﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="nota">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25445-5/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1997-1998</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.1__2.4" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST26794</ordernr>
    <vergjaar>1997-1998</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>25 445</nummer>
      <naam>Wijziging van de Huurprijzenwet woonruimte, de Wet op de huurcommissies
en enkele andere wetten (introductie van een afzonderlijke huurcommissie-procedure
ter bevordering van het opheffen van gebreken aan of tekortkomingen ten aanzien
van de woonruimte, wijziging van de regeling met betrekking tot de aan de
Staat verschuldigde vergoeding voor een advies of een uitspraak van de huurcommissie
en wijziging van het toezicht op de huurcommissies)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <wet>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>5</nummer>
      <titel>NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG</titel>
      <datum>Ontvangen 23 december
1997 </datum>
      <tuskop letat="vet">ALGEMEEN </tuskop>
      <tuskop letat="vet">1. Inleiding</tuskop>
      <al>Wij spreken onze waardering uit over de door de leden van de verschillende
fracties voor het verslag over het onderhavige wetsvoorstel geleverde inbreng.
Uit de inbreng van de leden van bijna alle fracties blijkt dat zij met belangstelling
van het voorliggende wetsvoorstel hebben kennisgenomen. Alleen de leden van
de fractie van de SP merken op met gemengde gevoelens van het wetsvoorstel
te hebben kennisgenomen. De leden van deze fractie ondersteunen de introductie
van een nieuwe «onderhoudsprocedure» en de overheveling van het
toezicht op de huurcommissies naar het Rijk, maar hebben ernstige bezwaren
tegen de voorstellen met betrekking tot de legesheffing. De met het wetsvoorstel
beoogde verbetering van de positie van de huurder wordt, met uitzondering
van de leden van de fractie van de SP uitsluitend op het punt van de voorstellen
ten aanzien van de legesheffing, algemeen ondersteund. Bij de uitwerking van
de in het wetsvoorstel opgenomen voorstellen hebben de leden van de verschillende
fracties nog een aantal vragen gesteld en opmerkingen gemaakt, waarop onderstaand
zal worden ingegaan. Waar vragen betrekking hebben op min of meer dezelfde
onderwerpen zijn deze bij elkaar gevoegd en gezamenlijk beantwoord.</al>
      <al>Verheugd stellen wij vast dat de leden van de verschillende fracties uitspraken
dat met het verbeteren van de procedures rond gebreken aan en tekortkomingen
ten aanzien van de woonruimte niet dient te worden gewacht op de aangekondigde
en inmiddels in procedure gebrachte algehele herziening van de huur(prijs)regelgeving.
De procedure om te komen tot een algehele herziening zal immers nog enige
tijd vergen. De leden van de CDA-fractie vroegen in dit verband om inzage
te geven in de voortgang van deze algehele (her)codificatie van de huur(prijs)regelgeving. Wij kunnen daarop mededelen dat de twee wetsvoorstellen
die tezamen moeten leiden tot de integrale herziening, sedert juli 1997 voor
advies bij de Raad van State liggen. Omdat het om omvangrijke wetgevingsproducten
gaat, mag ervan worden uitgegaan dat de gevraagde adviezen niet vóór
het eerste kwartaal van 1998 zullen worden uitgebracht. Wij spannen ons tot
het uiterste in om na ommekomst van de adviezen de wetsvoorstellen betreffende
de integrale herziening zo spoedig mogelijk daarna door te geleiden. Het onderhavige
wetsvoorstel bevat, vooruitlopend op de integrale herziening, onder meer een
aanzienlijke verbetering van de positie van de huurder in gevallen van gebreken
aan of tekortkomingen ten aanzien van de woonruimte.</al>
      <al>Er is ons daarom veel aan gelegen deze zo spoedig mogelijk tot wet te
verheffen en in werking te laten treden. Uit de inbreng van de leden van de
verschillende fracties concluderen wij dat de Tweede Kamer zich in beginsel
in dat streven kan vinden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van RPF-fractie gaven in hun inleidende opmerkingen aan dat zij
het van groot belang achten dat de invoering van de nieuwe procedure gepaard
gaat met een uitgebreide voorlichting aan de huurder over de veranderde mogelijkheden.
Zij vroegen op welke wijze de regering en de huurcommissies aandacht gaan
schenken aan de voorlichting.</al>
      <al>In de jaarlijkse brochure met informatie over de huren zal nadrukkelijk
aandacht worden besteed aan de nieuwe procedure. De secretariaten van de huurcommissies,
die immers rechtstreekse contacten onderhouden met huurders en verhuurders,
zullen in de regionale voorlichting een belangrijke en actieve rol gaan spelen,
onder meer door het organiseren van informatiebijeenkomsten. Ook zullen de
huurders bij het opvragen bij de secretariaten van de huurcommissies van een
bezwaarschriftformulier op deze procedure worden geattendeerd; uiteraard zal
ook de toelichting op dat formulier de nodige informatie hieromtrent bevatten.
Voorts zullen huurders die bezwaar hebben gemaakt tegen de huurverhoging per
1 juli vanwege gebreken of tekortkomingen, uiteraard voorzover het desbetreffende
huurverhogingsgeschil door de verhuurder aan de huurcommissie is voorgelegd,
ook in die fase door de secretariaten worden gewezen op de nieuwe procedure.
Bij de beantwoording van andere in dit verband gestelde vragen komen wij verderop
in deze nota nog uitgebreid op de voorlichtingsactiviteiten terug. </al>
      <tuskop letat="vet">2. Versterking van de positie van de huurder bij achterstallig
onderhoud </tuskop>
      <tuskop letat="cur">2.1. Versterking van de positie van de huurder</tuskop>
      <al>De leden van de PvdA-fractie wezen er op dat het niet slechts uit schaarste-overwegingen
op de woningmarkt noodzakelijk is om de positie van huurders op alle terreinen,
doch in het bijzonder op het terrein van gebreken aan of tekortkomingen ten
aanzien van de woonruimte, door middel van een wettelijke regeling te versterken.
In ditzelfde verband vroegen de leden van de VVD-fractie in hoeverre het afnemen
van de woningschaarste het wetsvoorstel, dat uitgaat van een (beperkte) schaarste,
heeft beïnvloed. De leden van de SGP-fractie merkten op dat regelmatig
berichten verschijnen dat in de nabije toekomst gevreesd moet worden voor
leegstand van met name goedkopere huurwoningen. Zij voegden daaraan toe dat
zij een publiekrechtelijke regeling die ingrijpt in de contractsvrijheid tussen
verhuurder en huurder, alleen aanvaardbaar vinden indien en voor zover sprake
is van een zwakke positie van de huurder ten opzichte van de verhuurder. Zij
vroegen in dit verband in hoeverre op dit moment nog gesproken kan worden
van een schaarste aan goedkopere huurwoningen. Tevens vroegen zij welk percentage
van de markt voor bedoelde woningen wordt beheerst door de woningbouwcorporaties.</al>
      <al>Wij onderschrijven de mening van de leden van de PvdA-fractie inzake de
versterking van de positie van huurders. Het feit dat met name in verstedelijkte
gebieden nog steeds sprake is van een vraag naar goede en betaalbare huurwoningen,
terwijl de woningvoorraad aldaar in veel gevallen slecht onderhouden is, vormt
het belangrijkste motief om ten behoeve van de positie van huurders de voorgestelde
regeling in te voeren. Het gegeven dat in een aantal gebieden de schaarste
aan het afnemen is, en – dit in antwoord op een vraag van de leden van
de SGP-fractie over de mate van schaarste aan goedkope huurwoningen –
er in diverse kleine woonkernen thans zelfs sprake kan zijn van enige leegstand
in de categorie goedkopere huurwoningen, heeft ons gelet op het voorgaande
geenszins tot de conclusie gebracht dat een wettelijke regeling achterwege
zou kunnen blijven. Bovendien verkeren ook zittende huurders in niet-schaarstegebieden
meestal niet in de positie om zonder hoge kosten vervangende woonruimte te
betrekken. Ook voor die situaties is de invoering van een afzonderlijke «onderhoudsprocedure»
zeer gewenst. Het in sommige gebieden afnemen van de woningschaarste heeft –
dit in antwoord op de door de leden van de VVD-fractie gestelde vraag –
het wetsvoorstel niet beïnvloed.</al>
      <al>De gezamenlijke woningbouwcorporaties hadden – dit in antwoord op
de desbetreffende vraag van de leden van de SGP-fractie – op 1 juli
1997 41,4 procent van de goedkope huurwoningen, d.w.z. woningen met een huurprijs
lager dan f 600 per maand, in hun bezit.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de GPV-fractie vroegen wat de positie is van een nieuwe huurder
van een woning, waarvoor de huurcommissie vóór de ingang van
de nieuwe huur een lagere huurprijs heeft vastgesteld (bedoeld zal zijn: redelijk
heeft bevonden).</al>
      <al>Indien de verhuurder een woning verhuurt aan een nieuwe huurder is er
sprake van een geheel nieuwe overeenkomst, waarbij gelet op de contractsvrijheid
de verhuurder niet aan de uitspraak van de huurcommissie is gebonden; die
uitspraak had immers betrekking op de contractuele verhouding tussen de verhuurder
en de vorige huurder. De verhuurder mag dus met een nieuwe huurder in principe
elke huur overeenkomen, die hij wenselijk acht en die de nieuwe huurder bereid
is te accepteren.</al>
      <al>Naar aanleiding van de vraag van de aan het woord zijnde leden of de verhuurder
verplicht is voornoemde nieuwe huurder tijdig op de hoogte te stellen van
het feit dat gebreken of tekortkomingen op last van de huurcommissie moeten
worden weggewerkt, voordat de huur mag worden verhoogd, merken wij in vervolg
op onze beantwoording van de vorige vraag op dat de verhuurder daartoe in
beginsel niet verplicht is. De gebreken of tekortkomingen waar het in casu
om gaat zijn overigens doorgaans van een zodanige aard, dat deze voor de nieuwe
huurder kenbaar kunnen zijn. Indien hij desondanks de huurovereenkomst aangaat,
kan hij op de voet van artikel 17 van de Huurprijzenwet woonruimte binnen
de daarvoor geldende wettelijke termijn na de ingangsdatum ervan zich tot
de huurcommissie wenden met het verzoek de aanvangshuurprijs te beoordelen.
De huurcommissie neemt daarbij ook gebreken of tekortkomingen in beschouwing
en zal daarbij uiteraard gebruik maken van de stukken die verband houden met
de eerder over de woonruimte gedane uitspraak. Indien de huur hoger is dan
in die eerdere uitspraak is genoemd, mag worden aangenomen dat de huurcommissie
als de in rekening te brengen huurprijs een huurprijs zal vermelden die ligt
op dat lagere niveau. De verhuurder zal vervolgens de gebreken of tekortkomingen
alsnog moeten verhelpen, wil de huur weer kunnen worden gesteld op het overeengekomen
bedrag. Ook kan er in de tussentijd geen sprake zijn van enige huurverhoging. </al>
      <al>Voornoemde wettelijke termijn voor het aanhangig maken bij de huurcommissie
van een artikel 17-procedure is thans drie maanden. Bij de nota van wijziging,
die tegelijk met deze nota is ingediend, wordt voorgesteld die termijn te
verlengen tot zes maanden. In de praktijk is namelijk gebleken dat de termijn
van drie maanden in een aantal gevallen aan de korte kant is, met name indien
de voorzitter van de huurcommissie in het kader van een zogenoemde brengplicht-procedure
op grond van artikel 3a van de Wet op de huurcommissies ten behoeve van een
aanvraag om huursubsidie een verklaring heeft afgegeven waaruit blijkt dat
de overeengekomen huurprijs niet redelijk is. In een dergelijk geval is het
wenselijk de huurder in de gelegenheid te zijn alsnog een artikel 17-procedure
te starten. In het kader van de integrale herziening van de huur(prijs)regelgeving
zal bezien worden of het mogelijk is de diverse huurcommissie-procedures zodanig
te stroomlijnen, dat deze voor de verzoekende partij het meest effectief uitwerken. </al>
      <tuskop letat="cur">2.2. Bestaande mogelijkheden bij onderhoudsproblemen</tuskop>
      <al>De leden van de fracties van de PvdA en het RPF stelden vragen naar aanleiding
van de uitspraak van de Hoge Raad van 6 juni 1997, waarin is uitgesproken
dat de verhuurder ingevolge het BW ook heeft in te staan voor gebreken of
tekortkomingen die het gebruik van de woning verhinderen. De leden van de
PvdA-fractie vroegen zich af of het beoogde effect van de nu voorgestelde
wetswijziging al niet via het BW te bereiken is, en of het te constateren
verzet tegen invoering van de aan de orde zijnde wijzigingen irrelevant is
omdat de nu voorgestelde wetswijziging vooral een gebruikersvriendelijk maken
van nu al bestaande mogelijkheden is. De leden van de RPF-fractie vroegen
om een reactie op het standpunt van de landelijke verhuurdersorganisaties
als zou de nieuwe «onderhoudsprocedure» overbodig zijn omdat dat
arrest van de Hoge Raad heeft uitgewezen dat met de huidige regelgeving de
huurder al vergelijkbare mogelijkheden heeft.</al>
      <al>Het door genoemde fracties bedoelde arrest is inmiddels gepubliceerd in
Rechtspraak van de Week (RvdW) 1997, 139c, en in het Nederlands Juristenblad
1997, nr. 31, p. 1409. Uit het arrest en de daaraan gewijde annotaties blijkt
dat het BW in een aantal gevallen inderdaad soelaas kan bieden. Er moet dan
echter wel nadrukkelijk sprake zijn van gebreken of tekortkomingen die het
gebruik van de woonruimte geheel of in belangrijke mate verhinderen. In die
gevallen kan de huurder eenzijdig en zonder tussenkomst van de rechter de
huurovereenkomst (gedeeltelijk) ontbinden. Hij dient dan wel de verhuurder
eerst te hebben ingelicht over het gebrek en aldus de verhuurder in de gelegenheid
te hebben gesteld het gebrek zo snel mogelijk te verhelpen, dan wel maatregelen
te treffen ter voorkoming van verdere schade. Het kan er wel toe leiden dat
de huurder dan snel in een (incasso)procedure wordt betrokken met alle kosten
van dien. Omdat er een ander criterium geldt bij voornoemde BW-procedure,
is er een aanvullende voorziening nodig om ook in de veel talrijkere minder
ernstige gevallen de huurder een middel te verschaffen om herstel af te dwingen
en die bovendien de huurder meer zekerheid geeft doordat de huurcommissie
altijd een uitspraak doet over de gebreken of tekortkomingen. Daarnaast is
een procedure bij de huurcommissie aanzienlijk goedkoper dan een procedure
bij de civiele rechter. De laagdrempeligheid van de huurcommissie is een voorwaarde
om de huurder te kans te bieden zich in voorkomende gevallen te beschermen
tegen een doorgaans financieel sterkere verhuurder. Voor een deel is de nieuwe
procedure bij de huurcommissie, zoals de leden van de PvdA-fractie stelden,
dus inderdaad een gebruikersvriendelijk maken van al bestaande mogelijkheden.
Wel zijn de mogelijkheden bij de huurcommissie beperkter, namelijk verlaging
tot een nader aangegeven percentage van de maximale huurprijsgrens. De burgerlijke
rechter kan in beginsel, indien het gebruik van de woonruimte
geheel wordt verhinderd, oordelen dat in het geheel geen huur behoeft te worden
betaald, zolang het gebrek niet is opgeheven. Er zal dan ook een situatie
ontstaan waarin men bij relatief zware gebreken of tekortkomingen bij de kantonrechter
terechtkomt (na buitengerechtelijke ontbinding) en met de relatief minder
zware zich tot de huurcommissie wendt. Daarmee hebben wij impliciet ook de
vraag van de leden van de RPF-fractie beantwoord. De huurder heeft wel mogelijkheden
via de bepalingen van het BW, maar die zijn zeker niet vergelijkbaar met de
voorgestelde, eenvoudige, huurcommissieprocedure. Daarbij is de al genoemde
laagdrempeligheid van de gang naar de huurcommissie bij gebreken of tekortkomingen
voor ons van zeer veel gewicht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de SGP-fractie vroegen of er met de invoering van de voorgestelde
nieuwe procedure naast de al bestaande privaatrechtelijke en publiekrechtelijke
procedures geen sprake is van een zekere overregulering.</al>
      <al>Van een zekere overregulering is naar de mening van de ondergetekenden
geen sprake. Weliswaar is er sprake van een nieuwe procedure, doch deze treedt
deels in de plaats van de huidige huurverhogings- en huurverlagingsprocedure,
voorzover daarvan thans nog gebruik wordt gemaakt voor het aankaarten van
problemen vanwege gebreken of tekortkomingen. Een huurder zal derhalve bij
gebreken of tekortkomingen, die het gebruik van de woonruimte geheel of in
belangrijke mate verhinderen, voortaan een andere weg moeten bewandelen. Die
weg is met het wetsvoorstel bovendien aanzienlijk verbeterd.</al>
      <al>De aan het woord zijnde leden vroegen voorts in hoeverre gezegd kan worden
dat te weinig gebruik wordt gemaakt van de privaatrechtelijke procedures doordat
deze een relatief hoge (financiële) drempel hebben. Een huurder komt
toch immers, zo vroegen deze leden, in de meeste gevallen voor gesubsidieerde
rechtsbijstand in aanmerking.</al>
      <al>Wij zijn het er op zich mee eens dat voor privaatrechtelijke procedures
een in relatie met de publiekrechtelijke huurcommissieprocedure hoge financiële
drempel bestaat. Toch hebben wij ook de indruk dat de werkelijke hoogte van
de daaraan verbonden kosten nogal eens wordt overschat. Met gerichte voorlichting
zal worden getracht dit beeld bij te stellen. Een huurder met een laag inkomen
zal in de meeste gevallen in aanmerking komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand.
Daarbij dient wel te worden bedacht dat er altijd een eigen bijdrage geldt
die al snel hoger is dan het op zich geringe bedrag dat als vergoeding aan
de Staat verschuldigd is voor een huurcommissieprocedure. Er zal dus ook bij
gefinancierde rechtsbijstand voor de huurder met een laag inkomen toch nog
wel een financiële drempel worden gevoeld, in ieder geval in relatie
met de lagere drempel van de huurverlagingsprocedure. Ook is hij altijd griffierecht
verschuldigd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de SGP-fractie merkten verder nog op dat met name in de grote(re)
steden de huurders van goedkopere woningen nogal eens geconfronteerd worden
met achterstallig onderhoud, dan wel met woningen die qua inrichting niet
meer voldoen aan de eisen van deze tijd. Zij vroegen of hier een taak voor
de gemeente ligt om uitwassen op de lokale huurwoningmarkt tegen te gaan en
of het niet wenselijk is dat de gemeentebesturen een actiever gebruik maken
van het instrument van de aanschrijving ex de artikelen 14 en 15 van de Woningwet.
Tot slot stelden zij de vraag of er enig cijfermatig inzicht bestaat in de
mate van gebruik van deze procedure door de gemeenten.</al>
      <al>Naar ons oordeel zou het wenselijk zijn dat gemeenten het instrument van
de aanschrijving op grond van artikel 14 van de Woningwet in het geval van
dergelijke uitwassen op de lokale huurwoningmarkt vaker toepassen. Wij zijn
dan ook ingenomen met het initiatief van de VNG om het aanschrijvingsinstrument
bij de gemeenten extra onder de aandacht te brengen.</al>
      <al>De vraag of enig cijfermatig inzicht bestaat over het aantal aanschrijvingsprocedures
bij de gemeenten moeten wij ontkennend beantwoorden. Wel is uit een in 1996
afgerond evaluatie-onderzoek, dat gericht was op de effectiviteit van het
aanschrijvingsinstrument, gebleken dat de Woningwet geen belemmeringen kent
die de uitvoering van het door de gemeenten gewenste aanschrijvingsbeleid
in de weg staan. Hoewel het onderzoek daarop niet direct gericht was, kwam
daaruit naar voren dat het in 25 tot 50 procent van de klachten tot een aanschrijving
op grond van artikel 14 van de Woningwet komt. Daar moet evenwel aan worden
toegevoegd dat 70 procent van de geënquêteerde gemeenten aangaf
daaraan voorafgaand, al dan niet intensief, vooroverleg met de eigenaar van
de woning te hebben gehad en dat in de vier grote gemeenten dit overleg bij
ruim de helft van de klachten geleid heeft tot vrijwillig herstel. In de middelgrote
gemeenten, waar slechts incidenteel wordt aangeschreven, bedroeg dat percentage
zelfs ruim 75. Bovendien hebben de plaatsgevonden aanschrijvingen op grond
van voornoemd artikel 14 in een aantal gevallen geen betrekking op gebreken
aan de woning maar onder andere op verbeteringen, ongediertebestrijding en
gevelreiniging, welke laatste onderwerpen formeel niet onder de aanschrijvingsbevoegdheid
van artikel 14 vallen. Wij moeten dan ook concluderen dat de aanwezige cijfers
omtrent de aantallen aanschrijvingen geen inzicht geven in de mate waarin
ernstige gebreken of tekortkomingen na interventie van de gemeenten worden
hersteld.</al>
      <al>Op de vraag van de leden van de PvdA-fractie of nog het voornemen bestaat
het aanschrijvingsinstrument in enige zin aan te passen, delen wij mede dat
daartoe geen ander voornemen bestaat dan vanwege milieu-aspecten de gemeenten
op grond van de Woningwet de bevoegdheid te geven de verhuurder aan te schrijven
indien een woning niet of slecht is geïsoleerd (wijziging van de Woningwet
(aanschrijving en energiebesparende voorzieningen), kamerstukken II 1995/96,
24 820, nrs. 1–3).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De huidige koppeling van de procedure tegen de jaarlijkse huurverhoging
met een procedure vanwege gebreken aan of tekortkomingen ten aanzien van de
woonruimte is – dit in antwoord op een vraag van de aan het woord zijnde
leden – geregeld in artikel 25, eerste lid, van de Huurprijzenwet woonruimte.
Deze koppeling is vanaf de inwerkingtreding van voornoemde wet daarin opgenomen
geweest.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De aan het woord zijnde leden vroegen voorts waarom er niet voor gekozen
is om naast de voorgestelde artikel 18-procedure de bestaande mogelijkheid
van het maken van bezwaar tegen een voorgestelde huurverhoging, ondanks de
beperktere sanctiemogelijkheid, te handhaven. Ook de leden van de fracties
van CDA en D66 stelden in andere bewoordingen deze vraag. De leden van deze
fracties wezen daarbij op de suggestie van het Overleg Voorzitters Huurcommissies
(OVH), terwijl de leden van de fractie van D66 daarnaast nog wezen op de suggesties
van het huurspreekurenoverleg Amsterdam en van de Woonbond. De leden van de
SGP-fractie gaven aan dat het voordeel van de voorgestelde procedure is dat
de huurder niet meer de weg behoeft te volgen van de weigering van de jaarlijkse
huurverhoging. Zij veronderstelden daarbij dat het inderdaad kan zijn dat
een huurder meer belang hecht aan de verbetering van zijn huurwoning dan aan
hoogte van de huurprijs.</al>
      <al>Wij wijzen er in antwoord op deze vragen op dat de huurder alle effecten
die hij met betrekking tot gebreken of tekortkomingen volgens de huidige wet
in een bezwaarschriftprocedure tegen een huurverhoging kan bereiken, ook kan
bereiken met de voorgestelde procedure. Daarbij tekenen wij wel aan dat bij
de nota van wijziging die tegelijk met deze nota is ingediend,
de voorgestelde wijziging van artikel 4 van de Huurprijzenwet woonruimte nog
iets is aangescherpt. De nieuw voorgestelde tekst heeft tot gevolg dat ook
indien de overeengekomen huurprijs al lager is dan de ten laagste door de
huurcommissie te vermelden in rekening te brengen huurprijs onderscheidenlijk
door de kantonrechter vast te stellen in rekening te brengen huurprijs, er
geen huurverhogingen mogen worden doorgevoerd, zolang de aangegeven gebreken
of tekortkomingen niet zijn opgeheven. In de oorspronkelijk ingediende tekst
van dit onderdeel was dat nog wel het geval.</al>
      <al>Met het instellen van een «onderhoudsprocedure» kan de huurder
derhalve aangeven belang te hechten aan zowel het opheffen van het nulpunt
als een correctie op de te betalen huurprijs zolang bedoeld nulpunt niet is
opgeheven (met daarenboven nog een bevriezing van de geldende huurprijs).
In verband met deze overlap van effecten is het systematisch niet correct
beide procedures naast elkaar te laten bestaan met als gevolg daarvan onvermijdelijke
doublures in huurgeschillenzaken. Deze doublures zullen bovendien de werklast
van de huurcommissies sterk beïnvloeden, terwijl met de voorstellen juist
mede een werklastvermindering, althans een betere spreiding van de werklast
over het gehele jaar, is beoogd. Bovendien kent de bezwaarprocedure in het
kader van de jaarlijkse huurverhoging, naast het nadeel van een zeer beperkte
sanctie ook nog een aantal andere nadelen:</al>
      <al>– bezwaar is alleen mogelijk als de verhuurder ook daadwerkelijk
een huurverhogingsvoorstel doet;</al>
      <al>– na het voorstel ontstane gebreken of tekortkomingen hebben geen
invloed op de redelijkheid van dat voorstel. Deze zal de huurder eerst bij
een volgend huurverhogingsvoorstel (twaalf maanden later) als bezwaar kunnen
aanvoeren;</al>
      <al>– de huurcommissieprocedure – en daarmee ook de signaalfunctie
waar het OVH zich op beroept – is afhankelijk van de wil van verhuurder
om een verzoekschrift in te dienen; immers doet hij dat niet, dan wordt er
ook geen signaal afgegeven.</al>
      <al>Het bestaan van laatstgenoemde signaalfunctie wordt dezerzijds wel erkend,
doch deze kan naar onze mening geenszins als doel op zich worden beschouwd.
Het OVH heeft daarbij het oog op het twee-derde deel van de circa 30 000
zaken per jaar waarin de huurcommissies tot het oordeel komen dat de klachten
niet zodanig zijn dat zij kunnen leiden tot huurbevriezing. De taak van de
huurcommissies is een uitspraak te doen over het al dan niet bestaan van ernstige
de bewoonbaarheid schadende gebreken of tekortkomingen en daaraan bij geconstateerde
aanwezigheid ervan voor de huurprijs gevolgen te verbinden. Procedures over
gebreken of tekortkomingen waarvan zonder meer duidelijk is dat zij niet ernstig
de bewoonbaarheid schaden en derhalve evenmin kunnen leiden tot thans huurbevriezing
en onder de in het wetsvoorstel opgenomen procedure tot verlaging van de in
rekening te brengen huurprijs, maken het de huurcommissies juist schier onmogelijk
om aan de ernstige klachten binnen een redelijk korte termijn passende aandacht
te schenken.</al>
      <al>Gelet op het voorgaande moet de vraag van de leden van de CDA-fractie
of het juist is dat de voorgestelde procedure betreffende gebreken en tekortkomingen
in de plaats treedt van de thans geldende procedure, dan ook bevestigend worden
beantwoord. Omdat sinds jaar en dag een directe relatie bestaat tussen het
indienen van klachten over gebreken aan of tekortkomingen ten aanzien van
de woonruimte en de jaarlijkse huurverhoging is voor het eerstvolgende huurverhogingsjaar
dat aanvangt nadat de voorstellen kracht van wet hebben verkregen, ervoor
gekozen nog de mogelijkheid te bieden rechtsgeldig bezwaar te maken tegen
de voorgestelde huurverhoging vanwege gestelde gebreken of tekortkomingen
(artikel V, vierde lid, van het wetsvoorstel). Daarmee wordt voorkomen dat
het desbetreffende bezwaar van de huurder in de huurverhogingsprocedure zonder
meer ongegrond wordt verklaard en daarmee de voorgestelde huurverhoging
door de huurcommissie als redelijk wordt aangemerkt.</al>
      <al>Om zo veel mogelijk huurders en verhuurders tijdig over de wijzigingen
te informeren zal op uitgebreide schaal voorlichting worden gegeven. De eerste
ondergetekende denkt daarbij aan onder meer een zogenoemde MG-circulaire aan
gemeenten die mede ten behoeve van plaatselijke informatieverstrekking aan
verhuurders- en huurdersorganisaties op hoofdlijnen ingaat op de problematiek
van gebreken en tekortkomingen en de nieuwe «onderhoudsprocedure»,
het uitbrengen van twee nieuwe brochures inzake het onderhoud van gehuurde
woonruimte (een betreffende de bestaande wettelijke mogelijkheden onderhoud
af te dwingen en een betreffende de nieuwe onderhoudsprocedure), advertenties
in huis-aan-huisbladen en aanpassing van de bezwaarformulieren. Daarnaast
zullen de brochures Huurbeleid en Huuraanpassingen worden aangepast. Ook zullen
de secretariaten van de huurcommissies voorlichtingsbijeenkomsten voor huurders
en verhuurders houden. Indien ondanks deze voorlichting een huurder toch na
het verstrijken van de overgangstermijn tegen de voorgestelde jaarlijkse huurverhoging
een bezwaarschrift heeft ingediend op grond van klachten over gebreken aan
of tekortkomingen ten aanzien van de woonruimte, geldt voor de secretariaten
van de huurcommissies de instructie om in ieder geval de huurder op de nieuwe
procedure te wijzen. Deze is dan in de gelegenheid een keuze te maken tussen
voortzetting van zijn (kansloze) bezwaren aangaande gebreken aan of tekortkomingen
ten aanzien van de woonruimte in de door de verhuurder aanhangig gemaakte
huurverhogingsprocedure of het met kans op succes starten van een «onderhoudsprocedure»
onder intrekking van zijn bezwaarschrift tegen de huurverhoging.</al>
      <al>Met het voorgaande betoog over de informatie die zal worden gegeven teneinde
huurders en verhuurders van de wijzigingen op de hoogte te stellen, is naar
onze mening ook de vraag beantwoord van de leden van de GPV-fractie, op welke
wijze kan worden voorkomen, dat huurders zich tot de huurcommissie wenden
en daarvoor de aan de Staat verschuldigde vergoeding (verder te noemen: leges)
dienen te betalen, voor zaken die door de huurcommissie direct niet ontvankelijk
worden verklaard, bij welke vraag zij suggereerden om enige begeleiding aan
de huurders te geven dan wel hen de mogelijkheid te geven om een aangepaste
aanvraag in te dienen zonder dat wederom leges dient te worden betaald. Daaraan
kan overigens worden toegevoegd dat de kans dat een verkeerd verzoekschrift
wordt ingediend zeer gering is. In de eerste plaats merken wij op dat de huurder
er verstandig aan doet vooraf informatie bij het secretariaat van de huurcommissie
of bij een rechtshulpverlener in te winnen over de vraag welke procedure moet
worden gevolgd om een op het geschil betrekking hebbende uitspraak te verkrijgen.
In de tweede plaats zullen de secretariaten van de huurcommissies in het kader
van de voorlichting het gebruik van de juiste formulieren stimuleren. De huidige
praktijk geeft geen aanleiding te veronderstellen dat een toename van verkeerd
ingediende verzoekschriften te vrezen valt.</al>
      <al>Onder een verkeerd ingediend verzoekschrift verstaan wij een verzoekschrift
waarvan bij de acceptatie reeds zonneklaar is dat een ander verzoekschrift
dan het ingediende had moeten zijn gebruikt. Dit kan bij voorbeeld het geval
zijn als een verzoekschrift op basis van de Huurprijzenwet woonruimte is ingediend
en het object een onder de Huurwet vallende bedrijfsruimte betreft. In een
dergelijk geval ligt het voor de hand dat het verzoek niet verder in behandeling
wordt genomen en dat het secretariaat van de huurcommissie de verzoeker de
juiste formulieren verstrekt. Een eventueel reeds door verzoeker betaalde
vergoeding aan de Staat zal dan kunnen worden gereserveerd en bestemd voor
het verbeterde verzoek.  </al>
      <tuskop letat="cur">2.3. Aparte onderhoudsprocedure bij de huurcommissie</tuskop>
      <al>De leden van de fractie van de VVD stelden enkele vragen over de termijn
van zes weken die de huurder na de kennisgeving aan de verhuurder van een
gebrek of tekortkoming in acht dient te nemen alvorens hij zich tot de huurcommissie
kan wenden met een verzoek uitspraak te doen over de in rekening te brengen
huurprijs. Naar aanleiding van hun vraag waarom deze termijn op zes weken
is gesteld, merken wij op dat voor die termijn is gekozen omdat enerzijds
een termijn van zes weken op een aantal plaatsen in de Huurprijzenwet woonruimte
is opgenomen (zie artikel 20, eerste lid, voor het bezwaar van de huurder
en de daarop aansluitende termijn voor indiening van het verzoekschrift door
de verhuurder, en het vierde lid van dat artikel voor de indiening van het
verzoekschrift door de huurder) en anderzijds zes weken een periode is waarbinnen
een groot aantal gebreken en tekortkomingen kunnen worden verholpen dan wel
de gevolgen ervan kunnen worden gemitigeerd. Bovendien is de termijn van zes
weken niet een termijn, na afloop waarvan de huurder onmiddellijk actie moet
ondernemen, maar slechts een termijn die de huurder ten minste in acht dient
te nemen alvorens zich tot de huurcommissie te kunnen wenden. Indien de verhuurder
na de kennisgeving van de gebreken of tekortkomingen met de huurder in contact
treedt om in goed overleg afspraken te maken over het verhelpen van de gebreken
of tekortkomingen, zal veelal een situatie ontstaan waarin de huurder begrip
zal tonen voor het feit dat een gebrek of tekortkoming niet altijd binnen
zes weken kan worden opgelost, maar binnen een door de verhuurder nader aangegeven
en door de huurder geaccepteerde langere periode. Dat zal er dan toe kunnen
bijdragen dat de huurder zich doorgaans pas tot de huurcommissie wendt indien
de verhuurder zich niet aan die nader afgesproken termijn houdt. Hiermee zijn
ook de andere vragen van de leden van de aan het woord zijnde fractie beantwoord
over het doel van deze termijn en de mogelijkheid dat die termijn voor een
aantal gebreken en tekortkomingen te kort zou kunnen zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de SGP-fractie vroegen in dit kader of de regering zich kan
voorstellen dat in bepaalde situaties het wegwerken van achterstallig onderhoud
niet meer in redelijkheid geëist kan worden. In sommige gevallen, zo
voegen zij daaraan toe, gaat het namelijk om woningen die zodanig verouderd
zijn dat alleen ingrijpende renovatie of zelfs nieuwbouw een oplossing is.
Zij stelden daarbij tevens de vraag hoe in het lokale huisvestingsbeleid op
dergelijke situaties kan worden ingespeeld en of het geen aanbeveling verdient
nader te bezien of daarin niet de werkzaamheden van de huurcommissies kunnen
worden ingebed, gegeven het feit dat de huurcommissies geen onderhoud kunnen
afdwingen en er derhalve geen enkele garantie van daadwerkelijk herstel kan
zijn.</al>
      <al>Met de aan het woord zijnde leden zijn wij het in die zin eens dat in
bepaalde, overigens beperkt in aantal zijnde, situaties niet meer in redelijkheid
verwacht mag worden dat de verhuurder na uitspraak van de huurcommissie de
geconstateerde nulpunten opheft. Dit is overigens niet anders dan bij de huidige
huurbevriezing in een huurverhogingsprocedure. Het voordeel evenwel van de
voorgestelde procedure ten opzichte van laatstbedoelde procedure is dat de
huurder een (aanzienlijk lagere) huurprijs gaat betalen, die meer in overeenstemming
is met het gebodene. Met betrekking tot de vraag omtrent de mogelijke inbedding
van de werkzaamheden van de huurcommissies in het lokale volkshuisvestingsbeleid
merken wij op voorhand op dat zulks wellicht wel kan, maar wenselijk noch
noodzakelijk is. Het is niet wenselijk omdat de huurcommissies autonoom dienen
te blijven en het is niet noodzakelijk omdat thans reeds op grond van artikel
19, vierde lid, van de Wet op de huurcommissies de verplichting voor de secretarissen
van de huurcommissies bestaat bij constatering door de huurcommissie
van nulpunten een afschrift van de desbetreffende uitspraak naar de gemeente
te sturen, waarin de woonruimte is gelegen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de SP-fractie wierpen de vraag op of het wel verstandig is
op dit moment tot ontkoppeling van onderhoudsklachten van de huurverhogingsprocedure
te besluiten. Het gaat immers, zo stelden zij, om een procedure met een grote
bekendheid waarvan tevens een stimulerend effect op het onderhoud uitgaat.
Juist ook een huurverhogingsvoorstel is naar hun mening een goed moment om
het huis nog eens hierop na te lopen. Zij meenden daarom dat een loskoppeling
het gevaar inhoudt dat langzaam het onderhoud achteruit gaat.</al>
      <al>Zoals deze leden zelf ook opmerkten, dient de huurder de gebreken of tekortkomingen
te hebben gemeld bij zijn verhuurder voordat hij deze klachten in een huurverhogingsprocedure
kan betrekken. Wij zijn het dan ook niet eens met de stelling dat een huurverhogingsvoorstel
een goed moment is om de woning in dat kader nog eens na te lopen. Bestaande
reeds aan verhuurder doorgegeven klachten kan de huurder immers na het verstrijken
van een termijn van zes weken op elk moment in zijn verzoekschrift aan de
huurcommissie melden. Daarvoor is het (langdurig) wachten op het tijdstip
van een huurverhogingsvoorstel met een daaropvolgend bezwaarschrift niet nodig.
En indien de huurder (pas) bij het nalopen van de woning op dat tijdstip op
nieuwe gebreken stuit en deze vermeldt in zijn bezwaarschrift tegen het huurverhogingsvoorstel,
zal de huurcommissie deze nieuwe gebreken op grond van artikel 10 van het
Besluit huurprijzen woonruimte niet bij de beoordeling van de redelijkheid
van het voorstel mogen betrekken. Het gaat dan immers om gebreken die de huurder
nog niet eerder – dat dient te gebeuren zo snel mogelijk na het optreden
ervan – aan de verhuurder heeft gemeld. Overigens gaan wij op het veronderstelde
stimulerende effect dat zou uitgaan van de bestaande procedure, als argument
voor het handhaven daarvan, alsmede op de nadelen van handhaving van de bestaande
procedure, elders in deze nota nader in.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie vroegen het oordeel van de regering inzake
de suggestie van het OVH dat het onderscheid tussen de absolute en relatieve
nulpunten kan vervallen indien de huidige onderhoudsprocedure blijft bestaan
en een extra onderhoudsprocedure in het leven wordt geroepen voor de acute
ernstige onderhoudsgebreken.</al>
      <al>Ons afwijzende standpunt ten aanzien van de suggestie om twee onderhoudsprocedures
naast elkaar te laten lopen is hiervoor reeds uitgebreid weergegeven. In dat
licht zou een bespiegeling over het opheffen van het onderscheid tussen absolute
en relatieve nulpunten niet zinvol zijn. Niettemin willen wij op deze suggestie
ingaan. Het betreffende onderscheid is allereerst gemaakt om aan te geven
dat in de aard van gebreken of tekortkomingen verschil bestaat. Onder absolute
nulpunten worden die gebreken en tekortkomingen begrepen die zo ernstig de
bewoonbaarheid schaden dat zonder meer een huurverhoging niet redelijk is
en een voorstel tot huurverlaging als redelijk moet worden aangemerkt zonder
dat de huurder zich op de tekortkoming behoeft te beroepen. De relatieve nulpunten
zijn daarentegen gebreken die weliswaar ernstig de bewoonbaarheid schaden,
maar waarvan de ernst niet op voorhand vaststaat. Een dergelijk gebrek kan
een huurverhoging in de weg staan of huurverlaging redelijk doen zijn indien
de huurder zich op dat gebrek beroept en dat gebrek in het algemeen op grond
van de bevindingen van de huurcommissie de bewoonbaarheid ernstig schaadt.
Om dit verschil te accentueren is het voornemen per categorie een eigen ondergrens
vast te stellen tot welke de huurprijs kan worden «verlaagd».
Wij verwijzen naar de hierna opgenomen beantwoording van vragen van de leden
van de VVD-fractie, waarin ook hierop wordt ingegaan. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de RPF-fractie stelden het onwenselijk en slecht voor de
rechtsgelijkheid te vinden dat er grote verschillen in beleid tussen de huurcommissies
kunnen bestaan. Zij vroegen dan ook op welke wijze wordt gezorgd voor een
goede landelijke afstemming en coördinatie van het «nulpuntenbeleid»
van de huurcommissies. In dat zelfde kader stelden de leden van SP-fractie
de vraag waarom de regering gekozen heeft voor een relatief grote interpretatieruimte
bij de huurcommissie en de kantonrechter inzake het honoreren van de bestaande
relatieve en absolute nulpunten. Ligt het niet veel meer voor de hand, zo
vervolgden zij, om de eenduidigheid te bevorderen door een landelijke lijst?
Ze noemden daarbij als voorbeelden het ontbreken van een rookafvoer voor een
geiser en van een douche of wasgelegenheid, de aanwezigheid van houtrot in
de kozijnen en tot slot de woningscheidende geluidsisolatie met een meer dan
10 dB(A) lagere grenswaarde dan die op grond van de eisen van het Bouwbesluit.</al>
      <al>Op voet van het Besluit huurprijzen woonruimte zullen de nulpuntensancties
in de nulpuntenlijst zoveel mogelijk zijn ingekaderd. De huurcommissies en
de kantonrechters zijn aan deze lijst gebonden. Bij het zogenoemde open nulpunt
is de landelijke afstemming en coördinatie minder gemakkelijk te reguleren
via regelgeving van bovenaf. Aan een landelijke lijst, zoals de leden van
de SP-fractie aangeven, en die, naar wij aannemen, door de eerste ondergetekende
vastgesteld zou dienen te worden, kleeft ook nog het bezwaar dat het door
ons gewenste beperkte open karakter van het nieuwe zogenoemde open nulpunt
zou vervallen. Gevolg zou dan zijn dat categorieën van ernstig de bewoonbaarheid
schadende gebreken of tekortkomingen die thans nog niet bekend zijn, ontbreken
op de lijst en daarom in de toekomst zonder wijziging van de lijst niet als
nulpunt zouden kunnen worden erkend. De vanaf 1986 bestaande lijsten voor
absolute en relatieve nulpunten hebben bij verhuurders- en huurdersorganisaties
tot op heden geen aanleiding gegeven tot het maken van bezwaren inzake de
daarbij behorende grote interpretatieruimte. De huurcommissies zullen door
middel van de door haar bekend te maken puntenboeken zelf nadere inkadering
aan het open nulpunt geven. Het overleg voorzitters huurcommissies kan te
dien aanzien een coördinerende en stimulerende rol vervullen. In het
kader van de integrale herziening van de huurprijsregelgeving wordt overwogen
de huurcommissies te verplichten tot het vooraf bekendmaken van een jaarplan
waarvan het te voeren beleid met betrekking tot met name de nulpunten onderdeel
zal uitmaken. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de VVD-fractie onderschreven ons voorstel tot introductie
van een «onderhoudsprocedure», stellende dat zij van mening zijn
dat na het opheffen van de gebreken of tekortkomingen de huur weer op het
oude niveau gebracht mag worden en dat ook de normale huurverhogingen mogelijk
zijn. Zij verbonden daaraan echter de conclusie dat zij afschaffing van de
inhaalregeling daarom overbodig achten.</al>
      <al>Deze conclusie delen wij echter niet. Het handhaven van een inhaalregeling
werkt contraproductief. Deze inhaalregeling voorziet immers in de mogelijkheid
om vanwege het langdurig bestaan van een ernstige de bewoonbaarheid schadend
gebrek of tekortkoming gemiste huurverhogingen na herstel alsnog in te halen.
Naar ons oordeel gaat van een inhaalregeling geen enkele stimulans uit om
het nulpunt op redelijk korte termijn op te heffen, hetgeen nu juist een belangrijke
doelstelling is van de voorstellen. Om die reden past afschaffing van de inhaalregeling
volledig in de voorstellen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie merkten op zich te kunnen voorstellen dat
het huidige voorstel een taakverzwaring van de huurcommissies inhoudt en vroegen
of zij daarop berekend zijn. </al>
      <al>Een kwalitatief verschil met de huidige taak zal zijn dat de huurcommissies
zelfstandig een oordeel dienen te geven over de hoogte van de «huurverlaging»
in relatie tot de mate waarin de bewoonbaarheid wordt geschaad. Dit is in
tegenstelling tot de huidige situatie waarin geen enkele relatie bestaat tussen
de mate van de door huurder voorgestelde huurverlaging en de aard van het
nulpunt. Daarnaast zullen de huurcommissies in alle zaken waarvoor leges verschuldigd
is, zich moeten uitspreken over de vraag welke partij als (gedeeltelijk) winnende
partij moet worden beschouwd en om die reden het door hem betaalde voorschotbedrag
op de leges geheel of voor de helft gerestitueerd krijgt. De huurcommissies
moeten na een aanvullende gerichte (interne) scholing geacht worden op deze
taak berekend te zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gezien de veel zwaardere sancties, die in sommige gevallen zelfs verplicht
moeten worden opgelegd, merkten de leden van de PvdA-fractie op dat zij een
ondubbelzinnige omschrijving van de lijst van absolute en relatieve nulpunten
verwachten en dat de zwaardere sancties niet tot gevolg zouden moeten hebben
dat die sancties daardoor minder vaak worden opgelegd. De leden van de fractie
van de VVD vroegen zich in dit verband af op welke schaal een huurverlaging
zal worden uitgesproken, in welke mate dit gebeurt en hoe een en ander genormeerd
is. Ook vermeldden zij graag inzicht te verkrijgen in de wijze waarop dit
gaat uitwerken, zo mogelijk aan de hand van enige voorbeelden.</al>
      <al>In tegenstelling tot de suggestie die kan uitgaan van beide vragen, wordt
opgemerkt dat in alle gevallen waarin de huurcommissie in de voorgestelde
procedure een nulpunt constateert, zij altijd een door haar – binnen
de daarvoor gegeven nadere regels – te bepalen lagere in rekening te
brengen huurprijs dan de geldende huurprijs dient uit te spreken. Uitzondering
vormt het naar verwachting beperkte aantal gevallen waarin de huurprijs reeds
onder de voor dat desbetreffende nulpunt geldende minimaal redelijke huurprijs
ligt; in laatstbedoelde gevallen kan de huurcommissie immers geen nog lagere
huurprijs als redelijke huurprijs uitspreken. Omdat in die gevallen volgens
de tekst van het wetsvoorstel, zoals het bij de Tweede Kamer is ingediend,
ook geen huurprijsbevriezing mogelijk is en wij van oordeel zijn dat zulks
wel zou moeten kunnen, hebben wij deze mogelijkheid alsnog door middel van
een bij deze nota gevoegde nota van wijziging in het wetsvoorstel opgenomen.</al>
      <al>Het voornemen bestaat om de beschrijving van de zogenoemde absolute en
relatieve nulpunten niet ingrijpend te wijzigen, doch deze op onderdelen redactioneel
en op enkele onderdelen inhoudelijk te wijzigen. In de lijst zal naast de
absolute en relatieve nulpunten een derde categorie worden opgenomen, namelijk
het zogenoemde open nulpunt (ernstig het woongenot schadend gebrek dat of
tekortkoming die niet valt onder een van de absolute of relatieve nulpunten),
dat door middel van een niet-limitatieve opsomming van praktijkvoorbeelden
zo goed mogelijk zal worden ingekaderd. Onder dit nulpunt worden die gebreken
aan of tekortkomingen ten aanzien van de woning gebracht, die thans voor de
huurcommissies aanleiding geven – en ook slechts kunnen geven –
tot huurbevriezing. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling, dit in antwoord
op de desbetreffende vraag van de leden van de fractie van de PvdA –
dat de huurcommissies hun beleid als gevolg van de aangescherpte sanctie gaan
wijzigen. Daartoe geeft het voorstel ook geen enkele aanleiding.</al>
      <al>Indien alle huurders die tot nu toe hun klachten over gebreken of tekortkomingen
door de huurcommissie gehonoreerd zagen, onder het nieuwe regime een «onderhoudsprocedure»
starten, zal het aantal zaken omstreeks 14 000 op jaarbasis bedragen.
Ongetwijfeld zullen er ook huurders zijn die een «onderhoudsprocedure»
starten zonder dat er sprake is van ernstige gebreken of tekortkomingen. De
verwachting is echter dat dit aantal veel lager zal zijn dan het huidige aantal
jaarlijks af te wijzen bezwaren tegen de huurverhoging vanwege gebreken of
tekortkomingen. De effecten die de legesheffing heeft op procedures
die thans nog wel worden gevoerd met oneigenlijke bezwaren en de effecten
die de nieuwe sanctie heeft op het aantal zaken, zullen mede bepalend zijn
voor het uiteindelijke aantal zaken. Naar verwachting zal het aantal «onderhoudsprocedures»
op een lager cijfer uitkomen dan voornoemde tienduizend.</al>
      <al>Naar aanleiding van de vraag naar de mate waarin de huurcommissies een
«huurverlaging» zullen uitspreken, merken wij op dat deze verlagingen
bij algemene maatregel van bestuur ingevolge artikel 15 van de Huurprijzenwet
woonruimte nader zullen worden gereguleerd. In die zin zal in belangrijke
mate aan de geuite bezwaren van de verhuurdersorganisaties tegen het toe te
voegen open nulpunt tegemoet kunnen worden gekomen. Op voorhand kan van een
dergelijk stelsel worden gezegd dat dit kan bijdragen aan het vergroten van
de uniformiteit van de uitspraken van huurcommissie. Daarvan is ook het OVH
groot voorstander.</al>
      <al>Het model dat ons thans voor ogen staat, bestaat uit een indeling in drie
aan de ernst ervan gerelateerde categorieën van nulpunten met respectieve
ondergrenzen van 25, 40 en 55 procent van de maximale huurprijsgrens, behorende
bij de desbetreffende woonruimte. Deze categorieën zijn voorts weer verder
onderverdeeld in de klassen zwaar, middel en licht. De toedeling van de nulpunten
in deze drie gewichtsklassen vindt plaats door de huurcommissies. Afhankelijk
van het gewicht van het nulpunt wordt in de regeling een op het nulpunt afgestemde
«sanctie» van een maximale huurverlaging opgenomen. Voor de sanctie
bij cumulatie van ernstige gebreken en tekortkomingen zal een aanvullende
regeling worden getroffen. Deze zal inhouden dat bij aanwezigheid van meer
dan één gebrek of tekortkoming van dezelfde zwaarte, bij voorbeeld
«midden», binnen een categorie van nulpunten, de sanctie van de
klasse «midden» geldt. Bij gebreken van verschillende klassen
in die categorie zal de sanctie van het geconstateerde gebrek van de zwaardere
klasse dienen te worden toegepast. Indien het gaat om gebreken binnen verschillende
categorieën geldt de sanctie van het gebrek van de desbetreffende zwaardere
categorie.</al>
      <al>Wij benadrukken nog eens dat huurcommissies in gelijke situaties gelijke
uitspraken dienen te doen. De hierboven uiteengezette nadere normering met
betrekking tot uitspraken over gebreken en tekortkomingen zal leiden tot meer
uniformiteit in de uitspraken. Uiteraard laat dat onverlet dat, waar de regelgeving
dat toelaat, binnen een smalle marge rekening kan worden gehouden met specifieke
lokale situaties. In de gevallen dat de huurder of de verhuurder zich na een
uitspraak van de huurcommissie wendt tot de kantonrechter met een verzoek
tot vaststelling van de huurprijs, geldt voornoemde normering ingevolge artikel
28, eerste lid, van de Huurprijzenwet woonruimte eveneens voor de kantonrechter.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van de PvdA zouden als bewijs voor het herstel
van gebreken of tekortkomingen liever een door de huurder ondertekende herstelverklaring
zien. Zij uitten hun twijfel bij het voorstel om het betalen van de oorspronkelijk
overeengekomen huurprijs door de huurder ook als bewijs te beschouwen.</al>
      <al>Uitgangspunt van het huurprijzenrecht is dat de huur vrij kan worden overeengekomen.
Eventueel kunnen partijen de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs
laten toetsen door de huurcommissie, die daarvoor de huurprijs toetst aan
wettelijke normen. Als de huurcommissie heeft uitgesproken dat zij het redelijk
acht dat een lagere huurprijs in rekening wordt gebracht dan de overeengekomen
huurprijs, zolang de door haar aangegeven gebreken of tekortkomingen niet
zijn verholpen, dan is daarmee ook aangegeven tot hoever de afwijking van
het algemene uitgangspunt van het overeenkomstenrecht gaat: tot gebreken of
tekortkomingen afdoende zijn hersteld, blijkende uit bij voorbeeld het weer betalen door de huurder van de overeengekomen huurprijs. Zou
alleen een ondertekende herstelverklaring voldoende bewijs zijn, dan zou de
verhuurder bij het ontbreken ervan, terwijl de gebreken of tekortkomingen
wel zijn verholpen, de huurder niet aan de contractuele verplichtingen kunnen
houden. Dat is in strijd met het uitgangspunt van het overeenkomstenrecht
dat in beginsel het contract bepalend is voor de rechten en verplichtingen
van partijen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In antwoord op een desbetreffende vraag van de leden van de PvdA-fractie
merken wij op dat niet de huurder, maar de verhuurder, in het geval de huurverhoging
niet wordt betaald, zich tot de huurcommissie dient te wenden. Dat geldt ook
indien de huurder zich daarbij op gebreken of tekortkomingen beroept, die
vanaf de inwerkingtreding van de wet niet meer in de huurverhogingsprocedure,
maar in een afzonderlijke procedure, aan de orde kunnen komen. De positie
van de huurder is derhalve, indien de verhuurder niets doet, nadat de huurder
bezwaar heeft gemaakt tegen de huurverhoging, bijzonder sterk. Hij kan dan
inderdaad volstaan met het betalen van de oude huur. De verhuurder kan natuurlijk
alsnog tot invordering besluiten, maar de huurder is slechts tot betaling
verplicht indien de verhuurder zich tijdig tot de huurcommissie heeft gewend
en vervolgens deze de verhuurder in het gelijk heeft gesteld (en de huurder
zich niet binnen de wettelijke termijn tot de kantonrechter heeft gewend met
een verzoek de huurprijs vast te stellen).</al>
      <al>Zoals ook hiervoor al is aangegeven, zal er uiteraard alles aan worden
gedaan om de nieuwe «onderhoudsprocedure» onder de aandacht van
huurders en verhuurders te brengen. Juist omdat de ervaring leert dat er enige
tijd mee gemoeid is voordat alle belanghebbenden op de hoogte zijn van de
nieuwe mogelijkheden en onmogelijkheden, bevat het wetsvoorstel, zoals ook
al eerder is genoemd, een overgangsbepaling (artikel V, vierde lid), waarmee
wordt bereikt dat de huurcommissie procedures met betrekking tot huurverhogingsvoorstellen
met een ingangsdatum die is gelegen uiterlijk op de eerstvolgende 1 juli-datum
na de inwerkingtreding van de wet, nog volgens het oude recht afhandelen.</al>
      <al>Deze leden vroegen ook welke garantie de regering kan geven dat de huurder
op de mogelijkheid van een artikel 18-procedure wordt gewezen bij de aanbieding
van een verzoekschriftformulier, indien de verhuurder het huurverhogingsgeschil
op grond van een gebrek of tekortkoming aan de huurcommissie heeft voorgelegd.</al>
      <al>In het kader van de voorlichting hebben onder meer de secretariaten van
de huurcommissies tot taak partijen te informeren omtrent de nieuwe procedure.
De eerste ondergetekende zal de secretarissen van de huurcommissies hierop
ook uitdrukkelijk wijzen. Bij deze voorlichting behoort ook het verstrekken
van verzoekschriftformulieren zodra bij binnenkomst van het verzoekschrift
van de verhuurder blijkt dat huurder de verkeerde (bezwaar)procedure heeft
gekozen. Een dergelijke verplichting zal ook gelden voor het overgangsjaar
hoewel alsdan de bezwaarprocedure op grond van gebreken of tekortkomingen
nog wel mogelijk is. </al>
      <tuskop letat="vet">3. Tweezijdige legesheffing</tuskop>
      <al>De leden van de RPF-fractie vroegen of het juist is, dat de regering oorspronkelijk
voornemens was de legesheffing op f 50 te stellen en waarom van dit voornemen
is afgezien.</al>
      <al>In het algemeen overleg van 16 april 1996 over het huurbeleid (kamerstukken
II 1995/96, 24 508, nr. 8) is gesproken over een voornemen tot invoering
van een tweezijdige leges, mede naar aanleiding van een opmerking van de Algemene
Rekenkamer in een verslag over een onderzoek naar retributies in relatie tot
overheidsuitgaven (Nota inzake retributies en overheidsprijzen bij de Rijksdienst,
bijlage 4, nr. 1223R, van 23 december 1992), waarbij inderdaad
is overwogen het bedrag op te trekken naar f 50. Daarbij is mede overwogen
dat het bedrag circa elf jaar geleden is bepaald op f 25 en sindsdien
onveranderd is gebleven. Uiteindelijk is alles afwegende van dit voornemen
afgezien omdat een verhoging met name voor een deel van de huurders (lagere
inkomensgroepen en bij grensgevallen van gelijk/ongelijk) een te hoge drempel
zou kunnen opwerpen om een procedure bij de huurcommissie te starten. Juist
de huurcommissieprocedure is bij uitstek een voorbeeld van een laagdrempelige
voorziening en dat willen wij zoveel mogelijk zo houden.</al>
      <al>Op de vraag van de leden van de fractie van de VVD, wat de hoogte is van
de tweezijdige leges, antwoorden wij dat het voornemen is de leges op f 25
te stellen. Dit bedrag is dus gelijk aan het bedrag dat thans al als leges
verschuldigd is door de verzoeker in een groot aantal bij de huurcommissie
aanhangig te maken zaken. Hiermee is tevens de desbetreffende vraag van de
leden van de SGP-fractie beantwoord.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Overigens heeft onderzoek uitgewezen (B&amp;A-groep Beleidsonderzoek en
Advies, 22 december 1995) dat 70 procent van de huurders die in een huurverhogingsgeschil
hun onderhoudsklachten door de huurcommissie door een huurbevriezing zagen
gehonoreerd, bij de huidige bezwaarprocedure bereid is f 50 leges te
betalen. Die bereidheid zou wellicht nog groter gebleken zijn indien in de
vraagstelling zou zijn betrokken een legesheffing voor een onderhoudsprocedure
met de mogelijkheid van «huurverlaging» en legesrestitutie ingeval
de betrokken huurder in het gelijk zou worden gesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van de SP merkten met betrekking tot de voorstellen
aangaande de leges op absoluut geen voorstander te zijn van een zinloze bureaucratie.
Zij stelden dat het aantal zaken naar hun mening kan worden teruggebracht
indien de mogelijkheden van het gevoegd behandelen van identieke procedures,
met name van diverse huurders binnen eenzelfde complex, verruimd zouden worden.
Om die zelfde reden zeiden deze leden te kunnen instemmen met de mogelijkheid
voor de voorzitter van een huurcommissie om zelf uitspraak te doen bij een
kennelijk onredelijk verzoek van een verhuurder. De leden van de CDA-fractie
vroegen of de regering nog eens de voordelen kan aangeven van een tweezijdige
legesheffing en of zij tevens met het oog op verlichting van de werklast van
de huurcommissies in wil gaan op de mogelijkheid van een eenzijdige leges
met restitutie in het geval van honorering van het verzoek. De leden van de
D66-fractie vroegen zich in dit verband af of de voorgestelde tweezijdige
legesheffing niet tot een ongewenste bureaucratie bij de huurcommissies zal
leiden, waarvan de kosten weleens hoger kunnen zijn dat de baten.</al>
      <al>Wij hebben de keus op een tweezijdige in plaats van op een eenzijdige
legesheffing laten vallen vanwege de navolgende argumenten, waarbij het uitgangspunt
voorop heeft gestaan dat de verliezende partij uiteindelijk de leges verschuldigd
zal zijn:</al>
      <al>– de dubbele legesheffing heeft tot doel ervoor te zorgen, dat partijen
bij een geschil beter dan thans het geval is, nadenken over mogelijke andere
oplossingen van dat geschil alvorens een van beide zich tot de huurcommissie
wendt met het verzoek een uitspraak te doen over het gerezen geschil;</al>
      <al>– partijen hebben gezamenlijk een geschil; het is dan niet redelijk
altijd alleen de verzoeker met (een voorschot voor) leges te belasten;</al>
      <al>– beide partijen hebben doorgaans belang bij een huurcommissiebeslissing;</al>
      <al>– tweezijdige legesheffing voorkomt incassoproblemen achteraf bij
de in het ongelijk gestelde partij;</al>
      <al>– het niet betalen van het verschuldigde voorschot door de andere
partij dan de verzoeker na daartoe door de huurcommissie uitdrukkelijk in
de gelegenheid te zijn gesteld, geeft een vermoeden van redelijkheid
aan het verzoek op grond waarvan een versnelde procedure mogelijk wordt.</al>
      <al>Wij verwachten als gevolg hiervan – mede in verband met de eerder
aangegeven verwachting dat men veel minder dan thans het geval is, voor oneigenlijke
zaken naar de huurcommissie zal gaan – niet dat de dubbele legesheffing
zal leiden tot zo veel administratief werk voor de secretariaten van de huurcommissies,
dat de kosten over het geheel genomen de baten te boven gaan.</al>
      <al>Hiermee is tevens de vraag van de leden van de RPF-fractie of de tweezijdige
legesheffing niet vooral is ingegeven vanuit financiële motieven, naar
wij aannemen, beantwoord.</al>
      <al>Aan de methodiek van eenzijdige legesheffing met restitutie bij in het
gelijk gesteld worden kleeft het bezwaar dat de niet-verzoekende partij in
het geschil buiten schot blijft, indien deze als de verliezende partij wordt
aangemerkt. Op grond van de huidige praktijk in servicekostengeschillen blijkt
dat in het gros van de huurcommissiezaken de niet-verzoekende, en dus niet-betalende,
partij in het ongelijk wordt gesteld. Naar verwachting zal dit ook het beeld
zijn bij de door ons voorgestelde onderhoudsprocedure. De door de leden van
de CDA-fractie geopperde variant waarbij slechts de verzoekende partij leges
verschuldigd is en deze, indien hij in het gelijk wordt gesteld, de leges
gerestitueerd krijgt, heeft, zoals hierboven al is gememoreerd, als bezwaar
dat daarvan een ongelijke behandeling van partijen uitgaat. Dat is het geval
indien de verzoeker ongelijk heeft en hij definitief het bedrag aan leges
verschuldigd is en dus niets gerestitueerd krijgt, terwijl de niet-verzoekende,
doch in het ongelijk gestelde partij, nimmer leges verschuldigd zal zijn.
Dat is nu juist het naar ons oordeel zwaarwichtige argument geweest om de
bestaande methodiek van eenzijdige legesheffing aan te passen en in te voeren
dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld, uiteindelijk de leges verschuldigd
is.</al>
      <al>De bezwaren, verbonden aan (het handhaven van) de huidige methodiek, zijn
naar ons oordeel van groter gewicht dan de nadelen die verbonden zijn aan
tweezijdige legesheffing met definitieve betaling door de verliezende partij.
De partij die immers onterechte bezwaren heeft – en zich daarvan ook
bewust is – tegen bijvoorbeeld een onderhoudsaanzegging, een huurverhogingsvoorstel
of tegen een verzoek om herberekening van de verschuldigde servicekosten zal,
in de wetenschap dat hij in een huurcommissieprocedure kan worden betrokken
met verschuldigdheid van leges, minder snel geneigd zijn de onterechte bezwaren
aan zijn wederpartij te uiten. Daarmee kunnen derhalve onnodige geschillen
worden voorkomen. In die zin kan het nadeel van tweezijdige leges wegvallen
tegen het voordeel van een verminderende werklast voor de huurcommissies.</al>
      <al>In antwoord op de vraag van de leden van de SP-fractie inzake de mogelijkheden
tot het voegen van zaken merken wij op dat de voorzitters van de huurcommissies
op grond van artikel 17a van de Wet op de huurcommissies reeds thans de bevoegdheid
hebben identieke of nagenoeg identieke zaken gevoegd te behandelen.</al>
      <al>Het spreekt voor zich dat wij ook geen voorstander zijn van een –
in de woorden van de leden van de SP-fractie – zinloze bureaucratie.
Wij hopen hierboven de zin van de legesvoorstellen te hebben aangetoond.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de RPF-fractie vroegen waarom het vanuit algemene rechtsbeginselen
een verantwoorde zaak zou zijn aan beide partijen een betaling te vragen.</al>
      <al>Wij merken hierover het volgende op. Het aantal lopende en nieuw af te
sluiten overeenkomsten van huur en verhuur van woonruimte dat wordt gesloten,
is in verhouding met verreweg de meeste andere overeenkomsten van enige importantie
bijzonder groot. Vrijwel iedere Nederlander heeft daarmee vroeg
of laat te maken. Dergelijke overeenkomsten hebben in beginsel ook een duur
van vele jaren. Het onderwerp van de overeenkomst, de gehuurde woning, maakt
dat het bij geschil tussen partijen over de uitvoering van de overeenkomst
door de huurder moeilijk is een andere passende woning te verkrijgen en te
betrekken, waaraan immers hoge kosten zijn verbonden. Dat betekent dat partijen
dergelijke geschillen zoveel mogelijk gezamenlijk dienen op te lossen. Daar
heeft de doorgaans in een financieel zwakkere positie verkerende huurder,
maar doorgaans ook de verhuurder, die immers gebaat is bij stabiliteit, belang
bij. De huurcommissie is een voor een ieder goed toegankelijke instantie die
als partijen onverhoopt er gezamenlijk niet uitkomen, tegen een geringe vergoeding
een uitspraak doet over het geschil. Die geringe vergoeding is, zoals ook
al eerder is aangegeven, bovendien uiteindelijk alleen nog maar verschuldigd
door de in het ongelijk gestelde partij. De partij die in het gelijk wordt
gesteld, schiet het bedrag van f 25 aan leges alleen maar voor. Gelet
ook op de geringe hoogte van dit bedrag en op het voorgaande is het naar onze
mening vanuit algemene rechtsbeginselen bezien een verantwoorde zaak aan beide
partijen een (vooruit)betaling te vragen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de PvdA-fractie merkten op dat als achtergrond voor de invoering
van tweezijdige legesheffing de toegenomen werklast van de huurcommissies
wordt genoemd. Op grond van de in de toelichting opgenomen tabel concludeerden
zij echter een afname van de huurprijsgeschillen. Naar hun oordeel bleek dan
ook niet van lichtvaardig ingediende bezwaren. Zij vroegen om de ontwikkeling
in de verzoekschriften in 1996 en 1997 en die in de uitspraken waarin de verhuurder,
gelet op het onderhoudsaspect als klacht tegen de huurverhoging, in het gelijk
is gesteld. De leden van de fractie van de SP gaven aan fervent tegenstander
te zijn van het heffen van leges bij procedures voor de huurcommissie omdat
deze een extra drempel vormen voor huurders die problemen hebben met hun verhuurder.
Zij vinden dit niet aanvaardbaar omdat ook de eigen bijdrage voor rechtsbijstand
alsmede griffiekosten en leges (in andere kaders) zijn opgetrokken. Zij stelden
dat de in de memorie van toelichting opgenomen beschrijving van de kantongerechtsprocedures
terzake van het onderhoud de juistheid van hun stelling inzake de onwenselijkheid
van het opwerpen van financiële drempels illustreert. Anders dan de regering
aangeeft, zeiden zij van mening te zijn dat van een lichtvaardig beroep op
de huurcommissies geen sprake is. Zij stelden dat er veeleer een relatie is
tussen de hoogte van de jaarlijkse huurverhoging en het aantal bezwaarschriften.
Blijkens de memorie van toelichting is de teruggang van het aantal zaken bij
de huurcommissies naar hun mening immers reeds een aantal jaren geleden ingezet.
Volgens de aan het woord zijnde leden bedraagt de werklast van de huurcommissie
in 1997 zelfs 20% minder zaken dan in 1996. Zij vroegen of dit juist is en
tevens, indien dat zo is, waarom dan toch een financiële drempel wordt
ingevoerd. Ook de leden van de D66-fractie stelden enkele kritische vragen
over dit onderwerp. Het is deze leden niet duidelijk waarom, mede gezien de
onevenwichtigheid in de positie van huurder en verhuurder, het noodzakelijk
wordt geacht om beide partijen voor alle adviezen en uitspraken van de huurcommissie
bij een geschil te laten betalen. Dit leek deze leden een verslechtering ten
opzichte van de bestaande situatie. Zij vroegen of invoering van een vergoeding
een bewuste drempel is die tot doel heeft om het aantal procedures bij de
huurcommissie te verminderen. Voor hen kan overbelasting niet het belangrijkste
argument zijn voor een dergelijke drempel. Zij refereerden aan het naar hun
oordeel terechte standpunt van het OVH dat er jaarlijks maar weinig niet-relevante
bezwaren worden ingediend en dat bedoelde bezwaren zonder veel kosten met
een zogenaamde voorzittersuitspraak kunnen worden afgedaan. </al>
      <al>In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel wordt niet de toename
van de werklast, maar de hoogte ervan als een van de argumenten genoemd om
te komen tot een (tweezijdige) legesheffing. Het aantal bij de huurcommissie
ingediende verzoekschriften is aan schommelingen onderhevig. Mede vanwege
invoering van de zogenoemde brengplicht bij huursubsidieverzoeken is het aantal
zaken in 1995 weer toegenomen met circa 5.5 procent tot 109 990 en in
1996 met eveneens circa 5.5 procent tot 116 582. Aan de hand van de thans
bekende voorlopige gegevens zal naar verwachting het totale aantal in het
kalenderjaar 1997 ontvangen verzoeken eenzelfde niveau vertonen als in 1996.
In deze verwachting is betrokken de verlenging van de termijn tot 1 januari
1998 voor het indienen van huursubsidieverzoeken die onderworpen zijn aan
een brengplichtverklaring van de (voorzitter van) de huurcommissie. Een ander
argument voor legesheffing, en daarmee komen wij toe aan de beantwoording
van de vraag van de leden van de CDA-fractie omtrent de wijze van afdoening
door de huurcommissies, zijn de al te lichtvaardig ingediende bezwaren en
verzoeken. Het aantal geschillen met betrekking tot huurprijswijzigingen met
bezwaarschrift vertoont vanaf 1991, het jaar waarin ten opzichte van het voorafgaande
jaar meer dan een verdubbeling tot 68 043 zaken plaatsvond, tot heden
een geleidelijke daling. Het huidige aantal zal schattenderwijs 40 000
geschillen bedragen en daarmee op een iets lager aantal dan in 1996 uitkomen.</al>
      <al>Uit ervaringscijfers blijkt dat twee-derde deel van bedoelde geschillen,
geschat dus thans op ruim 26 000 zaken, leidt tot een uitspraak dat de
huurverhoging zonder meer redelijk is. Een groot deel van de daarop betrekking
hebbende bezwaren inzake gebreken of tekortkomingen zijn niet als ten minste
ernstig de bewoonbaarheid schadend beschouwd en moeten dan ook, behoudens
grensgevallen, als lichtvaardig ingediende bezwaren worden aangemerkt. Het
overgrote deel van deze onderhoudsklachten moet door of vanwege de huurcommissie
ter plekke worden onderzocht op de mate waarin zij de bewoonbaarheid ernstig
schaden. De bevindingen van dat onderzoek worden in een rapport van voorbereidend
onderzoek opgenomen. Vanwege deze rapportage kunnen de op het geschil betrekking
hebbende verzoekschriften dan ook niet in een vereenvoudigde procedure door
de voorzitter worden afgedaan. Met betrekking tot bezwaren kan dat slechts
als reeds aanstonds bij binnenkomst van het verzoek blijkt dat dit bezwaar
omtrent het gebrek of de tekortkoming kennelijk ongegrond is. Dit is zelden
het geval.</al>
      <al>Anderzijds zal de huurcommissie in het resterende een-derde deel, geschat
dus thans op 14 000 zaken, uitspreken dat de huurverhoging niet redelijk
is. Een groot deel van de daaraan ten grondslag liggende verzoeken moet, gelet
op de geconstateerde aanwezigheid van ernstig tot zeer ernstig de bewoonbaarheid
schadende gebreken of tekortkomingen, dan ook als door de verhuurder lichtvaardig
ingediend worden beschouwd. </al>
      <al>Ook het aantal ingediende andere verzoeken laat qua aantal een soortgelijke
ontwikkeling zien. Na een geleidelijke daling tot 1996 lijkt vanaf dat jaar
een stabilisering van het aantal zaken op te treden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van de VVD vroegen of in het geval beide partijen
in het gelijk worden gesteld, dan uitsluitend een 50%-regeling denkbaar is
bij teruggave van de leges.</al>
      <al>Wij merken op dat uiteraard meer denkbaar is dan een 50%-vergoeding in
de gevallen dat beide partijen deels in het gelijk worden gesteld. Bepaald
zou kunnen worden dat de uiteindelijke leges wordt gerelateerd aan de mate
waarin partijen gelijk hebben gekregen. Dat zou echter het systeem erg bewerkelijk
en bureaucratisch maken, zeker gelet op de hoogte van de door de (gedeeltelijk)
verliezende partij te betalen leges (f 25 of f 12,50). Derhalve
is gekozen voor een systeem waarbij de huurcommissie slechts behoeft vast
te stellen of één partij in het ongelijk is gesteld en dus de
bij wijze van voorschot betaalde leges terugkrijgt of dat beide
voor een (behoorlijk) deel in het ongelijk zijn gesteld en derhalve beide
slechts de helft van de als voorschot betaalde leges terugkrijgen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In antwoord op een desbetreffende vraag van de leden van de fractie van
de PvdA delen wij mede dat een huurder thans geen leges verschuldigd is, indien
hij bezwaar maakt tegen de jaarlijkse huurverhoging op grond van klachten
over gebreken aan of tekortkomingen ten aanzien van de woonruimte. Het is
immers niet de huurder, maar de verhuurder die nadat de huurder bezwaar heeft
gemaakt, zich tot de huurcommissie dient te wenden om de redelijkheid van
de huurverhoging te laten toetsen. Gaat die verhuurder na invoering van het
voorstel daadwerkelijk naar de huurcommissie, dan dient hij, maar vervolgens
ook de huurder, bij wijze van voorschot leges te betalen. Het ligt voor de
hand dat de verhuurder na kennisneming van het bezwaar de huurder wijst op
het feit dat de klachten over gebreken aan of tekortkomingen ten aanzien van
de woonruimte niet meer in de huurverhogingsprocedure bij de huurcommissie
een rol kunnen spelen. Dat is ook in het belang van de verhuurder, omdat hij
anders voor het starten van de huurcommissie-procedure – die hij op
formele gronden zeker zal winnen – toch eerst leges dient te betalen.
De huurder dient derhalve in dat geval ook bij wijze van voorschot leges te
betalen, doch niet – dit in antwoord op een andere vraag van de aan
het woord zijnde fractie – ook nog eens de door de verhuurder verschuldigde
leges. Wel is de huurder de door hem betaalde leges als de in dat geval in
het ongelijk gestelde partij kwijt, terwijl de verhuurder dat bedrag terugkrijgt.
Indien de verhuurder het op een dergelijke procedure laat aankomen en de huurder
start vervolgens een nieuwe procedure, nu op grond van het nieuwe artikel
18, dan is de huurder opnieuw leges verschuldigd. </al>
      <tuskop letat="vet">4. Overdracht toezicht op de huurcommissies van gedeputeerde
staten naar Rijk</tuskop>
      <al>De leden van de fractie van de VVD vroegen zich af hoe de wijziging van
het toezicht zich verhoudt met de decentralisatie waar het kabinet naar streeft.
Ze wilden in dit verband weten of – gezien de specifieke omstandigheden
in de verschillende regio's in Nederland – (territoriale) decentralisatie
niet meer op zijn plaats zou zijn geweest.</al>
      <al>Als uitgangspunt van het kabinet geldt dat, indien taken op doelmatige
en doeltreffende wijze door besturen van decentrale overheden kunnen worden
verricht, deze niet behoren te worden opgedragen aan het Rijk. Gezien de behoefte
om te komen tot grotere uniformiteit van uitspraken van de huurcommissies,
acht ik het Rijk het meest aangewezen bestuursniveau om de toezichthoudende
taak ten aanzien van de huurcommissies uit te oefenen. De specifieke omstandigheden
in de diverse regio's voor de huurcommissies bestaan doch beperken zich evenwel
tot het plaatselijk gebruik met betrekking tot de vraag wat onder gering en
dagelijks onderhoud moet worden verstaan indien partijen terzake niets zijn
overeengekomen. Overige omstandigheden doen zich voorzover bekend niet voor.
Overheveling van het toezicht naar het Rijk ligt bovendien in de rede aangezien
ingevolge dit wetsvoorstel eveneens de bevoegdheid tot benoeming van de leden
van de huurcommissies bij de rijksoverheid komt te liggen. De reden hiervoor
is gelegen in het feit dat sedert de inwerkingtreding van de op de Wet op
de huurcommissies gebaseerde uitvoeringsregeling benoeming leden huurcommissie
in 1996 de provincies slechts marginaal inhoudelijk betrokken zijn bij de
benoeming van leden van de huurcommissies. De leden van de huurcommissies
worden sindsdien op aanbeveling van landelijke «huurders- of verhuurdersorganisaties»
benoemd, waarbij de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de voorgedragen
kandidaatleden bij de voordragende organisatie is gelegd. Met
deze organisaties worden met name op rijksniveau contacten onderhouden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de VVD-fractie wilden graag weten of de provincies nog bemoeienis
zullen hebben met de huurcommissies als het toezicht is overgegaan van de
provincie naar het Rijk. Tevens vroegen zij hoe in dit kader de afstemming
van gemeenten en de verlening van de huursubsidie is geregeld.</al>
      <al>In antwoord hierop delen wij mede dat, zodra het toezicht op de huurcommissies
bij het Rijk is komen te liggen, de provincies geen bemoeienis meer hebben
met de huurcommissies. De overheveling van het toezicht heeft geen enkele
relatie met welke andere aspecten van het volkshuisvestingsbeleid dan ook.</al>
      <al>De leden van de SP-fractie merkten op in te stemmen met het overdragen
van het toezicht op de huurcommissies van de provincies naar de Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Het kwam hen voor
dat het daarmee eenvoudiger wordt om jaarlijks kengetallen aan de Tweede Kamer
der Staten-Generaal te verstrekken omtrent de aard van de behandelde zaken.
Deze leden vroegen of de regering hier positief tegenover staat.</al>
      <al>De eerste ondergetekende is van oordeel dat de voorgestelde wijziging
van het toezicht op de huurcommissies op zich geen verschil oplevert met de
huidige situatie voor wat betreft de mogelijkheden om jaarlijks bedoelde gegevens
te verstrekken. Indien de Tweede Kamer hem daarom zou verzoeken, zouden deze
gegevens onder de huidige regelgeving en in de toekomst telkenjare in het
tweede kwartaal kunnen worden verstrekt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van het CDA vroegen naar de reden dat het kabinet
niet het voorstel van de Commissie Huurders-Verhuurders heeft overgenomen
ten aanzien van benoeming van de leden van de huurcommissies door de Kroon.</al>
      <al>De eerste ondergetekende wijst met betrekking tot deze vraag naar de nota
van toelichting op de regeling van 26 april 1996, Stcrt. 88, nr. MJZ 96020997
inzake uitvoeringsregeling benoeming leden huurcommissies. In de toelichting
daarop is op een aantal van de door de leden bedoelde voorstellen van de Commissie
Huurders-Verhuurders ingegaan. Het voorstel voor benoeming van de leden bij
koninklijk besluit is daarin niet besproken, aangezien daarin niet bij ministeriële
regeling kon worden voorzien. Wel is daarin met betrekking tot de herbenoeming
van leden van de huurcommissies opgenomen dat in het kader van de integrale
herziening van de huur(prijs)wetgeving wordt bezien in welke zin herbenoeming
nader kan worden geregeld. Inmiddels is in voornoemd kader besloten om niet
over te gaan tot benoeming van de leden van de huurcommissies door de Kroon,
omdat daaraan geen zodanige toegevoegde waarde is verbonden dat deze opweegt
tegen de daarmee gemoeide lasten. Het kabinetsbeleid is erop gericht slechts
die benoemingen door de Kroon te doen plaatsvinden die gelet op het niveau
van de functie niet op een lager niveau kunnen worden afgedaan. Nu de benoeming
van de voorzitters bij koninklijk besluit plaatsvindt en ook blijft plaatsvinden,
is er onvoldoende reden om daarnaast ook nog eens de leden door de Kroon te
doen benoemen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie vroegen vervolgens in hoeverre het OVH een
rol kan spelen bij het streven naar meer uniformiteit in de uitspraken van
de huurcommissies.</al>
      <al>Het OVH heeft te kennen gegeven voorstander te zijn van meer uniformiteit
in de huurcommissie-uitspraken. Daarin ligt naar onze mening de bereidheid
van de voorzitters besloten om zich daarvoor in te spannen. Daarnaast merken
wij op dat meer uniformiteit in de uitspraken wordt bereikt door de eerdergenoemde
strakkere normering met betrekking tot de gevolgen van door de
huurcommissie geconstateerde gebreken en tekortkomingen. In gezamenlijk overleg
zouden de voorzitters van de huurcommissies algemene beleidsstandpunten kunnen
formuleren op die terreinen waar de huurcommissies enige beleidsvrijheid hebben.
Te denken valt daarbij aan een nog verdere invulling van het nieuw in te voeren
nulpunt per categorie, de categorie-indeling naar gewicht van de diverse nulpunten
en de mate waarin binnen de daarvoor geldende regeling een «huurprijssanctie»
zal worden toegepast. De verwachting is dat de autonome huurcommissies in
verband met de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, niet alleen in eerste
instantie ten gunste van de geschilvoerende partijen maar vanwege uitstralingseffecten
mede ook ten gunste van de gehele huursector, oog zullen hebben voor de door
het OVH vastgestelde beleidsstandpunten en deze zullen overnemen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van D66 vroegen zich af of het onder andere door
gedeputeerde staten van Zuid-Holland gesignaleerde probleem van (vermeende)
belangenverstrengeling terecht is en of een eventuele Kroonbenoeming van leden
van de huurcommissies in plaats van een ministeriële benoeming dit probleem
zou kunnen ondervangen.</al>
      <al>In de eerste plaats geldt dat de benoeming geschiedt op aanbeveling van
de Woonbond, indien er bij een huurcommissie een vacature voor een huurdersvertegenwoordiger
is, en van de landelijke koepels van verhuurders gezamenlijk, als er een vacature
voor een verhuurdersvertegenwoordiger is. Voor huurders noch verhuurders kan
alsdan de indruk bestaan van belangenverstrengeling. Daarnaast geldt dat de
huurcommissies organen zijn, die niet op basis van die belangenafweging, maar
op grond van specifieke deskundigheid komen tot een ten opzichte van de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer onafhankelijke
oordeelsvorming over huurgeschillen. In de tweede plaats hebben de huurcommissies
geen bemoeienis met het huurbeleid en ook niet met de Huursubsidiewet anders
dan met de beoordeling van de redelijkheid van de huurprijs voor in die wet
bepaalde gevallen. </al>
      <tuskop letat="vet">5. Financiële effecten</tuskop>
      <al>In antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie of de wijziging
van het toezicht financiële gevolgen heeft voor de VROM-begroting en
voor de begroting van gemeenten en provincies merken wij op dat dit voor de
begroting van het ministerie nauwelijks financiële gevolgen heeft. Het
toezicht zal in het kader van dit wetsvoorstel beperkt blijven tot de behandeling
van – op basis van ervaringscijfers – niet meer dan een enkele
klacht op jaarbasis. Een zelfde, doch tegengesteld, zeer gering financieel
gevolg ontstaat voor de begroting van een of meer provincies. Er is geen relatie
met de begroting van de gemeenten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tot slot wilden de aan het woord zijnde leden weten in hoeverre in overleg
met de betrokken organisaties overeenstemming is bereikt.</al>
      <al>Dienaangaande kan worden opgemerkt dat met alle betrokken sectororganisaties,
de VNG en het OVH intensief contact is geweest om te sonderen welke hun reacties
waren op de beleidsvoornemens terzake en vervolgens op de concept-voorstellen.
Daarna zijn met de direct betrokken organisaties ook nabesprekingen gevoerd.
Waar mogelijk is getracht aan de door de organisaties aangevoerde bezwaren
en gedane suggesties tegemoet te komen. Vanwege veelal tegengestelde belangen
was dit niet altijd geheel mogelijk. Niettemin hebben wij het sterke gevoel
dat het resultaat, waaronder tevens begrepen de voorgenomen wijziging van
het Besluit huurprijzen woonruimte waarin de directe huurprijsgevolgen van
de nieuwe onderhoudsprocedure tot uitdrukking worden gebracht, op hoofdlijnen
door alle betrokken sectororganisaties zal worden gedragen. In
dit kader, en dit was een belangrijk knelpunt, is voor de drie categorieën
nulpunten per categorie een onderverdeling gemaakt in een klasse zwaar, middel
en licht met een daarbij behorende maximale «huurprijssanctie».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de PvdA-fractie merkten op het niet per definitie wenselijk
te achten als, zoals de regering verwacht, het aantal procedures inzake minder
ernstige klachten zou afnemen en dat van procedures rond ernstige klachten
zou toenemen. Het tijdig verhelpen van minder ernstige klachten voorkomt ernstige
klachten. Zij vroegen hoe de regering daarover denkt.</al>
      <al>Uit eerdergenoemd onderzoek van de B&amp;A-groep is gebleken dat in een
naar ons oordeel te gering aantal gevallen (bij 50% van de onderhoudsklachten)
binnen het eerste jaar na het indienen van het bezwaarschrift de gebreken
of tekortkomingen worden opgeheven. Wij vinden dat aantal te gering omdat
twee-derde van alle klachten als relatief nulpunt werd aangemerkt. In 25%
van alle klachten vindt herstel eerst in het tweede jaar plaats en in de resterende
25% in het derde jaar. Voorts is gebleken dat de huurcommissie-uitspraken,
waarbij de huurverhoging niet redelijk wordt geacht vanwege ernstig de bewoonbaarheid
schadende gebreken of tekortkomingen, slechts in 20% van de gevallen (volgens
eigen opgave van de verhuurders) rechtstreeks invloed heeft op het bijstellen
van het onderhoudsbeleid. Bijzonder laag scoorden daarbij de particuliere
verhuurders met slechts 5%.</al>
      <al>In antwoord op een desbetreffende vraag van de leden van de SGP-fractie
merken wij op dat onderzoeksgegevens ontbreken over de redenen waarom een-derde
van de verhuurders geen maatregelen treft nadat de huurder een bezwaarschrift
met onderhoudsklachten heeft ingediend. Verhuurdersorganisaties wijzen er
echter op dat aanwezige nulpunten veelal complexgewijs worden opgeheven en
dat dergelijke activiteiten dan ook planmatig plaatsvinden. Men zou voorts
ook kunnen denken aan de mogelijkheid dat veel verhuurders eerst het oordeel
van de huurcommissie wensen af te wachten omtrent de vraag of de in het geding
zijnde onderhoudsklacht al dan niet de bewoonbaarheid (ernstig) schaadt.</al>
      <al>Gelet op bovenvermelde uitkomsten van onderzoek zijn wij dan ook van oordeel
dat een aanzeggingsprocedure met zonodig daarop een «onderhoudsprocedure»,
die bij ernstige gebreken of tekortkomingen leidt tot een lagere in rekening
te brengen huurprijs, beduidend effectiever is. De prikkels om tot bespoediging
van herstel te komen worden daarmee vergroot. Als extra prikkel voor tijdig
herstel komt daar bovenop de onmogelijkheid om een of meer gemiste huurverhoging(en)
alsnog in te lopen indien het herstel achttien maanden of langer na de ingangsdatum
van de in het geding zijnde huurverhoging op zich heeft laten wachten. Op
grond van artikel 4 van de Huurprijzenwet woonruimte kan de verhuurder immers
zelfs nog na het opheffen van het gebrek of de tekortkoming in de maand juni
van het lopende huurverhogingsjaar, dat loopt van 1 juli tot  1 juli, de nog
niet gerealiseerde huurverhoging van 1 juli en vervolgens eveneens de nieuwe
1 juli-huurverhoging in rekening brengen. Als het opheffen van het gebrek
of de tekortkoming daarna plaatsvindt, dat is dus ten minste circa twaalf
maanden na het indienen van het bezwaarschrift, dan heeft dat op grond van
artikel 4 van de Huurprijzenwet woonruimte tot gevolg dat de huurverhogingsdatum
in beginsel voor altijd opschuift. Verricht de verhuurder achttien maanden
of later na het indienen van het bezwaarschrift herstelwerkzaamheden, dan
komt eerst de nu nog bestaande inhaalregeling in beeld, omdat dan wordt voldaan
aan de eis dat in twee of meer kalenderjaren geen huurverhoging heeft kunnen
plaatsvinden.  </al>
      <tuskop letat="vet">B. ARTIKELSGEWIJS VERSLAG</tuskop>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de GPV-fractie verwachtten dat een aantal huurders een procedure
zal aanspannen tegen de huurverhoging, alleen om te voorkomen, dat de huur
verhoogd wordt vóórdat beslist is in de onderhoudsprocedure.
Zij vroegen hoe wij oordelen over deze mogelijke ontwikkeling en welke gevolgen
een dergelijke ontwikkeling voor de werkdruk van de huurcommissies kan hebben.</al>
      <al>Indien de huurder een onderhoudsprocedure heeft gestart en de verhuurder
vervolgens toch een huurverhoging voorstelt, zal de huurder ofwel daartegen
bezwaar aantekenen ofwel er in het geheel niet op reageren. In beide gevallen
kan de verhuurder – dus niet de huurder – zich tot de huurcommissie
wenden. De huurcommissie zal alsdan constateren dat er een onderhoudsprocedure
loopt en zal conform het voorgestelde in artikel II, onderdeel G, vervolgens
het verzoek van de verhuurder eerst in behandeling dienen te nemen, nadat
zij beslist heeft in de onderhoudsprocedure. Een verhuurder die weet dat er
metterdaad sprake is van enig gebrek als bedoeld in onderhavig wetsvoorstel,
zal zich naar verwachting niet snel tot de huurcommissie wenden, daar hij
ook weet of kan weten dat hij in het kader van de onderhoudsprocedure in het
ongelijk zal worden gesteld, waardoor hij ook de huurverhoging niet zal kunnen
realiseren. Gelet op het voorgaande verwachten wij geen betekenende werkdrukverhoging
als gevolg van de door deze leden veronderstelde ontwikkeling. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel I </tuskop>
      <tuskop letat="cur">onderdeel A (artikel 4)</tuskop>
      <al>De leden van de SP-fractie zeiden van mening te zijn dat artikel 4 zodanig
moet worden uitgebreid dat niet alleen de verhuurder, maar ook de huurder
eenmaal per jaar de gelegenheid heeft om een voorstel tot huuraanpassing te
doen.</al>
      <al>Wij merken dienaangaande op dat in artikel 4 van de Huurprijzenwet woonruimte
heel algemeen is bepaald dat de huurprijs eenmaal per jaar kan worden gewijzigd.
Voor deze tekst is destijds gekozen om na een daartoe gedaan voorstel –
met alle waarborgen voor beide partijen, die in de wet te dien aanzien zijn
opgenomen – niet alleen het de verhuurder mogelijk te maken de huurprijs
te verhogen, maar ook het de huurder mogelijk te maken de huurprijs te verlagen.
De mogelijkheid voor beide partijen om binnen de wettelijke grenzen eenmaal
per jaar na een voorstel daartoe de huurprijs aan te passen, is er thans dus
reeds. Artikel 4 staat daaraan in het geheel niet in de weg. </al>
      <tuskop letat="cur">onderdeel M (artikel 25)</tuskop>
      <al>De leden van de SP-fractie meenden dat het eerste en het vierde lid van
onderdeel M dienen te vervallen.</al>
      <al>Wij merken op dat die leden er juist toe dienen om een ontkoppeling tot
stand te brengen tussen de huurverhogingsprocedure en de onderhoudsprocedure.
In onderdeel 2.3 van het algemeen deel van deze memorie is uitvoerig ingegaan
op de vragen die gesteld zijn over nut en noodzaak van deze ontkoppeling.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,</functie>
        <naam>D. K. J. Tommel</naam>
        <functie>De Minister van Justitie,</functie>
        <naam>W. Sorgdrager </naam>
      </ondtek>
    </wet>
  </body>
</kamerwrk>