﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="lyst">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25130-2/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1996-1997</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>6K4258</ordernr>
    <vergjaar>1996-1997</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>25 130</nummer>
      <naam>Najaarsnota 1996</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>2</nummer>
      <titel>LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN</titel>
      <datum>Vastgesteld 16 december 1996</datum>
      <al>De vaste commissie voor Financiën<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> heeft
ter voorbereiding van de Najaarsnota 1996 onderstaande vragen geformuleerd.
De desbetreffende antwoorden zijn eveneens in dit verslag opgenomen.</al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
        <naam>Ybema</naam>
        <functie>De griffier van de commissie,</functie>
        <naam>Van Overbeeke   </naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">1</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is de regering van plan te gaan doen met de meevallers van per
saldo 312 mln. in de voor de budgetdiscipline relevante netto-uitgaven? En
wat gebeurt er met de 0.4 mld. die resteert in de niet voor de budgetdiscipline
relevante uitgaven? (blz. 1).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De per saldo gesignaleerde meevallers leiden tot een verlaging van het
tekort. </al>
      <tuskop letat="vet">2</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke concrete ombuigingsmaatregelen liggen ten grondslag aan de
mutaties? (blz.1–2).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op genoemde pagina's wordt het saldo van de geactualiseerde ramingen weergegeven
(saldo mee- en tegenvallers en beleidsmatige mutaties). Het betreft hier geen
concrete ombuigingsmaatregelen. </al>
      <tuskop letat="vet">3</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wie bepaalt de hoogte en de noodzaak van een eindejaarsmarge? (blz.
2).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de nota «Verder Bouwen aan Beheer» (Kamerstukken II, 1991–1992,
22 300, nr. 1) uit 1992 is de eindejaarsmarge geïntroduceerd. Het
creëren van een mogelijkheid om een zekere hoeveelheid kasgeld over de
jaargrens heen te verplaatsen, blijkt noodzakelijk om ondoelmatige besteding
van middelen aan het einde van het jaar (de zogenaamde decemberkoorts) tegen
te gaan. De maximale eindejaarsmarge bedroeg aanvankelijk 0,25% van het (gecorrigeerde)
begrotingstotaal.</al>
      <al>In de brief «Begrotingsproces en -systematiek» die op 2 maart
1995 aan de Tweede Kamer is verzonden (Kamerstukken II, 1994–1995, 23 900,
nr. 21), werd aangegeven dat de maximale eindejaarsmarge verhoogd is naar
1,0%.</al>
      <al>Ieder departement mag van deze eindejaarsmarge tot het genoemde maximum
gebruik maken. Hoeveel feitelijk wordt overgeheveld is afhankelijk van de
ontwikkeling op de desbetreffende begroting; het saldo van specifieke mutaties
(mee- en tegenvallers en beleidsmatige mutaties) kan – voor zover het
maximum niet wordt overschreden – worden meegenomen in de eindejaarsmarge. </al>
      <tuskop letat="vet">4</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom worden voor de eindejaarsmarges 1996 dezelfde bedragen aangehouden
als de eindejaarsmarges 1995? (blz.2).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De feitelijke omvang van de eindejaarsmarges 1995/1996 is bepaald door
het gebruik dat de departementen in 1995 feitelijk hebben gemaakt van de mogelijkheid
om (per saldo) gelden mee te nemen van 1995 naar 1996. Bij Voorjaarsnota 1996
zijn deze bedragen aan de begrotingen 1996 toegevoegd.</al>
      <al>Dit zou evenwel een belasting van het uitgavenbeeld betekenen. Om deze
belasting te neutraliseren is gelijktijdig is een evengrote – technische –
tegenpost (aanvullende post «nader te bepalen ombuigingen/nader te verdelen»)
opgenomen. Daarmee werd de verwachting uitgesproken («de ramingstechnische
veronderstelling») dat in de periode vanaf de Voorjaarsnota onderuitputting
op zal treden (bijvoorbeeld doordat ook in 1996 gebruik wordt gemaakt van
de eindejaarsmarge) die minimaal gelijk is/zal zijn aan de toevoeging uit
hoofde van de eindejaarsmarge 1995/1996. De onderuitputting bij Najaarsnota
is dus voldoende gebleken om de ramingstechnische veronderstelling te verwerken. </al>
      <al>Het bedrag dat in 1996 feitelijk in de eindejaarsmarge naar 1997 wordt
overgeheveld, is niet per definitie gelijk aan de eindejaarsmarge 1995/1996. </al>
      <tuskop letat="vet">5</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Geldt nog altijd dat een eindejaarsmarge een directe tegenpost moet
hebben in het volgende jaar, zoals destijds vermeld in de brief van 2-3-1995
over het begrotingsbeleid? (blz. 2).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ja.</al>
      <al>Zie ook de beantwoording van vraag 4. </al>
      <tuskop letat="vet">6</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom wordt van de 823 miljoen die aan België wordt betaald
vanwege de HSL-Zuid in 1996 reeds 428 mln. betaald?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom wordt slechts 181 mln. en niet de volledige 428 mln. betaald
uit het FES? (blz. 2).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Nederlandse bijdrage hangt samen met het voor Nederland meest gunstige
tracé van de HSL-zuid (zowel qua grensovergang, als qua bundeling met
bestaande infrastructuur). Dit tracé stelt België evenwel voor
hogere kosten dan het tracé dat aanvankelijk de voorkeur had van België,
nl. de zogenoemde Havenspoorlijn. In onderhandelingen met België is uiteindelijk
vastgesteld dat Nederland uiterlijk begin 1999 een bijdrage van 823 miljoen
zal betalen. Hierbij is verder bepaald dat Nederland in 1996 tenminste 200
mln zou voorfinancieren, ondermeer met het oog op voorbereidingskosten in
België, en dat er een rentebeding van 6% geldt voor het deel van de 823
miljoen dat na januari 1997 betaald zou worden.</al>
      <al>In de hoogte van het bedrag van 823 is het rentebeding verdisconteerd,
alsmede dat de (financiële) risico's bij de aanleg op Belgisch grondgebied
voor rekening van de Belgen zijn.</al>
      <al>De betaling van 428 miljoen op dit moment hangt samen met enerzijds het
rentebeding van 6% (dit rentepercentage ligt op dit moment boven de rente
op staatsleningen) en anderzijds met de budgettaire ruimte die het Infrafonds
op dit moment biedt en de bijdrage van 181 miljoen die ten laste van het FES
zou komen.</al>
      <al>Deze (maximale) bijdrage ten laste van het FES is door het kabinet vastgesteld.
Het restant van de betaling aan België wordt gedekt uit het Infrastructuurfonds
en private financiering. </al>
      <tuskop letat="vet">7</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom is er dit jaar opnieuw een tegenvaller van opnieuw 60 mln
bij boeten en transacties en worden daarvoor als redenen opnieuw opgevoerd
de lager dan geraamde gemiddelde tarieven en de vertraagde indexering van
de boete-tarieven?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is er naar aanleiding van de tekorten vorig jaar overleg geweest
met de minister van Justitie? Tot welke afspraken heeft dat geleid? Is de
minister van Financiën van plan deze traditie van tegenvallers te beëindigen?
Zo ja, hoe? (blz. 3).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Over het begrotingsjaar 1996 zal naar verwachting 45 mln meer aan ontvangsten
worden gegenereerd dan in 1995. Desalniettemin zal het realisatietekort op
60 mln uitkomen. Bij het opstellen van de begroting voor 1995 is uitgegaan
van een aantal aannames die achteraf slechts ten dele juist bleken te zijn.
Zo is in eerdere berekeningen uitgegaan van een gemiddeld boetebedrag van
112 gulden, terwijl dit in de praktijk ca. 95 gulden bedraagt, en werd uitgegaan
van een tijdige invoering van de indexering. </al>
      <al>Tussen de ministeries van Financiën en van Justitie is zeer regelmatig
overleg over de begrotingsuitvoering, waarbij ook het dossier boeten en transacties
de nodige aandacht krijgt. In de zomer van 1996 is een interdepartementaal
beleidsonderzoek naar de handhaving van het verkeersrecht gestart. Mede gelet
op de uitkomsten voor 1996 zal deze problematiek worden betrokken bij de besluitvorming
over Voorjaarsnota 1997/Kaderbrief 1998. </al>
      <tuskop letat="vet">8</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Heeft de lagere opbrengst van boeten en transacties ook te maken
met een gewijzigde prioriteitenstelling bij de politie? (pag. 3).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Neen, integendeel. De extra aandacht in de opsporing van overtreding van
de maximumsnelheid en roodlicht-negatie heeft de laatste jaren gezorgd voor
een sterke stijging van het aantal Mulder- en strafzaken. De hieruit voortvloeiende
opbrengst is gestegen. </al>
      <tuskop letat="vet">9</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom is er opnieuw een tegenvaller bij de Plukze-maatregelen? Wat
is er gedaan om deze herhaling van vorig jaar te voorkomen? (blz. 3).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aan het realisatietekort liggen drie hoofdoorzaken ten grondslag. De complexiteit
van en onbekendheid met (aspecten van) de wetgeving bij politie en OM, de
lange en ingewikkelde procedures en onvoldoende financiële kennis bij
OM en politie.</al>
      <al>Met name in zaken waarin hoge bedragen aan wederrechtelijk verkregen voordeel
actueel zijn, beloopt de doorlooptijd van de gerechtelijke procedure in de
regel meerdere jaren, waarbij zeker in grote zaken alle rechtsmiddelen worden
uitgeput.</al>
      <al>Structureel blijkt dat de inkomsten uit ontnemingszaken zich lastig laten
ramen. Zo kunnen ontnemingszaken met een hoog berekend wederrechtelijk voordeel
in een begrotingsjaar waarin een onherroepelijke uitspraak van de rechter
kan worden geëxecuteerd tot hoge inkomsten leiden. Andere jaren kunnen
vele kleine zaken relatief geringe inkomsten creëren.</al>
      <al>In principe is het denkbaar dat één ontnemingszaak voldoende
is om de raming in het betreffende jaar te halen.</al>
      <al>Overigens wordt in de Coördinatiecommissie Plukze (CCP) continu aandacht
besteed aan de uitvoering van de Plukzewetgeving. In de CCP komen gesignaleerde
knelpunten aan de orde en worden mogelijke oplossingsrichtingen besproken
met alle betrokken departementen en het OM. </al>
      <tuskop letat="vet">10</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoeveel bedraagt het bruto-voordeel aan meevallers en onderuitputting?
(blz. 3).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De per saldo optredende onderuitputting van in totaal 312 miljoen treedt
deels op bij de netto-uitgaven Rijksbegroting in enge zin (243 miljoen) en
deels bij de begrotingsgefinancierde netto-uitgaven Sociale Zekerheid (68
miljoen).</al>
      <al>Bij de Rijksbegroting in enge zin bedraagt het bruto-voordeel aan meevallers
en onderuitputting 1,5 miljard en het bruto-nadeel 1,3 miljard. Bij de begrotingsfinancierde
netto-uitgaven Sociale Zekerheid bedraagt het bruto-voordeel 330 miljoen en
het bruto-nadeel 261 miljoen. </al>
      <tuskop letat="vet">11</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe zal de onderuitputting in 1996 worden vertaald in de algemene
uitkering aan de gemeenten? (blz. 3). </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De definitieve vaststelling van het accres 1996, gebaseerd op de Vermoedelijke
Uitkomsten 1996, is uitgedeeld bij Miljoenennota 1997. Hiermee is de onderuitputting,
zoals bekend bij Miljoenennota 1997, en dus een groot gedeelte van de onderuitputting
1996, al doorberekend in de algemene uitkering aan gemeenten.</al>
      <al>In 1997 vindt er nacalculatie plaats voor de ontwikkelingen op de rijksbegroting
tussen de Vermoedelijke Uitkomsten 1996 en de Voorlopige Rekening 1996. Onderuitputting
die optreedt tussen de Vermoedelijke Uitkomsten 1996 en de Voorlopige Rekening
1996 zal leiden tot een neerwaartse aanpassing van het Gemeentefonds in 1997
in de eerste suppletoire begroting 1997. </al>
      <tuskop letat="vet">12</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Leiden de nu gepresenteerde wijzigingen nog tot aanpassingen in het
geactualiseerde overzicht van de clustergelden, zoals gepresenteerd in antwoord
op vraag 45 n.a.v. de Miljoenennota 1997 (25 000 nr. 28)? Zo ja, welke?
(blz. 3).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nee. </al>
      <tuskop letat="vet">13</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe is de ontwikkeling van het 12-maands voortschrijdend gemiddelde
van het financieringstekort over 1996 tot nu toe?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe is het verschil t.o.v. de raming in de miljoenennota 1996 te
verklaren. Wat zijn de ramingen voor de laatste twee maanden van 1996? Wat
is de meest recente raming van de EMU-schuld quote? (blz. 5).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Volgens de huidige inzichten komt het 12-maandcijfer van het beleidsrelevante
financieringstekort tot en met november uit op 2,5% BBP. De prognose voor
1996 als geheel is dat het beleidsrelevant tekort t.o.v. de stand VU gunstiger
uitkomt (stand VU was 2,8% BBP); de omvang valt momenteel nog niet te bepalen.
Voor het feitelijk financieringstekort en het EMU-tekort wordt eveneens een
met een enigszins meevallende ontwikkeling gerekend. Deze meevaller wordt
in hoofdzaak veroorzaakt door de hogere belastingontvangsten.</al>
      <al>De meest recente raming van de EMU-schuldquote bedraagt 78,8% (stand VU). </al>
      <tuskop letat="vet">14</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoeveel zullen naar verwachting per ultimo 1996 het EMU-tekort en
de EMU-schuld bedragen? Wat waren daarvoor in september 1995 (Miljoenennota
1996) de ramingen? (blz. 5).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de verwachting ultimo 1996 wordt verwezen naar vraag 13. In de Miljoennota
1996 was de raming voor het EMU-tekort 1996 2,8% BBP en voor de EMU-schuld
78,4% BBP. </al>
      <tuskop letat="vet">15</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat zijn de huidige kwantitatieve inzichten in de vermoedelijke omvang
van de belastingmeevaller ultimo 1996? (blz. 4–5).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de verwachting ultimo 1996 wordt verwezen naar vraag 13. </al>
      <tuskop letat="vet">16</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe is het mogelijk dat de onderuitputting ad 50 miljoen in 1995
bij de Melkertbanen nu pas aan het licht komt? Is het niet waarschijnlijk
dat ook in 1996 een soortgelijke onderuitputting zal optreden. Was de onderuitputting
bij de Melkert-2 banen niet al te voorzien bij de eerste suppletoir begroting
1996 of bij de Vermoedelijke Uitkomsten? (blz. 13). </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In 1995 hebben de gemeenten geld gekregen voor het realiseren van zogenaamde
Melkertbanen. De onderuitputting ad 50 miljoen in 1995 heeft betrekking op
de Melkert-I-banen. Deze middelen zijn in dat jaar niet geheel tot besteding
gekomen. De reden hiervoor is dat het nieuw beleid betreft (e.g. vinden van
geschikte kandidaten, afsluiten van contracten, geleidelijke instroom).</al>
      <al>Pas in oktober 1996 is door de gemeenten een definitieve opgave gedaan
van de mate waarin en het tijdstip waarop de realisatie van Melkert-I-banen
heeft plaatsgehad (een afrekening op basis van gemeenterekeningen over 1995;
de wettelijke rapportagedatum daarvoor is 1 oktober). Binnenlandse Zaken is
daarop overgegaan tot het terugvorderen van de niet besteedde bedragen bij
de gemeenten.</al>
      <al>1996 is voor de Melkert-I-banen het tweede uitvoeringsjaar. In 1996 zal
derhalve nog een cohort Melkertbanen uit 1995 tot besteding komen (de uitgaven
lopen door). Daarnaast is in de bevoorschotting nu wel rekening gehouden met
een geleidelijke instroom van nieuwe kandidaten voor Melkertbanen. Om deze
redenen ligt een soortgelijke onderuitputting als in 1995 niet in de lijn
der verwachtingen.</al>
      <al>Ten aanzien van de onderuitputting bij de Melkert-II-banen kan het volgende
worden opgemerkt. Om eventuele onderuitputting vast te kunnen stellen is het
noodzakelijk om te beschikken over de declaraties van de instellingen die
de subsidies in het kader van de Experimenten Activering Uitkeringsgelden
(EAU) toegekend hebben gekregen. Deze declaraties gebeuren op kwartaalbasis.
Dit betekent dat bij de eerste suppletore begroting nog onvoldoende inzicht
was om een uitspraak te kunnen doen over de realisatie van de banen in het
kader van de EAU voor heel 1996. Ook bij Vermoedelijke Uitkomsten ontbrak
zekerheid. In de eerste plaats omdat op dat moment pas hooguit twee kwartaaldeclaraties
van de verschillende instellingen waren ontvangen en in de tweede plaats omdat
nog verschuivingen van minder naar meer succesvolle projecten plaatsvonden. </al>
      <tuskop letat="vet">17</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke administratieve correctie ligt ten grondslag aan de ophoging
van de renteraming 1996 met 52,5 miljoen? (blz. 16).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De administratieve correctie heeft betrekking op een fout in de raming
ten tijde van de Vermoedelijke Uitkomsten in de ontwerpbegroting 1997. De
raming voor 1996 was opgebouwd uit een deel realisatie (t/m 30 juni op kasbasis)
en een deel prognose (verplichtingen t/m 31 december op transactiebasis).
Doordat de vervaldata 29 en 30 juni beide in het weekend vielen, vond realisatie
op die vervallen termijnen op 1 juli plaats. Aangezien de jaarraming werd
gebaseerd op de realisaties tot en met 30 juni en een prognose voor de tweede
helft van het jaar, zijn de doorgeschoven betalingen ten onrechte niet meegenomen,
hetgeen leidde tot een te lage jaarraming. </al>
      <tuskop letat="vet">18</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is de netto contante waarde van de rentewinst uit hoofde van
de vervroegde aflossing van staatsleningen? Waarom valt dit onder het hoofdstuk
mee/tegenvallers? (blz. 16).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Staat gaat over tot vervroegde aflossing van staatsleningen, indien
een bedrijfseconomisch voordeel kan worden behaald. Dit voordeel wordt berekend
door de te behalen rentewinst over de resterende looptijd te vergelijken met
de – cf. leningvoorwaarden – te betalen boete. Alleen bij een
netto-voordeel wordt overgegaan tot vervroegde aflossing (zie ook de memorie
van toelichting bij de ontwerpbegroting 1997 Nationale Schuld).</al>
      <al>Het in 1996 te realiseren bedrijfseconomische voordeel bij vervroegde
aflossing van leningen met vervroegde aflossingsclausule zal naar verwachting
uitkomen op ca. 150 miljoen (dit betreft deels nog een raming).</al>
      <al>Het hierbovengenoemde (netto-)voordeel wordt slechts ten dele direct zichtbaar
in de begroting, namelijk alleen wat betreft de boete; het rentevoordeel is –
gegeven de kassystematiek van de begroting en de reikwijdte van de meerjarencijfers –
niet rechtstreeks in het (budgettaire) beeld zichtbaar te maken. Vervroegde
aflossing past binnen het vigerende beleid. Derhalve worden mutaties uit hoofde
van dit beleid niet als beleidsmatig aangemerkt. </al>
      <tuskop letat="vet">19</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is het, zoals in een artikel in het tijdschrift «Central Banking
Magazine» wordt gesuggereerd, plausibel dat de EMU zal leiden tot zeer
forse verschuivingen in de winstposities (en afdrachten) van de diverse nationale
centrale banken? Wat zijn de eventuele gevolgen voor Nederland? (blz. 16).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De winst van een centrale bank is de resultante van een groot aantal factoren.
Belangrijk zijn daarbij de wijze waarop het monetair beleid wordt gevoerd,
de instrumenten die daarbij worden ingezet en ontwikkelingen op de wereldkapitaalmarkt.
Aangezien deze factoren voor alle EU-lidstaten verschillend zijn, zijn cijfers
over de huidige winstpositie niet zonder meer representatief voor de toekomstige
winstpositie van het ESCB. Wel is nu al duidelijk dat herverdeling van seigniorage-inkomsten
kan leiden tot een lagere winst voor bijvoorbeeld de Bundesbank en de Nederlandsche
Bank.</al>
      <al>Seigniorage-inkomsten zijn inkomsten die ontstaan bij de uitgifte van
bankbiljetten, waarbij activa worden verworven waarop een (beleggings-) rendement
wordt behaald. De seigniorage-inkomsten zullen voor DNB als onderdeel van
het ESCB lager zijn.</al>
      <al>De reden voor het kleinere aandeel in het totaal van de seigniorage-inkomsten
voor een aantal centrale banken, is gelegen in het verschil tussen het aandeel
van de Bank in de totale Europese bankbiljettencirculatie, en het aandeel
van de ESCB-opbrengsten dat DNB zal ontvangen conform de in de ESCB-statuten
vastgelegde verdeelsleutel. Deze verdeelsleutel is gebaseerd op de bevolkingsomvang
en het bruto binnenlands product. Vooral Duitsland heeft echter een relatief
grote bankbiljettenomloop, gegeven het grote aantal Dmarken dat in Oost-Europa
circuleert. Of dit zogenaamde sleutelnadeel werkelijk optreedt, hangt sterk
van de samenstelling van de kopgroep af, alsmede van ontwikkelingen op betalingsverkeergebied.</al>
      <al>De huidige gunstige positie kan voor de desbetreffende lidstaten beschouwd
worden als een bijzondere situatie, die komt te vervallen als de derde fase
van de EMU van start gaat. Alle deelnemende lidstaten garanderen dan gezamenlijk
de stabiliteit van de euro, waarmee alle centrale banken in gelijke mate recht
hebben op de daarbij behorende opbrengsten. Als de relatieve inkomensposities
van de nationale centrale banken bij het begin van de derde fase sterk wijzigen,
voorzien de bij het Verdrag van Maastricht behorende ESCB-statuten overigens
in een overgangstermijn. De monetaire inkomsten kunnen voor maximaal 5 jaar
door de Europese Centrale Bank via een aangepaste sleutel worden verdeeld. </al>
      <tuskop letat="vet">20</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kunnen de afwijkende macro-economische factoren die de lagere ontvangsten
van heffings- en invorderingsrente verklaren nader gespecificeerd worden?
(blz. 16–17).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het verloop van de heffings- en invorderingsrente is afhankelijk van een
aantal factoren. Het betreft macro-economische factoren zoals conjuncturele ontwikkeling en rentestand, en ook versnellingen in het aanslagregelend
proces en uitspraken naar aanleiding van bezwaar en beroep.</al>
      <al>De belangrijkste oorzaak voor de onderhavige bijstelling van de ontvangstenraming
heffings- en invorderingsrente is de lagere rentestand. </al>
      <tuskop letat="vet">21</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe groot is de tegenvaller bij de accijns op vruchtenwijnen en hoe
groot zijn de hieruit voortvloeiende extra renteuitgaven (blz. 16–17).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten tijde van de ramingen voor de Miljoenennota was de gerechtelijke uitspraak,
die de fiscus oplegt ten onrechte geïnde accijns op vruchtenwijn met
betrekking tot de periode 1989–1993 terug te geven, nog niet bekend.
Naar huidige inzichten bedraagt het verschuldigde bedrag circa 450 miljoen.</al>
      <al>De wettelijke regeling inzake heffings- en invorderingsrente vindt geen
toepassing met betrekking tot de betreffende teruggaven. De landsadvocaat
is onlangs gevraagd advies te geven over de overige aspecten inzake de eventueel
verschuldigde rente over de teruggave wijnaccijns. Op korte termijn vindt
besluitvorming terzake plaats. </al>
      <tuskop letat="vet">22</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kunnen de beleidsmatige mutaties (10 miljoen voor de opvang van verliezen
en 40 miljoen voor de verlaging van de kapitaallasten) en de overboeking (van
het departement van EZ naar het departement van VROM van 25 miljoen) ten behoeve
van de COVRA nader toegelicht worden? Wanneer zal de COVRA een jaarlijkse
sluitende exploitatie hebben? (blz. 21).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit de bedrijfseconomische vooruitzichten van COVRA en de meest recente
ontwikkelingen op het gebied van het aanbod van radioactief afval blijkt,
dat er in de jaren 1996 en 1997 naar verwachting een verlies van 10 miljoen
ontstaat en dat een structurele verbetering van de exploitatie tot het jaar
2014 mogelijk is door het verstrekken van een lening van 40 miljoen door de
Staat. Overwegende dat de continuïteit van de nutsfunctie die COVRA uitoefent
niet in gevaar mag komen, hebben de meest betrokken departementen VROM en
EZ elk voor de helft bedoeld totaalbedrag van 50 miljoen onder de nodige voorwaarden
ter beschikking gesteld, waarvan 40 miljoen in de vorm van een achtergestelde
lening ter sanering van bestaande leningen. Daarmee zal COVRA in staat zijn
om de bedrijfsvoering tot 2014 zeker te stellen. </al>
      <tuskop letat="vet">23</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de kapitaaldotatie van 162 miljoen voor NS-cargo nader toegelicht
worden? Welk rentevoordeel is hier voor de staat mee gemoeid? (blz. 24).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor een nadere toelichting op de overeengekomen kapitaaldotatie NS-Cargo,
wordt verwezen naar de Brief die de Minister van Verkeer en Waterstaat hierover
op 12 december naar de Tweede Kamer heeft gezonden. </al>
      <al>In deze overeenkomst met de NS is een rentebeding opgenomen. Inhoud van
dit beding is dat de Staat over het per 1 januari 1997 niet betaalde deel
van de kapitaaldotatie een rentevergoeding betaalt tot het feitelijke betalingsmoment.
De verschuldigde rente, die is vastgesteld op de 12 maands Amsterdam Inter
Bank Offered Rate (AIBOR) plus een opslag van 1%, ligt 0,3 procentpunt hoger
dan de rente op staatsleningen met een vergelijkbare looptijd.  </al>
      <tuskop letat="vet">24</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Resulteert de vertraagde realisatie van de Melkert-1 banen in een
meevaller in 1997 en welke omvang zal deze meevaller hebben? (blz. 28–30).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bedoeld zal zijn de Melkert-2 banen oftewel de regeling Experimenten Activering
Uitkeringsgelden (EAU). Voor de EAU is 720 miljoen gulden voor vier jaar beschikbaar.
Voor vrijwel dit bedrag zijn ook verplichtingen aangegaan. De vertraagde realisatie
van de banen in 1996 leidt in 1997 tot extra uitgaven. Er is dus geen sprake
van een meevaller in 1997. Wel zullen de extra uitgaven leiden tot lagere
uitgaven aan de Algemene Bijstandswet. </al>
      <tuskop letat="vet">25</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De achtergebleven uitgaven aan Experimenten activering uitkeringsgerechtigden
heeft een spiegelbeeldige volumetegenvaller in de Algemene Bijstandswet. Echter,
hoe kan het verschil van 34 miljoen tussen beide posten worden verklaard?
(blz. 29).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De meevaller in de regeling Experimenten Activering Uitkeringsgelden (EAU)
ad 138 miljoen gulden valt uiteen in drie delen:</al>
      <al>– een lager volume (4 400) dan oorspronkelijk voor 1996 was
geraamd (13 900), waardoor de uitgaven dalen met 156 miljoen gulden;</al>
      <al>– een hogere prijs (f 18 000,=) dan oorspronkelijk geraamd
(f 16 438) vanwege het apart verantwoorden van de restituties vanaf
1996, waardoor de uitgaven stijgen met 7 miljoen gulden;</al>
      <al>– een verhoging van het uitgavenbudget voor de doorgevoerde herschikking
van arbeidsplaatsen (van minder naar meer succesvolle projecten) en een aanvullende
voorschotverstrekking op verzoek van een aantal instellingen (totaal 10,8
miljoen gulden).</al>
      <al>De tegenvaller in de ABW is als volgt bepaald:</al>
      <al>– een aantal van 9500 peronen is in 1996 niet in de EAU gestroomd;
omdat in de ramingen rekening wordt gehouden met een verdringing van 10% is
verondersteld dat 90% van dit aantal, oftewel 8600 personen, niet uit de ABW
is gestroomd; bij een gemiddelde uitkeringshoogte van f 20 000,=
stijgt de raming voor de ABW dan met 172 miljoen gulden. </al>
      <tuskop letat="vet">26</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke jaren hebben de restituties op het terrein van bijstandszaken
betrekking? (blz. 30).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De restituties op het terrein van bijstandszaken ad 48,5 hebben hoofdzakelijk
betrekking op verrekeningen van declaraties ten aanzien van de uitvoering
van de regeling Experimenten activering uitkeringsgelden over 1995. </al>
      <tuskop letat="vet">27</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is het waar dat de onderuitputting bij infrastructuurprogramma's
in 1996 ongeveer 770 miljoen bedraagt? Welk deel van deze onderuitputting
is het gevolg van politiek-bestuurlijke vertraging? (blz. 32–34).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op het Infrafonds treedt bij Najaarsnota feitelijk geen onderuitputting
op; hierbij dient dan wel te worden vermeld dat, samenhangend met vrijvallende
middelen binnen het Infrastructuurfonds, 246 mln wordt uitgetrokken voor de
Nederlandse bijdrage aan België samenhangend met het voor Nederland meest
gunstige HSL-tracé. </al>
      <tuskop letat="vet">28</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is de betekenis van de bij de Miljoenennota 1997 toegevoegde
2 miljard voor investeringen in de infrastructuur, indien jaar in, jaar uit
deze uitgavencategorie met grote onderuitputtingen blijft kampen?
(blz. 32–34).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de eerste plaats is het van belang dat ca. 800 mln van de genoemde
2 miljard betrekking heeft de exploitatie van spitsdiensten, het verhogen
van de zogenoemde gebundelde doeluitkering, het onderliggend wegennet en flankerend
beleid goederenvervoer; deze 800 mln heeft dus geen betrekking op investeringen
in infrastructuur die onder verantwoordelijkheid van de minister van VenW
worden uitgevoerd.</al>
      <al>Van het restant van 1,2 mld wordt een substantieel deel aangewend om vertragingen
in het railprogramma, die nodig waren als dekking van de kostenstijging van
de HSL-zuid, weer ongedaan te maken. </al>
      <tuskop letat="vet">29</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe is de voeding voor het FES-fonds en het Infrastructuurfonds voor
de jaren 1994, 1995 en 1996 opgebouwd? (blz. 32–35).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De voeding van beide fondsen is in de bijgevoegde tabellen weergegeven. </al>
      <tuskop letat="vet">Voeding Fonds Economische Structuurversterking 1994 t/m
1996 (exclusief de voordelige beginsaldi) </tuskop>
      <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
        <tgroup align="left" charoff="75" cols="4" tgroupstyle="sdu1">
          <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="28.125mm"></colspec>
          <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="28.125mm"></colspec>
          <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="28.125mm"></colspec>
          <colspec colname="c4" colnum="4" colwidth="28.125mm"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">1994</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">1995</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">1996</entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">Ontv. uit extra export aardgas</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">536 382</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">881 733</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">Common area baten</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">2 750 000 </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">Overige
ontvangsten uit aardgas</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">1 487 657 </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">Netto opbrengst
vervreemding staatsdeelnemingen</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">2 238 900</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">3 473 443</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">Overige
ontvangsten uit vervreemding vermogensbestanddelen van het Rijk</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">Totaal</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">2 238 900</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">4 009 825</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">5 119 390</entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <tuskop letat="vet">Voeding Infrastructuurfonds 1994 t/m 1996 </tuskop>
      <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
        <tgroup align="left" charoff="75" cols="4" tgroupstyle="sdu1">
          <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="28.125mm"></colspec>
          <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="28.125mm"></colspec>
          <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="28.125mm"></colspec>
          <colspec colname="c4" colnum="4" colwidth="28.125mm"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">1994</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">1995</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">1996</entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">Heffingen</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">2 744 400</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">3 056 000</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">3 014 500</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">Bijdrage H-XII</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">2 168 644</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">2 120 500</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">1 951 756</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">Bijdrage FES</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">508 000</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">1 348</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">1 412 000</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">Bijdrage andere begrotingen</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">15 500</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">34 500</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">12 000</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">Projectgerelateerde ontvangsten</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">243 918</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">293 086</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">277 926</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">Algemene ontvangsten</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0" rowsep="1">33 900</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0" rowsep="1">3 000</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0" rowsep="1">3 000</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">Totaal</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">5 714 362</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">6 855 086</entry>
              <entry char="," morerows="0" rotate="0">6 671 182</entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <tuskop letat="vet">30</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan een overzicht gegeven worden van de financiële gevolgen
die vertragingen in de uitvoering van infrastructurele werken in de afgelopen
vijf jaar hebben gehad? Wat zijn de belangrijkste oorzaken voor onderuitputting
in deze beide fondsen en kan, waar het gaat om vertraging in uitvoering van
projecten, worden aangegeven om welke projecten dit gaat? (blz. 32–35).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is niet mogelijk om op deze korte termijn een adequaat en kwalitatief
goed antwoord op deze vraag te geven. </al>
      <tuskop letat="vet">31</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is het kasritme voor de betalingen van 823 miljoen voor het langere
tracé op Belgisch grondgebied? Hoe verhoudt zich dit tot de planning
van de uitvoering. Waarom vindt de betaling van 427,6 miljoen reeds in 1996 plaats? Heeft de compensatiebetaling in 1996 te maken met de omvang
van de Belgische staatsschuld? (blz. 34–35).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In 1999 zal de aanvang van de bouw van het tracé in België
plaatsvinden. Nederland en België streven beide naar gereedkoming in
2005. Voor de overige onderdelen van de vraag zij verwezen naar het antwoord
op vraag 6. </al>
      <tuskop letat="vet">32</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is het financieel voordeel voor Nederland om reeds in 1996 f 427
miljoen compensatie voor het HSL-tracé in België te betalen. Wanneer
zal hiervoor de eerste spade in België in de grond gaan? Wanneer wordt
het Belgische tracé-gedeelte voltooid? Wanneer wordt de laatste Nederlandse
compensatiebijdrage gedaan? (blz. 34–35).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie de antwoorden op vraag 6 en vraag 31. </al>
      <tuskop letat="vet">33</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan worden verklaard waarom de bij de eindejaarsmarge 1995 behorende
tegenpost «nader te bepalen» is gegroeid van –517 miljoen
bij de voorjaarsnota tot 539 bij de vermoedelijke uitkomsten tot 635 miljoen
bij de najaarsnota? Bestaat er een sluitingsdatum voor het aanmelden van eindejaarsbedragen?
(blz. 36).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de brief «Begrotingsproces en -systematiek» die op 2 maart
1995 aan de Tweede Kamer is verzonden, is aangegeven dat er via een aanvullende
post-constructie een ramingstechnische veronderstelling zal worden geëffectueerd
om de budgettaire effecten van het aanwenden van de eindejaarsmarge te mitigeren.
Dit geschiedt via de aanvullende post «Nader te bepalen/te verdelen
ombuigingen».</al>
      <al>Op deze aanvullende post is bij de Voorjaarsnota 1996 uit dezen hoofde
een mutatie verwerkt van –517 miljoen. Dit is de tegenboeking van het
feitelijk gebruik door de departementen van de eindejaarsmarge 1995/1996 op
basis van de Voorlopige Rekening 1995. De departementale begrotingen voor
1996 werden bij Voorjaarsnota 1996 hiermee verhoogd. Na de Voorlopige Rekening
zijn de Slotwetten van alle begrotingen opgesteld. Dit leidde tot een bijstelling
van het feitelijk gebruik van de eindejaarsmarge 1995/1996 van enkele begrotingen.
Wederom mochten de begrotingen 1996 hiermee worden verhoogd. Dit leidde tot
een bijstelling van de aanvullende post met circa 22 miljoen (tot –539
miljoen). Na het opstellen van de Slotwet van een begroting is de definitieve
omvang van de eindejaarsmarge vastgesteld en deze kan niet meer worden aangepast.</al>
      <al>Dat bij Najaarsnota 1996 in samenhang met de eindejaarsmarge 1995 635
miljoen wordt afgeboekt, heeft te maken met de beginstand (= stand Miljoenennota
1996) voor de eindejaarsmarges op deze aanvullende post van –96 miljoen.
Dit bedrag vormt de ramingstechnische veronderstelling als tegenboeking voor
de specifieke afspraken voor het gebruik van de eindejaarsmarge voor het Infrastructuurfonds
en Ontwikkelingssamenwerking (OS-bandbreedtesystematiek). Deze kunnen over
meerdere jaren worden uitgesmeerd en betreft de verwerking van het feitelijk
gebruik van de eindejaarsmarge door OS en het Infrastructuurfonds in 1994.
Ook deze gedragslijn is weergeven in de brief «Begrotingsproces en -systematiek». </al>
      <tuskop letat="vet">34</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wordt de resterende taakstelling van 1,1 miljard op de aanvullende
post «nader te bepalen» voor opbrengsten uit de verkoop van staatsdeelnemingen
nog dit jaar ingevuld? (blz. 37). </nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De invulling van de taakstelling verkoop staatsbezit is nog onzeker. Voorop
staat dat een eventuele verkoop plaatsvindt tegen goede voorwaarden en op
het juiste moment.   </al>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling:  Leden: Schutte (GPV), Van Rey (VVD), Terpstra (CDA), Smits
(CDA), Reitsma (CDA), Vliegenthart (PvdA), Ybema (D66), voorzitter, Schimmel
(D66), Van Gijzel (PvdA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Hillen (CDA), Hoogervorst
(VVD), ondervoorzitter, Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Voûte-Droste
(VVD), Adelmund (PvdA), Giskes (D66), H. G. J. Kamp (VVD), Zonneveld (CD),
Van Dijke (RPF), Van der Ploeg (PvdA), B. M. de Vries (VVD), Van Zuijlen (PvdA),
Van Walsem (D66) en Ten Hoopen (CDA).  </al>
    <al>Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Van Hoof (VVD), De Hoop Scheffer
(CDA), Van der Linden (CDA), Wolters (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), Bakker
(D66), Jeekel (D66), Van Zijl (PvdA), Liemburg (PvdA), De Jong (CDA), Rijpstra
(VVD), Verkerk (AOV), Rosenmöller (GroenLinks), Hofstra (VVD), Crone
(PvdA), Assen (CDA), M. M. H. Kamp (VVD), Marijnissen (SP), Leerkes (U55+),
Verspaget (PvdA), Hessing (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), vacature D66 en
Van de Camp (CDA).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>