﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25087-3/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1996-1997</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>7K2594</ordernr>
    <vergjaar>1996-1997</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>25 087</nummer>
      <naam>Internationaal fiscaal (verdrags)beleid</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>3</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag,  <datum>14 augustus 1997</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tijdens het algemeen overleg met uw Commissie van 24 april 1997 (25 087,
nr. 2) over de door mij op 2 oktober 1996 aan de Voorzitter van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal toegezonden notitie internationaal fiscaal (verdrags)beleid
(Kamerstukken II 1996/97, 25 087, nr. 1) heb ik toegezegd een aantal
bij die gelegenheid onbeantwoord gebleven meer technische vragen schriftelijk
te beantwoorden en tevens eind 1997, dan wel begin 1998, te komen met een
nader uitgewerkte notitie internationaal fiscaal (verdrags)beleid. Hierbij
bied ik u de door mij toegezegde antwoorden op eerderbedoelde technische vragen
aan.</al>
      <al>Tijdens vorenbedoeld overleg met uw Commissie heb ik ook aangegeven voornemens
te zijn om het al bestaande overleg met belanghebbenden over het fiscaal (verdrags)beleid
meer te institutionaliseren in de vorm van een klankbordgroep, waarin naast
vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de werknemers ook deskundigen
afkomstig uit het belastingadvieswezen en de wetenschap zouden kunnen deelnemen.
Graag maak ik van deze gelegenheid gebruik om uw Commissie mede te delen dat
een eerste bijeenkomst van deze klankbordgroep «internationaal belasting
beleid» inmiddels heeft plaatsgevonden.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Staatssecretaris van Financiën,</functie>
        <naam>W. A. F. G. Vermeend </naam>
      </ondtek>
      <witreg></witreg>
      <al>Hebben sedert de publicatie van het zogenoemde Nederlandse Standaardverdrag
in 1987<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref> nog ontwikkelingen plaatsgevonden in
het Nederlandse verdragsbeleid met betrekking tot de behandeling onder de
belastingverdragen van pensioenen, het aanmerkelijk belang, directeursbeloningen,
werkzaamheden buitengaats, van belastingheffing vrijgestelde pensioenfondsen
en deelnemingsdividenden?</al>
      <al>Daarnaast zijn nog enkele technische vragen gesteld over: limitation on
benefits-bepaling in het verdrag Verenigde Staten-Luxemburg, onderhandelingsverslagen,
bepalingen inzake informatie-uitwisseling, electronische communicatie en internet
en anti-misbruikbepalingen (mevrouw De Vries (VVD-fractie), mevrouw Witteveen-Hevinga
(PvdA-fractie), de heer De Haan (CDA-fractie) en de heer Ybema (D66-fractie)). </al>
      <tuskop letat="vet">Pensioenen</tuskop>
      <al>Bij deze problematiek dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de
uitkeringsfase en de opbouwfase.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Doelstelling bij de uitkeringsfase is om zeker te stellen dat na de in
de opbouwfase verleende aftrek van de pensioenpremies ten laste van de Nederlandse
belastingopbrengsten, de latere pensioenuitkeringen – ook indien deze
worden genoten door een in een verdragspartner woonachtige buitenlandse belastingplichtige –
naar een redelijk niveau worden belast. Dit betekent dat de uitgangspunten
zoals neergelegd in het Nederlandse Standaardverdrag – een woonstaatheffing
voor particuliere pensioenuitkeringen en een bronstaatheffing voor overheidspensioenen –
niet meer in alle gevallen door Nederland wordt nagestreefd. Afhankelijk van
het in het land van de verdragspartner geldende pensioenstelsel kan een van
de pensioenbepaling in het Nederlandse Standaardverdrag afwijkende «maatwerk»-oplossing
wenselijk zijn. Zo zal in die gevallen waar het pensioenstelsel van de verdragspartner
uitdrukkelijk voorziet in een relatief lage, danwel een algehele vrijstelling
van belastingheffing over (uit het buitenland afkomstige) pensioenen het Nederlandse
streven zijn gericht op een bronstaatheffing voor pensioenen. Zo is in de
relatie met landen als de Oekraïne (Trb. 1995, 285) en de Russische Federatie
(Trb. 1997,30) overeengekomen dat Nederland haar nationale heffingsrechten
terzake van particuliere pensioenen onverkort mag blijven toepassen zolang
de verdragspartner zijn onder verdrag toegewezen heffingsrechten terzake niet
kan effectueren. Achtergrond van deze bepaling is het ontbreken in die landen
van de mogelijkheid om een particuliere pensioenvoorziening op te bouwen en
het feit dat op dit moment, als gevolg daarvan, particuliere pensioenen in
die landen niet in de belastingheffing worden betrokken. Zonder nadere verdragsvoorziening
zouden inwoners van die landen hun uit Nederland afkomstige pensioenen volledig
belastingvrij kunnen genieten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot het ontbreken van een in het Nederlandse Standaardverdrag
opgenomen bepaling inzake de afkoopsommen van pensioenen (artikel 18, lid
2) in de belastingverdragen met Brazilië (Trb. 1990, 67), Maleisië
(1988, 27), Nigeria (Trb. 1992, 12) en Zimbabwe (Trb. 1989, 95) en met betrekking
tot de hiervan afwijkende bepaling in de belastingverdragen met Italië
(Trb. 1990,86) en de Verenigde Staten van Amerika uit 1992 (Trb. 1993, 77/1993,
158) zij allereerst verwezen naar de desbetreffende toelichtende nota's<voetref refid="v2.2" nr="2"></voetref>. Kort samengevat komen deze op het volgende neer. De
in het belastingverdrag met Brazilië opgenomen pensioenbepaling wijkt
volledig af van de bepaling opgenomen in het Nederlandse Standaardverdrag.
Achtergrond hiervan was de Braziliaanse wens voor een bronstaatheffing voor
pensioenuitkeringen. De uiteindelijk overeengekomen verdragsbepaling komt
er op neer dat beide verdragsluitende staten pensioenuitkeringen en afkoopsommen
daarvan mogen belasten, zij het dat de woonstaat het uitsluitende
heffingsrecht heeft over de eerste US $ 5000. Het meerdere mag zowel
in de bronstaat als in de woonstaat worden belast; bij de belastingheffing
in de woonstaat wordt rekening gehouden met het feit dat over deze beloningen
in de bronstaat reeds belasting is geheven. De verdragsonderhandelingen met
Maleisië zijn aangevangen in een tijd waarin de opname van een verdragsbepaling
inzake afkoopsommen van pensioenen voor Nederland nog geen vast verdragsbeleid
was. De belastingverdragen met Nigeria en Zimbabwe voorzien in een bronstaatheffing
voor zowel particuliere pensioenen als afkoopsommen daarvan (in het geval
van Nigeria beperkt tot pensioenen betaald door een in die bronstaat gevestigde
onderneming ter zake van een voor die onderneming verrichte dienstbetrekking;
voor alle andere particuliere pensioenen en afkoopsommen daarvan voorziet
dit belastingverdrag in een woonstaatheffing). Juist de internationaal gebruikelijke
en in het OESO-modelverdrag opgenomen woonstaatheffing voor particuliere pensioenuitkeringen
was voor Zimbabwe niet aanvaardbaar en ook voor Nigeria in bepaalde gevallen
niet. De bepaling terzake in het belastingverdrag met Italië wijkt af
van de bepaling opgenomen in het Nederlandse Standaardverdrag, omdat Italië
alleen bereid was tot de opname van een bronstaatheffing voor afkoopsommen,
wanneer deze afkoopsommen worden genoten door onderdanen van de bronstaat
die niet tevens de nationaliteit van de woonstaat bezitten. De Verenigde Staten
van Amerika waren slechts bereid tot opname van de door Nederland voorgestelde
bronstaatheffing voor afkoopsommen van pensioenen, indien de toepassing van
die bepaling in individuele gevallen in de tijd werd beperkt en mits de vroegere
dienstbetrekking in die bronstaat is uitgeoefend.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Waar het de opbouwfase van particuliere pensioenen betreft, is het Nederlandse
nationale fiscale beleid bij de overdracht van pensioenvermogen gericht op
het voorkomen van belemmeringen, zoals pensioenbreuken voor werknemers. In
een enkel belastingverdrag is dit beleid, dat er op neerkomt dat onder bepaalde
omstandigheden bij overdracht van pensioen-kapitaal geen afkoop wordt aangenomen,
in het belastingverdrag bevestigd. Dat is bijvoorbeeld gebeurd in het belastingverdrag
met de Verenigde Staten van Amerika van 1992. Reeds diverse door Nederland
gesloten belastingverdragen voorzien in de non-discriminatiebepaling inzake
de aftrekbaarheid van pensioendotaties. Deze bepaling is weliswaar al voor
het eerst opgenomen in het belastingverdrag met Canada uit 1986 (Trb. 1986,
65), maar is eerst in het begin van de negentiger jaren vast onderdeel geworden
van het Nederlandse verdragsbeleid. Overeenkomstige bepalingen zijn ondermeer
opgenomen in de belastingverdragen met Zweden (Trb.1991, 108), met Venezuela
(Trb. 1991, 107), met de Verenigde Staten van Amerika van 1992 en met Mexico
(1993, 160). </al>
      <tuskop letat="vet">Aanmerkelijk belang</tuskop>
      <al>Evenals de verdragsbepaling inzake de afkoop van pensioentermijnen heeft
ook de verdragsbepaling inzake het aanmerkelijk belang elementen van een anti-misbruikkarakter.
Laatstgenoemde bepaling heeft mede als doelstelling te voorkomen dat inwoners
van Nederland met een aanmerkelijk belang, door een al dan niet tijdelijke
emigratie naar een verdragspartner, aldaar de in de vennootschap opgepotte
winsten zonder enige of tegen een relatief lage belastingheffing kunnen genieten.Vanaf
1 januari 1997 worden de Nederlandse heffingsrechten mede veiliggesteld doordat
bij de emigratie van de aanmerkelijk belanghouder een conserverende aanslag
wordt opgelegd ter zake van de op dat moment bestaande winst uit aanmerkelijk
belang. De recente wijzigingen in de Nederlandse wetgeving zullen, behoudens
een vervanging van de tot dusver gebruikelijke vijf-jaarstermijn
door een termijn van tien jaar (dit in overeenstemming met de in de nationale
wetgeving in het regime voor winst uit aanmerkelijk belang neergelegde termijn)
en wat verfijningen in de formulering naar verwachting niet leiden tot een
ingrijpende wijziging van het Nederlandse verdragsbeleid op dit punt. Dit
neemt uiteraard niet weg dat met bepaalde landen die aantrekkelijk zijn vanuit
een oogpunt van fiscale emigratie meer daarop toegesneden bepalingen wenselijk
kunnen zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot de sedert 1987 tot stand gekomen belastingverdragen
die ter zake van het aanmerkelijk belang een van het Nederlandse Standaardverdrag
afwijkende bepaling kennen zij verwezen naar de desbetreffende toelichtende
nota's.<voetref refid="v4.1" nr="1"></voetref> Kort samengevat komt deze toelichting
op het volgende neer. Zowel het verdragsbeleid van Brazilië als dat van
Nigeria voorzag bij de totstandkoming van het belastingverdrag met Nederland
in een toewijzing van de heffingsrechten over vermogenswinsten aan de staat
waar de desbetreffende vermogensbestanddelen zich bevinden. Zo ook in het
geval van vermogenswinsten behaald bij de vervreemding van aandelen in lichamen
die in Brazilië, onderscheidenlijk in Nigeria zijn gevestigd. Dit ongeacht
of die vermogenswinsten worden behaald door een in de andere verdragsluitende
staat gevestigd lichaam of, ingeval van een natuurlijk persoon, wanneer geen
sprake is van een aanmerkelijk belang. Nederland heeft uiteindelijk ingestemd
met de Braziliaanse en de Nigeriaanse wensen op dit terrein, waarbij zij opgemerkt
dat Nigeria wel bereid was om op deze bronstaatheffing een uitzondering overeen
te komen voor winsten die worden gerealiseerd in het kader van een herstructurering
binnen een concern. Ook in de relatie met Zimbabwe heeft Nederland zich uiteindelijk
moeten neerleggen bij de Zimbabwaanse wensen voor een bronstaatheffing voor
vermogenswinsten behaald bij de vervreemding van aandelen, ook ingeval die
vermogenwinsten worden gerealiseerd door een in de andere verdragsluitende
staat gevestigd lichaam, of, ingeval van een natuurlijk persoon, wanneer geen
sprake is van een aanmerkelijk belang. Een en ander betekent dat het belastingverdrag
met Brazilië, noch dat met Nigeria en dat met Zimbabwe, Nederland, waar
het betreft de aanmerkelijk belangheffing, beperkt in de toepassing van zijn
nationale heffingsrechten terzake. Anders dan in de relatie met Brazilië
bevat het belastingverdrag met de Filippijnen (Trb. 1989, 57) wel de gebruikelijke
saldo-bepaling (een woonstaatheffing) voor vermogenswinsten zoals opgenomen
in het OESO-modelverdrag. Echter, als inbreuk daarop voorziet het verdrag
in een bronstaatheffing voor die gevallen waar de vermogenswinsten worden
gerealiseerd door een natuurlijke persoon binnen een periode van zes jaar
na diens emigratie uit de bronstaat. Met andere woorden, onder het belastingverdrag
met de Filippijnen kan Nederland zijn voormalige inwoners tot 6 jaar na hun
emigratie naar de Filippijnen belasten over de winst die zij behalen uit de
vervreemding van een aanmerkelijk belang in een Nederlandse vennootschap.</al>
      <al>De in het belastingverdrag met Italië opgenomen aanmerkelijk belangbepaling
wijkt af van de bepaling opgenomen in het Nederlandse Standaardverdrag, omdat
Italië alleen bereid was tot de opname van de door Nederland voorgestelde
aanmerkelijk belangbepaling, indien de toepassing ervan beperkt zou zijn tot
vervreemdingswinsten die worden behaald door personen die de nationaliteit
van hun vroegere woonstaat bezitten zonder tevens in het bezit te zijn van
de nationaliteit van hun actuele woonland. De in het belastingverdrag met
Vietnam (Trb. 1995, 61/1995, 184) opgenomen aanmerkelijk belangbepaling bevat
op uitdrukkelijk Vietnamees verzoek geen beperking in de termijn gedurende
welke die bepaling in individuele gevallen toepassing kan vinden.Ten slotte
was Tunesië (Trb. 1995, 164) slechts bereid om in te stemmen met de opname
van de door Nederland voorgestelde aanmerkelijk belang-bepaling,
indien de inbreuk daarvan op de internationaal gebruikelijke woonstaatheffing
voor vermogenwinsten behaald met de vervreemding van aandelen in individuele
gevallen beperkt zou worden tot een periode van drie jaar na emigratie. </al>
      <tuskop letat="vet">Directeursbeloningen</tuskop>
      <al>Het verdragsbeleid inzake directeursbeloningen is sedert de publicatie
van het Nederlandse Standaardverdrag in 1987 gewijzigd, in die zin dat voor
de voorkoming van dubbele belasting wordt gestreefd naar het opnemen van de
verrekeningsmethode in plaats van de vrijstellingsmethode. Dit gewijzigde
verdragsbeleid had overigens reeds precedenten in de Nederlandse belastingverdragen
met Canada (Trb. 1986, 65), Frankrijk (Trb. 1973, 83) en het Verenigd Koninkrijk
(Trb. 1980, 205). Het opnemen van de verrekeningsmethode ter voorkoming van
dubbele belasting onder de belastingverdragen heeft als achtergrond te voorkomen
dat zich een situatie kan voordoen waarbij de directeuren- of commissarissenbeloningen
per saldo niet of slechts gedeeltelijk in de belastingheffing worden betrokken.
Bij een toepassing van de vrijstellingsmethode ter voorkoming van dubbele
belasting zou zich een dergelijke situatie bij voorbeeld kunnen voordoen,
wanneer de betrokken verdragspartner geen nationale heffingsmogelijkheden
heeft ingeval de in het kader van de directeurs- of commissarisfunctie uitgeoefende
werkzaamheden buiten die staat worden uitgeoefend (deze situatie doet zich
bijvoorbeeld voor in de relatie met de Verenigde Staten van Amerika), of wanneer
die staat voor directeursbeloningen een fiscaal regime hanteert dat in begunstigende
zin afwijkt van het in die staat geldende fiscale regime voor buitenlandse
werknemers die in verband met in die staat verrichte werkzaamheden inkomsten
uit dienstbetrekking genieten. Anderzijds mag het uiteraard niet zo zijn dat
een toepassing van de verrekeningsmethode ter voorkoming van dubbele belasting
tot gevolg heeft dat voor directeursbeloningen per saldo een zwaardere belastingdruk
optreedt dan voor de uit dienstbetrekking genoten arbeidsinkomsten van buitenlandse
werknemers, niet zijnde directeuren of commissarissen, die in de desbetreffende
verdragspartner werkzaamheden verrichten. Met het oog daarop is dit beleid
nog eens uiteengezet in het besluit van 11 juni 1994, nr. IFZ94-779 (Vakstudienieuws
1994, blz. 3155, punt 5) en daarbij is goedgekeurd dat in die gevallen waarin
in het desbetreffende belastingverdrag ter voorkoming van dubbele belasting
over directeursbeloningen de verrekeningsmethode is opgenomen en waarin noch
sprake is van het ontgaan van belasting, noch van een begunstigend fiscaal
regime voor directeuren- en commissarissenbeloningen in de andere verdragsluitende
staat, in Nederland ook voor de desbetreffende directeursbeloningen de in
dat belastingverdrag opgenomen vrijstellingsmethode voor niet-zelfstandige
arbeidsinkomsten van toepassing is. In de praktijk betekent dit dat de toepassing
van de vrijstellingsmethode ter voorkoming van dubbele belasting alleen zal
worden toegestaan in zoverre door belastingplichtige wordt aangetoond dat
de directeuren- en commissarissenbeloningen in de andere verdragsluitende
staat in de belastingheffing zijn betrokken en aldaar ten opzichte van de
arbeidsinkomsten van buitenlandse werknemers die in die staat werkzaamheden
verrichten niet in begunstigende zin in de belastingheffing zijn betrokken. </al>
      <tuskop letat="vet">Werkzaamheden buitengaats</tuskop>
      <al>Het Nederlandse Standaardverdrag van 1987 bevat geen bepaling voor werkzaamheden
buitengaats. Het Nederlandse verdragsbeleid op dit terrein is sedert de publicatie
van het Nederlandse Standaardverdrag in 1987 gaandeweg ontwikkeld en heeft
inmiddels vaste vorm gekregen. Hierbij is van belang dat in 1987
de Nederlandse fiscale wetgeving nog niet van toepassing was op het Nederlandse
deel van het continentale plat, zodat Nederland terzake ook geen heffingsrechten
kon uitoefenen. Eerst bij Wet tot uitbreiding van de fiscale jurisdictie tot
het Nederlands deel van het continentaal plat<voetref refid="v6.1" nr="1"></voetref>
heeft Nederland haar nationale fiscale jurisdictie uitgebreid tot het Nederlandse
deel van het continentale plat.</al>
      <al>Uitgangspunt voor het Nederlandse verdragsbeleid op dit punt vormt de
door Nederland in de relatie met Zweden op dit terrein overeengekomen verdragsbepaling.
Voor een nadere toelichting op de daarin opgenomen en uitsluitend op het continentale
plat van toepassing zijnde aanvullingen op het in artikel 5 neergelegde begrip
vaste inrichting, zij verwezen naar de toelichtende nota bij dat verdrag<voetref refid="v6.2" nr="2"></voetref>. Deze in de relatie met Zweden overeengekomen verdragsbepaling
vormt voor Nederland het uitgangspunt in de besprekingen met potentiële
verdragspartners over de opname van een verdragsbepaling voor werkzaamheden
buitengaats. Uiteraard moet bij dergelijke besprekingen ook rekening worden
gehouden met de wensen en verlangens van die potentiële verdragspartners,
zodat in voorkomende gevallen het uiteindelijk overeengekomen resultaat in
de sedertdien overeengekomen belastingverdragen op onderdelen afwijkt van
de in de relatie met Zweden overeengekomen verdragsbepaling. In voorkomende
gevallen heeft Nederland, al dan niet op uitdrukkelijk verzoek van de desbetreffende
verdragspartner, afgezien van zijn wensen op dit terrein. In dit verband zij
verwezen naar de belastingverdragen met Mexico, met Tunesië en met Vietnam. </al>
      <tuskop letat="vet">Van belastingheffing vrijgestelde pensioenfondsen</tuskop>
      <al>In 1988 heeft de vaste Commissie voor Financiën van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal, naar aanleiding van de notitie Algemeen Fiscaal Verdragsbeleid,
de toenmalige Staatssecretaris van Financiën een vraag gesteld over de
verdragstoepassing ten aanzien van pensioenfondsen (Kamerstukken II 1987/88,
20 365, nr. 3, vraag 86). Uit het terzake gegeven antwoord (Kamerstukken
II 1987/88, 20 365, nr. 5) moge blijken dat hoewel van belastingheffing
vrijgestelde pensioenfondsen in het algemeen naar de letter van onze belastingverdragen,
zonder uitdrukkelijke verdragsbepaling terzake, niet als inwoner voor de toepassing
van het belastingverdrag zijn aan te merken, naar Nederlandse opvattingen
ook onder een tekst conform het OESO-modelverdrag een beroep door die pensioenfondsen
op verdragsvoordelen verdedigbaar is; uiteraard mits sprake is van een reële
vestiging van dat pensioenfonds in een van de verdragsluitende staten. Nederland
is in die gevallen – uiteraard op basis van wederkerigheid – bereid
tot toekenning van de verdragsvoordelen.</al>
      <al>Aangezien niet alle landen deze mening zijn toegedaan, streeft Nederland
tegenwoordig de opname van een afzonderlijke verdragsbepaling na, waarin het
inwonerschap van dergelijke van belastingheffing vrijgestelde pensioenfondsen
voor de toepassing van het belastingverdrag uitdrukkelijk wordt vastgelegd.
Dit is onder meer gebeurd in de belastingverdragen met de Verenigde Staten
van Amerika, met Kazachstan (1996, 150) en met Finland ((Trb. 1996, 60/1996,
216) en aldaar in de toelichtende nota's toegelicht<voetref refid="v6.3" nr="3"></voetref>. </al>
      <tuskop letat="vet">Verdragstarief voor deelnemingsdividenden</tuskop>
      <al>Een verdragstarief van 0% voor deelnemingsdividenden was en is nog steeds
de vaste inzet bij de Nederlandse verdragsonderhandelingen. In het kader van
het onderhandelingsproces kan het voorkomen dat Nederland zijn wensen op dit
punt niet kan realiseren. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het
verdragsbeleid van de potentiële verdragspartner niet voorziet
in een verdragstarief van 0% voor deelnemingsdividenden en die potentiële
verdragspartner op dit terrein ook nog nooit eerder concessies heeft gedaan.
In voorkomende gevallen kan echter ook sprake zijn van een wijziging van het
verdragsbeleid van de potentiële verdragspartner op dit terrein. Op dat
moment vormt ook een element van afweging dat bij volharding in deze Nederlandse
eis eenvoudigweg geen verdrag tot stand komt. Alsdan wordt een totale balans
opgemaakt, waarbij onder omstandigheden (zoals belangrijke offers van de potentiële
verdragspartner op andere punten) toch wordt besloten het verdrag tot stand
te brengen. Het totale pakket wordt voorts steeds ter goedkeuring aan de Staten-Generaal
aangeboden. Belangrijke afweging is ook steeds of het desbetreffende land
aan anderen wel concessies heeft gedaan of zou willen doen. </al>
      <tuskop letat="vet">Limitation on benefits-bepaling in het verdrag Verenigde
Staten-Luxemburg</tuskop>
      <al>Met betrekking tot de door de Verenigde Staten van Amerika in de relatie
met Luxemburg overeengekomen «limitation on benefits»-bepaling
zij er allereerst op gewezen dat op dit moment nog niet duidelijk is hoe de
diverse onderdelen van die bepaling zullen worden uitgelegd, met name niet
waar het betreft een toepassing van de daarin opgenomen aandeelhouderstoetsen
ingeval van toonderaandelen. Bovendien ontbreekt in die relatie de in het
belastingverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika overeengekomen
zogenoemde hoofdkantorentoets. Overigens zij in dit verband nog opgemerkt
dat over de toepassing van de in de relatie Nederland-Verenigde Staten van
Amerika overeengekomen «limitation on benefits»-bepaling geen
ernstige klachten over concrete gevallen bekend zijn, noch in het algemeen,
noch specifiek waar het betreft de toepassing van de zogenoemde vangnetbepaling
(artikel 26, lid 7). In dit verband zij verwezen naar de rapportages aan de
Staten-Generaal over de toepassing in de praktijk van het tussen Nederland
en de Verenigde Staten van Amerika gesloten belastingverdrag uit 1992. Wel
houdt dit punt de aandacht. </al>
      <tuskop letat="vet">Onderhandelingsverslagen</tuskop>
      <al>Hetgeen uiteindelijk in de toelichtende nota's is opgenomen over de diverse
van het Nederlandse Standaardverdrag afwijkende verdragsbepalingen is een
nauwkeurige weergave van de tijdens de verdragsonderhandelingen over die verdragsbepalingen
gevoerde discussies en van datgene waar de verdragsluitende partijen in dat
kader overeenstemming over hebben gekregen. Het publiceren van de anoniem
gemaakte onderhandelingsverslagen zal in dat opzicht geen nieuwe inzichten
bieden. Van belang is voorts dat publicatie met instemming van de verdragspartner
zou moeten geschieden. Omdat publicatie van onderhandelingsverslagen niet
gebruikelijk is zal deze instemming normaliter niet worden verkregen. Voorts
zij bedacht dat – gegeven het bestaande vertrouwelijke karakter van
de verdragsonderhandelingen – onze potentiële verdragspartners
over het algemeen zeer open zijn in de discussies die in dat verband worden
gevoerd. Dit zou wel eens kunnen veranderen wanneer zou worden besloten om
de verslagen van die onderhandelingen openbaar te maken. Het anoniem maken
van die verslagen zou in dat kader geen uitkomst bieden. </al>
      <tuskop letat="vet">Bepalingen inzake informatie-uitwisseling</tuskop>
      <al>Verschillen tussen de in belastingverdragen opgenomen informatiebepalingen
en de EG-richtlijnen inzake informatie-uitwisseling zijn met name terug te
voeren op de omstandigheid dat het EG-recht van latere datum is
en op een modernere leest is geschoeid. Ook liggen aan het EG-recht andere
en bredere doelstellingen ten grondslag. Zo zijn de desbetreffende EG-richtlijnen,
mede vanwege het gemeenschappelijke belang van de Lidstaten daarbij, er primair
op gericht door intensievere informatie-uitwisseling tussen EG-landen internationale
belastingfraude en belastingvlucht te bestrijden. In tegenstelling hiertoe
hebben bilaterale, veelal oudere, belastingverdragen, en daarmee ook de daarin
opgenomen informatiebepalingen, veeleer het karakter van «maatpakken»
waarin meer aandacht wordt besteed aan de wensen van de twee in het geding
zijnde landen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot de verhouding tussen de desbetreffende EG-richtlijnen
en een daarmee eventueel conflicterende inlichtingenclausule in een belastingverdrag
tussen EG-partners is in de Memorie van Antwoord bij de totstandkoming van
de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen
(WIB) gesteld, dat in geval van collisie tussen de richtlijn en een bilateraal
verdrag, de richtlijn voorgaat. Daarnaast is in artikel 11 van de EG-richtlijn
van 19 december 1977 (77/799/EEG) betreffende de wederzijdse bijstand van
de bevoegde autoriteiten van de Lidstaten op het gebied van de directe en
de indirecte belastingen bepaald dat verdergaande verplichtingen tot uitwisseling
van inlichtingen welke voortvloeien uit andere rechtsvoorschriften (zoals
belastingverdragen) door deze richtlijn niet worden beperkt. Daarmee kan de
verhouding tussen bilaterale verdragsverplichtingen en de desbetreffende EG-richtlijnen
niet tot problemen leiden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ingevolge genoemde WIB kent Nederland in tegenstelling tot veel andere
(Europese) landen uitgebreide rechtsbeschermingsregels bij inlichtingenuitwisselingen.
De werking van de WIB geldt voor zowel de bilaterale belastingverdragen als
voor de EG-bijstandsrichtlijn. De rechtsbescherming van belastingplichtigen
en andere belanghebbenden vindt plaats in de vorm van een kennisgevingsprocedure
met daaraan gekoppeld bezwaar- en beroepsmogelijkheden op grond van de Algemene
wet bestuursrecht. Als uitgangspunt wordt de belanghebbende op grond van de
WIB vooraf in kennis gesteld. Slechts als er sprake is van dringende redenen,
zoals bij het vermoeden van fraude, kan het informeren van de belanghebbende
achteraf plaatsvinden. Dit moet dan wel geschieden uiterlijk binnen vier maanden
na de informatieverstrekking aan het buitenland.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot de toetsing van de ontwikkelingen op het punt van de
informatieuitwisseling en de fraudebestrijding aan de mensenrechten, wordt
opgemerkt dat aan dit aspect, mede in het licht van de jurisprudentie op dit
terrein, veel aandacht wordt besteed. Niet alleen nieuwe wetgeving, maar ook
bestaande wetgeving wordt op dit aspect doorgelicht. Bovendien wordt in Nederland –
zoals hiervoor reeds is opgemerkt – ook ingeval van uitwisseling van
inlichtingen op grond van de belastingverdragen – de bescherming van
de rechten van belastingplichtigen gewaarborgd door de WIB. Omgekeerd onderzoekt
Nederland tijdens de verdragsonder-handelingen altijd of ook de potentiële
verdragspartner een voldoende vertrouwelijkheid van de uitgewisselde gegevens
waarborgt. </al>
      <tuskop letat="vet">Electronische communicatie en internet</tuskop>
      <al>Op het vlak van de problematiek van de vaste inrichting en de vaste vertegenwoordiging
tegen de achtergrond van de voortschrijdende electronische communicatie en
de ontwikkeling rondom het internet is de handhaving van internationale coördinatie
van groot belang. Mede met het oog op deze internationale coördinatie
heeft deze problematiek ook in OESO-verband de aandacht. Overigens
is in de in dat kader over deze problematiek gevoerde discussies ook een rol
weggelegd voor het bedrijfsleven. </al>
      <tuskop letat="vet">Anti-misbruikbepalingen</tuskop>
      <al>Met betrekking tot het opnemen in belastingverdragen van anti-misbruikbepalingen
zij er allereerst op gewezen dat het opnemen van dergelijke bepalingen als
zodanig voor Nederland niet iets is van de laatste jaren. In dit verband kan
onder andere worden gewezen op de zogenoemde 1970-regeling in het belastingverdrag
met België (Trb. 1970, 192), de in het belastingverdrag met het Verenigd
Koninkrijk (Trb. 1980, 205) opgenomen «remittance base» bepaling
en de explicitering van de mogelijkheid om fraus legis toe te passen zoals
opgenomen in de belastingverdragen met Marokko (Trb. 1977, 152) en Suriname
(Trb. 1975, 134). Wel is, als gevolg van het belastingverdrag met de Verenigde
Staten van Amerika van 1992, in de laatste jaren de aandacht meer dan voorheen
het geval was gericht op de opname van anti-misbruikbepalingen. Voorts valt
niet te ontkennen dat door de toenemende internationalisering de potentiële
omvang van het verschijnsel verdragsmisbruik is toegenomen.</al>
      <al>Waar het de opname van anti-misbruikbepalingen in de door Nederland te
sluiten belastingverdragen betreft is overigens in het overleg met de Staten-Generaal
over het nieuwe belastingverdrag met de Verenigde Staten van Amerika van 1992
al gezegd dat Nederland verdragsgerechtigdheid van zijn inwoners voorop stelt.
Het primaire doel van een belastingverdrag is en blijft immers bevordering
van het economische verkeer door het wegnemen van fiscale belemmeringen in
de vorm van dubbele belasting. In die zin past de «limitation on benefits»-bepaling,
zoals overeengekomen in de relatie met de Verenigde Staten van Amerika, niet
in het Nederlandse beleid terzake. Het Nederlandse beleid op dit terrein is
in eerste instantie veeleer gericht op een intensivering van de uitwisseling
van inlichtingen (bijvoorbeeld door middel van spontane of automatische uitwisseling
van inlichtingen), de wederzijdse bijstand in de vorm van de aanwezigheid
van buitenlandse ambtenaren bij boekenonderzoeken e.d. en de bijstand bij
invordering. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden, dat wil zeggen afhankelijk
van de concrete mogelijkheden voor oneigenlijk gebruik die de systemen van
de (potentiële) verdragspartners in onderlinge samenhang bieden, kan
echter ook de opname van meer specifieke anti-misbruikbepalingen wenselijk
zijn.</al>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>Gepubliceerd als bijlage bij de notitie Algemeen Fiscaal Verdragsbeleid
(Kamerstukken II 1987/88, 20 365, nrs. 1–2).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v2.2" nr="2">
    <al>Zie voor de toelichtende nota bij het belastingverdrag met Brazilië:
Kamerstukken I/II 1989/90, 21 672, nrs. 270 en 1, voor die met Nigeria:
Kamerstukken I/II 1992/93, 22 853, nrs. 25 en 1, voor die met Zimbabwe:
Kamerstukken I/II 1989/90, 21 354, nr. 1, voor die met Italië: Kamerstukken
I/II 1990/91, 21 986, nrs. 122 en 1 en voor die met de Verenigde Staten
van Amerika: Kamerstukken I/II  1992/93, 23 220, nr. 3.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.1" nr="1">
    <al>Zie voor de toelichtende nota bij het belastingverdrag met de Filippijnen:
Kamerstukken I/II 1989/90, 21 348, nr. 1, voor die met Vietnam: Kamerstukken
I/II 1994/95, 24 278, nrs. 316 en 1 en voor die met Tunesië: Kamerstukken
I/II 1995/96, 24 445, nrs. 28 en 1).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v6.1" nr="1">
    <al>Wet van 13 december 1989, Stb. 554.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v6.2" nr="2">
    <al>Kamerstukken I/II 1991/92, 22 643, nrs. 291 en 1.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v6.3" nr="3">
    <al>Zie voor de toelichtende nota bij het belastingverdrag met Kazachstan:
Kamerstukken I/II 1996/97, 25 072, nrs. 53 en 1 en voor die bij het belastingverdrag
met Finland: Kamerstukken I/II 1995/96, 24 878, nrs. 345 en 1.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>