﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="nota">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25722-5/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1997-1998</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.0__2.3" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST25263</ordernr>
    <vergjaar>1997-1998</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>25 722</nummer>
      <naam>Wijziging van de Wet, houdende wijziging van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen
in verband met de invoering van het veilen van schaarse frequenties voor systemen
van digitale mobiele telecommunicatie (veilen frequenties mobiele telecommunicatie)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>5</nummer>
      <titel>NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG</titel>
      <datum>Ontvangen 11 november 1997</datum>
      <al>In de eerste plaats spreekt ondergetekende haar waardering uit over de
voortvarende wijze waarop de leden van de diverse fracties het onderhavige
wetsvoorstel hebben behandeld.</al>
      <al>Het wetsvoorstel geeft de fracties van VVD, PvdA CDA en RPF aanleiding
tot de volgende vragen en opmerkingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van de VVD stemmen tot mijn genoegen in met het
wetsvoorstel, en volstaan met het maken van enkele opmerkingen. Op de betreffende
opmerkingen is naar mijn mening, met name in de memorie van toelichting bij
het wetsvoorstel en tijdens het algemeen overleg met de vaste Commissie op
6 november 1997 reeds voldoende ingegaan. Bovendien wordt op de door deze
leden genoemde punten in het navolgende nog eens terug gekomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van de PvdA blijven bezorgd over de mogelijkheid
dat de Europese Commissie acties tegen Nederland zal ondernemen, en vragen
mij op basis van welke uitspraken van de Commissie ik van het tegendeel overtuigd
ben.</al>
      <al>Met de aangepaste beleidsvoornemens, zoals vastgelegd in de onderhavige
novelle, wordt volledig tegemoet gekomen aan de bezwaren van de Commissie
die naar aanleiding van de klacht van Libertel waren gerezen. Ik baseer mij
daarvoor op de brief van de Commissie aan mij van 16 oktober 1997, waarin
de Commissie stelt dat aan haar bezwaren is tegemoet gekomen. Een en ander
wordt in de brief van 30 oktober 1997 van de Commissie aan Libertel, waarvan
ik een afschrift heb ontvangen, nog eens bevestigd.</al>
      <al>In dit verband wijzen deze leden van de fractie van de PvdA op de nog
bij de Commissie aanhangige klacht van Enertel.</al>
      <al>Zoals ik tijdens het algemeen overleg van 6 november 1997 heb aangegeven,
kan ik geen garanties geven over het al dan niet uitblijven van toekomstige
reacties van de Commissie. In de eerste plaats is de Commissie volstrekt autonoom
in de uitoefening van haar toezichthoudende bevoegdheden. Bovendien zijn mogelijke
reacties van de Commissie afhankelijk van diverse factoren, zoals eventueel
in te dienen klachten bij de Commissie, en de situatie die zal ontstaan op
de markt voor mobiele telecommunicatie in Nederland. </al>
      <al>In de brief van 16 oktober 1997 plaatst de Commissie twee kanttekeningen,
namelijk dat de Commissie «geen derogatie van de in richtlijn 96/2/EG
vermelde termijn kan verlenen, noch kan vrijwaren van mogelijke schadeclaims
op grond van de «Frankovich»-rechtspraak van het Europese Hof
van Justitie», en dat zij, naar aanleiding van een aanvulling op de
klacht van Enertel, haar standpunt mogelijk zou moeten heroverwegen.</al>
      <al>Mijn verweer op de aanvullende klacht van Enertel is op 10 november 1997
aan de Commissie verzonden. De aanvullende klacht van Enertel is grotendeels
gebaseerd op de stelling dat de voorgenomen vergunningverlening plaats moet
vinden op grond van artikel 17 van de Wtv, en dat daarmee vergunningverlening
in ieder geval nog voor 1 januari 1998 zou kunnen plaatsvinden. Ik verwacht
niet dat deze klacht gegrond zal worden verklaard, omdat ik van mening ben
dat deze mogelijkheid niet als realistisch beschouwd moet worden. Integendeel,
indien deze weg gevolgd zou worden, zou vergunningverlening eerst veel later
kunnen plaatsvinden dan via de door mij voorgestane weg. Voor mijn argumentatie
terzake verwijs ik kortheidshalve naar eerdergenoemd algemeen overleg, waar
dit is besproken en naar mijn brief van 11 november 1997 aan de voorzitter
van de vaste commissie voor verkeer en waterstaat van de Eerste Kamer<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref>. In dit verband verheugt het mij dat de leden van de
fractie van de PvdA met mij de weg van artikel 17 Wtv risicovol en niet sneller
achten. Het is nu aan de Europese Commissie om zich een oordeel te vormen
over de Enertel klacht. Ik zie de uitkomst met vertrouwen tegemoet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fracties van de PvdA, het CDA en de RPF vragen naar de
mogelijke kans op schadeclaims en de rol van de Europese Commissie, indien
1 januari 1998 niet gehaald zal worden.</al>
      <al>In overleg met de landsadvocaat is een inschatting gemaakt van de juridische
risico's van de termijnoverschrijding.</al>
      <al>Om te beginnen is het niet van tevoren te voorspellen of een rechter van
oordeel zal zijn dat de richtlijn zo moet worden geïnterpreteerd dat
de vergunningen voor 1 januari 1998 verleend moeten zijn. Ondergetekende acht
het juridisch verdedigbaar dat niet in strijd met de richtlijn wordt gehandeld,
indien, conform mijn voornemens, de vergunningverleningsprocedure voor die
datum gestart is.</al>
      <al>Een van de juridische risico's is dat de Commissie een infractieprocedure
start, die uiteindelijk kan leiden tot een veroordeling door het Europees
Hof. Het feit dat de Commissie, zoals de leden van de fractie van de PvdA
stellen, zelf voor vertraging heeft gezorgd, doet daar niet aan af. Ik acht
overigens de risico's van een dergelijke infractieprocedure niet groot, mits
via de door mij voorgestane weg zeer snel tot de procedure van vergunningverlening
wordt overgegaan.</al>
      <al>Een ander mogelijk risico is dat een van de kandidaat-aanvragers van een
vergunning, of een toekomstige vergunninghouder een procedure begint.</al>
      <al>Het zal overigens moeilijk zijn aan te tonen waaruit «schade»
zou bestaan. Zo lijkt het mij niet eenvoudig aan te tonen dat het verlenen
van een vergunning op een eerder tijdstip van invloed kan zijn op bijvoorbeeld
gederfde inkomsten. Bovendien moet in deze sector, zoals bekend, rekening
worden gehouden met forse aanloopverliezen en een tamelijk lange «return
on investment».</al>
      <al>Een ander bewijsrechtelijk probleem voor een kandidaat-vergunninghouder
die er bij een veiling niet in slaagt een vergunning te verwerven, is dat
hij zal moeten aantonen dat hij wel een vergunning zou hebben gekregen als
er een vergelijkende toets zou zijn gehouden. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook vragen de leden van de fracties van de PvdA en van het CDA, naar aanleiding
van het intrekken van de naheffing, naar mogelijke andere asymmetrische maatregelen,
teneinde een level playing field te bevorderen.</al>
      <al>Om te beginnen is met de aanpassing van het voorgenomen beleid, zoals
vastgelegd in de onderhavige novelle, de voor de twee landelijke vergunningen
beschikbare hoeveelheid frequenties vergroot.</al>
      <al>Verder zorgt de beschikbaarheid van de nieuwe GSM-frequenties voor de
mogelijkheid relatief snel tot een landelijk dekkend netwerk te komen. Voor
GSM zijn immers minder opstelpunten, en dus minder investeringen noodzakelijk.
Daarbij komt het feit dat de vergunninghouder over zowel DCS 1800- als GSM-frequenties
kan beschikken het mogelijk frequenties efficiënt in te zetten.</al>
      <al>De mogelijkheid een beroep op de minister te doen voor nationale roaming
(artikel 13x Wtv) is, zeker voor een netwerk in de opbouwfase, te beschouwen
als een belangrijk voordeel. Naar aanleiding van de vraag van de leden van
de PvdA-fractie over de mogelijkheden van roaming zal ik hier nog kort op
ingaan. De mogelijkheid voor roaming een beroep op de minister te doen, is
in het onderhavige wetsvoorstel beperkt tot de vergunninghouders die de verplichting
hebben hun diensten landelijk aan te bieden. Op deze wijze wordt alleen aan
de vergunninghouders die een verplichting tot landelijke dekking hebben, de
mogelijkheid geboden met hulp van de minister door roaming tot landelijke
dekking te komen. Ondergetekende wenst echter niet, zoals voornoemde leden
voorstellen, zo ver te gaan roaming voor de vergunninghouders die geen verplichting
tot landelijke dekking hebben geheel te verbieden. Voor privaatrechtelijke
overeenkomsten op commerciële basis tussen vergunninghouders dient mijns
inziens altijd ruimte te bestaan.</al>
      <al>De vraag van de leden van de fractie van de PvdA over de gedwongen site-sharing,
een volgende asymmetrische maatregel, wil ik als volgt beantwoorden. Op initiatief
van en in overleg met de Tweede Kamer is in het wetsvoorstel in artikel 13oa
immers een verplichting tot medegebruik van antenneopstelpunten opgenomen.
Deze verplichting geldt voor alle vergunninghouders. Deze bepaling acht ik
een belangrijk voordeel voor de nieuwe vergunninghouders. Gedwongen site-sharing
enkel ten laste van partijen met een «aanmerkelijke marktmacht»,
zoals deze leden voorstellen is, op grond van de huidige Wtv niet mogelijk,
en lijkt mij, gelet op het voorgaande niet noodzakelijk. Evenmin lijkt mij
een noodzaak aanwezig voor het instellen van tariefplafonds voor interconnectiecontracten,
zoals de leden van de fractie van de PvdA voorstellen, nu de Wtv reeds een
regeling voor interconnectie kent, welke er onder meer in voorziet dat de
vergoedingen voor interconnectie kostengeoriënteerd moeten zijn.</al>
      <al>Voorts acht ik het feit dat de nieuwe vergunninghouders minder verplichtingen
zullen worden opgelegd dan destijds aan de GSM-vergunninghouders nog als asymmetrische
bepaling van belang.</al>
      <al>Een laatste belangrijke asymmetrische maatregel is de tijdelijke uitsluiting
van de bestaande vergunninghouders van het gebruik van DCS 1800-frequenties.
De leden van de fracties van het CDA en van de RPF vragen op dit punt om verduidelijking,
welke ik graag verschaf, zij het kort, omdat hier in de memorie van toelichting
bij de novelle meer uitgebreid op wordt ingegaan.</al>
      <al>Deze uitsluiting, die als gevolg van de motie Kamp in eerste instantie
op drie jaar was gesteld, is inmiddels gewijzigd in een uitsluiting van twee
jaar, met de mogelijkheid van verlenging van een jaar tot maximaal drie jaar.
Deze uitsluiting en de termijn daarvan zijn tot stand gekomen in nauw overleg
met de Commissie, en heeft de volledige instemming van de Commissie. Anders
dan de leden van de fractie van het CDA ben ik van mening dat dit duidelijk
blijkt uit de brief van de Commissie van 16 oktober 1997. Hierin stelt de
Commissie namelijk, in antwoord op mijn voorstel betreffende de
uitsluiting: «Deze nieuwe benadering lijkt in overeenstemming te zijn
met richtlijn 96/2/EG, terwijl Libertel geen elementen naar voren heeft gebracht
die zouden kunnen aantonen dat een dergelijke periode onredelijk zou zijn».</al>
      <al>Tot een eventuele verlenging zal slechts worden besloten indien dit nodig
is voor de mededinging in de betrokken markt. Op dit moment kan ik, zoals
de leden van de fractie van het CDA mij vragen, niet concreet aangeven op
grond van welke criteria dit zal worden getoetst. Het lijkt mij ook niet verstandig
mij nu reeds op bepaalde criteria vast te leggen, omdat, zoals bekend, de
ontwikkelingen op deze markt zeer snel en onvoorspelbaar kunnen zijn. Vanzelfsprekend
zal een besluit tot verlenging dienen te voldoen aan de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur, en derhalve goed gemotiveerd moeten worden, om in
een eventuele juridische procedure stand te kunnen houden. Ook is het duidelijk
dat de Commissie dit zeer kritisch zal volgen.</al>
      <al>Op grond van het voorgaande meen ik dat er voldoende asymmetrische maatregelen
mogelijk zijn om een level playing field te kunnen bevorderen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Verder vragen de leden van de fracties van de PvdA en van het CDA naar
het moment waarop de marktpartijen op de hoogte worden gebracht van de voorwaarden
voor vergunningverlening, en vragen de leden van de fractie van de PvdA naar
de amvb voor de veiling.</al>
      <al>De vergunningverleningsprocedure vangt aan zodra de benodigde wet-en regelgeving
in werking is getreden. De start van de vergunningverlening wordt bekendgemaakt
in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en
in diverse dagbladen. Het uiteindelijke tijdstip is, zoals bekend, afhankelijk
van de aanvaarding van het wetsvoorstel door de Tweede en de Eerste Kamer.
Alsdan kan ook de lagere regelgeving in werking treden.</al>
      <al>Belangstellenden kunnen vervolgens een aanvraagdocument opvragen, waarin
de benodigde informatie over het indienen van een aanvraag en de relevante
weten regelgeving is opgenomen.</al>
      <al>Wat betreft de vraag van de leden van de fractie van de PvdA naar de amvb,
neem ik aan dat deze leden doelen op de ministeriële regeling die de
veiling regelt. Ook deze regeling maakt deel uit van voornoemde lagere regelgeving
en zal derhalve ook worden opgenomen in het aanvraagdocument.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van de PvdA vragen mij naar het advies van de
landsadvocaat.</al>
      <al>Zoals ik reeds tijdens het algemeen overleg op 6 november jongstleden
heb gezegd, kan ik geen gehoor geven aan dit verzoek. Het document waar deze
leden op doelen, is een aan mij persoonlijk gericht memorandum, dat slechts
bedoeld is voor de interne besluitvorming op mijn departement.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van het CDA vragen mij in te gaan op het gevaar
van «omgekeerde asymmetrie», doordat nieuwkomers moeten betalen
voor hun frequenties.</al>
      <al>Voor een meer uitgebreide uiteenzetting moge ik verwijzen naar de memorie
van antwoord op het oorspronkelijk wetsvoorstel (kamerstukken I, 1997/98,
25 171, nr. 38b). Voor het antwoord op deze vraag baseer ik mij mede
op het standpunt van de Europese Commissie terzake. Dit komt er kort gezegd
op neer dat onder de huidige omstandigheden in Nederland (reeds twee vergunninghouders
actief, relatief veel frequenties beschikbaar) geen aanvullende maatregel
in de vorm van een naheffing noodzakelijk is om het level playing field te
bewerkstelligen. Met andere woorden: uit het oogpunt van eerlijke mededinging
is er geen noodzaak om de extra last op de nieuwe toetreders (de eventueel
te betalen veilingsom) te compenseren door het opleggen van een
naheffing op de reeds bestaande vergunninghouders. Daarbij wil ik er nog op
wijzen dat de bestaande vergunninghouders weliswaar om niet hun vergunningen
hebben verkregen, maar dat daar tegenover staat dat zij de markt hebben moeten
«openbreken», waar nieuwkomers van kunnen profiteren, dat de bestaande
vergunninghouders een deel van de markt aan de nieuwkomers moeten laten, en
bovendien de hierboven reeds genoemde asymmetrische maatregelen zullen moeten
dulden. Ik ga er vanuit dat dit ook het standpunt van de Europese Commissie
zal zijn bij de behandeling van andere lopende en toekomstige klachten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van het CDA vragen mij hoe de uitsluiting van
KPN en Libertel zich verhoudt met reeds gemaakte afspraken c.q. de vergunning
van KPN voor het gebruik van de GSM 900-band.</al>
      <al>Over dit onderwerp heb ik de Tweede Kamer recentelijk in een alleen aan
dit onderwerp gewijde brief van 5 november 1997 uitgebreid geïnformeerd.
Kortheidshalve verwijs ik naar deze brief.<voetref refid="v5.1" nr="1"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van het CDA stellen verder enkele vragen over
de voorgenomen wijze van veilen.</al>
      <al>In de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer betreffende
het wetsvoorstel veilen mobiele frequenties (kamerstukken II, 1996/97, 25 171,
nr. 5), ben ik uitgebreid ingegaan op de wijze waarop de veiling georganiseerd
gaat worden. In die opzet verandert niets wezenlijks. Kortweg komt de opzet
neer op een veiling over meer ronden, waarbij bieders iedere ronde schriftelijk
een bod uitbrengen. Na iedere ronde wordt per kavel frequenties bekendgemaakt
wat het hoogste bod is. Als niemand meer biedt in een ronde, is de veiling
afgelopen.</al>
      <al>Wat betreft de vraag van de leden van de CDA-fractie over het al dan niet
toepassen van het veilinginstrument, herhaal ik nog maar eens dat er alleen
wordt geveild als er na sluiting van de aanvraagprocedure blijkt dat er sprake
is van schaarste. Schaarste wordt bepaald aan de hand van het aantal ingediende
(geldige) aanvragen, gerelateerd aan het aantal beschikbare vergunningen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van de RPF zijn verbaasd over het feit dat de
Europese Commissie zo kort na de aanvaarding van het oorspronkelijk wetsvoorstel
met bezwaren kwam, en dat ondergetekende daarvan niet in een eerder stadium
op de hoogte was.</al>
      <al>Nogmaals wil ik benadrukken dat dit laatste het geval was. Zoals tijdens
de behandeling van dit wetsvoorstel meerdere malen naar voren is gebracht,
bleken uit eerdere contacten op ambtelijk niveau met zowel DG 13 als met DG
4, geen bezwaren van een zo duidelijke en zwaarwegende aard.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aan het verzoek van de leden van de fractie van de RPF om een passage
uit de memorie van toelichting te schrappen kan ik om staatsrechtelijke redenen
geen gevolg geven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorts vragen de leden van de fractie van de RPF naar de mogelijkheid
om de nieuwe vergunninghouders om niet een vergunning te verlenen, met het
oog op de asymmetrie.</al>
      <al>Om met dit laatste punt te beginnen, verwijs ik naar ik hierboven reeds
over de asymmetrische maatregelen, die ik afdoende acht, naar voren heb gebracht.</al>
      <al>Het voorstel van de RPF-fractie staat haaks op het kabinetsbesluit om
de betreffende frequenties, in geval van schaarste, te veilen. Uitwerking
van dit voorstel betekent dan dat in geval van schaarste een vergelijkende
toets moet worden gehouden. Mijn bezwaren daartegen zijn reeds genoegzaam
bekend. </al>
      <al>Overigens is het niet uit te sluiten dat de betreffende vergunningen de
facto toch om niet zullen kunnen worden verleend, namelijk in het geval zich
geen schaarste voordoet.</al>
      <al>Het niet kunnen stellen van kwaliteitseisen, waar de leden van de fractie
van de RPF zich zorgen over maken, is inherent aan het uitgangspunt van veilen,
namelijk het leggen van een zo laag mogelijke drempel voor deelname aan de
veiling. Reeds eerder heb ik uiteengezet dat het niet stellen van dergelijke
eisen geen bezwaar hoeft te zijn, omdat de nieuwe vergunninghouders, om met
succes op deze markt te kunnen concurreren, zelf voor voldoende kwaliteit
zullen zorgen. </al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Verkeer en Waterstaat,</functie>
        <naam>A. Jorritsma-Lebbink </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v5.1" nr="1">
    <al>Brief aan de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>