Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200925839 nr. 40

25 839
Tegoeden Tweede Wereldoorlog

nr. 40
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 juli 2009

In 2001 werd de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog (kortweg de Restitutiecommissie) ingesteld. De Restitutiecommissie heeft als primaire taak de minister van OCW op diens verzoek van onafhankelijk advies te dienen over verzoeken tot teruggave van cultuurgoederen waarover de oorspronkelijke eigenaar onvrijwillig het bezit heeft verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Het betreft cultuurgoederen die zich thans in het bezit van de Nederlandse Staat bevinden.

Het besluit van de regering om de Restitutiecommissie in te stellen, was een voortvloeisel van de discussie die in de tweede helft van de jaren ’90 in binnenen buitenland ontstond rondom door de nazi’s geroofde bezittingen en de vraag in hoeverre het naoorlogse rechtsherstel erin was geslaagd het materiële onrecht dat de vervolgingsslachtoffers was aangedaan, te herstellen. De onderzoeken die de regering vanaf 1997 door diverse commissies heeft laten uitvoeren lieten zien dat het naoorlogse rechtsherstel – terugkijkend met de wetenschap en de ogen van nu – formalistisch, bureaucratisch en kil is geweest. In haar brief aan de Tweede Kamer van 21 maart 2000 (TK 1999–2000, 25 839, nr. 13) heeft de regering dit ten volle erkend en zich op het standpunt gesteld dat daaraan conclusies verbonden moesten worden, waaronder het alsnog in behandeling nemen van restitutieverzoeken van (nabestaanden van) rechthebbenden.

Voor wat betreft het regeringsbeleid op het vlak van de restitutie van geroofde cultuurgoederen («roofkunst») speelde destijds de Commissie Herkomst Gezocht, onder voorzitterschap van prof. dr. R. E. O. Ekkart, een belangrijke rol. Vanaf 1997 tot 2004 is onder begeleiding van deze commissie de herkomst onderzocht van de zogenaamde NK-collectie (het restant van na de oorlog voornamelijk uit Duitsland gerecupereerde kunstwerken dat nog berustte bij de Nederlandse Staat) alsmede naar de werkwijze van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) die in de naoorlogse jaren was belast met recuperatie en restitutie van cultuurgoederen. De Commissie Ekkart heeft tevens een reeks aanbevelingen gedaan voor het door de regering te voeren beleid aangaande de teruggave van geroofde cultuurgoederen.

De aanbevelingen van de Commissie Ekkart zijn destijds grotendeels door de regering overgenomen. Zij vormden de basis van een ruimhartig restitutiebeleid dat als beoordelingskader kon dienen voor de claims die aan de Restitutiecommissie werden voorgelegd. Nederland voldeed hiermee aan de internationale aanbevelingen, zoals die onder andere zijn neergelegd in de Washington Principles on Nazi Confiscated Art (1998). Nederland heeft in de afgelopen zeven jaar in binnen- en buitenland een goede naam opgebouwd als het gaat om de wijze waarop het ruimhartige restitutiebeleid is vormgegeven en uitgevoerd.

In haar slotaanbevelingen van december 2004 heeft de Commissie Ekkart geadviseerd de termijn voor het indienen van restitutieverzoeken onder het verruimde restitutiebeleid te laten aflopen twee jaar na publicatie van de regeringsreactie op deze slotaanbevelingen (Kamerstukken II, 2004–2005, 25 839, nr. 36) in de Staatscourant. De einddatum voor het verruimde restitutiebeleid viel daarmee op 4 april 2007. Bij brief van 3 april 2007, waarvan ik uw Kamer een afschrift heb gestuurd, heb ik de Restitutiecommissie laten weten dat zij wat betreft restitutieverzoeken die na 4 april 2007 worden ingediend, kan adviseren op basis van het regeringsbeleid van 2000.

Bij nader inzien heb ik besloten om het verruimde restitutiebeleid voort te zetten om de volgende redenen:

– Na de aanvankelijke sluitingsdatum van 4 april 2007 zijn tot op heden nog zo’n 20 restitutieverzoeken ingediend. Dit aantal is onverwacht hoog. Bij de vaststelling van de einddatum van 4 april 2007 is hierop niet gerekend. Op inhoudelijke gronden is er geen onderscheid te maken tussen de claims van vóór 4 april 2007 en de claims die na die datum zijn ingediend of nog zullen volgen. Het belang van een consistente en gelijke behandeling van deze claims is dan ook een belangrijk argument voor mijn besluit om het verruimde restitutiebeleid voorlopig te continueren. Daarbij merk ik op dat een belangrijk argument voor het stellen van een einddatum was dat met het verstrijken van de tijd het steeds moeilijker wordt om informatie uit de eerste en tweede hand te verkrijgen over de omstandigheden van bezitsverlies gedurende oorlogsjaren. Inmiddels heeft de praktijk rondom de behandeling van restitutieverzoeken uitgewezen dat het ontbreken van dergelijke informatie niet van doorslaggevende betekenis is omdat de Restitutiecommissie ook uit andere informatiebronnen (archieven e.d.) kan putten.

– Nog immer duurt de (internationale) aandacht voor «roofkunst» onverminderd voort, getuige de belangstelling voor de Holocaust Era Assets Conference te Praag die eind juni 2009 heeft plaatsgevonden. De conferentie had als thema «tien jaar na de Washington Conference on Holocaust-Era Assets». De conferentie in Praag heeft geresulteerd in een verklaring (the Terezín Declaration) waarin de 46 deelnemende landen hun steun voor de Washington Principles on Nazi-Confiscated Art hebben herbevestigd en hebben opgeroepen tot een voortgezette toepassing daarvan in het kader van de nationale restitutieprocedures.

– Verder is de Nederlandse Museumvereniging begin dit jaar van start gegaan met een vier jaar durend onderzoek naar museale verwervingen in de periode 1933–1940 en 1948 en verder. Dit onderzoek is een vervolg op het onderzoek dat in 1999 heeft plaatsgevonden naar aankopen van musea in de periode 1940–1948. Het vervolgonderzoek heeft zowel betrekking op cultuurgoederen die geen deel uitmaken van de rijkscollectie (gemeenten, provincies) als op objecten waarvan de Nederlandse Staat bezitter is. Voor zover het museumonderzoek leidt tot verzoeken tot teruggave van objecten uit de rijkscollectie zal ik de Restitutiecommissie vragen mij te adviseren. Daarnaast zal de Restitutiecommissie haar adviserende taak kunnen vervullen als het gaat om eigendomsgeschillen tussen derden, waarbij geen objecten uit de Rijkscollectie zijn betrokken.

Op dit moment is nog niet goed in te schatten wanneer het aantal claims zal opdrogen. Met de afronding van het museumonderzoek komt het einde van een belangrijk hoofdstuk van het rechtsherstel in zicht. Zowel de Rijkscollectie als ook de museale collecties van andere eigenaren (gemeenten, provincies) zullen dan zijn onderzocht en er zal een goed beeld zijn verkregen van de eventuele problematische herkomst van de cultuurgoederen die zich daarin bevinden. Om belanghebbenden de gelegenheid te geven om te reageren zal vervolgens een redelijke claimtermijn moeten worden gesteld. Ik heb daarom besloten thans geen einddatum voor het verruimde restitutiebeleid te bepalen, maar eerst de uitkomsten van het museumonderzoek af te wachten. De eindrapportage over het museumonderzoek is voorzien in het najaar van 2012. Naar aanleiding hiervan zal ik mij – mede in het licht van de internationale ontwikkelingen op het terrein van de restitutie van oorlogskunst – beraden over de vraag op welke wijze en binnen welke termijn het verruimde restitutiebeleid en daarmee ook de werkzaamheden van de Restitutiecommissie kunnen worden beëindigd. Ik zal uw Kamer daarover informeren nadat het museumonderzoek is afgerond (najaar 2012). Bij die gelegenheid zal ik tevens een op de beëindiging van het restitutiebeleid toegesneden wijziging van het Instellingsbesluit van de Restitutiecommissie effectueren.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R. H. A. Plasterk