﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25600-X-5/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1997-1998</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.0__2.3" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST24264</ordernr>
    <vergjaar>1997-1998</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>25 600 X</nummer>
      <naam>Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van
het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 1998</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>5</nummer>
      <titel>VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG</titel>
      <datum>Vastgesteld 3 oktober 1997</datum>
      <al>De vaste commissie voor Defensie<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> heeft een
aantal vragen voorgelegd aan de staatssecretaris van Defensie over het Jaarverslag
van de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht over het jaar 1996.</al>
      <al>De staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 2 oktober
1997.</al>
      <al>Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.</al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
        <naam>Korthals</naam>
        <functie>De griffier van de commissie,</functie>
        <naam>De Lange </naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">1</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de staatssecretaris het eens met de conclusie van de IGK dat het
binnen de krijgsmacht ontbreekt aan waarachtige zorg en aandacht voor welgemeende
adviezen van de werkvloer? Zo ja, welke waarachtige zorg ontbreekt en welke
gemeende adviezen worden bedoeld? Hoe is een dergelijk proces weer op gang
te krijgen?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Was u niet onaangenaam verrast door het vrij sombere beeld dat de
Inspecteur-Generaal schetst of komt het overeen met uw eigen waarnemingen?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welk beleid wordt gevoerd ter zake van situaties waar voortdurend
sprake is van verhoogde werkdruk?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe frequent wordt door de bewindslieden en de bevelhebbers de werkvloer
bezocht?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Neen.</al>
      <al>In de jaren negentig is het personeel geconfronteerd met een groot aantal
diep ingrijpende wijzigingen waarvan de invloed zich ook nu nog doet gelden.
Het is volstrekt begrijpelijk dat hierdoor gevoelens van onrust ontstaan,
die zich hier en daar ook uiten in een kritische opstelling ten opzichte van
de leiding van de krijgsmacht. Daarom is juist nu een open en eerlijke communicatie
met het personeel van groot belang. Het door de IGK geschetste beeld komt
niet overeen met indrukken uit eigen waarneming en uit rapportages.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Bevelhebbers hebben zorg voor het personeel tot een van de speerpunten
van beleid gemaakt en invulling daarvan aangemerkt als een cruciale succesfactor.
De aandacht voor de adviezen van de werkvloer blijkt met name uit de betrokkenheid
van medezeggenschapsorganen bij de van toepassing zijnde besluitvormingsprocessen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij alle krijgsmachtdelen vindt regelmatig onderzoek plaats naar de werklast
en de ervaren werkdruk. Zo is bij de Koninklijke luchtmacht op dit moment
een werklastonderzoek in voorbereiding. Met de aanbieding van de begroting
1998 wordt als gevolg van de actualisering van de Prioriteitennota onderkend
dat de personeelsreductie voor enkele delen van de organisatie te ambitieus
was vastgesteld. De organisatie zal zich inspannen om daar waar de werkdruk
sterk is toegenomen, deze terug te brengen tot een acceptabel niveau.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bijna wekelijks worden door bewindslieden en bevelhebbers werkbezoeken
gebracht aan de onderdelen. De bezoeken voorzien altijd in gesprekken met
een dwarsdoorsnede van het personeel, leidinggevenden alsook met de aanwezige
medezeggenschapsorganen. Ook overige leden van de krijgsmachtdeelraden brengen
frequent bezoeken. </al>
      <tuskop letat="vet">2</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Erkent de staatssecretaris eveneens de noodzaak om extra zorg aan
het imago van de krijgsmacht te besteden? Zo ja, welke initiatieven zijn c.q.
worden ondernomen?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke steun op het gebied van instructie en leiding aan de jonge
beroepsmilitair is er nog meer nodig, naast een helder stelsel van waarden
en normen?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is het pleidooi van de IGK voor een helder stelsel van waarden en
normen niet een direct verzoek voor een slagvaardige en heldere uitwerking
en toepassing van een gedragscode? Wat zijn tot nu toe de resultaten van de
gedragscode? Op welke wijze is deze binnen de krijgsmachtdelen uitgewerkt?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een goed imago is van groot belang voor de geloofwaardigheid en de professionaliteit
van de krijgsmacht. Imago en taakuitvoering beïnvloeden elkaar.
Daarbij is het imago rechtstreeks van invloed op de wervingskracht van de
krijgsmacht voor de werving. Het personeelsbeleid, de opleiding, objectieve
in- en externe voorlichting, maar ook elementen als de introductie van de
gedragscode, zijn middelen waarmee het imago versterkt kan worden. De publieke
aandacht voor de krijgsmacht wordt actief in stand gehouden door contacten
met de pers en door allerlei vormen van «public relations».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vooral bij de landmacht is een toegenomen behoefte aan vorming en begeleiding
van de BBT-ers. Daarom worden de didactische kwaliteiten van de instructeurs
verbeterd en krijgen instructeurs en het midden- en hoger kader cursussen
«bedrijfsethiek». Meer nog dan voorheen worden vorming en begeleiding
een integraal deel van de gehele opleiding van de militair.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het pleidooi van de IGK voor een helder stelsel van normen en waarden
kan inderdaad worden gezien als een verzoek voor een slagvaardige en heldere
uitwerking en toepassing van een gedragscode. Vorig jaar is de gedragscode
aan de Kamer toegezonden (kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 19).
Deze wordt nu door de krijgsmachtdelen nader uitgewerkt en zal in de loop
van 1998 in de verschillende krijgsmachtdelen en bij de Koninklijke marechaussee
zijn geïntroduceerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de uitwerking worden alle niveaus in de organisatie betrokken, teneinde
reeds in deze fase een draagvlak voor de gedragscode te scheppen. Daardoor
neemt de voorbereidingsfase iets meer tijd in beslag, maar het komt ten goede
aan een betere introductie en een groter draagvlak. </al>
      <tuskop letat="vet">3 en 26</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is het imago van de krijgsmacht de oorzaak van het niet voldoende
kunnen aantrekken van militairen die voldoen aan hoge opleidingseisen?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe groot is het probleem om geschikt personeel te vinden?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wanneer zullen de operationele eenheden volledig gevuld zijn met
BBT-ers? Waar doen zich thans nog problemen voor?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Gaat het met de werving van BBT'ers zo slecht dat er zelfs een tekort
is aan BBT-personeel in operationele eenheden? Zo ja, hoe komt dat?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke acties worden ondernomen om de werving van BBT-personeel te
verbeteren?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Neen.</al>
      <al>De belangstelling voor een baan bij de krijgsmacht wordt gewekt door het
positieve beeld dat jongeren hebben van de krijgsmacht, delen daarvan of zelfs
van enkele militaire functies. Uit onderzoek bleek dat één op
de tien jongeren positief staat ten opzichte van een baan bij de krijgs- macht.
Of jongeren ook daadwerkelijk solliciteren en vervolgens een functie bij de
krijgsmacht aanvaarden, is afhankelijk van vele factoren. Een der belangrijkste
factoren is de situatie op de arbeidsmarkt. De in 1997 wederom toegenomen
werkgelegenheid heeft er toe bijgedragen dat de werving minder goed verloopt
dan in 1996, evenals overigens in de burgersector.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De aanstellingsresultaten blijven vooral achter bij de behoefte bij specialistische,
vooral technische, functies in het algemeen en bij gevechts(ondersteunende)
functies bij de Koninklijke landmacht in het bijzonder.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Omtrent de voortgang van de werving verwijs ik u ook naar de antwoorden
op de kamervragen van de Tweede Kamerleden Van den Doel en Van
Hoof over de wervingsresultaten (Aanhangsel van de Handelingen nr. 1493),
d.d. 27 juni 1997. Overigens: Een hogere wervingsinspanning is noodzakelijk
om beter te kunnen putten uit het potentieel aan jongeren dat geïnteresseerd
is in indiensttreding bij de krijgsmacht.  </al>
      <tuskop letat="vet">4</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom lijkt er volgens de IGK voorlopig nog behoefte aan een koersbewaking
door de Regiegroep?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De IGK constateert dat de meeste projecten van de doelmatigheidsoperatie
in de loop van het jaar in een zodanig stadium zijn geraakt dat verdere afhandeling
in de lijn kan plaatsvinden. Daarom zou volgens de IGK de rol van de Regiegroep
kunnen worden beperkt tot het bewaken van de opbrengst van de doelmatigheidsoperatie. </al>
      <al>Inmiddels is vastgesteld dat de opbrengst van de doelmatigheidswinst zal
worden gerealiseerd. In de defensiebegroting voor 1998 is exact aangegeven
op welke wijze de opbrengst wordt verwezenlijkt. Aangezien daarmee de noodzaak
van handhaving van de regiegroep vervalt, is deze onlangs opgeheven. </al>
      <tuskop letat="vet">5</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze zal de informatievoorziening ten behoeve van de resultaatverantwoordelijke
lijnmanager verbeterd worden? Welke sancties worden toegepast indien benodigde
informatievoorziening niet op tijd wordt geleverd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De resultaat verantwoordelijke manager zal de beschikking krijgen over
geautomatiseerde hulpmiddelen, die hem in staat stellen zijn eenheid te leiden
en daarover verantwoording af te leggen. Deze hulpmiddelen zullen toegesneden
worden op de specifieke eenheid. In verband met de doelmatigheid zal zoveel
mogelijk gebruik worden gemaakt van dezelfde hulpmiddelen. In het kader van
de verbetering van de bedrijfsvoering zal per eenheid aandacht worden besteed
aan de verbetering van de informatievoorziening. Een zorgvuldige projectmatige
aanpak moet leiden tot een tijdige aanpassing van de informatievoorziening.
Het al dan niet beschikken over nieuwe of aangepaste geautomatiseerde hulpmiddelen
laat onverlet dat een lijnmanager de naasthogere niveaus tijdig en juist informeert.
Indien dat niet gebeurt, zullen van geval tot geval en de omstandigheden in
aanmerking nemend sancties (vooralsnog van rechtspositionele aard) kunnen
worden getroffen. </al>
      <tuskop letat="vet">6</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Heeft het opstellen van de jaarplannen problemen opgeleverd? Waren
deze jaarplannen kwalitatief van voldoende niveau?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het opstellen van de bedrijfsplannen (de jaarlijks per onderscheiden organisatie-onderdeel/resultaatverantwoordelijke
eenheid te vernieuwen vastlegging van afspraken met zowel een planmatig als
een taakstellend karakter) heeft bij de start geen echte problemen opgeleverd.
De inhoudelijke kwaliteit was doorgaans van voldoende niveau, hoewel het in
sommige gevallen niet anders dan op aannames kon berusten door gebrek aan
ervaringscijfers. Inmiddels is vastgesteld dat de opgedane ervaring bij het
opstellen van de bedrijfsplannen bij de integraal verantwoordelijke manager
heeft geleid tot een betere bewustwording van de bedrijfsprocessen in relatie
tot het realiseren van de vereiste output in termen van omvang, tijd, kwaliteit
en effectiviteit tegen zo gering mogelijke kosten («doelmatigheid»).  </al>
      <tuskop letat="vet">7</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe worden de aspecten motivatie, korpsgeest en collegialiteit geëvalueerd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Koninklijke luchtmacht hanteert reeds geruime tijd het Moreels Analyse
Systeem. Dit systeem, waarmee de onderdelen van de Koninklijke luchtmacht
elke twee jaar worden onderzocht, geeft een indicatie van het algemene moreel
op onderdeelsniveau.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de Koninklijke landmacht is het permanente onderzoeksinstrument «Periodieke
Rapportage Imago Satisfactie en Maatschappelijke acceptatie» sinds januari
1997 operationeel. Aan het beroepspersoneel worden door middel van een enquête
vragen gesteld die te maken hebben met het werken bij de Koninklijke landmacht.
Bij deze enquête komen onderwerpen aan de orde als collegialiteit, motivatie
en korpsgeest.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de Koninklijke marine wordt in operationele verslagen alsmede periodieke
rapportages eveneens aan deze onderwerpen de noodzakelijke aandacht besteed.
Een en ander vormt bovendien een belangrijk aspect bij de commandantenvergaderingen.
Vanuit het hoger management wordt door middel van werkbezoeken en gesprekken
de vinger aan de pols gehouden. Voornoemde aspecten zijn voorts jaarlijks
onderwerp van sociaal-wetenschappelijk onderzoek. </al>
      <tuskop letat="vet">8</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe wordt bewerkstelligd dat het beroepsleger van nu geworteld raakt
en gesteund wordt door brede lagen van de samenleving?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Defensie heeft de afgelopen jaren een actief beleid gevoerd om een breed
maatschappelijk draagvlak te bewerkstelligen. Dit beleid is enerzijds gericht
op de individuele militair, anderzijds op de krijgsmacht als geheel. Door
houding en gedrag draagt de individuele militair bij aan het imago van de
krijgsmacht. Dit is van belang omdat een positief imago een rol speelt bij
de verankering van de krijgsmacht in de samenleving en voor de aantrekkelijkheid
van de krijgsmacht als arbeidsorganisatie. Veel aandacht wordt aan houding
en gedrag besteed. Om de verankering en vermaatschappelijking van de krijgsmacht
als geheel te stimuleren, wordt zowel gestreefd naar een zo groot mogelijke
openheid voor maatschappelijke ontwikkelingen als naar een zo open mogelijke
presentatie van wat zich binnen de krijgsmacht afspeelt. De voorlichtingsactiviteiten
omvatten niet alleen de traditionele publieksvoorlichting, maar zijn ook gericht
op specifieke doelgroepen, zoals politici en journalisten.</al>
      <al>Met het bedrijfsleven wordt door middel van het opzetten van het zgn.
employers-support gestreefd om voor BBT'ers en ex-BBT'ers (reservisten) aansluiting
te zoeken met de civiele maatschappij.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals toegezegd in de brief van 14 augustus 1997 (nummer P97004678) zal
de Kamer voorafgaande aan de behandeling van de defensiebegroting 1998 een
brief ontvangen waarin nader wordt ingegaan op de relatie krijgsmacht–samenleving. </al>
      <tuskop letat="vet">9</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke lessen worden bedoeld die zijn geleerd naar aanleiding van
de tragedie met de Hercules?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De lessen die relevant zijn in het licht van de feitelijke tragedie zijn
opgenomen in verschillende rapportages, zoals in het Rapport van Ongeval van
de Koninklijke luchtmacht, het Eindrapport van de Raad van Advies inzake luchtvaartongevallen
bij Defensie, twee rapporten van de inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding
van het ministerie van Binnenlandse Zaken en een rapport van de
Inspectie Gezondheidszorg. De inhoud van deze rapporten, inclusief de «lessons
learned», is met het parlement besproken, laatstelijk tijdens een plenaire
vergadering van de Tweede Kamer op 10 en 11 juni 1997. </al>
      <tuskop letat="vet">10 en 13</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Door reorganisaties en personeelsplafonds komt het carrièreperspectief
van de BOT in de knel, wat demotivatie onder het personeel in de hand werkt.
Op welke manier wordt structureel aan dit probleem gewerkt?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze wordt de voorlichting nu beter aangepast aan de praktijksituatie?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke maatregelen zijn of worden getroffen om gemotiveerd te blijven
in het licht van het grote aantal reorganisaties en verslechtering van de
arbeidsvoorwaarden? Op welke manier wordt structureel aan dit probleem gewerkt?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wordt in de herziene Prioriteitennota een ander evenwicht overwogen
tussen ambitieniveau en inzet?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Ziet de staatssecretaris als gevolg van het jaarverslag van de IGK
aanleiding een onderzoek te doen naar de werkdruk en motivatie onder het personeel?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tijdens de reorganisaties die de defensie-organisatie ondergaat, is het
uitgangspunt gedwongen ontslag te voorkomen. Daarbij gaat behoud van werk
vóór carrièreperspectief. Zo nodig moet personeel bereid
zijn tot omscholing, neergeschud functioneren of een grotere woon-werkafstand.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorzien wordt dat dit proces in 2001 zal zijn afgerond. Door herstel
van het evenwicht tussen functiebestand en personeelsbestand ontstaan voor
het personeel weer reële doorgroeimogelijkheden. Voorts heeft het in
kaart brengen van loopbaanmogelijkheden prioriteit. Hierdoor kan het personeel
zich een beter inzicht verwerven in toekomstige mogelijkheden en op basis
daarvan keuzes maken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er wordt geen ander evenwicht overwogen tussen ambitieniveau en inzet.
In de actualisering van de Prioriteitennota zal onder meer als gevolg van
de «lessons learned» bij de inzet in vredesoperaties een verdere
verfijning van de organisatie plaatsvinden teneinde beter in staat te zijn
het bedoelde ambitieniveau in relatie tot de daadwerkelijke inzet te kunnen
garanderen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het aspect van de toegenomen werkdruk is onderkend. In het arbeidsvoorwaardenakkoord
april 1977 – juni 1999 is vastgesteld dat de verkleining van de Defensie-organisatie
in verband met de uitvoering van de Prioriteitennota en de maatregelen die
zijn genomen als uitvloeisel van de Novemberbrief, op een aantal plaatsen
in de organisatie heeft geleid tot een toegenomen werkdruk. De organisatie
zal zich inspannen om daar waar de werkdruk sterk is toegenomen, deze terug
te brengen tot een acceptabel niveau.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Krijgsmachtdelen doen continu onderzoek naar motivatie. (Zie het antwoord
op vraag 7). </al>
      <tuskop letat="vet">11</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe worden de extra vacatures die ontstaan door de verhoogde werkdruk
als gevolg van vredesoperaties en de voorbereiding daarop opgevuld? Over welke
vacatures gaat het precies?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe vaak is in 1996 het geplande opleidingsprogramma voor BBT-ers
gewijzigd, als gevolg van prioriteitkeuzes voor uitzendingen? </nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Komt het opleidingsprogramma regelmatig in de knel? Zo ja, hoe kan
dit in de toekomst worden voorkomen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de memorie van Toelichting bij de Defensiebegroting 1998 is op de aspecten
van personele tekorten ingegaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Als gevolg van prioriteitskeuzes voor uitzendingen moest in 1996 herhaaldelijk
een bijstelling van het opleidingsprogramma plaatsvinden. De planning en uitvoering
van de noodzakelijke opleidingen kwam hiermee weliswaar onder hoge druk te
staan, maar kon desondanks worden gerealiseerd. Omdat de bijdrage aan uitzendingen
tot op zekere hoogte onvoorspelbaar is, blijft dit extra druk op de planning
en realisatie van de opleidingen leggen. Door hierop te anticiperen en een
flexibele plannningsmethodiek te hanteren, kunnen verstoringen in de opleidingsprogramma's
tot een minimum worden beperkt. </al>
      <tuskop letat="vet">12</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke gevolgen heeft het verlengen van de BBT-contracten met een
jaar zonder dienverplichting op de uitzendbaarheid van defensiepersoneel en
het streven eenheden zoveel mogelijk als geheel uit te zenden?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De mogelijkheid tot verlenging van een BBT-contract zonder dienverplichting
is ingegeven door de wens BBT-ers aan het einde van het dienstverband binnen
het arbeidsproces te houden en hen voldoende gelegenheid te bieden aansluitend
een andere werkkring te vinden. Het opnieuw opleggen van een dienverplichting
werd als een te grote belemmering voor het vinden van ander werk gezien.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze verbintenis staat de uitzendbaarheid van de contractant niet in de
weg, evenmin overigens als dat bij BOT-personeel zonder dienverplichting het
geval is. Bij een aanvraag tot ontslag zal voor de BBT-militair de reguliere
opzegtermijn gelden, die evenwel kan worden bekort indien dat voor het aanvaarden
van een andere functie noodzakelijk is. </al>
      <tuskop letat="vet">13</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke maatregelen zijn of worden getroffen om gemotiveerd te blijven
in het licht van het grote aantal reorganisaties en verslechtering van de
arbeidsvoorwaarden? Op welke manier wordt structureel aan dit probleem gewerkt?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wordt in de herziene Prioriteitennota een ander evenwicht overwogen
tussen ambitieniveau en inzet?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Ziet de staatssecretaris als gevolg van het jaarverslag van de IGK
aanleiding een onderzoek te doen naar de werkdruk en motivatie onder het personeel?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 10. </al>
      <tuskop letat="vet">14 en 15</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke conclusies trekt de IGK uit de verzoeken om bemiddeling die
hem van BBT-ers bereiken?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het einde van de dienstplicht betekende onder meer een grote behoefte
aan BBT-ers. Uit het verslag van de IGK blijkt dat de voorspiegeling bij de
werving in relatie tot de praktijk van het werk menigmaal tot teleurstellingen
heeft geleid. Kan het zijn dat er een te gunstig beeld van de defensie-organisatie
wordt geschetst, dat wellicht kan zijn ingegeven door de dringende behoefte
aan nieuw personeel?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe komt het dat verwachtingen die tijdens de werving en selectie
bij BBT-ers over functies in de krijgsmacht niet worden verwezenlijkt? </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De IGK concludeert dat een goede afstemming van de voorlichting vóór
indienstneming en tijdens de opleiding essentieel is teneinde zoveel mogelijk
te voorkomen dat BBT-ers niet die functie krijgen waarvoor zij dachten te
worden aangenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tijdens de werving en selectie wordt ernaar gestreefd een reëel beeld
te schetsen van de defensieorganisatie, het werken in de organisatie en de
faciliteiten die BBT'ers worden geboden. BBT'ers worden evenwel aangesteld
in functiegroepen, waarbij te voren niet altijd kan worden aangegeven op welke
functie binnen die functiegroep zij uiteindelijk te werk worden gesteld. Wel
wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met de voorkeur van de BBT'ers.
Wanneer uiteindelijk niet de meest gewenste functie kan worden toegewezen,
kan dat een reden tot teleurstelling zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vanaf midden 1998 zullen de schoolbataljons die bij de Koninklijke landmacht
de algemene militaire opleiding voor de BBT'ers verzorgen bij het COKL worden
ondergebracht. Hiermee komt de verantwoordelijkheid voor het hele opleidingstraject
in één hand. Het is de verwachting dat daardoor kandidaten in
een vroeger stadium kunnen worden voorgelicht over de mogelijkheden voor toewijzing
van bepaalde functies. </al>
      <tuskop letat="vet">16</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom wordt in het nieuwe Reiskostenbesluit onderscheid gemaakt
tussen burger- en militair personeel? Waarom wordt in het Besluit Huisvesting
en Voeding en het Verplaatsingskostenbesluit onderscheid gemaakt tussen gehuwde
en ongehuwde militairen? Wil de staatssecretaris deze ongelijkheid wegnemen?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deelt u de opvattingen van de IGK m.b.t. de regeling Huisvesting
en voeding en het Verplaatsingskostenbesluit? Zo ja, bent u bereid de verschillen
in rechtspositie tussen gehuwde en ongehuwde militairen in dezelfde materiële
omstandigheden in de regeling Huisvesting en voeding en het Verplaatsingskostenbesluit
ongedaan te maken? Zo nee, waarom niet?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is vooraf met de nieuwe regeling een proef gehouden?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het nieuwe Besluit dienstreizen defensie (BDD) wordt het begrip «dienstreiziger»
gehanteerd, waarmee zowel het burger- als het militaire personeel wordt bedoeld.
In het BDD wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen het militaire personeel
en het burgerpersoneel. Integendeel: er zijn juist met dit besluit vrijwel
gelijke aanspraken tot stand gebracht. Er is vooraf geen proef gehouden met
de nieuwe regeling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Regeling huisvesting en voeding militairen en het Verplaatsingskostenbesluit
militairen wordt geen onderscheid gemaakt tussen gehuwde en ongehuwde militairen,
maar tussen militairen met gezinsleden en militairen zonder gezinsleden. Onder
gezinsleden wordt in dit verband verstaan de levenspartner van de militair
en de kinderen, stief- en pleegkinderen van de militair en/of de levenspartner
voor zover zij met de militair samenwonen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De militair die huisvesting en/of voeding van rijkswege geniet, is hiervoor
in het algemeen een bijdrage verschuldigd. Die bijdragen berusten op het besparingsbeginsel
en blijven achterwege bij onvermijdelijke dubbele lasten. De militair die
samenwoont met gezinsleden en die om redenen van dienst niet dagelijks heen
en weer kan reizen tussen zijn woning en de plaats van tewerkstelling, is
dan ook vrijgesteld van de bijdrage voor huisvesting. De militair zonder gezinsleden
die een eigen huishouding voert is in de situatie ook vrijgesteld van het
betalen van de bijdrage voor huisvesting, maar niet van een bijdrage
voor voeding, omdat daar geen sprake is van dubbele lasten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vooralsnog ben ik van mening dat er geen sprake is van ongerechtvaardigde
verschillen. Deze visie ligt momenteel ter toetsing voor bij de Centrale Raad
van Beroep. </al>
      <tuskop letat="vet">17</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In welke mate – kwantitatief en kwalitatief bezien –
zijn de personeelsplafonds bij de Klu, de KL, de Kmar en de KM een knelpunt?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe is het thans gesteld met het tekort aan specialisten bij de Klu?
Hoe is de stand van zaken met betrekking tot het nijpend tekort aan vliegers?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de memorie van Toelichting bij de Defensiebegroting 1998 is op verschillende
aspecten van de personeelsplafonds nader ingegaan in het kader van de actualisering
van de Prioriteitennota.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De tekorten doen zich met name voor bij functies waarvoor de vooropleidingseis
MTS wordt gesteld. Het betreft voornamelijk vliegtuigonderhoudsmonteurs, avionica-
en elektronicapersoneel. Bij de vliegtuigonderhoudsmonteurs zullen de tekorten
naar verwachting midden 1998 zijn aangevuld. De tekorten bij de specialisten
avionica en elektronica blijven mede door de wervingsvooruitzichten de nodige
aandacht vragen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met de aanschaf van verschillende vliegtuigtypen is de behoefte aan vliegers
toegenomen. Uitgaande van de verwachte uitstroom en de realisatie van een
jaarlijkse inname van 65 aspirant-vliegers zullen de tekorten over 4 jaar
zijn weggewerkt. Voorts worden in de beleidsmatige sfeer maatregelen ontwikkeld
om de binding met het aanwezige personeel te versterken alsmede om de uitstroom
te temporiseren danwel te beperken. </al>
      <tuskop letat="vet">18 en 91</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De IGK signaleert dat door de grofmazigheid van het selectienet,
personen met een ongewenst strafrechtelijk verleden de KL en de Kmar binnendringen.
Heeft deze verontrustende ontwikkeling mede te maken met grote mate van dringendheid
waarmee de krijgsmacht op zoek is naar personeel, als gevolg waarvan de zorgvuldigheid
weleens wat minder in het oog wordt gehouden?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoeveel personen zijn in 1996 de krijgsmacht binnengestroomd die
op grond van hun strafrechtelijk verleden geweerd zouden moeten worden? Welke
maatregelen worden genomen om personeel met een ernstig crimineel verleden
te weren? Zijn er duidelijke richtlijnen op grond waarvan kandidaten geweerd
kunnen worden?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Heeft het ministerie van defensie in het kader van de screening van
sollicitanten voldoende bevoegdheden teneinde alle noodzakelijke informatie
te kunnen verzamelen? Is de minister bereid het veiligheidsonderzoek bij de
selectie van BBT-ers en BOT-ers aan te scherpen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat bedoelt de IGK precies met de constatering dat de problematiek
rond de mazen van het selectienet bij de KMar inmiddels alle aandacht heeft?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naar alle personen die een militaire functie gaan bekleden wordt een veiligheidsonderzoek
ingesteld waarvan een justitiële naslag altijd deel uitmaakt. Het veiligheidsonderzoek
naar sollicitanten bij de Koninklijke marechaussee zal worden uitgebreid vanwege
de taken van de KMar onder meer ingevolge de Politiewet en de Wet op de inlichtingen-
en veiligheidsdiensten. De hiervoor noodzakelijke personele en organisatorische
maatregelen zijn reeds getroffen. Naar alle sollicitanten bij de KMar is met ingang van 1 september jl. dit uitgebreide veiligheidsonderzoek
ingesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Binnen Defensie worden duidelijke richtlijnen gehanteerd op grond waarvan
personen in verband met hun strafrechtelijk verleden kunnen worden geweerd
uit de krijgsmacht. Deze richtlijnen (beleidsregelingen) zijn inmiddels door
mij formeel vastgesteld (Stcrt. van 23 mei 1997, 95).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Slechts incidenteel kan worden afgeweken van de beleidsregelingen indien
bijzondere omstandigheden zulks rechtvaardigen (hardheidsclausule). Op grond
van dergelijke bijzondere omstandigheden is in 1996 tien maal afgeweken van
het beleid. Het betreft dan het bewust toepassen van de hardheidsclausule,
bijvoorbeeld indien een strafbaar feit lang geleden heeft plaatsgevonden,
de persoonlijke omstandigheden van betrokkene in positieve zin zijn gewijzigd
en de kans op recidive vrijwel nihil wordt geacht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Van een grofmazig selectienet, voor zover dit het strafrechtelijk verleden
van personen betreft, is derhalve geen sprake. Een verdere aanscherping is
niet noodzakelijk. </al>
      <tuskop letat="vet">19</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat betekent «neergeschud functioneren»?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit betekent dat een (militair) ambtenaar wordt geplaatst op een functie
waaraan een rang is gekoppeld die lager is dan de rang die de (militair) ambtenaar
op dat moment heeft. </al>
      <tuskop letat="vet">20</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wanneer zullen een aantal belangrijke reorganisaties zijn uitgeprocedeerd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een groot aantal belangrijke reorganisatievoorstellen is afgeprocedeerd.
Hierbij valt te denken aan de oprichting van het Defensie Intservice Commando
(Dico) en bedrijven daarin zoals de Defensie Telematica Organisatie (DTO)
en de Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie (DVVO). De implementatie van
deze reorganisatie en maatregelen, die een gevolg zijn van de doelmatigheidsoperatie,
loopt nog zeker door tot en met 2001. </al>
      <tuskop letat="vet">21</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe verloopt thans de werving van adelborsten? Aanvankelijk verschenen
hierover verontrustende berichten in de media.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De werving voor het korps zeedienst en van de technische korpsen blijft
ongeveer 25% achter bij de behoefte, terwijl bij de andere korpsen geheel
aan de wervingsbehoefte wordt voldaan. Dat is een vergelijkbaar beeld met
vorig jaar. Met gerichte wervingsacties en horizontale instroom wordt getracht
de achterstand in te lopen. </al>
      <tuskop letat="vet">22 en 23</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In hoeverre zijn de opleidingsinstructeurs er zèlf debet aan
dat hun functies laag staan aangeschreven?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat adviseert de IGK precies om verandering te brengen in de huidige
slechte carrièreperspectieven van opleidingsinstructeurs? Wat wordt
er op dit moment gedaan om de instructeurs van de BBT'er beter voor te bereiden
op hun functie? </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom staan opleidingsfuncties bij KL, Klu en Kmar niet hoog aan-
geschreven? Hoe is dit bij de KM? Welke initiatieven worden ondernomen om
hierin verbetering te brengen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het feit dat instructeursfuncties niet hoog staan aangeschreven vindt
niet zijn oorzaak in het gedrag van de instructeurs zelf.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Binnen de krijgsmacht behoren opleidingsfuncties over het algemeen niet
tot de meest geambieerde functies. Een verklaring daarvoor kan zijn dat degene
die voor het militair beroep kiest vooral wordt aangetrokken door operationele
activiteiten van de krijgsmacht. Zowel de meeste wervingsprogramma's als de
initiële opleidingen zijn ook primair daarop gericht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Koninklijke marine kent een vaar-walcyclus waardoor veel marinefunctionarissen
bij walplaatsing een opleidingsfunctie bij één van de KM-scholen
krijgen. Dit bevordert de acceptatie voor zo'n plaatsing en de bekendheid
met het opleidingsgebied, hetgeen de waardering voor die functies vergroot.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door onder meer verdergaande professionalisering van de opleidingsfuncties
zal de waardering voor opleidingsfuncties naar verwachting ook bij KL, Klu
en KMar toenemen. Voorts zal worden bezien op welke wijze opleidingsfuncties
beter onder de aandacht van het defensiepersoneel kunnen worden gebracht. </al>
      <tuskop letat="vet">24</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Voor de overgang van krijgsmacht naar burgermaatschappij is certificering
essentieel. Door het terugdringen van de opleidingstijd dreigt de certificering
in de knel te komen. Ziet de regering thans aanleiding om de opleidingstijd
te verlengen of wel anderszins maatregelen te treffen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De doelmatigheidsoperatie heeft het certificeringsproces niet vertraagd.
De certificering wordt beperkt door spreiding van civiel herkenbare elementen
in de typisch militaire opleidingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In veel gevallen is aanvullende maatschappelijke scholing nodig om betrokkene
een startkwalificatie te laten behalen ten behoeve van terugkeer op de arbeidsmarkt.
Hiervoor worden de BBT'ers studiefaciliteiten geboden. Dit is een doelmatiger
benadering dan het verlengen van de opleidingstijd. </al>
      <tuskop letat="vet">25</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke (brigade-geleide) bataljonsoefeningen hebben in 1996 plaatsgevonden?
Hoe verhoudt zich dat tot de voorgeschreven oefenfrequentie?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In 1996 hebben de volgende brigade-geleide bataljonsoefeningen plaatsgevonden:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>1. Periode: 26-02-96 t/m 08-03-96.</al>
      <al>Locatie: La Courtine (Frankrijk)</al>
      <al>Eenheid: 12 Infbat Lumbl o.l.v. Staf 11 Lumblbrig</al>
      <al>Soort oefening: FTX (Field Training Exercise)</al>
      <witreg></witreg>
      <al>2. Periode: 20-05-96 t/m 31-05-96</al>
      <al>Locatie: CMTC Hohenfels (Duitsland)</al>
      <al>Eenheid: 12 en 13 Infbat Lumbl o.l.v. Staf 11 Lumblbrig</al>
      <al>Soort oefening: FTX (Oefening o.l.v. HQ MND(C))</al>
      <witreg></witreg>
      <al>3. Periode: 12-06-96 t/m 28-06-96 </al>
      <al>Locatie: Tsjechië</al>
      <al>Eenheid: 42 Painfbat (A-Cie) en 42 Tkbat (B-Esk en St-Esk) o.l.v. Staf
41 Ltbrig</al>
      <al>Soort oefening: FTX</al>
      <witreg></witreg>
      <al>4. Periode: 16-04-96 t/m 26-04-96</al>
      <al>Locatie: Vogelsang (Duitsland)</al>
      <al>Eenheid: 17 Painfbat, 42 Painfbat (A-Cie) en 42 Tkbat A-Esk) o.l.v. Staf
41 LTbrig</al>
      <al>Soort oefening: FTX (Oefening ter afsluiting voorbereiding IFOR-2)</al>
      <witreg></witreg>
      <al>5. Periode: 03-12-96 t/m 12-12-96</al>
      <al>Locatie: Sennelager (Duitsland)</al>
      <al>Eenheid: 42 Painfbat en 42 Tkbat (B-Esk en St-Esk) o.l.v. Staf 41 Ltbrig</al>
      <al>Soort oefening: FTX</al>
      <witreg></witreg>
      <al>6. Periode: 28-10-96 t/m 08-11-96</al>
      <al>Locatie: Vogelsang (Duitsland)</al>
      <al>Eenheid: 101 Tkbat, 17Painfbat (A-Cie) o.l.v. Staf 13 Mechbrig</al>
      <al>Soort oefening: FTX (Oefening ter afsluiting voorbereiding SFOR)</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De voorgeschreven oefenfrequentie is dat elk manoeuvrebataljon eens in
de 18 maanden een brigadegeleide oefening ondergaat. Bij 9 manoeuvrebataljons
houdt dit in dat op jaarbasis 6 brigade geleide bataljonsoefeningen dienen
plaats te vinden. In 1996 hebben zoals weergegeven 6 oefeningen plaatsgevonden.
Hierbij moet worden opgemerkt dat 2 oefeningen hiervan zijn gehouden in het
kader van de inzet in voormalig Joegoslavië. </al>
      <tuskop letat="vet">26</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wanneer zullen de operationele eenheden volledig gevuld zijn met
BBT-ers? Waar doen zich thans nog problemen voor?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Gaat het met de werving van BBT'ers zo slecht dat er zelfs een tekort
is aan BBT-personeel in operationele eenheden? Zo ja, hoe komt dat?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke acties worden ondernomen om de werving van BBT-personeel te
verbeteren?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 3. </al>
      <tuskop letat="vet">27</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke waarborgen moeten worden ingebouwd om te komen tot het voor
de organisatie meest wenselijke loopbaantraject?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De defensie-organisatie heeft behoefte aan personeel dat overwegend binnen
de eigen organisatie de benodigde kennis en ervaring heeft opgedaan. Daartoe
wordt gebruik gemaakt van loopbaanpatronen. In elke fase van de loopbaan van
de militair wordt daardoor relevante ervaring opgedaan, benodigd voor de vervulling
van functies in volgende fasen. Dit, in combinatie met gerelateerde (loopbaan)opleidingen,
draagt zorg voor voldoende personeel met de benodigde kennis en ervaring voor
vervulling van functies. </al>
      <tuskop letat="vet">28</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wordt het verdwijnen van de wapen- of dienstvakbeheerder c.q. de
vakoudste gecompenseerd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ondanks de nagestreefde decentralisatie van het functietoewijzingsproces
is bij de Koninklijke landmacht de noodzaak onderkend om overzicht te houden
over de ontwikkelingen in het functiebestand voor beroepspersoneel onbepaalde
tijd. Daarom treedt binnen de centrale Personeelsdienst Beroepspersoneel
Onbepaalde Tijd (PDBOT) per wapen/dienstvak en per categorie een personeelsfunctionaris
op als monitor. Dit najaar zal op basis van een evaluatie van de huidige situatie
een definitief besluit worden genomen over decentralisatie van dit functietoewijzingsproces.
Daarbij zal tevens aan de orde komen in hoeverre de taken van de vroegere
wapen- of dienstvakbeheerder en de huidige monitor moeten worden gecompenseerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de Koninklijke luchtmacht zijn inmiddels bij de Luchtmachtstaf functies
aangewezen waarop de zittende functionarissen fungeren als vakoudste die als
zodanig worden geraadpleegd door de plaatsingsfunctionarissen. </al>
      <tuskop letat="vet">29</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom is er geen eenduidig loopbaanbeleid voor zowel burger- als
militair personeel binnen de krijgsmacht ontwikkeld? Zijn er plannen om dit
te ontwikkelen? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Omdat het personeelssysteem voor militairen in essentie afwijkt van het
open personeelssysteem voor burgers, zijn verschillen in loopbaanbeleid voor
beide categorieën onvermijdelijk. Er zijn dan ook geen plannen om te
komen tot een eenduidig loopbaanbeleid voor zowel burger- als militair personeel
binnen de krijgsmacht. </al>
      <tuskop letat="vet">30</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zijn er plannen om een onderzoek te verrichten naar de mogelijkheid
om het personeel te voorzien van een minimum standaard vaccinatiepakket?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een vaccinatiepakket wordt altijd afgestemd op de gezondheidsrisico's
van de omgeving waarin men verblijft of gaat verblijven. Een aantal van deze
gezondheidsrisico's komt vrijwel overal ter wereld voor. Aangezien –
in beginsel – alle militairen wereldwijd ingezet moeten kunnen worden,
is het zinvol een actueel, breed basisvaccinatiepakket vast te stellen dat
bij daadwerkelijke inzet van betrokkenen nog aangevuld kan worden met voor
het uitzendgebied specifieke vaccinaties. Momenteel is het voorstel voor een
dergelijk (herzien) pakket afgerond en voorgelegd aan een commissie van deskundigen
die daar binnenkort over zal adviseren. </al>
      <tuskop letat="vet">31 en 33</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is het waar dat personele tekorten een negatieve uitwerking hebben
op het efficiënt inzetten van militair luchttransport? Zo ja, ziet u
mogelijkheden om dit te verhelpen? Wanneer een afweging dient te worden gemaakt
tussen de inzet van militair luchttransport voor regulier passagiersvervoer
en het gebruik van civiele middelen wordt dan afgewogen welke manier uit financieel
oogpunt het meest doelmatig is? Wanneer bij deze afweging wordt gekozen voor
een variabele kosten-benadering, acht de minister de inzet van militaire transportmiddelen
op deze basis doelmatig?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe en wanneer wordt voorzien in de personele tekorten op de vliegbasis
Eindhoven?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ja. In de memorie van Toelichting bij de defensiebegroting 1998 wordt
op aspecten van personele tekorten nader ingegaan in het kader van de actualisering
van de Prioriteitennota.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor regulier passagiersvervoer wordt in principe gebruik gemaakt van
militair luchttransport. Indien geen luchttransport voor de Koninklijke luchtmacht
beschikbaar is, wordt onderzocht of gebruik kan worden gemaakt
van militair luchttransport van landen waarmee terzake een «Memorandum
of Understanding» (MOU) is afgesloten. Indien dit niet mogelijk is,
zorgt de Defensie Verkeers en Vervoers Organisatie (DVVO) voor civiele inhuur.
Bedoelde MOU's bestaan met België, Noorwegen, Duitsland, het Verenigd
Koninkrijk en de Verenigde Staten. Op korte termijn zijn dergelijke overeenkomsten
voorzien met Frankrijk, Spanje en Portugal.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De beschreven procedure vormt een doelmatige basis voor de inzet van militaire
transportmiddelen. </al>
      <tuskop letat="vet">32</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De IGK signaleert dat een onevenredig groot beroep wordt gedaan op
de specialisten. Daarnaast blijkt dat de combinatie van veelvuldig oefenen
en regelmatige uitzending een hele zware druk legt op het BOT-personeel en
hun achterban. Hoe beoordeelt de regering dit signaal van de IGK?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de Koninklijke landmacht, die het meeste personeel voor uitzendingen
levert, wordt thans een onderzoek gedaan naar frequent uitzenden (met name
van specialisten), soms in combinatie met regelmatig oefenen, en de effecten
daarvan. De bevindingen van dit onderzoek zullen naar verwachting in grote
lijnen ook op de Koninklijke marine en Koninklijke luchtmacht van toepassing
zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderzoek volgt drie sporen: hoe ervaren betrokkenen en hun gezinsleden
de uitzendingen en de recuperatietermijn, wat zijn de objectief vast te stellen
gevolgen daarvan, en wat zijn internationaal gezien de ervaringen? Op basis
van de uitkomsten van dit onderzoek zal worden bezien of en zo ja op welke
punten het uitzendbeleid kan worden bijgesteld. </al>
      <tuskop letat="vet">33</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe en wanneer wordt voorzien in de personele tekorten op de vliegbasis
Eindhoven?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 31. </al>
      <tuskop letat="vet">34</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat zijn tot nu toe de ervaringen met de helpdesk in het kader van
nazorg uitzending? Welke werkwijze wordt gehanteerd? In hoeveel gevallen is
hier het afgelopen jaar gebruik van gemaakt?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het eerste halfjaar 1997 is de helpdesk ruim 2100 keer gebeld, maar
is slechts 1 gesprek gevoerd dat past binnen de formele doelstelling van de
0800-helpdesk lijn. Voorts zijn 17 bellers met andere problematiek door de
Maatschappelijke Dienst Defensie geholpen danwel doorgewezen, terwijl 57 bellers
andere vragen stelden Defensie betreffend en konden worden doorverwezen. In
2056 gevallen betrof het een «niet relevant» telefonisch contact,
waarvan 311 keer 's nachts.  </al>
      <tuskop letat="vet">35 en 95</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom ontvangen KM- en Klu-postactieven wel een veteranenpas en
KL-postactieven niet?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de staatssecretaris bereid bepaalde faciliteiten zoals de veteranenpas
toe te kennen aan overige groepen post-actieven, zoals bijvoorbeeld de oud-militairen
Landmacht Nederlandse Antillen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>KM- en KLu-postactieven ontvangen na hun dienstverlating wegens leeftijdsontslag
een «pas gewezen militairen» als toegangsbewijs voor
militaire locaties. Recent is daaraan toegevoegd de gratis toegang tot militaire
musea. De KL zal in 1998 deze pas aan post-actieven verstrekken in de vorm
van een «smart card» zoals deze bij dit krijgsmachtdeel momenteel
wordt ontwikkeld voor al haar personeel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De pas die wordt verstrekt aan veteranen – afkomstig van alle krijgsmachtdelen –
is van een ander karakter dan de pas postactieven. Uit het oogpunt van zorg
en erkenning voor veteranen zijn aan deze pas meerdere faciliteiten verbonden,
zoals verstrekking van vrijvervoers-bewijzen voor het bijwonen van reünies
en herdenkingen. De veteranenpas wordt verstrekt door de Stichting Dienstverlening
Veteranen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Oud-militairen Landmacht Nederlandse Antillen komen in aanmerking voor
genoemde faciliteiten indien zij veteraan zijn of de militaire dienst met
leeftijdsontslag hebben verlaten. </al>
      <tuskop letat="vet">36 en 37</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is de reden dat Defensie aan militairen met functioneel leeftijdsontslag
geen nadere informatie verstrekt over ontwikkelingen in de sociale en ziektekostenverzekeringen
en pensioenen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is de oorzaak van de hoge premie voor de SZVK-ziektekostenverzekering
voor oud-militairen? Is er voor FLO-militairen sprake van gedwongen winkelnering
op het gebied van ziektekostenverzekering? Zo ja, waarom? Bent u bereid zich
in te zetten voor een meer helder en transparant beleid op het terrein van
sociale verzekeringen en pensioenen voor alle post-actieven? Blijven, gezien
de wijziging van de ziektekostenverzekering, de extra kosten voortkomend uit
een dienstongeval van de minder valide post-actieve militairen voor rekening
van het ministerie van Defensie?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Militairen met een uitkering op grond van leeftijd (Uitkering op grond
van de Uitkeringswet gewezen militairen, gewoonlijk UKW-uitkering genoemd)
ontvangen regelmatig informatie in de vorm van nieuwsbrieven. Deze richten
zich specifiek op de doelgroep UKW-ers, hetgeen betekent dat zij niet worden
belast met informatie die niet voor hen van belang is (zoals wijzigingen in
niet voor hen van toepassing zijnde sociale verzekeringswetten, zoals de WW
en de WAO). Wel wordt stilgestaan bij onderwerpen zoals de ZVO-regeling (ziektekostenvoorziening
voor overheidspersoneel) en voor de UKW relevante aspecten, zoals garanties
die voortvloeien uit inverdiend pensioen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het kader van het arbeidsvoorwaardencontract 1997–1999 is toegezegd
aan militairen met een uitkering op grond van leeftijd (nog) meer aandacht
te besteden aan het voorlichtingsaspect inzake pensioenen en sociale zekerheid
dan nu al het geval is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De SZVK is met Univé een collectieve particuliere verzekering overeengekomen
voor de militairen die vanwege leeftijdsontslag de militaire dienst hebben
verlaten en recht hebben op de zogenaamde UKW-uitkering en de wachtgeldgenietende
militairen die aansluitend op het wachtgeld recht hebben op een UKW-uitkering.
Deelname aan deze collectieve verzekering is vrijwillig. In de premie wordt
door de SZVK bijgedragen door middel van een vereffeningsbijdrage. Deze bijdrage
wordt gefinancierd uit de voor de militairen in werkelijke dienst vastgestelde
premies. De resulterende premie en het aangeboden pakket kunnen de vergelijking
met andere ziektekostenverzekeringen doorstaan, zeker als wordt bedacht dat
de leden van de doelgroep voor de verzekering worden geaccepteerd
zonder uitsluitingen en zonder verhoogde premies in verband met de gezondheidstoestand.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het arbeidsvoorwaardenoverleg voor de periode april 1997 tot juni 1999
is afgesproken dat op een nader te bepalen tijdstip een wijziging zal worden
gebracht in het ziektekostenstelsel voor de krijgsmacht. Degenen die met recht
op een UKW-uitkering de militaire dienst verlaten zullen dan tot het bereiken
van de leeftijd van 65 jaar verplicht verzekerd blijven bij de SZVK. Er is
alsdan sprake van een volledige solidariteit tussen actieven en UKW'ers.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De extra kosten van de minder valide postactieve militairen, die voortkomen
uit een dienstongeval, blijven voor rekening van het ministerie van Defensie,
een en ander met inachtneming van wettelijke uitvoering door andere overheids-
en sociale verzekeringsinstellingen. </al>
      <tuskop letat="vet">38</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is de verhouding tussen SDV en SVP waar het gaat om veteranenbeleid?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Stichting Dienstverlening Veteranen (SDV) is een door Defensie gesubsidieerde
stichting die het veteranenbeleid uitvoert, gericht op het vergroten van de
maatschappelijke erkenning van veteranen en het bevorderen van de immateriële
hulp- en dienstverlening aan veteranen. Het Veteranenplatform is een stichting
waarin talrijke veteranenorganisaties zijn verenigd en die optreedt als belangenbehartigingsorganisatie.
Een vertegenwoordiger van het Veteranenplatform maakt deel uit van het bestuur
van de SDV. </al>
      <tuskop letat="vet">39 en tweede deel vraag 64</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat gaat u doen met het advies om een diepgaand onderzoek te houden
naar sexuele intimidatie om tot een beter beleid te komen?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe wenst u invulling te geven aan de gedachte dat seksuele intimidatie
binnen de krijgsmacht niet wordt getolereerd?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke schaal is sprake van seksuele intimidatie? Neemt deze toe?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wanneer zal de klachtenprocedure sexuele intimidatie, agressie en
geweld worden geïntroduceerd en wordt hierover uitgebreide voorlichting
binnen de krijgsmacht verschaft?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is er zicht op de belemmeringen die vrouwen – naast sexuele
intimidatie – ondervinden, waardoor toetreding tot en functioneren in
de krijgsmacht stagneert?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wordt er tijdens de opleiding van de BBT'er aandacht geschonken aan
sexuele intimidatie? Zo ja, op welke wijze?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waar kunnen slachtoffers van sexueel misbruik terecht en hoe zit
de klachtenprocedure in elkaar?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Bestaat er al een gedragscode omtrent het tegengaan van sexuele intimidatie?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe staat het met goede voorlichting en vorming op alle niveaus binnen
de organisatie op dit terrein?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wordt diepgaand onderzoek in dezen overwogen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarop is de verwachting gebaseerd dat gedragsregels, een gedragscode,
een klachtenprocedure, seksuele intimidatie zullen doen afnemen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit het jaarverslag van de IGK valt af te leiden dat seksuele intimidatie
bij de krijgsmacht zich in het bijzonder voordoet tijdens varen of tijdens
uitzending en tijdens de opleidingsperiode. Vooral BBT'ers zouden met het
verschijnsel worden geconfronteerd. Uit externe literatuur blijkt dat seksuele
intimidatie het minst voorkomt in een arbeidsorganisatie waar ongeveer
evenveel vrouwen als mannen werken en waar de functies evenwichtig over beide
seksen zijn verdeeld. Seksuele intimidatie komt weinig voor in een organisatie
waar vrouwen een gering percentage uitmaken van het personeelsbestand, maar
neemt juist toe in een organisatie waar de groei van het aantal vrouwelijke
medewerkers een bedreiging gaat vormen voor de dominante organisatiecultuur.
Vrouwen in lagere functies blijken vaker seksuele intimidaties te ervaren
dan vrouwen hoger in de hiërarchie. In de krijgsmacht zijn dat vooral
de vrouwelijke BBT'ers. Behalve door hun positie, krijgen zij ook door hun
onervarenheid te maken met seksuele intimidatie.</al>
      <al>De krijgsmacht is een organisatie met een dominante (mannen)cultuur. De
spanningen die normaliter tussen mannen en vrouwen in zo'n situatie toch al
ontstaan, worden in de krijgmacht nog versterkt doordat mannen en vrouwen
niet alleen samen werken maar ook samen wonen (m.n. bij legering op de kazerne
en bij varen en uitzending). In dit licht bezien zijn incidenten – hoe
betreurenswaardig ook – niet uit te sluiten. Natuurlijk moet een onderscheid
worden gemaakt tussen lichtere en zwaardere vormen van intimidatie. Met lichtere
vormen worden meestal dubbelzinninge of insinuerende opmerkingen bedoeld,
de zwaardere slaan op fysiek geweld en expliciet compromitterende voorstellen.
De IGK merkt in zijn jaarverslag op dat het aantal geregistreerde meldingen
van seksuele intimidatie weliswaar niet hoog is, maar dat dit niet mag leiden
tot het onderschatten van de problematiek.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Volgens externe literatuur blijkt dat zeventig procent van de daders stopt
met seksueel intimiderend gedrag als zij daarop worden aangesproken door een
derde. Door ingrijpen van een collega of leidinggevende wordt het signaal
gegeven dat het gedrag ongewenst is en niet als normaal wordt beschouwd. Beleid
ter bestrijding van de seksuele intimidatie dient te bestaan uit een intentieverklaring
van het topmanagement dat seksuele intimidatie niet wordt getolereerd, gevolgd
door activiteiten op het gebied van voorlichting, preventie, vertrouwenspersonen,
klachtenregeling en klachtencommissie en disciplinaire maatregelen en straffen.
De beleidsmaatregelen ter bestrijding van seksuele intimidatie bij de krijgsmacht
zijn daarop gericht. Juist de afgelopen periode zijn bij defensie vele maatregelen
getroffen:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>a. Er is een algemene gedragscode betreffende normen en waarden tot stand
gebracht. Krijgsmachtdelen geven daaraan zelf invulling, waarbij aandacht
wordt besteed aan de omgang van mannen en vrouwen met elkaar.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>b. Per beleidsterrein is een klachtenprocedure seksuele intimidatie tot
stand gebracht en een klachtencommissie ingesteld. Vertrouwenspersonen zijn
aangesteld. Bovendien bepaalt de klachtenprocedure dat een klager zich ook
tot anderen in de organisatie kan wenden met het verzoek op te treden als
vertrouwenspersoon.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>c. Kader, BBT'ers en individuele hulpverleners worden geschoold m.b.t.
het omgaan met en het voorkómen van seksuele intimidatie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>d. Een brochure over seksuele intimidatie is medio dit jaar toegezonden
aan het militaire en burgerpersoneel van Defensie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>e. Er wordt een beperkt aantal weerbaarheidscursussen gegeven voor vrouwen
die problemen hebben ondervonden in de werksfeer. De deelnemers worden aangemeld
via de vertrouwenspersoon Koninklijke Landmacht. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met dit beleid is binnen de krijgsmachtdelen de bestrijding van seksuele
intimidatie geïntensiveerd. Deze intensivering moet voldoende tijd krijgen
om effect te kunnen hebben. Kwantitatieve gegevens zijn niet benodigd om alle
leidinggevende niveaus ervan te overtuigen dat tegen seksuele intimidatie
moet worden opgetreden of om te bewijzen dat er sprake is van een ernstig
of veel voorkomend verschijnsel. Een diepgaand onderzoek wordt om die reden
niet overwogen. </al>
      <tuskop letat="vet">40, 41 en 42</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom wordt het streefpercentage 8% vrouwen in de krijgsmacht nog
steeds niet gehaald? Kan de staatssecretaris aangeven welke maatregelen hij
de afgelopen drie jaar heeft ondernomen om dit streefpercentage te behalen?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat wordt er naast deze conclusies concreet gedaan om de uitstroom
van vrouwelijke militairen tegen te gaan?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke maatregelen zijn er om doorstroming van vrouwen naar hogere
functies te bevorderen? Wanneer verwacht de staatssecretaris de eerste vrouwelijke
bevelhebber?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke maatregelen worden overwogen om de regeling deeltijdverlof
breder in te voeren; idem voor deeltijdfuncties binnen de Klu?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naast het gegeven dat in de afgelopen jaren door het herstructurerings-
en reductieproces de gestelde doelen in het emancipatiebeleid bij Defensie
onder druk zijn komen te staan, moet in overweging worden genomen dat de krijgsmacht
een organisatie is met een aantal specifieke kenmerken. Inconveniënten
als uitzending, vaarperiodes, functieroulatie, oefeningen, de gedwongen combinatie
van wonen en werken, trekken onvermijdelijk een wissel op het personeel. Bij
een dergelijke beroepskeuze zullen zowel mannen en vrouwen problemen ondervinden
in het combineren van een loopbaan enerzijds en een gezin, studie en vrijtijdsbesteding
anderzijds.</al>
      <al>Het vernieuwde Emancipatiebeleid Defensie (Kamerstukken II 1996/97, 25 436,
nr. 1) dat op 25 juni jl. aan de Tweede en Eerste Kamer is aangeboden, is
er met name op gericht vrouwen voor de defensie-organisatie zo veel mogelijk
te behouden en hun uitstroom tegen te gaan door hen te steunen op een cruciaal
moment in hun loopbaan, n.l. wanneer zij een evenwicht moeten vinden tussen
de keuze voor een gezin en de voortzetting van de loopbaan. Door de verruiming
van de mogelijkheden voor deeltijdverlof, kinderopvang en herintreding maakt
Defensie zich mede-verantwoordelijk voor het vinden van een oplossing voor
de dubbele belasting in de combinatie van arbeid en zorg. Zoals beschreven
in de Beleidsbrief Emancipatie Defensie wordt voor vrouwelijke militairen
met een aanstelling voor onbepaalde tijd een recht op deeltijdverlof ingevoerd.
Dit houdt in dat een verzoek om deeltijdverlof z.s.m. zal worden gehonoreerd,
doch uiterlijk binnen een termijn van drie jaren. Een centraal meldpunt bij
elk van de krijgsmachtdelen zal de individuele verzoeken om deeltijdverlof
gaan coördineren. In het vernieuwde emancipatiebeleid is ook ruimte gecreëerd
voor een management development-traject voor vrouwen vanaf schaal 10 en vanaf
de rang van kapitein, teneinde hen te begeleiden in hun loopbaan en te voorkómen
dat zij de organisatie verlaten i.v.m. onvoldoende perspectief.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Sedert 1979 staan alle opleidingen voor vrouwen open, ook de carrière-opleidingen.
De komst van de eerste vrouwelijke bevelhebber zal in de tijd een logische
stap worden wanneer voldaan wordt aan factoren als de aanwezigheid van de
juiste kandidate en haar ambitie.  </al>
      <tuskop letat="vet">43</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Gaat u bevorderen dat er ook bij de Klu exit-interviews worden gehouden
met vrouwen die de organisatie voortijdig verlaten?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat zijn de conclusies tot nu toe van de exit-interviews van vrouwelijke
militairen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ja. De KLu is voornemens, als deelmaatregel van het emancipatiebeleid,
exit-interviews te gaan houden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De inhoud van tot nu toe gehouden exit-interviews is vertrouwelijk teneinde
individuele vrouwelijke militairen te garanderen dat zij vrijelijk kunnen
praten over de reden van dienstverlating. Bij de formulering van het nieuwe
emancipatiebeleid is wél als algemene lijn rekening gehouden met de
meest voorkomende redenen van voortijdige dienstverlating. Om die reden is
in de beleidsbrief aangedrongen op een goede (beroepen)- voorlichting teneinde
te voorkómen dat vrouwen een verkeerd beeld krijgen van de organisatie
waarbinnen zij gaan functioneren. Tevens zijn maatregelen opgenomen die voor
vrouwen de combinatie van arbeid en zorg moeten vergemakkelijken. </al>
      <tuskop letat="vet">44</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarin verschilt het werkplan in het kader van de WBEAA uit 1995
van dat uit 1996? Op welke wijze denkt men nu wel het streefpercentage te
halen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het beleid van Defensie ten aanzien van de WBEAA is gericht op continuïteit
omdat ervan uitgegaan wordt dat een dergelijk beleid met name op de lange
en middellange termijn effect zal hebben. Er bestaat daarom weinig verschil
tussen de in 1995 en 1996 opgestelde werkplannen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op het gebied van werving en voorlichting wordt al enige jaren specifiek
aandacht gegeven aan minderheidsgroeperingen. Door de «ontgroening»
van Nederland en dientengevolge de afname van het jongerenaanbod op de arbeidsmarkt
zal werving onder allochtonen een steeds belangrijkere plaats innemen. Het
aandeel allochtonen in de organisatie zal hierdoor in de toekomst toenemen.
De stijging in de WBEAA percentages geeft hiertoe al een indicatie. </al>
      <tuskop letat="vet">45</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Bent u bereid maatregelen te nemen om te waarborgen dat er voldoende
professionaliteit en continuïteit in de bezetting van functies die zich
met de instroom en het behoud van allochtonen moeten bezighouden, behouden
blijft?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er is geen reden om aan te nemen dat er een gebrek aan professionaliteit
heerst in de bezetting van de door de IGK beschreven functies. Door een zich
steeds verder uitbreidende ervaring op dit gebied is de verwachting dat de
professionaliteit op termijn verder toe zal nemen. </al>
      <tuskop letat="vet">46</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom is in de nieuwe regeling voor vervroegd uittreden (FPU) geen
overgangsregeling opgenomen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de nieuwe regeling voor vervroegd uittreden, FPU (waarover op 3 april
1996 tussen de minister van Binnenlandse Zaken en de centrales van overheidspersoneel
overeenstemming is bereikt in het centraal georganiseerd overleg in ambtenarenzaken),
is overheidsbreed een uitgebreid uniform overgangsrecht voor het burgerpersoneel
opgenomen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Materieel houdt dit overgangsrecht onder meer in dat het «VUT-40
jaren regime» gedurende een aantal jaren wordt afgebouwd. </al>
      <tuskop letat="vet">47 en 55</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deelt u de mening van de IGK dat vertaling van het milieubeleid van
het ministerie dan Defensie naar de werkvloer meer aandacht zou moeten krijgen?
Zo ja, hoe kan dit worden bewerkstelligd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke maatregelen zullen genomen worden om de vereiste kennis van
het beleid en van de milieuwetgeving toereikend te laten zijn?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In 1993 heeft het ministerie van Defensie besloten het milieuzorgsysteem
van het ministerie van VROM te nemen als uitgangspunt voor het introduceren
van milieuzorg. Het kernpunt van dit milieuzorgsysteem is de «Integratie
van milieu in de bestaande bedrijfsvoering».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Grotere en betere bekendheid op de werkvloer met werkinstructies en vergunningen
is hierbij een belangrijk element. Op dit moment is de Dienst Gebouwen, Werken
en Terreinen (DGW&amp;T) bezig om de milieuvergunningen te actualiseren en
vervolgens te vertalen in werkinstructies voor de werkvloer. Het is dan de
taak van de commandant en de DGW&amp;T gezamenlijk er voor te zorgen dat de
vergunning actueel blijft en dat de milieurelevante werkinstructies op de
werkvloer ook worden gebruikt. Milieu-opleidingsplannen zijn opgesteld en
in uitvoering. </al>
      <tuskop letat="vet">48</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze worden de schriftelijke aanwijzingen omtrent het sporten
in extreme omstandigheden nu beter onder de aandacht gebracht van de sportbureaus?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Alle sportbureaus krijgen binnenkort de beschikking over instrumentarium
(zoals thermometer, hygrometer) waarmee de sportinstructeur kan bepalen of
er sprake is van een extreme omstandigheid. Voorts beschikt elk sportbureau
over een sportmedische wijzer, waarin ruime aandacht wordt geschonken aan
het fenomeen «sporten onder extreme omstandigheden». </al>
      <tuskop letat="vet">49</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom wordt op deze bladzijde ineens gesproken over positieve wervingsresultaten
van het BBT-personeel in tegenstelling tot hetgeen wordt beweerd op pagina
13 en 15?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er is geen sprake van tegenstrijdigheid, maar van uiteenlopende onderwerpen.
Op bladzijde 13 van het rapport van de IGK wordt gesproken over de tegenvallende
resultaten van de werving van BOT-onderofficieren onder BBT'ers bij de Koninklijke
landmacht. Op bladzijde 15 wordt ingegaan op het feit dat in 1996, toen de
dienstplicht werd opgeschort, nog niet alle operationele eenheden waren gevuld
met BBT'ers. Op bladzijde 29 worden de positieve resultaten van de werving
van BOT'ers en BBT'ers op de arbeidsmarkt in 1995 gememoreerd, mede op basis
waarvan de opkomstplicht in 1996 vervroegd is afgeschaft. </al>
      <tuskop letat="vet">50 en 51</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom is er door het ministerie niet tijdig ingespeeld op de nieuwe
Arbeidstijdenwet? Wat zijn de huidige knelpunten en hoe luidt het plan van
aanpak om deze op te lossen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat zijn de gevolgen van de invoering van de nieuwe Arbeidstijdenwet
voor de verschillende krijgsmachtdelen? Hoe en wanneer worden de uitvoeringsmaatregelen
geïmplementeerd? </nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat gaat er gedaan worden aan de zorgen die het personeel heeft over
mogelijke uitvoeringsbepalingen en de consequenties daarvan op de werksituatie
van de nieuwe Arbeidstijdenwet?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In 1994 is in overleg met de krijgsmachtdelen onderzocht in hoeverre de
normen van de Arbeidstijdenwet tot knelpunten in de bedrijfsvoering zou kunnen
leiden. Uitgangspunt bij de inwerkingtreding van de Arbeidstijdenwet is geweest
dat de bedrijfsvoering bij de krijgsmachtdelen ongewijzigd moet kunnen worden
voortgezet. Gebleken is dat dit grotendeels gerealiseerd kon worden. Nadat
in de loop van 1995 duidelijkheid bestond over de definitieve tekst van het
Arbeidstijdenbesluit en de positie van Defensie in dit verband, is in 1996
een voorstel voor een nieuwe werk- en rusttijdenregeling in de ambtenarenreglementen
besproken met de centrales van overheidspersoneel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ultimo 1996 is het overleg hierover afgerond, hetgeen geresulteerd heeft
in een voorlopige voorziening, die op 1 januari 1997 in werking is getreden.
Daarbij is vrijwel onverkort de bestaande werk- en rusttijdenregeling gecontinueerd.
In de loop van 1997 wordt onderzocht in hoeverre de normen van de voorlopige
voorziening wellicht te ruim zijn gesteld. De voorgestelde regeling blijft
binnen de grenzen van de arbeidstijdenwet. Er is geen sprake van ernstige
consequenties voor de werkbelasting. Wel brengt het bijstellen van roosters
eenmalig extra werk met zich. </al>
      <tuskop letat="vet">52</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In hoeverre wordt een kort contract voor jonge academici behalve
bij de KM, ook toegepast bij andere krijgsmachtdelen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Alleen de Koninklijke marine heeft, als bijzondere maatregel ter vervanging
van de dienstplichtige academici, jonge academici met een tweejarig contract
geworven. De gebruikelijke aanstellingsduur voor een bepaalde tijd bedraagt
bij de marine vier of meer jaren. De andere krijgsmachtdelen kennen reeds
de mogelijkheid van een korter durende verbintenis dan vier jaar. Een bijzondere
maatregel was daar niet noodzakelijk. </al>
      <tuskop letat="vet">53</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke acties zullen ondernomen worden om het tekort aan aspirant
officieren (B.T.), de vacatures bij het centrum voor de automatisering van
Wapen- en Commandosystemen en de dienst hydrografie alsmede het te kort aan
artsen te ondervangen?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe zal het tekort aan personeel bij de technische en bij de wapentechnische
dienst, de Operationele dienst operaties, de Operationele dienst verbindingen
en de dienstgroep mariniers worden opgelost?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daar waar de werving tegenvallende resultaten vertoont, worden gerichte
acties ondernomen zoals het intensiever bewerken van de arbeidsmarkt en het
gerichter benaderen van de doelgroepen. Ook de versterking van de interne
werving speelt een belangrijke rol, waarbij ernaar wordt gestreefd de uitstroom
te beperken onder andere door BT'ers te interesseren voor een verlenging van
de aanstellingsduur. </al>
      <tuskop letat="vet">54</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zullen de algemene normen voor accommodatie, bij de marine worden
aangepast?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De bestaande filosofie op het gebied van de accommodatie is recentelijk
bijgesteld in de nota «Wonen bij de Koninklijke marine». Dat houdt
in dat bij het ontwerpen van nieuwe of het aanpassen van bestaande accommodatie
wordt geanticipeerd op eisen voor de volgende eeuw. Binnen de grenzen
van financiële en (bouw)technische mogelijkheden zal geleidelijke bijstelling
van accommodatie plaatsvinden op basis van de nieuw ontwikkelde filosofie. </al>
      <tuskop letat="vet">55</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke maatregelen zullen genomen worden om de vereiste kennis van
het beleid en van de milieuwetgeving toereikend te laten zijn?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 47. </al>
      <tuskop letat="vet">56</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe verhoudt de mededeling dat bij MEOB in Oegstgeest «een
goed sociaal plan» is bereikt zich tot het recentelijk afwijzen door
de bonden van dat sociaal plan? Wat is de huidige stand van zaken met betrekking?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het «Sociaal Plan MEOB» voorziet in een compilatie aan voorzieningen
zoals die zijn opgenomen in bestaande regelingen op het gebied van reis- en
verplaatsingskosten, in het Sociaal Beleidskader Defensie en in de voormalige
regelingen met betrekking tot de spreiding van Rijksdiensten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daaraan is een baangarantie toegevoegd, hetgeen een totaalpakket oplevert
dat alleszins voldoet aan het gestelde doel, namelijk de negatieve gevolgen
van de verplaatsing van het MEOB voor het personeel zoveel mogelijk te verzachten.
Daarmee is ook voldaan aan de eerder aan de Kamer gedane toezeggingen. Zie
ook mijn antwoorden d.d. 11 september 1997 op de vragen van het Tweede Kamerlid
Hoekema over vervroegde uittreding van werknemers van het MEOB (aanhangsel
van de Handelingen 1996/97, nr. 1817).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vanaf begin september is – in overeenstemming met het advies van
de advies- en arbitragecommissie – het Sociaal Plan MEOB wederom onderwerp
van overleg geweest met de Centrales van overheidspersoneel. In dat overleg
kon met drie van de vier Centrales nog steeds niet tot overeenstemming worden
gekomen. Vervolgens is het Sociaal Plan op 11 september jl. – na een
laatste poging om tot overeenstemming te komen – eenzijdig vastgesteld.
Het personeel van het MEOB is op 12 september daaropvolgend officieel over
de inhoud van het plan geïnformeerd. </al>
      <tuskop letat="vet">57</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Komt er een raamregeling t.a.v. schoolkosten die ruimte laat voor
lokale situaties?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het aangepaste Verplaatsingskostenbesluit Defensie (VBD) laat ruimte om
zoveel als mogelijk rekening te houden met de plaatselijke situatie, zulks
ter beoordeling van de bevelhebber. Daarbij zijn uiteraard grenzen aan de
tegemoetkoming gesteld. Zo zijn privé-onderwijsinstellingen uitgesloten. </al>
      <tuskop letat="vet">58</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is het waar dat het budget van de overgangsregeling dusdanig gelimiteerd
is dat niet iedereen die hiervoor in aanmerking komt hiervan gebruik kan maken?
Hoe vindt in dat geval selectie plaats?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het beleid is erop gericht om de uitstroom in de zgn. «ouderenmaatregelen»
zo veel mogelijk te beperken. Daartoe worden inspanningen gepleegd om personeel
intern of extern Defensie te herplaatsen met gebruikmaking van de instrumenten
van het SBK. Het budget, hoewel inderdaad gelimiteerd, is tot nu toe voldoende
gebleken om medewerkers die niet herplaatst konden worden van
de betreffende regelingen gebruik te laten maken. </al>
      <tuskop letat="vet">59</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat zal worden gedaan aan de structurele onderbezetting BBE?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De extra inspanningen om de bezetting van de Bijzondere Bijstands Eenheid
(BBE) van de mariniers op het vereiste peil te krijgen, hebben ertoe geleid
dat sinds januari 1997 de bezetting op ruim 90% is gekomen, hetgeen de operationele
inzet waarborgt. </al>
      <tuskop letat="vet">60</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hebben de opheffing van de perifere teams doelmatigheidswinst opgeleverd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ja, het voornemen is de opheffing van de perifere teams in 1999 te effectueren.
De hierop betrekking hebbende doelmatigheidswinst is met ingang van 2000 opgenomen
in de meerjarenraming. </al>
      <tuskop letat="vet">61</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zal verdere afslanking van het COKL in het kader van de doelmatigheidsoperatie
leiden tot het niet meer adequaat kunnen vervullen van opgedragen taken?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Verdere inkrimping in beschikbare opleidingstijd of in instructiecapaciteit
zou in theorie kunnen betekenen dat er niet langer meer verantwoord zou kunnen
worden opgeleid. Uiteraard zal erop worden toegezien dat dat niet gebeurt. </al>
      <tuskop letat="vet">62</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom is de decentralisatie van het BOT-personeelsbeheer van de
KL uitgesteld tot eind 1997?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In overleg met de Centrales van Overheidspersoneel is door de BLS bepaald
dat het functietoewijzingsproces voor militairen aangesteld voor onbepaalde
tijd voorshands tot januari 1998 een centrale verantwoordelijkheid blijft,
teneinde het functietoewijzingsproces gedurende de gehele herstructureringsperiode
beheersbaar te houden. </al>
      <tuskop letat="vet">63</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Vindt er tijdens de selectieperiode van BBT'ers een adequaat psychologisch
onderzoek plaats?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Maakt de invoering van een grondig psychologisch onderzoek tijdens
de selectieperiode van de BBT'er de oprichting van de Individuele Begeleidingsdienst
KL (IBDKL) niet overbodig?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ja. Zelfs met een adequaat psychologisch onderzoek zullen er militairen
zijn met sociaal-medische problemen waarvoor de professionele begeleiding
van de IBDKL noodzakelijk is. </al>
      <tuskop letat="vet">64</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">a. Aan welke concrete maatregelen en aanscherpingen van het beleid
denkt de IGK als het gaat om vrouwelijke militairen die zwanger worden tijdens
de initiële opleiding?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">b. Waarop is de verwachting gebaseerd dat gedragsregels, een gedragscode,
een klachtenprocedure, sexuele intimidatie zal doen afnemen? </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>a. Het beleid ten aanzien van vrouwen die tijdens de opleiding zwanger
worden is er op gericht ontslag te voorkómen. Betrokkenen worden in
voorkomend geval uit de opleiding ontheven en tijdelijk met ander werk belast.
Zodra dit mogelijk is, kan de militaire opleiding worden hervat. Ook kan,
op verzoek van de zwangere militair, onbezoldigd zorgverlof worden verleend,
waarna zij in beginsel weer aan de opleiding kan deelnemen.</al>
      <al>Alhoewel het beleid op dit punt derhalve duidelijk is, is de IGK van mening
dat nadere richtlijnen aan commandanten en personeelsdiensten zouden moeten
worden gegeven omtrent de mogelijkheden en hun bevoegdheden ter zake.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>b. Deze vraag wordt beantwoord bij vraag 48. </al>
      <tuskop letat="vet">65</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is het niet reëel om BBT'ers die in een kwalitatief slechte
accommodatie ondergebracht zijn, ook minder voor hun huisvesting te laten
betalen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De inhouding huisvesting is gebaseerd op het besparingsbeginsel. De inhouding
wordt daarbij niet gezien als een betaling naar waarde van het verstrekte
doch als een benadering van hetgeen de militair bespaart omdat hij/zij niet
zelf in zijn huisvesting voorziet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Die inhouding (7% van het salaris met – per 1 juli 1997 –
een minimum van f 126,– en een maximum van f 250,–)
is beduidend lager dan de kosten die de militair doorgaans zou moeten maken
indien hij zelf in zijn huisvesting zou voorzien. Slechts voor een aantal,
als extreem erkende situaties, wordt het besparingsbeginsel ter zijde geschoven,
te weten ingeval van oefeningen en bij huisvesting in tent of nissenhut in
verband met de renovatie van het legeringsgebouw. </al>
      <tuskop letat="vet">66</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe verklaart u de kritiek op de trage afdoening van rekesten enz.?
Wat zijn de acties geweest n.a.v. de kritiek van de IGK in 1995? Waarom is
er nog steeds sprake van ernstige vertraging? Welke functionaris(sen) is/zijn
hier voor verantwoordelijk? Wat wordt er concreet aan gedaan? Hoeveel rekesten
per 1 juni jl. liggen nog te wachten op afhandeling? Wat is de prognose dat
deze zijn afgehandeld?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze zal de trage afdoening van rekesten, bezwaar- en beroepschriften
versneld worden?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De stijging is waarschijnlijk het gevolg van een toenemende rechtspositionele
mondigheid van het militaire personeel. Naast de kwantitatieve toename zijn
de bezwaar- en beroepschriften bovendien complexer van aard geworden.</al>
      <al>Momenteel wachten nog 18 rekesten op afhandeling. De verwachting is dat
de rekestranten medio oktober uitsluitsel krijgen. Zij zijn hierover geïnformeerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er worden thans drie knelpunten in de afhandeling van bezwaar- en beroepschriften
onderkend. Ten eerste heeft de personele sterkte van de met de afdoening van
bezwaar- en beroepschriften belaste afdeling geen gelijke tred kunnen houden
met de toename van het aantal ingediende bezwaren. Ten tweede veroorzaken
appellanten zelf vertraging in de afhandeling van bezwaar- en beroepschriften.
Ze gaan bijvoorbeeld eerst na enige maanden over tot het indienen van aanvullende
beschouwingen, of geplande hoorzittingen worden op hun verzoek naar een latere
datum doorgeschoven. Tenslotte is de te volgen procedure soms omslachtig. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Om deze knelpunten op te lossen is een aantal aanpassingen doorgevoerd.
Het aantal medewerkers belast met de afhandeling van bezwaar- en beroepschriften
wordt uitgebreid. Tevens zijn procedurele maatregelen getroffen die ertoe
hebben geleid dat de onderzoeksduur ten behoeve van een bezwaar- of beroepschrift
in het algemeen is bekort. </al>
      <tuskop letat="vet">67</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe worden de nazorgactiviteiten binnen de KL («Coördinatie
Nazorg KL» en de «Sociale Coördinatiecommissie Crisisbeheersingsoperaties»)
geëvalueerd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Negen maanden na terugkeer wordt aan alle uitgezonden militairen een nazorgvragenlijst
toegezonden. De geaggregeerde gegevens van de geretourneerde vragenlijsten
geven veel informatie over de ervaringen van uitgezonden militairen, onder
meer met betrekking tot de geboden nazorg. Ook het bureau «lessons learned»
van de BLS verzamelt systematisch ervaringen. Daarnaast worden regelmatig
elementen uit het nazorgbeleid onderzocht, zoals de reïntegratiegesprekken
na acht weken en de thuisfrontzorg.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uitzendingen die wat nazorg betreft bijzondere aandacht vragen worden
uiteraard afzonderlijk en met veel aandacht gevolgd. </al>
      <tuskop letat="vet">68 en 85</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe komt het dat in het vorig jaarverslag gesignaleerde problemen
op het gebied van mutatiestellingen niet zijn opgelost en het aantal onjuiste
en niet-uitgevoerde betalingen is toegenomen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wordt het niet tijd om de problemen bij het nieuwe salarissysteem
bij de KL diepgaand te onderzoeken teneinde het functioneren van het systeem
optimaal te bevorderen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het aantal onjuiste en niet uitgevoerde uitbetalingen is niet afgenomen
als gevolg van onjuiste mutatiestelling en/of fouten in de programmatuur.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De gebreken in de (decentrale) mutatiestelling manifesteerden zich in
1996 met name bij de Koninklijke landmacht en waren vooral het gevolg van:</al>
      <al>– het feit dat de reorganisatie van de P-structuur nog in volle
gang is, hetgeen met zich mee brengt dat niet alle plaatsen waar NSK-mutaties
kunnen worden gesteld bezet zijn met adequaat opgeleide functionarissen. Momenteel
verzorgt de KL aanvullende opleidingen om dit probleem op te lossen;</al>
      <al>– beperkingen in het sterk verouderde registratieve personeelssysteem
AIP. Dit systeem is in mei 1997 vervangen door het reeds geruime tijd bij
de Koninklijke luchtmacht in gebruik zijnde Human Resources System (HRS).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Koninklijke landmacht heeft, na intern onderzoek, een actieplan ter
verbetering van de administratieve organisatie en interne controle opgesteld
in overleg met Directoraat Generaal Economie en Financiën (DGEF). Dit
actieplan zal ertoe leiden dat de kwaliteit van vastlegging van gegevens in
het nieuwe personeelsinformatiesysteem HRS en NSK verbetert.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De programmafouten in het NSK betroffen vooral een onjuiste afhandeling
van de gestelde mutaties voor NATRES-personeel en een tekortschietend verwerkingsproces
van het bruto-netto-traject. Beide problemen zijn per 1 januari 1997 verholpen.  </al>
      <tuskop letat="vet">69 en 70</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Tot welke consequenties zal het niet of nauwelijks kunnen herhalen
van opleidingsaspecten die minder goed verlopen leiden? Acht de staatssecretaris
dit wenselijk?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wanneer het opleidingsniveau van de BBT'er in het algemeen lager
is dan dat van de voormalige dienstplichtige en meer «drill» nodig
heeft om tot goede resultaten te komen, worden de BBT'ers op dit moment dan
wel adequaat opgeleid en goed voorbereid op uitzending?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De schoolbataljons zijn recentelijk onderworpen aan een zeer breed en
grondig onderzoek, hetgeen geresulteerd heeft in een inmiddels door de Legerraad
goedgekeurd «Eindrapport Schoolbataljons». Implementatie van de
aanbevelingen vindt reeds plaats. De belangrijkste aanbeveling is om de bataljons
onder te brengen bij een nieuw op te richten Opleidingscentrum Initiële
Opleidingen. Hierdoor zal het gehele opleidingstraject van de BBT'ers onder
verantwoordelijkheid van het Commando Opleidingen KL vallen en zullen alle
processen die inspelen op het traject van instroom tot aan de aflevering bij
de operationele gebruiker centraal worden gestuurd. Medio 1998 zal de realisatie
zijn voltooid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De BBT'ers worden ook op dit moment, adequaat opgeleid en goed voorbereid
op uitzending.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het binnen de gegeven opleidingsperiode niet kunnen herhalen van opleidingsaspecten
die minder goed verlopen, zou kunnen leiden tot uitval tijdens de opleiding
dan wel een verminderd functioneren. De Algemeen Militaire Opleiding (AMO)
heeft thans een andere opzet die dit (grotendeels) voorkomt. Het doel van
de AMO is de militair individueel geschikt te maken om zich tijdens gevechtsomstandigheden,
crisisbeheersingsoperaties en humanitaire operaties te kunnen handhaven en
de BBT'er vertrouwd te maken met de bedrijfsregels van de Koninklijke landmacht.
Om deze doelstelling te kunnen realiseren, is, gegeven de beschikbare tijd
en de inmiddels opgedane ervaringen, gekozen voor een AMO, die met name is
gericht op praktische vaardigheden. </al>
      <tuskop letat="vet">71</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke maatregelen worden er genomen om de ontslagprocedures, en in
het bijzonder de procedures van het Militair Geneeskundig Onderzoek, te verbeteren?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij het overleg over de arbeidsongeschiktheidsregelingen met de centrales
van overheidspersoneel in het Sectoroverleg Defensie is overeengekomen, dat
in geval van een mogelijk ontslag wegens arbeidsongeschiktheid voor burger-
en militair personeel (beroeps onbepaalde tijd) een termijn van ontslagbescherming
van twee jaar zal gelden. In bijzondere gevallen (te denken valt aan arbeidsongeschiktheid
als gevolg van een dienstongeval) kan deze termijn ook voor beroepsmilitairen
bepaalde tijd worden gehanteerd. </al>
      <tuskop letat="vet">72</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe is op dit moment de situatie met betrekking tot bewakers/hondengeleiders?
Is er al overeenstemming bereikt over de woonsituatie en de verzorgingstijd?
Zo ja, wat is er overeengekomen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Over de uitvoering van de arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie
zijn met de centrales van overheidspersoneel afspraken gemaakt. Met betrekking
tot de woonsituatie is overeengekomen dat de dienstwoningen door de Dienst
der Domeinen te huur of te koop worden aangeboden aan de bewakers/hondengeleiders.
Met betrekking tot de verzorgingstijd is een afkoopregeling overeengekomen. </al>
      <tuskop letat="vet">73</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is het niet gewenst een algehele inventarisatie van het huidig materieel –
kwalitatief en kwantitatief – te verrichten, alvorens de beheerstaak
per eenheid toe te wijzen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De IGK beschrijft in zijn jaarverslag de situatie zoals hij deze in mei
1996 aantrof in voormalig Joegoslavië. In het (recente) verleden zijn
diverse inventarisaties gehouden, waardoor de Koninklijke landmacht goed op
de hoogte is van het materieel, zowel kwalitatief als kwantitatief, dat is
ingezet bij de uitgezonden eenheden. Op basis van deze informatie is de administratieve
organisatie geherstructureerd, met als uitgangspunt dat de beheerstaak wordt
uitgevoerd bij de eenheid. </al>
      <tuskop letat="vet">74</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe wordt bij de schoolbataljons de vulling van voldoende en deskundige
instructeurs geregeld?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door verbetering van het loopbaanperspectief en professionalisering van
de opleidingsfuncties zal het imago naar verwachting verbeteren en de aantrekkingskracht
voor dit soort functies worden verhoogd. Onvrijwillige plaatsing van herplaatsingskandidaten
zal binnenkort zijn afgelopen. </al>
      <tuskop letat="vet">75</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat wordt gedaan aan het verhogen van de deskundigheid van P-functionarissen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deskundigheid van P-functionarissen wordt verhoogd door het volgen van
de voor hun functieniveau vereiste interne en externe opleidingen. </al>
      <tuskop letat="vet">76</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe is de situatie bij de 41ste Lichte Brigade te Seedorf, gezien
de vele zorgelijke berichten over druggebruik en drughandel en andere problemen
in de sfeer van normen en waarden?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Onderzoeken naar druggebruik, drughandel en andere problemen in de sfeer
van normen en waarden hebben geleid tot het instellen van strafvervolging.
Ik heb u hierover geïnformeerd in mijn brief van 16 april 1997 (Kamerstuk
25 000 X nr. 72).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op dit moment doen zich op de legerplaats Seedorf geen bijzondere problemen
voor. </al>
      <tuskop letat="vet">77</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wanneer komt een Defensiebreed museaal beleid van de grond?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het beleid ten aanzien van de militaire historische verzamelingen en traditiekamers,
dat uit gaat van een eigen verantwoordelijkheid van de krijgsmachtdelen, is
thans in studie. Op basis van de uitkomsten hiervan zal ik nadere besluiten
nemen. </al>
      <tuskop letat="vet">78</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke knelpunten ziet de staatssecretaris bij het Opleidings Centrum
Technische Dienst en op welke wijze worden deze opgelost?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De knelpunten bij het OCLOG hebben betrekking op de capaciteit van het
Kenniscentrum voor externe plannen, de kwaliteit van de instructeurs en op de invoering van het Management Informatie Systeem Opleidings
Centrum (MISOC).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door rationalisatie van de procedures wordt getracht de capaciteit toereikend
te maken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Verbetering van het loopbaanperspectief en professionalisering (betere
selectie en opleiding) zal het imago van de functie van instructeur en daarmee
de aantrekkingskracht van de functie verhogen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De technische problemen die ten grondslag lagen aan de invoering van MISOC
zijn inmiddels opgelost. </al>
      <tuskop letat="vet">79</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de staatssecretaris het eens met de IGK dat uitgezonden militairen
zo spoedig mogelijk zekerheid behoren te hebben over hun functie na terugkeer
in Nederland? Hoe wordt de huidige situatie verbeterd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Diegenen die na uitgezonden te zijn geweest niet meer op hun oude functie
kunnen worden teruggeplaatst omdat hun plaatsingstermijn is verlopen, kunnen
gewoon meedoen in de procedure voor toewijzing van een nieuwe functie.</al>
      <al>Daartoe wordt de informatie over vacatures ook aan de eenheden in het
vm. Joegoslavië verstrekt – indien nodig spoedshalve per fax –
en kunnen geïnteresseerden eventueel per fax solliciteren. In het geval
van uitgezonden militairen wordt soepel omgegaan met de reactietermijnen. </al>
      <tuskop letat="vet">80</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke procedures worden ingesteld teneinde een optimaal beheer en
gebruik van materieel bij uitzending te waarborgen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de krijgsmachtdelen worden tijdens uitzendingen in principe de standaard
procedures gebruikt die ook van toepassing zijn op de thuisbasis. Bij inzet
in multiserviceverband gelden de procedures van het krijgsmachtdeel dat de
leiding heeft van de operatie. </al>
      <tuskop letat="vet">81</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom wordt bij het mijnenruimen gebruik gemaakt van verschillende
richtlijnen? Ligt het niet voor de hand de EOD van de KL en Klu dezelfde werkwijze
voor te schrijven?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tijdens de IFOR/SFOR-periode wordt voor het eerst sinds lange tijd intensief
samengewerkt tussen de verschillende krijgsmachtdelen. Hierbij werd in de
eerste helft van 1996 geconstateerd dat er verschil van opvatting bestond
voor wat betreft de taakuitvoering bij het «deminen» tussen de
pantsergenie en de EOD. Verder bestond er intern bij de EOD (KL/KLu) een verschil
van opvatting over de technische uitvoering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naar aanleiding van deze constateringen zijn er werkafspraken gemaakt
tussen de commandant van de pantsergenie-eenheid en de commandant van het
EOD-detachement. De belangrijkste afspraak is dat de genie zich bezighoudt
met de noodvernietiging van mijnen/explosieven en de EOD het demonteren voor
haar rekening neemt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor het oplossen van de verschillen bij de technische uitvoering van
de EOD-werkzaamheden is er een werkverband opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers
van de KL, de KLu en de KM.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit werkverband staat onder leiding van de commandant van het EOCKL en
heeft als opdracht te komen tot een eenduidige technische uitvoering
van EOD-werkzaamheden/opleidingen. Naar verwachting zullen de werkzaamheden
van het werkverband binnen afzienbare tijd worden afgerond. Begin 1998 zal
worden aangevangen met het uitwisselen van KL- en KLu-personeel tijdens de
EOD-opleidingen. </al>
      <tuskop letat="vet">82</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Klopt het dat voor de eerste fase Doelmatigheid de duur van de opleidingen
aan het Opleidingscentrum Logistiek met 20% is gereduceerd? Op welke onderdelen
is gekort? Welke consequenties heeft die reductie voor de vaardigheden van
BBT-ers? Doen zich al knelpunten voor? Wordt in de tweede fase Doelmatigheid
nog meer gekort op de opleidingen? Waaruit bestaat precies de tweede fase?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de eerste fase van de doelmatigheid moest een reductie plaatsvinden
van 20% op opleidingskosten. Eén van de maatregelen in dit kader was
een verkorting van de opleidingsduur. Op basis van een zorgvuldige analyse
van de opleidingsinhoud zijn de functieopleidingen voor BBT-soldaten, voor
zover haalbaar en verantwoord, in duur teruggebracht. In een aantal gevallen
is de opleidingsduur gehandhaafd, omdat die de minimaal vereiste lengte had
om de opleidingsdoelen te kunnen bereiken. De opleidingsduur van de meeste
functieopleidingen zijn met een lager percentage dan 20 teruggebracht (gemiddeld
13%). Verkorting van de opleidingsduur vond met name plaats in de initiële
en loopbaanopleidingen voor BOT- en BBT-kader. De duur van de functieopleiding
van de BBT-soldaten volstaat om hen de vereiste vaardigheid bij te brengen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de tweede fase van de doelmatigheidsoperatie zal niet of nauwelijks
gekort worden op de opleidingsduur, maar worden de bezuinigingen gezocht in
besparingen in de overhead, door een doelmatiger organisatie van de opleiding
(bijvoorbeeld door het combineren van (delen van) opleidingen), het inzetten
van instructeursbesparende methoden en technieken en samenwerking tussen de
krijgsmachtdelen en met andere krijgsmachten op opleidingsgebied. De tweede
fase betreft de herinrichting van het opleidingsveld (Kamerstukken II 1995/96,
24 400 X, nr. 60). </al>
      <tuskop letat="vet">83</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de staatssecretaris het eens met de conclusie van de IGK dat garnizoenscommandanten
onvoldoende mogelijkheden hebben om goed «legeringsgedrag» af
te dwingen? Wat gaat de Staatssecretaris aan dit probleem doen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het probleem dat garnizoenscommandanten hadden om goed «legeringsgedrag»
af te dwingen is onderkend. De oorspronkelijke strikte scheiding tussen werken
en wonen op de werkvloer leidde er in de praktijk toe dat het leidinggevenden
onvoldoende duidelijk was welke mogelijkheden zij hadden tot het betreden
van legeringsruimten. Dit terwijl de (ongeveer gelijktijdige) invoering van
de gedragscode juist aantoonde dat adequaat en gedisciplineerd functioneren
van de eenheid zich niet laat scheiden naar gedrag op het kazerneterrein binnen
danwel buiten de diensturen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Teneinde de geconstateerde problemen te ondervangen, heeft de Bevelhebber
der Landstrijdkrachten op 31 januari een brief geschreven aan zijn ondercommandanten.
Hierin worden richtlijnen verschaft om enerzijds helderheid te verschaffen
over de verantwoordelijkheden van commandanten en personeel en anderzijds
recht te doen aan het wel degelijk te respecteren onderscheid tussen werk-
en woonsituaties.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In dezelfde brief wordt ook aangekondigd dat de dienst van de «Officier
van Kazernepiket» (OKP) wederom zal worden geactiveerd. Dit in het licht van het voorgaande en met het doel commandanten te ondersteunen in
hun verantwoordelijkheden. </al>
      <tuskop letat="vet">84 en 87</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Indien de Topografische Dienst in het jaar 2000 40% van de omzet
uit de markt moet halen, waarom wordt deze dienst dan niet op korte termijn
geprivatiseerd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke opties zijn er voor een meer marktgericht functioneren van
de TDN?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Binnen de thans geldende «beleidslijn werken voor organisaties binnen
en buiten de rijksoverheid», stelt de Topografische Dienst (TDN) geografische
informatie en producten tegen betaling ter beschikking aan niet-defensiegebruikers.
Het betreft producten die rechtstreeks kunnen worden afgeleid uit de producten
die voor defensie worden vervaardigd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Topografische Dienst is een van de organisatie-eenheden waarop het
toetsingskader van de werkgroep Markt en Overheid (Kamerstuk 24 036 nr.
45) van toepassing zal zijn. Wanneer dit kader is omgewerkt naar een aanwijzing
voor de rijksdienst kan worden beoordeeld op welke wijze voortzetting van
de activiteiten van de TDN, rekening houdend met de defensiebehoefte en Navo-verplichtingen
plaats kan vinden. Het streven is de aanwijzing voor de rijksdienst begin
1998 af te ronden. </al>
      <tuskop letat="vet">85</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wordt het niet tijd om de problemen bij het nieuw Salarissysteem
bij de KL diepgaand te onderzoeken teneinde het functioneren van het systeem
optimaal te bevorderen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 68. </al>
      <tuskop letat="vet">86</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom zijn instructeurs in het OCMAN (Opleidingscentrum Manoeuvre)
aangesteld die onvoldoende opleiding en ervaring hebben? Om hoeveel gaat het?
Wat wordt gedaan om als gevolg hiervan op de kortst mogelijke termijn over
voldoende gekwalificeerde instructeurs te beschikken?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De overgang van het opleiden van dienstplichtigen naar het opleiden van
BBT'ers gepaard gaande met de herstructurering van de Koninklijke landmacht,
hebben geleid – mede om overtolligheid te voorkomen – tot een
aantal instructeurs met een niet geheel voldoende opleiding en ervaring.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door verbetering van het loopbaanperspectief en professionalisering (betere
selectie en opleiding) wordt de kwaliteit van de functie van instructeur verhoogd. </al>
      <tuskop letat="vet">87</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke opties zijn er voor een meer marktgericht functioneren van
de TDN?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 84. </al>
      <tuskop letat="vet">88</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de staatssecretaris bereid het Dienstreisbesluit Defensie te heroverwegen
met het oog op de onredeljke financiële gevolgen voor chauffeurs en bijrijders? </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het Besluit dienstreizen defensie zijn doelmatigheid en het niet verstrekken
van fiscaal bovenmatige vergoedingen de leidraad. Evaluatie van het besluit,
waarbij ook met name ervaringen uit de uitvoeringspraktijk zijn betrokken,
heeft geleid tot de conclusie dat bijstelling gewenst was. In het arbeidsvoorwaardenakkoord
is overeengekomen dat deze bijstellingen per 1 november 1997 zullen plaatsvinden.
Bij deze bijstellingen zijn fiscaal bovenmatige vergoedingen wederom achterwege
gebleven. Met name voor chauffeurs en hun bijrijders zullen beperkingen ten
aanzien van de forfaitaire onkostenvergoeding komen te vervallen en kan –
binnen randvoorwaarden – voor dienstreizen die 's nachts worden uitgevoerd,
de prijs van een maaltijd worden gedeclareerd. </al>
      <tuskop letat="vet">89</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de staatssecretaris het eens met de vaststelling van de IGK dat
zonder personele uitbreiding de vereiste ondersteuning voor het oefen- en
trainingsprogramma van THGKlu en 11 Luchtmobiele Brigade niet wordt gerealiseerd
en uitzending in beperkte mate mogelijk is? Wanneer wordt vastgesteld om welke
personele uitbreiding het gaat? Wanneer wordt tot de noodzakelijke vulling
van het aldus verhoogde personeelsbestand voor de THGKlu overgegaan?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de memorie van toelichting bij de Defensiebegroting 1998 wordt op deze
problematiek nader ingegaan in het kader van de actualisering van de Prioriteitennota. </al>
      <tuskop letat="vet">90</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de staatssecretaris het eens met de opvatting van de IGK dat met
verdergaande korten van 45 instructeurs in de KMSL Woensdrecht de kwaliteit
van de opleidingen in de gevarenzone komt? Hoeveel procent is de duur van
de opleiding gereduceerd? Ten koste van welke onderdelen? Acht de staatssecretaris
deze ontwikkelingen met het oog op het functioneren van de vliegers verantwoord?
Is de opleidingsduur te krap berekend? Hoe kan deze geoptimaliseerd worden?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Neen. De bedoelde korting met 45 instructeurs op de KMSL/Vlb Woensdrecht
maakt deel uit van de maatregelen in het kader van het verhogen van de doelmatigheid
bij Defensie. In 1999 worden de Luchtmacht Electronische en Technische School
en de Koninklijke Militaire School Luchtmacht op Vliegbasis Woensdrecht samengevoegd.
Thans wordt onderzocht welke organisatorische capaciteit dan is benodigd om
aan de opleidingsbehoeften te voldoen. De uitkomsten van dat onderzoek zullen
nader inzicht geven in de gewenste omvang van de opleidingscapaciteit bij
de Koninklijke luchtmacht.</al>
      <al>De gemiddelde reductie in de duur van de opleidingen ten gevolge van de
doelmatigheidsoperatie is ongeveer 20%. Deze reductie verschilt per vak en
per cursus en wordt voor een deel gerealiseerd in vakken en onderwerpen die
de operationele geschiktheid van de cursist niet aantasten. Daarbij is waar
mogelijk gekozen voor alternatieve opleidingsvormen, zoals eigen studie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De vliegeropleidingen zijn buiten de genoemde maatregelen gebleven. </al>
      <tuskop letat="vet">91</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat bedoelt de IGK precies met de constatering dat de problematiek
rond de mazen van het selectienet bij de KMar inmiddels alle aandacht heeft?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 18.  </al>
      <tuskop letat="vet">92</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan het rapport over de evaluatie van het MTV ook aan de Kamer worden
aangeboden?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Commandant van de Koninklijke marechaussee heeft in 1996 een intern
evaluatie-onderzoek naar het Mobiel Toezicht Vreemdelingen laten verrichten.
De conclusies en aanbevelingen uit het rapport hebben betrekking op personele
middelen, opleidingen, materieel, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. De
uitvoering van de maatregelen is inmiddels ter hand genomen. Verwezen zij
naar het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet (Kamerstukken
II, 25 172, nr. 1). Ook de Terugkeernotitie (Kamerstukken II, 25 386,
nr. 1) en het naar aanleiding daarvan op 11 juni 1997 gevoerde overleg met
de Staatssecretaris van Justitie heeft de nodige informatie ter zake gegeven.
Ook in de begroting 1998 voor het ministerie van Defensie wordt een gedetailleerd
overzicht gegeven van de maatregelen die zijn getroffen en hun voortgang.
Toezending van het rapport lijkt daarom niet nodig. </al>
      <tuskop letat="vet">93</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is de omvang van de personeelsreductie voor de CO en Haagse Staven
voor 1996, 1997 en 1998? Kan exact worden aangegeven waar deze personeelsreducties
plaatsvinden? Is daarbij de bezuiniging op Directie Voorlichting en de Militaire
Inlichtingen Dienst inbegrepen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de doelmatigheidsoperatie is besloten dat het aantal beleids- en beleidsondersteunende
functies van de Centrale organisatie en Haagse staven tot en met 2000 met
25% zal worden verminderd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De 25% taakstelling betekent voor de Centrale organisatie vanaf 1996 tot
en met 2000 een reductie van in totaal 111 functies, die gelijk is verdeeld
over vijf jaren (5 maal 5%). Voor 1996 is deze 5% reductie gerealiseerd (– 22
functies), voor 1997 is deze reductie (eveneens – 22 functies) in uitvoering.
De reorganisatie en reductie bij de directie voorlichting, de defensie acccountantsdienst
en de militaire inlichtingendienst zijn daarbij niet inbegrepen. De reducties
over 1996 en 1997 zijn evenredig met de omvang van de onderdelen van de Centrale
organisatie als volgt onderverdeeld:</al>
      <al>– ressort secretaris-generaal: 2,5 functies;</al>
      <al>– defensiestaf: 3,5;</al>
      <al>– directoraat-generaal personeel: 5,5;</al>
      <al>– directoraat-generaal materieel: 4;</al>
      <al>– directoraat-generaal economie en financiën: 3;</al>
      <al>– directie algemene beleidszaken: 1;</al>
      <al>– directie juridische zaken: 2.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de Haagse staven zal de 25% reductie uiterlijk 1 januari 1998 beginnen.
De bevelhebbers zullen de reductie van hun staf zelfstandig uitvoeren. Binnen
bepaalde randvoorwaarden, zoals het garanderen van een goede informatievoorziening
aan de bewindslieden en de Centrale organisatie, zijn zij vrij in de invulling
van de 25% reductie. </al>
      <tuskop letat="vet">94</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In hoeverre hebben de agentschappen DTO en DGWST de bevoegdheid op
de vrije markt te opereren? Is privatisering van beide agentschappen overwogen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De agentschappen DTO en DGWT leveren producten en diensten die essentieel
zijn voor Defensie. Ze hangen nauw samen met of zijn voorwaarden voor de primaire
taakuitoefening van de krijgsmacht. Daarom moet Defensie te allen tijde, ook
onder niet-vredesomstandigheden, tijdig en in voldoende mate
over de producten en diensten van de vereiste kwaliteit kunnen beschikken.
Derhalve is privatiseren van deze diensten niet aan de orde.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De markt van de DTO en de DGWT wordt gevormd door de Defensiemarkt. Onder
strikte voorwaarden is het toegestaan deze producten en diensten te leveren
aan andere onderdelen van de rijksoverheid en de Navo. Slechts met de expliciete
toestemming van de bewindspersoneen van Defensie en binnen de thans vigerende
regelgeving «Beleidslijn werken voor organisaties binnen en buiten de
Rijksoverheid», is het de DTO en de DGWT toegestaan de producten en
diensten te leveren aan andere afnemers dan de genoemde. Nadat de Aanwijzing
voor de rijksdienst van kracht zal zijn geworden zullen de DTO en de DGWT
vanzelfsprekend onder het regiem van die aanwijzing vallen en zullen de alsdan
geldende regels op beide agentschappen van toepassing zijn. </al>
      <tuskop letat="vet">95</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de staatssecretaris bereid bepaalde faciliteiten zoals de veteranenpas
toe te kennen aan overige groepen post-actieven, zoals bijvoorbeeld de oud-militairen
Landmacht Nederlandse Antillen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie het antwoord op vraag 35. </al>
      <tuskop letat="vet">96</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke nadelen zijn verbonden aan het opgeven van de structuren van
de Directie Voorlichting zoals in de jaren '70 ingevoerd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Geen. De structuur van de Directie Voorlichting uit de jaren zeventig
was gebaseerd op 88,5 formatieplaatsen. Nadat de formatie in de loop der jaren
was gereduceerd tot 63,5, is bij de laatste reorganisatie van medio 1996 de
formatie teruggebracht tot 53,5. Hierbij is tevens gekozen voor een platte
organisatie, waardoor er nu slechts twee «zuilen» zijn, externe
en interne voorlichting. In deze opzet blijft de voorlichting over de verschillende
krijgsmachtdelen overigens duidelijk herkenbaar. De ervaringen in het afgelopen
jaar hebben uitgewezen dat de huidige organisatie niet alleen doelmatiger,
maar ook flexibeler is. </al>
      <tuskop letat="vet">97</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan nader worden ingegaan op de «forse consequenties»
van de condities als geldend bij de LTD voor het plaatsingsbeleid?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De afstemming tussen de opleidingsplanning en de loopbaanplanning levert
in enkele gevallen problemen op. Prioriteitsafweging kan er soms toe leiden
dat incidenteel functies op kolonelsniveau tijdelijk niet bezet zijn. De afweging
kan er ook toe leiden dat betrokkene om welke reden dan ook niet gemist kan
worden. In het laatste geval wordt dan in de regel besloten betrokkene op
een latere leergang te plaatsen. </al>
      <tuskop letat="vet">98</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe wordt bevorderd dat Nederland beter is vertegenwoordigd bij internationale
wedstrijden?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Enkele topsporters worden in de gelegenheid gesteld een bepaald percentage
van hun taak uit sportbeoefening te laten bestaan. Zo hebben de Koninlijke
marine, Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke marechaussee reeds topsporters
met een dergelijke verbintenis aangesteld.  </al>
      <tuskop letat="vet">99</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Heeft u reden om aan te nemen dat motivatie en welbevinden van het
burgerpersoneel niet te wensen overlaten bij de andere krijgsmachtdelen dan
de Koninklijke Landmacht, gezien de zeer zware nadruk van dat krijgsmachtonderdeel
op uw inspectoraat?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op pagina 146 van het Jaarverslag van de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht
over 1996 wordt inderdaad opgemerkt dat het opvallend is dat een «disproportioneel
groot» deel van de bemiddelingsverzoeken vanuit de Koninklijke landmacht
afkomstig zijn. Hierbij wordt in het verslag opgemerkt dat dit geenszins onverklaarbaar
is, aangezien dit krijgsmachtdeel in het kader van de verandering en verkleining
van Defensie in 1996 relatief het meest turbulent was.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op de pagina's 151 tot en met 153 wordt evenwel geadstrueerd dat de motivatie
en het welbevinden van het burgerpersoneel ook bij de andere krijgsmachtdelen
extra aandacht behoeven.</al>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling Leden: Mateman (CDA), Wolters (CDA), Korthals (VVD), voorzitter,
Weisglas (VVD), H. Vos (PvdA), Van den Berg (SGP), Van Traa (PvdA), Van
Gelder (PvdA), Van de Camp (CDA), Zijlstra (PvdA), Hillen (CDA), Valk (PvdA),
Sipkes (GroenLinks), Van Hoof (VVD), Hoekema (D66), ondervoorzitter, Leerkes
(Unie 55+), De Koning (D66), Hessing VVD), Van den Bos (D66), Van Ardenne-van
der Hoeven (CDA), Verkerk (AOV), Van Waning (D66), Sterk (PvdA), Van den Doel
(VVD), vacature CD.</al>
    <al>Plv. leden: Terpstra (CDA), Beinema (CDA), Van Rey (VVD), Van Heemskerck
Pillis-Duvekot (VVD), Huys (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Houda (PvdA), Middel
(PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Van Gijzel (PvdA), Verhagen (CDA), Woltjer (PvdA),
Rosenmöller (GroenLinks), Hoogervorst (VVD), Ter Veer (D66), Stellingwerf
(RPF), Visser-van Doorn (CDA), Blauw (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Van der
Hoeven (CDA), Van Wingerden (AOV), Roethof (D66), Rehwinkel (PvdA), Keur (VVD),
Marijnissen (SP).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>