﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25004-33/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1996-1997</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>7K1000</ordernr>
    <vergjaar>1996-1997</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>25 004</nummer>
      <naam>Jaaroverzicht zorg 1997</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>33</nummer>
      <titel>VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG</titel>
      <datum>Vastgesteld 21 maart 1997</datum>
      <al>De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> heeft op 26 februari 1997 overleg gevoerd met staatssecretaris Terpstra
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de <nadruk type="vet">brief van 19 december 1996
inzake de voortgangsrapportage van de regelingen persoonsgebonden budget verpleging
en verzorging en de verstandelijk gehandicaptenzorg.</nadruk></al>
      <al>Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag
uit. </al>
      <tuskop letat="vet">Vragen en opmerkingen uit de commissie</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van der Vlies</nadruk> (SGP) wees erop dat zijn fractie van
meet af aan achter de filosofie van het persoonsgebonden budget en het doen
van een experiment op dit gebied heeft gestaan. Hij had uit de voortgangsrapportage
opgemaakt dat er een aantal kinderziektes en aanloopproblemen zijn. Deze zouden
vooral te maken hebben met de regeldichtheid, die tot veel bureaucratie in
de uitvoering leidt. Er is echter afgesproken dat er geen ingrijpende wijzigingen
zullen worden aangebracht in de regeling, voordat de eerste evaluatie van
het experiment na twee jaar heeft plaatsgevonden. Is de staatssecretaris van
mening dat de voortgangsrapportage representatief is voor de stand van zaken
per heden of betreft het hier een momentopname?</al>
      <al>Het had hem verwonderd dat de staatssecretaris in haar brief geen aandacht
schenkt aan de wenselijkheid van meer flexibiliteit in de indicatietermijn
van de PGB-regeling verpleging en verzorging. Deze termijn is nu zes maanden.
Volgens hem zou meer flexibiliteit kostenbesparend kunnen werken en onnodige
administratieve rompslomp voorkomen. Hoe kijkt de staatssecretaris hier tegenaan?</al>
      <al>Verder was hem gebleken dat de contactkantoren in de praktijk de regeling
niet eenduidig interpreteren en uitvoeren. Hij drong erop aan, zoveel mogelijk
te streven naar uniformiteit in procedures, zonder dat dit uiteraard ten koste
mag gaan van het aanbieden van maatwerk aan de zorgvrager. Hij wees in dit
verband op de intake- en de wachtlijstenproblematiek.</al>
      <al>Hij stond vervolgens stil bij het overzicht van knelpunten dat door Per
Saldo is verstrekt en de mogelijke oplossingen. Kan de staatssecretaris  </al>
      <al>hierop, eventueel schriftelijk, een reactie geven? Uit het overzicht van
Per Saldo blijkt dat de budgethoudersverenigingen onvoldoende flexibel op
veranderingen kunnen inspelen. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris
om een optimale uitvoering van de regeling te bereiken? Hij achtte het met
oog op een betere dienstverlening een prioriteit om tot een grotere regionale
dichtheid te komen. Hoe denkt de staatssecretaris hierover?</al>
      <al>Ook sneed hij enkele praktijkproblemen aan. Gebleken is dat cliënten
die een PGB toegewezen hebben gekregen maar die naar een andere regio verhuizen,
problemen ondervinden bij de uitbetaling. Hij vond het niet juist dat de financiering
belemmerd wordt door geografische grenzen. Hij pleitte ervoor, het budget
mee te laten verhuizen. Ook zijn er problemen ontstaan ten gevolge van de
wijziging van artikel 15 van de PGB verpleging en verzorging. Het gaat hierbij
om ouderen die zelfstandig in een appartementencomplex zijn gaan wonen, waarbij
geen sprake is van verzorging of verpleging maar slechts van gezamenlijk wonen.
Hoewel er in de persoonlijke omstandigheden van deze cliënten niets is
veranderd, blijkt de PGB in dergelijke gevallen soms ineens niet te worden
verlengd. Waarom heeft de staatssecretaris ingestemd met deze wijziging van
de regeling door de Ziekenfondsraad?</al>
      <al>Hij ging tot slot in op het voornemen van de staatssecretaris om de regeling
te laten uitvoeren door de Sociale verzekeringsbank. Waarom is het niet mogelijk
om de bestaande situatie voorlopig te handhaven en daarbinnen verbeteringen
aan te brengen? Hij wees hierbij met name op scenario 3 van Per Saldo, waarbij
in het PGB een cesuur gelegd wordt bij f 20 000. Hij was er vooralsnog
niet van overtuigd dat overheveling van de uitvoering naar de SVB de oplossing
biedt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook de heer <nadruk type="vet">Meijer</nadruk> (groep-Nijpels) stond in principe positief
tegenover het experiment van het persoonsgebonden budget. Uit de informatiemap
van Per Saldo en de voortgangsrapportage was hem echter duidelijk geworden
dat er nogal wat problemen zijn. Ook hij sprak de hoop uit dat het hierbij
om een momentopname gaat.</al>
      <al>Hij prees de staatssecretaris dat zij aan de signalen van de Ziekenfondsraad
gehoor heeft gegeven. Het verbaasde hem echter dat zij, terwijl er een openbare
aanbestedingsprocedure is geweest, de regeling nu wil laten uitvoeren door
de Sociale verzekeringsbank. Bestaat niet het gevaar dat de inschrijvers juridisch
bezwaar maken tegen het feit dat de opdracht nu aan een niet-inschrijver wordt
gegeven? En hoe verdraagt zich dit met de Europese regelgeving terzake?</al>
      <al>Een andere vraag in dit verband was of de SVB zich voldoende kan inleven
in de situatie van de zorgvrager en of hij zich niet te veel zal ontwikkelen
als een informatiebank. Blijft overigens het lidmaatschap van een budgethoudersvereniging
verplicht, wanneer de SVB een groot deel van het takenpakket overneemt? En
in hoeverre is in dat geval het aanwijzingsbeleid van de ZFR voor budgethoudersverenigingen
verenigbaar met het door de Tweede Kamer gewenste vrije erkenningenbeleid?
Volgens de heer Meijer was het plaatsen van een schot tussen de informatieverstrekking
door de budgethoudersverenigingen en de administratieve uitvoering door de
SVB een stap terug. De zorgvragers krijgen hierdoor te maken met een ambtelijk
apparaat met alle drempels van dien, terwijl zo'n ambtelijk apparaat bovendien
controle en toezicht vereist. Zijn fractie sprak zich uit voor verdergaande
integratie van de budgethoudersverenigingen en het administratiekantoor, ondanks
de uitvoeringsproblemen. Hij vond dat de budgetverantwoordelijkheid bij de
budgethoudersverenigingen die de regelingen uitvoeren, diende te liggen. De
betaling zou dan rechtstreeks van de Ziekenfondsraad naar de verenigingen
moeten lopen, waarbij deze rekening en verantwoording dienden af te leggen.
Het ging tenslotte om een landelijke regeling, dus waarom niet gekozen voor
één landelijk aanspreekpunt? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Oedayraj Singh Varma</nadruk> (GroenLinks) sprak zich eveneens
uit voor een voortzetting van de PGB-regeling, hoewel zich kennelijk nogal
wat bureaucratische onduidelijkheden en aanloopproblemen voordoen in de beginfase.
Zij had begrepen dat de staatssecretaris voorstelt om de regeling administratief
te laten uitvoeren door de SVB. Hoewel mevrouw Varma ervan overtuigd was dat
de SVB veel ervaring heeft met administratieve processen, roept dit voorstel
toch twijfel bij haar op. Zij benadrukte de enorme inzet van de budgethoudersverenigingen.
Deze hebben onder grote tijdsdruk hun werk moeten doen, terwijl het bovendien
een ingewikkelde materie betreft. Het zou misschien een oplossing zijn om
de zorgvragers bij wie het om grote bedragen gaat, onder te brengen bij de
SVB. Zij wees er echter op dat het bij het grootste gedeelte van de zorgvragers
om kleinere bedragen gaat. Hoe flexibel zal een bureaucratisch instituut als
de SVB op de vele vragen van deze mensen kunnen inspelen?</al>
      <al>Zij had uit een gesprek met Per Saldo opgemaakt dat de SVB een standaardpakket
zal aanbieden. Is dat juist? Ook had zij opgevangen dat het aantal SVB-kantoren
zal worden teruggebracht van 22 naar 9, wat volgens haar de bereikbaarheid
niet ten goede zal komen.</al>
      <al>Zij vroeg zich verder af wat de functie van de budgethoudersverenigingen
zal worden, als de SVB de regeling gaat uitvoeren. Blijven zij dan hun oorspronkelijke
taak van informatie- en steunpunt vervullen? Is dan het verplichte lidmaatschap
nog nodig? En is er in dat geval gedacht aan een financiële ondersteuning?</al>
      <al>Zij stond sympathiek tegenover de gedachte van Per Saldo om te komen tot
een wettelijke aanspraak. Hoe kijkt de staatssecretaris daar tegenaan?</al>
      <al>Zij kon zich daarentegen niet vinden in het voorstel van Per Saldo om
de herindicatie die nu om de zes maanden plaatsvindt, eens per vijf jaar te
laten plaatsvinden. Zij dacht zelf meer aan een herindicatie eens per jaar
of per twee jaar. Hoe denkt de staatssecretaris hierover? </al>
      <al>Mevrouw Varma wees vervolgens op de derde variant die door Per Saldo ontwikkeld
is voor mensen met een uitkeringsbedrag tot f 20 000 per jaar. Hoewel
dit voorstel het meeste aan de wensen van de mensen tegemoetkomt, voorzag
zij toch problemen bij de afwikkeling. Hoe kan gegarandeerd worden dat in
deze situatie kwalitatief goede zorg wordt verleend? Kan de staatssecretaris
op de derde variant van Per Saldo reageren?</al>
      <al>Het was mevrouw Varma bekend dat de interpretatie en de uitvoering van
de regeling door de regionale contactkantoren niet eenduidig is. Zij had van
de staatssecretaris begrepen, dat er een regiegroep zou worden ingesteld bij
de Ziekenfondsraad. Hoe staat het hiermee?</al>
      <al>Tot slot wees mevrouw Varma op de tekst van artikel 15, dat de kosten
van het PGB niet «onverantwoord» hoger mogen zijn dan de kosten
van opname. Welke criteria worden hierbij gehanteerd? De wens van de klant,
de puur financiële of ook de sociaal-ethische?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Fermina</nadruk> (D66) benadrukte dat ook zijn fractie altijd
een warm voorstander is geweest van het persoonsgebonden budget. Na een jaar
ervaring in de praktijk blijkt dat de meeste mensen die gebruikmaken van het
PGB, enthousiast zijn. Hij maakte echter enkele kanttekeningen bij de regeling.
Zo vond hij vereenvoudiging van de regeling noodzakelijk, omdat deze anders
zou stuklopen op bureaucratie en gebrek aan geld. Uit een onderzoek van het
ITS was naar voren gekomen dat de moeizame start van het PGB onder meer te
wijten is aan de te snelle invoering, de afwachtende houding van het instellingsmanagement
en de omslachtige uitvoeringsstructuur. Hij wees in dit verband op de verschillen
van interpretatie bij de uitvoering, het gebrek aan flexibiliteit en de weinig
vraaggerichte cultuur van de uitvoeringsinstanties. Hij was van mening dat de infrastructuur, de communicatie en de uitvoering verbetering
behoeven.</al>
      <al>Hij vroeg vervolgens aandacht voor de klacht dat het budget te snel is
uitgeput en er wachtlijsten ontstaan. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris
om de achterstand weg te werken? Ook het feit dat cliënten na een halfjaar
PGB-gebruik dienen te worden geherindiceerd, brengt onzekerheid met zich mee.
Hoe staat het met de rechtszekerheid van deze cliënten? En welke afspraken
zijn er gemaakt om herindicatie van ex-AAW-cliënten die overgegaan zijn
naar het PGB te realiseren? Zal deze herindicatieoperatie gevolgen hebben
voor de omvang van de zorg?</al>
      <al>Hij sprak zijn zorg uit over de onduidelijke situatie die is ontstaan
rond de indicatiestelling voor het PGB. Hij noemde als voorbeeld Amsterdam,
waar onafhankelijk geïndiceerd wordt en het indicatieorgaan contact met
de zorgverzekeraars onderhoudt over de vergoeding van de indicatiekosten.
Nu wordt ineens de gemeente, respectievelijk de thuiszorg met deze taak belast,
terwijl er nog geen duidelijkheid is over het beschikbare budget. Hierdoor
dreigt een onwerkbare situatie te ontstaan. Hoe denkt de staatssecretaris
hier een oplossing voor te vinden?</al>
      <al>De heer Fermina was evenmin gelukkig met het advies van de VNG aan de
gemeenten om de toewijzing van de zorg bij het indicatieorgaan aan te haken.
Volgens de fractie van D66 hoort bij de vormgeving van een onafhankelijke
indicatiestelling een scheiding van verantwoordelijkheden. Is de staatssecretaris
het hiermee eens? Wellicht kan de staatssecretaris in dat verband ook attenderen
op het belang van een hechte, regionale samenwerking op het plannings- en
afstemmingsniveau van de regio-indeling van de ZFR. Ook hier bestaat nu onduidelijkheid.
Veel zorgverzekeraars weten niet eens voor welk gebied zij het verbindingskantoor
zijn.</al>
      <al>De heer Fermina vestigde vervolgens de aandacht op de kleine categorie
mensen die een buitengewone of uitzonderlijke zorgbehoefte heeft, waarvan
de kosten soms meermalen de kosten van intramurale zorg te boven gaan. Zorgverzekeraars
zijn terughoudend om precedentwerking en uitputting van het budget te voorkomen.
D66 is van mening dat er voor dit soort uitzonderlijke situaties een aparte
voorziening dient te worden gerealiseerd via een apart fonds. Daarmee wordt
voorkomen dat het reguliere PGB-fonds te zwaar wordt belast of te snel wordt
uitgeput. D66 vindt het antwoord dat de staatssecretaris op de vragen naar
aanleiding van de NOVA-uitzending en de gerechtelijke uitspraak heeft gegeven,
niet erg bevredigend. De mededeling dat alle claims moeten worden gehonoreerd,
is voor zorgverzekeraars respectievelijk indicatieorganen onhanteerbaar. Heeft
de staatssecretaris overigens al een extra financiële claim ingediend
bij Financiën ten behoeve van het PGB, met name voor het realiseren van
uitzonderlijke zorg in de thuissituatie, op grond van sociale en emotionele
redenen, ook als deze zorg aanmerkelijk duurder uitvalt dan intramurale zorg?</al>
      <al>Door mevrouw Vliegenthart en mevrouw Van Blerck daarnaar gevraagd, zei
de heer Fermina dat hiervoor speciale criteria zullen moeten worden ontwikkeld
en dat voor uitzonderlijke gevallen, of het nu intra- dan wel extramurale
situaties betreft, in elk geval een speciaal fonds in het leven moet worden
geroepen, zelfs al zou dit meer bureaucratie met zich brengen. Er bestaat
nu nog te veel onduidelijkheid over de vraag wanneer men in aanmerking komt
voor de regeling en voor welk bedrag. Hij deed de suggestie om in dergelijke
uitzonderlijke gevallen de indicatiestelling toe te wijzen aan grote instanties,
waarbij dan zwaardere eisen gesteld zouden kunnen worden aan procedure en
deskundigheid. Hoe staat de staatssecretaris hier tegenover?</al>
      <al>Wat het voorstel van de staatssecretaris betreft om de regeling door de
SVB te laten uitvoeren, pleitte de heer Fermina ervoor het CAK in te schakelen.
Dit kantoor zal in de toekomst bij de inning van de eigen bijdrage in de AWBZ
en eventueel in het tweede compartiment, de medisch noodzakelijk
verzekerbare zorg, een belangrijke rol gaan spelen, terwijl ook de toekomstige
vormgeving van de Ziekenfondswet in de richting van een actieve betrokkenheid
van dit orgaan wijst. Kan de staatssecretaris hierin meegaan?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Van Blerck-Woerdman</nadruk> (VVD) had bij de begrotingsbehandeling
de energieke en vasthoudende rol van de staatssecretaris bij de totstandkoming
van het PGB al geprezen. Ook zij wilde even stilstaan bij de kinderziektes
die de nieuwe regeling in de uitvoering vertoont. Zo is er bij de instellingen
nogal wat onrust ontstaan bij de start van de ombuigingsoperatie van instellingsbudget
naar PGB. Hetzelfde is het geval geweest bij de thuiszorg, toen de budgetgarantie
verminderd werd. Zij wees vervolgens op de knelpunten die bij de tussenevaluatie
door Per Saldo zijn geconstateerd. Ook zij zag hierop graag een reactie van
de staatssecretaris tegemoet, eventueel schriftelijk.</al>
      <al>Mevrouw Van Blerck prees de behoedzame wijze waarop het kabinet het begin
van de regeling heeft gefinancierd, al had zij ook begrip voor het ongeduld
van de mensen die op een wachtlijst staan.</al>
      <al>Zij kon zich in principe vinden in het voorstel van de staatssecretaris
om de SVB in de toekomst te belasten met de beheerstaak en de uitvoering van
het PGB. Het was niet haar bedoeling om een zwartepiet uit te delen aan de
budgethoudersverenigingen. Deze hadden volgens haar onder moeilijke omstandigheden
hun best gedaan om de regelingen uit te voeren. Heeft de staatssecretaris
met Per Saldo en Naar Keuze reeds een gesprek gevoerd over hun eventuele rol
in de toekomst?</al>
      <al>Mevrouw Van Blerck ging naar aanleiding van de gerechtelijke uitspraak
en de reactie van de staatssecretaris hierop nog even in op de hoogte van
het toe te kennen budget in zijn algemeenheid. In de regeling staat dat de
verzekerde niet in aanmerking komt voor een PGB als de kosten daarvan ten
opzichte van de kosten van opname in een instelling naar het oordeel van het
contactkantoor «onverantwoord» zijn. Welke interpretatie moet
aan de term «onverantwoord» gegeven worden en welke criteria moeten
bij de toekenning van een PGB gehanteerd worden?</al>
      <al>Zij vestigde er de aandacht op dat het voor een contactkantoor binnen
het huidige systeem niet mogelijk is de werkelijke kosten van een persoon
bij verzorging in een verpleegtehuis te kennen. In het verpleegtehuis wordt
voor iedereen de gemiddelde prijs gehanteerd, terwijl niet iedere cliënt
werkelijk hetzelfde kost. Volgens de staatssecretaris zouden de PGB-budgetten
hoger moeten kunnen zijn dan de gemiddelde kosten van een voorziening in natura,
maar de verzekeraars wijzen erop dat alle grenzen wegvallen als er aan de
vraag van een cliënt geen maximum wordt gesteld. De VVD-fractie kon het
met een dergelijke uitspraak van de staatssecretaris niet eens zijn. Volgens
mevrouw Van Blerck zouden de werkelijke kosten van opname in een intramurale
instelling een goed globaal criterium kunnen zijn. Hiervan kon dan eventueel
met een bepaald percentage afgeweken worden, mits dit van te voren goed was
afgesproken. Zij stipte even het artikel aan in de Volkskrant over Blom Hulscher.
Zij was van mening dat de toekenning van dergelijke hoge bedragen aan enkele
mensen ten koste zou gaan van toekenning aan het veel grotere aantal mensen
dat per jaar een veel kleiner bedrag, namelijk ongeveer f 20 000
nodig heeft.</al>
      <al>Bij interruptie werd gevraagd of altijd gekeken zou moet worden naar de
werkelijke kosten bij opname in een instelling, ook als deze moeilijk te bepalen
zijn. Volgens mevrouw Van Blerck zijn de werkelijke kosten bij opname een
goed uitgangspunt. Als een dergelijke berekening in de praktijk echter veel
problemen zou geven, zou zij voor het stellen van een algemeen bedrag willen
kiezen, waarbij dan naar boven afgeweken kan worden volgens een van te voren
afgesproken percentage. Zij was echter van mening dat exorbitant hoge bedragen
niet tot de mogelijkheden moeten behoren. De heer Van der Vlies meent blijkbaar
dat de kleine gebruikers de dupe kunnen worden van de grote gebruikers
als de gelden uit dezelfde pot komen en zou dan ook graag de mogelijkheid
van een verschotting op macroniveau bekijken. Mevrouw Van Blerck vroeg zich
echter af of een dergelijke volgens haar «grote» wijziging tijdens
de evaluatieperiode niet tegen de afspraak is. Zij zou graag van de staatssecretaris
horen of een dergelijke wijziging binnen de huidige mogelijkheden te realiseren
valt.</al>
      <al>Zij wilde ook graag een praktijkvoorbeeld geven. Een aantal gezinnen met
gehandicapte kinderen in Zeeland heeft vanaf de aanvang van het experimentele
budget in 1995 getracht om hiervoor in aanmerking te komen. Hun bedoeling
was om het woongedeelte zelf te verzorgen, maar het zorggedeelte via het PGB
te laten lopen. Mevrouw Van Blerck wilde graag een aantal knelpunten opsommen
waar deze mensen tegen aangelopen waren: de zorgverzekeraars vielen onder
verschillende regio's; de stijging van de CAO-lonen was niet inbegrepen; het
nieuwe budget bleek uitgeput te zijn; er werd in de nieuwe regeling een verhoging
van f 60 000 naar f 65 000 opgenomen, maar hieruit moest
een dagbesteding van f 25 000 betaald worden, waardoor het budget
in feite te laag werd; en het restantbudget '96 mocht niet gebruikt worden
voor continue zorg, terwijl dit bij gehandicapten toch zeer voor de hand ligt.
Verder bleek het bezig zijn met de regeling een fulltime bezigheid voor de
betreffende ouders en vereiste het een grote kennis van zaken op het gebied
van Arbo-omstandigheden, CAO-lonen en regionale zorgaanbieders. Wat heeft
het PGB te bieden aan dit soort mensen die aan uithuisplaatsing toe zijn,
maar geen kans zien om van het nieuwe instrument gebruik te maken en ten slotte
op een wachtlijst voor een internaat gaan staan?</al>
      <al>Mevrouw Van Blerck vestigde tot slot de aandacht op het NEVEP-artikel
dat per 1 januari 1997 van kracht is geworden, waarin is geregeld dat mensen
die in een particuliere instelling verblijven, niet meer in aanmerking komen
voor een PGB. Een aantal mensen dat een PGB had, krijgt er nu dus geen meer.
In verband met de discussie die gevoerd wordt over de scheiding van wonen
en zorg in de toekomst, vroeg zij zich af hoe zij een dergelijke wijziging
moet interpreteren. Een betere mogelijkheid tot experimenteren naar de toekomst
toe, is er volgens haar niet. Overigens kwam het haar voor dat ook deze wijziging
niet in de categorie «kleine» wijzigingen valt. Hoe kijkt de staatssecretaris
hier tegenaan?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De inhoud van de brief van de staatssecretaris van 19 december en de voortgangsrapportage
waren voor mevrouw <nadruk type="vet">Dankers</nadruk> (CDA) aanleiding om in te stemmen met
het voorstel tot stroomlijning van de uitvoering van het PGB. In de praktijk
blijkt te zijn uitgekomen wat tevoren was voorspeld, namelijk dat er een chaos,
bureaucratie en lange wachtlijsten zouden ontstaan. Het gaat er nu om dat
wordt voorkomen dat door de gang van zaken in de praktijk het nieuwe instrument
van het PGB verloren gaat. Ook mevrouw Dankers bracht hulde aan de inzet die
Per Saldo heeft geleverd om het systeem van de grond te tillen, ondanks de
zware aanloopmoeilijkheden van een te late start, onduidelijkheden, vooroordelen
en veel andere rompslomp.</al>
      <al>Zij was van mening dat de criteria waaraan een zorgvuldige uitvoering
van de regelingen PGB moet voldoen, bij de start van het nieuwe systeem ook
al bekend waren. Bij de toekenning van een PGB gaat het om zo'n 80 000
à 100 000 mensen. Zij vond het vanzelfsprekend dat hiervoor een
enorm gespreid netwerk nodig is. Hoe voelt de staatssecretaris zich nu tegenover
de mensen van Per Saldo, die eind 1995 onder druk gezet werden om Per Saldo
op te richten, omdat anders het «momentum» verloren zou gaan?
Wat is de staatssecretaris met Per Saldo van plan? Wordt Per Saldo nu op «zorgvuldige
en correcte» wijze ingesluisd bij de SVB? Of ziet de staatssecretaris
een taak voor Per Saldo op het gebied van belangenbehartiging of ondersteuning? </al>
      <al>Mevrouw Dankers plaatste kanttekeningen bij de overheveling van de uitvoering
van het PGB naar de SVB, omdat een instituut als de SVB nooit zo dicht bij
de cliënten zal staan als Per Saldo, waar het in feite om zelfhulp gaat.
Ook een belangenbehartiging door het CAK zal volgens haar niet hetzelfde resultaat
opleveren. Hoe denkt de staatssecretaris hiermee om te gaan?</al>
      <al>Vervolgens wees mevrouw Dankers erop dat de CDA-fractie eind 1995 gepleit
heeft de invoering van het PGB een jaar uit te stellen, omdat zij vond dat
een goed concept niet werkt als het onvoldoende aangestuurd wordt geïmplementeerd
in de praktijk. Zij was daarom ook huiverig om op dit moment de uitvoering
over te hevelen naar de SVB. Ook zij herinnerde aan de afspraak dat ingrijpende
wijzigingen pas na twee jaar zouden plaatsvinden.</al>
      <al>Is de staatssecretaris van plan om in 1997 al iets te doen met de andere
conclusies uit de voortgangsrapportage? Welke stroomlijning in het beleid
is er op dit moment al tot stand gebracht? En gaat het daarbij alleen om een
stroomlijning of ook om een ombuiging van het beleid?</al>
      <al>Zij sloot zich aan bij de vragen over de NEVEP-regeling. Hoe staat het
met de continuïteit die aan de mensen met een PGB beloofd is? En hoe
moet zij artikel 15 interpreteren als het gaat om ouderenhuisvesting in de
Abbeyfieldformule? Al deze initiatieven zijn erop gericht om ouderen uit hun
isolement te halen. De keuze voor een dergelijke woonvorm wordt voor mensen
wel erg moeilijk, als dit betekent dat ze misschien niet meer voor een PGB
in aanmerking komen.</al>
      <al>Mevrouw Dankers was bang dat de haast die de staatssecretaris aan de dag
legt om de onderuitputting voor 1996 op tafel te krijgen, in individuele gevallen
tot aperte onrechtvaardigheden zou leiden. Zij noemde als voorbeeld de brief
van de heer Spijker. Hoe denkt de staatssecretaris voor dergelijke gevallen
een oplossing te vinden?</al>
      <al>Mevrouw Dankers onderschreef het pleidooi van D66 om meer geld beschikbaar
te stellen voor de intensieve zorgbehoeftigen, niet alleen in het kader van
een PGB maar ook binnen instellingen. Zij wees erop dat een groot aantal instellingen
graag meer zorg zou willen verlenen aan mensen met een intensieve zorgbehoefte.
Ook het CDA is van plan om bij de behandeling van de Voorjaarsnota te pleiten
voor meer geld voor deze groep.</al>
      <al>Zij vroeg tot slot of de staatssecretaris nog eens wil ingaan op de suggesties
van Per Saldo naar de toekomst. Zij dacht hierbij met name aan de derde optie
waarbij de grens op f 20 000 wordt gelegd. Overweegt de staatssecretaris
invoering hiervan in 1997 al te laten plaatsvinden of pas in 1998?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook mevrouw <nadruk type="vet">Vliegenthart</nadruk> (PvdA) wees op de vele problemen bij
de start van de invoering van het PGB, maar ook op de vele enthousiaste reacties
van mensen die een PGB toegewezen hebben gekregen en daadwerkelijk de noodzakelijke
zorg hebben verworven. De versterking van de positie van de cliënt en
de mogelijkheid om zorg op maat te regelen, schept veel tevredenheid.</al>
      <al>Zij sloot zich aan bij de opmerkingen dat alle uitvoeringsproblemen op
de nek van de budgethoudersverenigingen terecht zijn gekomen. Deze problemen
waren te wijten aan een overhaaste invoering van de regeling, het bij de start
ontbreken van een uitvoeringsorganisatie en een verschillende interpretatie
van de regeling door de contactkantoren.</al>
      <al>Ook zij was van mening dat de budgethoudersverenigingen hun uiterste best
gedaan hebben, maar zij vroeg zich tegelijkertijd af of deze verenigingen
naar de toekomst toe de aangewezen instantie voor uitvoering van de regeling
zijn. Uit het gesprek met Per Saldo bleek ook dat de budgethoudersverenigingen
zelf de informatie aan en de ondersteuning en belangenbehartiging van de cliënt
als hun belangrijkste taak zien. </al>
      <al>In dat verband was bij mevrouw Vliegenthart de vraag gerezen of de keuze
om de uitvoering door de SVB te laten verzorgen, een goede is. De SVB zou
in een gesprek met Per Saldo gezegd hebben dat «hij het niet beter gedaan
zou hebben». Waaraan ontleent de staatssecretaris de overtuiging dat
het met de SVB inderdaad beter zal gaan? Wanneer wil zij de overgang laten
plaatsvinden? En hoe wil zij de ondersteuning en de belangenbehartiging van
de cliënt in de toekomst vormgeven?</al>
      <al>Mevrouw Vliegenthart was het eens met de afspraak om tussentijds geen
grote wijzigingen door te voeren. Toch vraagt een aantal zaken op de kortere
termijn volgens haar om een oplossing. Zij wilde om te beginnen ingaan op
de indicatiestelling. Uit het onderzoek is gebleken dat eerst de vraag wordt
gesteld of iemand kiest voor een PGB of plaatsing op een wachtlijst en dat
vervolgens indicatiestelling plaatsvindt, terwijl de omgekeerde volgorde de
bedoeling is. Ook niet duidelijk is in hoeverre de urgentie van de cliënt
een rol speelt. Het blijkt dat de contactkantoren de urgentie wél als
een belangrijk uitgangspunt nemen bij de toekenning van voorzieningen in natura.
Bij de toekenning van een PGB verschilt dit echter per regio. Hoe kan de staatssecretaris
ervoor zorgen dat de beschikbare middelen terechtkomen bij degenen die ze
het hardste nodig hebben?</al>
      <al>Zij had ook gehoord dat met name bij de regeling van de verstandelijk
gehandicapten mensen wel een PGB krijgen toegewezen, maar vervolgens niet
in staat zijn om de noodzakelijke zorg te realiseren, omdat zij bij de reguliere
instellingen zorg willen inkopen. Het budget kan dan niet besteed worden,
maar het kan evenmin door anderen worden gebruikt, waardoor er in het afgelopen
jaar 30 mln. is overgebleven. Wat denkt de staatssecretaris hieraan te doen?</al>
      <al>Mevrouw Vliegenthart wilde graag het praktijkvoorbeeld noemen van de creatieve
ouder die een PGB heeft weten te krijgen voor zijn dochter die in een AWBZ-instelling
zit. Hij heeft vervolgens met dat budget een plek ingekocht in dezelfde instelling,
maar omdat hij toen de eigen bijdrage AWBZ van f 10 000 op jaarbasis
niet meer hoefde te betalen, kon hij vervolgens binnen de instelling meer
zorg voor zijn dochter inkopen. Volgens mevrouw Vliegenthart blijkt uit dit
voorbeeld dat mensen met een complexe zorgvraag niet genoeg hebben aan het
standaardpakket van de instellingen. Hoewel zij de oplossing van deze vader
zeer creatief vond, leverde dit tegenover de andere mensen in de instelling
een vreemde situatie op. Zij wees nogmaals op het uitgangspunt dat het om
kwalitatief gelijkwaardige alternatieven moet gaan. Wat is de reactie van
de staatssecretaris hierop? Zij wees in dit verband op het NEVEP-artikel bij
de verpleging en verzorging, waarbij het niet mogelijk is dat mensen zorg
inkopen in een intramurale instelling. In de regeling voor verstandelijk gehandicapten
is dit wel mogelijk.</al>
      <al>Mevrouw Vliegenthart sneed vervolgens het fundamentele dilemma aan of
er grenzen zijn aan de zorg. De staatssecretaris heeft op Kamervragen geantwoord
dat er bij de vergelijking tussen zorg in natura en PGB gekeken moet worden
naar de werkelijke kosten binnen de instelling en in de thuissituatie. Hierbij
dient dus niet gekeken te worden naar het gemiddelde budget dat in de instellingsfinanciering
een rol speelt. Zij vestigde er de aandacht op dat de instellingen vanwege
het hanteren van de gemiddelde budgetprijs niet in staat zijn om de optimaal
geïndiceerde zorg per individu te bieden. Het leek haar goed dat hier
eens heel zuiver naar gekeken wordt.</al>
      <al>Zij was van mening dat de staatssecretaris een aantal criteria dient te
ontwikkelen in welke situaties van het maximumbedrag kan worden afgeweken.
Dit leek haar ook vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid van cliënten
noodzakelijk. Binnen het beperkte budget dat er is, dient een afweging plaats
te vinden tussen de keuze voor een kwalitatief optimale zorg voor weinig mensen
of voor een regeling waar meer mensen gebruik van kunnen maken, zij het allemaal
met iets minder dan optimaal gewenst. Volgens haar ging het in
feite om «een verdeling van de schaarste». De andere optie is
dat voor iedereen de individueel bepaalde zorg geleverd wordt, ook binnen
de instellingen.</al>
      <al>Zij was het er volledig mee eens dat er een onafhankelijke indicatiestelling
moet komen. Ook de conclusies uit het onderzoek geven de noodzaak aan van
het ontwikkelen van criteria om de behoefte aan een PGB vast te stellen. Niet
alleen organisatorisch maar ook inhoudelijk dient er duidelijkheid te komen
op een aantal punten. Zo staat in de regeling niet omschreven wie de indicatiestelling
pleegt en op grond van welke criteria. Dit gebeurt in alle regio's op een
andere manier, waardoor de financiering van de contactkantoren ook verschilt.
Ook dat leidt tot rechtsongelijkheid tussen mensen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Verkerk</nadruk> (AOV, mede sprekend namens Unie 55+) wees erop
dat zowel het AOV als de Unie 55+ zich al eerder akkoord hebben verklaard
met het principe van het PGB. Ook hij had echter een aantal negatieve aspecten
ontdekt. Hij wees om te beginnen op de bureaucratische drempel, hoewel ook
hij alle waardering had voor het werk van Per Saldo en Naar Keuze. Volgens
hem was een vereenvoudiging van de procedure hoogst noodzakelijk. Hij steunde
het voorstel van de staatssecretaris om de uitvoering van de regeling tot
toekenning van een PGB aan een onafhankelijke instelling toe te vertrouwen,
bijvoorbeeld de SVB. Zo kan automatisch voorlichting worden gegeven aan degenen
die in aanmerking komen voor het PGB. Hij pleitte voor een permanente voorlichtingsbezetting
bij de SVB.</al>
      <al>De heer Verkerk sprak zijn onvrede uit over het totale budget en het budget
per regio. Hij vond het «koppencriterium» per regio niet gespecificeerd
genoeg. Hij opperde de mogelijkheid om als criterium de gegevens te gebruiken
die dienen voor de toekenning van gelden uit het Gemeentefonds. Wat denkt
de staatssecretaris hiervan?</al>
      <al>Hij vestigde er in dit verband de aandacht op dat de regiobudgetten te
snel zijn uitgeput en zorgen voor wachtlijsten. Hij had in een eerder overleg
over het PGB reeds gevraagd wat er gebeurt als het budget van een cliënt
is uitgeput. Hij had begrepen dat deze uitputting naderbij komt. Hij vond
de benadering van «een verdeling van de schaarste» geen goed uitgangspunt.
Hij was van mening dat er in de begroting meer geld moest komen voor het PGB.
Volgens hem was het PGB met alle goede kanten duidelijk uitgedraaid «op
een ordinaire bezuiniging, overgoten met een democratisch sausje». Of
vergiste hij zich?</al>
      <al>De heer Verkerk had ook kritiek op de herindicatieregeling en de daarmee
samenhangende herindicatietermijnen. Het toevertrouwen van de indicatiestelling
aan de gemeenten, los van de zorgkantoren, leek hem een stap in de goede richting,
maar nog liever zag hij een snellere indicatiestelling zonder veel bureaucratische
rompslomp. Hij had bij het overleg over de thuiszorg ook al gewezen op de
wachtlijstproblemen in geval van herindicatie. Volgens het AOV en de Unie
55+ was het een oplossing om gespecialiseerde indicatieartsen aan te stellen,
mogelijk bij de voorziene onafhankelijke landelijke organisatie. Vanuit deze
organisatie zou dan een functionele decentralisatie mogelijk zijn, wat de
indicatiewachtlijsten aanzienlijk zou kunnen inkorten. Hij stelde bovendien
voor om een lijst te publiceren met chronische ziektebeelden, waarbij herindicatie
slechts op termijn en niet ieder halfjaar nodig is. Deze lijst zou dan jaarlijks
moeten worden aangepast aan de laatste stand van de wetenschap. Ook dit kon
volgens hem de wachtlijsten bekorten. Graag zou hij hierop een reactie van
de staatssecretaris ontvangen.</al>
      <al>Hij zei tot slot dat hij zich wat de organisatorische aspecten van het
PGB betreft, kan vinden in een centraal systeem. Hij vroeg zich daarbij wel
af welke rol de zorgkantoren, de indicatiestellers en de gemeenten gaan krijgen
als de SVB een integrale beheerstaak krijgt. Hoe staat het in dat geval met
de toekomst van Per Saldo en Naar Keuze?  </al>
      <tuskop letat="vet">Het antwoord van de staatssecretaris</tuskop>
      <al>De <nadruk type="vet">staatssecretaris</nadruk> sprak haar dank uit dat de Kamer opnieuw
unaniem haar instemming betuigde met het systeem van het PGB en dat de filosofie
die aan het PGB ten grondslag ligt en de autonomie die dit aan de gebruiker
geeft, recht overeind is gebleven. Dit nam echter niet weg dat de invoering
van het PGB tot nu toe een aantal problemen heeft opgeleverd. Zij wilde het
vandaag graag hebben over een aantal regelingen tot verbetering die zij heeft
voorgesteld.</al>
      <al>Allereerst wilde zij echter een enkel woord richten tot de heer Verkerk.
Dat het PGB uiteindelijk van de grond gekomen is, is te danken aan het jarenlange
streven van minister Borst, haarzelf en vele Kamerleden die er rotsvast in
geloofden. De opmerking van de heer Verkerk dat het «een ordinaire bezuinigingsoperatie
is» heeft haar zeer verbaasd. Er is in 1996 voor de PGB-regeling verpleging
en verzorging 85,4 mln. ter beschikking gesteld, waarvan 14,5 mln. afkomstig
uit het kruiswerk. Er zal in 1997 worden doorgegaan met een geleidelijke en
behoedzame uitbreiding van het PGB. Er is dus in de onderliggende filosofie
noch in de intentie of uitwerking sprake van een bezuinigingsoperatie. Zij
vond dan ook dat de heer Verkerk met een dergelijke suggestie tekort doet
aan datgene waar de hele Kamer jaren voor heeft gepleit.</al>
      <al>De staatssecretaris ging vervolgens in op de problemen die zich voordoen
bij de uitvoering van het PGB. Zij wees erop dat na afloop van de experimenten
overgegaan werd op een subsidieregeling, dus duidelijk nog geen wettelijke
aanspraak. De bedoeling van een dergelijke aanpak is om het kasplantje PGB
stevig te laten wortelen. Om die reden is ook afgesproken dat er bij de evaluatiemomenten
geen grote ingrepen zullen plaatsvinden, behalve die welke nodig zijn om tot
verbetering van de uitvoering te komen.</al>
      <al>De staatssecretaris blikte terug op het moment van invoering, waarbij
er door het kabinet een paar zeer harde eisen zijn gesteld. Deze eisen waren
een verplicht lidmaatschap van een budgethoudersvereniging, een forfaitair
bedrag van «slechts» f 2400 op jaarbasis en één
aanspreekpunt voor alle fiscale aspecten. Zij wilde zich ook nu aan de gemaakte
afspraken houden. Het voorstel van Per Saldo om het forfaitaire bedrag tot
f 20 000 op te trekken, ging volgens haar een stap te ver. De finale
evaluatie van de regeling zal plaatsvinden in april 1998. Dan pas zullen er
gefundeerde argumenten en voldoende inzicht zijn om eventueel tot een andere
regeling te komen. Naar aanleiding van een interruptie deelde de staatssecretaris
mee dat zij het rapport van Per Saldo vandaag pas had gekregen. Niettemin
zou zij op een aantal zaken al wel willen ingaan.</al>
      <al>Ook zij sprak haar bewondering uit voor de geweldige inzet van Per Saldo
en Naar Keuze. Zij zei uitdrukkelijk dat er bij het zoeken naar oplossingen
voor de problemen, geen sprake van is geweest dat zij van Per Saldo en Naar
Keuze af wil. Het gaat er zuiver en alleen om de regeling, na de ervaringen
van een jaar, te verbeteren door tot een andere uitvoering te komen. Zij had
reeds enkele gesprekken gevoerd met Per Saldo en Naar keuze, waarbij zij heeft
gevraagd om in een beleidsplan aan te geven hoe zij zich zelf hun positie
in de toekomst voorstellen. Zij dacht dat Per Saldo en Naar Keuze vanuit hun
expertise en ervaringsdeskundigheid een belangrijke taak kunnen vervullen
als warme belangenbehartigingsvereniging. Hierbij zal er overigens geen sprake
meer zijn van een verplicht lidmaatschap, maar van een vrije keuze. Per Saldo
en Naar Keuze kunnen dan als steun- en informatiepunt dienen. Overigens heeft
de FVO laten weten dat zij de publieksvoorlichting en de informatiefunctie
zelf wil doen. Er zouden wat dat betreft dus geen wezenlijke taken meer zijn
voor Naar Keuze.</al>
      <al>In reactie op pleidooien voor financiële ondersteuning van Per Saldo
en Naar Keuze zei de staatssecretaris, er de voorkeur aan te geven, het beleidsplan
van Per Saldo af te wachten. Wel had zij in het overleg met Per
Saldo beloofd ervoor te zullen pleiten dat de deskundigen van Per Saldo een
plaats vinden in de uitvoeringsorganisatie van de SVB. Deze kwestie zal op
een zeer correcte wijze, in samenspraak met Per Saldo worden opgelost.</al>
      <al>De staatssecretaris had zichzelf afgevraagd of door een minder snelle
invoering van het persoonsgebonden budget wellicht minder problemen zouden
zijn ontstaan. Zij was echter tot de conclusie gekomen dat veel van de problemen
die zich in de aanloopperiode voordeden en nog voordoen, ook opgetreden zouden
zijn wanneer er een halfjaar later gestart was met de invoering. Dit had volgens
haar te maken met de «afwachtende instellingsattitude» en het
feit dat er een «cultuuromslag» nodig is van traditioneel aanbodgericht
naar vraaggericht. In het eerste evaluatierapport van het ITS wordt gesproken
over aanloopproblemen. Deze aanloopproblemen zijn voor een deel verholpen,
maar voor de structurele problemen dient een andere oplossing gevonden te
worden.</al>
      <al>Volgens de staatssecretaris was het van belang dat het uitvoeringssysteem
aan vier verschillende aspecten voldoet.</al>
      <al>1. Er moet een publiekgerichte uitvoeringsexpertise zijn met bijbehorende
professionaliteit. Zij wees erop dat die bij het CAK niet te vinden is.</al>
      <al>2. Er moet één centraal, landelijk aanspreekpunt zijn in
verband met de fiscale aspecten.</al>
      <al>3. Er moet een decentraal kantorennetwerk zijn voor de publiekgerichte
dienstverlening. Ook dat is bij het CAK niet te vinden.</al>
      <al>4. Er moet een integratie komen van de beheerstaak en de administratieve
verwerking. Volgens haar was duidelijk onderschat hoe ingewikkeld een dergelijke
taak is.</al>
      <al>Zij had zich om te beginnen afgevraagd of het mogelijk zou zijn om Per
Saldo in het lopende jaar geschikt te maken voor deze taak. Zij was daarbij
tot de conclusie gekomen dat dit veel te duur is en bovendien te lang zou
duren, mede in verband met de toekomstige instroom van 19 000 ex-AAW'ers
in het PGB. Zij had daarom de Ziekenfondsraad gevraagd in overleg te treden
met de SVB om te komen tot een klantvriendelijke maar doelmatige uitvoering
van de regeling, die bovendien qua kosten aantrekkelijk is. Zij onderstreepte
dat de Federatie van ouderverenigingen, de Stichting dienstverleners gehandicapten
en de Gehandicaptenraad met deze oplossing akkoord gaan.</al>
      <al>Zij kwam in dit verband terug op de opmerking van de SVB dat «hij
het niet beter zou hebben gedaan dan Per Saldo». Zij had de SVB gevraagd
om hierop commentaar te leveren. De SVB had daarop de volgende fax gezonden:
«Wij wijzen erop dat het hier gestelde niet berust op een geautoriseerd
verslag en een onjuiste weergave is van wat in een informeel kennismakingsgesprek
aan de orde is geweest». In antwoord op een opmerking van mevrouw Dankers
over de angst die het «formele gedoe» van de SVB haar bezorgt,
zei de staatssecretaris dat zij om dit commentaar gevraagd heeft, omdat zij
de uitspraak als een negatieve annotatie bij de door haar aangedragen oplossing
heeft ervaren.</al>
      <al>Zij wilde zich vervolgens concentreren op de mogelijkheden van een verbeterde
uitvoering via de door haar aangedragen oplossing. Zij had een zekere angst
bespeurd dat uitvoering door de SVB tot meer bureaucratie zou leiden. Zij
was het ermee eens dat hiervoor gewaakt moest worden. Er wordt daarom samen
met de ZFR en de SVB een stappenplan opgesteld om de uitvoering zo eenvoudig
mogelijk te maken. Er wordt naar gestreefd de invoering te laten plaatsvinden
per 1 september, waarbij de budgethouders uitdrukkelijk geen enkele last mogen
ondervinden van het overdragen van taken. De KPMV evenals Per Saldo en Naar
Keuze hebben beloofd loyaal mee te werken aan de overdracht van de taken.</al>
      <al>De staatssecretaris wilde ook de zorg wegnemen dat de SVB een standaardpakket
zou gaan aanbieden. De kern van het PGB is nu juist dat het altijd gaat om
zorg op maat. Er wordt gezocht naar een systematiek die zo mogelijk
nog eenvoudiger en nog klantvriendelijker is en die zorg op maat blijft geven.</al>
      <al>De staatssecretaris ging vervolgens in op de klacht dat er door de contactkantoren
niet eenduidig wordt geïnterpreteerd, wat tot rechtsongelijkheid aanleiding
geeft. Zij wees erop dat de regiegroep al geruime tijd aan het werk is. Een
van de opdrachten aan de regiegroep is geweest om te kijken welke instrumenten
er, in afwachting van de invoering van het indicatiesysteem per 1 januari
1998, kunnen worden ingezet om een zo uniform mogelijke interpretatie van
de regelgeving te krijgen. De Ziekenfondsraad heeft hiervoor twee handleidingen
ontwikkeld. Deze schetsen de wijze waarop de aanvraag, de indicatiestelling
en de budgettoewijzing in zijn werk moet gaan. Er wordt getracht bij de indicatiestelling
te komen tot zo uniform mogelijke beoordelingen en criteria. De staatssecretaris
wees erop dat het uiteindelijke doel een geprotocolleerde, objectieve, onafhankelijke,
integrale indicatiestelling is.</al>
      <al>Zij sneed in dit verband nog even de bestuurlijke verantwoordelijkheid
en de regie van gemeenten aan. Zij was hier een voorstander van. Dit was in
lijn met wat er in een bredere context bij de indicatiestelling aan de orde
is.</al>
      <al>Zij stond vervolgens stil bij de vraag hoe er tot meer flexibiliteit bij
de indicatietermijn gekomen kan worden en bij de suggestie om een lijst te
publiceren met chronische ziektebeelden, waarbij herindicatie niet steeds
nodig zou zijn. Zij vestigde er de aandacht op dat de indicatiestelling voor
verstandelijk gehandicapten vanuit de opgedane ervaringen reeds verlengd is
van één jaar naar vijf jaar, omdat deze in de zin van indeling
in een categorie van een verstandelijke handicap stabiliteit vertoont. Zij
voegde hieraan toe dat herindicatie indien noodzakelijk altijd eerder mogelijk
is.</al>
      <al>Bij de regeling PGB verzorging en verpleging blijken er zeer veel fluctuaties
en veranderingen in zorgbehoefte te zijn, waardoor men bijna niet ontkomt
aan een herindicatie per halfjaar. Zij plaatste hierbij echter twee kanttekeningen.
Wanneer bij de verdergaande evaluatie zou blijken dat hier een aanpassing
nodig is, zal zij niet aarzelen deze door te voeren. Verder had zij de contactkantoren
erop gewezen dat de herindicatie zonder nodeloze omhaal en met een continuïteit
van het PGB gestalte moet krijgen. In de praktijk betekent dit dat er een
maand voordat het PGB afloopt, wordt gekeken of er veranderingen zijn opgetreden.
Aan het adres van mevrouw Vliegenthart, die meende dat bij een stabiele zorgbehoefte
van lichamelijk gehandicapten een meerjarige indicatiestelling mogelijk is,
antwoordde de staatssecretaris dat dergelijke indicatiestellingen administratief
worden afgedaan. De regiegroep heeft ook als taak om naar dit soort zaken
te kijken. Wat de publicatie van een lijst met chronische ziekten betreft,
was zij van mening dat ook veel chronische ziekten een oplopende zorgbehoefte
laten zien wat de noodzaak van herindicatie meebrengt.</al>
      <al>Zij ging vervolgens in op de vraag in hoeverre de urgentie van een cliënt
ook bij de indicatiestelling voor een PGB een rol speelt. Deze urgentie speelt
wél een rol bij het afwerken van de wachtlijst voor plaatsing in een
instelling. Zij wees erop dat de aanvankelijke regeling: Wie het eerst komt,
het eerst maalt, op vele bezwaren is gestuit. Zij had vervolgens aan de Ziekenfondsraad
een brief geschreven dat contactkantoren de urgentie zouden moeten kúnnen
laten meewegen. Op het moment dat zij het geld voor de aanpak van de wachtlijsten
aan het PGB toevoegde, had zij aan de ZFR gevraagd om dit geld te oormerken
en over het land te verdelen, met name in die regio's waar de urgentie het
grootst is. Volgens de ZFR was dit juridisch echter niet mogelijk, zolang
er geen geprotocolleerde, objectieve, integrale, onafhankelijke indicatiestelling
is. Wel kon het contactkantoor zelf naar die urgentie kijken. De staatssecretaris had vervolgens aan de regiegroep gevraagd, te bekijken hoe men
qua rechtspositie in het gehele land tot een gelijke interpretatie kan komen.</al>
      <al>Ook zij vond het ongewenst dat het PGB dat aan iemand is toegekend, die
daarvoor vervolgens geen zorg kan inkopen, voor deze persoon beschikbaar blijft,
waardoor een ander op toekenning van een PGB moet wachten. Binnen de regiegroep
is afgesproken dat het budget, wanneer dit na een bepaalde tijd niet is opgevraagd,
moet terugvloeien. De staatssecretaris zegde toe om voor de volgende evaluatie
een notitie aan de Kamer te doen toekomen over het punt van de urgentie.</al>
      <al>De staatssecretaris sneed vervolgens het moeilijke punt aan van het eventueel
stellen van een maximum aan het PGB. Ook zij vond dat hier sprake is van een
fundamenteel dilemma. Aan de ene kant is men behoedzaam gestart met een zeer
krap macrobudget, terwijl er anderzijds een run is ontstaan op het PGB, zodat
het in feite toch neerkomt op «een verdelen van de schaarste».
Alle betrokkenen worstelen hiermee en proberen op een integere wijze een balans
te vinden. Haar brief aan de ZFR had dan ook slechts de bedoeling om erop
te wijzen dat er maar één interpretatie van de huidige regeling
mogelijk is. Die interpretatie hield overigens niet in: «Wij doen verder
maar wat de klant wil». Het PGB wordt alleen toegekend op grond van
indicatiestelling en deze zal vanaf volgend jaar geprotocolleerd, dus onafhankelijk
en objectief zijn. De staatssecretaris zou dit jaar graag willen gebruiken
om uit te zoeken of het dilemma inderdaad zo groot is als het zich nu laat
aanzien. Zij gaf vervolgens de toekenningspercentages van het PGB in het afgelopen
jaar. Bij de PGB-regeling verpleging en verzorging blijkt dat 25% van de mensen
minder dan f 11 per dag krijgt, terwijl 50% minder dan f 21 per
dag krijgt en 25% minder dan f 66 per dag. In feite kunnen dus de zeer
dure en de zeer goedkope budgetten tegen elkaar worden weggestreept. Bij de
dure budgetten gaat het dan om extreme gevallen die slechts zelden voorkomen.</al>
      <al>Bij de PGB voor verstandelijk gehandicapten is een categorie-indeling,
waarbij er een meldingsplicht is naar de ZFR, wanneer men boven de duurste
categorie uitstijgt. In het afgelopen jaar waren de meldingen van het overstijgen
van de duurste categorie voor kinderen en volwassenen samen op de vingers
van één hand te tellen.</al>
      <al>Bij de zorg in natura, de intramurale zorg wordt ervan uitgegaan dat er
in een verpleeghuis dure en goedkope cliënten zijn. Van hieruit wordt
gekomen tot een gemiddelde zorgprijs. Een instelling draait dus op de gemiddelde
zorgprijs, hoewel de opvatting langzamerhand veld wint dat er voor de extreem
dure patiënten gedifferentieerde tarieven zouden moeten zijn. Het was
ook haar bedoeling om hiernaartoe te werken, enerzijds omdat de instelling
dan geen reden meer heeft om bepaalde mensen niet op te nemen vanwege financiële
aspecten, terwijl anderzijds de mensen die de zorg het hardst nodig hebben,
deze ook krijgen.</al>
      <al>De staatssecretaris zette uiteen dat een PGB individueel is bepaald. Een
goedkope verpleeghuisgeïndiceerde cliënt die kiest voor een PGB
krijgt níét de gemiddelde zorgprijs maar het bedrag dat bij
zijn individuele zorgbehoefte past. Dit zou dus ook moeten gelden voor de
dure verpleeghuisgeïndiceerde cliënten. Zij vond overigens ook dat
de volgorde verkeerd is. Er zou eerst een indicatiestelling moeten zijn en
daarna zou pas een keuze gemaakt moeten worden voor een PGB of zorg in natura.</al>
      <al>De staatssecretaris wees erop dat het macrobudget sluitend moet zijn.
Als in het lopende jaar zou blijken dat het mogelijk is om de extreme gevallen
toch te bedienen, dan is daarmee een situatie geschapen die het meeste recht
doet aan het principe van het PGB. Zij zag het dilemma zeer goed. Zij vroeg
zich af of het verstandig is om ten gunste van een paar extreme gevallen een
groot aantal mensen uit een goedkope categorie uit te sluiten van het PGB.
Zij was er voorstander van om voorlopig de situatie zoals zij deze aan de
ZFR heeft geschreven, te handhaven. Zij was ook niet voor een
apart fonds. Ook daar zou gelden «op is op», terwijl dit verder
leidt tot meer bureaucratie en zij het geld voor de zorg wil gebruiken. Zij
zou eerst willen kijken of er werkendeweg geen bruikbare criteria ontwikkeld
kunnen worden voor de contactkantoren. Zij had het voornemen om aan de ZFR
en Zorgverzekeraars Nederland voor te stellen, alle budgetten die het budget
van een gemiddelde zorgprijs 2,5 keer overstijgen, aan te melden bij de regiegroep.
Deze zou dan een zwaarwegend advies moeten geven over de wijze waarop men
hiermee om moet gaan. Zij stelde daarbij uitdrukkelijk dat het ook hier maatwerk
moet blijven. Zij ging hierbij in op de vraag of «onverantwoord»
alleen op de financiële of ook op de sociaal-ethische aspecten betrekking
heeft. Volgens haar ontkwam je niet aan de ethische afweging. Het moet maatwerk
blijven, maar er moet wel een gelijke rechtspositie en een gelijke interpretatie
zijn. Zij worstelde ook zelf nog met de oplossing van dit probleem.</al>
      <al>In antwoord op interrupties van diverse zijden over het beschikbare budget
in relatie tot een rechtvaardige verdeling betoogde de staatssecretaris antwoordde
dat het bedrag beschikbaar voor het PGB verzorging en verpleging in 1997 naar
180 mln. is gegaan, ook omdat de 19 000 ex-AAW'ers hierbij zullen komen.
In 1996 was het beschikbare bedrag 85 mln. Voor de verstandelijk gehandicapten
is het bedrag van 42,5 mln. naar 65,5 mln. gegaan. Zij wees erop dat deze
bedragen vastliggen, tenzij er extra middelen vrijkomen uit bijvoorbeeld de
herschikking van de gelden die bedoeld zijn om de wachtlijsten aan te pakken.
Over de bedragen voor 1998 zal pas bij de behandeling van de begroting worden
gesproken.</al>
      <al>Zij vond ook dat eerlijkheid nodig was op het moment dat er een zorgvraag
komt die noch in de intramurale instelling noch via het PGB gehonoreerd kan
worden. Uit de ervaring tot nu toe opgedaan lijkt een dergelijke situatie
zeer extreem te zijn en bovendien beperkt te worden door het feit dat «op»
«op» is. De staatssecretaris dacht vooralsnog een juiste maat
te hebben gevonden door de extreme gevallen aan de regiegroep voor te leggen.</al>
      <al>De staatssecretaris wilde de Kamer te zijner tijd graag een brief sturen
met haar visie op dit probleem. Zij zou dit dan graag koppelen aan een extra
evaluatie na juni, waarbij inzicht verkregen zal worden in de groepen die
van het PGB gebruikmaken en voor welke doelen. Er kan dan vervolgens een goed
geformuleerde vraag aan de regiegroep worden voorgelegd. Overigens is het
advies van de regiegroep wel zwaarwegend maar niet bindend. De verantwoordelijkheid
voor de besluiten ligt uiteindelijk bij het contactkantoor. Dat is nu eenmaal
de systematiek van de subsidieregeling.</al>
      <al>De staatssecretaris ging tot slot in op artikel 15, het zogenaamde NEVEP-artikel.
Zij wees erop dat uitsluiting niet alleen voor het NEVEP geldt maar voor alle
instellingen die duurzaam verblijf en verzorging leveren en een collectieve
aanvraag doen voor een PGB voor een aantal van hun mensen. In 1996 werd minstens
de helft van de NEVEP-budgetten ten onrechte toegekend, voordat artikel 15
gewijzigd was. In de vigerende wetgeving van 1996 was de Wet op de bejaardenoorden
nog van kracht, waarbij gesteld werd dat er bij eenieder die onderdak en verzorging
voor vier of meer personen van 65 jaar of ouder levert, sprake is van een
bejaardenoord. Er zijn toegelaten en niet-toegelaten bejaardenoorden, maar
daarin wordt geen onderscheid gemaakt. In de oude regeling van het PGB werd
gezegd dat aan bejaardenoorden geen PGB kan worden geleverd.</al>
      <al>De staatssecretaris gaf vervolgens aan hoe zij tegen de uitsluiting aankijkt.
In eerste instantie is de Ziekenfondsraad verantwoordelijk voor de uitleg
en de uitvoering van de PGB-regelingen. Ook om die reden wilde zij zich tot
een algemene beschouwing beperken. In de bewuste regeling van artikel 15 worden
alle bewoners van instellingen waar duurzaam verblijf en verzorging wordt
verschaft, van een PGB uitgesloten. </al>
      <al>Het maken van onderscheid in het algemeen en dus ook uitsluiting van bewoners
van instellingen van een PGB, vraagt om een rechtvaardiging. Er zijn twee
categorieën instellingen te onderscheiden, de collectief gefinancierde
en de niet-collectief gefinancierde. De eerste categorie speelt hier geen
rol; het is duidelijk dat uitsluiting daar zonder meer gerechtvaardigd is,
omdat reeds collectief gefinancierde zorg wordt verschaft. Voor de andere
categorie, namelijk de niet-collectief gefinancierde ligt het anders. Het
doel van de PGB-regeling is dat zorgvragers de beslissingsvrijheid krijgen
over de wijze waarop zij invulling willen geven aan de benodigde zorg. Tegen
die achtergrond bezien ligt het voor de hand, geen PGB toe te kennen indien
de vrijheid wordt aangetast doordat niet door de aanvrager kan worden bepaald
waar de zorg wordt ingekocht. Dat is namelijk aan de orde wanneer betrokkene
ten gevolge van zijn verblijf in een instelling gedwongen is de zorg in te
kopen bij of via de exploitant van die instelling.</al>
      <al>Verder is het van belang dat financiering van plaatsen in een niet-collectief
gefinancierde instelling door middel van een PGB de uitholling betekent van
het wettelijk stelsel dat de financiering van verpleeginstellingen regelt.
Dit is een zwaarwegend bestuurlijk argument. Daartoe is het PGB vanzelfsprekend
niet in het leven geroepen. Met andere woorden, geen indirecte financiering
van een niet-toegelaten instelling, want dat zou de zaak in feite op zijn
kop zetten. Aan het adres van mevrouw Vliegenthart, die er nogmaals op wees
op dat de regeling voor verstandelijk gehandicapten een soortgelijk artikel
als artikel 15 in de regeling verpleging en verzorging niet kent, zei de staatssecretaris
dat er bij het vaststellen van het PGB voor verstandelijk gehandicapten al
rekening is gehouden met het feit dat het een individuele zorgtoekenning is.
Hierbij is geen sprake van de kapitaallasten die er zijn bij een verzorgingstarief
of van het honoreren van de overhead, maar van de veronderstelling dat men
in feite iets inkoopt alleen op basis van de zorginhoudelijke kant. De eigen
bijdrage wordt anderzijds wel buiten beschouwing gelaten. Dit is ook haar
antwoord aan al diegenen die schrijven dat hun categorale zorgbudget onvoldoende
is om zich het equivalent in te kopen voor een plaats in een reguliere instelling.
Zij verwees naar het voorbeeld van de vader die meer zorg inkocht voor zijn
dochter, terwijl de andere cliënten in de instelling deze zorg niet kregen
omdat er nog geen gedifferentieerde instellingstarieven zijn. Volgens haar
was het PGB hier niet voor bedoeld. Zij was van plan om deze ongelijke situatie
aan de Regiegroep voor te leggen.</al>
      <al>Zij had op dit gebied overigens al een maatregel genomen. Het was haar
gebleken dat sommige instellingen een reguliere plaats verkopen aan iemand
met een PGB. Hoewel zij de creativiteit kon waarderen, vond zij dit niet aanvaardbaar.
Zij had het COTG dan ook gevraagd om alle instellingen aan te schrijven met
de mededeling dat zij hiervan opgave moeten doen, opdat die plaats in de nacalculatie
verrekend kan worden. Hier zal streng de hand aan worden gehouden.</al>
      <al>Zij kwam vervolgens te spreken over het «Zeeuwse» model. De
vraag is gesteld of het geen goed idee is om verschillende cliënten met
een PGB met scheiden van wonen en zorg bij elkaar te zetten en daarmee een
niet-toegelaten instelling te maken. De staatssecretaris was hierop tegen
omdat hiermee afbreuk wordt gedaan aan het individuele zorgplan en de individuele
invulling van de verzorging. Als iemand met een PGB samen met anderen onder
één dak gaat wonen, is er niets aan de hand. Wanneer iemand
vanuit zijn individuele PGB vervolgens voor die uren die hij nodig heeft,
zorg inkoopt en dus een individueel contract heeft met de zorgleveraar, is
er ook niets aan de hand. Het probleem ontstaat zodra er een collectief van
wordt gemaakt, omdat je daarmee de individuele PGB ondergraaft. Als je met
vier of vijf cliënten een collectief opzet en een van de mensen wil eruit,
dan is het collectief in zijn geheel niet meer overeind te houden en zal de
rekening aan de overheid gepresenteerd worden. Als je individueel
inkoopt en de zorg organiseert, dan is het niet erg als iemand met een PGB
zich terugtrekt, want de anderen zijn ook individueel ingehuurd qua zorgverlening.
Het systeem blijft dan staande. De nadruk van het PGB moet dus altijd liggen
op individuele zorg met individuele zorgcontracten. De staatssecretaris benadrukte
dat het niet haar bedoeling is om het de mensen moeilijk te maken. Zij wilde
alleen niet de weg opgaan dat iets dat collectief werd opgezet, vervolgens
ook in rechte kan worden afgedwongen. Een PGB is altijd individueel bepaald
op grond van de indicatiestelling. Als je het individueel bepaald onder één
dak wilt onderbrengen, is daar niets op tegen, maar het moet met een individueel
zorgcontract gebeuren en individueel te herleiden zijn op de persoon zelf.
Vliegenthart vroeg zich af of een collectief afgesloten overeenkomst niet
aanzienlijk goedkoper zou zijn dan een individueel afgesloten overeenkomst.
De staatssecretaris betwijfelde of een collectief gesloten overeenkomstig
goedkoper zou zijn dan een individuele overeenkomst. Zij was van mening dat
een collectieve aanpak in feite de hele collectief gefinancierde planmatige
opstelling ondergraaft en een onbedoeld gebruik van het PGB in de hand werkt.
Zij beloofde dat zij deze zaak nog eens duidelijk op schrift zal zetten, waarbij
zij nogmaals stelde dat de aanwending van het PGB iedere keer tot het individu
terug te voeren moet zijn.</al>
      <al>De staatssecretaris memoreerde dat de zaak-Spijkers inmiddels is opgelost.
Het probleem had te maken met verschillende interpretaties over het meenemen
van het budget van 1996 naar 1997. Er is in de regiegroep afgesproken dat
die frictie wordt opgelost zonder dat de budgethouders hiermee worden bezwaard.
De klacht van de heer Spijkers en vele anderen heeft dus geen grond meer.</al>
      <al>De staatssecretaris nam aan dat de opmerking dat sommige contactkantoren
niet weten wat hun regio is, op een misverstand berust. De regio's van de
contactkantoren zijn vastgelegd door de ZFR.</al>
      <al>Zij wees erop dat de onderuitputting over het jaar 1996 te maken heeft
met het feit dat er pas halverwege het jaar budgettoekenning heeft plaatsgevonden.
In de regeling 1997 is de stelregel opgenomen dat met de besteding van het
PGB moet worden begonnen uiterlijk acht maanden na de toekenning, omdat anders
het geld terugvloeit. Hierdoor wordt vasthouden vermeden en hoeven andere
urgenties niet te wachten.</al>
      <al>De staatssecretaris ging kort in op de vraag of het in strijd is met de
Europese regelgeving om met de SVB in zee gaan. Juridische verificatie had
opgeleverd dat er bij overgang naar de SVB geen Europese aanbesteding nodig
is, mits de SVB in de regeling van de ZFR wordt genoemd, hetgeen dus zal gebeuren.</al>
      <al>Zij wees er ook nog op dat er inmiddels een regeling besproken is voor
verhuizing over de regiogrenzen. Toekenning dient plaats te vinden in de eigen
regio. Bij verhuizing moeten de twee contactkantoren onderling een regeling
treffen waarbij het budget kan worden meegenomen. Op het moment dat het budget
expireert, moet het oorspronkelijke bedrag dat is overgeheveld, terug worden
gebracht.</al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
        <naam>Van Nieuwenhoven</naam>
        <functie>De griffier van de commissie,</functie>
        <naam>Van der Windt </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling:  Leden: Lansink (CDA), Schutte (GPV), Van Nieuwenhoven
(PvdA), voorzitter, Van der Heijden (CDA), ondervoorzitter, Van Heemskerck
Pillis-Duvekot (VVD), M. M. H. Kamp (VVD), Doelman-Pel (CDA), Swildens-Rozendaal
(PvdA), Vliegenthart (PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Versnel-Schmitz (D66),
Middel (PvdA), Leerkes (Unie 55+), Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels), Fermina
(D66), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Dankers (CDA), Marijnissen (SP),
Essers (VVD), Oudkerk (PvdA), Cherribi (VVD), Sterk (PvdA), Van Boxtel (D66),
Van Vliet (D66) en Van Blerck-Woerdman (VVD).</al>
    <al>Plv. leden: Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Van der Vlies
(SGP), Lilipaly (PvdA), Th. A. M. Meijer (CDA), Rijpstra (VVD), Voûte-Droste
(VVD), Smits (CDA), Dijksman (PvdA), Houda (PvdA), Beinema (CDA), Van den
Bos (D66), Rouvoet (RPF), R. A. Meijer (groep-Nijpels), Van Waning (D66),
Sipkes (GroenLinks), De Jong (CDA), Passtoors (VVD), Apostolou (PvdA), J.
M. de Vries (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Bremmer (CDA), Bakker (D66) en
Hoogervorst (VVD).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>