Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-199825616 nr. 2

25 616
Beleidsvoornemens politie 1998

nr. 2
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 24 oktober 1997

Tijdens het Algemeen overleg van 20 maart jl. (24 225, nr. 12) heb ik toegezegd u nader te informeren over de functie van surveillant van politie.

Hierbij ontvangt u, mede namens de Minister van Justitie, de toegezegde informatie. Achtereenvolgens geef ik algemene informatie over de functie van surveillant van politie, gevolgd door het voorlopige resultaat van een onlangs verricht onderzoek naar de functie van surveillant. Daarna bericht ik u omtrent de feitelijke stand van zaken over deze functionaris bij de politie, gevolgd door een standpuntbepaling naar aanleiding van enkele door uw Kamer gestelde vragen.

Algemene informatie over de functie van surveillant van politie

Op 5 februari 1992 stemde uw Kamer in met de invoering van een nieuwe functie op het laagste executieve niveau binnen de politie-organisatie, te weten de surveillant van politie. De behoefte aan meer toezicht op straat lag aan de invoering ten grondslag.

De surveillant beschikt over algemene opsporingsbevoegdheid. Over de inzetbaarheid van deze categorie opsporingsambtenaren hebben onze ambtsvoorgangers bij brief van 18 september 1991 aan uw Kamer bericht dat de taken van de surveillant van politie beperkt van aard zijn.

Het gaat daarbij om taken die naar verwachting geen grote onzekerheid of risico's met zich brengen zoals toezicht en controle, opmaken van proces-verbaal van eenvoudige strafbare feiten, verkeersregeling, gericht toezicht en dergelijke. De korpsbeheerder is verantwoordelijk voor de daadwerkelijke inzet van de surveillant.

De surveillant heeft de status van executief politieambtenaar. De uniformering is gelijk aan die van andere politieambtenaren. Gezien de hierboven omschreven beperkte taakopdracht bestaat de voorgeschreven bewapening uit wapenstok en handboeien.

De politiesurveillant wordt als adspirant aangesteld bij een regionaal politiekorps en volgt de voorgeschreven basisopleiding voor surveillant. Deze opleiding vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van het Landelijk Selectie en Opleidingsinstituut Politie (LSOP) en wordt verzorgd door de regionale opleidingscentra voor de politie. De opleiding kent een modulaire opbouw waarbij de inhoud en vormgeving van de modules zo flexibel mogelijk zijn gehouden omdat de feitelijke taakuitvoering van de surveillant van korps tot korps kan verschillen. Naast vaardigheden en kennis wordt aan houdingsaspecten als sociale vaardigheden, wijze van handelen en optreden en gedrag tijdens de uitoefening van het beroep, veel aandacht besteed. De minimum vooropleidingseis is gesteld op VBO-B. Na voltooiïng van de opleiding en afronding van de proeftijd kan op grond van de bestaande rechtspositie voor de politie een benoeming in tijdelijke dienst plaatsvinden voor minimaal twee en maximaal zes jaren. Daarna bestaat de mogelijkheid over te gaan tot een aanstelling in vaste dienst. De benoeming in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd werd in 1992 mogelijk gemaakt om het automatisme van een «life-time job» bij de politie te doorbreken. Na afloop van de tijdelijke aanstelling wordt aan de surveillant van politie een premie uitgekeerd.

Onderzoek naar de functie van surveillant van politie

In samenwerking met het LSOP is eind 1996 aan de Stichting Leerplan Ontwikkeling te Enschede opdracht gegeven een evaluatie-onderzoek uit te voeren naar de functie van surveillant van politie, met name gericht op het in kaart brengen van de opleidingsbehoeften en het ijken van de actualiteit van het opleidingsaanbod. Bij dit onderzoek werden alle regiokorpsen betrokken. In het kader hiervan is ook aandacht besteed aan onderwerpen als het invoeren van de functie van surveillant door de korpsen, de positie van surveillanten in de korpsen, hun feitelijke inzetbaarheid, het beroepsprofiel en de opleidingseisen. Naar verwachting zal het eindrapport in november van dit jaar worden afgerond.

Het hieronder geschetste beeld van de feitelijke stand van zaken is gebaseerd op de concept-rapportage. Bovendien is gebruik gemaakt van de resultaten van een in mei 1997 door het ministerie van Binnenlandse Zaken gehouden mini-enquête over surveillanten in dienst bij de politiekorpsen.

De feitelijke stand van zaken

Vanaf 1992 hebben de regionale politiekorpsen surveillanten van politie in opleiding genomen. Aanvankelijk waren de aantallen bescheiden te noemen, pas vanaf 1993 en de jaren daarna werd de instroom substantieel groter. Op grond van de onlangs gehouden enquête blijkt volgens de opgave van de korpsen dat er momenteel 1051 surveillanten van politie in de korpsen werken terwijl er daarnaast 320 adspiranten in opleiding zijn. Uit het evaluatie-onderzoek blijkt dat van de surveillanten die de opleiding zijn begonnen, 87 % het diploma behaalt. Voor wat betreft de werving en selectie maken nagenoeg alle regionale korpsen gebruik van de diensten van het Landelijk Selectie Centrum Politie (LSCP), waarbij de meeste korpsen voorafgaand of aanvullend op de procedures van het LSCP eigen selectie-activiteiten uitvoeren. Dit kan variëren van het maken van een voor-selectie tot het organiseren en laten volgen van een voorschakelcursus ten behoeve van kandidaten die nog niet aan alle vooropleidingseisen voldoen. Voor wat betreft het instromen vanuit de gemeentelijke toezichthoudende functies naar de functie van surveillant blijkt uit de enquête dat er binnen de meeste korpsen binnen deze doelgroep is geworven en geselecteerd. Daarbij wordt het voorbehoud gemaakt dat kandidaten pas kunnen worden aangesteld als aan alle gestelde benoemingseisen is voldaan. In totaal zijn tot mei 1997 op deze wijze 105 mensen uit toezichthoudende functies ingestroomd naar de functie van surveillant van politie.

Uit zowel het evaluatie-onderzoek als de enquête blijkt dat de korpsen een eigen beleid voeren op het punt van doorstroming van surveillant naar agent. De meeste korpsen geven aan nog geen uitgekristalliseerd systeem van doorstroming van surveillanten naar agent te hebben ontwikkeld. Beslissingen over doorstroming worden doorgaans ad-hoc genomen waarbij algemeen wordt gesteld dat potentiële doorstroomkandidaten in ieder geval de geschiktheid moeten bezitten die voor de hogere functie is vereist en dat men een goede beoordeling als surveillant dient te hebben. De korpsen geven tevens aan dat zij bereid zijn de mogelijkheid tot doorstroom aan het eind van het verstrijken van het tijdelijke contract te bezien. Hierbij wordt vaak vermeld dat er van doorstroming pas sprake kan zijn als er ruimte bestaat in de formatie van het korps. Uit de beschikbare cijfers blijkt dat er vanaf het jaar 1994 tot aan het jaar 1996 in totaal 38 surveillanten zijn doorgestroomd naar de functie van agent en dat er in 1997 naar verwachting 19 surveillanten zullen doorstromen. Naar verwachting zullen eind 1997 24 surveillanten de basisopleiding voor agent gaan volgen.

Deze relatief lage aantallen vallen naar alle waarschijnlijkheid te verklaren uit het feit dat het merendeel van de korpsen pas vanaf 1993 structureel surveillanten van politie in dienst is gaan nemen. Omdat uit de beschikbare gegevens van de enquête blijkt dat het merendeel van de politie-surveillanten een tijdelijke aanstelling van zes jaar heeft, zijn zij nog te kort in de korpsen werkzaam om te kunnen beoordelen of zij aan de gestelde geschiktheidseisen voor een hogere functie voldoen. Aan het eind van een tijdelijk contract dat niet wordt verlengd wordt voor elk jaar dat de surveillant in dienst is geweest een premie uitgekeerd. Dat geldt uiteraard niet als de surveillant doorstroomt naar een hogere functie. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat de surveillant van politie die naar tevredenheid functioneert maar niet de geschiktheid bezit om naar een hogere functie door te stromen, na afloop van het tijdelijk dienstverband als surveillant van politie in vaste dienst wordt benoemd. Ook in dat geval wordt er geen premie uitgekeerd.

Standpuntbepaling

De introductie van de surveillant van politie in 1992 wekte de verwachting dat een nieuwe functie met duidelijke taken en verantwoordelijkheden aan de politieorganisatie werd toegevoegd. In 1997 blijkt dat niet zozeer gesproken kan worden van een algemene surveillantenfunctie, maar eerder van diverse functies. De werkzaamheden van de surveillant van politie binnen en tussen de regiokorpsen kunnen zeer uiteenlopen. De korpsen zijn echter unaniem van mening dat de surveillant van politie voor zijn destijds geformuleerde beperkte taakuitvoering beschikt over voldoende tot uitstekende sociale vaardigheden en correct en beheerst is in het optreden. Tevens wordt de surveillant omschreven als plichtsgetrouw, gemotiveerd, behoorlijk zelfstandig en met een hoog normbesef. Er wordt professioneel omgegaan met individuele burgers en grote groepen mensen maar bovenal is men zeer ambitieus en wil men zich waar maken.

Op basis van de voorlopige uitkomsten van het uitgevoerde evaluatie-onderzoek is de conclusie gewettigd dat de invoering van deze functie positief wordt beoordeeld. De doorstroom van surveillanten naar de functie van agent van politie acht ik primair een verantwoordelijkheid van de korpsbeheerders. Ik heb op basis van de hiervoor vermelde uitkomsten van het evaluatie-onderzoek en de enquête redenen om aan te nemen dat deze doorstroom de komende jaren zal toenemen. Ik teken daarbij aan dat ik het beleid van de korpsbeheerders, waarbij als voorwaarde wordt gesteld dat van doorstroming pas sprake kan zijn wanneer kandidaten daartoe de geschiktheid bezitten, ondersteun.

Met de korpsbeheerders is van gedachten gewisseld over de instroom vanuit de gemeentelijke toezichthoudende functies. Het belang van deze instroom, zowel voor de toezichthouders als voor de politie-organisatie, wordt door hen ondersteund. Wel maken zij het voorbehoud dat potentiële kandidaten aan alle gestelde eisen van benoembaarheid moeten voldoen. Omdat het belang van een deugdelijke politiezorg zich naar mijn mening niet verhoudt met een lagere vooropleiding dan nu is gesteld ben ik niet voornemens afwijkingen van de gestelde minimum vooropleidingseis toe te staan.

Binnen de huidige rechtspositie voor de politie hebben de korpsbeheerders de mogelijkheid surveillanten van politie zowel in een tijdelijke als een vaste aanstelling te benoemen. Gezien de gedachten rond flexibilisering van de bedrijfsvoering in de korpsen acht ik het niet verstandig in deze systematiek verandering aan te brengen.

In het genoemde overleg is ook gevraagd of het de verantwoordelijkheid van de individuele korpschefs moet zijn te bepalen of surveillanten van politie een vuurwapen mogen hanteren. Ik merk op dat het uitgangspunt bij het in 1992 invoeren van de functie van politiesurveillant was dat de werkzaamheden van deze functionaris zich zouden beperken tot taken die naar verwachting geen grote onzekerheid met zich mee zouden brengen. Dat wil zeggen dat surveillanten geen taken uitvoeren die het gebruik van een vuurwapen noodzakelijk maken. Op grond van de bestaande regelgeving kunnen de Ministers van Binnenlandse zaken en van Justitie, op verzoek van de korpsbeheerder, toestaan dat de surveillant met een dienstpistool wordt uitgerust. Aan deze toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden. In ieder geval zal daarbij altijd moeten worden voldaan aan de vastgestelde eindtermen voor de vuurwapenopleiding van de basisopleiding tot agent. De toetsing daarvan geschiedt onder verantwoordelijkheid van het LSOP. Aan de korpsbeheerder van het regiokorps Haaglanden is in 1993 een dergelijke ontheffing verleend. De reden daarvoor was dat de surveillanten binnen die regio worden ingezet voor de bewaking van diplomatieke objecten waarbij op grond van internationale verdragen een voldoende gewaarborgd toezicht verplicht is.

Naar mijn mening is het destijds ingenomen standpunt omtrent de beperkte taakuitoefening van de surveillant en de te vermijden risico's daarbij nog onverkort van kracht. Ik vind het daarom niet noodzakelijk om in de bestaande systematiek verandering aan te brengen.

Ik verwacht u hiermede voldoende te hebben ingelicht.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal