﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25619-3/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1997-1998</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.0__2.3" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST24965</ordernr>
    <vergjaar>1997-1998</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>25 619</nummer>
      <naam>Jeugdzorg 1998–2001</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>3</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Rijswijk,  <datum>31 oktober 1997</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hierbij treft u aan mijn standpunt op het onderzoeksrapport «Op
weg naar volwassenheid. Evaluatie jeugdgezondheidszorg 1996» dat ik
u op 14 mei jongstleden toezond. Dit onderzoek vloeide voort uit het standpunt
op de positionering van de Jeugdgezondheidszorg 0–4 jarigen (TK, 1993–1994,
23 608, nr. 1). </al>
      <tuskop letat="vet">Conclusies en aanbevelingen van het rapport</tuskop>
      <al>Doel van het onderzoek was het realiseren van een overzicht en analyse
van de stand van zaken van de jeugdgezondheidszorg (JGZ) 0–19 jarigen,
in het licht van onderlinge afstemming, samenhang en samenwerking van de organisaties
die betrokken zijn bij de uitvoering van deze zorg (thuiszorgorganisaties,
GGD's en gemeentebesturen). Kwaliteit in termen van effectiviteit, doelmatigheid
en prijs/kwaliteitverhouding stond in het onderzoek centraal.</al>
      <al>De centrale vraagstelling van de evaluatie luidde: Wat is op 1 januari
1996 de stand van zaken:</al>
      <al>– van de jeugdgezondheidzorg 0–19 jarigen sinds de vorige
evaluatie-onderzoeken (1992/3) en in welke richting lijkt de JGZ zich –
in een veranderende omgeving – te ontwikkelen?</al>
      <al>– van de organisatorische vormgeving van de VTO-ondersteuningsfunctie
(VroegTijdige onderkenning van Ontwikkelingsstoornissen) en op welke wijze
heeft inbedding in de reguliere zorg plaats gehad?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het rapport doet onder meer uitspraken over de samenwerking van de jeugdgezondheidszorg
met RIAGG's, (buurtnetwerken) jeugdhulpverlening, voorzieningen voor asielzoekers
en vluchtelingen, netwerken jeugdwelzijn alsmede gemeentelijke en provinciale
netwerken. Uit het onderzoek blijkt dat de lokale bestuurlijke aandacht voor
jeugd in de grotere gemeenten toeneemt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het rapport doet een aantal aanbevelingen. Deze zijn kort samengevat: </al>
      <al>1. het vaststellen van één integraal basispakket JGZ</al>
      <al>2. de ontwikkeling van één beleidsplan JGZ op lokaal niveau</al>
      <al>3. het intensiveren van toezicht en sancties op de uitvoering</al>
      <al>4. het buiten de marktwerking houden en het drempelloos toegankelijk maken
van de JGZ, te bereiken door het opheffen van de toegangsbijdrage voor de
JGZ 0–4 jarigen en het creëren van een «status aparte»
binnen GGD's voor de JGZ 4–19 jarigen voor zorgonderdelen conform het
basispakket</al>
      <al>5. het verbeteren van de effectiviteit van de landelijke regie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op deze aanbevelingen neem ik hierbij mijn standpunt in. Daarbij zijn
richtsnoer de beleidsdoelen die ten grondslag liggen aan het jeugdgezondheidszorgbeleid:
toegankelijkheid van noodzakelijke zorgvoorzieningen, kwaliteit, het terugdringen
van sociaal-economische gezondheidsverschillen en kosteneffectiviteit en doelmatigheid. </al>
      <tuskop letat="cur">1. Het standaardbasispakket JGZ</tuskop>
      <al>Het rapport constateert een omvangrijke variatie in de uitvoering van
de jeugdgezondheidzorg. Zo is er groot verschil in het aantal consulten, preventieve
gezondheidsonderzoeken (PGO's) en screeningen en de momenten waarop deze onderzoeken
plaatsvinden. Deze verschillen kunnen niet verklaard worden uit relevante
regionale omstandigheden die dergelijke verschillen rechtvaardigen. Een deel
van de variatie wordt verklaard uit verschillende opvattingen binnen de medische
beroepsbeoefenaren over de doeltreffendheid van de PGO's. Ik acht de omvang
van de geconstateerde variatie niet gewenst.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De jeugdgezondheidszorg in Nederland is bedoeld voor alle kinderen van
0–19 jaar en hun ouders/verzorgers, waarbij de groepen met de hoogste
risico's op gezondheidsschade ook de meeste zorg ontvangen. Een tijdige signalering
van lichamelijke en psychische problemen op jonge leeftijd voorkomt gezondheidsproblemen
op latere leeftijd. Juist bij risicogroepen is gezondheidswinst te behalen.
Werken aan een goede jeugdgezondheidszorg is daarom een investering in de
toekomst.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik onderschrijf dan ook de aanbeveling van de onderzoekers om te komen
tot de realisering van een standaardbasispakket JGZ. Dit pakket kan worden
geformuleerd op basis van de reeds door VNG/LVGGD respectievelijk LVT ontwikkelde
zorgpakketten «Zorgen voor Jeugd. Basispakket» en «Zorgpakket
Ouder en Kindzorg. Inhoud en achtergronden van de ouder- en kindzorg».
Een dergelijk standaardbasispakket omvat die JGZ-activiteiten die in gestandaardiseerde
vorm aan elk kind in Nederland moeten worden aangeboden. Dit standaardbasispakket
kan – voor wat betreft de 4–19 jarigenzorg – op initiatief
van de betrokken gemeente worden aangevuld met een specifiek, op de lokale
en individuele situatie toegesneden pakket. De financiering van het standaardbasispakket
zal geschieden vanuit de huidige beschikbare financiële middelen. Financiering
van het aanvullend pakket, waarvan de inhoud op geleide van de betrokken gemeente(n)
wordt ontwikkeld is een gemeentelijke verantwoordelijkheid. De onderdelen
van het standaardbasispakket die zich richten op de 0–4 jarigen worden
gefinancierd uit de middelen die in de aanspraak «zorg aan ouder en
kind» onder de «status aparte» vallen. Uiteraard kunnen
thuiszorgorganisaties, als zij in additionele financiering kunnen voorzien,
in aansluiting op lokale behoeften voor de 0–4 jarigenzorg een aanvullend
JGZ-pakket (doen) ontwikkelen. Inmiddels is vanaf januari 1997 met het beschikbaar
zijn van het Integraal Dossier JGZ een ongehinderde zorgoverdracht van de
0–4 naar de 4–19 jarigenzorg mogelijk. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Inmiddels heb ik als onderdeel van het actieprogramma «Versterking
gemeentelijk gezondheidsbeleid» (zie mijn standpunt op het rapport «Gemeentelijk
Gezondheidsbeleid. Beter op zijn plaats» dat ik u op 20 mei jl. toezond),
een werkgroep Basistaken Jeugdgezondheidszorg ingesteld. Deze werkgroep, waarin
zowel vakinhoudelijke als bestuurlijke expertise vertegenwoordigd is, heeft
tot taak het standaardbasispakket JGZ (0–19 jarigen) te formuleren.
Ook levert zij een overzicht van deeltaken binnen de JGZ (4–19 jarigen)
die gemeenten naar eigen inzicht in een aanvullend pakket kunnen aanbieden.
De rapportage dient uiterlijk in mei 1998 aan mij opgeleverd te worden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nadat ik vervolgens het standaardbasispakket heb vastgesteld, kan dit
mede tot toetssteen dienen voor het door de Inspectie voor de Gezondheidszorg
(IGZ) uit te oefenen toezicht op de uitvoering daarvan. De implementatie van
het basispakket zal onderdeel vormen van de voor het jaar 2000 voorgenomen
evaluatie van de collectieve preventie, het gemeentelijk gezondheidsbeleid
en de GGD's, zoals reeds in mijn standpunt op het advies van de commissie-Lemstra
is verwoord. Ik ga ervan uit dat de komende jaren de inhoud van het pakket
op basis van de resultaten van uit te voeren effectiviteitsstudies zal worden
aangepast. Voor een zorgvuldige verwerking daarvan in het vigerende standaardbasispakket
zal ik een procedure vaststellen. </al>
      <tuskop letat="cur">2. De ontwikkeling van één beleidsplan JGZ
op lokaal niveau</tuskop>
      <al>In bovengenoemd standpunt «gemeentelijk gezondheidsbeleid»
heb ik gesteld het van belang te vinden dat gemeenten samenwerking tot stand
brengen met partijen binnen de zorg en dat zij met betrekking tot de volksgezondheid
integraal beleid voeren met andere sectoren. Gemeenten zullen relaties moeten
leggen tussen taken als preventie, zorg, welzijn en andere terreinen die hiermee
samenhangen, zoals bijvoorbeeld opvoedingsondersteuning. Ik denk hierbij vooral
aan een afstemming via de gemeentelijke nota gezondheidsbeleid van de JGZ
met lokale projecten rond preventief jeugdbeleid, jeugdzorg en onderwijsbeleid
en de lokale functionele zorgnetwerken (thuiszorg, huisartsen, RIAGG's en
ziekenhuizen), m.a.w. wederzijdse afstemming van zorg- en jeugdbeleid. De
JGZ zal van deze gemeentelijke nota gezondheidsbeleid een – herkenbaar –
onderdeel moeten uitmaken. Zij kan met name op het gebied van signalering
en «early warning» een bijdrage leveren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Interdepartementale Werkgroep Opvoedingsondersteuning en Ontwikkelingsstimulering
(IWG/OO) brengt voor het kerstreces een notitie uit over opvoedings- en ontwikkelingsproblemen
in relatie tot maatschappelijke achterstanden, sociale uitval en jeugdcriminaliteit.
Hierin zal ook op de rol van de JGZ worden ingegaan. Uit de experimenten opvoedingsondersteuning
is reeds gebleken dat de JGZ onder bepaalde voorwaarden een bijdrage kan leveren
aan het voorkomen van (potentiële) opvoedings- en ontwikkelingsproblemen
door vroegtijdig in te gaan op opvoedingsvragen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarnaast heeft naar mijn mening ook de huisarts een belangrijke taak
in het samenspel met jeugdarts en jeugdverpleegkundige, zowel voor wat betreft
de 0–4 jarigenzorg als de 4–19 jarigenzorg. Deze kan voor de ouder/verzorger
een stimulerende rol spelen voor het bezoek aan het consultatiebureau of kinderen
doorverwezen krijgen van het consultatiebureau. De huisarts is evenzeer verwijzer
van kinderen met een indicatie voor nader onderzoek naar kinderarts of andere
relevante beroepsbeoefenaar. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Om de mogelijkheden van een dergelijke samenwerking beter in kaart te
brengen ben ik voornemens een tweetal experimenten te entameren: een experiment
waarin de mogelijkheden tot afstemming en samenwerking tussen de nulde en
de eerstelijnszorg worden geëxploreerd (thuiszorg, GGD en huisarts) en
een grootschaliger experiment, waarin naast de nulde en eerstelijnszorg ook
de tweelijnszorg participeert (thuiszorg, GGD, ziekenhuis, RIAGG, medisch
kinderdagverblijf). </al>
      <tuskop letat="cur">3. Het intensiveren van toezicht en sancties op de uitvoering</tuskop>
      <al>Het evaluatierapport stelt dat momenteel een effectief mechanisme voor
bijsturing van de uitvoering van de JGZ ontbreekt. Het adviseert daarom de
bevoegdheden van de Inspecteur voor de Gezondheidszorg (IGZ), zoals neergelegd
in de Kwaliteitswet Zorginstellingen, te vergroten. Een dergelijke uitbreiding
van bevoegdheden acht ik – mij daarmee conformerend aan de visie van
de IGZ – thans niet opportuun. Wel ga ik ervan uit dat wanneer ik het
standaardbasispakket heb vastgesteld, dit mede tot toetssteen dient voor een
door de IGZ effectief uit te oefenen toezicht op de uitvoering daarvan. Ook
de professionele standaarden JGZ dienen als uitgangspunt voor toetsing door
de IGZ. </al>
      <tuskop letat="cur">4. Het buiten de marktwerking houden en het drempelloos
toegankelijk maken van de JGZ</tuskop>
      <al>De KPMG-TNO-evaluatie concludeert dat «Het bevorderen van een gelijke
toegang tot de JGZ impliceert dat de toegangsbijdrage voor de JGZ 0–4
niet meer passend is en zou moeten worden opgeheven.» Voor de JGZ 0–4
jarigen geldt met ingang van 1 januari 1997 de zogeheten «status aparte»
voor de financiering van activiteiten die onder het pakket Ouder- en kindzorg
vallen. Vanaf deze datum is de JGZ 0–4 jarigen buiten de marktwerking
geplaatst. Macro is hiervoor (inclusief dieetadvisering en preventie) f 290
miljoen per jaar beschikbaar. De JGZ 4–19 jarigen is niet onderhevig
aan de marktwerking. Voor dit JGZ-segment overweeg ik geen «status aparte»
als geldt voor de 0–4 jarigen zorg. Met het beschikbaar komen van het
standaardbasispakket JGZ en de implementatie daarvan wordt echter de uitvoering
van een aantal, door het veld noodzakelijk geachte JGZ-activiteiten gegarandeerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met genoegen heb ik kennis genomen van de bevinding in het rapport dat
de JGZ in Nederland een laagdrempelige voorziening is. «Het bereik in
1995 van de zuigelingen was minimaal 95% (...) Het bereik in 1995 van peuters
lager dan 90 (...) De opkomst van de schoolgaande jeugd lag in 1995 tussen
de 90% en de 95% (...).» Ik constateer tevens dat uit het jaarlijkse
rapport «Vaccinatietoestand Nederland per 1 januari 1996» van
de IGZ (april 1997) blijkt dat de vaccinatietoestand het afgelopen decennium
(binnen beperkte marges) stabiel is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de goede orde wijs ik er op dat de inentingen van het vaccinatieprogramma
en de screening op congenitale hypothyreoïdie (CHT) en op fenylketonurie
(PKU) buiten de vigerende toegangsbijdrageregeling vallen en derhalve worden
verstrekt, zonder dat een eigen bijdrage verschuldigd is. Teneinde elk misverstand
te vermijden heb ik de IGZ verzocht bij de betrokken organisaties te benadrukken
dat de inentingen van het Rijksvaccinatieprogramma en de screening op PKU/CHT
niet onder de werking van de toegangsbijdrage zijn gebracht en derhalve zonder
het betalen van een eigen bijdrage worden verstrekt. Bij circulaire van 14
oktober 1997 is dit gebeurd (bijlage 1).<voetref refid="v4.1" nr="1"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>In mijn overwegingen inzake de toegangsbijdrage en de toegankelijkheid
in het algemeen van de JGZ ga ik er van uit dat de toegankelijkheid
van de JGZ – als laagdrempelige voorziening – gehandhaafd moet
blijven. Uit de KPMG-TNO evaluatie werd niet duidelijk of er een relatie bestond
tussen het bereik van de 0–4 jarigen zorg en het heffen van de toegangsbijdrage
van f 55. Ik heb daarom de IGZ verzocht een quick scan uit te voeren
naar de mogelijke gevolgen van het heffen van de toegangsbijdrage op de toegankelijkheid
van JGZ-voorzieningen. Ook uit deze quick scan blijkt niet dat er de afgelopen
jaren een aantoonbare relatie bestond tussen de toegangsbijdrage en de toegankelijkheid
van de JGZ 0–4 jarigen (bijlage 2)<voetref refid="v5.1" nr="1"></voetref> . Het
betreft al met al een complexe materie, die binnen de beschikbare termijn
voor het uitwerken van dit standpunt nog niet tot een afgeronde standpuntbepaling
heeft kunnen leiden. Op dit onderdeel zal ik voor 1 februari 1998 nader terugkomen.
Ik zal bij dat standpunt ook de quick scan van de IGZ betrekken. </al>
      <tuskop letat="cur">5. Het verbeteren van de effectiviteit van de landelijke
regie</tuskop>
      <al>Het rapport constateert dat de effectiviteit van de landelijke regie verbeterd
kan worden wanneer de betrokken koepelorganisaties meer dan tot nu toe het
geval geweest is, beleidsmatige afstemming op het terrein van de JGZ tot stand
brengen. De kwaliteit van zorg kan onder meer door standaarden worden gewaarborgd.
Dit traject is reeds in december 1996 met een pilotproject in gang gezet,
waarin de methodiek voor het opstellen van standaarden JGZ wordt ontwikkeld
en één standaard volgens deze methodiek wordt opgesteld. Voltooide
produkten zullen hun plaats kunnen vinden in het standaardbasispakket.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorts hecht ik er aan dat ook de JGZ «evidence-based» wordt
uitgevoerd. Er bestaat onmiskenbaar behoefte aan onderzoek naar doeltreffendheid
en doelmatigheid van de JGZ 0–19 jarigen. Gezien de beperkte beschikbaarheid
van voltooid wetenschappelijk onderzoek acht ik een prioritering van effectiviteitsonderzoek
op dit gebied gewenst. Een dergelijk onderzoek kan worden gecombineerd met
een snelle overzichtsstudie van reeds verrichte evaluaties van effectiviteitsonderzoeken
JGZ 0–19 jarigen. Binnen het ZON-programma creëer ik mogelijkheden
om daarin zowel de ontwikkeling van standaarden als het doen uitvoeren van
effectiviteitsonderzoek in te bedden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De landelijke coördinatie van activiteiten JGZ 0–4 jarigen
geschiedt momenteel door het Landelijk Centrum Ouder- en Kindzorg (LC-OKZ).
Voor de aansturing van bovengenoemde trajecten denk ik aan de totstandkoming
van een landelijk gezaghebbend platform JGZ, waarin koepelorganisaties, professionals
en wetenschap zijn vertegenwoordigd. Als taken zie ik voor dit platform de
stimuleren van verdere kwaliteitsontwikkeling en de aansturing van vervolgactiviteiten
rond het standaardbasispakket. Ik ben voornemens hierover binnenkort met betrokken
organisaties van gedachten te wisselen. Het platform zou kunnen worden aangehaakt
bij het platform openbare gezondheidszorg, dat ik in mijn standpunt op het
rapport-Lemstra reeds heb beschreven. </al>
      <tuskop letat="cur">VTO</tuskop>
      <al>De financiering van rijkswege van de VTO-ondersteuningsfunctie is per
1 juli 1994 beëindigd. Voor VWS is altijd uitgangspunt geweest dat VTO
een onderdeel is van de reguliere zorg en als zodanig verder binnen deze zorg
zou moeten worden ontwikkeld. Uit het onderzoek blijkt dat in 1995 vrijwel
alle thuiszorgorganisaties en GGD's in een VTO samenwerkingsverband participeerden,
hoewel niet elke thuiszorgorganisatie en GGD een bijdrage aan de VTO-teams
leverden. Het rapport concludeert wel dat de deelname aan de VTO-samenwerkingsverbanden
vanaf 1995 verminderde en dat er in 1995 in elk geval geen volledig dekkend
netwerk van VTO-teams aanwezig was. Het doet de aanbeveling dat,
gezien de niet onaanzienlijke investeringen van thuiszorgorganisaties en GGD's
er jaarlijks een landelijke verslaglegging wordt gemaakt, waaruit duidelijk
de omvang en het resultaat van de werkzaamheden van de VTO-teams blijkt. Ik
neem deze aanbeveling over en zal dit aspect in mijn voorgenomen overleg met
de betrokken organisaties betrekken. Het ligt voor de hand dat de werkgroep
basistaken JGZ de effectieve vormen van VTO zal opnemen in het standaardbasispakket
JGZ. Naar mijn mening ligt hierin de waarborg dat VTO wordt aangeboden aan
die kinderen die deze voorziening behoeven. </al>
      <tuskop letat="vet">Resumé beleidsbeslissingen</tuskop>
      <al>1. er is een werkgroep Basistaken Jeugdgezondheidszorg ingesteld met de
opdracht uiterlijk mei 1998 een standaardbasispakket JGZ te formuleren. Het
pakket omvat die JGZ-activiteiten die in gestandaardiseerde vorm aan elk kind
in Nederland worden aangeboden. Financiering geschiedt uit de huidige beschikbare
middelen;</al>
      <al>2. het standaardbasispakket kan worden aangevuld met een specifiek, op
de lokale situatie toegesneden pakket. Thuiszorgorganisaties c.q. gemeenten
dragen hiervoor financiële verantwoordelijkheid;</al>
      <al>3. implementatie van het standaardbasispakket vormt onderdeel van de voor
2000 voorgenomen evaluatie van de collectieve preventie, het gemeentelijk
gezondheidsbeleid en de GGD's;</al>
      <al>4. gemeenten worden gestimuleerd om via de gemeentelijke nota gezondheidsbeleid
te komen tot wederzijdse afstemming van zorg- en jeugdbeleid;</al>
      <al>5. er worden twee experimenten gestart met als uitgangspunt samenhang
en samenwerking tussen de nulde, eerste en tweedelijnszorg;</al>
      <al>6. het standpunt over de toegangsbijdrage voor de 0–4 jarigenzorg
wordt voor 1 februari 1998 aan de Kamer meegedeeld;</al>
      <al>7. de reeds ingezette ontwikkeling van professionele standaarden wordt
gecontinueerd;</al>
      <al>8. onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van de JGZ wordt geïntensiveerd;</al>
      <al>9. de totstandkoming van een gezaghebbend platform JGZ wordt gestimuleerd.
Dit platform wordt onderdeel van het in oprichting zijnde platform openbare
gezondheidszorg;</al>
      <al>10. effectieve vormen van VTO worden in het standaardbasispakket opgenomen. </al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,</functie>
        <naam>E. Borst-Eilers </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v4.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlemen- taire Documentatie.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v5.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlemen- taire Documentatie.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>