﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="nowi">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25689-5/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1997-1998</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.0__2.3" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST25416</ordernr>
    <vergjaar>1997-1998</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>25 689</nummer>
      <naam>Wijziging van enkele belastingwetten c.a. 1998 (fiscale milieuversterking)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>5</nummer>
      <titel>NOTA VAN WIJZIGING</titel>
      <datum>Ontvangen 18 november 1997</datum>
      <al>Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd: </al>
      <tuskop letat="rom">1</tuskop>
      <al>In <nadruk type="vet">artikel VI</nadruk> worden de volgende wijzigingen aangebracht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>A. <nadruk type="vet">Onderdeel A</nadruk> wordt vervangen door:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>A.1.1. In <nadruk type="vet">artikel 12</nadruk> wordt onderdeel b vervangen door:</al>
      <al>b. het verwerken van afvalstoffen: het verbranden dan wel het storten
van afvalstoffen;</al>
      <al>ba. het storten van afvalstoffen: het op of in de bodem brengen van afvalstoffen,
al dan niet in verpakking, om deze daar te laten;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>A.1.2. In onderdeel c vervalt «die van buiten de inrichting afkomstig
zijn,».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>A.1.3. Onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel f
door een punt, vervallen de onderdelen g en h.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>A.2. <nadruk type="vet">Artikel 13</nadruk>, eerste lid, wordt vervangen door:</al>
      <al>1. Onder de naam afvalstoffenbelasting wordt een belasting geheven ter
zake van:</al>
      <al>a. de afgifte ter verwerking van afvalstoffen aan een inrichting;</al>
      <al>b. de verwerking van afvalstoffen binnen de inrichting waarin deze zijn
ontstaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>A.3.1. <nadruk type="vet">Artikel 15</nadruk>, eerste lid, wordt vervangen door:</al>
      <al>1. De belasting wordt berekend over het gewicht van de afvalstoffen, gemeten
in kilogrammen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>A.3.2. In het tweede lid vervalt «ter verwerking afgegeven».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>A.4. <nadruk type="vet">Artikel 16</nadruk> wordt vervangen door:  </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 16</tuskop>
      <al>De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop:</al>
      <al>a. de afvalstoffen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, ter
verwerking worden afgegeven;</al>
      <al>b. de afvalstoffen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel b, binnen
de inrichting waarin deze stoffen zijn ontstaan, worden verwerkt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>A.5. Aan <nadruk type="vet">artikel 17</nadruk> wordt, onder vervanging van de punt aan
het slot van onderdeel b door een puntkomma, toegevoegd:</al>
      <al>c. afvalstoffen binnen de inrichting waarin deze stoffen zijn ontstaan
indien de inrichting een andere is dan een afvalverbrandingsinstallatie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>A.6. <nadruk type="vet">Artikel 18</nadruk> wordt vervangen door: </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 18</tuskop>
      <al>1. Het tarief bedraagt in geval van:</al>
      <al>a. het storten van afvalstoffen: f 29,20 per 1000 kilogram;</al>
      <al>b. het verbranden van afvalstoffen: nihil.</al>
      <al>2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedraagt het tarief f 64,20
per 1000 kilogram indien het brandbare afvalstoffen betreft. Voor de toepassing
van deze bepaling worden als brandbare afvalstoffen aangemerkt de categorieën
afvalstoffen, genoemd in artikel 1, eerste lid, onder 5, 6, 7, 8, 9, 10, 13,
14, 15, 17, 22 en 25 tot en met 32, van het Besluit stortverbod afvalstoffen.
Met betrekking tot de categorieën afvalstoffen genoemd in artikel 1,
eerste lid, onder 30, onderdeel b, 31, onderdeel b, en 32, onderdeel b, van
het Besluit stortverbod afvalstoffen geldt voor de zeeffractie die ontstaat
bij de afscheiding van de hoogcalorische fractie, indien de hoogcalorische
fractie volledig wordt verbrand binnen de inrichting waarin zij is ontstaan,
tot 1 januari 2000 het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde tarief.</al>
      <al>3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedraagt het tarief tot
1 januari 2002 nihil voor afzonderlijk aangeboden asbest.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>A.7. <nadruk type="vet">Artikel 18a</nadruk> vervalt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>A.8.1. In <nadruk type="vet">artikel 18a</nadruk>, eerste lid, wordt «degene die
ontinktingsresidu ter verwerking heeft afgegeven» vervangen door: degene
die voor 1 januari 2001 ontinktingsresidu ter verwerking heeft afgegeven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>A.8.2. Het tweede lid vervalt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>A.8.3. Het derde lid wordt vernummerd tot tweede lid en komt te luiden:</al>
      <al>2. Artikel 10a, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>A.9. In <nadruk type="vet">artikel 19</nadruk>, eerste lid, vervalt «afgegeven».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>B. Na <nadruk type="vet">onderdeel D.1.</nadruk> wordt ingevoegd:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>D.1.a. Het zesde lid wordt vervangen door:</al>
      <al>6. In afwijking van het eerste en het tweede lid bedraagt het tarief tot
1 januari 2003 nihil voor de brandstoffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen
f en i, en het tweede lid, voor zover deze als brandstof worden gebruikt in
de inrichting waarin zij zijn ontstaan. </al>
      <tuskop letat="rom">2</tuskop>
      <al>Na artikel VI wordt ingevoegd:  </al>
      <tuskop letat="vet">ARTIKEL VIA</tuskop>
      <al>In de wet van 23 december 1994 tot wijziging van de Wet belastingen op
milieugrondslag in verband met het aanbrengen van een permanente verfijning
alsmede twee tijdelijke verfijningen (Stb. 925) vervalt artikel II. </al>
      <tuskop letat="rom">3</tuskop>
      <al>In <nadruk type="vet">artikel XII</nadruk> wordt het eerste lid vervangen door:</al>
      <al>1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1998, met uitzondering
van:</al>
      <al>a. de onderdelen B, C en D van artikel IV die in werking treden met ingang
van 1 mei 1998, en</al>
      <al>b. de in artikel VI, onderdeel A, opgenomen derde volzin in het tweede
lid van artikel 18 van de Wet belastingen op milieugrondslag alsmede het in
dit onderdeel opgenomen derde lid van artikel 18 van de Wet belastingen op
milieugrondslag, de onderdelen A.7 en A.8 van artikel VI, het in artikel VI,
onderdeel D, opgenomen zesde lid van artikel 27 van de Wet belastingen op
milieugrondslag, en de onderdelen F, H en I van artikel VI, die in werking
treden op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip, met dien verstande
dat in dat koninklijk besluit bepaald wordt dat het in artikel VI, onderdeel
D, opgenomen zesde lid van artikel 27 terugwerkt tot en met 1 juli 1994 en
voorts dat, indien het Staatsblad waarin dat besluit wordt geplaatst, wordt
uitgegeven na 1 januari 1998, in dat besluit wordt bepaald dat het in artikel
VI, onderdeel A, opgenomen derde lid van artikel 18 van de Wet belastingen
op milieugrondslag, de onderdelen A.7 en A.8 van artikel VI, en de onderdelen
F en H van artikel VI, terugwerken tot en met 1 januari 1998. </al>
      <tuskop letat="vet">TOELICHTING </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Algemeen</tuskop>
      <al>Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het
uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid,
onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).In deze nota van wijziging wordt
enerzijds uitvoering gegeven aan een aantal elementen van het kabinetsstandpunt
met betrekking tot het evaluatieverslag inzake de bepalingen van de grondwaterbelasting
en de afvalstoffenbelasting. Dit kabinetsstandpunt is op 30 september 1997
aan de Staten-Generaal gezonden (kamerstukken II 1997/98, 25 600, IXB,
nr. 7). Voorts bevat deze nota van wijziging een verlenging van het tot 1
januari 1999 geldende nihiltarief voor de zogenoemde restbrandstoffen in de
brandstoffenbelasting. De nota van wijziging is voorgelegd aan de Raad van
State voor advies. De Raad heeft een blanco advies uitgebracht. </al>
      <tuskop letat="vet">Afvalstoffenbelasting</tuskop>
      <al>Op 23 juni 1997 heb ik het evaluatieverslag van de interdepartementale
werkgroep die het onderzoek heeft uitgevoerd, aan de Staten-Generaal gezonden.
De werkgroep heeft in haar verslag een aantal aanbevelingen gedaan. In het
kabinetsstandpunt ter zake heeft het kabinet aangegeven die aanbevelingen
nagenoeg ongewijzigd over te nemen. Niet alle aanbevelingen dwingen tot onmiddellijke
wetgevende actie. In een aantal gevallen zal eerst een nadere studie moeten
worden verricht.</al>
      <al>Met betrekking tot het uitvoering geven aan enkele aanbevelingen is echter
haast geboden. Dit geldt allereerst de aanbeveling om de tegemoetkoming voor
ontinktingsresidu in de afvalstoffenbelasting te verlengen; deze loopt immers
ingevolge artikel II van de Wet van 23 december 1994 tot wijziging van de
Wet belastingen op milieugrondslag in verband met het aanbrengen van een permanente
verfijning alsmede twee tijdelijke verfijningen (Stb. 925) met ingang van
1 januari 1998 af. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook acht het kabinet het wenselijk met voorrang conform de aanbeveling
een vrijstelling in de afvalstoffenbelasting voor asbest te effectueren, omdat
een vrijstelling eraan bijdraagt de kosten van een verantwoorde verwijdering
zo laag mogelijk te doen zijn. Onder verantwoorde verwijdering wordt verstaan
het storten van bij sloop of ontmanteling vrijgekomen asbest op stortplaatsen;
hergebruik is immers niet mogelijk, evenmin als verbranding. Hoewel verglazing
mogelijk is, is dit te duur. Verlaging van de kosten van storten is noodzakelijk
met het oog op de grote risico's voor mens en milieu die verbonden zijn aan
een ongecontroleerde verwijdering van asbest.</al>
      <al>Beide maatregelen hebben een tijdelijk karakter. Zoals in het evaluatieverslag
is aangegeven zijn de bedrijven die zich bezig houden met de papierrecycling
flink gevorderd met de operationalisering van alternatieve verwerkingsmethoden.
De realisatie van de alternatieve verwerkingsmethoden wordt thans verwacht
in de loop van 1999/2000. De verlenging van de tegemoetkoming voor ontinktingsresidu
zal derhalve slechts tot 2001 behoeven te gelden. Ook voor de verwerking van
asbest zijn technieken in ontwikkeling waarbij asbest wordt omgezet van een
schadelijke stof in een volstrekt inert, nuttig toepasbaar product. Zolang
die technieken nog in ontwikkeling zijn, draagt de vrijstelling, zoals gezegd,
bij aan het op verantwoorde wijze verwijderen van asbest. Wanneer de technieken
eenmaal operationeel zijn, kan de belasting daarentegen weer een financiële
stimulans worden voor het toepassen van de nieuwe techniek. Voor de toepassing
van het nihiltarief op asbest is vereist dat het asbest afzonderlijk wordt
aangeboden. Met betrekking tot de controle op het juist toepassen van de bepaling
worden geen problemen verwacht. Op grond van het Asbest-verwijderingsbesluit
in samenhang met het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet, waarin voorschriften
zijn gegeven met betrekking tot asbest bij de bedrijfsmatige sloop van gebouwen
en bij de verwijdering uit objecten, moet het bij die handelingen vrijgekomen
asbest van de lucht afgesloten verpakt en voorzien van een etiket worden aangeboden
aan de inrichting waar het asbest wordt gestort. Bij het merendeel van de
stortplaatsen is vooraanmelding verplicht. De houders van de stortplaatsen
zijn op grond van de aan hen verleende vergunning gehouden het asbest zodanig
te storten dat geen emissie van asbestdeeltjes kan plaatsvinden.</al>
      <al>De derde aanbeveling die naar de mening van het kabinet op korte termijn
dient te worden gevolgd betreft de aanbeveling inzake het voor een deel in
de heffing van afvalstoffenbelasting betrekken van het zogenoemde storten
in eigen beheer. Reeds in de Invoeringswet Wet belastingen op milieugrondslag
is voorzien in de heffing van afvalstoffenbelasting ter zake van het verwerken
van afvalstoffen in de inrichting waarin zij zijn ontstaan. Het koninklijk
besluit op grond waarvan de desbetreffende bepalingen in werking treden, is
echter nog niet genomen, omdat de uitvoeringsproblemen die destijds hebben
geleid tot uitstel van de invoering ervan nog niet alle zijn opgelost. Vooralsnog
wordt de heffing ter zake van de stort in eigen beheer beperkt tot afvalstoffen
die in afvalverbrandingsinstallaties bij het verwerkingsproces ontstaan (de
zogenoemde verbrandingsresten) en die op het bedrijfsterrein worden gestort.
Gelet op het feit dat de administratie van deze zogenoemde geïntegreerde
inrichtingen al is ingericht op de heffing van afvalstoffenbelasting kan hiertoe
thans worden overgegaan. Daarmee wordt een einde gemaakt aan het onbedoelde
onderscheid dat de beperking van de belastinggrondslag tot afvalstoffen die
van buiten de inrichting afkomstig zijn maakte tussen afvalverbrandingsinstallaties
die de verbrandingsresten naar een andere stortplaats moeten brengen en de
afvalverbrandingsinstallaties die deel uitmaken van een geïntegreerde
inrichting. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook is aan het tariefartikel een bepaling toegevoegd op grond waarvan
voor de zogenoemde zeeffractie van scheidingsinstallaties die zijn gekoppeld
aan een verbrandingsoven voor «refuse derived fuel» (RDF), tot
1 januari 2000 niet het verhoogde tarief van f 64,20 geldt, maar het
normale tarief van f 29,20. De zeeffractie is de fractie die resteert
na het afscheiden van de herbruikbare fractie en de hoogcalorische fractie
(het RDF). Er zijn thans in Nederland twee inrichtingen waar een dergelijk
proces wordt toegepast, de zogenoemde Geïntegreerde afvalverwerkingsinstallatie
(GAVI), te weten de Vuil Afvoer Maatschappij (VAM) in Wijster en de Afvalverwerking
Regio Nijmegen (ARN) in Weurt. Het maken van een uitzondering voor deze zeeffractie
sluit aan bij de afspraken die zijn gemaakt in het Tienjarenprogramma Afval
1992–2002. Ingevolge deze afspraken geldt voor de zeeffractie, in het
Tienjarenprogramma aangeduid als organische doorval, een tijdelijke ontheffing
van het stortverbod. </al>
      <tuskop letat="vet">Brandstoffenbelasting</tuskop>
      <al>Artikel 27, zesde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag voorziet
in een nihiltarief voor de brandstoffenbelasting voorzover bepaalde brandstoffen
als brandstof worden gebruikt in de inrichting waarin zij zijn ontstaan: de
zogenoemde restbrandstoffen. Het nihiltarief is thans van toepassing op hoogovengas,
cokesovengas, kolengas en raffinaderijgas (brandstoffen als bedoeld onder
artikel 27, eerste lid, onderdeel i) alsmede op petroleumcokes, vloeibare
en gasvormige brandstoffen (brandstoffen als bedoeld in artikel 27, tweede
lid). Artikel 27, zesde lid, werkt terug tot en met 1 juli 1994 en vervalt
op 1 januari 1999.</al>
      <al>Bij onderzoek door de Belastingdienst is vastgesteld dat onder de categorie
vloeibare brandstoffen tevens zeer zware binnen de inrichting ontstane residuale
olie wordt ingezet als brandstof, waarvan vanwege de wisselende samenstelling
niet zonder constante analyse kan worden vastgesteld of deze in bepaalde gevallen
als restbrandstof dan wel als zware stookolie en dus als minerale olie moet
worden aangemerkt. Naar aanleiding van de bevindingen van genoemd onderzoek
wordt thans teneinde op dat punt geen onduidelijkheid te laten bestaan, een
aanpassing voorgesteld, waarbij de categorie zware stookolie alsnog met terugwerkende
kracht tot 1 juli 1994 onder de werking van het nihiltarief van artikel 27,
zesde lid, wordt gebracht, uiteraard voor zover sprake is van verbruik als
brandstof in de inrichting waarin deze stookolie is ontstaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De huidige werkingsduur van het nihiltarief van artikel 27, zesde lid,
loopt af met ingang van 1 januari 1999. Teneinde nu reeds zekerheid te bieden
wordt voorgesteld om de mogelijkheid van toepassing van het nihiltarief met
vier jaar te verlengen tot 1 januari 2003. In 2002 zal het nihiltarief worden
bezien in de context van het dan vigerende milieubeleid. Verlenging van de
werkingsduur berust op overwegingen die zowel het milieubelang als de internationale
concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie betreffen. Bij de
voorgestelde verlenging met bepaalde duur wordt tegemoet gekomen aan de wens
van de Europese Commissie tot tijdelijkheid van dergelijke tegemoetkomingen.
Een verlenging met vier jaar lijkt redelijk in het licht van de wenselijkheid
van periodieke toetsing van deze tegemoetkoming aan de internationale concurrentieverhoudingen
en de samenhang met toekomstig Europees beleid (richtlijnvoorstel belasting
op energieproducten).  </al>
      <tuskop letat="vet">Europese aspecten</tuskop>
      <al>De maatregelen met betrekking tot ontinktingsresidu, asbest en nihiltarief
restbrandstoffen moeten ingevolge artikel 93, derde lid, van het EG-verdrag
worden aangemeld bij de Europese Commissie. De verwachting bestaat dat er
geen bezwaren bestaan tegen de twee eerstgenoemde tijdelijke maatregelen,
gelet op het feit dat de Commissie al eerder akkoord is gegaan met de teruggaaf
voor ontinktingsresidu en op de overigens ongewijzigde situatie (behoudens
dat nu werkelijk uitzicht bestaat op het operationeel zijn van de alternatieve
verwerkingsmethoden in 2000), en gelet op de gevaren voor de gezondheid die
verbonden zijn aan het op illegale wijze verwijderen van asbest. Met betrekking
tot voorgestelde verlenging van het nihiltarief bestaat eveneens de verwachting
dat de Commissie geen bezwaren zal inbrengen gelet op de eerdere goedkeuring
van het bestaande nihiltarief. Ook de uitzondering op de toepassing van het
verhoogd tarief voor brandbaar afval voor de zeeffractie van de GAVI's moet
aangemeld worden bij de Europese Commissie. </al>
      <tuskop letat="vet">Budgettaire effecten</tuskop>
      <al>De huidige tijdelijke verfijningen voor kunststofrecyclingafval en ontinktingsresidu
zijn budgettair neutraal gefinancierd met een – eveneens tijdelijke –
verhoging van het tarief van de afvalstoffenbelasting. In het hiervoor genoemde
artikel II van de wet van 23 december 1994 tot wijziging van de Wet belastingen
op milieugrondslag in verband met het aanbrengen van een permanente verfijning
alsmede twee tijdelijke verfijningen (Stb. 925) is in verband met het aflopen
van de tijdelijke teruggaafregelingen voor kunststofrecyclingafval en ontinktingsresidu
voorzien in een tariefverlaging met f 0,55 per 1000 kilogram. Nu de tegemoetkoming
voor ontinktingsresidu verlengd wordt, zou de tariefverlaging beperkt moeten
worden tot het deel dat ziet op de per 1 januari 1998 vervallende teruggaafregeling
inzake het kunststofrecyclingafval, te weten f 0,07. Met de tijdelijke
vrijstelling voor asbest is een budgettair beslag van 2 mln gemoeid. In verband
hiermee zou, indien de dekking binnen de afvalstoffenbelasting gevonden zou
moeten worden, het tarief weer enigszins naar boven bijgesteld moeten worden.
Gelet op het geringe belang van de per saldo resulterende aanpassing –
de mutatie zou leiden tot een additionele verhoging met f 0,14 –
stel ik voor het normale tarief (voor niet brandbaar afval) te handhaven op
f 29,20 per 1000 kilogram.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de invoering van het nihiltarief voor restbrandstoffen in de brandstoffenbelasting
werd in budgettaire compensatie voorzien onder meer door middel van een algemene
verhoging van de tarieven van de brandstoffenbelasting. Het ging daarbij om
een bedrag van 96 mln per jaar. Naar nu gebleken is, is ook de onder minerale
oliën vallende zware stookolie in de berekening van de noodzakelijke
compensatie meegenomen. Dit ondanks het feit dat de wet niet voorziet in een
nihiltarief voor zware stookolie. Door de desbetreffende ondernemingen is
in de afgelopen jaren echter bij de aangifte van de brandstoffenbelasting
uitgegaan van toepassing van het nihiltarief voor de zeer zware residuale
raffinaderij-olie die werd ingezet als brandstof binnen de inrichting waarin
zij is ontstaan. Bij de nu voorgestelde uitbreiding van de toepassing van
het nihiltarief tot zware stookolie gaat het derhalve om het met terugwerkende
kracht sanctioneren van de praktijk zonder budgettaire consequenties. Ook
de verlenging van het nihiltarief leidt niet tot budgettaire gevolgen omdat,
zoals hiervoor al is aangegeven, reeds in dekking voor het nihiltarief is
voorzien. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Anders is het met de tijdelijke maatregel om het hoge tarief van de afvalstoffenbelasting
niet toe te passen op de zeeffracties. Het gaat daarbij om een bedrag van
f 14 mln. Inmiddels is echter gebleken dat de werkelijk gestorte hoeveelheid
brandbaar afval in de laatste jaren aanzienlijk afwijkt van de verwachte hoeveelheden,
op grond waarvan de opbrengst van de verhoging van het tarief op 45 mln geraamd
is. Volgens de nieuwste inzichten (gebaseerd op de in de afgelopen jaren werkelijk
gestorte hoeveelheid brandbaar afval, in combinatie met een minder grote verwerkingscapaciteit
van de verbrandingsinstallaties dan aanvankelijk aangenomen) is een hoeveelheid
van ca 2 mln ton te storten brandbaar afval meer in overeenstemming met de
realiteit, zodat de opbrengst van het verhoogd tarief op 70 mln komt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De maatregelen passen in het wetsvoorstel fiscale milieuversterking, waarin
reeds een aantal wijzigingen in de Wet belastingen op milieugrondslag is opgenomen.
Hierna worden de wijzigingen per artikel toegelicht. </al>
      <tuskop letat="vet">Toelichting op de artikelen </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Punt 1, onderdeel A </tuskop>
      <tuskop letat="rom">Artikel VI, onderdelen A.1.1 en A.1.2, A.2, A.3.1 en A.3.2,
A.4, A.5 en A.9 (Artikelen 12, 13, 15, 16, 17 en 19 van de Wet belastingen
op milieugrondslag)</tuskop>
      <al>Deze wijzigingen strekken ertoe de heffing op afvalstoffen die worden
verwerkt in de inrichting waar ze zijn ontstaan, te effectueren. De wijziging
van artikel 12, onderdelen b en c, en van de artikelen 13, 15, 16 en 19 is
overgenomen uit artikel VII van de Invoeringswet Wet belastingen op milieugrondslag.
De wijziging van artikel 17 beperkt de heffing vooralsnog tot de verwerking
van afvalstoffen die zijn ontstaan in het verwerkingsproces van afvalverbrandingsinstallaties
(de zogenoemde verbrandingsresten). </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel VI, onderdeel A.1.3 (Artikel 12, onderdelen g
en h van de Wet belastingen op milieugrondslag)</tuskop>
      <al>In de onderdelen g en h van artikel 12 van de Wet belastingen op milieugrondslag
zijn de begripsbepalingen opgenomen van kunststofrecyclingafval onderscheidenlijk
kunststofrecyclinginstallatie. In verband met het vervallen van de bepaling
op grond waarvan een teruggaaf mogelijk is van de afvalstoffenbelasting voor
kunststofrecyclingafval (zie de wijziging van artikel 18a), kunnen deze begripsbepalingen
vervallen. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel VI, onderdeel A.6 (Artikel 18 van de Wet belastingen
op milieugrondslag)</tuskop>
      <al>In artikel 18 is het tarief van de afvalstoffenbelasting opgenomen. In
het wetsvoorstel is dit artikel reeds vervangen waarbij aan het artikel een
tweede lid is toegevoegd waarin een verhoogd tarief voor brandbare afvalstoffen
is opgenomen. In deze nota van wijziging is in verband met het onder de heffing
brengen van de binnen de afvalverbrandingsinrichting ontstane verbrandingsresten,
de aanhef van het eerste lid weer teruggebracht tot de oorspronkelijke tekst
van de aanhef van artikel 18, terwijl de tekst van onderdeel a van dit lid
vereenvoudigd kan worden in verband met de wijziging van artikel 12, onderdeel
b. In het tweede lid zijn nog enkele categorieën, te weten de categorieën
5, 6, en 7, toegevoegd. Dit betreft de volgende afvalstoffen: oliefilters,
gevaarlijke afvalstoffen als aangewezen in het Besluit aanwijzing gevaarlijke
afvalstoffen, bijlage I, proces 46 (afvalstoffen uit de gezondheidszorg)
en verpakkingen van chemicaliën. Hoewel het hier gaat om afvalstoffen
waarvoor het uitgesloten moet worden geacht dat er een ontheffing van het
stortverbod wordt verleend, betreft het wel brandbaar afval, zodat zij volledigheidshalve
zijn opgenomen. In het tweede lid is voorts een tijdelijke uitzondering gemaakt
voor de zeeffractie die bij de voorscheiding van afval ontstaat bij een speciale
categorie afvalverbrandingsinstallaties. Deze afvalverbrandingsinstallaties
hebben verbrandingsovens die alleen afval van een hoogcalorische waarde verwerken.
Op de zeeffractie die gestort wordt, is het normale tarief van f 29,20
van toepassing.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het toegevoegde derde lid bevat een nihiltarief voor afzonderlijk aangeboden
asbest. Het nihiltarief is van toepassing voor asbest dat voor 1 januari 2002
afzonderlijk ter verwerking wordt aangeboden. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel VI, onderdelen A.7 en A.8 (Artikel 18a van de
Wet belastingen op milieugrondslag)</tuskop>
      <al>In artikel 18a waren oorspronkelijk zowel de teruggaafregeling van afvalstoffenbelasting
voor ontinktingsresidu als die voor kunststofrecyclingafval opgenomen. Op
grond van artikel II van de wet van 23 december 1994 tot wijziging van de
Wet belastingen op milieugrondslag in verband met het aanbrengen van een permanente
verfijning alsmede twee tijdelijke verfijningen (Stb. 925) zou artikel 18a
van de Wet belastingen op milieugrondslag met ingang van 1 januari 1998 vervallen.
Dit artikel II vervalt thans op grond van onderdeel 2 van deze nota van wijziging,
zodat artikel 18a blijft bestaan. Zoals in de paragraaf Europese aspecten
van de nota van toelichting is gememoreerd, is de voortzetting van de teruggaafregeling
voor ontinktingsresidu afhankelijk van goedkeuring van de Europese Commissie.
Indien deze de goedkeuring niet verleent, moet artikel 18a alsnog vervallen.
Onderdeel A.7 strekt daartoe. Afhankelijk van de uitkomst zal bij het koninklijk
besluit waarbij de wijzigingen van de Wet belastingen op milieugrondslag in
werking treden artikel 18a vervallen (onderdeel A.7) dan wel blijven bestaan,
zij het in gewijzigde vorm (onderdeel A.8). Het gewijzigde artikel 18a regelt
thans uitsluitend de teruggaaf voor ontinktingsresidu. De teruggaafregeling
is aan een tijdshorizon gebonden. Zij is alleen van toepassing voor ontinktingsresidu
dat voor 1 januari 2001 ter verwerking is afgegeven. Het tweede lid bepaalt
dat op het verzoek van degene die teruggaaf wenst, artikel 10a, tweede tot
en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing is. </al>
      <tuskop letat="cur">Punt 1, onderdeel B </tuskop>
      <tuskop letat="rom">Artikel VI, onderdeel D.1.a (Artikel 27, zesde lid, van
de Wet belastingen op milieugrondslag)</tuskop>
      <al>De in dit onderdeel opgenomen wijziging strekt er enerzijds toe om de
werking van artikel 27, zesde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag,
dat voorziet in een nihiltarief voor de brandstoffenbelasting voor bepaalde
brandstoffen die als brandstof worden gebruikt in de inrichting waarin zijn
ontstaan, te verruimen tot zware stookolie. Anderzijds strekt zij ertoe de
werkingsduur van het – tot zware stookolie uitgebreide – nihiltarief
te verlengen tot 1 januari 2003. </al>
      <tuskop letat="cur">Punt 2 </tuskop>
      <tuskop letat="rom">Artikel VIA (Artikel II van de wet van 23 december 1994
tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met het
aanbrengen van een permanente verfijning alsmede twee tijdelijke verfijningen
(Stb. 925))</tuskop>
      <al>Op grond van artikel II van de wet van 23 december 1994 tot wijziging
van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met het aanbrengen van
een permanente verfijning alsmede twee tijdelijke verfijningen (Stb. 925)
zouden artikel 12, onderdelen f, g en h, alsmede artikel 18a van de Wet belastingen
op milieugrondslag met ingang van 1 januari 1998 vervallen. In dit artikel
II was tevens voorzien in een tariefverlaging van de afvalstoffenbelasting
in verband met het aflopen van de tijdelijke teruggaafregelingen voor kunststofrecyclingafval
en ontinktingsresidu. Nu de teruggaafregeling voor ontinktingsresidu blijft
bestaan, dient de tariefverlaging achterwege te blijven; artikel II dient
derhalve te vervallen. </al>
      <tuskop letat="cur">Punt 3</tuskop>
      <al>In artikel XII, eerste lid, is voorzien in de inwerkingtreding van deze
wet. In verband met het de benodigde goedkeuring door de Europese Commissie,
is, evenals voor de invoering van het nihiltarief voor groene stroom en de
bijzondere regeling voor afvalverbrandingsinstallaties zoals opgenomen in
het oorspronkelijke wetsvoorstel, voorzien in de inwerkingtreding bij koninklijk
besluit van de verlenging van de teruggaafregeling voor ontinktingsresidu,
van het nihiltarief voor de verwerking van asbest, van de uitzondering van
het verhoogd tarief voor de zeeffracties en van het nihiltarief voor de restbrandstoffen.</al>
      <al>Aan het gewijzigde zesde lid van artikel 27 van de Wet belastingen op
milieugrondslag wordt terugwerkende kracht verleend tot en met 1 juli 1994.
Aan het huidige zesde lid van artikel 27 is eveneens terugwerkende kracht
verleend tot en met 1 juli 1994. De huidige werkingsduur van dit zesde lid,
werd vastgesteld in artikel XIII, tweede lid, van de Invoeringswet Wet belastingen
op milieugrondslag en nader geregeld in artikel I van het Besluit tot vaststelling
van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet belastingen op milieugrondslag
en van de Invoeringswet Wet belastingen op milieugrondslag (Besluit van 23
december 1994, Stb. 949, zoals dit is gewijzigd bij het Besluit van 3 februari
1995, Stb. 60).</al>
      <ondtek>
        <functie>De Staatssecretaris van Financiën,</functie>
        <naam>W. A. F. G. Vermeend </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>