die waarborgt dat aan de gestelde
randvoorwaarden wordt voldaan. In de TTP-kamer hebben, naast de overheid,
zowel de aanbieders als de gebruikers van TTP-diensten op vrijwillige basis
zitting.</al>
            <al>3. De overheid dient de totstandkoming van een certificatieschema te stimuleren,
waarbij de in deze beleidsnotitie genoemde randvoorwaarden dienen te worden
vertaald naar hanteerbare certificatiecriteria.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Het beeld wat de minister nu geeft over samenwerking tussen private sector
en overheid op het gebied van de TTP's is mooi. Wat mij betreft gaat het echter
alleen om die certificering van de rol van de overheid.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Binnenkort komt de notitie. Mag ik voorstellen dat in dat kader daarover
gesproken wordt?</al>
            <al>Mevrouw de voorzitter! Dan kom ik nu op de belangrijke suggestie van uzelf
om te komen tot een virtueel kenniscentrum in het kader van Den Haag als brainport.
Uit mijn opstelling, zowel in de antwoorden op uw vraag als tijdens deze bijeenkomst,
kunt u afleiden dat ik een actief beleid wil voeren op dit onderwerp. In mijn
inleiding ben ik daarop uitvoerig ingegaan. Ik stel mij voor dat u vooral
het oog heeft op een wetenschappelijk kenniscentrum, maar bij een wetenschappelijk-juridisch
brainport kan ik mij wel wat voorstellen. In dat kader merk ik op dat wij
die weg zijn ingeslagen door de ondersteuning van ITER, een samenwerkingsverband
van universiteiten waarbij ook diverse ministeries betrokken zijn. Dat streeft
ernaar zich te ontwikkelen tot een juridisch kenniscentrum waarin het nodige
aan onderzoek wordt gedaan. De onderzoekers aldaar hebben ongetwijfeld de
nodige internationale contacten, want dat bepaalt mede hun wetenschappelijke
naam. Concluderend: met de strekking van uw opmerking ben ik het eens en in
die geest zou ITER zich naar mijn gevoel verder moeten ontwikkelen.</al>
            <al>Voorzitter! De heer Wijn vindt het belangrijk dat overheidsinformatie
authentiek is. In de nota Elektronische overheid wordt dit punt genoemd. Er
zijn zo langzamerhand zoveel websites met overheidsinformatie, dat niet altijd
meer duidelijk is of die informatie werkelijk van de overheid afkomstig is.
Daarom werkt collega Van Boxtel nu aan een overheidsschil, die een centrale
toegang biedt tot echte overheidswebsites. De schil moet dit jaar klaar zijn.</al>
            <al>Tot slot, voorzitter, nog de vraag van de heer Wijn, of het verschijnsel
van de vele radiostations op Internet het niet nodig maakt op korte termijn
naar de afstemming van de Mediawet en de Telecommunicatiewet te kijken. Mijn
conclusie is dat het geen urgent probleem is. Het kan passende aandacht krijgen
bij de evaluatie van de nota die over een jaar of twee zal plaatsvinden.</al>
          </spreker>
          <ondtit>Tweede termijn van de zijde van de commissie</ondtit>
          <voorz nw="nee">
            <al>Hoewel alleen de heer Nicolaï en ik de spreektijd niet hebben overschreden,
wil ik alle woordvoerders nog twee à drie minuten spreektijd geven.</al>
          </voorz>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Mevrouw de voorzitter! De beantwoording was zoals de nota: uitvoerig,
maar wel helder. In deze discussie lijkt één punt een beetje
in het gedrang te komen. Daarom breng ik het nu nog naar voren. Het gaat hier
om vrije communicatie. Wij juichen vrije communicatie toe. Die moet worden
bevorderd. Gelukkig vindt vrije communicatie voor het grootste deel uit zichzelf
plaats. Er is sprake van een toename van de mogelijkheden daartoe. Er is door
de minister genuanceerd gereageerd op opmerkingen die ik daarover heb gemaakt.
Ik heb gezegd: pas op met regelgeving, kijk nog actiever naar mogelijkheden
voor zelfregulering, of bekijk nog beter of wellicht helemaal geen regelgeving
nodig is. Er is nog de zesde aanwijzing voor de aanwijzingen voor de regelgeving:
er moet alleen regelgeving komen als de noodzaak daarvan is komen vast te
staan. Dit is een terrein waarop dat niet zo snel komt vast te staan. Het
lijkt mij daarom goed om de formulering letterlijk te nemen als het gaat om
regelgeving voor de elektronische snelweg.</al>
            <al>In dat licht moet ook mijn opmerking worden gezien over de provider. Als
wij spreken over de rol en de  aansprakelijkheid van de provider,
heeft dat niet te maken met de belangen van de provider, maar wel met de belangen
van de burger in een mondiale communicatieve wereld. De burger moet zomin
mogelijk van tevoren gecensureerd over het net kunnen wandelen en communiceren
met anderen.</al>
            <al>Als het gaat om alternatieven voor regelgeving zijn er natuurlijk veel
mogelijkheden. De minister is niet op alle suggesties ingegaan. Eén
van de mogelijkheden is de privacy enhancing technology, de PET. Ik hoef hier
niet per se een reactie op, maar ik breng het wel onder de aandacht, omdat
op dergelijke punten regelgeving kan worden voorkomen en lastige kwesties
in bepaalde gevallen misschien bij voorbaat kunnen worden opgelost. Dit geldt
overigens ook voor TTP en de betrouwbaarheid van informatie. Als een en ander
goed functioneert, kan daarmee regelgeving worden ondervangen.</al>
            <al>Dan kom ik bij de discussie over on line en off line. De minister heeft
gezegd dat Nederland de eerste is die deze exercitie heeft gepleegd. Dat neem
ik graag aan. Maar ik heb mij laten vertellen dat ook Duitsland hiermee hard
bezig is geweest, zij het in een andere richting, namelijk in de richting
van een wetgevingscomplex sui generis voor de elektronische snelweg. Ik heb
ook begrepen dat het sui generis willen regelen van dit hele vraagstuk op
problemen stuitte.</al>
            <al>Tot slot kom ik te spreken over de toetsing. Ik roep de regering op om
actief alle regelgeving wel degelijk te toetsen aan het toetsingskader, liefst
een beetje in aangescherpte zin en wel zoals door de VVD naar voren gebracht.
Wat niet is genoemd, is het probleem dat veel regelgeving op dit terrein op
Europees niveau wordt gevormd. En dáár trekt men zich niet veel
aan van onze aanwijzingen voor de regelgeving. Ik roep de regering dringend
op om een vergelijkbaar toetsingskader op Europees niveau te formuleren. Er
gebeurt op Europees niveau in feite meer dan op nationaal niveau, wat relevant
is voor dit onderwerp. Maar misschien wordt hierover al gediscussieerd. Dat
hoor ik dan graag.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Vendrik</naam>
              <partij>GroenLinks</partij>
            </wie>
            <al>Mevrouw de voorzitter! Ik heb een vraag gesteld over de staatscommissie
digitale grondrechten. Hoe moet ik die positioneren in het actieprogramma?
Staat dat los van elkaar? Heeft die commissie een belangrijke status, ook
als het gaat om het in de nabije toekomst onderzoeken van de juridische betekenis
van de elektronische snelweg? Wat moet ik mij daar nu precies bij voorstellen?
Ik verkrijg graag helderheid op dit punt.</al>
            <al>Ik heb enkele vragen gesteld over encryptie. Ik begrijp dat deze kwestie
terugkomt in het wetsvoorstel computercriminaliteit II. Wellicht kan de minister
al een klein tipje van de sluier oplichten. Wat gaat er op dat punt precies
gebeuren? In welke mate moeten encryptietechnieken toegankelijk zijn voor
opsporingsinstanties? Wat kunnen wij op dit punt op korte termijn verwachten?</al>
            <al>Vorig jaar zijn al vragen gesteld naar aanleiding van berichten in de
Groene Amsterdammer: Amerikaanse inlichtingendiensten zouden de elektronische
snelweg constant afgrazen. Er wordt in dat verband gesproken van een echelonprogramma.
Hierover is in het Europees Parlement erg veel te doen geweest en er is een
rapport over verschenen. Ik wil graag weten of de Nederlandse regering op
dit punt nadere stappen heeft ondernomen. Misschien kan hierop nu niet geantwoord
worden, maar kan later schriftelijk informatie worden verstrekt. De berichten
waren in ieder geval vrij zorgelijk.</al>
            <al>Voorzitter! Concluderend: ik heb het idee dat de minister een vrij straffe
positie inneemt met betrekking tot de casus die ook de heer Wijn naar voren
bracht, over de uitingsdelicten die hier niet strafbaar zijn, maar in de Verenigde
Staten wel. De vraag was of die delicten kunnen leiden tot uitzetting. De
regering had het voornemen op dit punt tot meer harmonisatie te komen. Ik
constateer tot mijn genoegen dat dit voornemen er niet toe zou moeten leiden
dat de normen elders in de wereld hier onverkort van toepassing worden verklaard.
Wij hanteren immers een liberaler regime. Dit doet mij deugd.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Van der Staaij</naam>
              <partij>SGP</partij>
            </wie>
            <al>Voorzitter! Van de bescheiden drie minuten die mijn fractie voor zowel
de eerste als de tweede termijn waren toebedeeld, zal ik niet veel meer over
hebben, maar ik wil nog graag een opmerking maken over de verantwoordelijkheid
van de overheid voor het opkomen van kwetsbare belangen. De minister sprak
daar met nadruk over. Hij heeft verwezen naar de zelfregulering rondom onderwerpen
als kinderporno. Nadrukkelijker wil ik horen welke taken hij ziet voor de
overheid bij de handhaving van belangrijke strafrechtelijke normen. Zijn reactie
mag toch niet de indruk wekken dat te veel wordt verwacht van de zelfregulering.
Ziet ook hij niet het gevaar dat bij opsporing en vervolging op dit punt onvoldoende
kennis wordt ontwikkeld? Het digitaal rechercheren lijkt een aanzienlijke
vertraging te hebben ondergaan. Vertrouwt de minister erop dat de inhaalslag
die nodig is voor de opsporing en vervolging, ook als het gaat om Internet,
inmiddels in voldoende mate wordt gemaakt?</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Wijn</naam>
              <partij>CDA</partij>
            </wie>
            <al>Voorzitter! Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Ik constateerde
reeds dat het ambitieniveau van Nederland wat hoger zou moet zijn en dat het
een voortrekkersrol zou mogen vervullen. De minister is het daarmee blijkbaar
eens. Hij zei namelijk dat hij met de nota in internationaal verband meer
wil doen. Dat doet mij deugd. Als de Kamer op dit punt meer stappen wil ondernemen
en de minister om meer actie wil vragen, laat ik de eer aan mevrouw Wagenaar.</al>
            <al>Wij krijgen een notitie over de TTP's. Die wachten we dus af. De aansprakelijkheid
van providers betreft natuurlijk een van de kernpunten van deze discussie.
Behandeling van dit onderwerp wordt in de tijd naar voren gehaald en wij zullen
hierover een brief ontvangen. De discussie wordt overigens allang gevoerd,
maar goed, we wachten de brief af. Ik vind het evenwel jammer dat we de discussie
ten principale hierover nog niet hebben gevoerd.</al>
            <al>Dan wil ik nog iets zeggen over de internationaal-strafrechtelijke aansprakelijkheid.
Er is het voorbeeld gegeven van de Nederlander die iets op het net zet en
daarvoor in Amerika aangesproken kan worden. Dit blijft mij zorgen baren.
In de nota staat: ook voor andere wetgeving die vaak is gebaseerd op culturele
verschillen, zoals uitingsdelicten, wordt harmonisatie niet op voorhand afgewezen.
Ik kan mij niet voorstellen dat deze minister een zo grote cultuurrelativist
is, dat hij hiermee zonder meer akkoord kan gaan. Ik wijs erop dat we het
hier over grondrechten hebben. Bij de vrijheid  van meningsuiting
gaat het om een van de meest fundamentele grondrechten die wij in Nederland
kennen. Nu gaat het ook om de invulling daarvan. Zou hierover, alvorens zich
een concrete casus voordoet, niet moeten worden nagedacht?</al>
            <al>Ik heb gezegd dat zelfregulering hier vrij mechanisch wordt opgevat: zet
de partijen maar bij elkaar en als die zelf met een regel komen, gaan wij
er wel mee akkoord. De overheid zegt niet wat de uitkomst van een dergelijke
regel zou moeten zijn. Wat zou er bereikt moeten worden? Ik heb zelf het voorbeeld
gegeven: toets je de uitkomsten van die zelfregulering aan de goede zeden
of aan een goede bescherming van consumenten? Misschien kan de minister er
iets meer over zeggen. De toets aan zelfregulering neigt mij nu iets te veel
naar "als zij er samen maar uitkomen" in plaats van het bekijken van de uitkomsten.</al>
            <al>De heer Van der Staaij zegt terecht dat de overheid achterblijft in het
digitaal rechercheren. Hoe zorgt de overheid ervoor dat je zoveel mogelijk
up-to-date blijft? Ik vind het een beetje mager dat alleen wordt verwezen
naar de nota van de AWT over het tekort aan informatici. Je moet niet alleen
zorgen voor een instroom van net afgestudeerde informatici; het is natuurlijk
een bredere kwestie.</al>
            <al>Ik heb gevraagd naar het actieplan van een jaar geleden, waarin prioriteiten
werden genoemd. Dat was toen een kantje of dertien. Er wordt in de nota in
een heel kleine alinea op ingegaan. De minister heeft het in zijn beantwoording
waarschijnlijk wel kort aangestipt, maar wat mij betreft niet uitgebreid genoeg.
Als wij een actieplan hebben, moeten wij in detail weten hoe het ervoor staat,
waar prioriteiten worden verlegd of verschoven en waarom de uitvoering niet
is gelukt. Dit is een nieuw onderwerp, maar het is juist daarom van belang
om te weten waar je tegenaan loopt. Het gaat mij er niet eens zozeer om dat
de minister iets heeft beloofd en het niet heeft gehaald. Het gaat erom dat
wij er echt lessen uit trekken. Ik krijg er dan ook graag meer informatie
over.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Mevrouw</aanspr>
              <naam>Wagenaar</naam>
              <partij>PvdA</partij>
            </wie>
            <al>Ik heb niet echt antwoord gekregen op mijn vragen over de aanpassing van
de Algemene wet bestuursrecht. Ik heb gevraagd of het formele zorgvuldig-
heidsbeginsel, artikel 3.2 van de AWB, niet moet worden aangepast en of het
bij het gebruikmaken van kennisgevings- en inspraakmogelijk- heden via Internet
in de zeer nabije toekomst een vanzelfsprekend onderdeel moet zijn van de
hande- lingen die het openbaar bestuur verricht.</al>
            <al>In de nota wordt voorgesteld een experimenteerbepaling in de AWB op te
nemen. De elektronische snelweg is al zo'n onderdeel van het dagelijks bestaan
van velen geworden, dat experimenteren wat mij betreft niet meer hoeft. Laten
wij dat maar gewoon doen.</al>
            <al>Ik sluit mij aan bij hetgeen de heer Wijn heeft gezegd over een actuele
versie van het actieplan. Wat kunnen wij straks afspreken over de voort- gangsrapportage?</al>
            <al>Wil de minister ingaan op de kwestie van de aansprakelijkheid voor mogelijke
storingen in het elektronisch verkeer rond de eeuwwisseling? Wij kunnen hier
allerlei leuke dingen bedenken rondom de elektronische snelweg, maar het moet
wel goed gaan. Heeft de minister er in internationaal verband aandacht aan
besteed?</al>
            <al>Het verheugt mij dat de minister enthousiast heeft gereageerd op het plan
voor een virtueel internationaal juridisch centrum. Het lijkt mij een goed
idee om dat te koppelen aan ITER. Ik denk alleen dat het best nog een duwtje
in de rug mag hebben, zodat de Kamer er later op terug kan komen. Daartoe
dien ik dan ook de volgende motie in.</al>
            <al>De Kamer,</al>
            <al>gehoord de beraadslaging,</al>
            <al>constaterende, dat de ontwikkeling van wet- en regelgeving (en vormen
van zelfregulering) een sterk internationaal karakter kent;</al>
            <al>constaterende, dat Nederland zich wil ontwikkelen tot brainport;</al>
            <al>constaterende, dat Nederland een vermaarde reputatie heeft op het gebied
van internationaal recht;</al>
            <al>overwegende, dat Nederland met de ontwikkeling van wet- en regelgeving
en vormen van zelfregulering een internationale voortrekkersrol zou dienen
te gaan vervullen;</al>
            <al>verzoekt de regering plannen te ontwikkelen om een virtueel internationaal
juridisch centrum gekoppeld aan ITER in Nederland op te richten,</al>
            <al>en gaat over tot de orde van de dag.</al>
          </spreker>
          <voorz nw="nee">
            <al>Deze motie is voorgesteld door de leden Wagenaar, Wijn, Vendrik en Van
der Staaij. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.</al>
            <al>Zij krijgt nr. 4 (25880).</al>
          </voorz>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Het nut van de motie ontgaat mij sowieso, want er is een ITER, en er is
door de regering gezegd daaraan wat meer ruimte te geven. Daarmee ontgaat
mij de betekenis van de motie, wat haar wellicht tot een overbodige maakt.
Wat principiëler is, is dat ik mij afvraag of dit niet in strijd is met
de teneur van de hele discussie zoals wij die nu voeren of zouden moeten voeren,
namelijk dat Internet alles te maken heeft met vrije communicatie en initiatieven
van onderaf. Moet van bovenaf iets wat in feite al loopt, nog eens worden
bevorderd?</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Mevrouw</aanspr>
              <naam>Wagenaar</naam>
              <partij>PvdA</partij>
            </wie>
            <al>U gebruikt de juiste woorden, namelijk niet van bovenaf opleggen. Dat
wil de PvdA ook niet. Maar je kunt van bovenaf wel bevorderen. Juist als het
om wetgeving gaat, maar soms ook om bepaalde vormen van zelfregulering, en
juist als het erom gaat om die aspecten in internationaal verband aan de orde
te stellen, kan wat stimulans van overheidszijde geen kwaad. Wet- en regelgeving
en soms ook zelfregulering komen niet altijd van onderop. Het gaat mij er
vooral om dat ook in internationaal verband Nederland daarmee flink aan de
weg gaat timmeren, en de internationale reputatie op het gebied van recht
ook op dit gebied waar blijft maken. Het leek mij, gegeven de beantwoording
van de minister die inderdaad enthousiast was en een goede toezegging deed,
dat dit toch nog een steuntje in de rug kon gebruiken. Wij gaan ervan uit
dat dit binnen afzienbare tijd is verwezenlijkt.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Daarover verschillen wij van mening. Maar bestaat dat bevorderen uit geld,
of  gaat de overheid ook bedenken hoe dat moet?</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Mevrouw</aanspr>
              <naam>Wagenaar</naam>
              <partij>PvdA</partij>
            </wie>
            <al>Dat is nu juist het aardige: er is een budget voor ICT en recht, zodat
ik aanneem dat de minister daarmee wel wat kan stoeien. Het gaat uiteraard
om het ontwikkelen door onafhankelijke wetenschappers, die die expertise met
elkaar uitwisselen, waarvan de overheid vervolgens actief gebruik kan maken.</al>
          </spreker>
          <ondtit>Tweede termijn van de zijde van de regering</ondtit>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Voorzitter! De heer Nicolaï zei dat de vrije communicatie hét
belangrijke punt is. Hij wees op aanwijzing 6, waarin staat dat je niet tot
regelgeving moet overgaan, dan nadat daartoe de noodzaak is gebleken. Dat
is natuurlijk het uitgangspunt van deze regering, nog los van het feit dat
het zeer moeilijk is als overheid hiervoor de precieze regelgeving op touw
te zetten. Het uitgangspunt is "off line is on line". Inderdaad is men in
Duitsland een andere richting uitgegaan: men is uitgekomen op een sui-generiswet.
Voorzover onze informatie strekt, werkt dat niet bepaald gunstig, en lijkt
het erop dat wijzelf een betere weg zijn ingeslagen. Maar goed, alles moet
zich nog uitkristalliseren. De heer Nicolaï vroeg of actief aan het toetsingskader
wordt getoetst. Dat gebeurt, maar nog niet in alle gevallen. Het zal vermoedelijk
in Europees verband meer gaan gebeuren.</al>
            <al>Voorzitter! De heer Nicolaï vroeg vervolgens naar het Europese toetsingskader.
Dat is natuurlijk ons streven. Daarom zijn wij in internationaal verband bezig
zoveel mogelijk overleg te voeren, om juist dat Europese toetsingskader te
bereiken. Maar dat heeft nogal wat voeten in de aarde, al was het alleen maar
omdat bijvoorbeeld Duitsland eigen specifieke wetgeving heeft, zij het dat
dat land na de opgedane ervaringen wellicht bereid is wat meer onze kant op
te gaan. Het uitgangspunt is dat er een Europees, zo mogelijk zelfs een mondiaal
toetsingskader komt, maar dat is niet eenvoudig te verwezenlijken.</al>
            <al>De heer Nicolaï zei dat Internet de toegankelijkheid van informatie,
en daarmee de spreiding van kennis en informatie, moet bevorderen. Wat betreft
de toegankelijkheid van informatie kan en moet Internet dat bevorderen, wat
niet mag leiden tot een infocratie. De overheid draagt hiervoor zorg, door
in elk geval voor de democratie belangrijke overheidsinformatie ter beschikking
te stellen. De nota Elektronische overheid noemt daarvoor de randvoorwaarden.
Verder vind ik meer in het algemeen dat Internet de informatievrijheid niet
in gevaar mag brengen. Op dit moment bestaat dat probleem niet. Internet zorgt
er juist voor dat informatie veel gemakkelijker toegankelijk is.</al>
            <al>De heer Nicolaï vroeg voorts naar de privacy enhancing technology.
Als er bepaalde regels gelden op de elektronische snelweg, dan moeten deze
worden gehandhaafd. Dat kan door controle op het gedrag van personen en door
technisch verboden gedrag onmogelijk te maken, bijvoorbeeld door computer-
programma's. De regels zijn nodig om te bepalen wat wel en niet mag. Zonder
regels weet de computerprogrammeur niet wat hij mogelijk moet maken en wat
onmogelijk is. Er wordt dus aan gewerkt.</al>
            <al>De heer Vendrik vroeg naar de staatscommissie. Deze is onlangs ingesteld.
De commissie heeft een vrij brede taakopdracht gekregen. Deze taakopdracht
wordt genoemd in de instellingsbeschikking. Deze belangrijke commissie gaat
veel voorwerk doen voor de basis waarop gaat worden gewerkt in het digitale
tijdperk.</al>
            <al>Verder vroeg de heer Vendrik of er in het wetsvoorstel computercriminaliteit
II iets is geregeld over encryptie. Dat was ik in eerste termijn inderdaad
vergeten. Er komt in het wetsvoorstel een medewerkingsverplichting voor degene
die de sleutel heeft. Er komt echter geen verplichting om een sleutel te hebben.
Een uitzondering is er voor telecomoperators. Wanneer die encryptie toepassen,
moeten ze de sleutel bewaren om ook medewerking te kunnen geven indien justitie
dat in een individueel geval vraagt. Dat is de strekking van het wetsvoorstel.
De heer Vendrik vroeg ook naar de afluisterprogramma's van de Amerikaanse
inlichtingendienst. Ik weet daar op dit moment het fijne niet van. Ik kom
daar bij de schriftelijke beantwoording op terug.</al>
            <al>Ik heb al tegen de heer Van der Staaij gezegd dat het digitaal rechercheren
iets is vertraagd, maar het is dan ook een geheel nieuwe ontwikkeling. Er
komt een notitie over. Wij doen het in Nederland overigens nog niet zo slecht
als je het vergelijkt met andere landen in Europa. Er staan in ieder geval
veel communicatiewegen open, met name richting Duitsland en Zweden. Die hebben
juist een voorbeeld genomen aan Nederland, met name op het gebied van kinderporno.
De heer Van der Staaij vroeg ook naar het Meldpunt kinderporno. Dat heeft
primair een signalerende functie. Ook doet het meldpunt de eerste beoordeling.
Het meldpunt en de CRI praten op operationeel niveau over kennis, kennisoverdracht
en het behandelen van en rapporteren over aangemelde en aan te melden zaken.
Op grond daarvan komt men tot overdracht van de zaak of de inlichtingen aan
de officier van justitie, die dan tot vervolging zal moeten overgaan.</al>
            <al>De heer Wijn sprak over de eenmaking van strafrechtelijke normen. Het
mag inderdaad niet zo zijn dat een norm elders in de wereld ineens van toepassing
verklaard moet worden in Nederland. Soevereiniteit op het gebied van het strafrecht
is een van de belangrijkste zaken voor Nederland. Wat dat betreft moet je
dus altijd terughoudend zijn met het hier van toepassing verklaren van normen
in andere landen.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Wijn</naam>
              <partij>CDA</partij>
            </wie>
            <al>Heeft de minister een plan van aanpak indien zo'n concreet geval zich
voordoet?</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Zolang er geen regeling voor is en een bepaald feit in bijvoorbeeld de
VS wel strafbaar is maar niet in Nederland, zal er niet uitgeleverd worden.
Pas als er sprake is van nieuwe normen, waarvan ik al gezegd heb dat wij daar
terughoudend mee moeten zijn, zou het in sommige gevallen ertoe kunnen leiden
dat uitlevering plaatsvindt.</al>
            <al>Mevrouw Wagenaar wees op de bepalingen voor elektronische rechtshandelingen
in de Algemene wet bestuursrecht. Zoals bekend, is deze wet het derde speerpunt
van mijn departement. Ik beoog hiermee te komen tot een gelijkstelling in
het bestuursrecht van elektronische besluitvorming aan schriftelijke besluitvorming.
Ik heb dan ook opdracht gegeven om bepalingen te ontwerpen die tot echte gelijkstelling
leiden. Deze bepalingen moeten zoveel mogelijk technologie onafhankelijk
zijn. Ik wil daarbij dan niet volstaan met experimenteerbepalingen die de
nota eigenlijk in het vooruitzicht stelt. De gelijkstelling van elektronische
rechtshandelingen, bijvoorbeeld vergunningaanvragen, geschiedt onder de voorwaarde
dat de betrouwbaarheid van de elektronische communicatie voldoende kan worden
verzekerd. Daar het hier gaat om rechtsverkeer met de overheid zelf, zullen
wij aan de betrouwbaarheid wel hoge eisen moeten stellen.</al>
            <al>Verder is gevraagd of het zorgvul- digheidsbeginsel moet worden aangepast
bij inspraak via Internet. Het is inderdaad goed om inspraak elektronisch
te organiseren. In de huidige situatie zullen die elektronische mogelijkheden
naast de traditionele communicatie moeten komen en niet in plaats daarvan.
Elektronische communicatie heeft op zichzelf geen gevolgen voor het zorgvuldigheidsbeginsel.
Ook elektronische inspraakprocedures zullen zorgvuldig moeten geschieden.
De jurisprudentie zal invulling moeten geven aan wat in de elektronische omgeving
onder zorgvuldigheid moet worden verstaan. Dan kan de vervolgvraag zijn of
dit niet een taak van de wetgever moet zijn. Sommige zaken zijn dermate moeilijk
precies te formuleren dat je enige ruimte voor de wetgever moet laten.</al>
            <al>De heer Wijn ben ik nog een antwoord schuldig op zijn vraag over het up-to-date
blijven in relatie tot het digitaal rechercheren. Het actieprogramma spreekt
nadrukkelijk over samenwerking tussen opsporing, wetenschap en bedrijfsleven,
juist ook met het oog op het actueel houden van kennis bij opsporingsinstanties.</al>
            <al>Mevrouw Wagenaar heeft nog gevraagd naar een wettelijke regeling aangaande
millenniumschade.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Mevrouw</aanspr>
              <naam>Wagenaar</naam>
              <partij>PvdA</partij>
            </wie>
            <al>Ik heb niet gevraagd naar een wettelijke regeling. Mijn vraag was of u
in internationale gremia al aandacht heeft besteed aan aansprakelijkheidskwesties
die zouden kunnen voortvloeien uit een eventueel niet goed functioneren van
het elektronisch verkeer rond de eeuwwisseling, dan wel dat u van plan bent
dat te doen.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Het antwoord is dat ik in ieder geval van plan ben dat te doen, omdat
zeker het ministerie van Justitie hiervoor kwetsbaar is. Ik denk dan met name
aan Europol. Wat dat betreft zal er internationaal zeker aandacht voor worden
gevraagd.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Wijn</naam>
              <partij>CDA</partij>
            </wie>
            <al>Ik heb zowel in eerste als in tweede termijn gevraagd naar een integrale
update van het actieprogramma, inclusief een prioriteitenstelling en een betere
analyse van de redenen waarom bepaalde zaken niet goed zijn verlopen.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>De update van het actieprogramma komt eraan. Wij denken dat dat in de
zomer klaar is. Dan wordt het uiteraard naar de Kamer gezonden. Ik kan niet
zeggen wanneer het precies klaar zal zijn. Daarom spreek ik over "zomer" en
zeg ik niet "voor het zomerreces". Ik denk namelijk dat het gezien de omvang
nogal wat werkzaamheden met zich meebrengt. Daarom is het zekerder om te spreken
over "zomer".</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Wijn</naam>
              <partij>CDA</partij>
            </wie>
            <al>Begin september.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Zoals u weet, werkt het ministerie van Justitie redelijk snel, ik verwacht
persoonlijk dan ook dat het augustus zal worden.</al>
            <al>Over de motie van mevrouw Wagenaar het volgende. Ik heb in feite al min
of meer toegezegd wat in die motie wordt gevraagd. Omdat ik prijs stel op
een mooie afsluiting van deze bijzondere avond, zal ik mij zeker niet tegen
deze motie verzetten.</al>
          </spreker>
          <voorz nw="nee">
            <al>Ik dank de minister voor zijn antwoorden. Ik heb een aantal toezeggingen
van de minister genoteerd. Misschien is het goed als wij op dat punt een aantal
concrete afspraken maken. U heeft toegezegd met een notitie te komen over
de trusted third parties. Dat was in de nota al aangekondigd. Kunnen wij daar
een termijn voor afspreken?</al>
          </voorz>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Wij denken dat die er in mei kan zijn.</al>
          </spreker>
          <voorz nw="nee">
            <al>Verder heeft u toegezegd ons schriftelijk te zullen informeren over de
Amerikaanse inlichtingendiensten en over digitaal rechercheren. Ik neem aan
dat dat binnen twee weken bij ons kan zijn?</al>
          </voorz>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Ja.</al>
          </spreker>
          <voorz nw="nee">
            <al>Het laatste punt is eigenlijk het belangrijkste, omdat het een wezenlijk
onderdeel uitmaakt van de nota. Hoe wordt er aangekeken tegen de positie van
de providers? U heeft ons toegezegd op dat punt met een notitie te zullen
komen. Ik denk dat wij de verdere procedure over hoe wij als vaste commissie
verder om moeten gaan met deze nota, zullen moeten bepalen in afwachting van
deze notitie.</al>
          </voorz>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Dit is een ingewikkelde materie, met vele aspecten. Ik zou dan ook willen
zeggen dat die notitie er in de zomer zal komen.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>De heer</aanspr>
              <naam>Nicolaï</naam>
              <partij>VVD</partij>
            </wie>
            <al>Het is heel raar dat wij nu twee verhalen in de lucht hebben hangen. De
minister vond ook dat dat niet kon wachten op computercriminaliteit II en
dergelijke en dat het snel uit de wereld geholpen moest worden.</al>
          </spreker>
          <spreker nw="nee">
            <wie>
              <aanspr>Minister</aanspr>
              <naam>Korthals</naam>
            </wie>
            <al>Voor het zomerreces.</al>
          </spreker>
          <voorz nw="nee">
            <al>Ik dank de minister voor zijn beantwoording en de leden voor hun inbreng
en de aanwezigen voor hun belangstelling.</al>
          </voorz>
        </mbody>
        <sluiting>Sluiting 22.00 uur.</sluiting>
      </mo>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="vn1" nr="1">
    <al> Samenstelling: Leden: Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Swildens-Rozendaal
(PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA),
Apostolou (PvdA), Middel (PvdA), Van Heemst (PvdA), voorzitter, Dittrich (D66),
onder</al>
    <al>Plv. leden: Balkenende (CDA), Verhagen (CDA), Wagenaar (PvdA), Van Vliet
(D66), Arib (PvdA), Duijkers (PvdA), Kuijper (PvdA), Albayrak (PvdA), Barth
(PvdA), De Graaf (D66), Karimi (GroenLinks), Schutte (GPV), Santi (PvdA),
Van den Doel (VVD), Rietkerk (CDA), Rijpstra (VVD), Marijnissen (SP), Buijs
(CDA), Passtoors (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks),
De Vries (VVD), Van Walsem (D66), Eurlings (CDA) en Kamp (VVD)</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>