Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 1996-1997
Kamerstuk 25000-X nr. 2

Gepubliceerd op 30 september 1996
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



25 000 X
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 1997

nr. 2
MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

  Blz.
   
INLEIDING3
   
HOOFDSTUK 1: INTERNATIONALE ASPECTEN VAN HET DEFENSIEBELEID5
1.1Internationale veiligheidssituatie5
1.2Internationale samenwerking6
1.2.1Algemeen6
1.2.2Aanpassing Navo6
1.2.3De West-Europese Unie7
1.3Het Partnerschap voor de Vrede8
1.4Nederlandse bijdragen aan vredesoperaties9
1.4.1Het conflict in het voormalige Joegoslavië10
1.4.2Andere vredesoperaties11
1.4.3Evaluatie Vredesoperaties13
1.5Humanitaire hulpverlening16
1.6Wapenbeheersing16
1.6.1CSE-verdrag16
1.6.2Landmijnen17
1.6.3Chemische wapens17
1.7Proliferatie van massavernietigingswapens18
   
HOOFDSTUK 2: DE KRIJGSMACHT19
2.1Algemeen19
2.2De Koninklijke marine19
2.2.1Algemeen19
2.2.2Voortgang herstructurering19
2.2.3Materieelprojecten20
2.3De Koninklijke landmacht21
2.3.1Algemeen21
2.3.2Voortgang herstructurering22
2.3.3Duits-Nederlandse legerkorps23
2.3.4Materieelprojecten23
2.4De Koninklijke luchtmacht24
2.4.1Algemeen24
2.4.2Voortgang herstructurering24
2.4.3Materieelprojecten25
2.5De Koninklijke marechaussee26
2.5.1Algemeen26
2.5.2Voortgang herstructurering27
2.5.3Projecten27
2.6De Nederlandse Antillen en Aruba27
   
HOOFDSTUK 3: HET PERSONEELSBELEID29
3.1Inleiding29
3.2De maatschappelijke positie van de militair29
3.3Herstructurering31
3.3.1Nieuwe personeelsformatie31
3.3.2Personeelsvoorziening31
3.4Personeelsvermindering31
3.4.1Reductiebeleid31
3.4.2Overzicht van de personeelsreducties32
3.5Arbeidsvoorwaarden34
3.5.1Arbeidsvoorwaarden algemeen34
3.5.2Reservistenbeleid35
3.6Beleid voor postactieven35
3.6.1Pensioenen en sociale zekerheid35
3.6.2Nazorg bij uitzending en veteranenbeleid36
   
HOOFDSTUK 4: HET MATERIEELBELEID38
4.1Inleiding38
4.2Logistiek beleid38
4.3Internationale materieelbetrekkingen39
4.4Defensie-industrie39
4.5Afstoting40
4.6Wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling40
   
HOOFDSTUK 5: DE DOELMATIGHEIDSOPERATIE42
5.1Algemeen42
5.2Het Dico42
5.3Opleidingen43
5.4Het Geneeskundig facilitair bedrijf43
5.5Informatietechnologie/telematica43
5.6Onderhoud en logistiek44
5.7Centrale organisatie/Haagse staven44
5.8Defensie bewakings- en beveiligingsorganisatie45
5.9Geestelijke verzorging45
5.10Overig45
   
HOOFDSTUK 6: RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEU47
6.1Ruimtelijke ordening47
6.2Milieu47
6.3Zonering47
   
HOOFDSTUK 7: FINANCIËN49
7.1Financieel kader49
7.2Overzicht reële ontwikkeling defensiebudget49
7.3Verdeling over de bestedingscategorieën 1995–199750
7.4Financiële aspecten afstoting defensiegoederen51
7.5Valutamanagement52
7.6Kengetallen53
7.7Vredesoperaties54
7.7.1Financiering vredesoperaties54
7.7.2Claims bij de VN54
7.7.3Hervorming VN-vergoedingssysteem55
7.8Tweede geldstroom55
7.9Financieel beheer55
7.9.1Verbeterd economisch beheer55
7.9.2Financiële informatiesystemen56
7.9.3Administratieve organisatie en interne controle57
7.9.4Financiële verantwoording 199557
7.10Budgetteringsafspraak 199757
7.11Beleidsevaluaties en doelmatigheidsonderzoeken57
7.12Archivering58
   
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING59
 Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen)59
 Wetsartikel 2 (ontvangsten)302
 Wetsartikel 3 (Agentschappen)344
   
Bijlagen 1 t/m 141

INLEIDING

Het einde van de Europese deling en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie werden destijds begroet als ontwikkelingen vol beloften. Sommige beloften zijn ingelost, andere nog niet. Paradoxaal genoeg betekende het einde van de Koude Oorlog het einde van de vrede in Europa, hoe gespannen deze vrede de afgelopen decennia ook was. Inmiddels zijn de vijandelijkheden in het voormalige Joegoslavië gestaakt. Ifor levert een belangrijke bijdrage aan het vredesproces in Bosnië-Herzegovina. Untaes ziet toe op de vreedzame herintegratie van Oost-Slavonië in Kroatië. De militaire afspraken van het Dayton-akkoord worden in het algemeen goed nageleefd; de uitvoering van de civiele aspecten daarentegen geeft reden tot bezorgdheid. Nederland levert een aanzienlijke bijdrage aan onder meer Ifor. In het najaar van 1996 zal worden bezien of het vredesproces in het voormalige Joegoslavië na afloop van het Ifor-mandaat verder met internationale militaire middelen moet worden ondersteund. Voorkomen moet worden dat de bereikte vooruitgang teniet wordt gedaan.

De herstructurering van de krijgsmacht verloopt volgens plan. De organisatorische aanpassingen zijn in volle gang. Ook de modernisering van het materieel, een essentieel onderdeel van de Prioriteitennota, krijgt volop gestalte. Zo zal de luchttransportvloot eind 1996 operationeel zijn. De eerste helikopters voor de Luchtmobiele brigade zijn in gebruik genomen. De wervingsresultaten in de eerste helft van 1996 zijn bevredigend. Samen met het voorspoedige verloop van de herstructurering was dit aanleiding een generaal pardon af te kondigen voor de dienstplichtige militairen per eind augustus 1996. Vanaf die datum tot 1 januari 1997 zal nog een klein aantal dienstplichtigen, op basis van een beroepscontract, vrijwillig deel uitmaken van de krijgsmacht. Daarna is de beroepskrijgsmacht een feit.

De doelmatigheidsoperatie leidt tot grote veranderingen binnen de defensie-organisatie. Met de oprichting van het Defensie interservice commando (Dico) voor ondersteunende diensten en bedrijven krijgt de samenwerking tussen de krijgsmachtdelen een eigen gezicht. De Defensie-organisatie voor werving en selectie, de Defensie verkeers- en vervoersorganisatie en het Geneeskundig facilitair bedrijf, die alle deel uitmaken van het Dico, zijn enkele in het oog springende nieuwe, «paarse» bedrijven, waarbinnen de scheidslijnen tussen de krijgsmachtdelen voor een belangrijk deel zijn weggevallen. Het Dico (inclusief de agentschappen DGW&T en DCC) omvat ongeveer 4 900 medewerkers.

De keerzijde van de herstructurering en de verkleining is het verlies van arbeidsplaatsen. Tot nu toe slaagt Defensie erin vrijwel alle overtollige medewerkers aan een andere baan te helpen binnen of buiten de defensie-organisatie. Omdat de personele effecten van de Defensienota, de Prioriteitennota en de doelmatigheidsoperatie in de jaren 1997 en 1998 samenkomen, zullen de herplaatsingsinspanningen worden geïntensiveerd.

De veranderde taken van de krijgsmacht, de overgang naar een vrijwilligerskrijgsmacht en de discussie in de samenleving over normen en waarden zijn aanleiding om de eisen en regels die voor de militair moeten gelden tegen het licht te houden. Het rapport van de Maatschappelijke Raad voor de Krijgsmacht over de «vermaatschappelijking en normstelling in een veranderde krijgsmacht» is hiervoor een concreet aangrijpingspunt. De aanzet tot een algemene gedragscode die is beschreven in paragraaf 3.2, is een omslag in het denken over de maatschappelijke positie van de militair. Het komende jaar zal de aandacht uitgaan naar de uitwerking in concrete gedragsregels voor de krijgsmachtdelen.

In hoofdstuk 1 wordt ingegaan op de evaluatie van vredesoperaties. De jaarlijkse rapportage over de herstructurering is, overeenkomstig de motie-Van Vlijmen/Koffeman (Kamerstukken II 1992/93, 22 975 X, nr. 21), opgenomen in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 5 bevat de halfjaarlijkse rapportage over de doelmatigheidsoperatie; omdat over een aantal belangrijke projecten in de tweede helft van 1996 besluiten worden genomen, zal het parlement vóór de behandeling van de defensiebegroting-1997 een aanvulling ontvangen. In hoofdstuk 7 is uiteengezet hoe Defensie een bijdrage levert van f 62 miljoen aan de oplossing van de algemene budgettaire problematiek van het rijk. Dit gebeurt onder meer door versobering en herfasering van bouwprogramma's en herfasering van investeringsprogramma's.

Dit najaar zal worden begonnen met de actualisering van de Prioriteitennota, waarvan de resultaten zullen worden opgenomen in de memorie van toelichting bij de begroting voor het jaar 1998. Een ingrijpende aanpassing van de structuur en de omvang van de krijgsmacht is hierbij niet aan de orde. Het gaat in de eerste plaats om een evaluatie van de ervaringen die zijn opgedaan met vijf jaar herstructurering en de in die jaren uitgevoerde crisisbeheersingsoperaties. Bezien zal worden of aanvullende maatregelen moeten worden getroffen voor ontstane knelpunten. Zoals het parlement reeds is bericht in de brief van 19 juni 1996 (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 119), is in deze begroting al een eerste kleine stap naar actualisering genomen door de geniecapaciteit voor vredesoperaties en de mijnenruimcapaciteit voor humanitaire doeleinden uit te breiden.

HOOFDSTUK 1: INTERNATIONALE ASPECTEN VAN HET DEFENSIEBELEID

1.1 Internationale veiligheidssituatie

Om opgewassen te zijn tegen de politieke en militaire uitdagingen van na de Koude Oorlog, zijn verschillende internationale organisaties al langere tijd bezig zich aan de gewijzigde omstandigheden aan te passen. Binnen verschillende institutionele kaders zullen ook de komende periode belangrijke beslissingen worden genomen. Dit is vaak een ingewikkeld en langdurig proces. Niettemin worden gaandeweg de contouren van de veiligheidsstructuren van de eenentwintigste eeuw zichtbaar.

De Navo heeft tijdens de ministeriële bijeenkomst van de Noord-Atlantische Raad van juni 1996 het concept van de «Combined Joint Task Force» (CJTF) goedgekeurd. Dit betekent dat de slagvaardigheid van het bondgenootschap wordt vergroot, vooral voor operaties buiten het verdragsgebied. Voor dergelijke operaties, die buiten het kader van de collectieve verdediging vallen, bestaat in het Navo-verdrag geen verplichting tot deelneming en derhalve zullen mogelijk niet alle lidstaten aan zo'n militaire operatie deelnemen. Het CJTF-concept versterkt tevens de mogelijkheden voor de Europese leden zelf grotere verantwoordelijkheid te dragen, mede omdat operaties onder de vlag van de West-Europese Unie (Weu) kunnen worden uitgevoerd. Van groot belang is verder de Franse toenadering tot het militaire deel van het bondgenootschap. De Navo-top van januari 1994 stelde dat het bondgenootschap een open organisatie is: nieuwe leden kunnen toetreden. De samenwerking binnen het Partnerschap voor de Vrede bevordert het op elkaar afstemmen van de werkwijzen van de krijgsmachten van het bondgenootschap en van de partners. Dit werpt in Ifor zijn eerste vruchten af. Van groot belang voor de veiligheidssituatie in Europa zal zijn de wijze waarop de Navo besluit over haar uitbreiding. De belangen van alle betrokken landen zullen moeten worden meegewogen.

De Intergouvernementele Conferentie (IGC) markeert een belangrijk moment in de ontwikkeling van de Europese Unie. Kort voor het begin van de toetredingsonderhandelingen met een aantal kandidaat-lidstaten biedt de IGC de Unie de gelegenheid haar besluitvorming aan te passen en haar slagvaardigheid te vergroten, ook in haar externe optreden. Het blijft van belang dat de ontwikkeling van een Europese veiligheids- en defensie-identiteit goed wordt afgestemd op de transatlantische samenwerking.

De afgelopen jaren zijn de beperkingen van de Verenigde Naties duidelijk gebleken. De tekortkomingen moeten een impuls zijn om de organisatie te verbeteren, rekening houdend met de gebleken begrenzingen. Het streven is er thans op gericht zo goed mogelijk gebruik te maken van de mogelijkheden die de Verenigde Naties (VN) wèl bieden en de organisatie de benodigde middelen ter beschikking te stellen.

De stabiliteit en de veiligheid in Europa worden in belangrijke mate bepaald door de ontwikkelingen in Rusland en door de betrekkingen van dat land met het Westen. De vrije presidents- en parlementsverkiezingen van het afgelopen jaar betekenen een zekere consolidatie van het democratische proces. In het Russische buitenlandse beleid zal, ondanks de anti-westerse sentimenten in sommige politieke kringen in Moskou, waarschijnlijk worden vastgehouden aan samenwerking met het Westen. De versterking van de samenwerking binnen het Gemenebest van Onafhankelijke Staten zal meer nadruk krijgen. Aanzetten tot een oplossing van de structurele problemen in de Russische krijgsmacht zijn tot nu toe uitgebleven. De gevechtsgereedheid van de meeste eenheden is nog steeds laag. Het materieel veroudert geleidelijk door een gebrek aan investeringsmiddelen. Waarschijnlijk zal de Russische defensie-inspanning op korte termijn niet toenemen. Over een hervorming van het defensie-apparaat bestaat thans geen politieke consensus. De conclusies ten aanzien van het Russische militaire vermogen uit de «Evaluatie van de internationale veiligheidssituatie» uit 1995 (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 3) blijven onverminderd gelden.

Het optreden van de Navo in het voormalige Joegoslavië toont eens te meer aan dat het gebruik van of het dreigen met militaire middelen een noodzakelijke aanvulling blijft op de diplomatie. Dit besef zal ook ten grondslag liggen aan de discussie over de post-Ifor periode. De met Ifor opgedane ervaringen zullen van groot belang zijn voor de verdere ontwikkeling van een strategie voor het bestrijden van plaatselijke of regionale conflicten.

1.2 Internationale samenwerking

1.2.1 Algemeen

De Nederlandse krijgsmacht werkt steeds intensiever samen met de krijgsmachten van andere landen. In het oog springende voorbeelden zijn het Belgisch-Nederlandse maritieme hoofdkwartier in Den Helder, dat op 7 februari 1996 door de beide ministers van Defensie formeel in gebruik is genomen, de geïntensiveerde samenwerking in het Duits-Nederlandse legerkorps, de overeenstemming met België over de «Deployable Air Task Force» en de mogelijke oprichting van een «Deployable Air Defence Task Force» met Duitsland.

Ook levert de Nederlandse krijgsmacht bijdragen aan multinationale samenwerkingsprojecten. Op 1 februari 1996 heeft de Tweede Kamer ingestemd met de behoefte aan satellietcommunicatie voor de krijgsmacht (Kamerstukken II, 1995/96, 24 400 X, nr. 21). De Koninklijke marine is, in samenspraak met de andere krijgsmachtdelen, belast met de uitvoering van dit project. Het parlement zal in 1997 worden ingelicht over de resultaten van de voorstudie.

Nederland neemt voorts deel aan de Navo-studie naar grondwaarnemingscapaciteit: «Alliance Ground Surveillance (AGS) Capability». Het gaat om vliegende systemen, die onder andere voertuigen en langzaam vliegende objecten op grote afstand kunnen signaleren en volgen. De studie zal eind 1997 uitmonden in een behoeftestelling. Vervolgens zal Nederland besluiten of het aan het project zelf zal deelnemen. Als tot deelneming wordt besloten, dan zal het parlement hierover worden ingelicht.

Nederland neemt sinds de oprichting in 1978 deel aan het «Nato Airborne Early Warning»-programma. De Awacs-vliegtuigen maken deel uit van dit programma. Om de operationele levensduur van deze toe- stellen te verlengen, is het «Mid-term Modernisation Programme» ontwor- pen (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 97). Verwacht wordt dat de deelnemende landen hiermee in november 1996 akkoord zullen gaan; vanaf dat moment kan de desbetreffende overeenkomst worden ondertekend. De vliegtuigen worden in de periode 1998–2004 gemodificeerd.

1.2.2 Aanpassing Navo

De Navo bevindt zich midden in het proces van aanpassing aan de gewijzigde veiligheidssituatie. De externe aanpassing van de Navo krijgt vorm in het Partnerschap voor de Vrede (PvV) en het voornemen het bondgenootschap uit te breiden. De interne aanpassing van de Navo krijgt eveneens gestalte. Hierover zijn in de ministeriële vergadering van de Noord-Atlantische Raad in juni 1996 in Berlijn belangrijke besluiten genomen. Zo is inmiddels een «Policy Coordination Group» opgericht, die een evenwichtiger politiek-militaire consultatie binnen het bondgenootschap moet waarborgen. Ook wordt gewerkt aan de «Long-Term Study». Deze heeft ten doel de politieke richtlijnen, die na de vaststelling van het strategische concept in 1991 zijn gegeven, in de Navo-strategie te verwerken en de commandostructuur aan te passen. Het eerste deel van de studie is in juni 1996 door de Noord-Atlantische Raad goedgekeurd. Inmiddels is ook een begin gemaakt met het tweede deel, de studie naar de aanpassing van de Navo-bevelsstructuur. Er zal sprake zijn van één structuur voor alle bondgenootschappelijke taken. Hierover zullen waarschijnlijk tijdens de ministeriële Navo-vergaderingen in december 1996 nadere besluiten worden genomen.

Belangrijk is hierbij het concept van een «Combined Joint Task Force» (CJTF) dat thans wordt uitgewerkt. Het besluit van de Navo-raad behelst onder meer de mogelijkheid Navo-middelen en capaciteiten, waaronder hoofdkwartieren of delen daarvan, voor een operatie beschikbaar te stellen aan de Weu in het geval de Noord-Amerikaanse bondgenoten niet aan een militaire operatie meedoen. Het biedt tevens de mogelijkheid voor niet Navo-landen aan een dergelijke operatie deel te nemen. In het concept wordt uitgegaan van mobiele hoofdkwartieren die geschikt zijn voor optreden buiten het verdragsgebied. Zo'n CJTF-hoofdkwartier wordt gevormd uit een kern van deskundigen van een regionaal hoofdkwartier. Deze kern wordt bij inzet aangevuld met personeel uit andere hoofdkwartieren en met de benodigde «command and control»-middelen. Als wordt besloten een CJTF-hoofdkwartier uit te zenden, dan blijft in beginsel al het daarvoor aangewezen personeel op zijn post. Het kan dus voorkomen dat een land niet aan een CJTF-operatie deelneemt, maar militairen uit dat land wel in het CJTF-hoofdkwartier actief zijn. Als een langdurige inzet wordt voorzien en als nationale politieke besluitvorming daartoe aanleiding geeft, kan personeel bij de reguliere roulatie worden vervangen door personeel van een andere nationaliteit.

Een belangrijk onderdeel van de aanpassing van de Navo is het besluit de Europese veiligheids- en defensie-identiteit binnen de Navo vorm te geven. In verband hiermee is de Franse toenadering tot de militaire structuur van de Navo van belang. Als gevolg van deze toenadering is de Franse chef van de Generale Staf sinds 14 maart 1996 volwaardig lid van het Militaire Comité. De Franse minister van Defensie heeft in juni 1996, voor het eerst sinds dertig jaar, deelgenomen aan een formele vergadering van de ministers van Defensie van de Navo en verklaard dat zijn land volledige terugkeer in de militaire structuur van de Navo overweegt.

De Franse toenadering tot de geïntegreerde militaire structuur van de Navo bevordert de ontwikkeling van de Europese veiligheids- en defensie-identiteit binnen het bondgenootschap. Ook Spanje heeft verklaard volledige deelneming aan de Navo te overwegen. De ontwikkeling van een effectieve en zichtbare Europese veiligheids- en defensie-identiteit is een van de uitgangspunten voor de herstructurering van de Navo-bevelsstructuur.

1.2.3 De West-Europese Unie

De verhouding tussen de Weu en de Europese Unie (EU) is aan de orde tijdens de IGC van de vijftien EU-landen. De Nederlandse regering is voorstander van de integratie op termijn van de Weu in de EU. Eerst dienen echter belangrijke vragen te worden beantwoord, met name over de militaire bijstandsverplichting en de uiteenlopende lidmaatschappen. Tijdens de ministeriële bijeenkomst van de Weu in Birmingham in mei 1996 is besloten de rol van de waarnemers in Weu-operaties te versterken. Door deze vijf EU-landen (Ierland, Zweden, Finland, Oostenrijk en Denemarken) nauwer te betrekken bij operaties van de Weu, neemt de samenhang tussen de EU en de Weu toe.

Het vermogen van de Weu leiding te geven aan militaire operaties wordt stapsgewijs versterkt. Sinds enkele jaren beschikt zij over een planningcel. Onlangs is daaraan een sectie toegevoegd die inlichtingen analyseert. Ook heeft de Weu kort geleden een situatiecentrum in gebruik genomen dat de ontwikkelingen in crisisgebieden volgt. De mogelijkheid van Navo-middelen gebruik te maken, onder meer in de vorm van een CJTF, is van groot belang voor het operationele vermogen van de Weu. De Weu-landen zijn het erover eens dat de ontwikkeling van afzonderlijke militaire structuren voor de Weu, naast die van de Navo, politiek ongewenst en financieel onhaalbaar is.

De ontwikkeling van een zelfstandig satellietsysteem voor waarneming heeft binnen de Weu niet langer prioriteit. De voorziene kosten daarvan zijn voor een aantal Weu-landen, waaronder Nederland, een te hoge drempel gebleken. De ministeriële raad heeft op 14 november 1995 besloten de aandacht vooral te richten op mogelijke aansluiting bij het Frans-Duitse project voor de ontwikkeling van optische (Helios-2) en radarsatellieten (Horus/Osiris). Het is mogelijk dat Weu-landen buiten de Weu om besluiten aan het Duits-Franse alternatief deel te nemen.

De verwerving en de interpretatie van satellietbeelden is een andere mogelijkheid om de Weu-ruimtesamenwerking voort te zetten. Met het satellietcentrum in Torrejón beschikt de Weu immers over de kennis en de middelen om satellietbeelden van verschillende, ook commerciële, aanbieders te verwerken. Sinds einde 1995 werkt het centrum ook met beelden van de Helios-1 satelliet, een project van Frankrijk, Italië en Spanje. Het budget van het centrum voor 1997 bedraagt ongeveer f 25 miljoen. Na de toetreding van Griekenland en de drie geassocieerde leden IJsland, Noorwegen en Turkije, is de Nederlandse bijdrage vastgesteld op 6,15 procent.

1.3 Het Partnerschap voor de Vrede

Het Partnerschap voor de Vrede (PvV) biedt het multilaterale kader voor de intensivering van de Navo-samenwerking met de Midden- en Oost-Europese landen. Aan het PvV nemen 27 landen deel; van de uit de Sovjet-Unie voortgekomen staten heeft alleen Tadzjikistan zich nog niet aangesloten. De eerste ervaringen met de Individuele Partnerschapsprogramma's zijn gunstig. Meer dan twintig landen kennen inmiddels een dergelijk programma. Verder nemen vijftien landen deel aan het «Planning and Review Process» (Parp) van het Partnerschap. Het Parp beoogt, door middel van richtlijnen en interoperabiliteitsdoelstellingen, de krijgsmachten van de deelnemende landen beter geschikt te maken voor gemeenschappelijke operaties. De doelstellingen worden per land vastgesteld. Het Parp is een belangrijk instrument om de samenwerking binnen het Partnerschap te verdiepen. De eerste resultaten van deze samenwerking zijn merkbaar in Ifor. De door de partnerlanden opgedane kennis en ervaring hebben de integratie van hun eenheden in Ifor voorspoediger doen verlopen. De ervaringen met Ifor zullen worden betrokken bij de verdere ontwikkeling van het partnerschapsprogramma.

De Nederlandse defensiesamenwerking met landen in Midden- en Oost-Europa hangt nauw samen met de activiteiten in het kader van het PvV. Nederland neemt deel aan verschillende PvV-activiteiten, waaronder oefeningen. In 1996 en 1997 is Nederland gastheer voor de «Nato Partner Operational Staff Officers Course». Deze cursus is bestemd voor officieren die gaan werken in internationale hoofdkwartieren. Van de bilaterale samenwerkingsactiviteiten met de landen van Midden- en Oost-Europa is het parlement op de hoogte gesteld in de brief van 9 mei 1996 (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 98).

1.4 Nederlandse bijdragen aan vredesoperaties

In het Nederlandse veiligheidsbeleid neemt de inzet van militairen voor internationale humanitaire en vredesoperaties een belangrijke plaats in. In totaal zijn thans 2 200 Nederlandse militairen uitgezonden. De onderstaande tabel bevat een overzicht van de Nederlandse bijdragen.OVERZICHT UITGEZONDEN NEDERLANDSE MILITAIREN Situatie per 5 september 1996

 
Operaties / Programma's per regioAantal personen
1. Voormalig Joegoslavië onderverdeeld in: 
  
a. Ifor/Joint Endeavor 
  
Staf (2) NL contingentscommando20
2 (NL) Mechbat815
(NL) Logbat645
KCT- en EOD-detachementen t.b.v. ARRC12
KMAR-detachement26
Heli-detachement23
Mortier-opsporingsradar batterij31
Mortiercompagnie148
Militairen t.b.v. diverse Ifor-hoofdkwartieren 115
Subtotaal1 835
  
Villafranca (10 x F-16)180
Rimini (1 x C-130 en 1 x F-60)30
Sigonella (1 x P-3-C Orion)  18
Subtotaal228
  
b. Overige operaties voormalig Joegoslavië 
  
EU/Weu operatie Mostar11
EU-operatie/ECMM17
Weu-operatie «PCOD»/Donau2
VN-operatie/UNIPTF50
VN-operatie/UNTAES6
OVSE-missie in Bosnië-Herzegovina  2
Subtotaal88
  
Totaal voormalig Joegoslavië2 151
  
2. Cambodja 
UNDP/CMAC1
  
3. Midden-Oosten 
a UNTSO12
b UNDOF  1
Subtotaal13
  
4. Angola 
UNAVEM-III33
  
5. Moldavië 
OVSE-waarnemer1
  
6. Irak 
UNSCOM/NBC-monitor  1
  
Totaal Generaal2 200

1.4.1 Het conflict in het voormalige Joegoslavië

Op 21 november 1995 sloten de presidenten van Bosnië-Herzegovina, Kroatië en de Federale Republiek Joegoslavië in Dayton een vredesovereenkomst voor Bosnië-Herzegovina, die op 14 december in Parijs werd ondertekend. Op 12 november 1995 bereikten de Kroatische regering en vertegenwoordigers van de Kroatische Serviërs overeenstemming over de vreedzame herintegratie van Oost-Slavonië in Kroatië. De kans op een duurzame vrede in het voormalige Joegoslavië is door deze overeenkomsten vergroot.

De door de Navo geleide implementatiemacht (Ifor) is sinds 20 december 1995 ontplooid in het voormalige Joegoslavië. Ifor is belast met het toezicht op de naleving van de militaire aspecten van de Dayton-overeenkomst. Desnoods dwingt Ifor de naleving met geweld af. De sterkte van de grondcomponent van Ifor bedraagt ongeveer 54 000 militairen. Het mandaat van Ifor loopt eind 1996 af. Waarschijnlijk blijft een internationale militaire aanwezigheid na het vertrek van Ifor nodig.

De landcomponent van Ifor bestaat in Bosnië-Herzegovina uit drie multinationale divisies. De Nederlandse grondtroepen leveren met een gemechaniseerd bataljon, een logistiek bataljon, een mortieropsporingsbatterij en een mortiercompagnie (bijna 1 700 militairen) hieraan een belangrijke bijdrage. Zij maken deel uit van de door de Britten geleide divisie. De luchtcomponent van Ifor is een voortzetting van de Navo-operatie «Deny Flight». Nederland levert hiervoor een squadron, bestaande uit achttien F-16 vliegtuigen (waarvan acht «stand-by» in Nederland). Verder levert ons land een bijdrage aan de Ifor-luchttransportpool in Rimini met een C-130 Hercules, een Fokker-60 en een Fokker-27 («stand-by» in Nederland) voor medische evacuatie. Ten behoeve van vooral het Nederlandse bataljon zijn drie helikopters ingezet. Daarnaast stelt Nederland, op verzoek van de commandant van Ifor, een maritiem patrouillevliegtuig beschikbaar.

Nederland draagt met 50 marechaussees bij aan de «United Nations International Police Task Force» (UNIPTF), die op grond van het Dayton-akkoord toeziet op een goede rechtshandhaving door de partijen in Bosnië. De UNIPTF voert zelf geen politietaken uit en bestaat uit ruim 1 700 politiefunctionarissen. De duur van de missie is gelijk aan die van Ifor: een jaar.

Nederland levert een kleine militaire bijdrage aan de VN-vredesmacht in Oost-Slavonië (Untaes). Het gaat om twee liaison-officieren bij Ifor en vier militairen bij de Untaes-inlichtingencel. De Fokker-60 die Nederland ter beschikking van Ifor heeft gesteld, kan ook voor Untaes worden gebruikt. Untaes ziet toe op de uitvoering van de door Kroatië en de Kroatische Serviërs gesloten overeenkomst over de vreedzame herintegratie van Oost-Slavonië. Het mandaat van Untaes loopt in januari 1997 af.

De «European Community Monitor Mission in Former Yugoslavia» (ECMM) volgt politieke, militaire, humanitaire en economische ontwikkelingen in het voormalige Joegoslavië en rapporteert daarover aan de EU-lidstaten. Zij kan tevens de totstandkoming van vertrouwenwekkende maatregelen bevorderen. De Nederlandse bijdrage bestaat uit zeventien militairen en drie functionarissen van het ministerie van Buitenlandse Zaken. In 1997 zal Nederland wegens het EU-voorzitterschap tevens een belangrijk deel van het hoofdkwartier van de ECMM bemannen.

De Weu-operatie op de Donau ziet, in samenwerking met de «UN Sanctions Assistance Mission», toe op het embargo op de Donau. In verband met de opschorting van de sancties en de opheffing van het wapenembargo is de operatie sterk gereduceerd. De Nederlandse militaire bijdrage bestaat thans uit twee marechaussees. De gecombineerde Navo-Weu operatie «Sharp Guard» is in juni 1996 opgeschort en wordt na de verkiezingen in Bosnië-Herzegovina beëindigd. Tot die tijd zal een aantal schepen en patrouillevliegtuigen «stand-by» worden gehouden.

De Weu ondersteunt het EU-bestuur in Mostar met politiefunctionarissen. De Nederlandse bijdrage aan de Weu-politiemacht bedroeg begin september elf marechaussees. Een kolonel van de Koninklijke marechaussee vervult de dubbelfunctie van adviseur openbare orde en commandant van de «Unified Police Force», bestaande uit lokale civiele politie (zowel Bosnische Kroaten als Moslims) en civiele/militaire politie uit verschillende Weu-landen. Het EU-mandaat, dat op 22 juli jl. afliep, is na tegenwerking van de Bosnische Kroaten, die de uitslag van de verkiezingen weigerden te aanvaarden, onder grote druk van de EU en de Verenigde Staten op 6 augustus jl. tot uiterlijk eind 1996 verlengd. Het EU-bestuur draagt zijn bevoegdheden geleidelijk over aan het op 30 juni jl. gekozen stadsbestuur. Een speciale EU-gezant zal het bestuur blijven adviseren. De Weu-politiemacht wordt geleidelijk gereduceerd en zal in oktober 1996 haar taken overdragen aan de UNIPTF.

In het Dayton-akkoord is een overeenkomst over regionale stabiliteit opgenomen. Op grond hiervan zijn onder auspiciën van de OVSE wapenbeheersingsonderhandelingen gevoerd. In januari 1996 is een akkoord van kracht geworden over vertrouwenwekkende en veiligheidbevorderende maatregelen in Bosnië-Herzegovina. In juni 1996 hebben de partijen in Bosnië-Herzegovina, Kroatië en de Federale Republiek Joegoslavië afspraken gemaakt over limieten voor tanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen en gevechtshelikopters. Bij de vaststelling van de limieten is uitgegaan van 75 procent van de bestanden van de Federale Republiek Joegoslavië. Dit heeft tot gevolg dat partijen in een aantal categorieën wapensystemen moeten vernietigen. Daarvoor hebben zij tot 1 november 1997 de tijd. De derde ronde van beperkingen moet leiden tot een wapenbeheersingsovereenkomst tussen de landen in en om het voormalige Joegoslavië. De wapenbeheersingsovereenkomsten bouwen voort op het Weense Document en het CSE-verdrag.

1.4.2 Andere vredesoperaties

Eenheden van het Korps mariniers hebben vanaf maart 1995 deelgenomen aan Unmih-II, de vredesoperatie in Haïti. Op 15 april 1996 zijn de laatste Nederlandse militairen van deze missie teruggekeerd. Naast de eigenlijke militaire taken hebben de Nederlandse eenheden, met behulp van door de minister voor Ontwikkelingssamenwerking ter beschikking gesteld geld, in Jacmel en omgeving kleine ontwikkelingsprojecten uitgevoerd die de lokale bevolking en de verdere ontwikkeling van de regio ten goede zijn gekomen.

De Nederlandse bijdrage aan de «United Nations Angola Verification Mission» (Unavem-III) bestaat uit vijftien militaire waarnemers, tien politiewaarnemers van de Koninklijke marechaussee en acht militairen voor de mijnenschool. Zoals is meegedeeld in de brief van 12 juli 1996 (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 125) is besloten de politiewaarnemers in Angola te handhaven, omdat de vooruitzichten voor deze waarnemers om hun taak uit te oefenen positief lijken. De taak van Unavem-III is de partijen bij te staan bij het herstel van de vrede en de nationale verzoening in Angola. Unavem-III bestaat uit ongeveer 7 000 militairen, 350 militaire waarnemers en 260 politiewaarnemers. De Unavem-mijnenruimingsschool, waar ook de Nederlandse instructeurs werkzaam zijn, heeft inmiddels enkele honderden Angolese mijnenruimers en -instructeurs opgeleid. De opgeleide mijnenruimers worden ingedeeld in mijnenruimingsbrigades. De doorstroming van de mijnenruimers naar deze brigades verloopt moeizaam vanwege de infrastructuur ter plaatse en de gebrekkige logistieke structuur van Unavem-III. Toch zijn al enkele brigades operationeel.

De Nederlandse bijdrage aan het «Cambodian Mine Action Centre» is in april 1996 beëindigd. Tot april 1997 verblijft nog één officier in Cambodja om te adviseren bij het mijnenruimen.

Nederland draagt in het Midden-Oosten met twaalf waarnemers bij aan de «United Nations Truce Supervision Organisation» (Untso), die toeziet op het handhaven van de bestandslijnen tussen Israël en zijn buurstaten. Nederland levert tot januari 1997 de commandant van de «United Nations Disengagement Observer Force» (Undof), die op de Golan-hoogvlakte toeziet op de uitvoering van het Israëlisch-Syrische akkoord van 1974.

In het kader van de OVSE neemt één officier deel aan de missie in Moldavië. De missie heeft als belangrijkste taak ertoe bij te dragen dat de bij het conflict betrokken partijen tot een oplossing van hun geschillen komen.

Sinds 5 april 1994 is één officier in New York geplaatst ten behoeve van het toezicht op de vernietiging van de massavernietigingswapens van Irak. In het kader van de «provisory ongoing monitoring» van Iraakse chemische installaties door de VN, worden inspectieteams ingezet, waaraan ook Nederlandse militairen geregeld deelnemen.

Binnen de Verenigde Naties wordt gewerkt aan plannen voor een multinationaal, snel inzetbaar hoofdkwartier ter vergroting van het reactievermogen van de VN. Dit hoofdkwartier moet bij het begin van een vredesoperatie snel ontplooid kunnen worden, zonder tussenkomst van nationale regeringen (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 V, nr. 41). Nederland is actief betrokken bij de ontwikkeling van de plannen en heeft de VN aangeboden een stafofficier te detacheren bij het op te richten hoofdkwartier.

Nederland is ook actief betrokken bij de oprichting van een «UN Stand-by Forces High Readiness Brigade» (Shirbrig). Dit Deense initiatief beoogt een verfijning van het «United Nations Stand-by Arrangements System» (Unsas). Het betreft een «pool» van verschillende nationale Unsas-aanbiedingen waaruit, na toestemming van de betrokken regeringen, eenheden kunnen worden samengevoegd tot een snel inzetbare brigade. In Denemarken zal een permanente kernbrigadestaf gevestigd worden. Nederland heeft aangeboden twee stafofficieren bij deze brigadestaf te detacheren. De «Letter of Intent» voor de oprichting van de Shirbrig zal in het najaar van 1996 worden getekend (Kamerstukken II 1995/96 24 400 X, nr. 117).

1.4.3 Evaluatie Vredesoperaties

Sinds het einde van de jaren tachtig is de Nederlandse bijdrage aan vredes- en crisisbeheersingsoperaties sterk toegenomen. Hierbij werden en worden steeds nieuwe ervaringen opgedaan met betrekking tot de voorbereiding, de uitvoering en de nazorg. Op grond hiervan worden voortdurend verbeteringen doorgevoerd. Vooral de operaties in het voormalige Joegoslavië, in het bijzonder in Srebrenica, hebben hiertoe aanleiding gegeven.

Naast het direct lering trekken uit de ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan, zijn systematische evaluaties belangrijk. Hiertoe is een standaard evaluatiemethodiek ontworpen. Deze is neergelegd in een «Aanwijzing van de chef Defensiestaf» en wordt door de Defensiestaf en de krijgsmachtdelen gehanteerd. Daarin zijn onder meer de onderwerpen aangeduid die bij elke operatie systematisch in beschouwing moeten worden genomen. Bij het ontwerpen van de evaluatiemethodiek is gebruik gemaakt van de aanbevelingen uit het rapport van de Algemene Rekenkamer «Leren van vredesoperaties» (Kamerstukken II 1995/96, 24 605, nr. 2). Andere elementen zijn ontleend aan het «Toetsingskader voor de uitzending van militaire eenheden voor internationale operaties» (Kamerstukken II 1994/95 23 591, nr. 5) en aan adviezen van de Adviesraad Vrede en Veiligheid.

Een belangrijke verandering die is doorgevoerd betreft de militaire aansturing van de Nederlandse deelneming aan crisisbeheersings- en vredesoperaties. In overeenstemming met de brief daarover (Kamerstukken II 1995/96, 24 464, nr. 1) is de chef Defensiestaf belast met de planning, de beleidsadvisering over de militaire aspecten en (het toezicht op) de uitvoering van dergelijke operaties. Hij beschikt daartoe over het Defensiecrisisbeheersingscentrum (DCBC). In verband met de uitbreiding van taken is het DCBC kwalitatief en kwantitatief versterkt. Sinds 1996 maakt ook een sectie «Evaluatie» deel uit van het DCBC. De sectie richt zich, in samenwerking met de krijgsmachtdelen, op het evalueren van crisisbeheersings-, vredes- en humanitaire operaties, alsmede op het coördineren van activiteiten op dit gebied door de krijgsmachtdelen. Het doel van elke evaluatie is om aan de hand van opgedane ervaringen de kwaliteit te verhogen van de besluitvorming over en de uitvoering van lopende en toekomstige operaties.

De aandachtspunten uit het Toetsingskader zijn bepalend voor het antwoord op de vraag of tot de inzet van Nederlandse militairen moet worden besloten. Er zijn twee categorieën aandachtspunten te onderscheiden: de politieke wenselijkheid en de militaire haalbaarheid. Die moeten in hun samenhang worden bezien. Zo is het riskant in te gaan op verzoeken om militaire middelen voor missies waarvan het mandaat nog niet is vastgesteld en dus de militaire opdracht niet helder kan zijn. Het kan leiden tot een te snelle binding aan een missie waarvan de operationele kenmerken nog moeten worden vastgesteld, waardoor het risico van mislukking groot is. De politieke wenselijkheid tot deelneming aan een missie moet steeds zijn gekoppeld aan eisen aangaande de haalbaarheid van de missie, zoals een duidelijke opdracht, goede afstemming van taken en middelen en een juiste beoordeling van de risico's.

Taken en middelen voor een missie dienen niet alleen goed op elkaar te zijn afgestemd, ze moeten ook rekening houden met de omstandigheden ter plaatse. Verkenningen in het operatiegebied, voor het begin van een operatie zijn daarom noodzakelijk, evenals tijdige contacten met plaatselijke autoriteiten en organisaties die al in het gebied werkzaam zijn.

Crisisbeheersings-, vredes-, en humanitaire operaties zijn gediend met vèrgaande samenwerking tussen de drie krijgsmachtdelen. Onderlinge steun wordt onder meer verleend door materieel ter beschikking te stellen en gebruik te maken van elkaars specifieke vaardigheden. De flexibele inzet van materieel en personeel waarover de krijgsmacht als geheel beschikt zal verder worden bevorderd.

Vaak zijn de logistieke voorbereidingen aan het begin van een operatie omvangrijk, waardoor een ruime reactietijd nodig is. De benodigde logistieke ondersteuning is sterk afhankelijk van de omstandigheden waarin de eenheden in het veld komen te verkeren. Het is van groot belang daar al in de voorbereidingsfase rekening mee te houden. Bij VN-missies is bovendien gebleken dat de betrokken militairen goed op de hoogte moeten zijn van de logistieke en financiële aspecten van de zogenoemde «in- en out-survey» procedures van de VN.

Voor een goede uitvoering van operaties en met het oog op de veiligheid van het uitgezonden personeel zijn gevechtsinlichtingen van grote waarde. Een goede inlichtingenstructuur maakt het commandanten mogelijk te anticiperen op gedragingen van partijen in het gebied. Dit is des te belangrijker omdat de ervaringen van de laatste jaren met vredesoperaties, vooral in het voormalige Joegoslavië, leren dat een operatie gaandeweg van karakter kan veranderen. Aanvankelijk werd een onderscheid gemaakt tussen «blauwe» (vredehandhavende) en «groene» (vrede-afdwingende) operaties. Bij «blauwe» operaties werd uitgegaan van instemming van de betrokken partijen. Dit leidde tot uitzending van betrekkelijk licht bewapende eenheden om ook maar de schijn van provocatief optreden te vermijden. Hierdoor waren zij, als zij werden uitgedaagd, niet in staat doeltreffend op te treden, met als gevolg dat niet alleen de taakuitvoering, maar ook de eigen veiligheid in het gedrang kwam.

Inmiddels blijkt dat het verschil tussen «blauwe» en «groene» operaties in veel gevallen vaag is. Dit neemt niet weg dat het optreden van militaire eenheden gekenmerkt zal moeten blijven door het proportionaliteitsbeginsel, dat wil zeggen: in verhouding moet staan tot de situatie in het operatiegebied. Bij het samenstellen van de «force structure» zal echter ook rekening moeten worden gehouden met een verslechterende situatie. Ook in een vijandige omgeving zullen eigen eenheden, onafhankelijk van strijdende partijen, moeten kunnen blijven opereren of zich moeten kunnen terugtrekken. Bij de samenstelling van Ifor is hiermee terdege rekening gehouden.

Bij vrede-ondersteunende operaties kunnen militaire eenheden in een crisisgebied betrekkelijk snel een zekere mate van rust en orde scheppen. Het militaire optreden is dan een eerste noodzakelijke stap op weg naar de oplossing van een crisissituatie. Het biedt echter geen structurele oplossing. Die is zeker bij intrastatelijke conflicten afhankelijk van andere factoren, zoals de aanwezigheid van democratische instituties, bestuurlijke structuren, een erkend rechtssysteem en een zekere economische basis. Wil een vredesproces slagen, dan moet daarvoor van meet af aan een coherente strategie worden ontwikkeld. Militaire middelen inzetten heeft nauwelijks zin als dit niet gepaard gaat met een gedegen plan en een goede organisatie voor de ontwikkeling van dergelijke structuren. Het betreft met name plannen voor de opbouw van het civiele bestuur, de rechterlijke macht en, in een latere fase de wederopbouw. Bij de beantwoording van de vraag of Nederlandse militairen worden ingezet, moet dit alles bij de besluitvorming worden meegewogen.

Bij verschillende voltooide en lopende vredesoperaties is gebleken dat militairen een ondersteunende rol kunnen vervullen bij het handhaven van de mensenrechten, de terugkeer van vluchtelingen, het ruimen van mijnen voor humanitaire doeleinden, het herstel van infrastructuur en het stimuleren van plaatselijke economische activiteiten. Grote operaties kennen aan de top een aparte civiel-militaire structuur voor overleg tussen de militairen en de in het operatiegebied aanwezige andere organisaties, zoals die van de VN, niet-gouvernementele organisaties en overheidsinstellingen. Gelet op het belang van civiel-militaire samenwerking worden inmiddels ook bij de staf van Nederlandse eenheden ter grootte van een bataljon secties ingedeeld voor de coördinatie van contacten met lokale autoriteiten en hulpverleningsorganisaties. Bij uitzending kan tijdelijke detachering van een medewerker van Ontwikkelingssamenwerking als coördinator voor het opzetten van projecten nuttig zijn. Bij verschillende missies hebben plaatselijke projecten, uitgevoerd met door Ontwikkelingssamenwerking ter beschikking gesteld geld, hun waarde bewezen. Ze bevorderen bij de plaatselijke bevolking het vertrouwen in de vredesmacht en in het vredesproces, wat ook de veiligheid van het militair personeel ten goede komt. Dit soort activiteiten mag uiteraard niet ten koste gaan van de militaire opdracht.

Een bijzondere groep uit te zenden militairen is het Nederlandse militaire personeel dat is geplaatst bij internationale staven. Veelal wordt pas kort voor de uitzending bekend aan welk stafpersoneel in het operatiegebied behoefte bestaat, zodat het niet alijd mogelijk is voor hen dezelfde voorbereidingen te treffen als voor het personeel dat rechtstreeks vanuit Nederland wordt uitgezonden. Om dit probleem op te lossen, wordt thans onderzocht in hoeverre het mogelijk is om al het personeel bestemd voor internationale staven voor of tijdens hun plaatsing een programma te laten volgen bij het Centrum voor vredesoperaties, ongeacht of er een uitzending in het vooruitzicht is.

Bij grotere operaties zal voortaan een afzonderlijk Nederlands contingentscommando (Contco), zoals nu voor het eerst actief in het verband van Ifor, worden opgezet. Het Contco blijkt van grote waarde voor de informatieverstrekking over de missie en de taakuitvoering door de Nederlandse eenheden aan de Defensiestaf en over personeels- en materieelbeheer aan de krijgsmachtdelen. Voor een goede aansturing, informatieverstrekking, veiligheid en personeelszorg zijn goede verbindingen onontbeerlijk. Dit geldt voor alle eenheden in het operatiegebied. Hieraan dient dan ook voortdurend aandacht te worden geschonken. Voorts speelt het commando een rol bij het overleg met de internationale commandant onder wiens operationele bevel de Nederlandse eenheden opereren. Ook bewijst het zijn nut bij administratieve aangelegenheden.

Tijdens een operatie is het noodzakelijk voortdurend na te gaan of nog wordt voldaan aan de voorwaarden die werden gesteld bij het besluit tot uitzending van de Nederlandse eenheden. Met name de elementen uit het Toetsingskader verdienen daarbij aandacht. Zo nodig worden op diplomatiek, militair en politiek niveau stappen gezet om te kunnen bijsturen.

De nazorg voor uitgezonden personeel behoeft en krijgt voortdurend aandacht. Onlangs is een nieuwe aanzet gegeven voor verbetering van de structurele aanpak van persoonlijke problemen. Het parlement is hierover ingelicht. Ook wordt bezien in hoeverre intensivering van projecten, zoals reünies, kan bijdragen aan de reeds bestaande nazorgactiviteiten.

1.5 Humanitaire hulpverlening

Defensie is bezig met de oprichting van enkele humanitaire noodhulpteams. Deze teams kunnen worden ingezet als de gouvernementele en de niet-gouvernementele noodhulporganisaties een noodsituatie niet aankunnen en kenbaar maken steun nodig te hebben. De noodhulpteams zullen bestaan uit eenheden en personen die gewoonlijk een andere – verwante – taak binnen Defensie verrichten, maar zo nodig bijeen kunnen worden geroepen. Naast een noodhulpverkenningsteam gaat het om teams die actief hulp verlenen op het gebied van onder meer transport, medische hulp, waterzuivering en beveiliging.

Het doel van de noodhulpteams is de noodhulp zo snel mogelijk op gang te brengen. Zij hebben daarom een zodanige gereedheid dat de eerste elementen van de noodhulpteams kunnen vertrekken onmiddellijk nadat het noodhulpverkenningsteam verslag heeft uitgebracht. De laatste elementen dienen na ten hoogste zeven dagen in het operatiegebied te zijn. Zoals ook is vermeld in de notitie «Humanitaire hulp tussen conflict en ontwikkeling» (Kamerstukken II 1993/94, 23 527, nr. 1), betaalt de minister voor Ontwikkelingssamenwerking de additionele kosten van de voorbereiding en de inzet van de noodhulpteams. Inmiddels is met de ministers van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking een raamuitvoeringsovereenkomst getekend waarin dit uitgangspunt is vastgelegd. De overeenkomst gaat niet in op de vraag wanneer militairen moeten worden ingezet voor noodhulpoperaties, maar regelt de financiële en juridische aspecten in het geval van inzet.

Binnen het VN Departement voor Humanitaire Aangelegenheden is een eenheid opgericht die een bestand zal aanleggen van alle aan de VN aangeboden noodhulpeenheden. Aldus ontstaat een soort «Stand-by Arrangements System» van noodhulpeenheden. De Nederlandse noodhulpteams zullen, uiteraard zonder verplichting tot deelneming, in dit bestand worden opgenomen. Nederland zal hierbij nauw samenwerken met onder meer de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen.

1.6 Wapenbeheersing

1.6.1 CSE-verdrag

Op 17 november 1995 zijn op grond van het CSE-verdrag binnen het verdragsgebied plafonds van kracht geworden voor tanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen en aanvalshelikopters. Sinds juli 1992, toen het verdrag van kracht werd, zijn de desbetreffende wapensystemen van de CSE-landen met meer dan een kwart verminderd, meestal door vernietiging. De uitvoering van het verdrag is over het algemeen bevredigend verlopen. Eind 1995 hadden alleen Wit-Rusland, Armenië en Azerbeidzjan niet geheel aan hun verplichtingen voldaan. Rusland had te veel wapensystemen in zijn noordelijke en zuidelijke flankgebieden gelegerd, al is het plafond voor het Russische verdragsgebied als geheel niet overschreden. Het is de verplichting die het van de Sovjet-Unie heeft overgenomen om buiten het verdragsgebied, achter de Oeral, wapensystemen te vernietigen, slechts beperkt nagekomen.

In mei 1996 is onder Nederlands voorzitterschap in Wenen de eerste toetsingsconferentie van het CSE-verdrag gehouden. Tijdens deze bijeenkomst is het belangrijkste uitvoeringsprobleem, de stationering van wapensystemen op de flanken, opgelost (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 V, nr. 79). De voorlopig van toepassing verklaarde regeling behoeft echter bekrachtiging door de verdragspartijen vóór 15 december 1996. Op de toetsingsconferentie is overeengekomen met onderhandelingen te beginnen om het CSE-verdrag aan te passen aan de veranderde veiligheidssituatie in Europa.

Nederland heeft al in 1994 aan zijn verminderingsverplichting voldaan. Het totale aantal wapensystemen in de CSE-categorieën is thans ongeveer 20 procent lager dan de voor ons land geldende plafonds. Nederland heeft actief meegewerkt aan de verificatie van het CSE-verdrag in andere landen. Verdragspartijen hebben in Nederland 40 maal een inspectie uitgevoerd. De kosten van verificatie zijn beperkt en veranderingen daarin worden niet voorzien. Om die reden is met ingang van dit jaar niet langer een bijlage opgenomen over de verificatie-uitgaven.

1.6.2 Landmijnen

De eerste toetsingsconferentie van het Conventionele-Wapenverdrag is op 3 mei 1996 afgesloten met de aanvaarding van een geamendeerd Protocol-II over landmijnen. Hiermee is een einde gekomen aan een onderhandelingsproces dat tweeëneenhalf jaar heeft geduurd. De toetsingsconferentie heeft geresulteerd in strengere regels voor het gebruik van landmijnen, beperkingen van de overdracht van deze wapens en een verbod van het gebruik en de overdracht van permanent blind- makende laserwapens. De belangrijkste veranderingen ten opzichte van het oorspronkelijke landmijnenprotocol uit 1980 zijn uiteengezet in de brief aan het parlement van 18 juni 1996 (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 V, nr. 76). De overeengekomen maatregelen leiden tot een versterking van het oorspronkelijke protocol. Het is echter niet de grote stap voorwaarts die volgens een groeiend aantal staten, waaronder Nederland, noodzakelijk was. Zodra het herziene protocol in werking is getreden, volgt er jaarlijks een bijeenkomst van de verdragspartijen over de uitvoering. De tweede toetsingsconferentie van het Conventionele-Wapensverdrag is voorzien voor 2001.

En marge van de toetsingsconferentie hebben niet-gouvernementele organisaties en landen, waaronder Nederland, die unilateraal hebben besloten af te zien van het gebruik van anti-personeelmijnen, verkennende besprekingen gevoerd over alternatieven om die mijnen uit te bannen. Een van de mogelijkheden is een nieuw verdrag dat, in navolging van de conventies over chemische en biologische wapens, een algeheel verbod van anti-personeelmijnen beoogt. Canada organiseert hierover in oktober 1996 een bijeenkomst in Ottawa.

1.6.3 Chemische wapens

Op 5 september 1996 hadden 62 landen, waaronder Nederland, het Chemische-Wapenverdrag geratificeerd. Het verdrag treedt in werking 180 dagen nadat het 65ste land het verdrag heeft geratificeerd. De verwachting is dat de inwerkingtreding in de eerste helft van 1997 een feit is. Voor die tijd moet de voorbereidende commissie van de «Organization for the Prohibition of Chemical Weapons» (OPCW) overeenstemming hebben bereikt over alle lopende problemen, in het bijzonder de modaliteiten van de inspecties. Van groot belang is dat de Verenigde Staten en Rusland, de enige staten die openlijk hebben verklaard chemische wapens te bezitten, het verdrag spoedig bekrachtigen.

De voorbereidingen voor de vernietiging van de chemische-wapenarsenalen in Rusland gaan voort. Nederland heeft steun toegezegd bij de vernietiging van het strijdgas lewisiet in Kambarka. De Nederlandse ondersteuning is in de eerste plaats gericht op de zuivering van verontreinigde grond. Volgens de Russische plannen gaat de vernietigingsinstallatie in Kambarka in 2000 proefdraaien.

1.7 Proliferatie van massavernietigingswapens

De verspreiding van nucleaire, chemische en biologische wapens en hun overbrengingsmiddelen is een veiligheidsrisico waarmee ook Nederland kan worden geconfronteerd. Hoewel het Nederlandse grondgebied thans niet direct wordt bedreigd, kunnen eenheden in het kader van bondgenootschappelijke verdediging of crisisbeheersing te maken krijgen met een tegenstander die in het bezit is van dergelijke middelen. In de Navo wordt in het kader van de «Senior Defence Group on Proliferation» gewerkt aan de verbetering van de verdediging tegen deze wapens.

Ondanks inspanningen op het gebied van non-proliferatie en ontwapening kan de militaire verdediging tegen massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen niet worden gemist. Deze richt zich vooralsnog op de bescherming van uit te zenden eenheden. De mogelijke maatregelen betreffen zowel informatievoorziening en bevelvoering als passieve en actieve verdediging. Hierbij zijn de drie krijgsmachtdelen betrokken. Waar mogelijk zal in internationaal verband worden samengewerkt. Uit het oogpunt van kosteneffectiviteit zal hierbij zo veel mogelijk worden voortgebouwd op al aanwezige kennis en systemen.

HOOFDSTUK 2: DE KRIJGSMACHT

2.1 Algemeen

De reorganisatie van de krijgsmacht maakt goede vorderingen en zal in 1998 grotendeels zijn voltooid. De werving van nieuw personeel verloopt bevredigend. De materieelprojecten die met de herstructurering verband houden zijn voor een belangrijk deel uitgevoerd of zullen in de komende jaren worden afgerond. Op 1 april 1996 is in het kader van de doelmatigheidsoperatie het Defensie interservice commando (Dico) voor ondersteunende diensten en bedrijven opgericht.

De veranderingen die een gevolg zijn van de ingrijpende herstructurering en de maatregelen die voortkomen uit de doelmatigheidsoperatie hebben aanzienlijke gevolgen voor vele personeelsleden en trekken een wissel op het personeel. Het feit dat de krijgsmacht niettemin in staat is haar taken naar behoren uit te voeren, tekent de kwaliteit en de inzet van het personeel. Daarbij verdient de bijdrage aan Ifor in het bijzonder waardering.

2.2 De Koninklijke marine

2.2.1 Algemeen

De samenwerking met de Belgische Zeemacht verloopt voorspoedig. Sinds 1 januari 1996 is de functie van de Admiraal-Benelux en de geïntegreerde Belgisch-Nederlandse operationele staf ook in vredestijd paraat. De inzet van beide marines gebeurt vanuit het maritiem hoofdkwartier in Den Helder. De samenwerking op het gebied van opleidingen verloopt goed. Een deel van het Nederlandse logistiek personeel wordt opgeleid bij de Belgische logistieke school en nagenoeg al het Belgische personeel voor de operationele dienst wordt opgeleid bij de Operationele School in Den Helder.

De operationele leiding over de Kustwacht Nederland berust sinds 1 juni 1995 bij de commandant der Zeemacht in Nederland. Het personeel van het kustwachtcentrum in IJmuiden is per 1 januari 1996 in dienst getreden bij de Koninklijke marine. Het functiebestand van de Koninklijke marine neemt hiermee met 42 functies toe. Het kustwachtcentrum zal voor 2000 worden ondergebracht bij het maritiem hoofdkwartier in Den Helder.

Op bescheiden schaal worden gezamenlijke oefeningen uitgevoerd met een aantal Midden- en Oost-Europese landen. De aandacht richt zich vooral op Polen, Tsjechië, Roemenië en Rusland.

2.2.2 Voortgang herstructurering

De verkleining van het personeelsbestand over de periode van 1990 tot en met 1997 bedraagt, inclusief de personele gevolgen van de doelmatigheidsoperatie, ruim 20 procent. De uiteindelijke personele reductie zal groter worden dan was voorzien in de Prioriteitennota als gevolg van de doelmatigheidsoperatie. Met name de overheveling van personeel naar verschillende onderdelen van het Dico draagt bij tot de extra verkleining van het personeelsbestand. De personele afslanking van de Koninklijke marine verloopt dus in kwantitatieve zin volgens plan. In kwalitatief opzicht en wat betreft leeftijdsopbouw is het personeelsbestand enigszins onevenwichtig geworden. De komende jaren zal dit geleidelijk weer worden rechtgetrokken.

Met de Verenigde Arabische Emiraten is overeenstemming bereikt over de overname, in 1997 en 1998, van twee fregatten van de Kortenaer-klasse die in het kader van de Prioriteitennota worden afgestoten. Tevens is overeengekomen dat de Koninklijke marine de nodige ondersteuning zal leveren bij het onderhoud van de schepen en bij het opleiden en trainen van de bemanningen uit de Verenigde Arabische Emiraten. Er is nu nog één fregat voor verkoop beschikbaar. De twee onderzeeboten van de Zwaardvis-klasse zijn verkocht aan de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij.

2.2.3 Materieelprojecten

De platformen met de daarbij behorende systemen van de luchtverdedigings- en commandofregatten (LCF) worden bij de Koninklijke Schelde Groep gebouwd. De verwerving en de integratie van de sensor-, wapenen commandosystemen wordt verzorgd door de Koninklijke marine. Het project bevindt zich thans in de «Detailed Design Phase». De bouw zal eind 1997 beginnen. In dit project wordt samengewerkt met Duitsland en Spanje. Het budget voor het project bedraagt f 1 779 miljoen (prijspeil 1996): f 1 719 miljoen voor nieuwbouw en f 60 miljoen voor walreservedelen.

Met de brieven van 20 juni (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 116) en 8 juli 1996 (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 129) is het parlement ingelicht over het voornemen twee luchtverdedigingsfregatten te bouwen. Deze fregatten zullen twee van de vier resterende fregatten van de Kortenaer-klasse vervangen. Deze vervanging komt anderhalf jaar eerder dan in de Prioriteitennota was voorzien. Het parlement zal waarschijnlijk nog in 1996 worden ingelicht over de resultaten van de verwervingsvoorbereidingsfase.

Het project «Local Area Missile System» betreft de ontwikkeling van een luchtverdedigingssysteem voor de korte afstand. Het parlement is hierover ingelicht (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 14). De ontwikkeling in internationaal verband van de componenten die deel uitmaken van dit systeem, is inmiddels in volle gang en zal waarschijnlijk in 1999 worden afgerond. Het systeem zal de kern vormen van het luchtverdedigingssysteem van de nieuw te bouwen fregatten. Tevens wordt een studie uitgevoerd naar de eventuele modificatie van het luchtverdedigingssysteem ten behoeve van de verdediging tegen massavernietigingswapens. Deze studie zal eind 1996 worden voltooid.

Het amfibische transportschip, Hr.Ms. Rotterdam, zal eind 1997 aan de Koninklijke marine worden overgedragen. Het schip wordt gebouwd bij de Koninklijke Schelde Groep. De Koninklijke marine verzorgt de levering van sensor-, wapen- en commandosystemen en is verantwoordelijk voor de integratie van deze systemen. Op 23 februari 1996 is de kiel gelegd. Zowel bij de bouw als bij de instandhouding wordt samengewerkt met Spanje. De totale uitgaven voor het project worden geraamd op f 281 miljoen (prijspeil 1996): f 272 miljoen voor nieuwbouw en f 9 miljoen voor walreservedelen.

Het project «Capability Upkeep Programme» (Cup) van de Orion maritieme patrouillevliegtuigen bevindt zich thans in een gecombineerde voorstudie/studiefase, waarbij onder andere wordt onderzocht in hoeverre aansluiting mogelijk is bij soortgelijke bondgenootschappelijke projecten. Het parlement zal in 1997 op de hoogte worden gesteld van de resultaten.

De jaarlijkse voortgangsrapportage over de vervanging van de Lynx-helikopters door de NH-90 is op 12 maart 1996 aangeboden aan het parlement (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 81). In het kader van de voorbereidingen op de productiefase zullen de deelnemende landen (Frankrijk, Duitsland, Italië en Nederland) in de loop van 1997 hun definitieve behoefte kenbaar maken.

De verbetering van de mijnenbestrijdingscapaciteit bestaat uit het project vervanging mijnenbestrijdingscapaciteit Dokkum-klasse en uit het project Cup van de mijnenbestrijdingseenheden van de Alkmaar-klasse. In verband met de nauwe samenhang is voor deze projecten één projectleider aangesteld. Met Duitsland wordt samengewerkt bij de ontwikkeling van het «command and control»-systeem van de drones van het Trojka-mijnenveegsysteem. Het parlement zal binnenkort worden ingelicht over de resultaten van de studiefasen van beide projecten.

Het project AOR-2000 behelst de vervanging van het bevoorradingsschip Hr.Ms. Zuiderkruis in het jaar 2002. Het parlement zal nog dit jaar worden ingelicht over de resultaten van de voorstudiefase.

Het M-fregattenproject, bestaande uit de bouw van acht fregatten van de Karel Doorman-klasse, zal in 1997 zijn voltooid. Het laatste schip krijgt eind 1996 een garantie-onderhoudsbeurt, waarna het contract met de bouwmeester kan worden afgehandeld. De acht M-fregatten zijn inmiddels volledig operationeel. De totale uitgaven van het project worden geraamd op f 3 515 miljoen (prijspeil 1996). Hiervan is f 3 257 miljoen bestemd voor de nieuwbouw van de schepen, f 133 miljoen voor walreservedelen en f 125 miljoen voor Tactas.

Het Walrus-project, waartoe ook deelprojecten zoals de aanschaf van simulatie- en trainingsapparatuur behoren, zal nog in 1996 worden voltooid. Het projectbudget bedraagt f 1 995 miljoen (prijspeil 1996). Hiervan was f 1 017 miljoen bestemd voor de eerste serie onderzeeboten, f 915 miljoen voor de tweede serie en f 63 miljoen voor walreservedelen.

2.3 De Koninklijke landmacht

2.3.1 Algemeen

De herstructurering van de Koninklijke landmacht wordt getoetst aan drie criteria: de beheersbaarheid van het reorganisatieproces, de zorgvuldigheid ten opzichte van het personeel en de mogelijkheid de taken te blijven uitvoeren tijdens het veranderingsproces. Tot nu toe kan aan deze criteria worden voldaan. Dat blijkt onder meer uit de bijdragen aan vredesoperaties. Ondanks de voortgaande herstructurering zijn permanent ongeveer 1 800 militairen van de Koninklijke landmacht actief in het kader van Ifor en andere vredesoperaties.

De aanwezigheid van miljoenen mijnen in de wereld veroorzaakt veel menselijk leed en staat de wederopbouw van veel voormalige conflictgebieden in de weg. De regering hecht daarom groot belang aan het ruimen van mijnen. Het draagt bij tot de verbetering van de politieke, economische en humanitaire situatie. Om die reden wordt de mijnenruimcapaciteit voor humanitaire doeleinden vergroot door onder meer het aantal uit te zenden instructeurs mijnenruiming te verhogen. Er zal een «pool» van ongeveer 80 militairen worden gevormd. Daarin zal ook personeel worden opgenomen dat niet behoort tot de Genie of het Explosieven opruimingscommando. Het Genie opleidingscentrum wordt uitgebreid met vijf instructeurs. Ook wordt materieel voor mijnenruiming voor humanitaire doeleinden aangeschaft (zie ook paragraaf 2.3.4).

Internationale samenwerking van de Koninklijke landmacht gebeurt vooral in het Duits-Nederlandse legerkorps en de «Multinational Division (Central)». Mogelijkheden tot nauwere samenwerking met andere Navo-landen worden uitgewerkt. De samenwerking met Polen, Hongarije, Tsjechië, Slowakije, Roemenië en Bulgarije is verder geïntensiveerd. Op stafniveau wordt informatie uitgewisseld, onder meer op het gebied van vredesoperaties. Verder worden de mogelijkheden voor oefeningen in die landen nader onderzocht. In 1996 heeft een bataljon van de Koninklijke landmacht geoefend in Tsjechië. In 1997 zal waarschijnlijk een dergelijke oefening in Hongarije en Polen worden gehouden.

2.3.2 Voortgang herstructurering

De totale verkleining van het personeelsbestand in de periode 1990 tot en met 1997 bedraagt ruim 52 procent. De uiteindelijke personele reductie zal groter zijn dan was voorzien in de Prioriteitennota, mede als gevolg van overhevelingen naar het Dico.

In 1997 zullen ongeveer 350 reorganisatieprojecten zijn voltooid. Daarnaast zal in dat jaar aan naar schatting 125 projecten worden gewerkt, terwijl er ongeveer 100 projecten worden voorbereid.

De topstructuur van de Koninklijke landmacht is grotendeels gereorganiseerd en zal eind 1996 bestaan uit de Landmachtstaf (beleidsstaf), de Operationele Staf, de centrale dienst Personeel en Organisatie en de directie Materieel. Deze laatste wordt in 1997 omgevormd tot de centrale dienst Materieel. De reorganisatie van de topstructuur gaat gepaard met de overdracht van taken en bevoegdheden aan de drie uitvoerende ressorts: het Nederlandse deel van het Duits-Nederlandse legerkorps, het Commando Opleidingen Koninklijke landmacht en het Nationaal Commando. Deze herstructurering leidt tot een kleinere top van de Koninklijke landmacht.

In de loop van 1997 zullen alle parate eenheden van het legerkorps volledig operationeel zijn. Het merendeel van de reserve-eenheden zal in 1997 worden gereorganiseerd. De geniecapaciteit wordt vergroot door het paraat stellen van een extra genieconstructiecompagnie (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 119). De reorganisatie van het Commando Opleidingen Koninklijke landmacht zal in 1997 nagenoeg zijn voltooid. Binnen het Nationaal Commando zullen in 1997 het Nationaal Verzorgingscommando en de Arbodienst Koninklijke landmacht worden opgericht. Daarnaast zal een nieuw bewakingssysteem worden ingevoerd. Dit systeem zal, mede door de toepassing van elektronische middelen en compartimentering van de kazerneterreinen, besparingen opleveren. In het kader van de milieuzorg zal het systeem Milieuzorg Koninklijke landmacht worden ingevoerd. Ten behoeve van de ondersteuning van eenheden in Duitsland zal de «Netherlands Armed Forces Support Agency Germany» worden opgericht.

In 1997 zal de bedrijfsvoering verder worden verbeterd en zal er weer een aantal resultaatverantwoordelijke eenheden direct verantwoordelijk worden voor de te behalen resultaten. Daartoe krijgen zij, binnen vastgestelde kaders, meer bevoegdheden over de hun ter beschikking gestelde middelen. De te behalen resultaten en de ter beschikking staande middelen en bevoegdheden worden vastgelegd in managementcontracten.

2.3.3 Duits-Nederlandse legerkorps

Sinds 30 augustus 1995 is het Eerste Duits-Nederlandse legerkorps, waarvan de staf in Münster is gevestigd, operationeel. Het legerkorps, bestaande uit één Nederlandse en één Duitse divisie met de bijbehorende legerkorpstroepen, maakt deel uit van de «Main Defence Forces» van de Navo. De Nederlandse eenheden zijn beschikbaar voor crisisbeheersingsoperaties in Navo-, Weu- of enig ander internationaal verband.

De rechtspositie van de Duitse militaire eenheden in Nederland, vastgelegd in de Budel-Seedorf overeenkomst, wordt aangepast. Met deze aanpassing zal de status van Duitse militairen in Nederland vergelijkbaar worden met die van Nederlandse militairen in Duitsland.

Op 5 oktober 1995 hebben de ministers van Defensie van Duitsland en Nederland een verklaring ondertekend, waarin zij de intentie hebben vastgelegd te komen tot verdere integratie van de Duitse en Nederlandse eenheden op het gebied van opleidingen, oefeningen en logistiek. Op dit moment worden voorstellen daartoe uitgewerkt. Deze zullen de onderlinge uitwisselbaarheid van eenheden bevorderen en daarmee de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het legerkorps vergroten. Voorgesteld is onder meer het binationale hoofdkwartier, naast de voorbereiding op de algemene verdedigingstaak, indien gewenst, een rol toe te kennen bij de voorbereiding en de uitvoering van andere taken, zoals samenwerking in het kader van het Partnerschap voor de Vrede en crisisbeheersingsoperaties.

2.3.4 Materieelprojecten

Het project Mijndoorbraaksysteem omvat achttien systemen om onder vijandelijk vuur doorgangen te kunnen maken in mijnenhindernissen. De Leopard-2 tank zal fungeren als systeemdrager. De studiefase zal eind 1996 worden afgesloten. Tevens is in de plannen een mijnveegsysteem opgenomen, dat bedoeld is voor het ruimen van aan de oppervlakte liggende mijnen. Het mijndoorbraaksysteem en het mijnveegsysteem zijn met name geschikt voor de ondersteuning van militaire operaties. Zij zijn niet geschikt voor het op grote schaal ruimen van mijnenvelden voor humanitaire doeleinden. Voor dit doel worden twee specifieke sets met elk een mechanisch mijnruimmiddel en een mijndetectiesysteem aangeschaft. Deze twee sets zullen gedurende een jaar worden beproefd.

Om de luchtverdedigingsmiddelen zo effectief mogelijk te kunnen inzetten, bestaat behoefte aan sensoren die een goed luchtbeeld bieden en aan een systeem voor de uitwisseling van luchtbeeldinformatie en de sturing van de luchtverdedigingssystemen. Het project «Target Information Command and Control System» (Ticcs) voorziet in deze behoefte (Kamerstukken II 1994/95, 23 900 X, nr. 82). De voorstudiefase is begin 1997 gereed. De overige projecten voor luchtverdedigingsmiddelen zullen op Ticcs moeten aansluiten.

Samen met Duitsland wordt gewerkt aan de verlenging van de levensduur van de Pantserrups-tegen-luchtdoelen (PRTL). Bij 60 systemen wordt naast het basisonderhoud een aantal verbeteringen doorgevoerd. Er is een optie om de levensduur van nog tien systemen te verlengen. Het contract voor het uitvoeren van de werkzaamheden voor de serie is in juni 1996 getekend.

Behalve luchtverdedigingswapens voor de zeer korte afstand (zoals de PRTL) zijn «Short-range air defence» (Shorad)-raketsystemen nodig ter beveiliging van de eigen eenheden en belangrijke locaties tegen vijandelijke vliegtuigen en helikopters die hun wapens op grotere afstand (ongeveer 10 kilometer) van hun doel kunnen lanceren. Om het materieel-keuzeproces zo doelmatig mogelijk te laten verlopen, heeft de Koninklijke landmacht zich in de (voor)studiefase aangesloten bij de reeds bestaande projectorganisatie voor Shorad-systemen van de Koninklijke luchtmacht (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 73).

Ervaringen van VN-eenheden in het voormalige Joegoslavië en nieuwe inzichten hebben geleid tot aanvullende operationele eisen aan de bepantsering van de pantservoertuigen voor VN-operaties. De zwaardere bepantsering kost f 40 miljoen méér (Kamerstukken II 1994/95, 23 900 X, nr. 85).

De gevechtswaardeverbetering van de 180 Leopard-2 tanks verloopt voorspoedig. De eerste verbeterde tank is in mei 1996 aan de Koninklijke landmacht overgedragen.

In het kader van het project Licht verkennings- en bewakingsvoertuig worden momenteel de vier gezamenlijk door Duitsland en Nederland aangeschafte prototypen beproefd.

2.4 De Koninklijke luchtmacht

2.4.1 Algemeen

De herstructurering en de verkleining van de Koninklijke luchtmacht, uiteengezet in de Prioriteitennota, verlopen volgens plan. Dat geldt voor alle pijlers van de Koninklijke luchtmacht: de jachtvliegtuigen, de helikopters, de grond-lucht geleide wapens en het luchttransport. Er wordt gestreefd naar een zo breed mogelijke nationale en internationale samenwerking. Daarbij wordt op de eerste plaats uitgegaan van een verdere intensivering van de bondgenootschappelijke samenwerking.

Inmiddels is een onderzoek afgerond naar verdergaande samenwerking tussen Duitsland en Nederland op het gebied van grond-lucht geleide wapens. De voorwaarden waarop sneller tot een gezamenlijke inzet kan worden gekomen, onder andere bij crisisbeheersingsoperaties, zijn bezien. De nauwere samenwerking moet uitmonden in de oprichting van een «Deployable Air Defence Task Force», analoog aan de met België overeengekomen «Deployable Air Task Force». Deze zal zowel de betrokken landen als de Navo een grotere flexibiliteit geven. Dit streven is een stap naar nauwere samenwerking op het gebied van grondgebonden luchtverdediging, waarbij de samenwerking met het Duits-Nederlandse legerkorps een bijzondere plaats inneemt. De samenwerking met België op het gebied van «command and control», jachtvliegtuigoperaties, luchtruimbewaking en luchttransport wordt waar mogelijk verder uitgewerkt.

De samenwerking met Midden- en Oost-Europese landen richt zich met name op Hongarije, Polen, Tsjechië en Slowakije. In 1996 zal een kleine Hongaarse jachtvliegeenheid in Nederland oefenen. Ook met Polen, Tsjechië en Slowakije worden oefeningen en uitwisselingsprogramma's voorzien met als doel de samenwerking, in het bijzonder op het gebied van vredesoperaties, te bevorderen.

2.4.2 Voortgang herstructurering

De reducties en herstructureringen ten gevolge van de Defensienota en de Prioriteitennota worden voortgezet. Tegelijkertijd wordt door de doelmatigheidsoperaties de personele omvang verder verkleind. Ten opzichte van 1990 zal het personeelsbestand in 1997 zijn afgenomen met ongeveer 30 procent.

De veranderingen raken alle pijlers van de Koninklijke luchtmacht. Bij de F-16 jachtvliegtuigen wordt een «Midlife Update» (MLU) uitgevoerd, bij de Tactische helikoptergroep Koninklijke luchtmacht worden nieuwe helikopters ingevoerd en komt er een nieuwe organisatiestructuur, de groepen Geleide Wapens zijn recentelijk verplaatst en geherstructureerd en er stroomt een geheel nieuwe luchttransportvloot in. Tegelijkertijd worden verdere doelmatigheidsmaatregelen uitgevoerd.

Sinds januari 1996 zijn de zes operationele F-16 squadrons geconcentreerd op drie «Main Operating Bases»: Leeuwarden, Twenthe en Volkel. De Groep Geleide Wapens is op de vliegbasis De Peel gestationeerd, waarbij tevens operationele Triad-squadrons zijn gevormd. De structuur uit de Prioriteitennota heeft hiermee wat betreft de jachtvliegtuigen en grond-lucht geleide wapens gestalte gekregen. De herstructurering van de vliegbasis Eindhoven en het inrichten van deze basis voor luchttransport verloopt volgens plan. De herstructurering en de herplaatsing van de Tactische helikoptergroep op de vliegbases Soesterberg en Gilze-Rijen is voltooid. De nieuwe helikopters worden thans gefaseerd in gebruik genomen.

De samenvoeging van de Luchtmacht elektronische en technische school en de Koninklijke militaire school luchtmacht resulteert in de oprichting van het Opleidingscentrum Koninklijke luchtmacht te Woensdrecht. Hier worden vanaf 1999 vrijwel alle opleidingen van de Koninklijke luchtmacht verzorgd. Door de invoering van nieuwe wapensystemen (Chinook, Cougar, Apache, enz.) is tijdelijk sprake van een verhoogde opleidingsbehoefte, die nog wordt vergroot door de noodzaak van om- en bijscholing van luchtmachtpersoneel dat anders overtollig zou worden. De invoering van nieuwe wapensystemen leidt tevens tot een grotere behoefte aan vliegers.

2.4.3 Materieelprojecten

De uitvoering van het project MLU voor de F-16 verloopt naar wens. In de periode tot 2001 worden in totaal 138 toestellen gemodificeerd. De F-16 vliegtuigen worden gemodificeerd door het depot Mechanisch Vliegtuigmaterieel en Straalmotoren en Fokker Services te Woensdrecht. In juli 1996 is de eerste proefmodificatie voltooid. Als aanvulling op het MLU-programma wordt in 1997 de verwervingsvoorbereiding afgesloten van nachtzicht- en laserdoelaanstralingsapparatuur (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 66).

De voorstudie-/studiefase van het project ter vervanging van het Orpheus-luchtverkenningssysteem zal in 1997 worden afgesloten (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 16). Vanaf 1997 worden aanvullende lucht-grond precisiewapens verworven, waarmee onbedoelde schade aan de omgeving («collateral damage») zo veel mogelijk wordt voorkomen. Op het gebied van lucht-lucht wapens worden vanaf 1998 Amraam radargeleide raketten ingevoerd (Kamerstukken II 1994/95, 23 900 X, nr. 91).

Vervanging van de F-16 is voorzien vanaf 2010. De ontwikkeling van een nieuw jachtvliegtuig neemt gemiddeld vijftien jaar in beslag. Daarom wordt nu reeds gekeken naar een mogelijke opvolger van de F-16. Bij deze eerste verkenningen worden zowel Europese als Amerikaanse ontwikkelingen in beschouwing genomen. In beginsel wordt, net als bij de F-16, uitgegaan van een vliegtuig uit het middenspectrum dat verschillende taken kan uitvoeren.

Een van de weinige concrete projecten die momenteel in ontwikkeling zijn, betreft het «Joint Advanced Strike Technology»-programma. Dit programma behelst niet in eerste aanleg de ontwikkeling van een nieuw jachtvliegtuig, maar richt zich op de technologie die daarvoor nodig is. Het project bevindt zich in de demonstratiefase, waarin de betrokken consortia hun uitgewerkte technologieën laten zien. Een belangrijk gegeven voor Nederland is de samenwerking binnen het F-16-programma met de Verenigde Staten, België, Denemarken en Noorwegen. Inmiddels hebben de Amerikanen de Europese landen van het F-16-programma aangeboden deel te nemen, als «limited cooperative partner», aan een onderdeel van de demonstratiefase. De hierbij te verkrijgen informatie kan ook nuttig zijn voor onderzoeksinstellingen en industrieën in Nederland.

De twee KDC-10 vliegtuigen, de twee C-130H-30 Hercules transportvliegtuigen, de Gulfstream-IV en de vier Fokker-60 Utility vliegtuigen maken inmiddels deel uit van de transportvloot. Al deze toestellen zijn op de vliegbasis Eindhoven gestationeerd. Als kleinere transportvliegtuigen zijn, naast de Gulfstream-IV, twee Fokker-50 vliegtuigen (Kamerstukken II 1995/96, 22 895, nr. 13) aangeschaft. Deze worden geleverd in het laatste kwartaal van 1996. De F-27 transportvliegtuigen worden afgestoten.

De eerste zeven Chinooks zijn in gebruik genomen. De resterende zes worden in 1998 afgeleverd. Van de zeventien Cougar transporthelikopters worden er tien in 1996 afgeleverd en zeven in 1997. Alle transporthelikopters worden gestationeerd op de vliegbasis Soesterberg. Ter overbrugging van de periode tot de instroom van de bestelde AH-64D-helikopters, stelt de Amerikaanse overheid twaalf AH-64A Apaches beschikbaar. Deze zullen vanaf begin 1997 op de vliegbasis Gilze-Rijen worden gestationeerd. De AH-64D-helikopters worden tussen 1998 en 2002 ingevoerd.

Een budgettair neutrale ruil van Hawk-systemen voor de luchtverdediging van de vliegbases tegen Crotale-NG systemen blijkt niet mogelijk. Omdat er de afgelopen jaren naast de Crotale andere producten beschikbaar zijn gekomen, is een nieuwe evaluatie van productalternatieven nodig. Zoals in de brief van 20 februari 1996 (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 73) is meegedeeld, voeren de Koninklijke landmacht en de Koninklijke luchtmacht een gezamenlijke voorstudie en studie uit, waarbij tevens de mogelijkheden van een gemeenschappelijke verwervingsvoorbereiding worden bezien.

Het luchtverdedigingssysteem Patriot zal na 1998 verder worden verbeterd (Kamerstukken II 1994/95, 23 900 X, nr. 96 en Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 29). Door dit verbeteringsprogramma zal een bijdrage worden geleverd aan de militaire verdediging tegen tactische ballistische raketten die massavernietigingswapens kunnen meevoeren.

2.5 De Koninklijke marechaussee

2.5.1 Algemeen

De afgelopen jaren zijn de civiele taken van de Koninklijke marechaussee geïntensiveerd. Ze zijn onder meer mobieler van aard geworden. Tevens zijn de taken op het gebied van de binnenlandse veiligheid en de handhaving van de rechtsorde veranderd. De traditionele bewakingstaak aan de landsgrenzen en de bijstand aan de grote steden behoren tot het verleden. Nieuw zijn de politietaak op de burgerluchtvaartterreinen, het Mobiel toezicht vreemdelingen en de teams voor de bestrijding van Grensoverschrijdende criminaliteit. Als gevolg hiervan zijn tijdelijk personeelstekorten opgetreden bij de militaire politiedienst. Deze worden eind 1996 ingelopen. Het district Koninklijke marechaussee luchtvaart is gereorganiseerd om te voldoen aan de eisen die de nationale overheid voor de luchthaven Schiphol stelt.

De technische bijstand aan het Korps Politie Nederlandse Antillen op Sint Maarten is verlengd tot 1 april 1998. Ter voorbereiding op de definitieve beëindiging van de samenwerking wordt de sterkte van het detachement vanaf 1996 stapsgewijs teruggebracht van twintig naar tien marechaussees. Aan vredesoperaties worden onverminderd bijdragen geleverd.

2.5.2 Voortgang herstructurering

In 1996, 1997 en 1998 worden, naar aanleiding van de discussie in de Tweede Kamer over de defensiebegroting 1996, in totaal 150 functies minder gereduceerd dan voorzien. De formatiesterkte van de Koninklijke marechaussee zal worden afgestemd op de resultaten van een gehouden evaluatie van de sterkte van de militaire politiedienst.

De verschuiving in de taken van de Koninklijke marechaussee en de omzetting van functies voor onbepaalde tijd in functies voor bepaalde tijd, maakt een reorganisatie van het Opleidingscentrum Koninklijke marechaussee noodzakelijk. Deze reorganisatie, die in 1996 begint en midden 1997 wordt voltooid, zal personeelsneutraal verlopen.

2.5.3 Projecten

Om de informatievoorziening binnen de Koninklijke marechaussee zodanig in te richten dat zowel het militaire als het civiele werk naar behoren wordt ondersteund, moet aan de informatie-architectuur bijzondere aandacht worden besteed. In samenwerking met het ministerie van Binnenlandse Zaken en het ministerie van Justitie is begonnen met het project Interim Landelijk Mobilofoonnet. Hiermee wordt een aantal landelijke netten voor de Nederlandse politie en de Koninklijke marechaussee vervangen en wordt de periode tot de invoering van het «Communicatiesysteem-2000» overbrugd. Na invoering kan de Koninklijke marechaussee op elke werklocatie direct toegang krijgen tot landelijke informatiesystemen van de politie.

Voor de huisvesting van de eenheden voor Grensoverschrijdende criminaliteit en Mobiel toezicht vreemdelingen wordt begonnen met de renovatie of de nieuwbouw voor de brigades Eindhoven, Heerlen, Maastricht, Venlo en Weert. Tevens is renovatie en nieuwbouw voorzien voor twee gebouwen van het opleidingscentrum in Apeldoorn. In 1997 is de nieuwbouw gereed voor de concentratie van marechaussee-eenheden in Den Haag, de brigade voor Mobiel toezicht vreemdelingen in Zevenaar en de brigade in Seedorf.

2.6 De Nederlandse Antillen en Aruba

Naast de verdediging van het grondgebied van het Koninkrijk, zijn de defensie-inspanningen in het Caribische gebied met name gericht op de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, in het bijzonder de handel in verdovende middelen.

De kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba is in dienst gesteld op 1 februari 1996. Bij brief van 26 april 1996 (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 126) is het parlement ingelicht over deze kustwacht en over de Voorlopige Regeling Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Waarschijnlijk zal de kustwacht in 1998 op volle sterkte en volledig operationeel zijn. De functie van commandant Kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba wordt vervuld door de commandant der Zeemacht in het Caribische gebied.

De regeling voor de kustwacht noemt de volgende toezichthoudende en opsporingstaken: algemene politietaken, waaronder drugsbestrijdingsoperaties, grensbewaking, douanetoezicht, toezicht op het milieu en de visserij en toezicht op de scheepvaart. De dienstverlenende taken zijn de afwikkeling van nood-, spoed- en veiligheidsverkeer, alsmede hulpverlening en rampenbestrijding. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State heeft de rijksministerraad een beslissende rol in de regeling gekregen. Het beleid voor de kustwacht wordt voorbereid in de Kustwachtcommissie, die is samengesteld uit vertegenwoordigers van dertien betrokken ministers van de drie landen. Deze commissie is in mei 1996 voor het eerst bijeen geweest. De beleidsstukken worden ter vaststelling voorgelegd aan de rijksministerraad. Het justitieel beleid wordt vastgesteld door de ministers van Justitie van de Nederlandse Antillen, Aruba en Nederland. Bij gebrek aan overeenstemming tussen de ministers van Justitie beslist de rijksministerraad.

De regering van Aruba heeft de opkomstplicht voor dienstplichtigen opgeschort. Onderzocht wordt hoe Arubaanse vrijwilligers in de Koninkrijks krijgsmacht opgenomen kunnen blijven.

HOOFDSTUK 3: HET PERSONEELSBELEID

3.1 Inleiding

Met ingang van 1 januari 1997 is de overgang naar een vrijwilligerskrijgsmacht een feit. Vooral het voorspoedige verloop van de herstructurering en de tevredenstellende wervingsresultaten hebben geleid tot een generaal pardon voor dienstplichtigen per eind augustus 1996. De opschorting van de opkomstplicht en de daling van het aantal burgers en beroepsmilitairen onbepaalde tijd hebben geleid tot de sterke vermindering van het aantal personeelsleden bij Defensie. Was de begrotingssterkte in 1995 nog krap 90 000, in 1997 zal deze dalen tot ruim 77 000. In 1997 en 1998 zullen de effecten van de herstructurering uit de Prioriteitennota en de Novemberbrief in volle omvang merkbaar worden. Deze jaren zullen dan ook in belangrijke mate in het teken staan van herplaatsingsactiviteiten, ook buiten Defensie.

3.2 De maatschappelijke positie van de militair

Veel van de maatschappelijke verworvenheden en vernieuwingen in de krijgsmacht vinden hun oorsprong in het begin van de jaren zeventig. Sindsdien zijn zowel de krijgsmacht als de samenleving ingrijpend veranderd. De krijgsmacht neemt sinds enkele jaren in internationaal verband veelvuldig aan crisisbeheersingsoperaties deel en zal met ingang van 1 januari 1997 volledig uit vrijwilligers bestaan. In de samenleving wordt over vele zaken, bijvoorbeeld arbeidsverhoudingen, waarden en normen, anders gedacht dan vijfentwintig jaar geleden. Deze ontwikkelingen zijn voldoende reden de maatschappelijke positie van de militair tegen het licht te houden. Een concrete aanleiding is ook het advies van Maatschappelijke Raad voor de Krijgsmacht (MRK) over de vermaatschappelijking en normstelling in een veranderende krijgsmacht.

De krijgsmacht neemt als «zwaardmacht» van de overheid een bijzondere positie in binnen de samenleving. Militairen dienen overal ter wereld onder alle omstandigheden ingezet te kunnen worden. Dat kan alleen maar als zij goed op hun taak zijn voorbereid. De herstructurering leidt tot de daarvoor vereiste professionalisering van de krijgsmacht. Het bijzondere karakter van het militaire beroep dient in het personeelsbeleid, de personeelszorg en de arbeidsvoorwaarden tot uitdrukking te komen. Dit kan afwijken van wat buiten de krijgsmacht gebruikelijk is. De specifieke defensieregelingen lopen uiteen van een eigen werk- en rusttijdenregeling tot een eigen straf- en tuchtrecht. De afwijkingen in de regelgeving hangen vooral samen met de vereisten die het optreden van de krijgsmacht in nationaal en internationaal verband stellen. In de komende tijd zal worden bezien op welke punten aanpassingen nodig zijn om regelingen beter te doen aansluiten bij de veranderde omstandigheden.

Defensie stelt in beginsel dezelfde eisen aan beroepspersoneel zowel voor bepaalde als voor onbepaalde tijd. Dit sluit aan bij de opvatting van de MRK dat BBT'ers volwaardige militairen zijn. Er wordt veel van militairen gevraagd. Idealiter zouden ze aan de volgende eisen moeten voldoen. Militairen moeten kunnen optreden onder extreme omstandigheden met gevaar voor eigen leven. Zij beschikken over fysiek uithoudingsvermogen en psychische stabiliteit. Zij treden correct en gedisciplineerd op en zijn mede daardoor in staat gezag af te dwingen. Militairen zijn loyaal aan het bevoegd gezag. Ze zijn steeds beschikbaar en inzetbaar. Zij werken goed samen zowel met militairen van de eigen eenheid als met collega's in internationaal verband. Militairen treden doortastend op en laten zich niet provoceren. Zij hebben respect voor andere volkeren en culturen. In voorkomende gevallen kunnen zij hardheid combineren met humaniteit. Geen van de bovenstaande eisen is uniek. Bijzonder is wel dat van militairen wordt verwacht dat ze aan de combinatie van het geheel van deze eisen voldoen.

Het gedrag van de militair moet de toets der kritiek in alle omstandigheden kunnen doorstaan. Voor de militair kunnen als wezenlijke waarden en normen worden aangemerkt: verantwoordelijkheid, tolerantie, discipline, flexibiliteit, respect en collegialiteit. Het is belangrijk dat de militair handelt overeenkomstig deze waarden en normen, die een logisch uitvloeisel zijn van de gestelde eisen en het functioneren van de krijgsmacht. Samen zullen ze ten grondslag liggen aan een nader uit te werken gedragscode voor militairen. Hoofdelementen van die gedragscode zijn:

– correcte, gedisciplineerde en integere uitvoering van de opgedragen taken en zorgvuldig omgaan met de aan de krijgsmacht gegeven bevoegdheden en middelen;

– een houding en gedrag waaruit zelfrespect en respect voor de medemens spreekt en die de geloofwaardigheid van de Nederlandse krijgsmacht ook in internationaal verband ondersteunt;

– het geven van steun en hulp in moeilijke omstandigheden;

– bij de taakuitvoering in alle omstandigheden inhoud geven aan de bijzondere verantwoordelijkheid van de krijgsmacht voor het bevorderen van de (inter)nationale rechtsorde, op gepaste, beheerste wijze omgaan met macht en geweld, ook door strikte en voorbeeldige naleving van de (inter)nationale rechtsregels zoals die op het terrein van het humanitaire en oorlogsrecht.

Een gedragscode is nodig vanwege de bijzondere taken van de krijgsmacht, het optreden in internationaal verband, het feit dat de krijgsmacht voor vele militairen niet alleen hun werk- maar ook hun leefomgeving is en het gegeven dat velen zich op jonge leeftijd aanmelden bij de krijgsmacht. Vooral voor de jongeren kunnen duidelijke regels een houvast bieden. Een gedragscode stelt bovendien hoge eisen aan het voorbeeldgedrag van leidinggevenden. Militairen van hoog tot laag moeten elkaar zo nodig op naleving van de gedragscode, die voor de gehele krijgsmacht geldt, aanspreken. De gedragscode zal op een handzame en toegankelijke wijze worden vastgelegd en toegelicht. Elk van de krijgsmachtdelen zal de elementen van de gedragscode, voor zover nodig, uitwerken in concrete gedragsregels.

Veel waarde moet worden gehecht aan burgerschaps- en ethische vorming van de militairen. In de initiële en vervolgopleidingen, alsmede in conferenties van de Geestelijke verzorging, zal aan thema's die hierop betrekking hebben aandacht moeten worden besteed. De krijgsmacht is niet alleen verantwoordelijk voor het bevorderen van ethisch en maatschappelijk aanvaardbaar gedrag, zij heeft ook de plicht ongewenst gedrag te voorkomen en te bestrijden. Dit kan bijvoorbeeld door toepassing van het militair straf- en tuchtrecht.

Met betrekking tot het straf- en tuchtrecht beveelt de MRK aan dit af te stemmen op de opleidings- en oefensituatie, crisisbeheersingsoperaties en oorlogssituaties. Deze aanbeveling bergt het gevaar in zich dat een meervoudig militair straf- en tuchtrecht ontstaat, met als gevolg onduidelijkheid welke regels in welke situatie van toepassing zijn. Voor de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid van de militairen is het noodzakelijk dat het militair straf- en tuchtrecht bestaat uit een enkel systeem van ondubbelzinnige regels. Bij het toepassen van deze regels dienen uiteraard de specifieke omstandigheden in aanmerking te worden genomen. Dit laatste is overigens ook de visie van de MRK.

De gedragscode en de waarden en normen komen voort uit de eisen die de krijgsmacht stelt. Tegelijkertijd zullen ze voldoende weerklank moeten vinden in de maatschappij. Anders dan de MRK acht Defensie het niet noodzakelijk een apart college in het leven te roepen om maatschappij en krijgsmacht bij elkaar te houden. Er is geen organisatie met zo'n intensieve in- en uitstroom van en naar de arbeidsmarkt als de krijgsmacht. Ook het reservepersoneel speelt een belangrijke rol in de communicatie met de maatschappij. De beroepsmilitairen bepaalde en onbepaalde tijd nemen, evenals de burgermedewerkers van Defensie, intensief deel aan het maatschappelijk verkeer. Tenslotte zien ook het parlement en de centrales van overheidspersoneel erop toe dat de krijgsmacht voldoende geïntegreerd blijft in de samenleving.

De professionele militair is méér dan een burger in uniform. Dit leidt tot een bijzondere maatschappelijke positie met waar nodig afzonderlijk beleid en regelgeving. Natuurlijk zullen (maatschappelijke) verworvenheden en vernieuwingen ook in de toekomst in de krijgsmacht hun plaats behouden of krijgen, tenzij dat op goede gronden niet kan. Bij de inpassing van de invloeden van de samenleving in de nieuwe krijgsmacht zal het rapport van de MRK worden betrokken.

3.3 Herstructurering

3.3.1 Nieuwe personeelsformatie

In deze begroting zijn de voor 1997 voorziene reducties en financiële consequenties van de Novemberbrief op personeelsgebied gesplitst naar beleidsterreinen en personeelscategorieën. De reductie als gevolg van de Novemberbrief loopt in 1997 op tot ongeveer 1 100 functies.

De vermindering van de reductietaakstelling van de Koninklijke marechaussee loopt op van 50 in 1996 tot 150 in 1998. Door een extra parate genieconstructiecompagnie en enkele instructeurs mijnenruiming komen er bij de Koninklijke landmacht 185 functies bij.

3.3.2 Personeelsvoorziening

In 1995 zijn ruim 7 500 militairen voor een aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd geworven. In de komende jaren zal vanwege de opschorting van de dienstplicht een extra wervingsinspanning moeten worden geleverd. Er zullen jaarlijks ongeveer 7 400 militairen voor een aanstelling voor een bepaalde tijd moeten worden geworven. De wervingsbehoefte aan militairen voor onbepaalde tijd bedraagt ongeveer 1 000 personen per jaar. De personeelsvoorziening is vanaf 1 april van dit jaar in handen van de Defensie-organisatie voor werving en selectie (DWS). De DWS werkt voor alle defensie-onderdelen. De werving is in 1995 naar tevredenheid verlopen. De wervingsresultaten in de eerste helft van 1996 – een piek- jaar – doen verwachten dat de trend uit vorige jaren ook in 1996 zal worden voortgezet.

3.4 Personeelsvermindering

3.4.1 Reductiebeleid

Het motto van het reductiebeleid is «zorg voor werk, binnen of buiten de defensie-organisatie». Om dat beleid te laten slagen, is met de centrales van overheidspersoneel overeengekomen dat niet uitsluitend individuen overtollig kunnen worden verklaard, maar ook een groep van uitwisselbare functies/functionarissen kan worden aangewezen waarbinnen zich overtolligheid voordoet. Alle tot de aangewezen groep behorende defensiemedewerkers worden gedurende enige tijd in de gelegenheid gesteld om, zo nodig met gebruikmaking van het Sociaal Beleidskader, de organisatie te verlaten, dan wel binnen de organisatie een andere functie te aanvaarden. Indien dit niet tot voldoende resultaat leidt, zal alsnog tot de aanwijzing van individuele overtolligen moeten worden overgegaan. Deze maatregel heeft mede tot gevolg dat herplaatsing en vrijwillige uitstroom beter kunnen worden gespreid. De piek in de overtolligheid in het jaar 1998, die het cumulatieve effect is van de Defensienota, de Prioriteitennota en de Novemberbrief, kan hiermee worden afgevlakt. Binnen de Koninklijke landmacht, waar de reductieproblematiek het grootst is, is in 1996 al begonnen met het aanwijzen van groepen waarbinnen zich overtolligheid voordoet. Overigens geldt voor BOT-personeel, dat in het kader van crisisbeheersings- en vredesoperaties uitgezonden is geweest, dat gedurende tenminste één jaar na uitzending werk binnen Defensie wordt gegarandeerd. Hierop is ook aangedrongen door het parlement bij de behandeling van de defensiebegroting voor 1996.

De instroombeperking voor militair personeel en de vacaturestop voor burgerpersoneel hebben de mogelijkheden van de organisatie vergroot om intern oplossingen te vinden voor overtolligen. Niettemin moet, gelet op de voorziene ontwikkeling van de overtolligheid, voor overtolligen ook werk worden gevonden bij andere overheidsorganisaties en het bedrijfsleven. Daarvoor wordt onder andere gebruikt gemaakt van externe bemiddeling. Dit gebeurt zowel op individuele basis als met behulp van groepsgewijze omscholingsprojecten. De ervaringen met deze projecten zijn zodanig dat hiermee ook in 1997 zal worden doorgegaan.

3.4.2 Overzicht van de personeelsreducties

Ten opzichte van 1990, het ijkpunt van de Prioriteitennota, is de personeelssterkte van Defensie, exclusief de agentschappen, met ruim 39 procent afgenomen. Deze daling is inclusief de reductie als gevolg van de doelmatigheidsmaatregelen die voor 1996 en 1997 gelden. Vergelijking begroting-1997 – Prioriteitennota

 
 PrioriteitennotaBegroting-1997
 gewenste sterkte voor 1997 volgens de Prioriteitennota1aantallen volgens de begroting 1997verschil in % ten opzichte van de Prioriteiten-nota1
Koninklijke marine   
Beroepsmilitairen OT8 9919 0250.4%
Beroepsmilitairen BT4 3564 3560.0%
Totaal militair personeel13 34713 3810.3%
Burgerpersoneel4 6124 6230.2%
Totaal personeel17 95918 0040.2%
Totale reductie t.o.v. 1990220.6%20.4%  
    
Koninklijke landmacht   
Beroepsmilitairen OT11 57112 1594.8%
Beroepsmilitairen BT12 63512 6850.4%
Totaal militair personeel24 20624 8442.6%
Burgerpersoneel 9194 9 114– 0.9%
Totaal personeel33 40033 9581.6%
Totale reductie t.o.v. 1990253.3%52.5%  
Koninklijke luchtmacht   
Beroepsmilitairen OT8 5878 8142.6%
Beroepsmilitairen BT3 3513 3510.0%
Totaal militair personeel11 93812 1651.9%
Burgerpersoneel1 9291 9350.3%
Totaal personeel13 86714 1001.7%
Totale reductie t.o.v. 1990231.4%30.2%  
    
Koninklijke marechaussee   
Beroepsmilitairen OT3 3713 3910.6%
Beroepsmilitairen BT1 1171 078– 3.6%
Totaal militair personeel4 4884 469– 0.4%
Burgerpersoneel 152 1520.0%
Totaal personeel4 6404 621– 0.4%
Totale reductie t.o.v. 1990214.3%14.6%  
    
Centrale organisatie3   
Beroepsmilitairen OT4284310.7%
Burgerpersoneel 903 9737.2%
Totaal personeel1 3311 4045.2%
Totale reductie t.o.v. 199546.8%1.7%  
    
Dico   
Beroepsmilitairen OT1 2591 2791.6%
Beroepsmilitairen BT 258 2580.0%
Totaal militair personeel1 5171 5371.3%
Burgerpersoneel1 3711 4133.0%
Totaal personeel2 8882 9502.1%
    
Homogene Groep Internationale Samenwerking5   
Beroepsmilitairen OT159159  
Beroepsmilitairen BT  1  1 
Totaal militair personeel160160 
Burgerpersoneel  27  27 
Totaal personeel1871870.0%
    
Totaal overzicht Defensie   
Beroepsmilitairen OT34 36635 2582.5%
Beroepsmilitairen BT21 71821 7290.1%
Totaal militair personeel56 08456 9871.6%
Burgerpersoneel18 18818 2370.3%
    
Totaal personeel74 27275 2241.3%
Totale reductie t.o.v. 1990240.3%39.5%  
Duyverman Computer Centrum   
Beroepsmilitairen OT1010  
Burgerpersoneel 560 560 
Totaal personeel570570 
    
Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen   
Beroepsmilitairen OT7575 
Burgerpersoneel1 3111 311 
Totaal personeel1 3861 386 
    
Totaal-generaal76 22877 1801.2%

De Prioriteitennota vermeldt de gewenste personeelssterkte, exclusief personeel dat BV-LOM geniet en exclusief (verwachte) aantallen BDOS. De begrotingssterkte is inclusief BV-LOM-genietenden en aantallen BDOS. De vermelde aantallen zijn uitgedrukt in volle tijds equivalenten op basis van een 38-urige werkweek.

1 De personeelssterktereeks voor 1997 uit de Prioriteitennota is bijgesteld voor die mutaties in de personeelssterkte welke voor de berekening van de omvang van de reducties buiten beschouwing dienen te blijven. In deze mutaties zijn verwerkt de doorwerking van de 1e tranche doelmatigheidsmaatregelen uit de begroting-1996, de effecten van de 2e tranche doelmatigheidsmaatregelen met ingang van de begroting-1997, de Homogene Groep Internationale Samenwerking, overhevelingen tussen beleidsterreinen en beleidsbijstellingen.

2 De begrote sterkte 1990 is het zgn. ijkpunt voor de personeelsreducties (zie Defensienota, blz. 164). De vermelde percentages zijn de totale reducties inclusief de opschorting van de opkomstplicht voor dienstplichtigen van het desbetreffende beleidsterrrein.

3 In de begrotingssterkte van 1997 is de vijf procent reductie in het kader van CO/Haagse staven verwerkt. Deze vijf procent heeft uitsluitend betrekking op beleids(-ondersteunende) functies. Aangezien de aantallen BDOS deel uitmaken van de begrotingssterkte zijn de vijf procent reductie en de overtolligheid als gevolg hiervan niet zichtbaar in de begrotingssterkte van 1997. De aantallen BDOS zijn toegenomen door de vervroegde opheffing van de directie Dienstplichtzaken, waardoor de begrotingssterkte 1997 relatief minder gedaald is t.o.v. de gewenste sterkte voor 1997 volgens de Prioriteitennota.

4 Voor de Centrale organisatie wordt met ingang van 1996 de herziene begroting-1995 gehanteerd als ijkpunt omdat de omvangrijke overhevelingen naar het Dico een incorrect beeld zouden geven van de personeelsreductie.

5 In verband met de herijking van het buitenlands beleid is met ingang van 1997 de Homogene Groep Internationale Samenwerking in het leven geroepen (artikel 08.04 van de artikelsgewijze toelichting), waaruit onder meer de attachés en hun ondersteuning worden gefinancierd (zie paragraaf 7.10).

3.5 Arbeidsvoorwaarden

3.5.1 Arbeidsvoorwaarden algemeen

Op 16 november 1995 is in het Sectoroverleg Defensie overeenstemming bereikt over de arbeidsvoorwaarden voor de periode 1995–1997. Onderdeel van het akkoord is de afspraak te onderzoeken of bij Defensie meer flexibele werktijden verantwoord kunnen worden geïntroduceerd, in samenhang met herverdeling van arbeid. Daarbij moet tevens de vraag worden beantwoord hoe zo'n maatregel de overtolligheid bij Defensie kan verminderen.

Met name voor het arbeidsvoorwaardenbeleid voor militair personeel, dat vanaf de jaren zestig vorm en inhoud heeft gekregen, geldt dat er aanleiding is te bezien of het nog voldoende past bij de veranderde omstandigheden. Een punt van aandacht daarbij is dat, op grond van het «Raamwerk verbeterd economisch beheer», de beslissingsvrijheid van commandanten van resultaatverantwoordelijke eenheden zal worden vergroot. Dat betekent dat ook personele bevoegdheden lager in de organisatie worden gelegd.

Dit mag niet leiden tot verminderde rechtszekerheid voor het personeel; de kaders waarbinnen commandanten personele beslissingen kunnen nemen, moeten duidelijk zijn. Daartoe zullen het militair ambtenarenregelement, de bezoldigingsvoorschriften enz. worden aangepast. De noodzaak van nadere uitwerking in interne voorschriften op krijgsmachtdeelniveau komt dan te vervallen.

3.5.2 Reservistenbeleid

Op 21 mei 1996 is aan het parlement de nota «Het reservepersoneel in de professionele krijgsmacht» aangeboden (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 104). Deze nota is mede een reactie op advies nummer 32 van de Maatschappelijke Raad voor de Krijgsmacht: «De positie van reservisten in Krijgsmacht en samenleving». In de Prioriteitennota was al aangekondigd dat nader onderzoek nodig was naar de plaats binnen de organisatie en naar de samenstelling en de functie van het reservepersoneel. De nota reservistenbeleid zet het beleid uiteen ten aanzien van het reservepersoneel. Daarbij wordt aandacht besteed aan een vrijwillige beschikbaarheid van reservisten. Er wordt naar gestreefd hen gemotiveerd en actief bij de krijgsmacht betrokken te houden. In de Militaire ambtenarenwet zal een grondslag worden opgenomen voor de reserveverplichtingen van ex-beroepspersoneel. In de Wet voor het reservepersoneel der Krijgsmacht 1985 zal de duur van deze en van andere, vrijwillig aangegane reserveverplichtingen worden geregeld.

3.6 Beleid voor postactieven

3.6.1 Pensioenen en sociale zekerheid

Per 1 april 1997 zal voor het burgerpersoneel de regeling «flexibel vervroegd uittreden» in werking treden. Deze regeling, die in de plaats komt van de Vut, voorziet in een mogelijkheid op 62-jarige leeftijd uit te treden tegen 70 procent van de laatstgenoten bezoldiging. Ook kent de regeling keuzevrijheden om eerder, later of gedeeltelijk uit te treden. Het nieuwe systeem voor flexibel uittreden gaat gepaard met verschillende overgangsregelingen, onder meer voor diegenen die ouder zijn dan 50 jaar of een bepaald aantal jaren in dienst zijn. Over aanvullende sectorale aanspraken wordt overleg gevoerd met de Sectorcommissie Defensie.

Mede in verband met de veranderende personeelssamenstelling van de krijgsmacht is een onderzoek begonnen naar een vernieuwing van de zogenoemde diensteinderegelingen voor het militair personeel. Er is hier een duidelijk verband met het onderzoek naar een andere financieringsvorm van de militaire ouderdomspensioenen, die tot nu toe uit de begroting worden gefinancierd. Dit onderzoek wordt eind dit jaar afgerond. De uitkomsten daarvan worden in de Sectorcommissie Defensie besproken.

Er is een contract gesloten met de Stichting pensioenfonds ABP over de uitvoering van de militaire nabestaandenpensioenen, zoals die is neergelegd in het Militaire nabestaandenreglement. Dit komt voort uit de privatisering van het ABP per 1 januari 1996. Er is rekening gehouden met de gevolgen voor de nabestaandenpensioenen voor het overheidspersoneel van de per 1 juli 1996 ingevoerde Algemene nabestaandenwet. In de Raad voor het Overheidspersoneel is voor 1996 en 1997 een tijdelijke reparatie afgesproken, in afwachting van een structurele herziening van het nabestaandenpensioenen. Voor het burgerpersoneel zijn deze afspraken neergelegd in het Pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP en in de desbetreffende rechtspositievoorschriften.

In het arbeidsvoorwaardenakkoord is onder meer overeengekomen de aanspraken op de wachtgeldregelingen voor het defensiepersoneel te versoberen. Uitgangspunt is de invoering van een meer activerende regeling overeenkomstig de Werkloosheidswet. Bijzondere aandacht zal worden besteed aan de positie van werknemers van 40 jaar en ouder. De nieuwe regeling – het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel – is per 1 juli 1996 in werking getreden en geldt voor ontslagsituaties van na die datum, die niet onder het Sociaal Beleidskader Defensie vallen.

Per 1 januari 1998 zal het overheidspersoneel onder de werking van de werknemersverzekeringen worden gebracht. Dit betekent dat het stelsel van sociale zekerheid voor het overheidspersoneel moet worden gewijzigd. De aanspraken die het overheidspersoneel heeft in verband met ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid worden dan gescheiden in een wettelijk en een bovenwettelijk deel. Het wettelijk deel wordt gevormd door de werknemersverzekeringen. De bovenwettelijke aanspraken voor het defensiepersoneel worden vastgelegd in de Algemene militaire pensioenwet en de verschillende rechtspositievoorschriften. Over de wijzigingen in de regelgeving wordt overleg gevoerd in de Sectorcommissie Defensie.

3.6.2 Nazorg bij uitzending en veteranenbeleid

Door de deelneming aan vredesoperaties groeit het aantal militairen dat heeft gewerkt onder oorlogs- of daarmee gelijk te stellen omstandigheden gestaag. Bij de uitzending van eenheden wordt veel aandacht besteed aan de bescherming van militairen tegen de lichamelijke en geestelijke gevolgen van oorlog en geweld. Ook na terugkeer blijft dit een punt van aandacht.

Ondanks alle voorzorgsmaatregelen kan niet worden voorkomen dat een aantal militairen als gevolg van de deelneming aan vredesoperaties fysieke of psychische problemen krijgen. De zorg voor die militairen vraagt bijzondere aandacht. Daarvoor is een uitgebreid netwerk van gespecialiseerde hulpverleners beschikbaar. Militairen die uitgezonden zijn geweest en de dienst hebben verlaten, kunnen via de Stichting Dienstverlening Veteranen een beroep doen op hulp. Hulpverlening kan in die gevallen, afhankelijk van de voorkeur van de betrokken veteraan, worden verleend door zowel civiele hulpverleningsinstanties als door instanties van de krijgsmacht.

Op verzoek van Defensie doet de Vrije Universiteit onderzoek naar de ontwikkeling van de aard en omvang van de nazorg. Dat zal zich voornamelijk richten op militairen die hebben deelgenomen aan uitzendingen sinds de periode Libanon. Naar de zorgbehoefte van veteranen van vóór die periode is al wetenschappelijk onderzoek gedaan. Bij het onderzoek zal ook aandacht worden besteed aan de ervaringen en de behoefte aan hulp van gezinsleden. Bij het onderzoek zullen – naast de behoefte aan zorg – de structuur van de zorgverlening en de daarmee verbonden geldstromen in kaart worden gebracht. Een begeleidingscommissie onder leiding van een onafhankelijke voorzitter zal aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek beleidsaanbevelingen formuleren. De resultaten worden in de eerste helft van 1997 verwacht. Daarnaast wordt een nieuw onderzoek verricht naar de gezondheidsklachten van militairen die in Cambodja hebben gediend. Het onderzoek, dat wordt uitgevoerd door de universiteit van Nijmegen, zal anderhalf tot twee jaar duren.

In 1997 zal veel aandacht en inspanning nodig zijn om het voornemen van de regering uit te voeren om, als een uiting van erkenning en respect, gewezen dienstplichtigen die langer dan twee jaren en korter dan vijf jaren dienst hebben verricht, waarvan een deel in Nederlands-Indië, een uitkering te verstrekken.

HOOFDSTUK 4: HET MATERIEELBELEID

4.1 Inleiding

Door de deelneming aan de vredesoperaties wordt materieel intensiever en soms anders gebruikt dan voorzien. Dit kan leiden tot meer slijtage, wat extra onderhoud vergt of tot een eerdere vervanging noodzaakt. Ook is soms de aanschaf van specifiek materieel noodzakelijk. Het belang van interoperabiliteit en standaardisatie wordt bij deze operaties onderstreept. Dit zal in het materieelbeleid meer aandacht krijgen. In internationaal verband zijn mechanismen ontwikkeld om schaalvergroting, standaardisatie en interoperabiliteit te bevorderen: het «Conventional Armaments Planning System» (Caps) en het «Equipment Replacement Schedule» (ERS). Nederland zal de geboden mogelijkheden voor samenwerking optimaal blijven gebruiken.

Onlangs is het parlement ingelicht over de resultaten van de evaluatie van het Defensie Materieelkeuze Proces (DMP). In het herziene DMP wordt, vooral met het oog op de interne besluitvorming, ook voor projecten op het gebied van automatisering en infrastructuur van meer dan f 5 miljoen de DMP-procedure toegepast. Dit geldt eveneens voor exploitatieprojecten met dezelfde financiële omvang en met een technologisch dan wel operationeel sterk vernieuwend karakter. Het DMP zal in 2000 opnieuw worden geëvalueerd.

Een belangrijk nieuw element in het materieelbeleid is het gestructureerd interdepartementaal overleg. Jaarlijks wordt overleg gevoerd over projecten in de verwervingsvoorbereidingsfase die rechtstreeks verband houden met beleidsterreinen of wetgeving van andere ministeries, die van belang zijn in het kader van medegebruik of die een financiële omvang hebben van meer dan f 500 miljoen. Dit overleg wordt gevoerd sinds eind 1995.

4.2 Logistiek beleid

Bij de onderhoudsbedrijven zijn de mogelijkheden tot uitbesteding van de ondersteunende materieel-logistieke taken geïnventariseerd. Dit heeft geleid tot de vaststelling van de toekomstige logistieke capaciteit. Deze is afgestemd op de minimale behoefte. Er zal slechts in uitzonderingsgevallen sprake zijn van een restcapaciteit. Het uitgangspunt is eventuele restcapaciteit in de eerste plaats te vullen met werk voor organisaties binnen de rijksoverheid. Het uitbesteden van werkzaamheden terwijl eigen capaciteit onbenut blijft, moet worden vermeden.

De economische afweging tussen vervanging en levensduurverlengend onderhoud berust op de levensduurkosten van de alternatieven. Bij de beoordeling van de kosteneffectiviteit van defensiematerieel wordt meer en meer aandacht geschonken aan de totale levenscyclus van de systemen: ontwerp, exploitatie en afstoting. Kosten die ontstaan bij het ontwerp drukken immers gedurende de totale gebruiksperiode op de exploitatie. Ook het gebruik van het materieel bij vredesoperaties zal hierbij worden betrokken. Ontwikkelingen in de informatietechnologie bevorderen de beheersing en de reductie van de levensduurkosten. Binnen de Navo krijgen deze ontwikkelingen, die bekend staan onder de naam «Continuous Acquisition and Lifecycle Support» (Cals), momenteel veel aandacht.

In de komende jaren zal het elektronisch bestellen van onderdelen bij leveranciers zijn intrede doen. Verwacht wordt dat dit besparingen oplevert en tevens de betrouwbaarheid bevordert. De bestel- en levertijden worden aanmerkelijk korter. Hierdoor kan doelmatiger met de voorraadvorming worden omgegaan. Elektronisch bestellen vereist het sluiten van raam- en afroepovereenkomsten. Dergelijke overeenkomsten zullen overeenkomstig het bestaande beleid in concurrentie worden aanbesteed.

4.3 Internationale materieelbetrekkingen

Naast de operationele noodzaak van internationale samenwerking spelen bij internationale materieelbetrekkingen ook politieke, economische en financiële factoren een rol. Zo wordt in het licht van het streven naar een meer Europese identiteit van het defensiematerieelbeleid belang toegekend aan de versterking van de Europese defensietechnologische en -industriële basis.

In Navo-verband legt de «Conference of National Armaments Directors» de nadruk op potentiële multinationale samenwerkingsprojecten zoals het «Alliance Ground Surveillance» systeem. Het parlement zal hiervan op de hoogte worden gesteld. In Weu-verband worden de defensiematerieelaangelegenheden behartigd door de «Western European Armaments Group» (Weag). De in 1995 opgerichte «Weag Research Cell» zal op termijn moeten uitgroeien tot een Europees wapenagentschap. Voorzien wordt dat in een latere fase grote materieelsamenwerkingsprogramma's in het agentschap kunnen worden ondergebracht. Tevens worden de mogelijkheden onderzocht voor aansluiting bij het Frans-Duitse wapenagentschap.

Bilaterale samenwerking heeft veelal meer kans van slagen dan multilaterale samenwerking. De meest voor de hand liggende landen voor samenwerking zijn die landen waarmee Nederland al nauwe operationele en materiële banden heeft. Met Duitsland is een «Memorandum of Understanding» gesloten op het gebied van materieelsamenwerking.

De bilaterale contacten met de Midden- en Oost-Europese landen zullen in de nabije toekomst op materieelgebied verder toenemen. Daarbij zullen de samenwerkingsactiviteiten steeds meer verschuiven van eenzijdige activiteiten zoals advisering, naar activiteiten met een wederzijds belang. Naast informatie-uitwisseling met die landen op het gebied van verwerving, planning en projectmanagement, zijn gecombineerde missies voorzien van Defensie, Economische Zaken en de industrie. Er zal gekeken worden naar de mogelijkheden van materieelschenkingen. Bij materieelaanschaffingen zal worden gekeken naar leveranciers uit Midden- en Oost-Europese landen. In het kader van de samenwerking met deze landen zullen «pilotprojecten» op het gebied van wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling worden opgezet. Het eerste project wordt met Polen uitgevoerd. Het richt zich op de analyse van chemische strijdmiddelen en aanverwante chemische verbindingen.

4.4 Defensie-industrie

De relatie van Defensie met de defensie-industrie wordt in eerste instantie bepaald door de behoeften van Defensie. Door materieelaanschaffingen levert Defensie een eigen bijdrage aan het industriebeleid. Compensatie-orders zijn daarbij een belangrijk instrument. De minister van Economische Zaken heeft in dit verband, mede namens de staatssecretaris van Defensie, een brief aangeboden aan het parlement over de afdwingbaarheid van compensatieverplichtingen (Kamerstukken II 1995/96, 24 793, nr. 1). Defensie en Economische Zaken hebben hun afspraken over de inschakeling van het Nederlandse bedrijfsleven geactualiseerd en vastgelegd in het vernieuwde Protocol van samenwerking tussen beide ministeries. De overheid neemt voor de betrokkenheid van het Nederlandse bedrijfsleven bij defensie-opdrachten alleen in uitzonderingsgevallen extra kosten voor haar rekening. Via een goede informatieverstrekking aan en over de Nederlandse defensie-industrie probeert Defensie deze van dienst te zijn. De Stichting Nederlandse industriële inschakeling defensie-opdrachten (NIID) speelt hierbij een rol als tussenpersoon. Ook wordt de industrie ondersteund bij de voorbereiding en de deelneming aan defensiebeurzen in het buitenland.

Er is speciale aandacht voor bepaalde industriële sectoren. Het defensiematerieelbeleid kan bijdragen tot de instandhouding, in bondgenootschappelijk en in Europees verband, van de defensietechnologische en –industriële basis in Nederland. Voorbeelden zijn de gespecialiseerde marinebouw en de ontwikkeling van de hoogwaardige radarsystemen door Holland Signaal Apparaten (HSA).

4.5 Afstoting

De opbrengsten van overtollige roerende en onroerende zaken waren in 1995 gunstig. Enerzijds is aan de taakstelling voldaan en anderzijds zijn termijnbetalingen op tijd ontvangen. De lopende besprekingen over de afstoting van overtollige roerende en onroerende zaken rechtvaardigen de verwachting dat dit gunstige beeld ook in 1996 en 1997 zal worden voortgezet. In 1995 hebben de verkopen in totaal f 172 miljoen opgebracht. De verkoop van strategische roerende zaken heeft f 104 miljoen opgebracht. De verkoop van niet-strategische roerende zaken leverde f 31 miljoen op. De opbrengst uit de verkoop van onroerende zaken in 1995 bedroeg f 37 miljoen.

De vooruitzichten voor 1996 en 1997 zijn, zoals gezegd, goed. Een belangrijk deel van de opbrengst bestaat uit betalingen voor de in 1992 verkochte S-fregatten en de in 1994 verkochte YPR-765 pantservoertuigen. In 1996 zijn twee S-fregatten aan de Verenigde Arabische Emiraten verkocht, door tussenkomst van het Nederlandse bedrijfsleven. De levering zal plaatsvinden in 1997 en 1998. Deze verkoop maakt deel uit van een groter pakket producten en diensten waarbij Nederlandse bedrijven betrokken zijn.

Als gevolg van het in 1996 gehouden doelmatigheidsonderzoek zullen meer onroerende zaken worden afgestoten. De geraamde meeropbrengst voor de verkoop van objecten waarvan afstoting zonder meer mogelijk is, bedraagt f 60 miljoen. In het kabinet is overeengekomen dat Defensie voor de jaren 1997 tot en met 1999 een inspanningsverplichting op zich zal nemen extra opbrengsten bij de verkoop van (on)roerende zaken te bereiken (zie ook paragrafen 7.1 en 7.4).

4.6 Wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling

De verzakelijking van de relatie met de organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO) heeft geleid tot een betere afstemming van onderzoeken en adviezen op de behoeften van Defensie. Programma's en projecten die een breder belang dienen dan dat van Defensie, worden afgestemd met andere ministeries. De interdepartementale Commissie ontwikkeling defensiematerieel (Codema) beoordeelt projectvoorstellen voor de ontwikkeling van technologie én materieel op hun waarde voor de krijgsmacht en het bedrijfsleven. Voortaan zal Defensie ook zo veel mogelijk de internationale technologie- en materieelontwikkelingsprojecten onder de regeling van de Codema brengen.

De Europese samenwerking in defensietechnologie levert in het kader van de «European Cooperation for the long term in Defence» (Euclid) steeds meer resultaten op, met name wat betreft sensoren, materialen, avionica, informatietechnologie en simulatoren. Defensie geeft jaarlijks ongeveer f 10 miljoen uit aan Euclid-projecten op het gebied van onderzoek en ontwikkeling. Binnen Euclid is begin 1996 begonnen met een jaarlijkse conferentie om de Europese industrie te informeren over de onderzoeks- en technologiebehoeften van de Europese overheden. Op grond van deze informatie kunnen samenwerkende Europese industrieën voorstellen ter financiering aan de overheden voorleggen.

Om de voor Defensie belangrijke onderzoeksinstituten te laten profiteren van compensatieverplichtingen van buitenlandse ondernemingen, zullen de onderzoeksbelangen worden betrokken bij de onderhandelingen.

HOOFDSTUK 5: DE DOELMATIGHEIDSOPERATIE

5.1 Algemeen

Elk half jaar wordt de Tweede Kamer over de voortgang van de doelmatigheidsoperatie ingelicht. In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan het verloop van de doelmatigheidsoperatie gedurende de eerste helft van 1996. Er wordt ingegaan op het Defensie interservice commando (Dico) voor ondersteunende diensten en bedrijven en op een aantal nieuwe interservice bedrijven. Een belangrijk deel van de doelmatigheidsprojecten wordt op dit ogenblik uitgevoerd. In dit hoofdstuk wordt ook aandacht besteed aan recente en toekomstige ontwikkelingen in die lopende projecten.

De geraamde doelmatigheidswinst voor 1997 wordt bereikt. In de artikelsgewijze toelichting (artikel U 08.03) is aangegeven op welke terreinen deze wordt verwezenlijkt. Omdat nagenoeg alle bedrijven en diensten van de groep Defensie-ondersteuning (GDO) zijn opgenomen in het Dico, is de GDO als zelfstandig beleidsterrein verdwenen uit de begroting (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 69). Het beleidsterrein Dico is hiervoor in de plaats gekomen. Naar dit nieuwe beleidsterrein worden de budgetten overgeheveld van de krijgsmachtdelen, de Koninklijke marechaussee en de Centrale organisatie (CO), inclusief de GDO, voor producten en diensten die nu door het Dico worden geleverd.

5.2 Het Dico

Per 1 april 1996 is het Dico opgericht (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 60). Het staat ten dienste van de hele defensie-organisatie. In beginsel zullen daarom alle diensten en bedrijven die defensiebreed ondersteunende taken verrichten in het Dico worden ondergebracht. Vanaf 1 april 1996 maakt de Defensie-organisatie voor werving en selectie (DWS) deel uit van het Dico, vanaf 1 mei 1996 de Defensie verkeers- en vervoersorganisatie (DVVO), vanaf 1 juli 1996 de diensten voor Geestelijke verzorging en vanaf 2 september het Geneeskundig facilitair bedrijf (GFB).

Daarnaast zijn ook de diensten en bedrijven van de GDO vanaf 1 april 1996 in het Dico opgenomen. Dat zijn het Duyverman Computer Centrum (DCC), de dienst Gebouwen, Werken en Terreinen (DGWT), het Instituut Defensieleergangen, het Defensie Archieven-, Registratie- en Informatiecentrum, de dienst Personeels- en Salarisadministratie, de dienst Militaire Pensioenen en het Defensie Materieel Codificatiecentrum. Alleen de dienst Facilitaire Zaken, die voornamelijk voor de Centrale organisatie werkt, is niet overgegaan naar het Dico. De GDO is per 1 april 1996 opgeheven. Er werken in 1997 bij het Dico ongeveer 4 900 personen.

De ondersteunende diensten en bedrijven opereren binnen het Dico als resultaatverantwoordelijke eenheden. Deze diensten en bedrijven bezitten een zodanige mate van zelfstandigheid, dat zij zelf een zakelijke relatie met de klanten bij Defensie kunnen onderhouden. Voor de diensten en producten van de Dico-bedrijven blijft het beginsel van gedwongen winkelnering van kracht. Het DCC en de DGWT behouden de status van agentschap. Voor hen geldt geen gedwongen winkelnering, wèl een gedwongen offerterecht.

5.3 Opleidingen

Het project opleidingen bevindt zich in de tweede fase: de herstructurering van het opleidingsveld. Inmiddels is de inventarisatie van dat veld voltooid en worden nadere onderzoeken naar mogelijkheden tot doelmatigheidswinst verricht. Over de besluiten die hieruit voortkomen, zal het parlement worden ingelicht.

5.4 Het Geneeskundig facilitair bedrijf

Per 2 september 1996 is het Geneeskundig facilitair bedrijf opgericht. Op 15 maart 1996 is het parlement over het GFB ingelicht (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 83). Het GFB gaat de gezamenlijke geneeskundige dienstverlening voor de krijgsmachtdelen verzorgen, met uitzondering van de eerste lijns geneeskundige zorg. Deze is zodanig verweven met de operationele eenheden dat zij buiten de doelmatigheidsoperatie blijft. Deze doelmatigheidsoperatie is immers uitsluitend gericht op de ondersteunende eenheden. Het GFB zal taken vervullen op de gebieden van de medisch specialistische zorg (waaronder het Centraal Militair Hospitaal en het Militair Revalidatiecentrum), de geneeskundige opleidingen, de geneeskundige logistiek en het gezamenlijke geneeskundige beleid.

5.5 Informatietechnologie/telematica

Naar aanleiding van het onderzoek naar de vorming van één defensie-informatietechnologiebedrijf en één defensietelematicabedrijf is een contra-expertise uitgevoerd. Hierin is voorgesteld in plaats van de genoemde twee defensiebedrijven één defensiebedrijf op het gebied van telematica op te richten. Aldus is besloten. In de defensietelematica-organisatie zullen worden opgenomen het Duyverman Computercentrum (DCC), de dienstencentra voor automatisering van de krijgsmachtdelen, het netwerkbeheer van de Koninklijke marine, het landelijke telematicabedrijf van de Koninklijke landmacht en het «Netherlands armed forces integrated network» (Nafin). Met de specifieke operationele belangen van de Koninklijke luchtmacht bij het Nafin zal rekening worden gehouden.

Daarnaast is een afzonderlijk project «Herinrichting informatievoorziening» begonnen. In dit project wordt een nieuw defensiebreed beleid voor informatietechnologie (IT) ontwikkeld. Er zijn drie aanleidingen voor de aanpassing van het huidige beleid. De eerste is een vergroting van de doelmatigheid bij de aanwending van de omvangrijke IT-middelen. Ten tweede heeft de invoering van decentrale bedrijfsvoering gevolgen voor de geautomatiseerde informatievoorziening. Er is een overgang van een centraal en functioneel aangestuurde organisatie naar een decentrale en productgerichte organisatie. De informatiesystemen moeten daarop worden afgestemd. Ten derde noodzaakt de toenemende samenwerking tussen krijgsmachtdelen en de clustering van taken in interservice bedrijven tot een intensivering van de informatie-uitwisseling. Daarvoor moeten voorzieningen worden getroffen om de huidige geautomatiseerde informatiesystemen, die voor een belangrijk deel volgens krijgsmachtdeelspecifieke standaards zijn ontwikkeld, met elkaar te kunnen laten communiceren.

De gewenste herstructurering van de informatievoorziening gaat uit van:

– integrale informatiesystemen per organisatie-eenheid;

– zo veel mogelijk samengesteld uit standaardcomponenten;

– gegroepeerd rondom gemeenschappelijke gegevens.

De geschetste herstructurering van de informatievoorziening zal geleidelijk moeten worden uitgevoerd. Hiervoor zal het nodig zijn bestaande geautomatiseerde systemen zodanig aan te passen dat het mogelijk is om deze stap voor stap te vervangen door nieuwe componenten. Bovendien zal het om rendementsoverwegingen noodzakelijk zijn om delen van bestaande systemen zo enigszins mogelijk voor hergebruik geschikt te maken.

5.6 Onderhoud en logistiek

De bedrijven voor hoger onderhoud van de krijgsmacht worden gereorganiseerd. Als onderdeel van die reorganisatie is de verplaatsing van het Marine Elektronisch en Optisch Bedrijf van Oegstgeest naar Den Helder voorzien.

Binnen het project onderhoud en logistiek zijn midden 1996 de onderzoeken naar de volgende projecten afgesloten:

– kleding en persoonsgebonden uitrusting;

– niet-defensiespecifieke artikelen;

– brandstoffen en onderhoudsmiddelen;

– munitie en reservedelen;

– de concentratie van het onderhoud aan wielvoertuigen en mechanische gronduitrustingen in één verzorgingscommando;

Over de resultaten hiervan zal het parlement worden ingelicht. Het onderzoek naar IT-maatregelen op materieel-logistiek gebied zal dit najaar worden voltooid.

In het kader van de doelmatigheidsoperatie is de vorming van één verwervingsorganisatie voor de gehele krijgsmacht onderzocht. Naar aanleiding hiervan is besloten de materieeldirecties van de krijgsmachtdelen op overlappende gebieden zo veel mogelijk te laten samenwerken. Bovendien is voor alle materieeldirecties besloten tot maatregelen die de organisatiestructuur en de functionele en ondersteunende processen verder verbeteren.

De commerciële functie zal worden versterkt, onder meer door het bijeenbrengen van contractmanagers. Hiermee zullen schaalvoordelen worden behaald en zal de deskundigheid worden bevorderd. Ook zal het projectmanagement worden versterkt. Andere maatregelen zijn de verdere verbetering van het kosteninzicht, de bevordering van kostenbewustzijn en het waarborgen van voldoende commerciële deskundigheid bij verwervingen buiten het materiële functiegebied. Van groot belang is ook de maatregel «best practice», waarbij de directies materieel voortdurend de eigen organisatie en werkwijze intern en extern vergelijken om te komen tot verdere verbeteringen. De invoering van de bovengenoemde maatregelen zal de komende twee jaren permanent aandacht vergen.

5.7 Centrale organisatie/Haagse staven

In de Novemberbrief is meegedeeld dat de beleidscapaciteit van de CO en de krijgsmachtdeelstaven met 25 procent zal worden ingekrompen. In de vorige voortgangsrapportage over de doelmatigheidsoperatie (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 60) is gemeld dat de aanpak voor het project CO/Haagse staven was vastgesteld. Hierin is sprake van zowel taakstellingen als thematische onderzoeken. Dit houdt voor de CO in dat zowel voor 1996 als 1997 een taakstellende reductie van vijf procent van het aantal beleids(-ondersteunende) functies geldt. Voor de Haagse staven geldt dat de bevelhebbers vanaf 1998 zelfstandig hun aandeel uitvoeren van de reductie van 25 procent op beleids(-ondersteunende) functies in de Haagse staven. Zij zijn binnen bepaalde voorwaarden, zoals een goede informatievoorziening van de CO, vrij te bepalen hoe deze reductie voor hun krijgsmachtdeelstaven gestalte krijgt.

Bij de CO is al een begin gemaakt met de eerste reductie van vijf procent van het aantal beleids(-ondersteunende) functies. Voor 1996 is hieraan al voldaan. Naast deze taakstellende reductie zijn er in de loop van 1996 zeven thematische onderzoeken begonnen, met als doel een bijdrage te leveren aan de reductie van 25 procent. Het gaat om onderzoeken naar de volgende thema's:

– integratie van de planningsfunctie bij de CO;

– integratie van het korte-termijnplan en de begroting;

– integratie van de taken op het terrein van de arbeidsvoorwaarden en daarmee samenhangende juridische taken, alsmede integratie van de juridische taken;

– integratie van de internationale taken bij de CO;

– integratie van de wetenschappelijke onderzoeksfuncties;

– bundeling van de organisatie-, informatie- en adviescapaciteit;

– verbetering van de werkwijze van de CO.

De onderzoeken zijn niet gericht op wijziging van de organisatiestructuur, al is niet op voorhand uit te sluiten dat de resultaten toch tot een aanpassing leiden. De resultaten van de thematische onderzoeken worden eind 1996 verwacht. Indien de onderzoeksresultaten onvoldoende personele reducties opleveren, zullen deze alsnog taakstellend worden opgelegd om de 25 procent te verwezenlijken.

5.8 Defensie bewakings- en beveiligingsorganisatie

Uit het doelmatigheidsonderzoek op het gebied van bewaking en beveiliging blijkt dat het grootste deel van het bewakingspersoneel van de Koninklijke luchtmacht, als gevolg van eerdere doelmatigheidsmaatregelen, ook operationele taken heeft. De oprichting van een Defensie bewakings- en beveiligingsorganisatie is daarom niet mogelijk in het kader van de doelmatigheidsoperatie, die immers alleen de ondersteunende organisatie-eenheden van de krijgsmacht betreft. Derhalve is het project bewaking en beveiliging beëindigd.

5.9 Geestelijke verzorging

De diensten voor de rooms-katholieke, protestantse, humanistische en joodse geestelijke verzorging in de krijgsmacht zijn per 1 juli 1996 in het Dico ondergebracht. De betrokken diensthoofden behouden hun directe toegang tot de bevelhebbers. De reorganisatie van de geestelijke verzorging is vastgelegd in een reorganisatieplan. Hierover is overeenstemming bereikt met de zendende instanties en de buitengewone medezeggenschapscommissie diensten Geestelijke verzorging, die speciaal voor deze reorganisatie is opgericht. De totale reorganisatie en de reductie van het aantal geestelijke verzorgers en hun ondersteuning zullen per 1 januari 2000 zijn voltooid. De doelmatigheidswinst bedraagt ongeveer f 10 miljoen.

5.10 Overig

In het afgelopen half jaar is een aantal kleinere doelmatigheidsonderzoeken voltooid. Het betreft onderzoeken naar maatregelen op het terrein van ontwikkeling en ontspanning, bibliotheken en documentatiecentra, de niet-beschikbaarheid van personeel (anders dan door opleidingen) en de integratie van salarissystemen.

De maatregelen in het kader van het project Ontwikkeling en Ontspanning zullen op termijn een geringe doelmatigheidswinst opleveren. Deze wordt onder meer bereikt door de banden met de stichting Vakantie Faciliteiten Militairen geheel te verbreken. Over het project Bibliotheken en Documentatiecentra zijn nog geen besluiten genomen. Het project Niet-beschikbaarheid (anders dan door opleidingen) heeft niet tot doelmatigheidswinst geleid. Gebleken is dat ieder krijgsmachtdeel beschikt over een eigen systematiek om de niet-beschikbaarheid te meten en te compenseren. Deze systematiek is zodanig verweven met de bedrijfsvoering van elk krijgsmachtdeel dat de invoering van één methodiek niet zinvol is. Op grond van de bevindingen van het project Integratie Salarisadministratie wordt bezien in hoeverre de uitbesteding van het beheer, het onderhoud en de exploitatie van het nieuwe salarissysteem voor de krijgsmacht uit het oogpunt van doelmatigheid wenselijk is.

HOOFDSTUK 6: RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEU

6.1 Ruimtelijke ordening

In februari 1996 is de parlementaire behandeling van de Partiële herziening van het Structuurschema Militaire Terreinen (SMT) afgesloten. De begrenzingen van het oefenterrein voor de Luchtmobiele brigade op de Eder- en Ginkelse Heide, van het compagniesoefenterrein Oirschot en van het dubbele eenheidsoefenterrein (EOT) De Haar zijn vastgesteld. Het gebruik van de Eder- en Ginkelse Heide door de Luchtmobiele brigade is vooralsnog tijdelijk; het uiteindelijke gebruik hangt onder meer af van het nadere onderzoek naar de verplaatsing van de Luchtmobiele brigade, inclusief kazerne en helikopters, naar landbouwgronden in Oost-Groningen (uitplaatsing). Bij deze uitplaatsingsstudie wordt in het bijzonder naar de Veenkoloniën gekeken. De studie zal eind 1996 worden voltooid en aan het parlement worden aangeboden. Zodra de besluitvorming over deze nadere uitplaatsingsstudie is afgesloten, zal het SMT integraal worden herzien.

Het inrichtingsplan voor het dubbele EOT De Haar zal op korte termijn worden vastgesteld. De betrokken gemeenten hebben toegezegd spoedig te zullen beginnen met de benodigde wijzigingen in de bestemmingsplannen. Over de toekomstige omvang en inrichting van het oefenterrein bij Havelte is met de betrokken provinciale en gemeentelijke besturen overeenstemming bereikt. De begrenzing zal in het nieuwe SMT worden vastgelegd. Aan een inrichtingsplan wordt gewerkt. Er is geen sprake meer van het betrekken van landbouwgronden bij het oefenterrein.

De Engelbert van Nassaukazerne in Roosendaal wordt de komende jaren grondig gerenoveerd. Het Korps commandotroepen dat daar is gelegerd, gaat gedurende de renovatie naar de Cort Heyligerskazerne in Bergen op Zoom. De Wilhelminakazerne in Ossendrecht zal worden gesloten.

6.2 Milieu

Het milieubeleid bij Defensie richt zich vooral op de uitvoering van het Defensie Meerjarenplan Milieu (DMPM). Hierover brengt Defensie sinds 1995 jaarlijks een voortgangsrapportage uit. Momenteel wordt de wijze van uitvoering geëvalueerd om vast te stellen in hoeverre de theorie van het DMPM met de dagelijkse praktijk in overeenstemming is te brengen. De resultaten komen in 1997 beschikbaar. Tot die tijd zullen de oorspronkelijke uitgangspunten van het DMPM ongewijzigd blijven.

In aansluiting op de ontwikkelingen in de bouwsector in Nederland besteedt Defensie sinds 1995 aandacht aan het onderwerp duurzaam bouwen. Er wordt een plan van aanpak gemaakt om de uitgangspunten van het duurzaam bouwen in het bouwbeleid van Defensie te verwerken.

6.3 Zonering

De geluidszones ingevolge de Luchtvaartwet van zeven militaire luchtvaartterreinen zijn wettelijk vastgesteld. Het betreft de zones rondom Leeuwarden, Twenthe, Deelen, Soesterberg, De Kooy, Valkenburg en Gilze-Rijen. De vaststelling van de overige vier geluidszones voor Volkel, Woensdrecht, Eindhoven en De Peel wordt in 1996 en 1997 verwacht. Van het voornemen om voor de vliegbasis Twenthe tot een nieuwe verkleinde geluidszone te komen is afgezien. Voor deze vliegbasis wordt voorshands de vastgestelde geluidszone gehandhaafd. De geluidsisolatieprojecten rondom de militaire luchtvaartterreinen worden voortgezet. Het totale programma zal waarschijnlijk in 2000 zijn voltooid.

Voor negen luchtvaartterreinen is de commissie overleg en voorlichting milieuhygiëne ex artikel 28 van de Luchtvaartwet ingesteld. Dit betreft Leeuwarden, Twenthe, Deelen, Soesterberg, De Kooy, Eindhoven, Valkenburg, Gilze-Rijen en Volkel. De commissie voor Woensdrecht zal in 1997 worden ingesteld. Gezien de gedeactiveerde status van de vliegbasis De Peel wordt voorshands afgezien van de instelling van een dergelijke commissie voor deze vliegbasis.

HOOFDSTUK 7: FINANCIËN

7.1 Financieel kader

In het kader van de herijking van het buitenlands beleid heeft het kabinet midden 1995 besloten vanaf 1997 f 200 miljoen structureel aan het defensiebudget toe te voegen uit de gelden die in het regeerakkoord voor de intensivering van het buitenlands beleid beschikbaar zijn gemaakt (Cluster-VI-gelden). Dit besluit, een lagere financieringsbehoefte voor de ziektekostenverzekering militair personeel vanaf 2000 en de eenmalige meevaller van de lagere dollarkoers bij de aanschaf van de bewapende helikopters maken het mogelijk de financiële problematiek uit de Novemberbrief op te lossen.

In het kader van de begrotingsvoorbereiding 1997 is het defensiebudget aangepast. Defensie levert zo een bijdrage aan het oplossen van de algemene budgettaire problematiek van de rijksbegroting. Hierbij wordt niet vooruit gelopen op de actualisering van de Prioriteitennota. De maatregelen die genomen zijn, zijn technisch van aard en tasten het beleid niet aan. De kortingen leiden bij alle krijgsmachtdelen in 1997 en 1998 tot herfasering en versobering van bouwprojecten. Verder is er voor gekozen betalingen van materieelprojecten waar mogelijk te herfaseren.

Het totaal van de budgetaanpassing en de invulling daarvan zien er als volgt uit (in miljoenen):

 
 19971998199920002 001
bouw3040    
materieel3226464646
totaal6266464646

Daarnaast is de raming vredesoperaties voor 1997 met f 15 miljoen verlaagd. In het kabinet is afgesproken dat, indien dit bedrag alsnog voor vredesoperaties nodig blijkt te zijn, het wordt aangevuld binnen de Homogene Groep Internationale Samenwerking.

Tenslotte is in het kabinet de afspraak gemaakt dat Defensie zal trachten hogere verkoopopbrengsten dan geraamd te verwezenlijken voor het af te stoten (on)roerend goed. Het gaat om opbrengsten bovenop de bedragen die al taakstellend in de begroting verwerkt zijn. Zowel in 1997 als in 1998 gaat het om f 50 miljoen en in 1999 om f 20 miljoen. Als Defensie er niet in slaagt deze meeropbrengsten te verwezenlijken, dan zal binnen de algemene middelen naar een oplossing worden gezocht.

7.2 Overzicht reële ontwikkeling defensiebudget

De onderstaande overzichten laten de gevolgen zien van de bezuinigingen in de afgelopen jaren op de reële ontwikkeling van het defensiebudget sinds de Prioriteitennota. Op dit moment zal de begroting voor 1997 in reële termen, dat wil zeggen exclusief loon- en prijsstijgingen en incidentele effecten, 8,3 procent lager zijn dan voorzien in de Prioriteitennota.

Overzicht van de financiële kortingen op Defensie sinds de Prioriteitennota (in miljoenen guldens)
 1995199619971998199920002001 
1994 begrotings- voorbereiding– 249– 254– 258– 259– 259– 259– 259 
1995 begrotings- voorbereiding– 318– 322– 322– 322– 322– 322– 322 
Regeerakkoord– 129– 259– 516– 593– 593– 593– 593 
Herijking  + 200+ 200+ 200+ 200+ 200 
1997 begrotingsvoorbereiding  – 77– 66– 46– 46– 46 
Totale korting– 696– 835– 973– 1 040– 1 020– 1 020– 1 020 
De ontwikkeling van het defensiebudget sinds de Prioriteitennota geeft reëel het volgende beeld te zien (in percentages)
jaarten opzichte van voorafgaand jaargecumuleerd sinds Prioriteitennota
1994– 2,1%– 2,1%
1995– 4,1%– 6,1%
1996– 1,2%– 7,2%
1997– 1,2%– 8,3%
1998– 0,6%– 8,9%
19990,2%– 8,7%
2000 – 8,7%
2001 – 8,7%

7.3 Verdeling over de bestedingscategorieën 1995–1997

Hieronder is de verdeling van het totale defensiebudget over de bestedingscategorieën weergegeven.

1995 (in miljoenen guldens)
 Pers. expl.Mat. expl.Invest.Pens. & Wachtg.Totaal
Ontwerpbegroting6 168,02 682,72 976,61 689,613 516,9
in %45,619,922,012,5100
      
Eerste wijzigingsvoorstel, samenhangende met de Voorjaarsnota-1995+ 503,3– 138,3– 203,3+ 38,0+ 199,7
      
Tweede wijzigingsvoorstel, samenhangende met de Najaarsnota-1995– 155,7– 9,1– 142,5+ 34,0– 273,3
      
Derde wijzigingsvoorstel, Slotwet– 27,5+ 32,9– 31,1+ 1,3– 24,4
Totaal realisatie6 488,12 568,22 599,71 762,913 418,9
in %48,419,119,413,1100

1996 (in miljoenen guldens)
 Pers. expl.Mat. expl.Invest.Pens. & Wachtg.Totaal
Ontwerpbegroting6 190,92 414,13 243,41 747,813 596,2
in %45,517,823,812,9100
      
Eerste wijzigingsvoorstel, samenhangende met de Voorjaarsnota–1996– 73,0+ 202,1+ 6,4+ 67,0+ 202,5
      
Nadere bijstellingen+ 9,2– 37,2+ 41,8– 10,2+ 3,6
Totaal vermoedelijke uitkomsten6 127,12 579,03 291,61 804,613 802,3
in %44,418,723,813,1100
1997 (in miljoenen guldens)
 Pers. expl.Mat. expl.Invest.Pens. & Wachtg.Totaal
Ontwerpbegroting6 005,42 584,43 238,81 815,613 644,2
in %44,018,923,813,3100

In bijlage 12 zijn de beleidsmatige mutaties, groter dan f 10 miljoen, ten opzichte van de raming in de begroting 1996 opgenomen.

7.4 Financiële aspecten afstoting defensiegoederen

In de ontwerpbegroting-1997, hoofdstuk IXB (Financiën), zijn de opbrengsten geboekt van af te stoten roerende en onroerende defensiegoederen. De ramingen voor 1997 en 1998 berusten voor het strategisch materiaal op de gedane verkopen, de gesloten contracten en de gesloten principe-akkoorden. Voor niet-strategisch roerende zaken en voor onroerende zaken worden stelposten gehanteerd van respectievelijk f 20 en f 10 miljoen. Op middellange termijn hebben de ramingen het karakter van een stelpost.

Op grond van de met Financiën gemaakte middelenafspraak wordt de defensiebegroting verhoogd met de geraamde opbrengst van de af te stoten zaken minus een bedrag van f 30 miljoen dat ten gunste komt van de algemene middelen. De ramingen, inclusief de f 30 miljoen, luiden (in miljoenen afgerond) als volgt:

 
19971998199920002 001
244194125130100

In 1995 bedroeg de opbrengst f 172 miljoen. Daarnaast was in de begroting voor 1995 een bedrag van f 13,4 miljoen opgenomen voor de verkoop van de fregatten van de Van Speijk-klasse.

7.5 Valutamanagement

Om koersrisico's bij betalingen aan het buitenland te beperken en meer zekerheid te hebben in het plannings- en begrotingsproces, worden termijnvaluta's aangekocht. De beperking van de koersrisico's is flexibel: niet de gehele voorraad van openstaande verplichtingen wordt gedekt. Voor het eerste jaar is de dekking 100 procent, voor het tweede jaar 90 procent en voor de daarop volgende jaren 80 procent. Deze flexibiliteit is nodig omdat er sprake is van meerjarige verplichtingen en de uiteindelijke levertijden en betalingsmomenten kunnen afwijken van wat oorspronkelijk was voorzien.

Naar aanleiding van het Apache-contract is het dekkingsinstrumentarium in overleg met het ministerie van Financiën enigszins bijgesteld. Uitgangspunt blijft het dekken van 80 procent van de behoefte aan vreemde valuta (niet behorend tot de EMS). Doordat, veelal voor langlopende projecten, de kans bestaat dat het betalingsschema gaat afwijken van de vrijvallende termijnen van het valutacontract, is een wijziging aangebracht in het verbruik van de termijnvaluta's. Om voorraadvorming tegen te gaan, zullen pas betalingen met dagdollars worden verricht, nadat de vrijgevallen termijnen zijn verbruikt. Administratief zal dit voor de verantwoording van de gedekte projecten geen gevolgen hebben. Voor de niet gedekte verplichtingen in deze valuta's is in de begroting uitgegaan van een dollarkoers van f 1,70 en een koers van het Britse pond van f 2,50.

Voor de betaling van lopende verplichtingen zijn zes termijndollarcontracten gesloten:

 
Aangegaanbedrag (US $)Koers (f)
mei 1993287 miljoen1,88 303
augustus 1993653 miljoen1,97 878
februari 1994215 miljoen1,95 498
maart 199464 miljoen1,90 542
mei 199436 miljoen1,83 388
mei 1995668 miljoen1,60 324
Totaal1 923 miljoen 

In september 1993 is een contract gesloten voor £ 23,5 miljoen tegen een koers van f 2,78175.

De termijndollars komen op grond van de overeenkomsten met De Nederlandsche Bank als volgt ter beschikking (x miljoen dollar).

 
Vervallen t/m 1996 Te vervallen in:
199719981999200020012002Totaal
KLu790,2223,1194,6157,5169,5136,796,41768,0
KM70,010,05,01,06,0  92,0
KL47,07,06,03,0   63,0
Totaal907,2240,1205,6161,5175,5136,796,41923, 0

7.6 Kengetallen

Prestatiegegevens, ramings- en doelmatigheidskengetallen vormen belangrijke elementen in de meer bedrijfsmatige benadering van de bedrijfsvoering bij Defensie. Het zichtbaar maken van activiteiten en prestaties en het relateren daarvan aan de integrale bedrijfsvoeringsbudgetten zijn daarom belangrijke aandachtspunten binnen het actieprogramma Verbeterd Economisch Beheer (VEB) (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 113).

Met name bij de operationele eenheden is, door de aard van hun taak, het samenstellen van kengetallen die op een zinvolle wijze uitdrukking geven aan de doelmatigheid van de bedrijfsvoering geen eenvoudige opgave. Daarom wordt eerst gekeken naar de ondersteunende resultaatverantwoordelijke eenheden. Deze prioriteit sluit aan bij de doelmatigheidsoperatie die zich immers richt op de «overhead» en ondersteuning van de krijgsmacht.

In de ontwerpbegroting-1997 zijn in de artikelsgewijze toelichting bij de ramingen voor twee ondersteunende organisaties van het Dico prestatiegegevens en doelmatigheidskengetallen opgenomen. Zodra het mogelijk is zullen in de volgende jaren voor meer ondersteunende eenheden in de toelichting bij de begroting doelmatigheidskengetallen worden gepresenteerd.

Voor zowel de ontwerpbegroting-1997 als voor de begrotingen daarna blijft een toelichting van de geraamde bedragen met ramingskengetallen van belang. Over de in de ontwerpbegroting-1997 opgenomen ramingskengetallen wordt in onderstaand overzicht de stand van zaken weergegeven en in bijlage 9 is een nadere toelichting opgenomen.

 
OmschrijvingAantal artikelenBedrag (x f 1 miljoen)
Totaal aantal begrotingsartikelen5813 644,2
Niet zinvol toe te lichten met ramingskengetallen221 407,7
Zinvol toe te lichten met ramingskengetallen3612 236,5
Momenteel toegelicht bedrag(21 volledig en 15 gedeeltelijk)11 471,9
Momenteel niet toegelicht bedragn.v.t.764,6

7.7 Vredesoperaties

7.7.1 Financiering vredesoperaties

Op artikel 08.02 «Vredesoperaties» worden de uitgaven voor vredesoperaties verantwoord. Het gaat om twee categorieën uitgaven:

– contributies aan de VN voor vredesoperaties die Nederland als VN-lid is verschuldigd, onafhankelijk van Nederlandse deelneming aan vredesoperaties. Het Nederlandse aandeel in de contributie bedraagt momenteel 1,5 procent;

– additionele uitgaven als gevolg van deelneming van Nederlandse eenheden aan vredesoperaties.

De ontvangsten op dit artikel betreffen de vergoedingen van de VN voor deelneming van Nederlandse eenheden aan VN-vredesoperaties. Het artikel 08.02 «Vredesoperaties» maakt per 1 januari 1997 deel uit van de Homogene Groep Internationale Samenwerking.

Eind 1995 is de Nederlandse deelneming aan Unprofor beëindigd en die aan Ifor begonnen. In april 1996 is de Nederlandse deelneming aan de Unmih-operatie in Haïti beëindigd en in juni 1996 is de operatie «Sharp Guard» opgeschort. Voor 1996 zijn de uitgaven voor vredesoperaties geraamd op f 330,1 miljoen. Het betreft f 61,3 miljoen aan VN-contributies en f 268,8 miljoen aan additionele uitgaven. De ontvangsten worden geraamd op f 95 miljoen, waarvan f 61,3 miljoen de bijdrage van Ontwikkelingssamenwerking aan de VN-contributies betreft en f 33,7 miljoen wordt geraamd voor de ontvangst van VN-vergoedingen.

De hoogte van de additionele uitgaven voor vredesoperaties is moeilijk te ramen vanwege de onzekerheid over omvang en duur van de Nederlandse deelneming aan vredesoperaties. Gezien de ontwikkelingen in de laatste jaren is een structurele voorziening opgenomen voor de uitgaven voor vredesoperaties. Doordat het Ifor-mandaat eind 1996 afloopt, zal de Nederlandse inspanning op het gebied van de vredesoperaties in 1997 waarschijnlijk beperkter zijn dan nu het geval is, met enigszins lagere additionele uitgaven als gevolg. Binnen het kabinet is afgesproken dat, zo daartoe aanleiding is, de voorziening vredesoperaties vanuit de Homogene Groep Internationale Samenwerking tot het oorspronkelijke niveau aangevuld zal worden. Het bedrag voor 1997 bestaat uit f 61,3 miljoen aan VN-contributies en een voorziening van f 226,7 miljoen voor additionele uitgaven. De ontvangstenraming voor 1997 bedraagt f 58 miljoen. Dit bedrag betreft de te verwachten ontvangst van VN-vergoedingen.

7.7.2 Claims bij de VN

De aan VN-vredesoperaties deelnemende landen worden door de VN vergoed voor de aan de deelneming verbonden personele en materiële inzet. Deze vergoedingen worden gefinancierd uit het VN-budget voor vredesoperaties, waaraan alle VN-lidstaten bijdragen met contributiebetalingen. Als gevolg van grote betalingsachterstanden van enkele grote lidstaten, verkeren de VN al enige jaren in grote financiële problemen. Hierdoor ondervindt de uitbetaling van de VN-vergoedingen voor deelneming aan VN-vredesoperaties grote vertraging. Op 15 juli 1996 had Defensie nog een bedrag van f 270 miljoen aan vergoedingen van de VN te goed. Het betreft hier met name vergoedingen voor de Nederlandse deelneming aan Untac, Unprofor en Unmih-II.

7.7.3 Hervorming VN-vergoedingssysteem

In de laatste jaren zijn de tekortkomingen van de bestaande financiële en administratieve VN-procedures voor vredesoperaties in de praktijk zichtbaar geworden. Eind 1994 heeft de Algemene Vergadering van de VN-resolutie 49/223A aangenomen waarin het secretariaat van de VN opdracht krijgt het bestaande vergoedingssysteem voor vredesoperaties te vereenvoudigen.

Een door het VN-secretariaat ingestelde werkgroep van 47 lidstaten, waarin Nederland actief betrokken is geweest, heeft een voorstel ontwikkeld om het bestaande vergoedingssysteem te hervormen tot een overzichtelijk en gestandaardiseerd systeem. Hierbij wordt uitgegaan van vaste tarieven voor de vergoeding van materieel en de mate waarin de uitgezonden eenheden in hun eigen levensonderhoud voorzien. Tevens worden, vóór uitzending van eenheden, per vredesoperatie met de VN de financiële afspraken in een overeenkomst vastgelegd. Dit vernieuwde vergoedingssysteem, dat een duidelijke verbetering is, is per 1 juli 1996 ingevoerd.

7.8 Tweede geldstroom

Eind 1995 is het parlement op de hoogte gesteld van de mogelijkheid en het voornemen defensiemiddelen met kostenverrekening en onder strikte voorwaarden aan te bieden aan andere delen van de (rijks)overheid en mogelijk aan niet-overheidsinstanties (Kamerstukken II 1995/96, 24 000 X, nr. 26). Er zijn goede mogelijkheden door medegebruik van defensiefaciliteiten de doelmatigheid te vergroten en zo een bijdrage te leveren aan de doelmatigheidsoperatie.

In maart 1996 is het parlement ingelicht over het kabinetsstandpunt over werken voor organisaties binnen en buiten de rijksoverheid. (Kamerstukken II 1995/96, 24 036, nr. 16). Een interdepartementale werkgroep beziet in hoeverre dergelijke activiteiten tot oneerlijke concurrentie kunnen leiden. Defensie is inmiddels begonnen enkele in de brief over de tweede geldstroom genoemde kansrijke onderwerpen voor betaald medegebruik nader uit te werken. Zodra de resultaten bekend zijn, zal het parlement nader worden ingelicht.

In het kader van de verbetering van de doelmatigheid is bij de begrotingsvoorbereiding 1997 met Financiën een middelenafspraak gemaakt over de opbrengsten uit ingebruikgeving/medegebruik van zaken waarvan het materieel beheer bij Defensie berust. De ontvangsten hiervoor komen, behoudens een franchise van f 5 miljoen, ten goede aan de defensiebegroting.

7.9 Financieel beheer

7.9.1 Verbeterd economisch beheer

In een uitgebreide rapportage is het parlement geinformeerd over de voortgang van het raamwerk Verbeterd Economisch Beheer (VEB) (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 113). Aan de hand van het actieprogramma VEB wordt in de rapportage uiteengezet hoe de invoering van het VEB, gericht op het vergroten van de inzichtelijkheid en de doelmatigheid van de bedrijfsvoering in vredesomstandigheden, zal geschieden. Het actieprogramma bevat maatregelen die een voorwaarde zijn voor een duurzame doelmatigheid in de bedrijfsvoering. De totstandbrenging van decentrale integrale bedrijfsvoeringsverantwoordelijkheden, de versterking van de financiële en administratief-organisatorische infrastructuur en het ontwikkelen van ramings- en doelmatigheidskengetallen zijn daarbij de hoofdingrediënten.

Aan commandanten van resultaatverantwoordelijke eenheden worden, binnen randvoorwaarden, grotere beheersbevoegdheden toegekend. Zij zijn hierdoor meer verantwoordelijk voor de kosten van de bedrijfsvoering. De bestuurbaarheid en het inzicht in de bedrijfsvoering worden gegarandeerd door het, als onderdeel van de jaarlijkse plannings- en begrotingscyclus door deze commandanten, laten opstellen van meerjarige bedrijfsplannen en het afsluiten van managementcontracten. Na besluitvorming over de bedrijfsplannen worden in de managementcontracten de taakopdracht, de toegewezen middelen, de toegekende bevoegdheden en de geldende randvoorwaarden vastgelegd. Over de uitvoering van de managementcontracten wordt periodiek verantwoording afgelegd.

Onderdeel van het bevorderen van het kostenbewustzijn en de toekenning van beheersbevoegdheden is de decentralisatie van financiële taken. Deze decentralisatie stelt eisen aan de (administratieve) organisatie, interne controle en financiële deskundigheden op decentraal niveau. Het actieprogramma VEB is, behalve op het verkrijgen van een inzicht in de kosten van de bedrijfsvoering en een grotere doelmatigheid, tevens gericht op een beter inzicht in de activiteiten en prestaties ten aanzien van de bedrijfsvoering. De ontwikkeling van een systematiek voor prestatiegegevens en kengetallen vormt om die reden een van de pijlers van het actieprogramma verbeterd economisch beheer.

De invoering van het verbeterd economisch beheer is een veelomvattend veranderingsproces, zowel op centraal als op decentraal niveau. Om deze reden is gekozen voor proefprojecten. In 1996 zijn hiervoor zeven «voortrekkers» geselecteerd. Het betreft zowel operationele als ondersteunende eenheden. De voortrekkers krijgen de bevoegdheden en het daarbij behorende bedrijfsvoeringsbudget, dat alle elementen van de personele en materiële exploitatie voor de desbetreffende eenheden omvat. De komende jaren zullen nagenoeg alle organisatie-eenheden te maken krijgen met VEB. Tijdens de invoering wordt voortdurend geëvalueerd en worden de opgedane ervaringen verwerkt.

7.9.2 Financiële informatiesystemen

Ten behoeve van een doelmatige en volledige financiële informatievoorziening is het beleid gericht op één structuur met standaardfunctionaliteiten voor de geïntegreerde financieel-economische en bestuurlijke informatievoorziening voor Defensie. Inmiddels is het Geïntegreerde verplichtingen- en kasadministratiesysteem uitgebreid met een kostenbeheersingsadministratie. Deze administratie wordt momenteel beproefd bij een aantal voortrekker-eenheden. De verdere invoering is onderdeel van het actieprogramma verbeterd economisch beheer.

In verband met ontwikkelingen op het gebied van de bedrijfsvoering, de informatietechnologie en het streven van het ministerie van Financiën te komen tot samenwerkingsmodellen voor gemeenschappelijke kernfunctionaliteiten van de departementale begrotingsadministraties worden thans voorbereidingen getroffen om de mogelijkheid en wenselijkheid van een nieuw geautomatiseerd financieel administratiesysteem te onderzoeken.

7.9.3 Administratieve organisatie en interne controle

Als gevolg van de in het kader van het verbeterd economisch beheer voorziene decentralisatie van financiële taken ondergaan de financiële processen ingrijpende wijzigingen. Dit stelt eisen aan en vraagt aandacht voor met name de opzet, werking en het onderhoud van de administratieve organisatie en de interne controle. Door de departementale accountantsdienst is een «toetsingskader decentralisatie financiële functie» ontwikkeld dat wordt toegepast ter vaststelling van de decentraal te nemen maatregelen op het gebied van de administratieve organisatie en de interne controle.

7.9.4 Financiële verantwoording 1995

De Defensie Accountantsdienst heeft bij de rekening-1995 wederom een goedkeurende verklaring afgegeven.

7.10 Budgetteringsafspraak 1997

In het kader van de budgetdiscipline wordt ieder jaar met het ministerie van Financiën een zogenoemde budgetteringsafspraak gemaakt. Voor de als beleidsmatig aangemerkte artikelen heeft Defensie de vrijheid binnen het overeengekomen financiële niveau eventuele problemen zelf op te lossen door gebruik te maken van middelen die vrij komen uit onderbesteding, meevallers en doelmatigheidswinst.

Voor 1997 geldt de budgetteringsafspraak dat alle artikelen op de defensiebegroting als beleidsmatig worden aangemerkt behoudens drie uitzonderingen. De eerste uitzondering houdt in dat, indien en voor zover in de jaren 1997 en 1998 sprake is van een rijksbrede taakstellende onderuitputting, de budgetteringsafspraak voor die jaren niet langer van toepassing is op de artikelen «Overig Groot Materieel» en het artikel «Gevechtsvliegtuigen F-16». De uitvoeringsregels worden in onderling overleg tussen Financiën en Defensie vastgesteld. De tweede uitzondering betreft evenals vorige jaren het ontvangstenartikel «Overige Ontvangsten». De derde uitzondering betreft de uitgaven en ontvangsten die deel uitmaken van de Homogene Groep Internationale Samenwerking. Bij Defensie worden naast de uitgaven en ontvangsten voor vredesoperaties ook de uitgaven en ontvangsten voor attachés en de kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba tot de Homogene Groep gerekend. Voor deze groep zijn aparte afspraken inzake de budgetdiscipline gemaakt. De minister van Buitenlandse Zaken treedt op als coördinerend bewindspersoon voor deze groep.

7.11 Beleidsevaluaties en doelmatigheidsonderzoeken

Jaarlijks wordt, op grond van een aanwijzing, een programma met onderzoeks- en evaluatie-onderwerpen vastgesteld voor het systematisch toepassen van beleidsevaluaties en doelmatigheidsonderzoeken. Over de introductie en de inhoud van het jaarprogramma is het parlement ingelicht (Kamerstukken II 1993/94, 23 400 X, nr. 11). In 1996 maakten alle beleidsevaluaties en doelmatigheidsonderzoeken integraal onderdeel uit van de doelmatigheidsoperatie. Over de stand van zaken van die operatie wordt in hoofdstuk 5 verslag gedaan. De daar genoemde onderzoeken lopen veelal door in 1997 en 1998. Over de voortgang zal begin 1997 worden gerapporteerd in de eerstvolgende halfjaarlijkse rapportage.

In het jaarprogramma-1977 is een aantal krijgsmachtdeel overstijgende onderzoeksonderwerpen opgenomen. In de memorie van toelichting bij de defensiebegroting voor 1998 zal worden ingegaan op de evaluatie van:

– het beleid met betrekking tot de (financiering) van de militaire pensioenen;

– de opbouw van het personeelsbestand; het huisvestings- en woningvoorzieningsbeleid;

– de integrale kwaliteitszorg;

– het bedrijfsvoeringsbeleid;

– het agentschap Duyverman Computercentrum;

– het contractmanagement;

– het Defensie Meerjaren Plan Milieu (DMPM).

Nu enige jaren ervaring is opgedaan met beleidsevaluaties, zal de eerdergenoemde aanwijzing worden geëvalueerd. De ervaringen met de doelmatigheidsoperatie worden daarbij betrokken.

7.12 Archivering

Bij de diensten en bedrijven van Defensie worden nu nog de «klassieke» geautomatiseerde postregistratiesystemen toegepast. De documenten worden fysiek opgeslagen met behulp van een registratuurplan. Elektronische archivering van documenten is bij Defensie op z'n vroegst in 1997 aan de orde. Thans worden hiermee, experimenteel, ervaringen opgedaan. Met de hoofden Documentaire Informatievoorziening van de krijgsmachtdelen wordt overlegd over de uit te werken regelgeving voor elektronische archivering. De gevolgen van de intrekking van het Koninklijk besluit Algemene secretarie-aangelegenheden worden hierin betrokken, evenals de methodiek uit het project «Invoering verkorting overbrengingstermijn». Naar de benodigde investeringen voor grootschalige toepassing van elektronische archivering is een nadere studie nodig.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen)INLEIDING

Verplichtingen-kassystematiek

In de Comptabiliteitswet, artikel 4, vijfde lid, is de bepaling opgenomen dat als verplichting van een jaar wordt geraamd het bedrag van de juridische verplichting die in dat jaar rechtstreeks ontstaat op grond van een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, een ministeriële regeling, een beschikking of een verbintenis en die in dat jaar dan wel in een later jaar tot uitgaven leidt of kan leiden.

Het zesde lid van dit artikel biedt echter de mogelijkheid voor een beperkt aantal categorieën niet de juridische verplichting als uitgangspunt te nemen voor de verplichtingenraming, maar het bedrag dat in dat jaar als uitgaaf wordt geraamd. Dit betreft onder andere:–salarissen, wachtgelden en soortgelijke periodieke verplichtingen (lid 6, punt a),–huren, pachten en soortgelijke verplichtingen (lid 6, punt d),–andere door de minister van Financiën aan te wijzen categorieën (lid 6, punt e).

Dit laatste is ingevuld door de «Aanwijzingsregeling verplichtingen-kas 1991» van 6 juli 1993, waarin onder andere een tweetal algemene categorieën wordt onderscheiden waarbij het uit het oogpunt van begrotingsbeheer niet noodzakelijk is voorafgaand aan iedere betaling eerst de bijbehorende individuele verplichting te boeken. Indien het doelmatig is, kan worden volstaan met het vooraf boeken van collectieve verplichtingen die bijvoorbeeld overeenkomen met het uitgavenbudget van de betrokken post. Ook is het mogelijk dat op het moment van betalen de corresponderende verplichting, ter grootte van het kasbedrag, wordt geboekt.

In algemene termen worden onder andere de verplichtingen vermeld die:–voortvloeien uit privaatrechtelijke rechtshandelingen, met uitzondering van deelnemingen, krediet- of garantieverleningen, die regelmatig of in grote aantallen worden aangegaan en gewoonlijk binnen 30 dagen door betaling worden afgewikkeld (categorie 1.a). Te denken valt daarbij aan verbruiksgoederen, telefoonkosten en energiekosten;–samenhangen met declaraties die rijksambtenaren, arbeidscontractanten en derden op grond van geldende personele en organieke rijksregelingen bij het Rijk kunnen indienen (categorie 1.b).

Hieronder vallen vergoedingen voor dienstreizen, verplaatsingskosten en andere emolumenten.

Specifiek genoemd worden voorts de artikelen voor onvoorziene uitgaven (categorie 2.a), geheime uitgaven (categorie 2.b), loonbijstelling en prijsbijstelling (beide categorie 2.c).

Indien het bovenstaande bij een artikel van toepassing is, wordt daarvan in de artikelsgewijze toelichting melding gemaakt. Daarbij wordt tevens aangegeven welke formele regeling in dat geval van kracht is.

01. Beleidsterrein Algemeen

Algemeen

De raming van de uitgaven voor het actief ambtelijk burgerpersoneel en het militair personeel heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de voor alle onderdelen van de rijksbegroting geldende systematiek van de nieuwe integrale personeelsbegroting (SNIP). De SNIP-basisuitkomsten (de kosten van het actieve personeel) zijn gecorrigeerd met de geraamde uitgaven voor gratificaties, ouderschapsverlof en langdurig zieken.

De ramingen zijn gebaseerd op het loon- en prijspeil van 1996.

01.01 Burgerpersoneel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Met ingang van de begroting 1996 zijn de uitgaven van dit artikel ondergebracht bij artikel 01.18 Personeel en materieel. Daarnaast heeft een overheveling plaatsgevonden van de uitgaven voor de uitvoerende diensten van de Groep Defensie-ondersteuning (GDO) naar (hetzelfde) beleidsterrein 09. Defensie Interservice Commando (Dico).

Ten laste van dit artikel kwamen tot en met 1995 de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen onregelmatige diensten, overige toelagen, tijdelijk personeel op formatieve arbeidsplaatsen, alsmede het aandeel in de sociale lasten voor de minister, de staatssecretaris en het burgerpersoneel van de Centrale organisatie.

Het betrof hier personeel behorende tot de algemene leiding, de Centrale organisatie en de daartoe behorende bijzondere organisatie-eenheden.

Conform het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet werd bij dit salarisartikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf werd geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996        
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties        
Stand ontwerp-begroting 1997 214 417      

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  1995 econ. funct.
Salarissen (incl. vakantie-uitkeringen) 175 142 11.1 02.0
Overwerk en onregelmatige dienst 1 947 11.1 02.0
Overige toelagen 3 506 11.1 02.0
Aandeel in de sociale lasten (inclusief overhevelingstoeslag) 30 923 11.2 02.0
Tijdelijk personeel op formatieve arbeidsplaatsen 2 899 12.1 02.0
Totaal 214 417    
       
Gerealiseerde/gemiddelde sterkte 2 796    
gemiddeld salaris (x f 1,–) f 76 687,–    

01.02 Militair personeel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In het kader van de samenvoeging van de personele en materiële exploitatie-artikelen werden de salarissen voor militair personeel van de Centrale organisatie met ingang van de begroting 1996 naar artikel 01.18 Personeel en materieel overgeheveld.

Ten laste van dit artikel kwamen tot en met 1995 de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen en uitkeringen, alsmede de sociale lasten voor het vrijwillig dienend en dienstplichtig militair personeel van de krijgsmachtdelen werkzaam bij de Centrale organisatie en de daartoe behorende bijzondere organisatie-eenheden.

Daarnaast werd op dit artikel nog voor 1995 de lump-sum voor de fiscalisering van de geneeskundige verzorging van het totale militaire personeel van Defensie geraamd. Het betrof de heffing over 1994. Vanaf 1995 heeft Defensie nog slechts een lump-sum verplichting voor dienstplichtig personeel. De daarmee gemoeide uitgaven worden vanaf 1996 ten laste van artikel 01.18 Personeel en materieel verantwoord. De in dit kader geraamde bedragen zijn in het verleden aan de defensiebegroting toegevoegd en worden via beleidsterrein 01. Algemeen centraal aan de belastingdienst afgedragen.

Conform het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet werd bij dit salarisartikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf werd geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002 001
Stand ontwerp-begroting 1996        
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties        
Stand ontwerp-begroting 1997 234 837      

De onderverdeling naar artikelonderdelen

Vrijwillig dienend militair personeel

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  1995 econ. funct.
Salarissen (incl. vakantie-uitkeringen) 45 370 11.1 02.0
Overwerk 260 11.1 02.0
Toelagen en uitkeringen 2 892 11.1 02.0
Aandeel in de sociale lasten 459 11.2 02.0
Lump-sum fiscalisering geneeskundige verzorging militair personeel 185 010 11.1 02.0
Totaal 233 991    
       
Gerealiseerde/gemiddelde sterkte 561    
gemiddeld salaris (exclusief lump–sum / x f 1,–)f 87 310,–    

Dienstplichtig personeel

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  1995 econ. funct.
Salarissen (incl. vakantie-uitkeringen) 753 11.1 02.0
Overwerk 6 11.1 02.0
Toelagen en uitkeringen 4 11.1 02.0
Aandeel in de sociale lasten 83 11.2 02.0
Totaal 846    
       
Gerealiseerde/gemiddelde sterkte 36    
gemiddeld salaris (x f 1,–) f 23 500,–    

Totaal militair personeel

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  1995 econ. funct.
Salarissen (incl. vakantie-uitkeringen) 46 123 11.1 02.0
Overwerk 266 11.1 02.0
Toelagen en uitkeringen 2 896 11.1 02.0
Aandeel in de sociale lasten 542 11.2 02.0
Lump-sum fiscalisering geneeskundige       
verzorging militair personeel 185 010 11.1 02.0
Totaal  234 837     
       
Gerealiseerde/gemiddelde sterkte 597     
gemiddeld salaris (exclusief lumpsum / x f 1,–)  f 83 462,–    

01.03 Overige personele exploitatie

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Met ingang van de begroting 1996 zijn de uitgaven van dit artikel ondergebracht bij artikel 01.18 Personeel en materieel. Daarnaast vond een overheveling plaats van de uitgaven voor de uitvoerende diensten van de Groep Defensie-ondersteuning (GDO) naar het (hernoemde) beleidsterrein 09. Defensie Interservice Commando.

Ten laste van dit artikel kwamen tot en met 1995 de personele uitgaven anders dan salarissen voor burger- en militair personeel van de Centrale organisatie.

Aangezien dit uitgaven betrof die vallen onder de «Aanwijzingsregeling verplichtingen-kas 1991»-categorieën 1.a en 1.b, werd bij dit artikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf werd geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996        
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties        
Stand ontwerp-begroting 1997 41 624      

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  1995 econ. funct.
Kleding 3 11.4 02.0
Voeding 335 11.4 02.0
Reis- en verblijfkosten 12 733 12.1 02.0
Verplaatsingskosten 3 329 12.1 02.0
Representatiekosten 2 298 12.1 02.0
Personeel op bovenformatieve arbeidsplaatsen 2 657 12.1 02.0
Sociale zorg 3 424 11.3 02.0
Persoonsgebonden toelagen en uitkeringen 1 404 11.1 02.0
Werving 336 12.1 02.0
Geneeskundige verzorging 1 071 11.4 02.0
Onderwijs en opleiding 8 515 12.1 02.0
A&O-projecten 33 11.1 02.0
Overige personele uitgaven 5 486 12.1 02.0
Totaal 41 624    

Verdeling personele exploitatie naar personeelscategorieën

De uitgaven op dit artikel zijn als volgt aan de personeelscategorieën toe te rekenen (bedragen x f 1000,-):

 
categorie1995
burgerpersoneel15 821
vrijwillig dienend militair personeel9 296
dienstplichtigen135
niet toe te rekenen16 372
Totaal41 624

Het bedrag zoals opgenomen bij «niet toe te rekenen» is niet nader uit te splitsen. Het heeft zowel betrekking op burger- als militair personeel (vrijwillig dienend en dienstplichtig).

01.04 Subsidies en bijdragen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel zijn de uitgaven geraamd voor:–subsidies aan verschillende instellingen, gebaseerd op het rapport Subsidiebeleid na 1986;–bijdragen aan andere ministeries, stichtingen en comités.

Subsidies worden verleend aan instellingen die ook zelf financiële middelen bijeenbrengen, maar daarnaast mede afhankelijk zijn van financiële hulp van Defensie. In bijlage 6B is een overzicht opgenomen.

De aard van het artikel brengt met zich dat de afzonderlijke ramingen voor de verplichtingen en de uitgaven aan elkaar gelijk zijn.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  102 89999 17597 33196 83195 431 
1e suppletore wet 1996  2 3972 0972 0972 1972 197 
Nieuwe mutaties  1 6173 3224 6054 8035 539 
Stand ontwerp-begroting 1997 112 727106 913104 594104 033103 831103 167103 167

De nieuwe mutaties in de verplichtingen- en de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
bedragen x f 1000199719981999 2000
– prijsbijstelling 1996421412412406
– loonbijstelling 19961 1081 0921 0861 068
– herfasering subsidie BNMO192300   
– correctie doelmatigheidsbesparing vanaf 2000   1 000
– meeruitgaven TNO1 5002 7002 7002 700
– bijdrage aan het ministerie van Buitenlandse Zaken (V)101101605365
Totaal3 3224 6054 8035 539

Prijsbijstelling 1996

Overeenkomstig de berekeningswijze van het ministerie van Financiën is de prijsbijstelling 1996 aan dit artikel toegevoegd.

Loonbijstelling 1996

Dit betreft de aan dit artikel toegevoegde bedragen in verband met de algemene salarismaatregelen 1996. Deze toevoeging heeft betrekking op personeel van TNO/DO.

Subsidie Bond Nederlandse Militaire Oorlogsslachtoffers (BNMO)

Als gevolg van vertragingen bij de eindafrekening 1995 is het kasritme van het resterende bedrag van de oorspronkelijke subsidie aan de BNMO gewijzigd. Het totaal van de subsidie ondergaat geen wijziging.

Doelmatigheidsbesparingen

De uitgaven, die verband houden met de doelsubsidie TNO/DO, zijn in verband met een correctie vanaf het jaar 2000 gewijzigd. Vanaf het jaar 2000 is de doelsubsidie TNO/DO met f 1 miljoen verhoogd.

Meeruitgaven TNO

Als gevolg van een bijstelling van het programma voor wetenschappelijk onderzoek is een verhoging van het budget met een bedrag van f 1,5 miljoen voor 1996 en f 2,7 miljoen voor latere jaren doorgevoerd.

Bijdrage aan het ministerie van Buitenlandse Zaken (V)

Dit betreft een aanpassing van de bijdragen aan het ministerie van Buitenlandse Zaken met betrekking tot het Nationaal Bureau voor Verbindingsbeveiliging.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

I. Subsidies

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 econ. funct.
Subsidies:         
– aan het Comité International de Médecine et de Pharmacie Militaires  44 35.4 02.0
– aan de Koninklijke Vereniging ter beoefening van de Krijgswetenschap ten behoeve van de buitengewone leerstoel militair recht aan de Universiteit van Amsterdam en het tijdschrift de «Militaire Spectator» 418400400 33   02.0
– Veteranenplatform 180180180 41.4 02.0
– Bond Nederlandse Militaire Oorlogsslachtoffers (BNMO)  800592 41.4 02.0
– Defensie Vrouwennetwerk 101010 41.4 02.0
– Atlantic Exchange Program 151515 41.4 02.0
– Stichting Dienstverlening Veteranen 2 0002 0172 017 41.4 02.0
Totaal subsidies 2 6233 4263 218    

II. Bijdragen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering (vervolg)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 econ. funct.
Bijdragen aan :         
– het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII):         
in de doelsubsidies TNO/DO 104 27097 47295 289 41.4 02.01
– het ministerie van Buitenlandse Zaken (V):         
* Nationaal Bureau voor Verbindingsbeveiliging 2 2902 4392 511 03   02.0
* de Stichting Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen «Clingendael» 1 7581 7581 758 03   02.0
* het Internationaal Comité van het Rode Kruis 707070 03   02.0
* de Stichting Atlantische Commissie 298298298 03   02.0
– het ministerie van Verkeer en Waterstaat (XII):        
bijdrage aan het Nationaal Lucht– en Ruimtevaart Laboratorium 1 0001 0001 000 03   02.0
– het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI):        
bijdrage ten behoeve van het Informatie– en Coördinatie-orgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen (ICODO) 418450450 03   02.0
Totaal bijdragen 110 104103 487101 376    
Totaal subsidies 2 6233 4263 218    
Totaal artikel 112 727106 913104 594    

De meerjarenraming

De onderverdeling van het volume van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVolume van de uitgaven
 1998199920002001
Subsidies:    
– aan het Comité international de médecine et de pharmacie militaires4444
– Koninklijke vereniging ter beoefening van de krijgswetenschap, ten behoeve van de buitengewone leerstoel militair recht aan de Universiteit van Amsterdam en het tijdschrift de «Militaire spectator»400400400400
– Veteranenplatform180180180180
– Bond Nederlandse Militaire Oorlogsslachtoffers (BNMO)300   
– Defensie vrouwennetwerk10101010
– Atlantic exchange program15151515
– Stichting denstverlening veteranen2 0172 0172 0172 017
Totaal subsidies2 9262 6262 6262 626

De meerjarenraming (vervolg)

De onderverdeling van het volume van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVolume van de uitgaven
 1998199920002001
Bijdrage aan :     
– het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII):     
in de doelsubsidies TNO/DO95 02094 61494 19094 190
– het ministerie van Buitenlandse zaken (V):     
* Nationaal bureau voor verbindingsbeveiliging2 5113 0152 7752 775
* de Stichting Nederlands instituut voor internationale betrekkingen «Clingendael»1 7581 7581 7581 758
* het Internationaal comité van het Rode Kruis70707070
* de Stichting Atlantische commissie298298298298
– het ministerie van Verkeer en Waterstaat (XII):    
bijdrage aan het Nationaal lucht- en ruimtevaart laboratorium1 0001 0001 0001 000
– het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI):    
bijdrage ten behoeve van het Informatie- en coördinatie-orgaan dienstverlening oorlogsgetroffenen (ICODO)45045045050
Totaal bijdragen101 107101 205100 541100 541
Totaal subsidies2 9262 6262 6262 626
Totaal artikel104 033103 831103 167103 167

De doelstellingen van de ontvangers van subsidies en bijdragen worden uiteengezet in bijlage 6B.

De daling van de uitgaven voor subsidies en bijdragen wordt voor het merendeel veroorzaakt door de ingeboekte doelmatigheidsbesparingen met betrekking tot de doelsubsidie TNO/Defensie-onderzoek en daarnaast door de verwachting dat de doelsubsidie aan de BNMO met ingang van 1999 wordt beëindigd.

01.05 Materiële exploitatie

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Met ingang van de begroting 1996 zijn de uitgaven van dit artikel ondergebracht bij artikel 01.18 Personeel en materieel en artikel 01.19 Overige departementale uitgaven. Daarnaast vond een overheveling plaats van de uitgaven voor de uitvoerende diensten naar het voormalige beleidsterrein 09. Groep Defensie-ondersteuning (GDO).

Met ingang van 1 april 1996 is deze groep opgenomen in het hiervoor in de plaats gekomen beleidsterrein 09. Defensie Interservice Commando (Dico).

Ten laste van dit artikel kwamen tot en met 1995 de materiële uitgaven ten behoeve van de Centrale organisatie en de daartoe behorende bijzondere organisatie-eenheden. Het betrof uitgaven voor:

– bureaukosten, waaronder onderhoud van meubilair en kantoormachines;–kantineverzorging, voorlichting en exposities;–huisvestingskosten, energie en onderhoud;–frankering, porto en kosten betalingsverkeer;–drukkosten;–de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen (DGW&T), onder andere zelfbeheer en externe engineering;–tijdschriften en bibliotheek;–schadevergoedingen;–hulpprogramma's aan Navo-lidstaten en steun aan landen met «developing defence industries» (DDI).

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996        
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties        
Stand ontwerp-begroting 199714 12380 740      
Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingen stand ontwerpbegroting 199714 12380 740      Uitgaven stand ontwerp-begroting 1997
199514 12380 740      94 863
1996         
1997         
1998         
1999         
2000         
2001         
na 2001         

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996        
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties        
Stand ontwerp-begroting 1997 94 863      

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
    1995   1995 econ. funct.
Bureaukosten   6 349   6 923 12.1 02.0
Uitgaven ten behoeve van het personeel   2 527   4 547 12.1 02.0
Voorlichting   1 207   1 337 12.1 02.0
Huisvestingskosten en energie   22 958   26 006 12.1 02.0
Frankering en porto   3 452   3 452 12.1 02.0
Drukwerk   5 168   5 168 12.1 02.0
Dienst Gebouwen, werken en terreinen   22 710   30 404 72.1 02.0
Tijdschriften   4 414   4 629 12.1 02.0
Schadevergoedingen   9 780   9 728 53.0 02.0
Hulpprogramma's   2 175   2 669 31.1 02.0
Totaal   80 740   94 863    

01.06 Bouw

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen de kosten van renovatie- en nieuwbouwprojecten ten behoeve van de Centrale organisatie en de daartoe behorende bijzondere organisatie-eenheden, alsmede de defensiegebouwen in gebruik bij TNO/DO. Momenteel hebben de uitgaven slechts betrekking op de kosten van renovaties en onderhoud van de defensiegebouwen in gebruik bij TNO/DO.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  2 1012 0482 0482 0482 048 
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties  5553535353 
Stand ontwerp-begroting 19973 1234 6032 1562 1012 1012 1012 1012 101
Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingen stand ontwerp-begroting 19973 1234 6032 1562 1012 1012 1012 1012 101Uitgaven stand ontwerp-begroting 1997
19953 0473 718      6 765
1996768851 195     2 156
1997  9611 140    2 101
1998   9611 140   2 101
1999    9611 140  2 101
2000     9611 140 2 101
2001      9611 1402 101
na 2001       961 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  2 1012 0482 0482 0482 048 
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties  5553535353 
Stand ontwerp-begroting 1997 6 7652 1562 1012 1012 1012 1012 101

De nieuwe mutaties in de verplichtingen- en de uitgavenopbouw hebben, overeenkomstig de berekeningswijze van het ministerie van Financiën, betrekking op de uitdeling van de prijsbijstelling 1996.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering.
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199519961997 199519961997 econ. funct.
Huisvesting DGW&T 4 283   6 445   72.1 02.0
(Ver)nieuwbouw PML 3202 1562 101 3202 1562 101 72.1 02.0
Totaal 4 6032 1562 101 6 7652 1562 101    

De meerjarenraming

De onderverdeling van het volume van de uitgaven (x f 1000)
Artikelonderdeel Volume van de uitgaven
 1998199920002001
     
(Ver)nieuwbouw PML/TNO2 1012 1012 1012 101
Totaal2 1012 1012 1012 101

(Ver)nieuwbouw Prins Mauritslaboratorium

Voor onderhoud en renovatie van defensiegebouwen in gebruik bij TNO/DO wordt jaarlijks ongeveer f 2 miljoen geraamd. Afhankelijk van de soort activiteit wordt per vierkante meter een prijs gehanteerd die varieert van f 2100,– tot f 4500,–. Daarnaast worden de faciliteiten in Rijswijk aan de wettelijke eisen aangepast.

01.07 Materieel/investeringen algemeen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Met ingang van de begroting 1996 zijn de uitgaven van dit artikel ondergebracht bij artikel 01.18 Personeel en materieel.

Dit artikel bevatte tot en met 1995 uitgaven met een investeringskarakter. De hier opgenomen bedragen zijn bestemd voor:–aanschaf personenauto's;–aanschaf kantoormachines;–aanschaf meubilair, stoffering en inventaris;–uitgaven aan organisatie- en adviesbureaus voor automatiserings- en organisatie-onderzoeken.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996        
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties        
Stand ontwerp-begroting 19973 79319 479      
Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingenstand ontwerp-begroting 19973 79319 479      Uitgaven stand ontwerp-begroting 1997
19953 79319 479      23 272
1996         
1997         
1998         
1999         
2000         
2001         
na 2001         
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996        
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties        
Stand ontwerp-begroting 1997 23 272      

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
    1995   1995 econ. funct.
Vervoermiddelen   1 729   1 727 74.1 02.0
Kantoormachines   1     74.2 02.0
Meubilair   1 477   1 822 74.2 02.0
Organisatie- en adviesbureaus   16 272   19 723 12.1 02.0
Totaal   19 479   23 272    

01.08 Geheime uitgaven

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Overeenkomstig artikel 19 van de Comptabiliteitswet 1976 en de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften, is artikel 01.08 bij Defensie aangewezen als het artikel waarop de geheime uitgaven worden verantwoord.

Door toepassing van categorie 2.b van de «Aanwijzingsregeling verplichtingen-kas 1991» wordt bij dit artikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De economische en functionele codering van de uitgaven ten laste van dit artikel is respectievelijk 01. (nader te verdelen) en 02.0.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  1 2001 3001 4001 4001 400 
1e suppletore wet 1996  – 1 000     
Nieuwe mutaties   – 1 100– 1 200– 1 200– 1 200 
Stand ontwerp-begroting 1997 195200200200200200200

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw hebben betrekking op een overheveling naar artikel 01.18 Personeel en materieel van een aantal aanschaffingen van hoogwaardige technische apparatuur ter ondersteuning van het verwerven van inlichtingen. Deze hebben echter een dermate algemeen karakter dat overheveling naar dat artikel gerechtvaardigd is.

De geheime uitgaven worden jaarlijks door de President van de Algemene Rekenkamer gecontroleerd.

01.09 Onvoorziene uitgaven

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 1976 kan een begroting een artikel voor onvoorziene uitgaven bevatten.

Aangezien de afgelopen jaren geen uitgaven ten laste van dit artikel zijn gebracht, is hiervoor ook in 1997 en volgende jaren geen bedrag geraamd.

De economische en functionele codering van de eventuele uitgaven ten laste van dit artikel is respectievelijk 13 en 02.0.

01.10 Automatisering en telecommunicatie

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel kwamen in 1995 de uitgaven voor automatisering en telecommunicatie van de Centrale organisatie en van bijzondere organisatie-eenheden. De automatiseringsuitgaven hadden zowel betrekking op de uitgaven aan het Duyverman Computercentrum (DCC) als op de uitgaven die werden gedaan aan het Rijkscomputercentrum (RCC) ten behoeve van de salarisbetalingen aan het burgerpersoneel en aan het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds voor de uitkeringen in de pensioensfeer.

Met ingang van de begroting 1996 zijn de uitgaven en verplichtingen van dit artikel ondergebracht bij artikel 01.18 Personeel en materieel.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996        
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties        
Stand ontwerp-begroting 19979 63175 573      

Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingenstand ontwerp-begroting 19979 63175 573      Uitgaven stand ontwerp-begroting 1997
19959 63175 573      85 204
1996         
1997         
1998         
1999         
2000         
2001         
na 2001         
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996        
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties        
Stand ontwerp-begroting 1997 85 204      

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000 ) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
    1995   1995 econ. funct.
Automatisering:             
– exploitatie   53 987   61 910 12.2 02.0
– investeringen   15 423   17 014 74.2 02.0
             
Telecommunicatie:             
– exploitatie   4 541   4 551 12.1 02.0
– investeringen   1 622   1 729 74.2 02.0
Totaal   75 573   85 204    

01.11 Internationale verplichtingen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Nederland neemt deel aan een aantal gemeenschappelijk gefinancierde programma's in Navo-verband. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de samenhang van het bondgenootschap. Het betreft onder meer het Navo Veiligheids Investeringsprogramma (het vroegere Navo-infrastructuurprogramma), de Militaire begroting en het «Airborne Early Warning and Control System» (AWACS).

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  139 41776 54978 00475 90375 501 
1e suppletore wet 1996  – 6 099     
Nieuwe mutaties  10 60530 36833 27540 58445 741 
Stand ontwerp-begroting 1997336 412152 844143 923106 917111 279116 487121 242115 282
Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingen stand ontwerp-begroting 1997336 412152 844143 923106 917111 279116 487121 242115 282Uitgaven stand ontwerp-begroting 1996
199589 82557 923      147 748
199658 91319 31771 805     150 035
199746 6787 48822 61876 543    153 327
199837 1017 4431 40030 37474 600   150 918
199923 51212 7273 400 36 67969 783  146 101
200017 41610 3167 500  46 70470 082 152 018
200111 60011 6767 500   51 16070 282152 218
na 200151 36725 95429 700    45 000 

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  153 660151 202149 893143 946153 453 
1e suppletore wet 1996  – 6 099     
Nieuwe mutaties  2 4742 1251 0252 155– 1 435 
Stand ontwerp-begroting 1997 147 748150 035153 327150 918146 101152 018152 218

De nieuwe mutaties in de verplichtingenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Prijsbijstelling 19962 3972 3502 1552 430
Navo-veiligheidsinvesteringsprojecten in Nederland4 7493 0674 2664 740
Bijdrage Veiligheidsprogramma21 27625 91232 21736 625
AWACS exploitatie807807807807
Bijdrage aan de militaire begroting van de Navo1 1391 1391 1391 139
Totaal30 36833 27540 58445 741

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Prijsbijstelling 19962 3972 3502 1552 430
Navo-veiligheidsinvesteringsprojecten in Nederland– 1 401– 384941– 2 924
Bijdrage aan Navo Veiligheids Investeringsprogramma– 1 287– 1 287– 1 287– 1 287
Investeringen AWACS470– 1 600– 1 600– 1 600
Exploitatie AWACS807807807807
Bijdrage aan de militaire begroting van de Navo1 1391 1391 1391 139
Totaal2 1251 0252 155– 1 435

Prijsbijstelling 1996

Overeenkomstig de berekeningswijze van het ministerie van Financiën is de prijsbijstelling 1996 aan dit artikel toegevoegd.

Navo-Veiligheidsinvesteringsprojecten in Nederland

Na de fundamentele herziening in de voorgaande jaren is een beperkte groei van binnen de nieuwe criteria passende projecten zichtbaar. Dit leidt tot een zekere toename van verplichtingen voor nieuwe projecten.

Bijdrage aan het Navo Veiligheids Investeringsprogramma

De toename van de verplichtingen in dit artikelonderdeel hangt samen met de nieuwe wijze van invulling van het programma. Thans wordt jaarlijks een aantal «Capability Packages» (CP) door de Navo-raad goedgekeurd. De verplichting wordt per CP geregistreerd.

De berekening van de Nederlandse bijdrage berust op Navo-prognoses. De lichte daling, ten opzichte van de begroting 1996, van de Nederlandse bijdrage aan het Navo Veiligheids Investeringsprogramma, is met name het gevolg van toegenomen Franse participatie aan dit programma.

AWACS investeringen

De wijzigingen van de uitgaven zijn hoofdzakelijk het gevolg van de aanpassing van de valuta-koersen. Vooral de invloed van de lagere dollar doet zich hier gelden.

Exploitatie AWACS

Met de deelnemende landen is een betalingsniveau overeengekomen dat ten opzichte van de begroting 1996 een geringe stijging van de uitgaven te zien geeft.

Bijdrage aan de militaire begroting van de Navo

De raming dient, mede door de financiële effecten van het gemeenschappelijk gefinancierde deel van de IFOR-operatie, in geringe mate te worden bijgesteld.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel verplichtingen Uitgaven Codering
  199519961997 199519961997 econ. funct.
Navo-Veiligheids Investerings-projecten in Nederland 18 61926 06232 205 24 71130 14930 601 13   02.0
Bijdrage aan Navo veiligheids investeringsprogramma 79 81919 76125 912 68 18364 35664  356 35.4 02.0
Investeringen AWACS 8 61349 500  9 0806 9309 570 35.4 02.0
Exploitatie AWACS 16 13314 95014 950 16 13314 95014 950 35.4 02.0
Bijdrage aan de militaire begroting van de Navo 26 70030 95030 950 26 70030 95030 950 35.4 02.0
Overige bijdragen 2 9602 7002 900 2 9412 7002 900 35.4 02.0
Totaal 152 844143 923106 917 147 748150 035153 327    

De meerjarenraming

De onderverdeling naar artikelonderdelen van het volume van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVolume van de uitgaven
 1998199920002001
Navo-Veiligheids Investerings-projecten in Nederland29 96224 34529 96229 962
Bijdrage aan Navo veiligheidsinvesteringsprogramma64 35664 35664 35664 356
Investeringen AWACS7 5007 5007 5007 500
Exploitatie AWACS14 95014 95014 95014 950
Bijdrage aan de militaire begroting van de Navo30 95030 95030 95030 950
Overige bijdragen3 2004 0004 3004 500
Totaal150 918146 101152 018152 218

Navo Veiligheids Investeringsprojecten in Nederland

De uitgaven voor projecten in Nederland betreffen projecten die naar verwachting in 1997 worden voltooid. Het grootste deel van de uitgaven wordt verrekend met de Navo. De hieruit voortvloeiende ontvangsten worden verantwoord op het ontvangstenartikel 01.04.

Na de fundamentele wijzigingen van het Navo Veiligheids Investeringsprogramma is de nadruk komen te liggen op functies voor crisisbeheersing. Voor wat betreft Nederland gaat het in hoofdlijnen om investeringen ten behoeve van communicatie en civiel-technische faciliteiten (met name Navo-oliepijpleidingennetwerk).

Bijdrage aan het Navo veiligheids investeringsprogramma

In dit programma is gekozen voor gemeenschappelijke financiering van samenhangende projecten waarvan het belang of het gebruik uitgaat boven het nationale niveau, de zogenaamde «Capability Packages». Hierin zijn tevens de financiële gevolgen van de exploitatie, inclusief de personele kosten, alsmede relaties met bestaande faciliteiten opgenomen.

Voor de raming in 1997 wordt uitgegaan van een totaal contributieniveau van IAU 175 miljoen ofwel f 1295 miljoen (één Infrastructure Accounting Unit = circa f 7,40). Het Nederlands aandeel van ongeveer 5% betekent een bijdrage van f 64,4 miljoen.

Investeringen AWACS

De investeringen worden gedaan in het kader van de eerste fase («near-term») van het AWACS-verbeteringsprogramma. De investeringen betreffen met name verbeteringen van de radars en de verbindingen.

In Navo-verband is onderzoek gedaan naar de noodzaak en de mogelijkheden van een vervolgfase («mid-term»).

Nadere besluitvorming hierover zal naar verwachting eind 1996 plaatsvinden. De ramingen berusten op de vastgestelde Nederlandse bijdrage van circa 3,75 %.

Exploitatie AWACS

De uitgaven voor het operationeel houden van de AWACS-vloot berusten op de in het «operation and support»-budget voorziene behoeften. Bij de raming is rekening gehouden met een door de deelnemende landen overeengekomen reële nulgroei. De Nederlandse bijdrage is ongeveer 3,75%.

Bijdrage militaire begroting van de Navo

Ten laste van de militaire begroting van de Navo, waaraan Nederland ongeveer 3,5% bijdraagt, komen:–de uitgaven van de hoofdkwartieren, agentschappen en speciale programma's;–de uitgaven ten behoeve van gemeenschappelijk gefinancierde investeringsprojecten;–de uitgaven van gemeenschappelijke voorzieningen die niet in aanmerking komen voor financiering door het Navo Veiligheids Investeringsprogramma.

Overige bijdragen

De overige bijdragen betreffen het Nederlandse aandeel in verschillende specifieke projecten en voorzieningen van Navo, bijvoorbeeld de internationale school van SHAPE en pensioenbijdragen.

01.12 Garanties

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Het ministerie van Defensie heeft de volgende garanties verleend:–voor de wachtgeldregeling voor het personeel van de Stichting nationaal lucht- en ruimtevaart geneeskundig centrum dat per 31 december 1993 in dienst was. Deze garantstelling wordt verleend in combinatie met het ministerie van Verkeer en Waterstaat en loopt tot uiterlijk 1 januari 1998 (f 4,650 miljoen);–voor de lening aan de Woonstichting «Ons Belang» voor een maximum van f 0,4 miljoen met een looptijd tot het jaar 2002;–voor Eurometaal met een maximum van f 2 miljoen.

Naar de huidige inzichten zijn de uitgaven tot en met het jaar 2000 nihil.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  6 9226 8722 1702 1162 060 
1e suppletore wet 1996  – 6 922– 6 872– 2 170– 2 116– 2 060 
Nieuwe mutaties        
Stand ontwerp-begroting 19972 2724 650      

Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingen stand ontwerp-begroting 19972 2724 650      Uitgaven stand ontwerp-begroting 1997
WNTB2 2724 650       
1995         
1996         
1997         
1998         
1999         
2000         
2001         
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996        
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties        
Stand ontwerp-begroting 1997        

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdeel van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
  Verplichtingen Uitgaven Codering
  199519961997 199519961997 econ. funct.
Wachtgeldregeling personeel NLRGC 4 650       51.2 02.0
Totaal 4 650          

01.13 Milieuheffingen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De uitgaven ten laste van dit artikel hebben betrekking op de door Defensie verschuldigde milieuheffingen, die worden verrekend met de waterschappen en gemeenten. De aanslagen hadden betrekking op alle beleidsterreinen van de defensiebegroting. Met ingang van de begroting 1996 zijn de uitgaven en verplichtingen van dit artikel naar de betrokken beleidsterreinen overgeheveld. Het resterende bedrag, dat betrekking heeft op locaties die in gebruik zijn bij de Centrale organisatie, is met ingang van de begroting 1996 ondergebracht bij artikel 01.18 Personeel en materieel.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996        
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties        
Stand ontwerp-begroting 1997 5 896      
Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingen stand ontwerp-begroting1996 5 896      Uitgaven stand ontwerp-begroting 1997
1995 5 896      5 896
1996         
1997         
1998         
1999         
2000         
2001         
na 2001         

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996        
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties        
Stand ontwerp-begroting 1997 5 896      

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
    1995   1995 econ. funct.
Milieuheffingen   5 896   5 896 12.5 02.0

01.14 Milieumaatregelen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De activiteiten hebben betrekking op bodemonderzoeken ten behoeve van de sanering van verontreinigde gronden en overige vormen van milieubelasting. Ook zijn in dit artikel opgenomen de uitgaven voor aan milieumaatregelen gerelateerde verleende diensten van de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen (DGW&T).

De verantwoording van de uitgaven van het saneringsprogramma van de geluidszones rondom militaire vliegvelden is met ingang van de begroting 1996 naar de beleidsverantwoordelijke krijgsmachtdelen overgeheveld.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  12 83212 0867 9007 9007 400 
1e suppletore wet 1996  3 6003 6001 8001 8001 800 
Nieuwe mutaties  – 1 954– 2 236136136– 1 871 
Stand ontwerp-begroting 199722 68234 93414 47813 4509 8369 8367 3299 329

Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingen stand ontwerp-begroting 199722 68234 93414 47813 4509 8369 8367 3299 329Uitgaven stand ontwerp-begroting 1997
199520 39929 812      50 211
19962 2834 8837 478     14 644
1997 2397 0007 450    14 689
1998   6 0003 836   9 836
1999    6 0003 836  9 836
2000     6 0003 329 9 329
2001      4 0005 3299 329
na 2001       4 000 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  10 84210 8867 9007 9007 400 
1e suppletore wet 1996  3 6003 6001 8001 8001 800 
Nieuwe mutaties  202203136136129 
Stand ontwerp-begroting 1997 50 21114 64414 6899 8369 8369 3299 329

De nieuwe mutaties in de verplichtingenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Prijsbijstelling 1996203136136129
Ramingsbijstelling– 2 439  – 2 000
Totaal– 2 236– 136– 136– 1 871

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw hebben alleen betrekking op de bij de verplichtingenopbouw vermelde prijsbijstelling 1996. Deze is overeenkomstig de berekeningswijze van het ministerie van Financiën aan dit artikel toegevoegd.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199519961997 199519961997 econ. funct.
Zonering vliegvelden 26 496   39 890   51.1 02.0
Milieumaatregelen 8 43814 47813 450 10 32114 64414 689 12.1 02.0
Totaal 34 93414 47813 450 50 21114 64414 689    

Milieumaatregelen

Voor bodemonderzoeken ten behoeve van de sanering van verontreinigde gronden en voor wetenschappelijk onderzoek wordt met ingang van 1998 jaarlijks een bedrag van f 6,8 miljoen geraamd. Naast het reeds voorziene onderzoek naar oppervlaktewater- en luchtverontreiniging zijn ook onderzoeken naar overige vormen van milieubelasting onder dit artikel gebracht.

De meerjarenraming van de milieumaatregelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van het volume van de uitgaven(x f 1000)
ArtikelonderdeelVolume van de uitgaven
 19971998199920002001
Milieu-advies11 6896 8366 8366 8296 829
Wetenschappelijk milieu-onderzoek3 0003 0003 0002 5002 500
Totaal14 6899 8369 8369 3299 329

De ramingskengetallen voor de uitgaven inzake milieu-advies kunnen als volgt worden gespecificeerd (begrotingsbedragen x f 1 miljoen):

 
 19971998199920002001
Uitgaven onderzoek:      
– aantal projecten300175175175175
– begrotingsbedrag6,03,53,53,53,5
Uitgaven milieukundige begeleiding:      
– aantal projecten6037373737
– begrotingsbedrag2,21,31,31,31,3
Apparaatskosten DGW&T3,52,02,02,02,0
Totaal11,76,86,86,86,8

Wetenschappelijk milieu-onderzoek

Voor wetenschappelijk milieu-onderzoek wordt jaarlijks een bedrag van f 3 miljoen gereserveerd. Met ingang van het jaar 2000 wordt dit bedrag met f 0,5 miljoen gereduceerd.

01.15 Technologie-ontwikkeling

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel zijn de uitgaven geraamd voor technologie-ontwikkeling, alsmede voor het opbouwen en instandhouden voor en gebruik van kennis en kunde door de Centrale organisatie (Wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling voor de Centrale organisatie [Woo Co]). De uitgaven voor het gebruik van kennis en kunde door de krijgsmachtdelen, inclusief de uitgaven voor de ontwikkeling van materieel ten behoeve van de krijgsmacht, komen ten laste van de krijgsmachtdeelbudgetten.

Het ministerie van Economische Zaken neemt financieel deel aan technologie- en materieelontwikkelingsprojecten, waarbij de bijdrage afhankelijk is van de bijdrage die door de industrie wordt geleverd. Het streven is door middel van het financieren van dergelijke projecten de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie op specifieke gebieden te verbeteren. Het overleg aangaande de financiële bijdrage van het ministerie van Economische Zaken vindt plaats in de commissie ontwikkeling defensiematerieel (Codema).

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  28 65229 27422 31812 11810 618 
1e suppletore wet 1996  – 4 019     
Nieuwe mutaties  1 7166 3603 28412 56614 948 
Stand ontwerp-begroting 199764 76813 01026 34935 63425 60224 68425 56624 484

Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingen stand ontwerp-begroting 199764 76813 01026 34935 63425 60224 68425 56624 484Uitgaven stand ontwerp-begroting 1997
199524 9874 162      29 149
199619 9554 41210 859     35 226
199712 4921 5705 50314 634    34 199
19986 3201 1204 7279 50010 602   32 269
19991 0141 7464 3936 0006 00011 184  30 337
2000  8674 5003 5006 00013 949 28 816
2001   1 0003 5004 5006 00013 81628 816
na 2001    2 0003 0005 61710 668 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  33 51033 72731 82329 91828 418 
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties  1 716472446419398 
Stand ontwerp-begroting 1997 29 14935 22634 19932 26930 33728 81628 816

De nieuwe mutaties in de verplichtingenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Technologie-ontwikkeling en Woo Centrale organisatie5 8882 83812 14714 550
Prijsbijstelling 1996472446419398
Totaal6 3603 28412 56614 948

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw hebben alleen betrekking op de bij de verplichtingenopbouw vermelde prijsbijstelling 1996. Deze is overeenkomstig de berekeningswijze van het ministerie van Financiën aan dit artikel toegevoegd.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199519961997 199519961997 econ. funct.
Bijdrage ruimtevaartprogramma  6 0005 600 6 0006 0005 600 13 02.01
Woo Centrale organisatie 1 7162 1501 894 1 7162 1501 894 13 02.01
Ontwikkeling defensie-technologie 11 29418 19928 140 21 43327 07626 705 13 02.01
Totaal 13 01026 34935 634 29 14935 22634 199    

De meerjarenraming

De onderverdeling van het volume van de uitgaven naar de artikelonderdelen(x f 1000)
ArtikelonderdeelVolume van de uitgaven
 1998199920002001
Bijdrage ruimtevaartprogramma5 2004 2003 2003 200
Woo Centrale organisatie2 6863 5006 8186 218
Ontwikkeling defensie–technologie24 38322 63718 79819 398
Totaal32 26930 33728 81628 816

Bijdrage ruimtevaartprogramma

In 1997 wordt f 5,6 miljoen beschikbaar gesteld voor het ruimtetechnologieprogramma van het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR). Ingaande 1997 nemen de uitgaven als gevolg van doelmatigheidsbesparingen af.

Wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling voor de Centrale organisatie (Woo Co)

De uitgaven die worden verantwoord bij dit artikelonderdeel hebben betrekking op:–het opbouwen en instandhouden van kennis en kunde voor en–het gebruik van kennis en kunde door de Centrale organisatie.

De meerjarenraming van dit artikelonderdeel

bedragen x f 1000Volume van de uitgaven
Artikelonderdeel19971998199920002001
Opbouwen en instandhouden van kennis en kunde voor de Centrale organisatie1 5001 0001 0001 0001 000
Gebruik van kennis en kunde door de Centrale organisatie3941 6862 5005 8185 218
Totaal1 8942 6863 5006 8186 218

Opbouwen en instandhouden van kennis en kunde voor de Centrale organisatie

De opbouw en het instandhouden van kennis en kunde voor de Centrale organisatie heeft betrekking op onderzoek ten behoeve van de primaire processen van de Centrale organisatie, zoals beleids-, plannings- en besluitvormingsprocessen voor alle onderdelen van de Centrale organisatie. Hiervoor kan vaak geen gebruik worden gemaakt van de doelfinanciering aan TNO, waardoor het noodzakelijk is hiervoor een voorziening op te nemen. Het betreft onderzoek dat zowel binnen als buiten TNO plaatsvindt, zoals bij universiteiten, academische ziekenhuizen en andere instellingen.

Gebruik van kennis en kunde door de Centrale organisatie

Het gebruik van kennis en kunde door de Centrale organisatie heeft betrekking op uitgaven voor advisering en algemene ondersteuning van de verschillende organisatiedelen van de Centrale organisatie. Het betreft onder andere onderzoek op het gebied van personeel, inlichtingen, technologische verkenningen en zeer specifiek milieu-onderzoek. De uitgaven voor algemeen milieu-onderzoek maken hier geen onderdeel van uit. In dit onderzoek kan, in de systematiek van integraal plannen van Woo, niet worden voorzien uit de doelfinanciering aan TNO.

Ontwikkeling defensietechnologie

De uitgaven die worden verantwoord bij het artikelonderdeel ontwikkeling defensietechnologie en gebruik Centrale organisatie hebben betrekking op:–technologie-ontwikkeling in het kader van Codema;–internationale technologie-ontwikkeling in Euclid-verband;–internationale technologie-ontwikkeling in WEAG-verband en–nationale technologie-ontwikkeling.

De meerjarenraming van dit artikelonderdeel

bedragen x f 1000Volume van de uitgaven
Artikelonderdeel19971998199920002001
Technologie-ontwikkeling in het kader van Codema3 8092 7962 4194 3984 398
Internationale technologie-ontwikkeling (Euclid)11 54910 7779 5446 0006 000
Internationale technologie-ontwikkeling (WEAG)3 9325 3037 1986 0006 000
Nationale technologie-ontwikkeling7 4155 5073 4762 4003 000
Totaal26 70524 38322 63718 79819 398

Technologie-ontwikkeling in het kader van Codema

Voor technologie-ontwikkelingsprojecten in het kader van Codema geldt in beginsel dat Defensie een derde van de kosten bijdraagt, evenals de industrie en het ministerie van Economische Zaken. De uitgaven zullen in samenhang met de voortgang van de lopende projecten over de jaren fluctueren.

Internationale technologie-ontwikkeling (Euclid)

Voor internationale technologie-ontwikkeling is in WEAG-verband het Euclid-programma opgesteld. Hierin streven de WEAG-landen naar gemeenschappelijke projecten, waaraan elk land een bijdrage levert. Het resultaat is voor alle deelnemende landen beschikbaar. Ieder land streeft ernaar tenminste één nationale industrie of onderzoeksinstelling te vinden, die deelneemt aan voor dat land relevante technologieprojecten. Ter ondersteuning van het Euclid-programma is in 1995 een Research Cell opgericht. De financiering van Euclid-projecten geschiedt volgens een afgesproken verdeelsleutel, die verband houdt met de tussen de deelnemende landen overeengekomen werkverdeling. Er wordt in beginsel een eigen financiële bijdrage van de deelnemende industrieën en onderzoeksinstellingen verwacht. Aan Euclid-projecten wordt in een aantal gevallen eveneens door het ministerie van Economische Zaken bijgedragen.

Internationale technologie-ontwikkeling (WEAG)

Naast de internationale technologie-ontwikkeling binnen het Euclid-programma wordt binnen WEAG-verband ook op andersoortige wijzen in technologie-projecten samengewerkt. De uitgaven hiervoor zijn in dit onderdeel samengebracht. Het ligt in de verwachting dat op langere termijn ook dergelijke projecten in het Euclid-programma kunnen worden ondergebracht.

Nationale technologie-ontwikkeling

De uitgaven van dit onderdeel zijn bedoeld voor de ontwikkeling, door met name nationale onderzoeksinstellingen, van defensie specifieke nieuwe technologieën die een hoge kans op industriële toepassing maken. De uitgaven van dit onderdeel zullen in de loop der jaren, als gevolg van bezuinigingen, worden verminderd.

01.16 Loonbijstelling

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De ramingen van de personele uitgaven berusten op het salarisniveau van 1996. Via dit artikel is de loonbijstelling 1996 als mutatie in de eerste suppletore begroting 1996 over de beleidsterreinen verdeeld. De ontvangen bedragen voor de incidentele looncomponent voor 1997 en volgende jaren en de verwerking van het restant van de loonbijstelling 1996, zijn als nieuwe mutatie over de beleidsterreinen verdeeld.

De stand ontwerp-begroting 1997 op dit artikel wordt verklaard door de hierop gestalde bedragen inzake de sectoralisatie van de Ziektekosten-voorziening Overheidspersoneel (ZVO), A&O-gelden en gelden voor nog nader vast te stellen arbeidsvoorwaarden.

Door toepassing van categorie 2.c van de aanwijzingsregeling verplichtingen-kas 1991 wordt bij dit administratieve begrotingsartikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  38 13347 51754 36060 57365 950 
1e suppletore wet 1996  – 17 44185 87188 99389 75078 362 
Nieuwe mutaties  – 7 580– 38 818– 32 264– 31 617– 36 998 
Stand ontwerp-begroting 1997  13 11294 570111 089118 706107 314137 469

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
bedragen x f 100019961997199819992000
– uitdeling van de incidentele looncomponent 1997 over de beleidsterreinen – 34 722– 33 754– 33 313– 32 923
– uitdeling over de beleidsterreinen van het zogenaamde kindsdeel van de Rijksbedrijfsgezondheids- en bedrijfsveiligheidsdienst– 4 305– 4 305– 4 305– 4 305– 4 305
– uitdeling over de beleidsterreinen van budgetten voor A&O-projecten– 2 333    
– een correctie op de bij dit artikel gestalde bedragen voor de ZVO-regeling – 260– 260– 260– 260
– herschikkingen met andere beleidsterreinen inzake correctie op de loonbijstelling 1996 en andere bijstellingen– 942 4696 0556 261490
Totaal– 7 580– 38 818– 32 264– 31 617– 36 998

De economische en functionele codering is respectievelijk 01.11 en 02.9.

01.17 Prijsbijstelling

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De ramingen van de materiële uitgaven in de ontwerp-begroting 1997 berusten op het prijspeil van 1996. De compensatie voor de door het Centraal Planbureau vast te stellen prijsbijstelling over 1997 zal tijdens de uitvoering van de begroting 1997 ten gunste van dit artikel worden gebracht. In de nieuwe mutaties is de op dit artikel geboekte prijsbijstelling 1996 over de daarvoor in aanmerking komende artikelen van de beleidsterreinen verdeeld.

Door toepassing van categorie 2.c van de aanwijzingsregeling verplichtingen-kas 1991 wordt bij dit administratieve begrotingsartikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  68 21073 23071 38072 13072 130 
1e suppletore wet 1996  37 75316 682– 7 782– 27 605– 8 638 
Nieuwe mutaties  – 105 963– 89 912– 63 598– 44 525– 63 492 
Stand ontwerp-begroting 1997  00000 

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
bedragen x f 100019961997199819992000
– uitdeling van de prijsbijstelling 1996 over de artikelen van de beleidsterreinen– 96 584– 98 025– 98 664– 99 191– 99 658
– diverse technische herschikkingen met andere begrotingsartikelen– 9 379– 44 053– 17 1002 500– 16 000
– compensatie vanwege de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) 52 16652 16652 16652 166
Totaal– 105 963– 89 912– 63 598– 44 525– 63 492

Compensatie Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS)

Deze mutatie betreft een compensatie van de reeds met de eerste suppletore begroting 1996 ten laste van dit artikel overgehevelde uitgaven voor attachés en de kustwacht van de Antillen en Aruba naar artikel 08.04 Overige uitgaven internationale samenwerking van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). Compensatie vind nu plaats ten laste van de beleidsterreinen waar deze uitgaven tot en met de begroting 1996 worden verantwoord.

De economische en functionele codering is respectievelijk 01.13 en 02.9.

01.18 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In dit artikel zijn de verplichtingen en uitgaven opgenomen die nodig zijn voor het functioneren van het ambtelijk apparaat van de Centrale organisatie.

Het artikel bevat ondermeer de volgende componenten:–loonkosten en overige tot het loon te rekenen kosten van de bewindslieden, het ambtelijk burgerpersoneel en het militair personeel dat bij het ministerie is geplaatst;–overige personele uitgaven;–materiële uitgaven.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  265 783228 577201 296196 013197 499 
1e suppletore wet 1996  44 19911 38412 64412 11911 508 
Nieuwe mutaties  6 698662– 4 616– 7 159– 1 069 
Stand ontwerp-begroting 19978 85016 884316 680240 623209 324200 973207 938208 660
Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingen stand ontwerp-begroting 19978 85016 884316 680240 623209 324200 973207 938208 660Uitgaven stand ontwerp-begroting 1997
1995         
19968 10916 366291 638     316 113
199773133820 000227 833    248 902
1998101803 50010 000205 472   219 162
1999  1 5422 0003 852200 388  207 782
2000   790 585207 338 208 713
2001      600208 060208 660
na 2001       600 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  270 069231 850201 517197 213197 499 
1e suppletore wet 1996  44 19911 38412 64412 11911 508 
Nieuwe mutaties  1 8455 6685 001– 1 550– 294 
Stand ontwerp-begroting 1997  316 113248 902219 162207 782208 713208 660

De nieuwe mutaties in de verplichtingenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Ramingsbijstelling4 3162 5562 2359 849
Herstructurering Haagse staven– 1 810– 3 528– 5 246– 7 010
Correctie taakstelling automatiseringsuitgaven200– 1 600– 1 600– 1 600
Bijdrage NBV– 101– 101– 605– 365
Ontvlechting Geneeskundig Facilitair Bedrijf– 1 943– 1 943– 1 943– 1 943
Totaal 662– 4 616– 7 159– 1 069

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Doelmatigheidsbesparingen:    
– herstructurering Haagse staven:     
* militair personeel– 1 120– 1 680– 2 240– 2 800
* burger personeel– 690– 1 848– 3 006– 4 210
– wetenschappelijk onderzoek   244
– Militaire Inlichtingen Dienst (MID)10050   
– reductie Directie Voorlichting – 45– 470– 850
– automatisering200– 1 600– 1 600– 1 600
– ontvlechting Geneeskundig Facilitair Bedrijf (GFB)– 1 943– 1 943– 1 943– 1 943
– compensatie uitgaven vanwege de prijsbijstelling 19962 3172 2362 2242 228
     
Overige nieuwe mutaties:     
– loonbijstelling 1996 en incidentele looncomponent1 6318745881 134
– actualisering in– en uitstroom burgerpersoneel in de wachtgeldregelingen2962 169941– 259
– MICIV (inlichtingen– en veiligheidsdiensten)2 9003 5003 5003 500
– overheveling van BIZA vanwege het RBB contract207199190190
– overheveling naar artikel 01.19 (portokosten Directie Voorlichting)– 1 400– 1 400– 1 400– 1 400
– overheveling van artikel 01.081 1001 2001 2001 200
– overheveling van artikel 01.112721 325 3 865
– compensatie BNMO (artikel 01.04)– 192– 300  
– overheveling naar beleidsterrein     
05. Koninklijke luchtmacht  – 200– 400
– overheveling naar beleidsterrein     
08. Multiservice projecten– 680– 680– 680– 680
– compensatie TIVC5 1005 0005 0005 000
– ombuiging huisvestingskosten en onderhoud– 2 329– 1 955– 3 049– 3 148
– bijdrage NBV– 101– 101– 605– 365
Totaal5 6685 001– 1 550– 294

Doelmatigheidsbesparingen

In het kader van de doelmatigheidsoperatie wordt een aantal maatregelen genomen voor verdere herstructurering. Met name bij de herstructurering van de Centrale organisatie en de Haagse Staven gaat het om de doelstelling ingaande 1996 het aantal militaire- en burgerbeleidsfuncties bij de Centrale organisatie met 25 procent te verminderen.

Daarnaast wordt het aantal personeelsleden bij de Directie Voorlichting verminderd en wordt de Directie Geneeskundig Beleid grotendeels ondergebracht bij het Geneeskundig Facilitair Bedrijf (GFB) van het Defensie Interservice Commando (Dico). Naast een additionele taakstelling voor automatiseringsuitgaven hebben met betrekking tot de doelmatigheidsbesparingen, die in de begroting 1996 werden voorzien, enige bijstellingen plaatsgevonden. Deze bijstellingen zijn met name het gevolg van het verloop van de doelmatigheidsmaatregelen.

Prijsbijstelling 1996

Overeenkomstig de berekeningswijze van het ministerie van Financiën is de prijsbijstelling 1996 aan dit artikel toegevoegd.

Incidenteel loon burger- en militair personeel

Aan de ramingen voor burger- en militair personeel is, naast het restant loonbijstelling 1996, de vergoeding voor de incidentele looncomponent toegevoegd.

Wachtgelden burgerpersoneel

Het betreft de verrekening tussen het budget van beleidsterrein 01. Algemeen en het beleidsterrein 02. Pensioenen, wachtgelden en uitkeringen, als gevolg van nieuwe inzichten in de instroom in de wachtgeldregelingen.

Ministeriële Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (MICIV)

Uitbreiding van de MID/CO formatie voor de operationele aanpak van de informatiebeveiligingstechnologie.

Overheveling van het ministerie van Binnenlandse Zaken

Structurele overheveling van het ministerie van Binnenlandse Zaken van het kindsdeel RBB naar aanleiding van de besluitvorming omtrent de meerjarige contractvorming.

Overheveling naar artikel 01.19

Overheveling van de uitgaven met betrekking tot frankering dienststukken van de Directie Voorlichting in verband met het separaat zichtbaar maken van de uitgaven die samenhangen met voorlichtingsactiviteiten.

Materiële exploitatie

Ten behoeve van de compensatie van de gestegen exploitatie-uitgaven zijn financiële middelen uit artikel 01.11 overgeheveld. Daarnaast is, omwille van een zuiverder verantwoording, de raming van enkele materiële aanschaffingen overgeheveld uit artikel 01.08.

Bond Nederlandse Militaire Oorlogsslachtoffers (BNMO)

Als gevolg van vertragingen bij de eindafrekening 1995 is het kasritme van het resterende bedrag van de oorspronkelijke subsidie aan de BNMO gewijzigd. De hiermee samenhangende bedragen zijn overgeheveld naar artikel 01.04.

Overheveling naar beleidsterrein 05. Koninklijke luchtmacht

In het kader van «single service management» zijn de bij dit beleidsterrein gereserveerde fondsen voor fase 2 en 3 van NAFIN naar de Koninklijke luchtmacht overgeheveld.

Overheveling naar beleidsterrein 08. Multiservice-projecten

Ingevolge interdepartementaal geaccordeerde procedures voor de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS), worden met ingang van de ontwerp-begroting 1997 de uitgaven van attachés geraamd en verantwoord op het begrotingsartikel 08.04 Overige uitgaven Internationale Samenwerking.

MID/TIVC

In het kader van de reorganisatie en integratie van de Militaire Inlichtingen Diensten (MID) bij de Centrale organisatie zijn extra financiële middelen noodzakelijk ten behoeve van achterstallige investeringen en kwaliteitsverbetering van het Technisch Informatie Verwerkings Centrum (TIVC) van de MID.

Huisvestingskosten

Verlaging van de huisvestings- en onderhoudskosten als gevolg van herfasering van onderhoudsinspanningen.

Bijdrage NBV

In het kader van de afstemming van «reflexposten» in de Rijksbegroting met het ministerie van Buitenlandse zaken is de bijdrage aan het Nationaal Bureau voor Verbindingsbeveiliging bijgesteld en zijn de financiële middelen naar artikel 01.04 Bijdragen en subsidies overgeheveld.

De onderverdeling naar de artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
   19961997  19961997 econ. funct.
01.18.01 Ambtelijk  91 18582 819  91 18582 819 11.1 02.0
burgerpersoneel             
01.18.02 Militair personeel  69 15860 804  69 15860 804 11.1 02.0
01.18.03 Overige personele  21 58919 671  21 58919 671 12.1 02.0
uitgaven             
01.18.04 Materieel 134 74877 329 134 18185 608 12.1 02.0
Totaal  316 680240 623  316 113248 902    

Ramingskengetallen ambtelijk burgerpersoneel

De onderverdeling van het volume van de uitgaven naar artikelonderdelen (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 199619971998199920002001
Actief ambtelijk burgerpersoneel:       
– personele sterkte (in vte'n)1 067973890812784767
– toegelicht bedrag (x f 1000,–)89 95881 65775 82069 98368 59567 759
– gemiddeld salaris (x f 1,–)84 30983 92385 19186 18687 49488 343
Niet–actief ambtelijk burgerpersoneel:       
– personele sterkte (in vte'n)302827262525
– toegelicht bedrag (x f 1000,–)1 2271 1621 1021 0621 0521 052
– gemiddeld salaris (x f 1,–)40 90041 50040 81540 84642 08042 080
Totaal91 18582 81976 92271 04569 64768 811

Ramingskengetallen militair personeel

De onderverdeling van het volume van de uitgaven naar artikelonderdelen (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 199619971998199920002001
Vrijwillig dienend militair personeel:       
– personele sterkte (in vte'n)414431414411406398
– toegelicht bedrag (x f 1000,–)41 37543 48741 55141 23341 53242 879
– gemiddeld salaris (x f 1,–)99 940100 898100 365100 324102 296107 736
Dienstplichtig personeel:       
– personele sterkte (in vte'n)10     
– toegelicht bedrag (x f 1000,–)236      
– gemiddeld salaris (x f 1,–)23 600      
Lump sum geneeskundige verzorging27 54717 317364375375 
Totaal69 15860 80441 91541 60841 90742 879

Meerjarig volume overige personele uitgaven

 
 Uitgaven
 199619971998199920002001
Overige personele uitgaven:       
– inhuur tijdelijk personeel1 5711 4141 3891 3651 3311 331
– reis– en verblijfkosten8 9798 5348 0907 6527 5457 545
– verplaatsingskosten1 9631 9061 8261 7941 7761 776
– werving en keuring235235235235235235
– opleidingen2 1771 9751 8211 7181 6641 664
– overige personele uitgaven6 6645 6075 9195 7775 7255 725
Totaal21 58919 67119 28018 54118 27618 276

Meerjarig volume materiële exploitatie uitgaven

 
 Uitgaven
 199619971998199920002001
Materiële exploitatie uitgaven:       
– bureaukosten10 1818 5678 3678 3988 3168 316
– representatie en vergaderingen2 062937829747890890
– huisvestingskosten22 10816 50814 98210 88411 02511 009
– frankering en porto968718718718718718
– drukkosten990650650650650650
– tijdschriften1 149946896896896896
– telecommunicatie3 7503 1003 1003 1003 1003 850
– automatisering44 51534 97635 23334 37934 90234 622
– uitbesteding14 1815 8485 1885 1484 8584 858
sub-totaal99 90472 25069 96364 92065 35565 809
       
Materiële exploitatie uitgaven met een investeringskarakter:      
– vervoermiddelen1 7531 3851 3901 0001 0001 000
– meubilair1 613690640640640640
– automatisering27 8619 2558 7249 65311 51310 870
– telecommunicatie3 0502 028328375375375
sub-totaal34 27713 35811 08211 66813 52812 885
Totaal134 18185 60881 04576 58878 88378 694

01.18.01 Ambtelijk burgerpersoneel

De begrotingssterkte waarop de raming is gebaseerd is als volgt opgebouwd:

 
 19971998199920002001
Sterke begroting 1996850784732725725
Doelmatigheidsbesparingen:     
– reductie Haagse staven      
* daling gewenste sterkte– 23– 37– 51– 66– 74
* bdos151414158
daling begrotingssterkte– 8– 23– 37– 51– 66
– reductie Directie Voorlichting  – 3– 6– 8
– ontvlechting Geneeskundig Facilitair Bedrijf (GFB)– 19– 19– 19– 19– 19
– correcties begroting 1996   33
Totaal doelmatigheidsbesparingen– 27– 42– 59– 73– 90
      
Overige mutaties:      
– overhevelingen tussen de beleidsterreinen128123115108108
– personeel ten behoeve van Kabinet voor Nederlands–Antilliaanse en Arubaanse Zaken11    
– personeel ten behoeve van informatiebeveiliging2124242424
Totaal overige mutaties150148139132132
      
Sterkte ontwerpbegroting 1997973890812784767

Doelmatigheidsbesparingen

Dit betreft onder meer een correctie op een eerder ten onrechte aangebrachte reductie op de post wetenschappelijk onderzoek. Daarmee zijn met ingang van het jaar 2000 drie vte'n gemoeid.

Bij de post reductie van de Centrale organisatie en de Haagse staven gaat het om de doelstelling ingaande 1996 bij de Centrale organisatie het aantal beleidsfuncties te verminderen met 25 procent, verdeeld over een periode van vijf jaren. De reductie Haagse staven zal met ingang van 1998 in gang worden gezet.

Bij de Centrale organisatie zijn 460 vte'n van burger- en militair personeel aangemerkt als beleidsfunctie en direct ondersteunende functie. De hier opgenomen aantallen hebben betrekking op de component burgerpersoneel.

Daarnaast vind de ontvlechting plaats van het Geneeskundig Facilitair Bedrijf (GFB) naar het Defensie Interservice Commando (Dico) en wordt met de reductie van de Directie Voorlichting uitvoering gegeven aan het besluit de uitgaven op het gebied van voorlichting terug te dringen.

Overige mutaties

Naast personeelsuitbreiding ten behoeve van informatiebeveiliging, zijn ten opzichte van de begroting 1996 vanaf het jaar 2000 nog enige verschuivingen van formatieplaatsen doorgevoerd. Dit leidt per saldo tot het volgende beeld van de overheveling van diverse vte'n tussen de verschillende krijgsmachtdelen en het in 1996 opgerichte Defensie Interservice Commando (Dico).

 
 19971998199920002001
Naar: Koninklijke luchtmacht– 20– 20– 20– 19– 19
Naar: Koninklijke landmacht– 34– 34– 34– 34– 34
Van: Koninklijke marine107105989494
Van: Dico7572706767
Per saldo toevoeging aan de Centrale organisatie128123115108108

01.18.02 Militair personeel

De uitkomsten van de SNIP-raming zijn gecorrigeerd voor de geraamde uitgaven voor gratificaties. Als gevolg van de gefaseerd ingevoerde fiscale bijdrage voor de ziektekosten van dienstplichtig personeel is hiervoor in de ontwerpbegroting voor 1997 nog een bedrag geraamd. Hiermee is in 1997 een bedrag gemoeid van f 17 miljoen. In de volgende jaren komen slechts nog geringe bedragen voor ten behoeve van nabetalingen en finale afrekening.

De personele sterkte van het militair personeel waarop de ramingen voor 1997 zijn gebaseerd is als volgt opgebouwd:

 
 19971998199920002001
Sterkte begroting 1996409400406409409
Doelmatigheidsbesparingen:      
– reductie Haagse staven      
* daling gewenste sterkte– 11– 19– 26– 34– 37
* bdos78783
daling begrote sterkte– 4– 11– 19– 26– 34
– ontvlechting Geneeskundig Facilitair Bedrijf (GFB)– 10– 10– 10– 10– 10
Totaal doelmatigheidsbesparingen– 14– 21– 29– 36– 44
      
– uitbreiding militair personeel1111111111
– overhevelingen tussen de beleidsterreinen2524232222
Totaal mutaties22145– 3– 11
      
Sterkte ontwerpbegroting 1997431414411406398

Toelichting op de wijzigingen

Bij de post reductie van de Centrale organisatie en de Haagse staven gaat het om de doelstelling ingaande 1996 bij de Centrale organisatie het aantal beleidsfuncties te verminderen met 25 procent, verdeeld over een periode van vijf jaren. De reductie van de Haagse staven zal met ingang van 1998 in gang worden gezet.

Bij de Centrale organisatie zijn 460 vte'n van burger- en militair personeel aangemerkt als beleidsfunctie en direct ondersteunende functie. De hier opgenomen aantallen hebben betrekking op de component militair personeel.

De regel uitbreiding militair personeel houdt verband met de oprichting van het Defensie crisisbeheersingscentrum (DCBC) waartoe een aantal nieuwe formatieplaatsen voor militair personeel is ingesteld. Voorts is de ontvlechting van het Geneeskundig Facilitair Bedrijf (GFB) naar het Defensie Interservice Commando opgenomen.

Daarnaast zijn, ten opzichte van de begroting 1996, vanaf het jaar 2000 nog enige verschuivingen van formatieplaatsen doorgevoerd.

Dit leidt per saldo tot het volgende beeld van de overheveling van diverse functies van de verschillende krijgsmachtdelen en het in 1996 opgerichte Defensie Interservice Commando (Dico) naar de Centrale organisatie.

 
 19971998199920002001
Koninklijke luchtmacht55555
Koninklijke landmacht44444
Koninklijke marine1413121111
Dico22222
Totaal toevoeging aan de Centrale organisatie2524232222

01.18.03 Overige personele uitgaven

Dit artikelonderdeel bevat de ramingen voor de kosten van:–niet-regulier personeel;–reis- en verblijfkosten;–verplaatsingskosten;–werving, keuringen en geneeskundige verzorging;–onderwijs en opleiding;–overige personele uitgaven.

Van dit artikelonderdeel worden de volgende uitgaven met behulp van ramingskengetallen toegelicht. De totale personeelssterkte van het burger- en militair personeel geldt hierbij als ijkpunt:

 
OmschrijvingUitgaven
Ramingskengetallen199619971998199920002001
Reis– en verblijfkosten:       
– personele sterkte (in vte'n)1 4911 4041 3041 2231 1901 165
– toegelicht bedrag (x f 1000,–)8 9798 5348 0907 6527 5457 545
– bedrag per vte (x f 1,–)6 0226 0786 2046 2576 3406 476
       
Verplaatsingskosten:       
– personele sterkte (in vte'n)1 4911 4041 3041 2231 1901 165
– toegelicht bedrag (x f 1000,–)1 9631 9061 8261 7941 7761 776
– bedrag per vte (x f 1,–)1 3171 3581 4001 4671 4921 524
       
Vorming en opleiding:       
– personele sterkte (in vte'n)1 4911 4041 3041 2231 1901 165
– toegelicht bedrag (x f 1000,–)2 1771 9751 8211 7181 6641 664
– bedrag per vte (x f 1,–)1 4601 4071 3961 4051 3981 428

Reis- en verblijfkosten

De reis- en verblijfkosten staan voor een belangrijk deel in relatie tot de omvang van internationale operaties en materieel samenwerkingsprojecten. Ondanks het feit dat verwacht wordt dat de gemiddelde reiskosten in de loop der jaren afnemen bestaat er geen directe relatie met personeelsreducties.

Verplaatsingskosten

Verwacht wordt dat de verplaatsingskosten, voornamelijk als gevolg van de herstructurering en de verplaatsingen die daarmee zijn gemoeid, voorlopig niet zullen verminderen.

Vorming en opleiding

De uitgaven voor vorming en opleiding zijn als gevolg van de doelmatigheidsbesparingen, door terughoudendheid met betrekking tot externe opleidingen en bij het toekennen van studiekostenvergoedingen, verder verlaagd.

Werving en keuringen (geneeskundige verzorging)

De uitgaven voor werving, selectie en keuring zijn met de eerste suppletore begroting voor 1996 naar beleidsterrein 09. Defensie interservice commando (Dico) overgeheveld. De raming van de voor dit doel resterende uitgaven door de Centrale organisatie heeft nog slechts betrekking op medische keuringen van aldaar werkzaam burgerpersoneel, die worden verricht door de Rijksbedrijfsgezondheids- en bedrijfsveiligheidsdienst (RBB). Daarnaast worden keuringen voor managementsfuncties bij dit artikel geraamd. Met een en ander is in totaal f 0,235 miljoen per jaar gemoeid.

Overige personele uitgaven

De uitgaven op dit artikelonderdeel, die in geringe mate afnemen, hebben betrekking op:–bijdragen aan de personeelscentrales voor georganiseerd overleg;–deelname en bijdragen aan diverse raden en commissies waaronder de Maatschappelijke Raad voor de Krijgsmacht en de Adviesraad Vrede en Veiligheid;–kinderopvang;–overige posten, waaronder bemiddelingskosten voor herplaatsing van overtollig personeel («outplacement»), voeding en kleding.

De uitgaven zijn als volgt te specificeren (x f 1000):

 
 19971998199920002001
Georganiseerd overleg2 6002 6002 6002 6002 600
Raden en commissies1 1371 073893859843
Kinderopvang124123122121120
Overige1 7462 1232 1622 1452 162
Totaal5 6075 9195 7775 7255 725

Sociaal Beleidskader (SBK)

Zonder dat op dit moment een splitsing in burger- en militair personeel is te geven, worden voor het SBK de volgende uitgaven verwacht, die met uitzondering van de wachtgelden welke ten laste van artikel 02.01 worden geboekt, ten laste van artikel 01.18 van dit beleidsterrein komen (bedragen x f 1 miljoen):

 
Hoofdcategorie:t.l.v. art.199619971998199920002001
– Om-, her- en bijscholing en outplacement01.18.031,00,90,80,70,60,6
– Verplaatsingskosten01.18.030,10,10,10,10,10,1
– Wachtgelden burgerpersoneel (SBK/UBMO)02.014,54,85,76,36,15,9
– Plaatsingen boven de organieke sterkte01.18.015,67,64,62,82,52,0
Totaal 11,213,411,29,99,38,6

Toelichting

De stijging vanaf 1996 van de plaatsingen boven de organieke sterkte wordt veroorzaakt door de effecten van de opschorting van de opkomstplicht. Het betreft vooral de Directie Dienstplichtzaken.

01.18.04 Materieel

Dit betreft de verplichtingen en uitgaven voor materiële zaken in verband met het functioneren van de Centrale organisatie.

Ten laste van dit artikelonderdeel komen ondermeer de volgende uitgaven:–bureaukosten, kantoorbenodigdheden, interne verhuiskosten en bedrijfsvoeringskosten;–representatie en vergaderingen;–huisvestingskosten waaronder begrepen huur, onderhoud, beveiliging, schoonmaak, energie en nutsvoorzieningen;–frankering, porto en bankkosten;–drukkosten;–boeken en tijdschriften, abonnementen en lidmaatschappen;–telefoonkosten;–exploitatie-uitgaven voor automatisering;–uitbesteding van organisatie- en advieswerk en catering;–vervoermiddelen;–meubilair en stoffering;–investeringen in automatisering;–investeringen in telecommunicatie.

De raming van de uitgaven kan grotendeels met behulp van ramingskengetallen worden toegelicht. Deze zijn gebaseerd op de totale begrotingssterkte van het burger- en militair personeel in het betrokken jaar:

 
OmschrijvingUitgaven
Ramingskengetallen199619971998199920002001
Bureaukosten:       
– personele sterkte (in vte'n)1 4911 4041 3041 2231 1901 165
– toegelicht bedrag (x f 1000,–)10 1818 5678 3678 3988 3168 316
– bedrag per vte (x f 1,–)6 8286 1026 4166 8676 9887 138
       
Representatie:       
– personele sterkte (in vte'n)1 4911 4041 3041 2231 1901 165
– toegelicht bedrag (x f 1000,–)2 062937829747890890
– bedrag per vte (x f 1,–)1 383667636611748764
       
Huisvesting:       
– personele sterkte (in vte'n)1 4911 4041 3041 2231 1901 165
– toegelicht bedrag (x f 1000,–)22 10816 50814 98210 88411 02511 009
– bedrag per vte (x f 1,–)14 82811 75811 4898 8999 2659 450
       
Frankering/bankkosten:       
– personele sterkte (in vte'n)1 4911 4041 3041 2231 1901 165
– toegelicht bedrag (x f 1000,–)968718718718718718
– bedrag per vte (x f 1,–)649511551587603616
       
Drukkosten:       
– personele sterkte (in vte'n)1 4911 4041 3041 2231 1901 165
– toegelicht bedrag (x f 1000,–)990650650650650650
– bedrag per vte (x f 1,–)664463498531546558
       
Tijdschriften/abonnementen:       
– personele sterkte (in vte'n)1 4911 4041 3041 2231 1901 165
– toegelicht bedrag (x f 1000,–)1 149946896896896896
– bedrag per vte (x f 1,–)771674687733753769

Bureaukosten

De uitgaven voor bureaukosten hebben onder meer betrekking op huur, onderhoud van bedrijfsmiddelen, kantoorbenodigdheden en bedrijfsvoeringskosten.

Representatie

De uitgaven voor representatie houden verband met de voor die jaren voorziene activiteiten.

Huisvesting

De daling van het ramingskengetal voor huisvesting wordt vooral veroorzaakt door het afnemen van de activiteiten van de directie Dienstplichtzaken en het herfaseren van onderhoudsinspanningen. Vanaf 1999 wordt verwacht dat het ramingskengetal weinig fluctuaties zal vertonen.

Frankeringen en bankkosten

Verwacht wordt dat de uitgaven voor dienstverlening door de banken in de loop der jaren gelijk zullen blijven. De frankeringskosten zijn naar verwachting in 1997 lager dan de raming voor 1996 doordat de porto-uitgaven ten behoeve van de direktie Dienstplichtzaken komen te vervallen en de portokosten voor de direktie Voorlichting zijn overgeheveld naar artikel 01.19.

Drukkosten

Dit onderdeel bevat de uitgaven voor drukwerk ten behoeve van de Centrale organisatie, waarin hoofdzakelijk wordt voorzien door de geprivatiseerde Centrale drukkerij- en publicatievoorziening (CDP). Jaarlijks wordt gemiddeld f 0,7 miljoen geraamd.

Tijdschriften en abonnementen

Dit onderdeel heeft betrekking op de uitgaven voor boeken, tijdschriften en dagbladen ten behoeve van de documentaire informatie van de Centrale organisatie. De uitgaven voor de Centrale medische bibliotheek beslaan 30% van het totaal. De uitgaven blijven de eerstvolgende jaren op hetzelfde niveau.

Exploitatie telecommunicatie

Voor de exploitatie van de telecommunicatiemiddelen is structureel f 3,1 miljoen geraamd. De uitgaven hebben betrekking op de exploitatie van de telefooncentrales, de abonnements- en de gesprekskosten.

Exploitatie automatisering

Gebaseerd op een automatiseringsgraad van 100% kunnen de exploitatiegegevens per directie worden weergegeven. Hierbij dient te worden aangetekend dat het niveau van de uitgaven van het Directoraat Generaal Personeel, Directoraat Generaal Economie en Financiën en de Directie Militair Geneeskundig Beleid bepaald worden door automatiserings- en informatiesystemen, die ten dienste staan van de gehele krijgsmacht. Daarbij gaat het onder meer om de salarisadministratie en het begrotingsadministratiesysteem.

 
bedragen x f 100019971998199920002001
Directoraat Generaal Personeel17 68517 56817 55817 55817 558
Directoraat Generaal Materieel160160160160160
Directoraat Generaal Economie en Financiën6 7006 7006 7006 7006 700
Directie Militair Geneeskundig Beleid2 1302 6552 6402 6602 660
Accountantsdienst390380380380380
Chef Defensiestaf1 2111 1561 1031 1031 223
Militaire Inlichtingen Dienst3 6373 9552 5152 6402 240
Overig kerndepartement3 0632 6593 3233 7013 701
Totaal34 97635 23334 37934 90234 622

Uitbestedingen

De uitbestedingen hebben betrekking op diensten die worden ingehuurd, zoals catering. Daarnaast bestaan de uitgaven voor dit onderdeel uit de inhuur van personeel voor organisatie- en informatie-advieswerk. De hiervoor genoemde bedragen zijn in hoofdzaak bestemd voor activiteiten op het gebied van de personeelszorg.

 
bedragen x f 100019971998199920002001
Catering1 7501 7501 7501 7501 750
Organisatie- en informatie advieswerk4 0983 4383 3983 1083 108
Totaal5 8485 1885 1484 8584 858

Catering

Verwacht wordt dat vanaf 1997 de uitgaven voor catering op hetzelfde niveau zullen blijven, aangezien geen structurele wijzigingen worden voorzien.

Organisatie- en informatie-advieswerk

De daling van de beschikbare financiële middelen voor organisatieen informatie advieswerk is het gevolg van doelmatigheidsbesparingen op dit artikelonderdeel.

Vervoermiddelen

Het niveau van de uitgaven voor vervangingsinvesteringen wordt bepaald door de omvang van het wagenpark (personenauto's) en een vervanging na vier jaren of 120 duizend kilometer. Gebaseerd op een gemiddelde prijs van f 41 000 wordt uitgegaan van de vervanging van de volgende aantallen personenauto's:

 
Ramingskengetallen199619971998199920002001
aantal433434242424

Meubilair en stoffering

De gereserveerde bedragen hebben betrekking op een planmatige vervanging van meubilair en stoffering. Na renovatie of groot onderhoud van de gebouwen waarin de diensten zijn gehuisvest, wordt het meubilair, afhankelijk van de staat waarin het verkeert, meestal per eenheid vervangen.

Investeringen automatisering

Voor investeringen in automatiseringsapparatuur is uitgegaan van een normbedrag van f 2000 per ambtenaar per jaar. Daarnaast is een bedrag geraamd voor specifieke nieuwe investeringen.

 
bedragen x f 100019971998199920002001
Norminvesteringen2 8462 6742 5602 5362 536
Specifieke investeringen6 4096 0507 0938 9778 334
Totaal9 2558 7249 65311 51310 870

Specifieke investeringen automatiseringsapparatuur

Specifieke investeringen hebben vooral betrekking op de kwaliteitsverbetering en achterstallige investeringen in systemen voor de verwerking van inlichtingen. Daarnaast worden investeringen gedaan voor de instandhouding en onderhoud van systemen voor geneeskundige registratie en personeelsinformatie.

Investeringen telecommunicatie

De uitgaven, die betrekking hebben op telecommunicatie-apparatuur, zijn te verdelen in:–investeringen in pocket- en autotelefonie;–investeringen in telefax- en crypto-apparatuur;–vervanging van telefooncentrales;–apparatuur ten behoeve van het berichtendistributiesysteem (BERDIS).

 
bedragen x f 100019971998199920002001
pockettelefonie5050505050
autotelefonie5050505050
telefax28128175100100
cryptoapparatuur100100100175175
telefooncentrales1 800    
Totaal2 028328375375375

01.19 Overige departementale uitgaven

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen uitgaven ten behoeve van het gehele ministerie van Defensie. Het betreft uitgaven voor:–voorlichting;–schadevergoedingen;–hulpprogramma's aan Navo-lidstaten, zoals steun aan landen met «developing defence industries» (DDI);–samenwerkingsprogramma's met de Midden- en Oost-Europese landen waaronder uitgaven voor wapenbeheersing;–exploitatiekosten van het WEU-satellietcentrum;–overige uitgaven, zoals drukwerk en publicatiekosten en de uitgaven in het kader van de wettelijke bepalingen omtrent telecommunicatie en frequentiebeheer.

Met ingang van de begroting 1996 is het bovengenoemde deel van de uitgaven uit artikel 01.05 Materiële exploitatie overgeheveld naar dit artikel.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  29 78429 25028 20029 20026 800 
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties  1 7945 2935 2925 2925 292 
Stand ontwerp-begroting 19975401 14131 57834 54333 49234 49232 09234 146
Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingen stand       Uitgaven stand
ontwerp-begroting       ontwerp-begroting
19975401 14131 57834 54333 49234 49232 09234 1461997
1995         
199627084728 827     29 944
19972702942 05330 726    33 343
1998  6981 65030 944   33 292
1999   1 6501 34830 294  33 292
2000   5171 0002 24829 527 33 292
2001    1001 6501 56529 89833 213
na 2001    1003001 0004 248 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  28 15028 05028 00028 00028 000 
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties  1 7945 2935 2925 2925 292 
Stand ontwerp-begroting 1997  29 94433 34333 29233 29233 29233 213

De nieuwe mutaties in de verplichtingen- en uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Prijsbijstelling 1996393392392392
Overheveling uit 01.181 4001 4001 4001 400
Frequentiebeheer1 8001 8001 8001 800
Wet Elektromagnetische Compatabiliteit1 7001 7001 7001 700
Totaal5 2935 2925 2925 292

Prijsbijstelling 1996

Overeenkomstig de berekeningswijze van het ministerie van Financiën is de prijsbijstelling 1996 aan dit artikel toegevoegd.

Overheveling uit artikel 01.18

Overheveling van de uitgaven met betrekking tot frankering dienststukken van de Directie Voorlichting in verband met het separaat verantwoorden van uitgaven die verband houden met voorlichtingsactiviteiten op artikel 01.19.

Frequentiebeheer

Door de regering zijn de hoofdlijnen van frequentiebeleid en -beheer vastgesteld. De uitvoeringskosten die verband houden met het management en beheer van het frequentiespectrum worden bij alle gebruikers van frequenties in rekening gebracht.

De Europese Richtlijn Elektromagnetische Compatabiliteit (E.M.C.)

Als gevolg van de wijziging van de wet op de Telecommunicatievoorzieningen (WTV) wordt voortaan van de gebruikers van zendinrichtingen een jaarlijkse bijdrage gevraagd ter dekking van de kosten die worden gemaakt door de overheid, ter waarborging van een storingsvrij gebruik van de ether.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
   19961997  19961997 econ. funct.
– Voorlichting  5 1434 886  5 1434 886 12.1 02.0
– Schadevergoedingen  14 90014 900  14 90014 900 53.0 02.0
– Samenwerkingsprogramma's  6 4485 913  4 8144 713 31.1 02.0
– Overige uitgaven 5 0878 844 5 0878 844 12.1 02.0
Totaal  31 57834 543  29 94433 343    

De meerjarenraming

De onderverdeling naar het volume van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVolume van de uitgaven
 1998199920002001
– Voorlichting4 4764 4764 4764 476
– Schadevergoedingen14 90014 90014 90014 900
– Samenwerkingsprogramma's4 7124 7124 7124 712
– Overige uitgaven9 2049 2049 2049 125
Totaal33 29233 29233 29233 213

01.19.01 Voorlichting

De uitgaven voor specifieke voorlichting, films, exposities, Defensie-informatiecentra, voorlichtingsbrochures, Defensiemaandbladen en de Defensiekrant worden onder deze rubriek verantwoord. In het kader van doelmatigheidsbesparingen worden vanaf 1998 geen financiële middelen meer beschikbaar gesteld voor exposities. De totale oplagen per jaar van de diverse Defensieperiodieken zijn als volgt:

 
Defensiekrant1 848 000
Alle Hens277 750
Legerkoerier849 750
Vliegende Hollander265 650
Militair Rechtelijk Tijdschrift11 700
Nederlands Militair Geneeskundig Tijdschrift78 000

Als gevolg van de doelmatigheidsbesparingen wordt vanaf 1998 voor voorlichtingsuitgaven (exclusief de personele exploitatiekosten) jaarlijks een bedrag van f 4,5 miljoen geraamd.

 
bedragen x f 1 miljoen19971998199920002001
Voorlichtingsuitgaven4,94,54,54,54,5

01.19.02 Schadevergoedingen

Hieronder vallen de uitgaven voor de vergoeding van schade waarbij de krijgsmachtdelen zijn betrokken, waaronder die in verband met oefeningen en vliegtuigongevallen.

Deze uitgaven, waarvoor gemiddeld meerjarig f 14,9 miljoen wordt geraamd, zijn als volgt verdeeld:

 
bedragen x f 1 miljoen19971998199920002001
Koninklijke landmacht6,06,06,06,06,0
Koninklijke luchtmacht1,01,01,01,01,0
Oefenschade6,06,06,06,06,0
Koninklijke marine0,70,70,70,70,7
Schadevergoeding 19850,40,40,40,40,4
Gerechtelijke procedures0,80,80,80,80,8
Totaal14,914,914,914,914,9

01.19.03 Hulp- en samenwerkingsprogramma's

Voor deze uitgaven wordt gemiddeld f 4,3 miljoen geraamd.

Hierin is de bijdrage opgenomen van Defensie in de rentelasten die voortvloeien uit drie door Nederland aan Turkije verstrekte leningen. Deze leningen lopen af in 1999. Daarnaast zijn hier ook de bijdragen geraamd voor de deelname aan het WEU-programma voor satellietwaarneming (te Torrejon in Spanje) en de steun aan landen met een ontwikkelende defensie-industrie, te weten Griekenland, Portugal en Turkije. Voorts worden hier de uitgaven geraamd voor de wapenbeheersings- en samenwerkingsprogramma's met de Navo-lidstaten en de voormalige Midden- en Oost-Europese landen.

 
bedragen x f 1 miljoen19971998199920002001
Rentelasten1     
WEU–programma1,71,71,71,71,7
DDI–steun0,70,70,70,70,7
Samenwerkingsprogramma's2,32,32,32,32,3
Totaal4,74,74,74,74,7

1 De uitgaven voor de rentelasten lopen in het jaar 2000 af. Vanwege het geringe jaarlijkse bedrag zijn deze uitgaven in dit overzicht niet meegenomen ( gemiddeld f 25 000,– per jaar).

01.19.04 Overige uitgaven

Deze uitgaven, waarvoor gemiddeld f 9,1 miljoen wordt geraamd, hebben betrekking op:–uitgaven voor drukwerk ten behoeve van het ministerie van Defensie, waaronder reglementen, voorschriften en formulieren;–uitgaven in het kader van de wettelijke bepalingen voor telecommunicatie en frequentiebeheer;–uitgaven voor het technisch beheer van onroerende goederen door de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen.

 
bedragen x f 1 miljoen19971998199920002001
Drukwerk3,53,93,93,93,8
Telecom & frequentiebeheer3,53,53,53,53,5
Technisch beheer1,81,81,81,81,8
Totaal8,89,29,29,29,1

02. Beleidsterrein Pensioenen, wachtgelden en uitkeringen

02.01 Wachtgelden burgerpersoneel en inactiviteitswedden militair personeel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De uitgaven op dit artikel hebben betrekking op de diverse wachtgeld-regelingen voor de burgerambtenaren van Defensie, waaronder het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren Defensie, het Uitkeringsbesluit burgerlijke ambtenaren Defensie en de Regeling Uitkering wegens Functioneel Leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren Defensie.

Daarnaast worden sinds 1994 de wachtgelden voor militair personeel op dit artikel verantwoord. Naast regulier wachtgeld voor militair personeel, worden ook de uitgaven voor wachtgelden en de uitstroom-bevorderende maatregel voortvloeiend uit het Sociaal Beleidskader (SBK) op dit artikel verantwoord.

Vanaf 1996 omvat dit artikel ook de uitgaven die betrekking hebben op de uitvoeringskosten van de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO). De financiële middelen hiervoor zijn onder andere uit beleidsterrein 09 overgeheveld. Daarnaast is hiervoor ook structureel budget overgeheveld door het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Conform het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabi-liteitswet wordt bij dit artikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 1995199619971998199920002001 
Stand ontwerp-begroting 1996 169 066172 151179 875174 118162 098  
1e suppletore wet 1996 48 45731 51430 92030 75030 374  
Nieuwe mutaties 486 903–87410 583–332  
Stand ontwerp-begroting 1997177 945217 571210 568209 921215 451192 140184 506 

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Wachtgelden Kerndepartement– 296– 2 169– 941259
Wachtgelden Defensie Interservice Commando– 596533– 113282
Wachtgelden Koninklijke landmacht3 5002 19110 946– 1 010
Wachtgelden Koninklijke marine– 1901 7143 5393 369
Wachtgelden Koninklijke luchtmacht– 1 805– 3 900– 3 216– 3 600
Loonbijstelling USZO381368368368
Invoeringskosten USZO5 909 389  
Totaal6 903– 87410 583– 332

De mutaties, die ten grondslag liggen aan de in de wet opgenomen bedragen, zijn het gevolg van door de beleidsterreinen geactualiseerde in- en uitstroom van het burger- en militair personeel, dat naar verwachting van de diverse wachtgeldregelingen gebruik zal maken. Daarnaast is het defensie-aandeel in de invoeringskosten van de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO) aan dit artikel toegevoegd.

In gezamenlijk overleg tussen de beleidsterreinen is een uniforme ramingssystematiek vastgelegd voor de wachtgelden voor het burger- en militair personeel.

De geraamde uitgaven voor wachtgelden in verband met het Sociaal Beleidskader (SBK) en de Uitstroom Bevorderende Maatregel Ouderen (UBMO) worden beïnvloed door de nog in uitvoering zijnde reorganisatie. Verdere bijstellingen van de geraamde uitgaven zijn dan ook niet uit te sluiten. Het beleid blijft er op gericht de instroom in de wachtgeld-regelingen zoveel mogelijk te beperken, vooral door het gebruik van de SBK-instrumenten gericht op de tewerkstelling van overtollig defensie-personeel, zowel binnen als buiten de (rijks)overheid.

De beschikbare budgetten voor 1997 zijn als volgt vastgesteld:

Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel

 
(bedragen x f 1 miljoen)19971998199920002001
Kerndepartement4,85,76,36,15,9
Defensie Interservice Commando5,75,04,33,53,0
Koninklijke marine13,214,516,417,818,6
Koninklijke landmacht26,525,230,222,919,4
Koninklijke luchtmacht6,45,33,62,21,0
Totaal56,655,760,852,547,9

Overige wachtgelden burgerpersoneel

 
(bedragen x f 1 miljoen)19971998199920002001
Kerndepartement3,21,61,51,51,6
Defensie Interservice Commando1,81,41,00,80,7
Koninklijke marine7,48,08,48,59,1
Koninklijke landmacht14,715,116,217,117,6
Koninklijke luchtmacht3,73,43,33,33,4
Koninklijke marechaussee0,30,30,30,30,2
Totaal31,129,830,731,532,6

Wachtgelden SBK/UBMO militair personeel

 
(bedragen x f 1 miljoen)19971998199920002001
Koninklijke marine0,20,10,10,10,1
Koninklijke landmacht38,939,636,223,018,1
Koninklijke luchtmacht8,27,36,64,44,7
Totaal47,347,042,927,522,9

Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd (BBT)

 
(bedragen x f 1 miljoen)19971998199920002001
Koninklijke marine7,07,27,37,37,3
Koninklijke landmacht25,433,837,437,637,9
Koninklijke luchtmacht4,23,63,43,33,2
Koninklijke marechaussee1,01,01,11,31,2
Totaal37,645,649,249,549,6

Overige wachtgelden militair personeel

 
(bedragen x f 1 miljoen)19971998199920002001
Koninklijke marine1,61,61,61,11,1
Koninklijke landmacht2,62,83,13,33,5
Koninklijke luchtmacht1,11,01,00,70,7
Koninklijke marechaussee0,30,40,50,50,5
Totaal5,65,86,25,65,8

Aan de bovengenoemde regelingen zijn de volgende aantallen burger- en militair personeel gerelateerd. Deze aantallen vormen het geraamde aantal per ultimo december van het betreffende jaar (inclusief het resultaat van in- en uitstroom in dat jaar):

Aantallen burgerpersoneelmet wachtgeld SBK/UBMO

 
 19971998199920002001
Kerndepartement154183186181177
Defensie Interservice Commando129116978269
Koninklijke marine313343377399409
Koninklijke landmacht650620730590480
Koninklijke luchtmacht1791491066531
Totaal1 4251 4111 4961 3171 166

Aantallen burgerpersoneelmet overige wachtgelden

 
 19971998199920002001
Kerndepartement6640424347
Defensie Interservice Commando3828221916
Koninklijke marine178183186195201
Koninklijke landmacht520530575610610
Koninklijke luchtmacht138119113112114
Koninklijke marechaussee99998
Totaal949909947988996

Aantallen militair personeelmet wachtgeld SBK/UBMO

 
 19971998199920002001
Koninklijke marine97664
Koninklijke landmacht800865830830625
Koninklijke luchtmacht13712512091101
Totaal946997956927730

Aantallen met betrekking tot werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd

 
 19971998199920002001
Koninklijke marine367367365365365
Koninklijke landmacht1 4401 9202 1302 1802 160
Koninklijke luchtmacht183151142141139
Koninklijke marechaussee828291103103
Totaal2 0722 5202 7282 7892 767

Aantallen militair personeel met overige wachtgelden

 
 19971998199920002001
Koninklijke marine5050502833
Koninklijke landmacht110110130130130
Koninklijke luchtmacht3230302828
Koninklijke marechaussee1215192121
Totaal204205229207212

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 econ. funct.
Wachtgelden burgerpersoneel en periodieke uitkeringen ingevolge de Algemene Burgerlijke Pensioenwet 78 14089 92987 693 11.3 02.0
Wachtgelden militair personeel 99 80592 77090 462 11.3 02.0
Uitvoeringskosten USZO  34 87232 413 12.1 02.0
Totaal 177 945217 571210 568    

De meerjarenraming

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
Artikelonderdeel  Volumina  
 19971998199920002001
Wachtgelden burgerpersoneel87 69385 45991 51483 94080 515
(aantal burgers)(2 374)(2 320)(2 443)(2 305)(2 162)
Wachtgelden militair personeel90 46298 41798 28082 54378 334
(aantal militairen)(3 222)(3 722)(3 913)(3 923)(3 709)
Uitvoeringskosten USZO32 41326 04525 65725 65725 657
Totaal210 568209 921215 451192 140184 506

02.02 Militaire pensioenen en uitkeringen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De pensioenvoorziening en uitkeringen voor militair personeel zijn grotendeels in eigen beheer bij Defensie. Dit betreft met name de diensttijdpensioenen. De uitkeringen in verband met de Uitkeringswet gewezen militairen (UKW), de invaliditeitspensioenen en arbeidsongeschiktheid (IP/AO) zijn in handen van de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO). Voor pensioenen ten behoeve van weduwen en wezen van militair personeel is het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds uitvoeringsorgaan, met uitzondering van de nabestaandenpensioenen die verband houden met overlijden als gevolg van een dienstongeval.

De leeftijdsopbouw van het bestand gewezen militair personeel is niet altijd evenwichtig. Dit werkt door in de uitgaven voor pensioenen en uitkeringen.

Conform het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabili-teitswet wordt bij dit artikel als verplichting opgenomen het bedrag, dat als uitgaaf wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 1995199619971998199920002001 
Stand ontwerp-begroting 1996 1 578 7351 599 5681 603 9901 603 5011 630 271  
1e suppletore wet 1996 18 57821 31221 07420 69521 108  
Nieuwe mutaties – 10 306– 15 90922 8749 209– 23 065  
Stand ontwerp-begroting 19971 584 8711 587 0071 604 9711 647 9381 633 4051 628 3141 648 640 

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Correctie loonbijstelling 1996– 8 403– 8 842– 8 710– 8 769
Actualisering pensioenen en uitkeringen– 22 506– 15 784419– 14 296
Eénmalige uitkering in het kader van het veteranenbeleid15 00047 50017 500 
Totaal– 15 90922 8749 209– 23 065

Correctie loonbijstelling 1996

De correctie loonbijstelling 1996 heeft betrekking op de besparing die het gevolg is van het wijzigen van premies en overhevelingstoeslag. Daarnaast is f 0,38 miljoen overgeheveld naar artikel 02.01 ten behoeve van de loonbijstelling USZO.

Actualisering pensioenen en uitkeringen

De mutaties die ten grondslag liggen aan de in de wet opgenomen bedragen, zijn het gevolg van door de beleidsterreinen geactualiseerde in- en uitstroom van het militair personeel in de diverse uitkerings- en pensioenregelingen.

Eénmalige uitkering in het kader van het veteranenbeleid

Als uitvloeisel van de uitvoering van de motie Zijlstra (Kamerstukken II 1994/95, 21 490 X, nr. 18) komen veteranen die als Nederlands dienstplichtige, als KNIL-dienstplichtige of als oorlogsvrijwilliger–in de periode 1938–1962 langer dan twee jaar, doch korter dan vijf jaar werkelijke dienst hebben verricht, –hierbij een gedeelte van deze periode in het voormalig Nederlands-Indië hebben gediend en,–geen uitkering hebben ontvangen op basis van wetgeving met betrekking tot overheidspensioenen, pensioenvervangende of aan pensioenen gerelateerde uitkeringen, in aanmerking voor een éénmalige uitkering.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 econ. funct.
Militaire nabestaandenpensioenen 94 83292 39691 584 11.3 02.4
Overhevelingstoeslag 1 5871 5521 534 11.3 02.4
Waarvan wordt terugontvangen:         
– wegens verhaal e.d.1 – 33 319– 32 298– 31 457 11.3 02.4
Militaire diensttijdpensioenen 808 693822 206837 210 11.3 02.4
Overhevelingtoeslag 520508519 11.3 02.4
Waarvan wordt terugontvangen:         
– wegens verhaal e.d.2 – 263 888– 267 771– 271 447 11.3 02.4
Militaire invaliditeitspensioenen4 262 555257 031254  978 11.3 02.4
Overhevelingstoeslag 12 52312 27912 113 11.3 02.4
Waarvan wordt terugontvangen:         
– wegens verhaal e.d.2 – 57 958– 56 126– 55 839 11.3 02.4
Uitkeringswet gewezen militairen 668 312652 513646 161 11.3 02.0
Overhevelingstoeslag 67 62666 47666 184 11.3 02.0
Waarvan wordt terugontvangen:         
– wegens verhaal e.d.3 – 12 555– 12 240– 12 150 11.3 02.0
Sociale zorg 20 25420 25520 255 11.3 02.0
Overige uitkeringen 3 0963 0963 096 11.3 02.0
(overlijden)         
Reserve-overdracht 4 23617 00019 000 11.3 02.0
Waarvan terug te ontvangen:         
– wegens reserve-overname – 49   11.3 02.0
Veteranenbeleid 8 40610 13023 230 11.3 02.0
Totaal 1 584 8711 587 0071 604 971    

1 betreft inbouw AOW/AWW 2 betreft inbouw AOW, anticumulatie, inhouding in verband met arbeidsongeschiktheidsuitkering 3 betreft pensioenbijdrageverhaal en anticumulatie 4 betreft inbouw uitkeringen in verband met gratificaties

De meerjarenramingen

De onderverdeling van het volume van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVolume van de uitgaven
 1998199920002001
Militaire nabestaandenpensioenen61 96562 51163 17863 846
Militaire diensttijdpensioenen576 350584 525587 916595 580
Militaire invaliditeitspensioenen209 006206 279203 282200 093
Uitkeringswet gewezen militairen700 346709 829721 177736 370
Sociale zorg20 25520 25520 25520 255
Overige uitkeringen (overlijden)3 0963 0963 0963 096
Reserve-overdracht21 00021 00021 00021 000
Veteranenbeleid55 92025 9108 4108 400
Totaal1 647 9381 633 4051 628 3141 648 640

Militaire nabestaandenpensioenen

De militaire weduwen- en wezenpensioenen komen ten laste van dit artikelonderdeel indien het overlijden van de actieve of post-actieve militair is toe te schrijven aan de gevolgen van de uitoefening van de militaire dienst. De uitgaven voor de overige militaire weduwen- en wezenpensioenen komen ten laste van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) dat voor de uitvoering daarvan zorgdraagt.

Er is rekening gehouden met een gemiddeld bestand van ongeveer 4300 personen dat in een aantal jaren toeneemt tot 4600 personen.

 
 19971998199920002001
Aantal personen4 3004 4004 4004 5004 600
Uitgaven (x f 1 miljoen)6262636364

Militaire diensttijdpensioenen

De trendmatige stijging van de uitgaven is een gevolg van de toename van het aantal voormalige beroepsmilitairen die de leeftijd van 65 jaar zullen bereiken.

De hiermee verband houdende mutatie in het gemiddelde bestand is:

 
 19971998199920002001
Aantal personen+729+813+695+609+431
Gemiddeld bestand23 92724 74025 43526 04426 475

Militaire invaliditeitspensioenen

Verwacht wordt dat de aantallen een aantal jaren zullen toenemen, gevolgd door een daling vanaf het jaar 2000.

 
 19971998199920002001
Aantal personen+574+238+203– 36– 150
Gemiddeld bestand18 38018 61818 82118 78518 635

Uitkeringswet gewezen militairen

De uitgaven in het kader van de Uitkeringswet gewezen militairen zullen de komende jaren nog in geringe mate dalen waarna vanaf het jaar 1999 de uitgaven weer zullen toenemen.

De verwachting is gebaseerd op het volgende aantal gerechtigden:

 
 19971998199920002001
Aantal personen– 10– 9427122206
Gemiddeld bestand10 26910 17510 20210 32410 530

Sociale zorg

Hieronder vallen materiële voorzieningen in het kader van sociale zorg aan postactieve militairen, alsmede de uitvoering van de regeling gezondheidszorg. Jaarlijks wordt hiervoor gemiddeld f 20 miljoen geraamd.

 
 19971998199920002001
Uitgaven (x f 1 miljoen)2020202020

Overige uitkeringen

Deze uitgaven hebben betrekking op uitkeringen bij overlijden, alsmede risico-uitkeringen aan de nabestaanden van vliegend personeel. Rekening wordt gehouden met een gemiddelde van 400 personen waarvoor jaarlijks f 3 miljoen wordt geraamd.

 
 19971998199920002001
Uitgaven ( x f 1 miljoen)33333

Reserve-overdracht

Sedert 1 december 1987 biedt de Algemene Militaire Pensioenwet de mogelijkheid bij dienstverlating de financiële gevolgen van pensioenbreuk te voorkomen. Dit komt er op neer dat de actuariële tegenwaarde van het bij Defensie opgebouwde recht op ouderdoms- en weduwenpensioen wordt overgedragen aan het pensioenfonds van de nieuwe werkgever. Sedert 8 juli 1994 is sprake van een wettelijk recht op reserve-overdracht. In de begroting is ervan uitgegaan dat in belangrijke mate van dit recht gebruik wordt gemaakt. In het kader van de privatisering van het ABP en het Spoorwegpensioenfonds gaat het sedert 1994 ook om waarde-overdracht bij overgang naar een burgerfunctie binnen de overheid. Rekening is gehouden met de toename van het aantal beroepsmilitairen bepaalde tijd en de stimulering van de uitstroom in het kader van de herstructurering van de krijgsmacht. Vanaf 1998 wordt hiervoor jaarlijks f 21 miljoen geraamd.

 
 19971998199920002001
Uitgaven (x f 1 miljoen)1921212121

Veteranenbeleid

Veteranen kunnen in aanmerking komen voor een veteranenpas, waarmee men onder andere recht heeft op een aantal reisfaciliteiten, die ten laste van Defensie komen. Jaarlijks wordt hiervoor ongeveer f 8 miljoen geraamd. Tevens is rekening gehouden met de éénmalige uitkering als uitvloeisel van de uitvoering van de motie Zijlstra (Kamerstukken II 1994/95, 21 490 X, nr. 18) met betrekking tot het veteranenbeleid. Verwezen wordt naar hetgeen hierover is vermeld bij de specificatie van de nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw.

 
 19971998199920002001
Uitgaven (x f 1 miljoen)23562688

03. Beleidsterrein Koninklijke marine

Algemeen

De personele uitgaven zijn geraamd met behulp van het Systeem Nieuwe Integrale Personeelsbegroting (SNIP) en de aantallen uit de Prioriteitennota (met name bijgesteld voor herschikkingen tussen beleidsterreinen).

De ramingen zijn gebaseerd op het loon- en prijspeil van 1996.

Uitgaven die betrekking hebben op samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgaven die betrekking hebben op attachés worden conform de nota «De herijking van het Nederlands buitenlands beleid» (Kamerstukken II 1994/95, 24 337 X, nr. 1), gebundeld op het artikel 08.04 Overige uitgaven internationale samenwerking.

03.01 Burgerpersoneel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen onregelmatige diensten, overige toelagen, tijdelijk personeel op formatieve arbeidsplaatsen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van de Koninklijke marine.

In overeenstemming met het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit salarisartikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 1995199619971998199920002001 
Stand ontwerp-begroting 1996 343 475335 811327 848321 025314 143  
1e suppletore wet 1996 – 12 1298648991 2591 605  
Nieuwe mutaties – 1 336– 4 181– 3 266– 3 667– 3 580  
Stand ontwerp-begroting 1997348 146330 010332 494325 481318 617312 168312 752 

De personele reductie, waarvan het tijdschema is vastgelegd in de Prioriteitennota (Kamerstukken II 1992/93, 22 975 X, nrs. 1 en 2) wordt gerealiseerd door instroombeperking en uitstroombevordering. Om te kunnen anticiperen op de reducties in het kader van de Novemberbrief, is vanaf december 1994 een externe vacaturestop afgekondigd.

De reductie in aantallen functies geschiedt aan de hand van herstructurerings- en reorganisatieplannen. Om gedwongen ontslagen zoveel als mogelijk te voorkomen, wordt veel aandacht besteed aan herplaatsing, omscholing en externe plaatsing, waarbij de kwalitatieve behoefte op grond van de nieuwe organisatie richtinggevend is.

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Doelmatigheidsmaatregelen:    
– bewaking en beveiliging – 600– 600– 600
– geestelijke verzorging– 198– 198– 198– 198
     
Overige mutaties:     
– overheveling wachtgelden190– 1 714– 3 539– 3 369
– personele ramingen– 5 385– 1 910– 433– 463
– overheveling attachés– 942– 942– 942– 942
– overheveling KWC NA/A– 222– 222– 222– 222
– incidentele looncomponent 19972 3762 3202 2672 214
Totaal– 4 181– 3 266– 3 667– 3 580

Bewaking en beveiliging

Een van de onderdelen van de doelmatigheidsoperatie betreft een bezuiniging op de toelage onregelmatige dienst voor het bewakingspersoneel. Dit wordt bereikt door een gewijzigde indeling van de dienstroosters, waardoor minder onregelmatige uren worden gemaakt.

Geestelijke verzorging

In het Defensie Interservice Commando (Dico) is de dienst Geestelijke verzorging (Gevo) opgenomen. Het betreft een samenvoeging van deze diensten van de krijgsmachtdelen. De financiële verantwoording zal op artikel 09.02 Personeel en materieel Dico plaatsvinden. De benodigde fondsen worden onder meer uit de begroting van de Koninklijke marine onttrokken. Voor dit artikel betreft het de budgetten voor vier vte'n burgerpersoneel.

Overheveling wachtgelden

De wachtgelden voor burgerpersoneel van de Koninklijke marine worden verantwoord op beleidsterrein 02. Pensioenen, wachtgelden en uitkeringen. Overschotten en tekorten op dat artikel, als gevolg van nieuwe inzichten in de in- en uitstroom met betrekking tot de wachtgeldregelingen, worden verrekend met de begroting van de Koninklijke marine.

Personele ramingen

De uitkomst is aangepast voor de categorieën personeel die niet in het SNIP zijn opgenomen en voor voorzienbare ontwikkelingen in de komende jaren.

De in december 1994 afgekondigde externe vacaturestop leidt tot een onderschrijding van de begrotingssterkte 1996. Ook voor 1997 wordt een kleine onderschrijding ten opzichte van de begroting 1996 verwacht.

Overheveling attachés

De uitgaven voor burgerpersoneel bij de attachés van de Koninklijke marine worden naar het artikel 08.04 Overige uitgaven internationale samenwerking overgebracht.

Overheveling Kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba (KWC NA/A)

De uitgaven voor burgerpersoneel van de Koninklijke marine bij de Kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba worden naar het artikel 08.04 Overige uitgaven internationale samenwerking overgebracht. Het gaat hier om het burgerpersoneel van de Koninklijke marine dat is tewerkgesteld bij het 336 squadron op de Nederlandse Antillen.

Incidentele looncomponent 1997

De incidentele looncomponent heeft betrekking op de verwachte stijging van het gemiddelde bruto-salaris als gevolg van normale periodieken en de in- en uitstroom.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 Econ. Funct.
Salarissen 273 036257 766259 640 11.1 02.3
Overwerk en toelagen onregelmatige diensten 9 5308 5338 125 11.1 02.3
Overige toelagen 8 5028 2537 743 11.1 02.3
Sociale lasten 51 80948 20950 343 11.2 02.3
Tijdelijk personeel op formatieve arbeidsplaatsen 5 2697 2496 643 12.1 02.3
Totaal 348 146330 010332 494    
Ramingskengetallen burgerpersoneel
 1995199619971998199920002001
Sterkte begroting 1996 4 9944 8834 7674 6524 536 
Doelmatigheidsmaatregelen:        
– DVVO – 82– 82– 82– 82– 82 
– DWS – 39– 39– 37– 37– 34 
– Gevo  – 4– 4– 4– 4 
Totaal doelmatigheidsmaatregelen – 121– 125– 123– 123– 120 
Overige mutaties:        
– decentrale beheerorganisatie salarissysteem MP 33333  
– TIVC – 14– 13– 11– 4  
– 32-uur funkties – 43– 64– 85– 85– 85 
– vacaturestop– 108– 20     
– BDOS – 29– 29– 29– 29– 29 
– attachés  – 7– 7– 7– 7 
– kustwachtcentrum NA/A  – 5– 5– 5– 5 
Totale overige mutaties – 191– 135– 134– 127– 123 
Sterkte ontwerp-begroting 19975 0044 6824 6234 5104 4024 2934 292
Gemiddeld salaris (x f 1,–)69 57470 48571 92272 16972 38072 71672 869

03.02 Militair Personeel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen en uitkeringen, alsmede de sociale lasten voor het vrijwillig dienend en het dienstplichtig militair personeel van de Koninklijke marine. Tevens worden de uitgaven voor inhuur van uitzendkrachten op militaire formatieplaatsen ten laste van dit artikel verantwoord.

In overeenstemming met het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit salarisartikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 1995199619971998199920002001 
Stand ontwerp-begroting 1996 942 413923 476905 493887 061868 022  
1e suppletore wet 1996 17 35518 64918 14417 74117 590  
Nieuwe mutaties 66– 8 130– 13 675– 16 284– 13 689  
Stand ontwerp-begroting 1997961 103959 834933 995909 962888 518871 923869 619 

De personele reductie, waarvan het tijdschema is vastgelegd in de Prioriteitennota (Kamerstukken II 1992/93, nr. 22 975 X, nrs. 1 en 2), wordt gerealiseerd door jaarlijks de wervingsbehoefte te koppelen aan de begrotingssterkte. De reductie in aantallen functies geschiedt aan de hand van de wijzigende samenstelling van de vloot en herstructurerings- en reorganisatieplannen.

Om gedwongen ontslagen zoveel als mogelijk te voorkomen, wordt veel aandacht besteed aan herplaatsing, omscholing en externe plaatsing. De kwalitatieve behoefte op grond van de nieuwe organisatie is bepalend voor de wervingsbehoefte en richtinggevend voor de herplaatsings- en omscholingsactiviteiten.

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Doelmatigheidsmaatregelen:    
– inlichtingen en veiligheid4209451 2151 215
– wetenschappelijk onderzoek   – 71
opleidingen– 6 882– 7 680– 8 284– 7 725
– geestelijke verzorging– 3 331– 3 331– 3 331– 3 331
– geneeskundig facilitair bedrijf– 120– 120– 120– 120
     
Overige mutaties:     
– personele ramingen9 1824 0561 9134 118
– overheveling attachés– 6 144– 6 144– 6 144– 6 144
– overheveling KWC NA/A– 7 611– 7 611– 7 611– 7 611
– incidentele looncomponent 19976 2846 1386 0065 908
– overheveling kustwachttaken Koninklijke marechaussee72727272
Totaal– 8 130– 13 675– 16 284– 13 689

Inlichtingen en veiligheid

Heroverweging van de ingeboekte bezuiniging op het gebied van inlichtingen en veiligheid leidt tot een gewijzigde omvang en verdeling van de doelmatigheidswinst.

Wetenschappelijk onderzoek

Als een van de doelmatigheidsmaatregelen is in de begroting 1996 een reductie van vier vte'n op het gebied van wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling bij beleidsterrein Algemeen ingeboekt. In de definitieve verdeling van deze reductie tussen de beleidsterreinen is door de Koninklijke marine één vte militair personeel ingeleverd.

Opleidingen

Als gevolg van de reductie van de leerstof duren de opleidingen korter. Hierdoor is een daling van de niet beschikbaarheid wegens opleiding van het militair personeelsbestand mogelijk.

Geestelijke verzorging

In het Defensie Interservice Commando (Dico) is de dienst Geestelijke verzorging (Gevo) opgenomen. Het betreft een samenvoeging van deze diensten van de krijgsmachtdelen. De financiële verantwoording zal op artikel 09.02 Personeel en materieel Dico plaatsvinden. Hiervoor worden de benodigde fondsen onder meer uit de begroting van de Koninklijke marine onttrokken. Voor dit artikel betreft het de budgetten voor 35 vte'n militair personeel.

Geneeskundig facilitair bedrijf

In het Defensie Interservice Commando (Dico) zal vanaf 1997 het Geneeskundig Facilitair Bedrijf (GFB) worden opgenomen. De financiële verantwoording zal op artikel 09.02 Personeel en materieel Dico plaatsvinden. Hiervoor worden de benodigde fondsen onder meer uit de begroting van de Koninklijke marine onttrokken. Voor dit artikel betreft het de budgetten voor 2 vte'n militair personeel.

Personele ramingen

De uitkomst van de SNIP-ramingen is aangepast voor de categorieën personeel die hierin niet zijn opgenomen en voor de voorzienbare ontwikkelingen in de komende jaren. De diverse mutaties in de uitgavenopbouw op dit artikel, alsmede de ontwikkelingen in de aantallen leiden tot een aanpassing van de ramingen ten opzichte van de begroting 1996.

Overheveling attachés

De uitgaven voor militair personeel bij de attachés van de Koninklijke marine worden naar het artikel 08.04 Overige uitgaven internationale samenwerking overgebracht.

Overheveling Kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba (KWC NA/A)

De uitgaven voor militair personeel van de Koninklijke marine bij de Kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba worden naar het artikel 08.04 Overige uitgaven internationale samenwerking overgebracht. Het gaat hier om het personeel van de Koninklijke marine dat is tewerkgesteld bij het 336 squadron op de Nederlandse Antillen en toelagen voor het personeel van de Koninklijke marine dat wordt ingezet bij operaties van de Kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba.

Incidentele looncomponent 1997

De incidentele looncomponent heeft betrekking op de verwachte stijging van het gemiddelde bruto-salaris als gevolg van normale periodieken en de in- en uitstroom.

Overheveling kustwachttaken Koninklijke marechaussee

Met de overgang van de operationele leiding van het Kustwachtcentrum van het ministerie van Verkeer en Waterstaat naar de Koninklijke marine is eveneens de door de Koninklijke marechaussee vervulde functie overgeheveld naar de Koninklijke marine. Voor dit artikel betreft het budget voor één vte militair personeel.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

Vrijwillig dienend militair personeel

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 Econ. Funct.
Salarissen 759 357768 774764 849 11.1 02.3
Overwerk en toelagen onregelmatige diensten 81 92178 45475 092 11.1 02.3
Overige toelagen 60 37857 40250 979 11.1 02.3
Sociale lasten 45 42144 97942 120 11.2 02.3
Tijdelijk personeel op formatieve arbeidsplaatsen 4461 655955 12.1 02.3
Totaal 947 523951 264933 995    

Dienstplichtig personeel

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering.
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 Econ. Funct.
Salarissen 11 9257 414  11.1 02.3
Overwerk en toelagen onregelmatige diensten 268105  11.1 02.3
Overige toelagen 6327  11.1 02.3
Sociale lasten 1 3241 024 11.2 02.3
Totaal 13 5808 570     

Totaaloverzicht militair personeel

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 Econ. Funct.
Salarissen 771 282776 188764 849 11.1 02.3
Overwerk en toelagen onregelmatige diensten 82 18978 55975 092 11.1 02.3
Overige toelagen 60 44157 42950 979 11.1 02.3
Sociale lasten 46 74546 00342 120 11.2 02.3
Tijdelijk personeel op formatieve arbeidsplaatsen 4461 655955 12.1 02.3
Totaal 961 103959 834933 995    

Ramingskengetallen militair personeel
 1995199619971998199920002001
Sterkte begroting 1996 14 07113 69913 39513 11012 826 
Doelmatigheidsmaatregelen:       
– inlichtingen en veiligheid  4132223 
– wetenschappelijk onderzoek     – 1 
– DVVO – 3– 3– 3– 3– 3 
– DWS – 58– 57– 56– 55– 52 
– opleidingen – 56– 186– 204– 211– 205 
– Gevo  – 35– 35– 35– 35 
– geneeskundig facilitair bedrijf  – 2– 2– 2– 2 
Totaal doelmatigheidsmaatregelen – 117– 279– 287– 284– 275 
        
Overige mutaties:        
– decentrale beheerorganisatie salarissysteem MP 44444  
– TIVC – 4– 1– 1– 1  
– attachés  – 26– 26– 26– 26 
– kustwacht Nederland  1111 
– uitbreiding kustwachtcentrum NA/A  25252525 
– overheveling kustwachtcentrum NA/A  – 42– 42– 42– 42 
Totale overige mutaties 0– 39– 39– 39– 38 
Sterkte ontwerp-begroting 199714 25713 95413 38113 06912 78712 51312 545
Waarvan BOT 9 3129 0258 7698 5878 4638 495
Waarvan BBT 4 3564 3564 3004 2004 0504 050
Waarvan dienstplichtig655286     
Gemiddeld salaris (x f 1,–)       
– Vrijwillig dienend69 66170 40369 80069 62869 48669 68169 320
– Dienstplichtig20 73329 965     

03.03 Overige personele exploitatie

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op zowel burger- als militair personeel.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  152 381154 346152 096151 440152 304 
1e suppletore wet 1996  – 6 261– 22 513– 22 671– 22 822– 22 805 
Nieuwe mutaties  2 1396 3745 2875 4874 470 
Stand ontwerp-begroting 19974 116163 980148 259138 207134 712134 105133 969134  059

Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingenstand        Uitgaven stand
ontwerp-begroting        ontwerp-
19974 116163 980148 259138 207134 712134 105133 969134 059begroting 1997
19952 825147 445      150 270
199666211 368138 629     150 659
19975294 1719 630123 877    138 207
199813996 14 330119 373   134 712
199987   15 339118 679  134 105
2000     15 426118 543 133 969
2001      15 426118 633134 059
na 2001       15 426 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 1995199619971998199920002001 
Stand ontwerp-begroting 1996 154 781154 346152 096151 440152 304  
1e suppletore wet 1996 – 6 261– 22 513– 22 671– 22 822– 22 805  
Nieuwe mutaties 2 1396 3745 2875 4874 470  
Stand ontwerp-begroting 1997150 270150 659138 207134 712134 105133 969134 059 

De nieuwe mutaties in de verplichtingen- en de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)19961997199819992000
Doelmatigheidsmaatregelen:     
– inlichtingen en veiligheid 64144184184
– wetenschappelijk onderzoek    – 8
opleidingen 1 0511 0351 0991 115
– geestelijke verzorging – 464– 464– 464– 464
– geneeskundig facilitair bedrijf – 8– 8– 8– 8
      
Overige mutaties:      
– verplaatsingskosten651671666665663
– personeel op bovenformatieve arbeidsplaatsen 1 3491 3491 3491 349
– geneeskundige verzorging1 067– 787– 1 478– 1 483– 1 495
– onderwijs en opleiding4211 5951 5031 5671 486
– overige personele uitgaven 965970970935
– overheveling attachés – 222– 222– 222– 222
– overheveling KWC NA/A – 462– 462– 462– 462
– overige bijstellingen per saldo 2 6222 2542 2921 397
Totaal2 1396 3745 2875 4874 470

Inlichtingen en veiligheid

Nieuwe inzichten leiden tot een gewijzigde omvang en verdeling van de doelmatigheidsopbrengst inlichtingen en veiligheid.

Wetenschappelijk onderzoek

Als een van maatregelen van de doelmatigheidsoperatie is in de begroting 1996 een reductie van vier vte'n op het gebied van wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling bij het beleidsterrein Algemeen ingeboekt. In de definitieve verdeling van deze reductie tussen de beleidsterreinen is door de Koninklijke marine één vte militair personeel ingeleverd. Uit dit artikel wordt hiervoor de overige personele exploitatie van de begroting van de Koninklijke marine overgeheveld.

Opleidingen

Heroverweging van de ingeboekte bezuiniging op het gebied van opleidingen leidt tot een gewijzigde omvang en verdeling van de doelmatigheidsopbrengst.

Overheveling Geestelijke verzorging

In het Defensie Interservice Commando (Dico) is de dienst Geestelijke verzorging (Gevo) opgenomen. Het betreft een samenvoeging van deze diensten van de krijgsmachtdelen. De financiële verantwoording zal op artikel 09.02 Personeel en materieel Dico plaatsvinden. Hiervoor worden de benodigde fondsen onder meer uit de begroting van de Koninklijke marine onttrokken. Voor dit artikel betreft het de budgetten voor overige personele exploitatie.

Overheveling Geneeskundig facilitair bedrijf

In het Defensie Interservice Commando (Dico) zal vanaf 1997 het Geneeskundig facilitair bedrijf worden opgenomen. De financiële verantwoording zal op artikel 09.02 Personeel en materieel Dico plaatsvinden. Hiervoor worden de benodigde fondsen onder meer uit de begroting van de Koninklijke marine onttrokken. Voor dit artikel betreft het de budgetten voor overige personele exploitatie.

Verplaatsingskosten

Als gevolg van de toegenomen verplaatsingsfrequentie stijgen de uitgaven op dit artikelonderdeel.

Personeel op bovenformatieve arbeidsplaatsen.

In het werkpakket van zowel de Rijkswerf als het SEWACO-bedrijf ontstaan incidenteel piekbelastingen in de werkdruk. Hierdoor is het in het kader van de bedrijfsvoering noodzakelijk op afroep personeel in te huren op bovenformatieve plaatsen.

Geneeskundige verzorging

In verband met de opschorting van de opkomstplicht van dienstplichtig personeel per 1 januari 1997 dalen de uitgaven voor de vrije geneeskundige verzorging voor dienstplichtigen tot nihil, behoudens een geringe overloop uit 1996. Het geraamde bedrag voor 1997 en volgende jaren betreft de (bedrijfs-)geneeskundige kosten voor het militair- en burgerpersoneel. Deze kosten vertonen een lichte stijging als gevolg van de kostenstijgingen in de gezondheidszorg.

Het werkgeversaandeel van de premies voor de ziektekostenverzekering krijgsmacht, inclusief de restitutie van de MOOZ/WTZ-bijdragen voor meeverzekerde gezinsleden van militairen met een inkomen onder de loongrens, komen ten laste van artikel 02. Militair personeel. Dit betreft de dekking van de kosten van de curatief geneeskundige zorg. De Stichting Ziektekostenverzekering Krijgsmacht (SZVK) is door de Minister van Defensie belast met de uitvoering van de ziektekostenverzekering krijgsmacht.

Uitgaven in het kader van de verzelfstandiging van de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst (RBB) worden eveneens op dit artikelonderdeel verantwoord. Hiervoor heeft in 1996 een structurele budgetoverheveling van het ministerie van Binnenlandse Zaken plaatsgevonden. Per saldo is op dit artikelonderdeel minder benodigd.

Onderwijs/opleiding

Op dit artikelonderdeel is meer benodigd voor onderwijs. De raming heeft als uitgangspunt de minimaal benodigde behoefte voor funktiegerichte opleidingen.

Overige personele uitgaven.

De verhoging is voornamelijk ontstaan door de extra uitgaven die benodigd zijn om aan de vraag naar kinderopvang te kunnen voldoen.

Overheveling attachés

De uitgaven voor overige personele exploitatie bij de attaché's van de Koninklijke marine worden naar het artikel 08.04 Overige uitgaven internationale samenwerking overgebracht.

Overheveling Kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba (KWC NA/A)

De uitgaven voor overige personele exploitatie van de Koninklijke marine bij de Kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba worden naar het artikel 08.04 Overige uitgaven internationale samenwerking overgebracht.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199519961997 199519961997 Econ. Funct.
Kleding en uitrusting 16 10122 65616 989 10 50721 30114 989 11.4 02.3
Voeding 21 95521 11721 946 21 53621 49420 946 11.4 02.3
Reis- en verblijfkosten 25 33323 88422 042 25 33323 88422 042 12.1 02.3
Verplaatsingskosten 41 35328 28327 056 33 77731 52230 056 12.1 02.3
Sport en ontspanning 3 6572 3672 185 3 6572 3672 185 12.1 02.3
Representatiekosten 713543752 713543752 12.1 02.3
Personeel op boven-formatieve arbeidsplaatsen 3 0144 8874 811 3 0144 8874 811 12.1 02.3
Sociale zorg 6 0834 9954 955 6 0834 9554 955 11.3 02.3
Voorziening woonruimte 352233210 352233210 12.1 02.3
Persoons gebonden toelagen en uitkeringen 5 7245 8605 845 5 7245 8605 845 11.1 02.3
Werving 10 3031 4261 489 10 1821 5471 489 12.1 02.3
Geneeskundige verzorging 8 6246 1815 300 8 6246 1815 300 11.4 02.3
Onderwijs/opleiding 14 51517 82917 514 14 51517 88717 514 12.1 02.3
SAJO projecten 2   2   11.1 02.3
Antiliaanse en Arubaanse Milities (ANTARUMIL) 4 5434 6364 636 4 5434 6364 636 12.1 02.3
Overige personele uitgaven 1 7083 3622 477 1 7083 3622 477 12.1 02.3
Totaal 163 980148 259138 207 150 270150 659138 207    

Kleding en uitrusting

Bij dit artikelonderdeel is er een relatie tussen de personeelssterkte en de aan te schaffen hoeveelheden goederen. Dit artikelonderdeel is voornamelijk bestemd voor de aanschaf van persoonsgebonden uitrusting.

Ramingskengetallen

 
 199519961997
personele sterkte militair personeel (in vte'n)14 52713 95413 381
toegelicht bedrag (meerjaarlijks gemiddelde x f 1000,–)13 13714 11014 792
bedrag per vte (meerjaarlijks gemiddelde x f 1,–)9211 0111 105

De stijging van de gemiddelde uitgaven na 1995 is het gevolg van de invoering van het boord/kazernetenue.

Voeding

Bij dit artikelonderdeel is er sprake van een relatie tussen de personeelssterkte en de hoogte van de uitgaven. De uitgaven die ten laste van dit artikelonderdeel worden gebracht zijn voornamelijk bestemd voor de aanschaf van levensmiddelen.

Ramingskengetallen

 
 199519961997
personele sterkte militair personeel (in vte'n)14 25713 95413 381
toegelicht bedrag (x f 1000,–)21 53621 49420 946
bedrag per vte (x f 1,–)1 5111 5401 565

Reis- en verblijfkosten

De reis- en verblijfkosten zijn voor een belangrijk deel gerelateerd aan het activiteitenprogramma. Bij dit artikelonderdeel is derhalve geen sprake van een directe relatie met eventuele personeelsreducties.

Verplaatsingskosten

De raming op dit artikelonderdeel betreft de uitgaven voor het reizen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling, alsmede de uitgaven voor inkwartiering en verhuiskosten. Het migratiegedrag is van invloed op de hoogte van de uitgaven bij dit artikelonderdeel.

Ramingskengetallen

 
 199519961997
personele sterkte (burger– en militair personeel in vte'n)19 26118 63618 004
toegelicht bedrag (x f 1000,–)33 77731 52230 056
bedrag per vte (x f 1,–)1 7541 6911 669

Sport en ontspanning

De ramingen op dit artikelonderdeel zijn gekoppeld aan de evenementen bij de Koninklijke marine. Er is geen directe relatie met de personeelssterkte.

Representatiekosten

Er is geen relatie met de personele reductie. Het gaat hier om de aard van en het aantal externe contacten.

Personeel op bovenformatieve arbeidsplaatsen

Op dit artikelonderdeel bestaat een relatie met het activiteitenprogramma. Bovenformatief personeel is nodig tijdens piekbelasting en voor de invulling van zwangerschaps- en bevallingsverlof en bij onderbezetting door ziek personeel (korter dan 6 maanden).

Sociale zorg

De uitgaven die op dit artikelonderdeel worden verantwoord, hebben betrekking op de salariskosten voor langdurig ziek personeel, incidentele uitkeringen aan voormalig personeel, alsmede de uitgaven voor het personeel met ouderschaps- en seniorenverlof.

Ramingskengetallen

 
aantallen199519961997
langdurig zieken635757
ouderschapsverlof221616
seniorenverlof (PAS)333
    
begrotingsbedrag (x f 1000,–)6 0834 9554 955

Voorziening woonruimte

Op dit artikelonderdeel wordt de huur verantwoord van in het buitenland gehuurde woningen voor personeel dat daar is gestationeerd.

Persoonsgebonden toelagen en uitkeringen

In beginsel is er op dit artikelonderdeel een relatie met de personeelssterkte. Dit artikelonderdeel wordt onder andere gebruikt voor de verantwoording van gratificaties bij ambtsjubilea, voor beloningen in het kader van de regeling beloningen voor militair personeel, en voor de tegemoetkomingen in de kosten van onderhoud kleding.

Ramingskengetallen

 
 199519961997
personele sterkte (burger- en militair personeel in vte'n)19 26118 63618 004
toegelicht bedrag (x f 1000,–)5 7245 8605 845
bedrag per vte (x f 1,–)297314325

Werving

Op dit artikelonderdeel zijn onder andere de uitgaven verantwoord voor de wervingscampagnes in de media. De Kamer wordt jaarlijks door de minister van Defensie over de werving gerapporteerd. De laatste rapportage dateert van 31 maart 1995 (Kamerstukken II 1994/95, 23 900 X, nr. 50). Met de herziene begroting 1996 zijn de wervingsbudgetten overgebracht naar de Defensie-organisatie voor Werving en Selectie (DWS), vallend onder beleidsterrein 09. Dico.

Geneeskundige verzorging

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven voor geneeskundige verzorging verantwoord, met uitzondering van de uitgaven voor de exploitatie van de Krijgsmacht Hospitaalorganisatie. Het budget hiervoor is overgedragen aan de Koninklijke landmacht. Uitgaven in het kader van de verzelfstandiging van de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst (RBB) worden eveneens op dit artikelonderdeel verantwoord. In verband met de opschorting van de opkomstplicht van dienstplichtig personeel per 1 januari 1997 dalen de uitgaven voor de vrije geneeskundige verzorging voor dienstplichtigen tot nihil, behoudens een geringe overloop uit 1996. Het geraamde bedrag voor 1997 en volgende jaren betreft alleen nog de bedrijfsgeneeskundige kosten voor het militair- en burgerpersoneel. Deze kosten vertonen een lichte stijging als gevolg van kostenstijgingen in de gezondheidszorg en daarmee ook in de Krijgsmacht Hospitaal Organisatie. Per saldo is op dit artikelonderdeel minder benodigd.

Het werkgeversaandeel van de premies voor de ziektekostenverzekering krijgsmacht, inclusief de restitutie van de MOOZ/WTZ-bijdragen voor meeverzekerde gezinsleden van militairen met een inkomen onder de loongrens, komen ten laste van artikel 02. Militair personeel. Dit betreft de dekking van de kosten van de curatief geneeskundige zorg. De Stichting Ziektekostenverzekering Krijgsmacht (SZVK) is door de Minister van Defensie belast met de uitvoering van de ziektekostenverzekering krijgsmacht.

Onderwijs en opleiding

In dit artikelonderdeel worden de uitgaven opgenomen om het personeel van de Koninklijke marine op een vereist opleidingsniveau te krijgen en te houden. Voorgestelde maatregelen voor het behalen van doelmatigheidsopbrengsten betreffen een reductie van de leerstof en een vermindering van externe opleidingen.

Op dit artikelonderdeel wordt de relatie met de mutaties in de perso- neelsaantallen voornamelijk verstoord door de uitgaven betrekking hebbend op het Sociaal Beleidskader (SBK) voor om-, her- en bijscholing. Voor de kosten van het SBK wordt verwezen naar de hiervoor bij dit artikel opgenomen toelichting.

Ramingskengetallen

 
 199519961997
personele sterkte (burger– en militair personeel in vte'n)19 26118 63618 004
toegelicht bedrag (x f 1000,–)16 71916 62317 518
bedrag per vte, inclusief de uitgaven voor het sociale beleidskader (x f 1,–)868892973

Antilliaanse en Arubaanse milities (ANTARUMIL)

De uitgaven op dit artikelonderdeel zijn bestemd voor het militaire personeel in dienst van de Nederlandse Antillen en Aruba die opereren onder het gezag van de Koninklijke marine. De salarissen en andere rechtspositionele aanspraken worden op structurele basis verrekend met de landsregeringen.

Ramingskengetallen

 
 199519961997
personele sterkte (in vte'n)200200200
toegelicht bedrag (x f 1000,–)4 5434 6364 636
bedrag per vte (x f 1,–)22 71523 18023 180

Overige personele uitgaven

Dit betreft uitgaven voor onderwerpen die op zichzelf staan en gezien de aard van de uitgaven niet bij een van de andere artikelonderdelen zijn onder te brengen c.q. te klein zijn om op een apart artikelonderdeel te verantwoorden. Het betreft hier onder andere uitgaven voor kinderopvang, externe bemiddeling, begrafenissen en geestelijke verzorging.

Verdeling personele exploitatie naar personeelscategorieën

De uitgaven op dit artikel zijn als volgt aan de personeelscategorieën toe te rekenen:

 
bedragen x f 1000,–1997199819992000
burgerpersoneel27 03725 75525 72425 724
vrijwillig dienend personeel108 132105 915105 298105 237
niet toe te rekenen3 0383 0423 0833 008
totaal138 207134 712134 105133 969

Het bedrag opgenomen onder «niet toe te rekenen» is niet nader te verdelen over de personeelscategorieën. Het heeft zowel betrekking op burger- als op militair personeel. Het betreft de uitgaven voor kinderopvang, externe bemiddeling, personeelsgebonden onderzoek en georganiseerd overleg.

Sociaal Beleidskader (SBK)

In onderstaand overzicht zijn de uitgaven voor het Sociaal Beleidskader opgenomen, zoals die zijn voorzien naar aanleiding van de herstructurering van de Koninklijke marine. De uitgaven hebben zowel betrekking op burgerpersoneel als op militair personeel. De verantwoording vindt, met uitzondering van de wachtgelden die ten laste van artikel 02.01 van beleidsterrein Pensioenen, wachtgelden en uitkeringen worden geboekt, voor het betreffende deel plaats op de artikelen 01, 02 en 03 van het beleidsterrein 03. Koninklijke marine (bedragen x f 1 miljoen):

 
hoofdcategoriet.l.v. art.199619971998199920002001
– om–, her– en bijscholing en «outplacement»03.031,91,91,91,91,91,9
– verplaatsingskosten03.030,10,10,10,10,10,1
– wachtgelden SBK/UBMO burgers02.0111,713,214,516,417,818,6
– wachtgelden SBK/UBMO militairen02.010,30,20,10,10,10,1
– boven de organieke sterkte plaatsingen burgerpersoneel03.012,22,22,12,22,22,1
– boven de organieke sterkte plaatsingen militair personeel03.020,71,10,91,11,00,3
– Afwikkeling BVLOM03.023,71,2    
totaal SBK/UBMO 20,619,919,621,823,123,1

Als gevolg van de herstructurering van de Koninklijke marine wordt rekening gehouden met om-, her- en bijscholing voor met name burgerpersoneel.

Het aantal plaatsingen «boven de organieke sterkte» is ten opzichte van de begroting 1996 aangepast aan de huidige inzichten in overtolligheid en aan het gestimuleerde vrijwillige gebruik van de SBK-instrumenten ter voorkoming van gedwongen ontslag.

03.04 Subsidies en bijdragen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Onder dit artikel worden de subidies en bijdragen geraamd voor de Koninklijke marine jachtclub, de Marine watersportvereniging, het Marine Sanatoriumfonds, het Nederlands Instituut voor Maritieme ontwikkeling (NIM), het Zeekadetkorps Nederland, het Vormingscentrum Ascension, de Koninklijke Vereniging van Marine Officieren (KVMO) en de Stichting Militaire Tehuizen Overzee (SMTO).

Met ingang van januari 1995 is de bijdrage aan het ministerie van Economische Zaken ten behoeve van de stichting Coördinatie Maritiem Onderzoek (CMO) in verband met de opheffing van deze stichting stopgezet. Op basis van het eindrapport van de adviescommissie maritieme onderzoeksinfrastructuur (Commissie Zandbergen) is per dezelfde datum een bijdrage verstrekt aan het nieuw opgerichte instituut voor maritieme ontwikkeling (NIM), welke dezelfde doelstelling nastreeft als de opgeheven stichting CMO.

In overeenstemming met het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit artikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 1995199619971998199920002 001 
Stand ontwerp-begroting 1996 903883873873873  
1e suppletore wet 1996 68      
Nieuwe mutaties  – 25– 25– 35– 95  
Stand ontwerp-begroting 19971 114971858848838778768 

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw hebben betrekking op mutaties van de volgende subsidies:–de subsidie aan het vormingscentrum Ascension wordt met ingang van 1997 gestopt, daar het vormingswerk vanaf 1997 uit de markt zal worden betrokken. Er zal een contract worden afgesloten tussen de Commandant Zeemacht in het Caribisch gebied en een vormingscentrum.–de door de Koninklijke landmacht overgehevelde bedragen inzake de Stichting Militaire Tehuizen Overzee (SMTO) gingen uit van een zeer snelle en forse reductie van de subsidie. Dit blijkt in de praktijk niet mogelijk. Derhalve is met de SMTO een meer geleidelijke daling van het budget afgesproken en wordt de subsidie aan het SMTO vanaf 1997 verlaagd tot 300 in het jaar 2001.–de subsidie ten behoeve van het blad «Scheepsbel» voor de personeelsvereniging is met ingang van 1995 gestopt.–de beoogde verlaging van de subsidie aan het Nederlands Instituut voor Maritieme ontwikkeling (NIM) die in 1996 zou worden geëffectueerd kan pas ingaan in het jaar 2000. Dit is het gevolg van de reeds aangegane verplichtingen jegens het NIM. De volledige daling van het budget wordt in 2000 ingeboekt.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering.
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 Econ. Funct.
Subsidies aan:         
Koninklijke marine jachtclub 122117117 41.4 02.3
Marine watersportvereniging 767171 41.4 02.3
Marine Sanatoriumfonds 555 41.4 02.3
Koninklijke vereniging marine officieren 757575 41.4 02.3
Marine onderofficiersclub 197   41.4 02.3
Zeekadetkorps Nederland 505050 41.4 02.3
Vormingscentrum Ascension 43103  41.4 02.3
Stichting Militaire Tehuizen Overzee 350350340 41.4 02.3
         
Bijdragen aan:         
Nederlands Instituut voor Maritieme Ontwikkeling 196200200 41.4 02.3
Totaal 1 114971858    

De doelstellingen van de ontvangers van subsidies en bijdragen worden uiteengezet in bijlage 6B.

03.05 Materiële exploitatie

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Onder dit artikel worden de exploitatie-uitgaven geraamd anders dan personele uitgaven. Het betreft hier uitgaven van algemene en specifieke aard, de aankoop van inventarisgoederen en klein materieel, het onderhoud en herstel van het materieel, alsmede de aankoop van brandstoffen, olie en smeermiddelen.

Het vaar- en onderhoudsplan en de begrotingssterkte zijn belangrijke indicatoren op dit artikel. Veelal is er echter geen directe relatie te leggen tussen de hierboven genoemde indicatoren en het uitgavenniveau voor materiële exploitatie. Dit komt onder andere doordat er gebruik wordt gemaakt van bestaande voorraden. De vervangingsuitgaven (aanvulling van de voorraden) voor de verbruikte artikelen verschuiven zodoende in de tijd.

De uitgaven ten behoeve van brandstoffen zijn afhankelijk van het vaar- en onderhoudsplan, de prijsontwikkeling op de markt, de dollarkoers, alsmede de voorraadpositie.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  428 623437 706466 712452 195463 693 
1e suppletore wet 1996  – 17 20716 82014 34011 41010 030 
Nieuwe mutaties  8 355– 82– 17 369– 14 348– 14 725 
Stand ontwerp-begroting 1997141 522519 929419 771454 444463 683449 257458 998466 660
Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingenstand        Uitgaven stand
ontwerp- begroting        ontwerp-begroting
1997141 522519 929419 771454 444463 683449 257458 998466 6601997
199589 313385 035      474 348
199635 55690 617344 921     471 094
199712 46029 71754 141398 807    495 125
19983 0819 7719 36350 524404 860   477 599
19996553 6446 0492 90654 699412 222  480 175
20001083295 2972 2074 12437 035426 858 475 958
2001327816    32 140433 377466 660
na 200122      33 283 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 1995199619971998199920002001 
Stand ontwerp-begroting 1996 479 946478 387480 628483 113480 653  
1e suppletore wet 1996 – 17 20716 82014 34011 41010 030  
Nieuwe mutaties 8 355– 82– 17 369– 14 348– 14 725  
Stand ontwerp-begroting 1997474 348471 094495 125477 599480 175475 958466 660 

De uitgaven voor de operaties in het kader van de drugsbestrijding in het Caribisch gebied door de kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba worden uit dit artikel overgebracht naar 08.04.

De reorganisatie en de personele reducties leiden er onder meer toe dat bepaalde noodzakelijke werkzaamheden moeten worden uitbesteed. Het uitgangspunt daarbij is dat uitbesteding van werkzaamheden per saldo niet tot meeruitgaven mag leiden.

De nieuwe mutaties in de verplichtingen- en de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Doelmatigheidsmaatregelen:    
– inlichtingen en veiligheid24546969
– wetenschappelijk onderzoek   – 3
– automatisering1 300– 200– 700– 1 300
– geestelijke verzorging– 117– 117– 117– 117
– geneeskundig facilitair bedrijf– 6– 6– 6– 6
     
Overige mutaties:    
– onderhoud en herstel schepen– 1 750– 13 105– 14 027– 16 366
– onderhoud en herstel elektronisch en nautisch materieel4 9152 9942 9933 055
– onderhoud en herstel bewapenings- materieel6808542 6622 337
– benzine, olie en smeermiddelen– 3 425– 3 248– 2 380– 2 727
– uitgaven DCC3 6943 4192 9732 859
– onderhoud gebouwen5 3303 5083 1823 536
– overheveling KWC NA/A– 9 958– 9 958– 9 958– 9 958
– overheveling NAFIN  – 200– 400
– diverse bijstellingen per saldo– 769– 1 5641 1614 296
Totaal– 82– 17 369– 14 348– 14 725

Inlichtingen en veiligheid

Heroverweging van de ingeboekte bezuiniging op het gebied van inlichtingen en veiligheid leidt tot een gewijzigde omvang en verdeling van de doelmatigheidsopbrengst.

Wetenschappelijk onderzoek

Als een van maatregelen van de doelmatigheidsoperatie is in de begroting 1996 een reductie van vier vte'n op het gebied van wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling bij het beleidsterrein Algemeen ingeboekt. In de definitieve verdeling van deze reductie tussen de beleidsterreinen is door de Koninklijke marine één vte militair personeel ingeleverd. Uit dit artikel wordt hiervoor de materiële exploitatie van de begroting van de Koninklijke marine overgeheveld.

Automatisering

Heroverweging van de ingeboekte bezuiniging op het gebied van automatisering leidt tot een gewijzigde omvang en verdeling van de doelmatigheidsopbrengst.

Overheveling Geestelijke verzorging

In het Defensie Interservice Commando (Dico) is de dienst Geestelijke Verzorging (Gevo) opgenomen. Het betreft een samenvoeging van deze diensten van de krijgsmachtdelen. De financiële verantwoording zal op artikel 09.02 Personeel en materieel Dico plaatsvinden. Hiervoor worden de benodigde fondsen onder meer uit de begroting van de Koninklijke marine ontvlochten. Voor dit artikel betreft het de budgetten voor materiële exploitatie.

Overheveling Geneeskundig facilitair bedrijf

In het Defensie Interservice Commando (Dico) wordt vanaf 1997 het Geneeskundig Facilitair Bedrijf opgenomen. De financiële verantwoording zal op artikel 09.02 Personeel en materieel Dico plaatsvinden. Hiervoor worden de benodigde fondsen onder meer uit de begroting van de Koninklijke marine ontvlochten. Voor dit artikel betreft het de budgetten voor materiële exploitatie.

Onderhoud en herstel schepen

Het benodigde bedrag voor het onderhoud en herstel van schepen is als gevolg van een herziene raming verlaagd. Deze lagere raming vloeit voort uit hernieuwde visies met betrekking tot de instandhouding. De hier gepresenteerde raming is daarmee beter afgestemd op de grootte en samenstelling van de vloot. De lagere daling in 1997 wordt veroorzaakt door het meerjarig onderhoud van de Hr. Ms. Walrus. Aanvankelijk was hiervoor in 1996 f 13 miljoen geraamd. In de ontwerpbegroting 1997 wordt nu uitgegaan van f 5,7 miljoen in 1996 en f 7,3 miljoen in 1997. De hiermee samenhangende verlaging van de uitgaven in 1996 is opgenomen in de eerste suppletore begroting 1996. In 1996 ontstaan extra uitgaven van f 6,4 miljoen als gevolg van het verkoopgereed maken van de aan Griekenland verkochte S-fregatten.

Onderhoud en herstel elektronisch en nautisch materieel

Als gevolg van een ramingsbijstelling stijgt het benodigde bedrag. Deze raming is voor de herbevoorradingsartikelen van elektronisch materieel en beter afgestemd op de op basis van empirische gegevens vastgestelde behoefte.

Onderhoud en herstel bewapeningsmaterieel

Het benodigde bedrag voor het onderhoud en herstel van bewapeningsmaterieel is als gevolg van een herziene raming verhoogd.

Brandstoffen, olie en smeermiddelen

De verlaging van dit artikelonderdeel is het gevolg van een geactualiseerde raming die is afgestemd op het vaar- en onderhoudschema en waarbij rekening is gehouden met actuele koersen en prijzen op de oliemarkt.

Uitgaven DCC

Als gevolg van meer inhuur van expertise bij het DCC, met name ten behoeve van het systeemonderhoud, stijgen de uitgaven.

Onderhoud gebouwen en terreinen

Als gevolg van een herziene raming stijgen de uitgaven voor het onderhoud aan gebouwen en terreinen.

Overheveling Kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba (KWC NA/A)

De uitgaven voor materiële exploitatie van de Koninklijke marine bij de Kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba worden naar het artikel 08.04 Overige uitgaven internationale samenwerking overgebracht. Bij dit artikel betreft dit met name uitgaven voor brandstoffen en het onderhoud en herstel van schepen en vliegtuigen.

Overheveling NAFIN

De exploitatie van het NAFIN-netwerk wordt uitgevoerd door de Koninklijke luchtmacht. De Koninklijke marine draagt door een budget- overheveling aan deze exploitatie bij.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering.
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199519961997 199519961997 Econ. Funct.
Huisvestingskosten 37 00339 63040 967 37 17839 35240 967 12.1 02.3
Bureaukosten 65 72465 08667 590 71 11169 48670 177 12.1 02.3
Specifieke uitgaven van operationele aard 6 2458 14410 018 5 4338 83610 018 12.1 02.3
Oefenmunitie (schietvoorraad) 11 04514 60927 766 13 16018 70230 263 12.1 02.3
Overige algemene en specifieke uitgaven 18 39714 96013 188 13 39715 47713 637 12.1 02.3
Inventarisgoederen en klein materieel 26 02913 60416 805 19 41618 48218 632 13 02.3
Onderhoud en herstel:             
– schepen 144 20389 18385 495 108 451110 487119 330 13 02.3
– vliegtuigen 41 40744 14739 700 49 82442 42339 250 13 02.3
– voertuigen 15 1628392 470 11 5073 0242 470 13 02.3
– elektronisch en nautisch materieel 18 18520 29223 676 22 69117 42321 374 13 02.3
– bewapeningsmaterieel 29 46521 68825 149 27 86721 73924 569 13 02.3
– inventarisgoederen en klein materieel 20 84716 81121 045 19 78720 17521 266 13 02.3
Voorzieningen/onderhoud van gebouwen, havens en terreinen 50 90540 03848 624 42 85350 74349 510 13 02.3
Doorberekeningen aan:             
de Koninklijke luchtmacht – 1 702   – 1 702   13 02.3
Brandstoffen, olie en smeermiddelen e.d. 37 01430 74031 951 33 37534 74533 662 12.1 02.3
Totaal 519 929419 771454 444 474 348471 094495 125    

Huisvestingskosten

Ten laste van dit artikelonderdeel worden vooral de uitgaven voor gas, water en elektriciteit verantwoord, alsmede de uitgaven ten behoeve van schoonmaakcontracten. Tevens wordt de beveiliging van objecten hierop verantwoord.

Ramingskengetallen

 
 199519961997
personele sterkte (burger- en militair personeel in vte'n)19 26118 63618 004
toegelicht bedrag (x f 1000,–)37 17839 35240 967
bedrag per vte (x f 1,–)1 9302 1122 275

Als gevolg van het uitfaseren van de Sajo-projecten voor beveiliging en bewaking dient tijdelijk extern te worden ingehuurd voor lichte bewakings- en beveiligingstaken en incidenteel om piekbelasting te kunnen opvangen. Het gaat hierbij met name om toegangscontroles, bijvoorbeeld bij kantoorgebouwen. Door deze inhuur stijgen de gemiddelde huisvestingskosten in 1996 tot 1998. Na afronding van de investeringsprojecten voor elektronische bewaking en beveiliging zal de behoefte aan extern ingehuurde bewaking afnemen.

Bureaukosten

Onder dit artikelonderdeel worden onder andere de uitgaven geraamd voor schrijf-, teken- en drukkosten, verzending van dienststukken, de exploitatie-uitgaven op het gebied van verbindingen (telefoonkosten, telegraaf- en telexkosten) en de aankoop van boek- en drukwerken. Tevens worden de uitgaven voor de exploitatie van de automatisering hierop geraamd. Sedert 1994 worden de uitgaven voor het agentschap DCC (onderdeel van de exploitatie-uitgaven voor automatisering) eveneens geraamd op dit artikelonderdeel.

Ramingskengetallen

 
 199519961997
personele sterkte (burger- en militair personeel in vte'n)19 26118 63618 004
toegelicht bedrag (x f 1000,–)27 50625 81627 173
bedrag per vte, exclusief de uitgaven voor automatisering (x f 1,–)1 4281 3851 509

Specifieke uitgaven van operationele aard

Onder dit artikelonderdeel worden de uitgaven verantwoord voor onder andere faciliteiten ten behoeve van de mariniers in het buitenland, trainingsfaciliteiten ten behoeve van buitenlandse oefeningen, alsmede de uitgaven voor haven-, sluis- en loodsgelden. De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben een directe relatie met de geoefendheid.

Ramingskengetallen

 
 199519961997
aantal havenbezoeken428350372
aantal kanaalpassages622
toegelicht begrotingsbedrag (meerjaarlijks gemiddelde x f 1000,–)4 8313 4963 702
gemiddelde uitgaven per havenbezoek9 7569 3679 367
gemiddelde uitgaven kanaalpassage (meerjaarlijks gemiddelde x f 1,–)109 302108 553108 553

Oefenmunitie

De uitgaven ten behoeve van de herbevoorrading van munitie voor het Korps mariniers, Oto melara-kanonnen van de fregatten, Goalkeeper en overige scheeps- en vliegtuigmunitie voor zover dit wordt aangeschaft voor oefendoeleinden, worden onder dit artikelonderdeel geraamd. De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben een directe relatie met de geoefendheid. Met ingang van de herziene begroting 1996 wordt de aanschaf van conventionele munitie ten behoeve van vervanging van de schietvoorraad, oefening en opleiding op dit artikelonderdeel verantwoord. Deze uitgaven werden voorheen op het artikel 03.07 Overig groot materieel verantwoord.

Overige algemene en specifieke uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel worden diverse soorten uitgaven verantwoord. De belangrijkste posten zijn:–inhuur van externe deskundigen;–kosten voor het betalingsverkeer;–wetenschappelijk onderzoek en onderwijs op het gebied van milieu;–milieu-uitgaven.

Externe expertise is onder andere benodigd voor begeleiding bij projecten als:–informatiearchitectuur/informatiestructuurplan;–reorganisaties, bijvoorbeeld bij het SEWACO-bedrijf;–begeleiding inzake ARBO-aangelegenheden.

De milieu-uitgaven op dit artikelonderdeel betreffen voornamelijk de afvoer van milieubelastende afvalstoffen.

Inventarisgoederen en klein materieel

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven verantwoord voor de inventarisgoederen en klein materieel en voor uitgaven voor medische goederen.

Ramingskengetallen

 
 199519961997
personele sterkte (burger- en militair personeel in vte'n)19 26118 63618 004
toegelicht bedrag (x f 1000,–)19 41618 48218 632
bedrag per vte (x f 1,–)1 0089921 035

Onderhoud en herstel van schepen

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de herbevoorradings- en de instandhoudingsuitgaven ten behoeve van de schepen van de vloot. De in omvang belangrijkste posten betreffen het onderhoud en het herstel van de fregatten en bevoorradingsschepen van de Groep Escorteschepen, de onderzeeboten en de mijnenbestrijdingsvaartuigen. De mutaties op dit artikelonderdeel worden grotendeels bepaald door de omvang van de vloot, de leeftijd van de verschillende schepen en het Vaar- en Onderhoudsplan. Voor zover mogelijk wordt het onderhoud door Marinebedrijven uitgevoerd. Als daar te weinig capaciteit aanwezig is, wordt het werk bij particuliere werven uitbesteed.

Onderhoud en herstel van vliegtuigen

Ten laste van dit artikelonderdeel komen het onderhoud en herstel van de maritieme patrouillevliegtuigen van het type P3C-Orion en de Lynx-helicopters van de Marine Luchtvaart Dienst, alsmede de uitgaven voor de herbevoorrading van magazijnsartikelen hiervoor.

Onderhoud en herstel van voertuigen

De uitgaven ten laste van dit artikelonderdeel hebben betrekking op het onderhoud en herstel van voertuigen en op transportkosten.

Onderhoud en herstel van elektronisch en nautisch materieel

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven verantwoord op het gebied van onderhoud en herstel (voornamelijk herbevoorrading) van het elektronisch en nautisch materieel.

Onderhoud en herstel van bewapeningsmaterieel

Ten laste van dit artikelonderdeel worden het onderhoud en herstel van het bewapeningsmaterieel verantwoord alsmede de herbevoorrading van magazijnsartikelen hiervoor.

Onderhoud en herstel van inventarisgoederen en klein materieel

Ten laste van dit artikelonderdeel worden de uitgaven verantwoord op het gebied van onderhoud en herstel van inventarisgoederen en klein materieel. De grootste uitgavenpost op dit artikelonderdeel is de post «vrachten, invoerrechten en BTW».

Onderhoud en herstel van gebouwen en terreinen

Ten laste van dit artikelonderdeel worden de uitgaven verantwoord op het gebied van het onderhoud en herstel van gebouwen en terreinen alsmede de voorzieningen aan gebouwen en terreinen.

Bovendien vindt op dit artikelonderdeel de verantwoording plaats met betrekking tot de ondergrondse infrastructuur, zoals rioleringen en pijpleidingen, alsmede de kleine renovatieprojecten. De hoogte van de uitgaven is mede afhankelijk van de mogelijkheid om nieuwbouwinvesteringen te plegen.

Ramingskengetallen

In onderstaande tabel is de procentuele verhouding aangegeven tussen nieuwbouw en onderhoud en herstel van gebouwen (bedragen x  f 1 000,-):

 
Omschrijving1995%1996%1997%
Nieuwbouw en dergelijke (artikel 03.06)67 57261100 6006698 95967
Onderhoud en herstel gebouwen42 8533950 7433449 51033
Totalen110 425100151 343100148 469100

Terugontvangsten van de Koninklijke landmacht en de Koninklijke luchtmacht

De ontvangsten hebben betrekking op de doorberekening van diverse werkzaamheden die de bedrijven van de Koninklijke marine ten behoeve van de Koninklijke landmacht en Koninklijke luchtmacht verrichten. Het betreft met name de Rijkswerf en het SEWACO-bedrijf. Als gevolg van de nieuwe verrekenmethode is dit artikelonderdeel vervallen.

Brandstoffen, olie en smeermiddelen

Ten laste van dit artikelonderdeel worden de uitgaven verantwoord die verband houden met de rechtstreekse aankopen en voorraadvorming van de brandstoffen voor de schepen, vliegtuigen, helicopters en voertuigen. De aan te schaffen hoeveelheden zijn afhankelijk van het interen op of aanvullen van de voorraden. Het prijsniveau van de fossiele brandstoffen is van grote invloed op het uitgavenniveau.

Ramingskengetallen

 
 199519961997
Begrotingsbedrag (x f 1000,–)33 37534 74533 662
    
Verbruikte en te verbruiken hoeveelheden in duizenden kubieke meter:    
    
– Gasolie schepen87,4104,490,4
– Kerosine patrouillevliegtuigen21,623,723,9
– Helicopterbrandstof2,22,72,7

Met name als gevolg van het niet optimaal kunnen gebruiken van de kruisvaartdiesels van de M-fregatten in 1995 ontstaat in 1996 een stijging in het verbruik van 17 duizend kubieke meter.

03.06 Bouw, aankoop gronden etc.

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen de uitgaven voor renovatie en nieuwbouw van walinrichtingen van de Koninklijke marine.

Naast de voortgaande renovatie en nieuwbouw in verband met de veroudering van de bestaande infrastructuur, wordt de behoefte tevens bepaald door: –aanpassing van de organisatie;–de veranderde structuur en omvang van de vloot;–nieuwe wetgeving;–voorschriften op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening;–voortgaande concentratie van activiteiten te Den Helder;–de voortschrijdende technologie.

Tevens wordt op dit artikel het bodemsaneringsprogramma verantwoord.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  72 70383 254104 75792 24094 311 
1e suppletore wet 1996  31 855     
Nieuwe mutaties  1 7429 7054 1754 115– 8 961 
Stand ontwerp-begroting 199724 88980 165106 30092 959108 93296 35585 35092 024
Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingenstand        Uitgaven stand
ontwerp- begroting        ontwerp-begroting
199724 88980 165106 30092 959108 93296 35585 35092 0241997
199521 42346 149      67 572
19963 46629 67567 459     100 600
1997 1 41433 84163 704    98 959
1998 1 4145 00027 75565 063   99 232
1999 1 513 1 50021 86973 273  98 155
2000    12 00013 58258 268 83 850
2001    5 0006 00012 90066 12490 024
na 2001    5 0003 50014 18225 900 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 1995199619971998199920002001 
Stand ontwerp-begroting 1996 67 00389 25495 05794 04092 811  
1e suppletore wet 1996 31 855      
Nieuwe mutaties 1 7429 7054 1754 115– 8 961  
Stand ontwerp-begroting 199767 572100 60098 95999 23298 15583 85090 024 

De ramingen zijn een afgeleide van de afweging van prioriteiten die in het planproces worden gemaakt.

De nieuwe mutaties in de verplichtingen- en de uitgavenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001997199819992000
marinebedrijven– 2 800– 5 000  
marinekazernes5 17717 7708 000– 3 800
Koninklijk Instituut voor de Marine1 600– 1 000  
marine vliegkampen– 2 7505 850– 11 400 
bodemsanering3 1504082 483– 9 650
Nederlandse Antillen en Aruba6 0792 300– 900– 900
diverse bijstellingen per saldo– 751– 16 1535 9325 389
Totaal9 7054 1754 115– 8 961

Marinebedrijven

Ten aanzien van de bouwactiviteiten bij de marinebedrijven wordt een zeer terughoudend beleid gevoerd. Dit wordt ingegeven door het besluit om de vestiging Oegstgeest van het Marine Elektronisch- en Optisch Bedrijf (MEOB) samen te voegen met het «nieuwe» SEWACO-bedrijf in Den Helder. Hierdoor is het noodzakelijk de geplande bouwactiviteiten bij het MEOB in Oegstgeest te herzien. Met name de bouw van het bedrijfsrestaurant komt hiermede te vervallen.

Marinekazernes

In het kader van herstructurering worden op een aantal marinekazernes bouwactiviteiten uitgevoerd. Op het terrein van marinekazerne Willemsoord te Den Helder worden uit oogmerk van efficiency verspreid liggende diensten gecentraliseerd. Met de herhuisvesting en uitbreiding ten behoeve van de Commandant Zeemacht Nederland wordt tevens invulling gegeven aan de ARBO-wetgeving en de integratie van de Kustwacht Nederland. De verouderde legeringsgebouwen worden gerenoveerd tot kantoorgebouwen. Voor de huisvesting van de Kustwacht Nederland is op het terrein van de marinekazerne Willemsoord nieuwbouw voorzien. Het zwaartepunt van de activiteiten ligt in het jaar 1998.

Bij de marinekazerne Erfprins heeft een bijgestelde planning van projecten tot herfasering van de betaalmomenten geleid. Het betreft hier onder meer:–de aanpassing van de sportvoorzieningen,–de aanpassing en uitbreiding van een schoolgebouw.

Bij de marinekazerne Amsterdam is de planning van diverse projecten bijgesteld met als gevolg herfasering van de betalingen. Het betreft hier onder andere:–de renovatie van de legeringsgebouwen,–de aanpassing van de sportvoorziening,–de renovatie van een schoolgebouw.

Koninklijk Instituut voor de Marine

Bij het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) wordt het laboratoriumgebouw heringericht.

Marinevliegkampen

Op het marinevliegkamp de Kooy is de vervanging van het onderhoudsgebouw eerder gepland dan in de begroting 1996 is opgenomen. Tevens is de vervanging van de verspreid liggende magazijnen op grond van veroudering en te bereiken bedrijfsefficiency eerder gepland dan in de begroting 1996. Daarnaast voldoet de huidige legering van het personeel van het marinevliegkamp Valkenburg niet aan de Algemene normen Walaccomodaties van de Koninklijke marine. Ook in verband met efficiency, beveiliging en de gelegenheid tot afstoten van gehuurde terreinen verdient concentratie op het operationele deel van het vliegkamp de voorkeur.

Bodemsanering

In de Novemberbrief van het jaar 1994 heeft de Staatssecretaris van Defensie aangekondigd dat het bodemsaneringsprogramma niet per definitie vóór het jaar 2000 afgerond behoeft te zijn. Als gevolg daarvan zijn de oorspronkelijk beschikbare bedragen bijgesteld, zodat op dat gebied geen nieuwe verplichtingen konden worden aangegaan. Nader onderzoek wijst uit dat in veel gevallen er een nauwe relatie bestaat tussen bodemsaneringsprojecten en een groot deel van de overige activiteiten waardoor stagnatie optreedt in de uitvoering daarvan. Waar dit noodzakelijk wordt geacht zijn budgetten van de bodemsaneringsprojecten, deels gefinancierd uit de onkostenregeling verkoop af te stoten terreinen, aangepast. De hogere raming in de eerste jaren wordt veroorzaakt door een meerjarencontract op het vliegkamp Valkenburg en noodzakelijke saneringen in het kader van afstotingen en nieuwbouw.

Nederlandse Antillen en Aruba

De uitvoering van reeds aangegane verplichtingen voor de bedrijfsrestaurants is vertraagd. De wegens veroudering noodzakelijke vervanging van de kantoren van de Commandant Zeemacht Caribisch gebied wordt versneld uitgevoerd, gelijktijdig met de geplande nieuwbouw van het kustwachtcentrum. Als gevolg hiervan zijn de ramingen bijgesteld.

Overige bijstellingen

De uitvoering van het nieuwbouwplan van het zendstation Ouddorp is als gevolg van stagnatie in de besluitvorming nog niet gestart. In de raming wordt er van uitgegaan dat de nieuwbouw in 1996 en 1997 zal plaatsvinden.

Voor de jaren 1997 en 1998 is ter invulling van de bijdrage aan de algemene budgettaire problematiek van de rijksbegroting rekening gehouden met een neerwaartse bijstelling op dit artikelonderdeel van respectievelijk f 6,7 en f 7,3 miljoen. De kortingen leiden in die jaren tot herfasering en versobering van een groot aantal bouwprojecten, daar waar eerder voor het jaar 1997 een stijging van het bouwvolume was voorzien. Vanaf 1999 vindt een beperkte inhaalslag plaats.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199519961997 199519961997 Econ. Funct.
Marinebedrijven 4 3994 3201 895 2 1693 956200 13 02.3
Marinekazernes 20 01133 23832 999 15 48224 63436 527 13 02.3
Koninklijk Instituut             
voor de Marine 1 4129206 320 3 0661 4894 600 13 02.3
Marinevliegkampen 16 81313 08019 486 14 76012 34518 400 13 02.3
Bodemsanering 11 424   5 9175 4814 583 13 02.3
Nederlandse Antillen 8 80811 44514 034 12 65713 87816 529 13 02.3
Overige projecten 17 29843 29718 225 13 52138 81718 120 13 02.3
Totaal 80 165106 30092 959 67 572100 60098 959    

Marinebedrijven

Op dit artikelonderdeel worden de diverse bouwactiviteiten en renovatieprojecten bij de marinebedrijven verantwoord. Het gaat hier om de Rijkswerf, het SEWACO-bedrijf (het project SEWACO-bedrijf wordt op artikel 03.07 Overig groot materieel verantwoord) en het Marine Elektronisch- en Optisch Bedrijf.

Marinekazernes

Op dit artikelonderdeel worden de diverse bouwactiviteiten en renovatieprojecten bij de marinekazernes verantwoord. Het betreft hier onder andere:–de nieuwbouw van bedrijfsrestaurants;–de nieuwbouw of renovatie van magazijnen dan wel andere bedrijfsgebouwen;–de nieuwbouw of renovatie van kantoorgebouwen;–de nieuwbouw of renovatie van legeringsgebouwen.

Marinevliegkampen

Op dit artikelonderdeel worden de diverse bouwactiviteiten en renovatieprojecten op het marinevliegkamp Valkenburg en het marinevliegkamp de Kooy verantwoord.

Koninklijk Instituut voor de Marine

Op dit artikelonderdeel worden de diverse bouwactiviteiten en renovatieprojecten op het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) verantwoord.

Bodemsanering

Op dit artikelonderdeel wordt de uitvoering van het bodemsaneringsprogramma verantwoord. Er wordt naar gestreefd de uitvoering van het programma af te stemmen op de uitvoering van het infrastructuurprogramma van de Koninklijke marine.

Nederlandse Antillen en Aruba

Op dit artikelonderdeel worden de diverse bouwactiviteiten en renovatieprojecten bij de marinekazernes verantwoord. Het betreft hier onder andere:–de renovatie van diverse legeringsgebouwen en kantoren onder andere in het kader van de arbeidsomstandigheden;–de nieuwbouw van de bedrijfsrestaurants;–de nieuwbouw van bevoorradingsloodsen;–de renovatie van de ondergrondse infra, zoals rioleringen en pijpleidingen.

De renovaties en nieuwbouwprojecten op de Nederlandse Antillen en Aruba zijn noodzakelijk ter vervanging van een aantal gebouwen die niet meer aan de eisen voldoen op het gebied van woon-, werk- en leefklimaat. Tevens verkeert een aantal gebouwen in een zeer slechte staat van onderhoud. Dit wordt versterkt door de klimatologische omstandigheden.

Projecten gericht op milieu-aspecten

Projecten die zijn gericht op milieu-aspecten worden hieronder vermeld: –renovatie Navo/pol-depot;–verwijderen vervuild baggerslib van de waterbodem van de Nieuwe Haven (Den Helder);–verwijderen vervuild baggerslib van de waterbodem van de Spoorhaven (Den Helder);–het bodemsaneringsprogramma.

Ramingskengetallen

De investeringen in de nieuwbouw en de voorzieningen/onderhoud van gebouwen, havens en terreinen uitgedrukt in afzonderlijke percentage's van de waarde van het vastgoed (bedragen x f 1000,–):

 
Omschrijving1997%
Waarde vastgoed3 648 344  
Nieuwbouw98 9592,7
Voorzieningen/onderhoud van gebouwen, havens en terreinen49 5101,4

03.07 Overig groot materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen de uitgaven voor investeringen in groot materieel, die niet in een afzonderlijk artikel zijn opgenomen.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  513 0501 266 0501 702 750430 850659 550 
1e suppletore wet 1996  175 010– 29 960– 28 060– 25 460– 39 760 
Nieuwe mutaties  52 099328 212– 1 030 8411 022 615– 107 453 
Stand ontwerp-begroting 1997435 789999 394740 1591 564 302643 8491 428 005512 3371 241 443
Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingenstand        Uitgaven stand
ontwerp- begroting        ontwerp-begroting
1997435 789999 394740 1591 564 302643 8491 428 005512 3371 241 4431997
1995208 781256 012      464 793
1996125 719164 310243 447     533 476
199763 102116 247217 868239 284    636 501
199821 234136 664154 500237 745160 164   710 307
199910 672138 17877 300233 237121 500284 103  864 990
20005 84186 72413 200284 200246 600107 900217 749 962 214
20018466 70930 138201 719106 729113 559114 981247 719881 638
na 200135634 5503 706368 1178 856922 443179 607993 724 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 1995199619971998199920002001 
Stand ontwerp-begroting 1996 487 112603 631733 819893 391988 711  
1e suppletore wet 1996 31 910– 29 960– 28 060– 25 460– 39 760  
Nieuwe mutaties 14 45462 8304 548– 2 94113 263  
Stand ontwerp-begroting 1997464 793533 476636 501710 307864 990962 214881 638 

De ramingen zijn een afgeleide van de afweging van prioriteiten die in het planproces worden gemaakt.

De nieuwe mutaties in de verplichtingenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
bedragen x f 10001997199819992000
LCF– 172 47842 980– 15 0381 521
PAM243 59825 215– 73 15421 956
vervanging Kortenaer  10 00097 000
ATS6 2326 205  
CUP Alkmaar93 800– 99 3006 5006 400
M-fregatten1 045    
onderzeeboten Walrus-klasse3 618500  
NH-9027 321– 1 000 0401 141 953– 189 933
CUP Orion– 9 00015 4003 100– 900
geïntegreerd verbindings-project12 400– 3 4001 200– 12 100
munitie6 350– 35 312– 32 050– 27 925
Sewacobedrijf20 500    
gepantserde VN-voertuigen39 000   
overige mutaties55 82616 911– 19 896– 3 472
Totaal328 212– 1 030 8411 022 615– 107 453

De mutaties in de verplichtingenopbouw ten opzichte van de begroting 1996 zijn vooral ontstaan door een actualisering van verplichtingenramingen van het LCF, het project Aanpassingen Mijnenveegcapaciteit en de NH-90. Daarnaast leidt de overheveling van de Multi-purpose fregatten (artikel 03.08) en de onderzeeboten van de Walrus-klasse (artikel 03.09) tot aanpassing van de verplichtingenraming. Voorts wordt in 1997 aangesloten bij een voorgenomen aanschaf door de Koninklijke landmacht van gepantserde voertuigen voor VN-operaties. De overige mutaties worden grotendeels veroorzaakt door gewijzigde inzichten.

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
bedragen x f 10001997199819992000
LCF9 21822 144– 82 055– 26 789
PAM– 8 671– 74 05362 03583 781
vervanging Kortenaer   1 000
vervanging Poolster4 1216 602   
ATS– 1 3659 398  
CUP Alkmaar13 54192022 590– 15 160
M-fregatten30 6101 045   
onderzeeboten Walrus–klasse5 9815 100937 
NH-901574 834– 3 770– 68 481
uitbreiding testcapaciteit SM/21 8005 4004 000 
aanpassing brandstofsystemen5 4002 200   
waarnemings- en nachtzichtappartuur 5 000   
LAMS– 7 081– 6 295– 7 152 
munitie7006 059– 3572 617
Sewacobedrijf1 829– 5 000   
verbeterd actief onderzeebootbestrijdingssysteem– 3 000– 10 100– 7 400 
gepantserde VN-voertuigen3 00013 00013 00010 000
overige projecten6 59018 294– 4 76926 295
Totaal62 8304 548– 2 94113 263

Luchtverdedigings- en Commando-fregatten (LCF)

Het bouwmeestercontract met de Koninklijke Schelde Groep is in juni 1995 ondertekend. Door gewijzigde inzichten hebben er verschuivingen in de betalingsmomenten plaatsgevonden. Hiernaast heeft het uittreden van Spanje uit het gezamenlijke deelproject voor het luchtverdedigingssysteem geleid tot verschuivingen binnen enkele deelprojecten van het LCF. De gewijzigde Spaanse positie heeft geen gevolgen voor de planning van de bouw van de Nederlandse fregatten. Het budget voor het totale project Luchtverdedigings- en commandofregatten blijft ongewijzigd.

Project Aanpassing Mijnenveegcapaciteit

De verschuivingen met betrekking tot dit project worden veroorzaakt door verandering van aanbestedingsmomenten van enkele hoofdcomponenten van het project.

Vervanging Kortenaer

De vervanging van de eerste twee schepen wordt ten opzichte van de Prioriteitennota anderhalf jaar naar voren gehaald, waarbij zal worden aangesloten bij het LCF programma met een tweede serie van twee fregatten voor de luchtverdediging.

Vervanging Poolster

Het schip is in 1995 in dienst gesteld en zal na afloop van de garantieperiode nog garantieonderhoud ondergaan waarbij tevens een aantal modificaties zullen worden uitgevoerd. Er is een duidelijk beeld van de nog benodigde bedragen. Op grond hiervan is het project-budget ten opzichte van de begroting 1996 naar beneden bijgesteld.

Amfibisch transportschip

Als gevolg van een hogere realisatie in 1995 is ten opzichte van de begroting 1996 een lager bedrag benodigd in 1996 en 1997. De bouwactiviteiten liggen op schema zodat het schip eind 1997 in de vaart zal komen. Het schip zal geschikt zijn voor het transport van een operationeel deel van een mariniersbataljon met de daarbij behorende uitrusting en voorraden. Gezien het multifunctionele karakter kan het ATS ingezet worden voor andere taken, zoals transporttaken voor andere krijgsmachtdelen.

Capability Upkeep Programm (CUP) Alkmaar-klasse

Dit project omvat de modernisering van sensor-, wapen- en commandosystemen van de Alkmaarklasse mijnenbestrijdingsvaartuigen. Realisatie is voorzien in de periode 1997–2001. Het project kent een nauwe relatie met het project verbeteren van de mijnenjachtcapaciteit (onderdeel PAM).

Multi-purpose fregatten

Met ingang van de ontwerpbegroting 1997 komt het artikel 03.08 Multi-purpose fregatten, gezien het stadium waarin het project verkeert, te vervallen. Het betreft de overheveling van de resterende uitgaven voor de Multi-purpose fregatten.

Onderzeeboten Walrus-klasse

Met ingang van de ontwerpbegroting 1997 komt het artikel 03.09 Onderzeeboten van de Walrusklasse, gezien het stadium waarin het project verkeert, te vervallen. Het betreft de overheveling van de resterende uitgaven voor de onderzeeboten van de Walrus-klasse.

NH-90

De vertragingen in het ontwikkelingstraject ten opzichte van de begroting 1996 leidt tot een vertraging in de start van de produktiefase. De wijzigingen in de betalingsramingen vloeien voort uit het in het internationale projectplan opgenomen betalingsschema. Het projectbudget is ongewijzigd.

Uitbreiding testcapaciteit Standard Missile

In 1995 heeft de Koninklijke marine van de Amerikaanse marine basistestapparatuur overgenomen ten behoeve van de Standard Missile. De testfaciliteit zal voor het operationeel worden van de luchtverdedigings- en commandofregatten (LCF) in gebruik worden genomen ten behoeve van de missile integratietesten die in 1998 zijn voorzien. Hiertoe zal opleiding van personeel en aanschaf van ondersteunende apparatuur vanaf 1996 moeten plaatsvinden.

Aanpassing brandstofsystemen

Dit project betreft de aanpassing van brandstofsystemen ten behoeve van M-fregatten en mijnenbestrijdingsvaartuigen van de Alkmaarklasse met als doel deze eenheden geschikt te maken voor het gebruik van commerciële brandstof. Deze brandstof is van mindere kwaliteit dan de brandstof die nu wordt gebruikt. De aanpassing van de brandstofsystemen vergroot de operationele flexibiliteit omdat de commerciële brandstof overal te verkrijgen is.

Waarnemings- en nachtzichtappartuur

Het betreft de behoefte aan waarnemings- en nachtzichtapparatuur ten behoeve van het Korps mariniers. Hierbij is rekening gehouden met opgedane ervaringen gedurende vredesoperaties. Naar verwachting zal in 1997 hiervoor een contract worden gesloten.

Local Area Missile system (LAMS)

Het project wordt in een internationaal samenwerkingsverband uitgevoerd. Eind 1995 is het contract ondertekend voor de ontwikkeling van de multifunctieradar. Hierbij treedt de firma Hollandse Signaalapparaten op als hoofdaannemer. In het contract zijn hogere betalingen voorzien in 1996 dan oorspronkelijk werd voorzien. Betalingen in latere jaren zijn dienovereenkomstig naar beneden bijgesteld.

Munitie

Als gevolg van een actualisering van de behoefte is de raming voor de aanschaf van kapitale munitie en de aanvulling van de oorlogsvoorraad conventionele munitie bijgesteld.

Sewaco-bedrijf

In het kader van de herstructurering worden de Bewapeningswerkplaatsen (BW) en het Marine Elektronisch- en Optisch Bedrijf (MEOB) Den Helder samengevoegd tot één Sewaco-bedrijf.

De huidige raming voorziet in de eerstkomende jaren in vervangings- en uitbreidingsinvesteringen uit technologisch oogpunt alsmede ten behoeve van arbeidsomstandigheden en milieu.

Verbeterd actief onderzeeboot bestrijdingssysteem

Het project betreft de aanschaf van een aantal systemen ter verbetering van de actieve opsporingscapaciteit in het kader van de onderzeebootbestrijding bij crisisbeheersingsoperaties dicht bij land en in ondiep water. Realisatie van het project wordt nu voorzien in de periode 1999–2002, waarbij ten opzichte van de begroting 1996 een herfasering van budgetten heeft plaatsgevonden.

Gepantserde VN-voertuigen

In 1997 zal de Koninklijke marine aansluiten bij een voorgenomen aanschaf door de Koninklijke landmacht van gepantserde voertuigen voor de VN-operaties.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199519961997 199519961997 Econ. Funct.
Schepen:             
Luchtverdedigings- en commandofregatten 652 037281 394491 122 43 51092 500219 440 13 02.3
Project Aanpassingen mijnenveegcapaciteit 1 823140 820309 798 1 7928 00452 938 13 02.3
Vervanging poolster 10 8835 8007 000 15 98811 1604 121 13 02.3
Vervanging zuiderkruis   10 100   3 100 13 02.3
ATS 24 70025 01116 632 86 99472 86371 614 13 02.3
CUP Alkmaarklasse 1 17910 900108 100 6041 87619 941 13 02.3
Multi-Purpose fregatten 7429 7451 045   30 610 13 02.3
Onderzeeboten Walrus-klasse  7 9003 618   5 981 13 02.3
             
Vliegtuigen:             
NH-90 1 0253 332100 721 48 88745 85024 216 13 02.3
Cup Orion  1 000182 700   20 700 13 02.3
STAMOL 5 8432 000500 3 5435 032591 13 02.3
             
Elektronisch materieel:             
Geïntegreerd verbindingsproject 5 30818 50022 800 5 91917 2699 252 13 02.3
SMART S 1 090   3 1233 3051 945 13 02.3
SHF SATCOM 1 6962 500  7 3553 2591 532 13 02.3
Trainer M-fregatten 2 8505 500  5774 7333 246 13 02.3
NAVSTAR/SINS 4202 300  3392 026823 13 02.3
MF/HF zend/ontvangers 2 06610016 400 1 3718595 773 13 02.3
LAMS 79 3862 900  28 35058 6267 791 13 02.3
Europese militaire communicatiesateliet   36 000     13 02.3
             
Bewapening:             
Goalkeeper 6061 300300 5457271 637 13 02.3
             
Munitie 22 75115 0005 350 45 03224 3626 773 13 02.3
             
Overig materieel:             
Project Nieuwe RW 1 304   2 577   13 02.3
Sewacobedrijf 1 29250 70020 500 2 72341 39430 310 13 02.3
Investering Marine bedrijven 18 65314 20016 400 18 42515 62416 134 13 02.3
Verbeterd actief onderzeebootbestrijdingssysteem   83 100     13 02.3
Kleine vaartuigen 1 3068 0001 000 1 3368 0001 046 13 02.3
Automatisering 47 09622 30014 200 27 55527 89314 027 13 02.3
Gepantserde VN-voertuigen   39 000   3 000 13 02.3
Overige projecten 116 00688 95777 916 118 24888 11479 960 13 02.3
Totaal 999 394740 1591 564 302 464 793533 476636 501    

Ontwikkelingen van de diverse projecten

In hoofdstuk 2.2.3 van het algemeen deel wordt nader ingegaan op de voortgang van grotere investeringsprojecten.

Luchtverdedigings- en commandofregatten

Het project omvat de vervanging van de GW-fregatten van de Tromp-klasse in 2001 en 2003 door schepen uitgerust met een nieuw luchtverdedigingssysteem en een commando-capaciteit. De nieuwe luchtverdedigingsconfiguratie zal onder meer bestaan uit het verbeterd Standard Missile Systeem en een nieuw te ontwikkelen Local Area Missile Systeem (LAMS). Het project bevindt zich op dit moment in de gedetailleerde ontwerpfase, waarin wordt samengewerkt met het Duitse F124 project en het Spaanse F100 project. Daarbij wordt het beginsel «design to cost» toegepast.

Project Aanpassingen Mijnenveegcapaciteit (PAM)

Het project valt op te splitsen in een aantal delen te weten:–het ombouwen van drie mijnenbestrijdingsvaartuigen van de Alkmaarklasse tot moederschepen van Troika-veegsystemen;–het bouwen van twaalf stuks Troika-veegsystemen en twee stuks reserve eenheden;–het verbeteren van de mijnenjachtcapaciteit van vier mijnenbestrijdingsvaartuigen van de Alkmaarklasse;–levensverlengend onderhoud van de hydrografische vaartuigen.

Momenteel wordt bezien in hoeverre integratie met het Capability Upkeep Programm (CUP) Alkmaar-klasse leidt tot een doelmatiger en doeltreffender project. Hiermee wordt beoogd een verdergaande standaardisatie te bereiken.

Vervanging Poolster

Het project betreft de vervanging van het bevoorradingsschip Hr. Ms. Poolster door de Hr. Ms. Amsterdam en wordt uitgevoerd in nauwe samenwerking met de Spaanse marine. Het project bevindt zich in de eindfase. Het schip is in 1995 in dienst gesteld en zal na afloop van de garantievaarperiode nog garantieonderhoud ondergaan. Gedurende dit onderhoud zullen op grond van de dan opgedane ervaring met dit schip tevens enige modificaties worden uitgevoerd.

Vervanging Zuiderkruis

Dit project betreft de bouw van een nieuw bevoorradingsschip ter vervanging van de Hr. Ms. Zuiderkruis. Dit schip bereikt rond de eeuwwisseling het einde van zijn operationele levensduur.

Amfibisch transportschip

Het project omvat het verwerven van een amfibisch transportschip (ATS). Hiervoor is in april 1994 het bouwcontract getekend bij de Koninklijke Schelde Groep (KSG). In dit project wordt samengewerkt met de Spaanse marine. De bouwtijd is bepaald op 42 maanden, zodat het schip in september 1997 in de vaart kan komen. Op 23 februari 1996 heeft de kiellegging plaatsgevonden. De algehele voortgang verloopt volgens planning.

CUP Alkmaar-klasse

Het Capability Upkeep Programm (CUP) van de mijnenjagers van de Alkmaarklasse houdt aanpassingen in om deze tot voorbij het jaar 2000 operationeel inzetbaar te houden. Dit project heeft een nauwe relatie met het project verbeteren van de mijnenjachtcapaciteit (onderdeel PAM).

Multi-purpose fregatten

Het project omvat het ontwerpen, bouwen en uitrusten van acht identieke fregatten van de Karel Doorman-klasse. Inmiddels zijn de acht fregatten overgedragen aan de Koninklijke marine. Het laatste fregat bevindt zich tot 7 september 1996 in haar garantieperiode.

Onderzeeboten Walrus-klasse

Het project omvat de bouw bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij (RDM) van twee series van elk twee onderzeeboten van de «Walrus»-klasse en de aanschaf van de initiële boord- en walreservedelen. Alle onderzeeboten zijn inmiddels aan de Koninklijke marine overgedragen.

De definitieve nacalculatie van het contract 1e serie «Walrus»-klasse onderzeeboten is voltooid. De financiële afwikkeling van het contract is afgerond. Het project zal in 1996 worden afgerond na de gecombineerde garantie- en tussentijdse onderhoudsperiode van de laatste boot, de Hr. Ms. Bruinvis. Hierna zal de definitieve nacalculatie van de 2e serie «Walrus»-klasse onderzeeboten plaatsvinden.

Algemene vervanging kleine vaartuigen

Dit is een doorlopende voorziening waaruit de vernieuwing, vervanging of verbetering van de diverse kleine vaartuigen worden bekostigd.

Vervanging Kortenaer

De vervanging van de eerste twee schepen wordt ten opzichte van de Prioriteitennota anderhalf jaar naar voren gehaald, waarbij zal worden aangesloten bij het LCF programma met een tweede serie van twee fregatten voor de luchtverdediging.

Navo helicopter voor de jaren negentig

Het project omvat de verwerving van 20 stuks NH-90 helicopters ter vervanging van de Lynx-helicopters. Het project wordt uitgevoerd in samenwerking met Duitsland, Frankrijk en Italië. Het project bevindt zich sinds september 1992 in de ontwikkelingsfase. Vermoedelijk kan begin 1997 een aanvang worden gemaakt met de produktiefase. Het is de bedoeling dat de Koninklijke marine na het jaar 2003 kan beschikken over de eerste toestellen.

STAMOL

Dit project omvat de standaardisatie en modernisatie van de Lynx-helicopters en bevindt zich in de eindfase. Het project zal na de financiële afwikkeling in 1997 worden afgesloten.

CUP Orion

Het «Capability Upkeep Programm» (CUP) is noodzakelijk om de interoperabiliteit met de bondgenootschappelijke maritieme patrouille-vliegtuigen en de geïntegreerde samenwerking met de vloot te verzekeren. De voorziene levensduur van de vliegtuigen is door de CUP tenminste tot het jaar 2015 zeker gesteld. In 1996 zal een situatierapport aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Geïntegreerd verbindingsproject

Dit project omvat de verwerving en implementatie van vervangende dan wel aanvullende systemen voor communicatie en data-overdracht. Dit is van essentieel belang voor het op peil houden van de kwaliteit van deze middelen en het instandhouden van de interoperabiliteit met andere eenheden binnen de Navo en WEU.

SHF Satellietcommunicatie

Dit project omvat de aanschaf van hoogfrequente satellietcommuni- catiesystemen voor de fregatten. Naar verwachting zal dit project in 1997 worden afgerond.

Basistrainer M-fregatten

De basistrainer M-fregatten dient voor het opleiden van het personeel dat deel zal uitmaken van de bemanningen van de M-fregatten. Verwacht wordt dat het project in 1997 kan worden afgerond.

Navigatiesysteem ten behoeve van fregatten

Dit project betreft de aanschaf van een nauwkeurig navigatiesysteem ten behoeve van de commandovoering, de informatie-uitwisseling en de effectiviteit van wapensystemen. Verwacht wordt dat het project in 1997 kan worden afgerond.

MF/HF zend- en ontvangstapparatuur

Het project houdt een aantal aanpassingen in aan de zend- en ontvangstapparatuur en het vervangen van verouderde subsystemen.

Verbeterd actief onderzeeboot bestrijdingssysteem

Dit project betreft het verbeteren van de actieve opsporingscapaciteit in het kader van onderzeebootbestrijding bij crisisbeheersingsoperaties, dicht bij land en in ondiep water. Naar verwachting zal eind 1996 een situatierapport over de voorstudiefase aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Realisatie van het project is voorzien in de periode 1999– 2002.

Europese militaire communicatiesatelliet

Dit project betreft de deelneming van de Koninklijke marine aan de ontwikkeling en bouw van een communicatiesatelliet. Het betreft een interservice project onder verantwoordelijkheid van de Koninklijke marine. Een situatierapport is aan de Tweede Kamer aangeboden.

SMART-L radar

Het project is de ontwikkeling van een driedimensionale radar als vervolg op de SMART-S radar. De SMART-L dient voor de lange afstandsluchtwaarschuwing. De ontwikkeling van dit project is in 1991 als CODEMA-project gestart.

Local Area Missile System (LAMS)

Dit ontwikkelingsproject bestaat uit de volgende vier componenten:–de «Active Phased Array Radar» (APAR). Dit systeem wordt in samenwerking met Canada en Duitsland ontwikkeld. Hiervoor is eind 1995 het contract ondertekend;–het «Long-Range Infra-Red Search and Track system» (LR-IRST). Het contract voor de ontwikkeling van een prototype is afgesloten;–het «Evolved Seasparrow Missile» (ESSM). Dit wapen wordt binnen het Nato seasparrow consortium ontwikkeld; –het «Combat Direction System» (CDS). De software voor het CDS wordt ontworpen, geproduceerd, getest en onderhouden door het Centrum voor Automatisering van Wapen- en Commandosystemen (CAWCS).

Munitie

Het betreft voornamelijk de aanschaf van kapitale munitie zoals de Harpoon-missiles, Standard-missiles, NATO Seasparrows en torpedo's. Tevens wordt rekening gehouden met de aanschaf van conventionele munitie, zoals de munitie voor de klein kaliber wapens en de Oto Melara-kanonnen, voor zover deze munitie als aanvulling van de oorlogsvoorraden wordt verworven. Als norm voor de kapitale munitie wordt de «Nato maritime stockpile planning guidance» (NMSPG) gehanteerd. In deze NMSPG zijn de normen voor de Koninklijke marine vastgesteld, uitgaande van de sterkte en samenstelling van de vloot volgens de Prioriteitennota. De NMSPG-norm is aangepast aan de gewijzigde veiligheidssituatie. Met ingang van de herziene begroting 1996 wordt de aanschaf van conventionele munitie ten behoeve van vervanging van de schietvoorraad, oefening en opleiding verantwoord op artikel 03.05 Materiële exploitatie. Aanschaf van kapitale en conventionele munitie ten behoeve van het opbouwen van een oorlogsvoorraad blijft op dit artikel verantwoord.

Nieuwbouw BW/MEOB (SEWACO-bedrijf)

In het kader van de herstructurering zijn de Bewapeningswerkplaatsen (BW) en het Marine electronisch- en optisch bedrijf (MEOB) Den Helder tot één Sewaco-bedrijf samengevoegd.

Investeringen marinebedrijven

Dit betreft een doorlopende voorziening waarin de vervangings- dan wel uitbreidingsinvesteringen van duurzame produktiemiddelen voor de marinebedrijven is opgenomen. Het gaat om de Rijkswerf, het SEWACO-bedrijf, het Marine elektronisch- en optisch bedrijf, het centrum voor automatisering van wapen- en commandosystemen, het scheikundig laboratorium, de marine magazijndienst en de onderhoudsdiensten van de vliegkampen Valkenburg en De Kooy.

Automatisering

Dit betreft structurele uitgaven ten behoeve van het ontwikkelen van de automatiseringsfuncties op het gebied van bestuurlijke informatiesystemen. Het gaat om een grote verscheidenheid aan zowel personele, financiële als materiële informatiesystemen.

Gepantserde VN-voertuigen

Het project betreft de aanschaf van 20 gepantserde voertuigen ten behoeve van vredesoperaties van het korps Mariniers. Evaluatie van de ervaringen in het voormalig Joegoslavië en elders in de wereld leert dat de bedreiging voor VN-eenheden groter is dan oorspronkelijk werd aangenomen. Een zo hoog mogelijke bescherming van het uitgezonden personeel wordt gewenst.

Voor de aanschaf van de voertuigen wordt aangeloten bij een in 1997 af te sluiten contract door de Koninklijke landmacht. De levering van de voertuigen wordt voorzien vanaf 1998.

Overige projecten

Dit betreffen projecten waarvan de totale projectuitgaven niet hoger zijn dan f 25,0 miljoen. Indien de projectuitgaven hoger zijn dan dit bedrag worden deze separaat zichtbaar gemaakt.

03.08 Multi-purpose fregatten

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen de uitgaven voor investeringen met betrekking tot het project Multi-purpose fregatten. Voor de voortgang van het project en de ontwikkeling van de projectuitgaven wordt verwezen naar hoofdstuk II, deel 2.2.3.1. van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  14 78527 127    
1e suppletore wet 1996        
Nieuwe mutaties  – 9 175– 27 127    
Stand ontwerp-begroting 199755 86935 7035 6100    
Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingenstand        Uitgaven stand
ontwerp- begroting        ontwerp-begroting
199755 86935 7035 610     1997
199553 85524 878      78 733
19962 01410 8255 610     18 449
1997         
1998         
1999         
2000         
2001         
na 2001         

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 1995199619971998199920002001 
Stand ontwerp-begroting 1996 50 28554 827     
1e suppletore wet 1996 – 31 836      
Nieuwe mutaties  – 54 827     
Stand ontwerp-begroting 199778 73318 4490     

Ten opzichte van het niveau in de begroting 1996 is het projectbudget naar beneden bijgesteld. Dit is het gevolg van de volgende factoren:–projectbudget conform de begroting 1996 f 3 579 miljoen–nu de voltooiing van het project nadert, verminderen de financiële risico's in aantal en omvang. Als gevolg daarvan kan het budget worden verlaagd – f 34 miljoen–als gevolg van een lagere loon- en materieelontwikke- ling dan verwacht heeft een neerwaartse budgetaan- passing op de raming van ondermeer het bouw- meestercontract plaatsgevonden – f 15 miljoen–een herziene raming van de walreservedelen heeft ertoe geleid dat het project-budget verlaagd is – f 8 miljoen–ook bij de stafeis TACTAS is de raming herzien; het gevolg is een verlaging – f 7 miljoen

Huidig projectbudget f 3 515 miljoen

De nieuwe mutaties in zowel de verplichtingen- en uitgavenopbouw hebben betrekking op de overheveling naar artikel 03.07 Overig groot materieel. Het artikel 03.08 Multi-purpose fregatten komt te vervallen. De resterende uitgaven worden, gezien het stadium waarin het project verkeert, vanaf 1997 geraamd onder het artikelonderdeel schepen van het artikel 03.07 Overig groot materieel.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199519961997 199519961997 Econ. Funct.
Bouwmeester/marineleveranties 18 0504 498  63 1599 646  13 02.3
Walreservedelen 12 819112  11 4355 231  13 02.3
Tactas 4 8341 000  4 1393 572  13 02.3
Totaal 35 7035 610  78 73318 449     

Het project omvat het ontwerpen, bouwen en uitrusten van acht identieke fregatten van de Karel Doorman-klasse. Inmiddels zijn deze fregatten overgedragen aan de Koninklijke marine. Het laatste fregat bevindt zich tot 7 september 1996 in haar garantieperiode.

Ramingskengetallen: De Tweede Kamer is onder meer geïnformeerd met de brieven van de Staatssecretaris van Defensie van 12 december 1983 (situatierapport nr. 1), van 25 januari 1984 (situatierapport 2) en van 1 juli 1985 (Kamerstukken II 1984/85, 18 600 X, nr. 48).

03.09 Onderzeeboten Walrus-klasse

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen de uitgaven voor investeringen met betrekking tot de onderzeeboten van de Walrus-klasse. Voor de voortgang van het project en de ontwikkeling van de projectuitgaven wordt verwezen naar hoofdstuk II, 2.2.3.2. van het algemeen deel van de memorie van toelichting.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002 001
Stand ontwerp-begroting 1996  3 991     
1e suppletore wet 1996  6 941     
Nieuwe mutaties  – 6 632     
Stand ontwerp-begroting 19979 5343 5984 300     
Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002 001 
Verplichtingenstand ontwerpbegroting 19979 5343 5984 300     Uitgaven stand ontwerp-begroting 1997
19958 0942 360      10 454
19961 4401 2384 300     6 978
1997         
1998         
1999         
2000         
2001         
na 2001         

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  14 7276 664    
1e suppletore wet 1996  – 7 749     
Nieuwe mutaties   – 6 664    
Stand ontwerp-begroting 1997 10 4546 978     

Ten opzichte van het niveau in de ontwerpbegroting 1996 is het projectbudget van de eerste serie (f 1053 miljoen) niet gewijzigd.

Ten opzichte van het niveau in de begroting 1996 is het projectbudget van de tweede serie (f 946 miljoen) met f 3,0 miljoen verlaagd als gevolg van een herziene raming aan het einde van het project tot het huidige niveau van f 943 miljoen.

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw hangen samen met de overheveling van de resterende uitgaven voor de onderzeeboten van de Walrus-klasse. Deze worden, gezien het stadium waarin het project verkeert, vanaf 1997 geraamd onder het artikelonderdeel schepen van het artikel 03.07 Overig groot materieel.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199519961997 199519961997 Econ. Funct.
Onderzeeboten Walrusklasse 1e serie:             
– Bouwmeester/marineleveranties 334   407275  13 02.3
– Walreserve 8   1 12487  13 02.3
             
2e serie:             
– Bouwmeester/marineleveranties 1 7683 374  5 4024 321  13 02.3
– Walreserve 1 488926  3 5212 295  13 02.3
Totaal 3 5984 300  10 4546 978     

Het project omvat de bouw bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij (RDM) van twee series van elk twee onderzeeboten van de «Walrus-klasse» en de aanschaf van de initiële boord- en walreservedelen. Alle onderzeeboten zijn inmiddels aan de Koninklijke marine overgedragen.

De definitieve nacalculatie van het contract 1e serie «Walrus-klasse onderzeeboten» is voltooid. De financiële afwikkeling van het contract is afgerond.

Het project zal in 1996 worden afgerond na de gecombineerde garantie- en tussentijdse onderhoudsperiode van de laatste boot, de Hr. Ms. Bruinvis. Hierna zal de definitieve nacalculatie van de 2e serie «Walrus-klasse onderzeeboten» plaatsvinden.

De Tweede Kamer is geïnformeerd onder meer in de brief van de minister van Defensie van 17 mei 1978 (Situatierapport onderzeebootvervanging, Kamerstukken II 1977/78, 14 800 X, nr. 27, blz. 3) en de notitie van de Minister van Defensie «Het Walrus-project nader beschouwd» (Kamerstukken II 1984/85, 18 600 X, nr. 11).

04. Beleidsterrein Koninklijke landmacht

Algemeen

De uitgaven voor het aktief regulier personeel zijn geraamd met behulp van het Systeem Nieuwe Integrale Personeelsbegroting (SNIP). De uitkomst is aangepast voor de categorieën die niet in het SNIP zijn opgenomen en voor ontwikkelingen in de komende jaren.

De ramingen zijn gebaseerd op het loon- en prijspeil van 1996.

Uitgaven die betrekking hebben op samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgaven die betrekking hebben op attachés, worden conform de nota «De herijking van het Nederlands buitenlands beleid», (Kamerstukken II, 1994/95. 24 337 X, nr. 1) gebundeld op het artikel 08.04 Overig uitgaven internationale samenwerking.

04.01 Burgerpersoneel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen onregelmatige diensten, overige toelagen, aandeel in de sociale lasten en tijdelijk personeel op formatieve arbeidsplaatsen betrekking hebbende op het burgerpersoneel van de Koninklijke landmacht. Het betreft burgerpersoneel geplaatst bij algemeen beherende organisatie-eenheden, bijzondere organisatie-eenheden, operationele eenheden en ondersteunende diensten en onderdelen.

Conform het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet zoals die geldt sinds 1 januari 1995 wordt bij dit artikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgave wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting1996  704 902704 993663 257653 063645 333 
1e suppletore wet 1996  1554 185810371402 
Nieuwe mutaties  15– 81 245– 91 448– 81 157– 62 957 
Stand ontwerp-begroting 1997 701 751705 072627 933572 619572 277582 778589 564

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
bedragen x f 10001997199819992000
Doelmatigheidsbesparingen:    
– DWOO één vte   –84
– Ontvlechting GFB– 34 709– 34 709– 34 709– 34 710
– Ontvlechting Gevo– 17 586– 17 586– 17 586– 17 586
     
Overige mutaties:     
– Overheveling attachés– 1 688– 1 688– 1 688– 1 688
– Inhuur personeel20 100   
– Ramingsbijstelling– 52 656– 42 420– 32 243– 13 922
– Prijsbijstelling 1996759218256251
– Loonbijstelling 19969691 1711 1791 148
– ILC 19974 1424 1424 2104 210
– Overheveling KMAR– 576– 576– 576 – 576
Totaal– 81 245– 91 448– 81 157– 62 957

Directie Wetenschappelijk Onderzoek en Ontwikkeling

In het kader van het reduceren van de projectbegeleidingscapaciteit wordt één functie ingeleverd met ingang van het jaar 2000.

Ontvlechting Geneeskundig Facilitair Bedrijf

De overheveling van de geneeskundige zorgtaak, met uitzondering van de eerstelijns geneeskundige zorg, uit de Koninklijke landmacht-organisatie naar het nieuw opgerichte Defensie Interservice Commando, leidt tot deze mutatie.

Ontvlechting Geestelijke verzorging

De samenvoeging van de geestelijke verzorging bij het Defensie Interservice Commando leidt tot een overheveling van deze taken uit de Koninklijke landmacht.

Overheveling attachés

De uitgaven van burgerpersoneel bij de attachés wordt op het artikel 08.04 Overige uitgaven internationale samenwerking geraamd. De overheveling heeft betrekking op vijftien vte'n.

Inhuur van personeel

De reorganisatie van de Koninklijke landmacht leidt onder andere tot vacatures op essentiële functies. Deze vacatures zijn tijdelijk totdat alle reorganisatieplannen zijn uitgevoerd. Daarom zijn in 1997 de budgetten voor het inhuren van tijdelijke arbeidskrachten verhoogd om de normale bedrijfsvoering te kunnen waarborgen. De inhuur heeft voornamelijk betrekking op bewakings- en bedieningspersoneel.

Ramingsbijstelling

De raming wordt met name bijgesteld als gevolg van een neerwaartse bijstelling van de begrotingssterkte. Deze bijstelling vindt zijn oorsprong in de onderschrijding in 1995. Deze onderschrijding is met name het gevolg van de uitstroombevorderende maatregelen en het terughoudend beleid met betrekking tot het opvullen van vacatures. Deze effecten werken door naar de volgende jaren waardoor de begrotingssterkte is herzien.

Prijsbijstelling 1996

De prijsbijstelling 1996 heeft betrekking op de prijsgevoelige uitgaven in het salarisartikel.

Loonbijstelling 1996

De loonbijstelling 1996 heeft onder andere betrekking op de mutaties in de overhevelingstoeslag en de pseudo-premies.

Incidentele looncomponent

De incidentele looncomponent heeft betrekking op de verwachte stijging van het gemiddelde bruto salaris als gevolg van de reguliere periodieke verhogingen en de in- en uitstroom.

Overheveling KMAR

De ontvlechting van betaalmeester- en personeelstaken uit de Koninklijke landmacht-organisatie naar de Koninklijke marechaussee leidt tot een overheveling van de bij die taken behorende vte'n.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen (x f 1000) van de uitgaven en de economische- en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 Econ. Funct.
Salarissen 541 354531 529466 017 11.1 02.1
Overwerk en toelagen onregelmatige diensten 25 88621 23516 502 11.1 02.1
Overige toelagen 11 45812 60810 924 11.1 02.1
Sociale lasten 102 34198 21087 625 11.2 02.1
Tijdelijk personeel op formatieve arbeidsplaatsen 23 17046 13051 933 12.1 02.1
Verrekenregels met beleidsterreinen – 2 458– 4 640– 5 068 11.1 02.1
Totaal 701 751705 072627 933    

Ramingskengetallen burgerpersoneel

 
Omschrijving1995199619971998199920002001
Sterkte begroting 1996 11 04211 10310 81010 63510 50810 508
Doelmatigheidsbesparingen:        
– Reductie één vte DWOO – 1– 1     
– Overheveling Geneeskundig Facilitair Bedrijf naar Dico – 533– 533– 533– 533– 533 
– Overheveling Geestelijke verzorging naar Dico – 198– 198– 198– 198– 198 
Totaal doelmatigheidsbesparingen – 731– 731– 731– 732– 732 
        
Overige mutaties:        
– Overheveling personeel DWS naar Dico – 119– 119– 119– 119– 119– 119
– Overheveling personeel DVVO naar Dico – 107– 210– 248– 248– 248– 248
– Overdracht DEBKL-taken naar KMAR – 4– 4– 4– 4– 4– 4
– Instellen van BMS'en 343434343434
– Overheveling attache's – 15– 15– 15– 15– 15 
– Bijstelling begrotingssterkte – 550– 933– 840– 665– 368– 258
– Overheveling DPKL-taken naar KMar – 4– 4– 4– 4– 4 
– Overheveling betaalmeesterfuncties naar KMar –7– 7– 7– 7– 7 
Totaal – 746– 1 989– 1 934– 1 759– 1 463– 1 353
Sterkte ontwerpbegroting 199710 90710 2969 1148 8768 8769 0459 155
Gemiddelde salaris (x f 1,–)64 34068 48068 89864 51364 47564 43164 398

In 1996 en 1997 zijn extra gelden opgenomen voor inhuur van personeel om de effecten van de vervroegde opschorting van de opkomstplicht voor het dienstplichtig personeel te kunnen opvangen. De inhuur heeft een verhogend effect op het gemiddeld salaris in dat jaar.

04.02 Militair personeel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen en uitkeringen, aandeel in de sociale lasten en tijdelijk personeel op formatieve arbeidsplaatsen betrekking hebbende op het militair personeel van de Koninklijke landmacht.

Het betreft militair personeel geplaatst bij algemeen beherende organisatie-eenheden, bijzondere organisatie-eenheden, operationele eenheden en ondersteunende diensten en onderdelen.

Conform het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet zoals die geldt sinds 1 januari 1995 wordt bij dit artikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgave wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  1 664 6371 548 4371 496 6241 473 9851 465 365 
1e suppletore wet 1996  – 80 6471 6761 7241 088731 
Nieuwe mutaties  – 3 557– 56 4903119 57712 311 
Stand ontwerp-begroting 1997 1 742 3681 580 4331 493 6231 498 6591 484 6501 478 4071 477 566

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
bedragen x f 10001997199819992000
Doelmatigheidsbesparingen:    
– MID 19 vte'n9781 6191 9371 571
– Ontvlechting GFB– 37 340– 35 740– 35 740– 35 740
– Ontvlechting GV– 407– 407– 407– 407
– Opleidingen– 10 166– 15 028– 15 028– 15 028
     
Overige mutaties:     
– Overheveling attachés– 7 544– 7 544– 7 544– 7 544
– Bijstelling verwerving Natres1 0001 0001 0001 000
– Inhuur2 000   
– Bijstelling begrotingssterkte– 36 40010 22019 89327 541
– Reservisten-uitgaven6 30010 30010 30010 300
– Prijsbijstelling 1996432336390381
– Loonbijstelling 1996– 604– 146– 6430
– ILC 199719 00019 00019 00019 000
– Diversen1 4768 0557 1942 561
– Overheveling KMar– 1 207– 1 207– 1 207– 1 207
– Overheveling KLu– 327– 327– 327– 327
– Uitbreiding Geniecapaciteit5 8199 6809 6809 680
– Mijnruimmiddelen500500500500
Totaal– 56 4903119 57712 311

Militaire Inlichtingendienst

De mutatie betreft een bijstelling van de in de begroting 1996 opgenomen aantallen personeel als gevolg van de integratie en concentratie van de dienst bij de Centrale organisatie.

Ontvlechting Geneeskundig Facilitair Bedrijf

De overheveling van de geneeskundige zorgtaak, met uitzondering van de eerstelijns geneeskundige zorg, uit de Koninklijke landmacht-organisatie naar het nieuw opgerichte Defensie Interservice Commando, leidt tot deze mutatie.

Ontvlechting Geestelijke verzorging

De samenvoeging van de geestelijke verzorging bij het Defensie Interservice Commando leidt tot een overheveling van deze taken uit de Koninklijke landmacht.

Opleidingen

Als gevolg van de reductie van de leerstof is een daling van de niet beschikbaarheid wegens opleidingen van het militair personeelsbestand mogelijk.

Overheveling attachés

De overheveling heeft betrekking op 29 vte'n en wordt geraamd op het artikel 08.04 Overige uitgaven internationale samenwerking.

Bijstelling uitgaven Nationale Reserve (Natres)

De bijstelling van de Natres-uitgaven is het gevolg van de realisatie 1995. De hogere realisatie is het gevolg van de loonbijstellingen voor het militair personeel. Het Natres-personeel wordt voor de oefentijd uitbetaald als beroepsmilitair. In de begroting is tot dusverre voor het oefenend Natres-personeel rekening gehouden met f 4,0 miljoen aan salarisuitgaven op jaarbasis.

Inhuur van personeel

De uitgaven voor inhuur ten behoeve van vacatures op militaire formatieplaatsen zijn in 1997 incidenteel verhoogd in verband met de reorganisatie van de Koninklijke landmacht. De vacatures zijn tijdelijk doordat na het voltooien van alle reorganisatieplannen de werklast zal verminderen.

Bijstelling begrotingssterkte

De begrotingssterkte voor het militair personeel is in 1997 bijgesteld. De bijstelling is het gevolg van een doorwerking van de lagere gerealiseerde instroom in 1995 en de omzetting van burgerfuncties naar militaire functies.

Reservistenbeleid

Als gevolg van de opschorting van de opkomstplicht voor dienstplichtigen, de overgang naar een vrijwilligerskrijgsmacht en de versoepeling van de reactietijden is de training voor reservisten op een andere leest geschoeid (zie ook Nota reservistenbeleid, Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 104). Belangrijke verandering is dat slechts kernfunctionarissen onder het reserve-personeel onder normale omstandigheden periodiek worden geoefend. Na een periode van zeer geringe activiteit op dit gebied als gevolg van de reorganisaties en nadat in 1993 de onderdeelsgewijze herhalingsoefeningen waren stopgezet, wordt vanaf 1997 het aantal trainingsactiviteiten voor reservisten weer op een operationeel noodzakelijk niveau gebracht. In aanvulling hierop zullen voor een aantal (vooral medisch) specialistische functies afroepreservisten worden geworven. Deze zullen in ruil voor hun onmiddellijke beschikbaarheid een vaste toelage ontvangen. Aangezien reservisten onder normale omstandigheden vrijwillig deelnemen aan militaire activiteiten, zal een programma worden opgezet om hun werkgevers te motiveren hun werknemers/reservisten in staat te stellen actief te zijn in de krijgsmacht.

De financiële gevolgen van het nieuwe reservistenbeleid voor dit artikel zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 1 miljoen19971998 ev
– Informatiedag0,50,6
– Trainingsdagen actieve reservisten4,47,4
– Trainingsdagen/premie afroepreservisten1,42,3
Totaal6,310,3

Prijsbijstelling 1996

De prijsbijstelling 1996 betreft de aanpassing van de prijsgevoelige uitgaven in het salarisartikel.

Loonbijstelling 1996

De loonbijstelling 1996 heeft onder andere betrekking op de mutaties in de overhevelingstoeslag, de pseudopremies en de werkgeversbijdrage in de ziektekosten.

Incidentele looncomponent 1997

De incidentele looncomponent heeft betrekking op de verwachte stijging van het gemiddelde bruto salaris als gevolg van reguliere periodieke verhogingen en de in- en uitstroom.

Overheveling Koninklijke marechaussee

De ontvlechting van betaalmeester- en personeelstaken uit de Koninklijke landmacht-organisatie naar de Koninklijke marechaussee leidt tot een overheveling van de bij die taken behorende vte'n.

Overheveling Koninklijke luchtmacht

De ontvlechting van betaalmeestertaken uit de Koninklijke landmacht-organisatie naar de Koninklijke luchtmacht leidt tot een overheveling van de bij die taken behorende vte'n

Uitbreiding geniecapaciteit

De geniecapaciteit wordt vergroot door het paraat stellen van een extra genie-constructie-compagnie.

Mijnruimmiddelen

Uit de deelname aan vredesoperaties is gebleken dat er meer behoefte bestaat aan mijnruiminstructeurs, die ter plaatse personen opleiden in het ruimen van landmijnen.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

Vrijwillig dienend militair personeel

De onderverdeling naar artikelonderdelen (x f 1000) van de uitgaven en de economische- en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 Econ. Funct.
Salarissen 1 275 9781 303 1471 299 149 11.1 02.1
Overwerk en toelagen         
onregelmatige diensten 43 24840 30240 190 11.1 02.1
Overige toelagen 66 02565 61765 495 11.1 02.1
Sociale lasten 78 87283 29083 357 11.2 02.1
Tijdelijke personeel op formatieve arbeidsplaatsen 2 1515 4385 432 12.1 02.1
Verrekenregels met beleidsterreinen – 280– 1 407  11.1 02.1
Totaal 1 465 9941 496 3871 493 623    

Dienstplichtig personeel

De onderverdeling naar artikelonderdelen (x f 1000) van de uitgaven en de economische- en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 Econ. Funct.
Salarissen 230 51569 711  11.1 02.1
Overwerk en toelagen         
onregelmatige diensten 5 7781 351  11.1 02.1
Overige toelagen 3 589923  11.1 02.1
Sociale lasten 36 49212 061 11.2 02.1
Totaal 276 37484 046     

Totaaloverzicht militair personeel

De onderverdeling naar artikelonderdelen (x f 1000) van de uitgaven en de economische- en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 Econ. Funct.
Salarissen 1 506 4931 372 8581 299 149 11.1 02.1
Overwerk en toelage         
onregelmatige diensten 49 02641 65340 190 11.1 02.1
Overige toelagen 69 61466 54065 495 11.1 02.1
Sociale lasten 115 36495 35183 357 11.2 02.1
Tijdelijke personeel op formatieve arbeidsplaatsen 2 1515 4385 432 12.1 02.1
Verrekenregels met beleidsterreinen – 280– 1 407  11.1 02.1
Totaal 1 742 3681 580 4331 493 623    

Ramingskengetallen vrijwillig dienend militair personeel

 
Omschrijving1995199619971998199920002001
Sterkte begroting 1996 25 94526 96026 43626 17125 90725 907
Doelmatigheidsbesparingen:        
– Correctie MID  1219191919
– Overheveling geneeskundige verzorging naar Dico  – 490– 469– 469– 469– 469
– Overheveling geestelijke verzorging naar Dico  – 5– 5– 5– 5– 5
– Opleidingen NBO  – 230– 340– 340– 340– 340
        
        
Totaal doelmatigheidsbesparingen  – 713– 795– 795– 795– 795
        
Overige mutaties:        
– Overheveling personeel DWS naar Dico – 181– 181– 181– 181– 181– 181
– Overheveling personeel DVVO naar Dico – 307– 355– 306– 306– 306– 306
– Overheveling attache's  – 29– 29– 29– 29– 29
– Correctie begrotingssterkte – 890– 1 005– 14174308308
– Overheveling DPKL-taken naar KMar  – 3– 3– 3– 3– 3
– Overheveling betaalmeesterfuncties naar KMar  – 15– 15– 15– 15– 15
– Uitbreiding geniecapaciteit  180180180180180
– Aanpassing mijnruimcapaciteit  55555
Totaal mutaties – 1 378– 2 116– 1 285– 1 070– 836– 836
Sterkte ontwerpbegroting 199722 76124 56724 84425 15125 10125 07125 071
Waarvan:        
– beroepspersoneel onbepaalde tijd 12 96712 15911 70611 32611 18611 156
– beroepspersoneel bepaalde tijd 11 60012 68513 44513 77513 88513 915
Gemiddelde salaris (x f 1,–)64 40860 91060 12059 58659 14758 96958 935

De toenemende instroom van het beroepspersoneel bepaalde tijd leidt tot een lager gemiddeld salaris. Dit komt omdat deze categorie personeel relatief jong is.

Ramingskengetallen dienstplichtig personeel

 
Omschrijving1995199619971998199920002001
Sterkte begroting 1996 6 000      
Mutaties:        
– Vervroegde opschorting opkomstplicht – 3 082     
Sterkte ontwerpbegroting 199712 5562 918     
Gemiddelde salaris (x f 1,–)22 01128 803     

04.03 Overige personele exploitatie

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op zowel burger- als militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  352 535355 021344 507357 753352 860 
1e suppletore wet 1996  – 12 713– 43 055– 40 559– 37 242– 37 116 
Nieuwe mutaties  – 1 330– 43 61226 916– 61 011– 65 466 
Stand ontwerp-begroting 199793 097435 776338 492268 354330 864259 500250 278246 785
Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingen stand ontwerp-begroting 199793 097435 776338 492268 354330 864259 500250 278246 785Uitgavenstand ontwerp-begroting 1997
199566 423371 972      438 395
199621 77348 077295 755     365 605
19974 87910 64632 878243 803    292 206
1998225 0459 85924 551230 051   269 528
1999 18  58 813223 007  281 838
2000 18  21 00023 493228 878 273 389
2001    21 00013 00021 400219 585274 985
na 2001       27 200 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  387 894362 584343 925358 441352 876 
1e suppletore wet 1996  – 29 778– 37 909– 37 409– 34 109– 33 892 
Nieuwe mutaties  7 489– 32 469– 36 988– 42 494– 45 595 
Stand ontwerp-begroting 1997 438 395365 605292 206269 528281 838273 389274 985

De nieuwe mutaties in de verplichtingenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Doelmatigheidsbesparingen:    
– Resttaakstelling– 6 900– 6 900– 6 900– 6 900
– Ontvlechting GFB– 9 175– 8 943– 8 943– 8 943
– Ontvlechting Geestelijke verzorging– 1 729– 1 729– 1 729– 1 729
– Korting externe opleidingen– 1 614– 1 141– 691– 4 691
– Opleidingen (NBO)– 1 904– 3 000– 3 000– 3 000
Overige mutaties:     
– Overheveling attachés– 5 901– 5 901– 5 901– 5 901
– Reservistenbeleid1 3002 6002 6002 600
– Prijsbijstelling 19963 5142 7533 3383 229
– Loonbijstelling 1996295299295292
– RBB Kindsdeel2 4032 4092 4182 421
– Overheveling KMAR– 207– 207– 207– 207
– Uitbreiding geniecapaciteit1 3702 2802 2802 280
Ramingsbijstelling:     
– Kleding en uitrusting– 15 86260 750– 36 094– 38 327
– Voeding3 42410 74611 32311 510
– Reis- en verblijfkosten– 4 364– 3 500– 3 100– 2 800
– Verplaatsingskosten– 989– 5 000– 4 700– 4 600
– Voorziening woonruimte– 3 618– 3 300– 3 300– 3 300
– Geneeskundige verzorging1 2741 9002 2002 200
– Onderwijs en opleiding– 6 693– 10 100– 5 800– 5 600
– Overige personele uitgaven– 2 489– 3 000– 2 000– 800
– Diversen4 253– 4 100– 3 100– 3 200
Totaal– 43 61226 916– 61 011– 65 466

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Doelmatigheidsbesparingen:    
– Resttaakstelling– 6 900– 6 900– 6 900– 6 900
– Ontvlechting GFB– 9 175– 8 943– 8 943– 8 943
– Ontvlechting Geestelijke verzorging– 1 729– 1 729– 1 729– 1 729
– Korting externe opleidingen– 1 614– 1 141– 691– 4 691
– Opleidingen (NBO)– 1 904– 3 000– 3 000– 3 000
Overige mutaties:     
– Overheveling attachés– 5 901– 5 901– 5 901– 5 901
– Reservistenbeleid1 3002 6002 6002 600
– Prijsbijstelling 19963 5142 7533 3383 229
– Loonbijstelling 1996295299295292
– RBB Kindsdeel2 4032 4092 4182 421
– Overheveling KMAR– 207– 207– 207– 207
– Uitbreiding geniecapaciteit1 3702 2802 2802 280
Ramingsbijstelling:     
– Kleding en uitrusting– 3 795600– 13 200– 13 700
– Voeding5 0839 3009 5009 400
– Reis– enverblijfkosten– 3 081– 3 500– 3 100– 2 800
– Verplaatsingskosten– 989– 5 000– 4 700– 4 600
– Voorziening woonruimte– 3 618– 3 592– 3 300– 3 300
– Geneeskundige verzorging1 2741 9002 2002 200
– Onderwijs en opleiding– 7 993– 12 700– 8 400– 8 200
– Overige personele uitgaven– 2 489– 3 000– 2 000– 800
– Diversen1 687– 3 516– 3 054– 3 246
Totaal– 32 469– 36 988– 42 494– 45 595

Resttaakstelling

Deze taakstellende doelmatigheidskorting is verwerkt in de exploitatie-uitgaven van de Koninklijke landmacht. Onder andere de realisatiegegevens van de uitgaven voor externe opleidingen bieden de mogelijkheid de geplande budgetten voor de komende jaren aanvullend te verlagen.

Ontvlechting Geneeskundig Facilitair Bedrijf

De overheveling van de geneeskundige zorgtaak, met uitzondering van de eerstelijns geneeskundige zorg, uit de Koninklijke landmacht-organisatie naar het nieuw opgerichte Defensie Interservice Commando, leidt tot deze mutatie.

Ontvlechting Geestelijke verzorging

De samenvoeging van de geestelijke verzorging bij het Defensie Interservice Commando leidt tot een overheveling van deze taken uit de Koninklijke landmacht.

Korting externe opleidingen

De mutatie betreft een aanvullende korting op het externe opleidingsbudget, doordat minder beroepspersoneel bepaalde tijd na hun contractperiode blijkt te studeren dan verwacht.

Opleidingen

Als gevolg van de reductie van de leerstof is een daling van de niet beschikbaarheid wegens opleidingen van het militair personeelsbestand mogelijk.

Overheveling attachés

De uitgaven ten behoeve van de militaire attachés zijn geraamd op artikel 08.04 Overige uitgaven internationale samenwerking.

Reservistenbeleid

Als gevolg van de opschorting van de opkomstplicht voor dienstplichtigen, de overgang naar een vrijwilligerskrijgsmacht en de versoepeling van de reactietijden is de training voor reservisten op een andere leest geschoeid. Belangrijke verandering is dat slechts kernfunctionarissen onder het reserve-personeel onder normale omstandigheden periodiek worden geoefend. Na een periode van zeer geringe activiteit op dit gebied als gevolg van de reorganisaties en nadat in 1993 de onderdeelsgewijze herhalingsoefeningen waren stopgezet, wordt vanaf 1997 het aantal trainingsactiviteiten voor reservisten weer op een operationeel noodzakelijk niveau gebracht.

Prijsbijstelling 1996

De prijsbijstelling 1996 betreft de aanpassing van de prijsgevoelige uitgaven in het artikel.

Loonbijstelling 1996

De loonbijstelling 1996 heeft betrekking op de loongevoelige uitgaven van dit artikel.

RBB Kindsdeel

Dit betreft de overheveling van taken van het ministerie van Binnenlandse Zaken naar de Koninklijke landmacht in verband met de verzelfstandiging van het RBB.

Overheveling Koninklijke marechaussee

De ontvlechting van betaalmeester- en personeelstaken uit de Koninklijke landmacht-organisatie naar de Koninklijke marechaussee leidt tot een overheveling van de bij die taken behorende functies.

Uitbreiding geniecapaciteit

De geniecapaciteit wordt vergroot door het paraat stellen van een extra genieconstructiecompagnie. Deze extra uitgaven worden door de Koninklijke landmacht zelf gefinancierd door maatregelen in de personele en materiële exploitatiesfeer.

Kleding

Binnen het artikelonderdeel kleding en uitrusting hebben verschuivingen plaatsgevonden. Een deel van de mobilisatie-voorraad wordt in een eerder stadium vervangen. In 1998 wordt de verwerving van NBC-kleding voorzien.

Voeding

Binnen het artikelonderdeel voeding vinden er uitgavenstijgingen plaats door uitbreiding van het assortiment en de verpakkingsmaterialen en een verhoogde behoefte naar aanleiding van een toename van het aantal oefeningen in het buitenland.

Reis-, verblijf- en verplaatsingskosten

De lagere begrotingssterkten leiden tot een daling van deze uitgaven.

Voorziening woonruimte

De reductie van het aantal rijkswoningen leidt tot lagere uitgaven.

Geneeskundige verzorging

De uitgaven aan bedrijfsgeneeskundige kosten voor het militair- en burgerpersoneel stijging enigszins door kostenstijgingen in de gezondheidszorg en daarmee ook in de Krijgsmacht Hospitaal Organisatie.

Onderwijs en opleiding

De dalende uitgaven zijn het gevolg van onder andere lagere personeelssterkten en lagere ramingen voor Sociaal Beleidskader-scholingskosten door lagere overtolligheid.

Overige personele uitgaven

De overheveling van personeel met valuta-inkomens naar het beleidsterrein 08. Multi-service projecten en activiteiten, leidt tot lagere uitgaven op dit artikelonderdeel.

Diversen

Dit betreft een verzameling van een groot aantal kleine mutaties.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering inclusief uniformering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199519961997 199519961997 Econ. Funct.
Kleding 77 63858 55428 657 81 11377 53651 709 11.4 02.1
Voeding 71 56661 06756 381 71 40561 17956 381 11.4 02.1
Reis- en verblijfkosten 58 17546 88642 328 55 16646 88642 328 12.1 02.1
Verplaatsingskosten 87 39961 83760 524 87 16068 18661 324 12.1 02.1
Sport en ontspanning 2 2782 8962 548 4 0973 0652 548 12.1 02.1
Kostwinnersvergoeding 65120649 65120649 12.1 02.1
Representatiekosten 2 2512 4672 550 2 2512 4672 550 12.1 02.1
Personeel op bovenformatieve arbeidsplaatsen 2 6871 6862 699 2 6481 6922 699 12.1 02.1
Sociale zorg 13 76512 92613 645 13 76512 92613 645 11.3 02.1
Voorziening woonruimte 9 4049 8937 584 9 9079 8937 584 12.1 02.1
Persoonsgebonden toelagen en uitkeringen 12 25911 21110 088 12 25911 21110 088 11.1 02.1
Werving 26 849   27 718   12.1 02.1
Geneeskundige verzorging 21 29610 4737 449 21 29610 5027 449 11.4 02.1
Onderwijs en opleiding 27 80538 32924 221 27 25439 71924 221 12.1 02.1
Afwikkelingskosten TRIS 7 8441 1001 050 7 8441 1001 050 12.1 02.1
Overige personele uitgaven 13 14217 5117 806 13 09417 3277 806 12.1 02.1
Werkgelegenheidsprojecten 7671 450775 7671 710775 11.1 02.1
Totaal 435 776338 492268 354 438 395365 605292 206    

Kleding

In dit artikelonderdeel zijn de uitgaven opgenomen voor de beroepskleding van het personeel van de Koninklijke landmacht in binnen- en buitenland. De uitgaven zijn in 1997 lager omdat een deel van de mobilisatie-voorraad in 1996 wordt vervangen.

Ramingskengetallen

De uitgaven hebben nagenoeg geheel betrekking op militair personeel, zodat de sterkte burgerpersoneel niet in de berekeningen is opgenomen. Aangezien er bij dit artikelonderdeel sprake is van voorraadvorming, is bij de ramingskengetallen uitgegaan van een voortschrijdend gemiddelde over een periode van drie jaar (het voorafgaande jaar, het betreffende jaar en het daarop volgende jaar.

 
Omschrijving199519961997
personele sterkte militairen (in vte'n)36 01027 48524 844
toegelicht bedrag (x f 1000,–)86 78370 11957 959
bedrag per vte (x f 1,–)2 4102 5512 333

Voeding

De in dit artikelonderdeel opgenomen uitgaven zijn verbonden aan de voeding van het personeel van de Koninklijke landmacht in binnen- en buitenland. De uitgaven dalen als gevolg van de afnemende sterkte van de Koninklijke landmacht.

Ramingskengetallen

Voeding heeft betrekking op het totale personeel van de Koninklijke landmacht, zodat de totale sterkte als wegingsfaktor is gebruikt.

 
Omschrijving199519961997
personele sterkte (in vte'n)46 94737 78133 958
toegelicht bedrag (x f 1000,–)71 40561 17956 381
bedrag per vte (x f 1,–)1 5211 6191 660

Reis- en verblijfkosten

De uitgaven vloeien voort uit het met ingang van 1 april 1996 ingevoerde Besluit Dienstreizen Defensie (BDD). De ramingen zijn gebaseerd op de verwachtingen omtrent de activiteiten binnen de Koninklijke landmacht.

Verplaatsingskosten

In dit artikelonderdeel zijn alle uitgaven opgenomen die worden gedaan op grond van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 en bijbehorende regelingen. De uitgaven hebben betrekking op zowel militair- als burgerpersoneel, zodat de totale sterkte als wegingsfaktor is gebruikt. Het opschorten van de opkomstplicht leidt tot lagere uitgaven voor dit artikelonderdeel, omdat met name de uitgaven ten behoeve van de Defensie Openbaar Vervoerkaart vervallen. De hoogte van de daling wordt verder beïnvloed door de budgettaire overheveling naar beleidsterrein 09. Defensie Interservice Commando.

Ramingskengetallen

 
Omschrijving199519961997
personele kosten (in vte'n)46 94737 78133 958
toegelicht bedrag (x f 1000,–)87 16068 18661 324
bedrag per vte (x f 1,–)1 8571 8051 806

Sport en ontspanning

De uitgaven voor sport en ontspanning bij de Koninklijke landmacht zijn in dit artikelonderdeel opgenomen. De uitgaven hebben voornamelijk betrekking op de film- en videovoorziening binnen de krijgsmacht. De uitgaven dalen door de afname van het aantal te verzorgen objecten en doordat er een verschuiving plaatsvindt van film- naar videovoorziening.

Ramingskengetallen

De uitgaven hebben voornamelijk betrekking op ingekwartierd personeel. Dit betreft met name beroepspersoneel bepaalde tijd en dienstplichtig personeel. Als wegingsfaktor is gebruikt de sterkte beroepspersoneel bepaalde tijd en dienstplichtigpersoneel.

 
Omschrijving199519961997
personele sterkte beroepspersoneel    
bepaalde tijd en dienstplichtig   
personeel (in vte'n)21 80014 51812 685
toegelicht bedrag (x f 1000,–)4 0973 0652 548
bedrag per vte (x f 1,–)188211201

Kostwinnersvergoeding

De uitgaven hebben vooral betrekking op de kostwinnersvergoeding bij eerste oefening. De uitgaven dalen door het opschorten van de opkomstplicht.

Representatiekosten

In dit artikelonderdeel zijn de uitgaven voor incidentele representatie opgenomen. Voor het organiseren van door het bevoegd gezag aan te wijzen gelegenheden, kunnen de daaraan verbonden uitgaven tot een bepaald bedrag in rekening worden gebracht. Daarnaast heeft het militair personeel en het burgerpersoneel aanspraak op een tegemoetkoming bij vertrek wegens pensionering, het toekennen van medailles en afscheid wegens verandering van werkkring. Dit laatste is alleen van toepassing als het betrokken personeelslid ten minste twaalf en een half jaar achtereen bij Defensie werkzaam is geweest.

Personeel op bovenformatieve arbeidsplaatsen

Het betreft hier uitgaven ten behoeve van ingehuurd personeel, zonder dat er een formatieve arbeidsplaats is. De raming van de uitgaven in 1997 is ten opzichte van de vermoedelijke uitkomsten 1996 hoger. Door geplande veranderingen binnen de Koninklijke landmacht is tijdelijk extra capaciteit benodigd bij implementatie van nieuwe en vernieuwde eenheden.

Sociale zorg

In dit artikelonderdeel zijn de uitgaven opgenomen, die zijn verbonden aan sociale regelingen ten behoeve van het huidige personeel en het voormalige personeel en/of hun betrekkingen. De uitgaven blijven op een stabiel niveau.

Ramingskengetallen

 
Aantallen199519961997
Langdurig zieken174155155
Postactief personeel161919
Pas-regeling766
Ouderschapsverlof535050
Totaal250230230

Voorziening woonruimte

In dit artikelonderdeel zijn de uitgaven opgenomen voor huurwoningen ten behoeve van burgerpersoneel, vrijwillig dienend personeel en hun gezinnen. De daling in 1997 op dit artikelonderdeel is grotendeels toe te schrijven aan de reductie van de rijkswoningen (inclusief afstoting op grond van kwaliteitsverbetering).

In de raming is rekening gehouden met betaalde en te betalen huren, kosten van leegstand en groot onderhoud aan huurwoningen in Duitsland. Bij het raamkontraktstelsel gaat men uit van het principe, dat voor nieuwe woningen de bewoner rechtstreeks een huurovereenkomst met de huiseigenaar aangaat. Defensie blijft garant staan voor de huur tijdens leegstand tussen twee opvolgende bewoners. Het aantal woningen binnen de raamovereenkomst bedraagt thans 103. Het groot onderhoud wordt cyclisch uitgevoerd.

Ramingskengetallen

 
 199519961997
Aantal woningen (huur)512502333
Aantal woningen (groot onderhoud)9510848

Persoonsgebonden toelagen en uitkeringen

In dit artikelonderdeel zijn de uitgaven opgenomen betreffende toelagen en uitkeringen, die nog niet elders zijn verantwoord. De uitgaven, betrekking hebbend op zowel militair- als burgerpersoneel, dalen in absolute zin, voornamelijk als gevolg van een afname van het totale personeelsbestand.

Ramingskengetallen

 
Omschrijving199519961997
personele sterkte (in vte'n)46 94737 78133 958
toegelicht bedrag (x f 1000,–)12 25911 21110 088
bedrag per vte (x f 1,–)261297297

Werving

De aan de werving en selectie van personeel verbonden uitgaven zijn in verband met de oprichting van de Defensie-organisatie voor Werving en Selectie (DWS) opgenomen in beleidsterrein 09. Defensie Interservice Commando.

Geneeskundige verzorging

In verband met de opschorting van de opkomstplicht van dienstplichtig personeel per 1 januari 1997 dalen de uitgaven voor de vrije geneeskundige verzorging voor dienstplichtigen tot nihil, behoudens een geringe overloop uit 1996. Het geraamde bedrag voor 1997 en volgende jaren betreft alleen nog de bedrijfsgeneeskundige kosten voor het militair- en burgerpersoneel. Deze kosten vertonen een lichte stijging als gevolg van kostenstijgingen in de gezondheidszorg en daarmee ook in de Krijgsmacht Hospitaal Organisatie. Per saldo is op dit artikelonderdeel ten opzichte van de begroting 1996 minder benodigd.

Het werkgeversaandeel van de premies voor de ziektekostenverzekering krijgsmacht, inclusief de restitutie van de MOOZ/WTZ-bijdragen voor meeverzekerde gezinsleden van militairen met een inkomen onder de loongrens, komen ten laste van artikel 04.02. Militair personeel. Dit betreft de dekking van de kosten van curatief geneeskundige zorg. De Stichting Ziektekostenverzekering Krijgsmacht (SZVK) is door de Minister van Defensie belast met de uitvoering van de ziektekostenverzekering krijgsmacht.

Onderwijs en opleiding

In dit artikelonderdeel is een grote diversiteit aan externe cursussen en opleidingen opgenomen, die noodzakelijk zijn om zowel het militair- als burgerpersoneel van de Koninklijke landmacht op het vereiste opleidingsniveau te krijgen en te houden. De raming voor 1997 daalt ten opzichte van de vermoedelijke uitkomsten 1996 in verband met de afnemende sterkte van de Koninklijke landmacht. Tevens is in de raming 1997 de reductie externe opleidingen in verband met de doelmatigheidsoperatie verwerkt.

Ramingskengetallen

 
Omschrijving199519961997
personele sterkte (in vte'n)46 94737 78133 958
toegelicht bedrag (x f 1000,–)27 25439 71924 221
bedrag per vte , inclusief de uitgaven voor het sociale beleidskader (x f 1,–)5811 051713

Afwikkelingskosten Troepenmacht in Suriname (TRIS)

Het betreft hier uitgaven ten behoeve van de financiële afwikkeling van voorheen in Suriname gestationeerd defensiepersoneel. Door de vermindering van het aantal rechthebbenden dalen ook de uitgaven.

Ramingskengetallen

 
Omschrijving199519961997
personele sterkte (in vte'n)726261
toegelicht bedrag (x f 1000,–)1 3001 1001 050
bedrag per vte (x f 1,–)18 05617 74217 213

In de berekening van het toegelichte bedrag over 1995 is de incidentele betaling in dat jaar buiten beschouwing gelaten.

Overige personele uitgaven

In dit artikelonderdeel zijn de personele uitgaven opgenomen die niet zijn onder te brengen bij een van de andere artikelonderdelen van dit artikel. De hoogte van de daling wordt beïnvloed door overgang van de bijkomende kosten van de militaire attachés naar beleidsterrein 08. Multi-service projecten en activiteiten.

Werkgelegenheidsprojecten

In dit artikelonderdeel zijn de uitgaven opgenomen die zijn verbonden aan de uitvoering van projecten in het kader van het Arbeidsmarkt- en Scholingsfonds Defensie. In 1996 zijn nieuwe werkgelegenheidsprojecten gestart, die dit jaar een vervolg krijgen. De projecten worden extern gefinancierd.

Sociaal Beleidskader (SBK)

In onderstaand overzicht zijn de uitgaven voor het Sociaal beleidskader opgenomen, zoals die worden verwacht naar aanleiding van de herstructurering van de Koninklijke landmacht. De uitgaven hebben zowel betrekking op burgerpersoneel als op militair personeel. De verantwoording van de wachtgelden zal geschieden op beleidsterrein 02. Pensioenen, wachtgelden en uitkeringen en van de overige personele uitgaven op de artikelen 04.01. Burgerpersoneel, 04.02. Militair personeel en 04.03. Overige personele exploitatie van het beleidsterrein 04. Koninklijke landmacht (bedragen x f 1000):

 
Hoofdcategoriet.l.v. art.199619971998199920002001
– Om-, her- en bijscholing en «outplacement»04.01/0326 80020 60017 5003 650940 
– Verplaatsingskosten04.039001 1601 11036060 
– Wachtgelden burgers02.0125 10026 46225 16030 15422 90019 400
– Wachtgelden militairen/UBM–O02.0143 00038 85039 61836 20023 00018 100
– Boven de organieke sterkte plaatsingen burgers04.0124 7009 60010 2005 100  
– Boven de organieke sterkte plaatsingen militairen04.026 40043 40041 20012 7002 250 
Totaal SBK 126 900140 072134 78888 16449 15037 500

04.04 Subsidies en bijdragen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden uitgaven geraamd voor subsidies aan verschillende instanties. De subsidies worden onder meer verleend aan instanties die voor Defensie een zeker nut hebben of de belangen behartigen van maatschappelijke groeperingen die raakvlakken hebben met Defensiepersoneel. De doelstellingen van deze instanties worden uiteengezet in bijlage 6B. De aard van het artikel brengt met zich mee dat de afzonderlijke ramingen voor de verplichtingen en de uitgaven aan elkaar gelijk zijn.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  16 29615 39914 88214 78014 780 
1e suppletore wet 1996  – 1 206     
Nieuwe mutaties  1 0203401 0051 0131 012 
Stand ontwerp-begroting 1997 20 36416 11015 73915 88715 79315 79215 815

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
bedragen x f 10001997199819992000
Ramingsbijstelling 1997– 675    
Prijsbijstelling 199665556362
Onderwijs Defensiescholen950950950950
Totaal3401 0051 0131 012

Ramingsbijstelling 1997

De ramingsbijstelling 1997 is het gevolg van een aanpassing van diverse subsidie-uitgaven, veelal in verband met de verkleining van de Koninklijke landmacht.

Prijsbijstelling 1996

Het betreft hier het aandeel van de subsidie-uitgaven in de prijsbijstelling 1996.

Onderwijs Defensiescholen

Dit betreft een bijdrage van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de vorig jaar opgerichte Stichting Defensiescholen.

Subsidies

Aan de volgende instanties worden subsidies verstrekt (x f 1000):

 
OmschrijvingUitgaven
 199519961997
1. Stichting Protestants Interkerkelijk Thuisfront1007835
2. Stichting Nationaal Katholiek Thuisfront1007835
3. Stichting Humanistisch Thuisfront252510
4. Vereniging Koninklijke Nederlandse militaire bond «Pro Rege» ten behoeve van alle Protestants-Christelijke militaire tehuizen365  
5. Protestants Vormingscentrum «Beukbergen»568400400
6. Katholiek Vormingscentrum «Vlasakkers»625400400
7. Humanistisch Vormingscentrum «Coornherthuijs»420400400
8. Joods vormingswerk101010
9. Stichting Militaire Tehuizen Overzee11050 
10. Stichting Jeugdwerk Duitsland200236236
11. Stichting Rechtsbijstand Dienstplichtigen550400300
12. Stichting Maatschappij en Krijgsmacht488390290
13. Stichting Vrouw en Uniform302626
14. Stichting Homosexualiteit en Krijgsmacht434343
15. Stichting Vafamil703015
16. Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Reserve-officieren657070
17. Stichting Het Koninklijk Nederlands Leger- en Wapenmuseum «Generaal Hoefer»1 3791 0851 085
18. Stichting «De Koepel»1 9172 7991 865
19. Stichting bijzondere scholen voor onderwijs op algemene grondslag13 2999 59010 519
Totaal subsidies20 36416 11015 739

De economische en functionele codering is respectievelijk 41.4 en 02.1.

04.05 Materiële exploitatie

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Onder dit artikel worden exploitatie-uitgaven geraamd anders dan personele uitgaven.

Het betreft hier uitgaven van algemene en specifieke aard, waaronder de aankoop van inventarisgoederen en klein materieel, het onderhoud en herstel van het materieel, munitie, het onderhoud van onroerende zaken alsmede de aankoop van brandstoffen, olie en smeermiddelen.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  878 083873 589788 798819 261811 999 
1e suppletore wet 1996  99 587– 3543 8267 2615 341 
Nieuwe mutaties  – 11 640– 92 376113 665107 816– 68 880 
Stand ontwerp-begroting 1997492 564926 791966 030780 859906 289934 338748 460705 438
Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingenstand ontwerp-begroting 1997492 564926 791966 030780 859906 289934 338748 460705 438Uitgavenstand ontwerp-begroting 1997
1995243 838699 254      943 092
199698 978160 962700 791     960 731
199752 85638 338192 035611 856    895 085
199828 71226 10761 384129 904619 813   865 920
199933 0163468 75134 939144 097601 339  822 488
200032 9331 3432 5102 58057 280130 869582 078 809 593
20012 2314414471 51038 10053 130131 552560 801788 212
na 2001  1127046 999149 00034 830144 637 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  963 055939 724843 272856 792812 967 
1e suppletore wet 1996  – 21 004– 1 3542 5265 6613 741 
Nieuwe mutaties  18 680– 43 28520 122– 39 965– 7 115 
Stand ontwerp-begroting 1997 943 092960 731895 085865 920822 488809 593788 212

De nieuwe mutaties in de verplichtingenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
bedragen x f 10001997199819992000
Doelmatigheidsbesparingen:    
– Inboeking automatiseringsuitgaven– 3 6003 2004 6006 300
– Ontvlechting GFB– 33 348– 33 261– 33 261– 33 261
– Ontvlechting Geestelijke verzorging– 657– 657– 657– 657
– Opleidingen– 799– 1 582– 1 002– 867
– Resttaakstelling– 6 000– 6 001– 6 000– 6 000
     
Overige mutaties:     
– Reservistenbeleid4 3004 3004 3004 300
– Prijsbijstelling 199611 6859 45910 55110 118
– Overheveling KMAR– 88– 88– 88– 88
– Uitbreiding geniecapaciteit1 0113 0403 0403 040
     
Ramingsbijstelling:     
– Informatiesystemen– 11 592– 3 2231 1652 815
– Communicatiesystemen– 6 35910 5227 6122 345
– Manoeuvre– 11 00039 359– 13 896– 30 505
– Artillerie en luchtdoel-artillerie– 11 8025 122– 1 494– 1 674
– Munitie– 39 2073 293125 087– 4 045
– Geneeskundige dienst materieel10 50111 42610 20712 463
– Inventarisgoederen en klein materieel5 4433 2003 200200
– Onderhoud en herstel gebouwen– 20 86327 03418 270– 7 698
– Huisvestingskosten2 6894 800– 1 300– 1 300
– Bureaukosten6 5889 60010 3008 900
– Specifieke uitgaven van operationele aard– 4 884– 5 000– 29 900– 15 900
– Overige uitgaven7 63511 2007 3002 000
– Automatisering18 83526 6365 076– 404
– Inhuur externe deskundigen– 2 472– 3 000– 2 300– 2 100
– Diversen– 8 392– 5 714– 12 994– 16 862
Totaal– 92 376113 665107 816– 68 880

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
bedragen x f 10001997199819992000
Doelmatigheidsbesparingen:    
– Inboeking automatiseringsuitgaven– 3 6003 2004 6006 300
– Ontvlechting GFB– 33 348– 33 261– 33 261– 33 261
– Ontvlechting Geestelijke verzorging– 657– 657– 657– 657
– Opleidingen– 799– 1 582– 1 002– 867
– Resttaakstelling– 6 000– 6 001– 6 000– 6 000
     
Overige mutaties:     
– Reservistenbeleid4 3004 3004 3004 300
– Prijsbijstelling 199611 6859 45910 55110 118
– Overheveling KMAR– 88– 88– 88– 88
– Uitbreiding geniecapaciteit1 0113 0403 0403 040
     
Ramingsbijstelling:     
– Informatiesystemen– 1 941– 8 000– 5 300– 3 300
– Communicatiesystemen– 1 5578 3004 2001 200
– Manoeuvre– 13 5426 3004 800– 600
– Artillerie en luchtdoelartillerie– 14 5988001 1001 800
– Munitie– 42 534– 17 700– 29 6001 100
– Algemene uitrusting12 8202 400– 1 300– 2 800
– Geneeskundige dienst materieel10 2949 90010 10012 400
– Inventarisgoederen en klein materieel5 4433 2003 200200
– Onderhoud en herstel gebouwen7 9314 0112 5528 400
– Huisvestingskosten2 6894 800– 1 300– 1 300
– Bureaukosten6 5889 60010 3008 900
– Specifieke uitgaven van operationele aard– 4 884– 5 000– 29 900– 15 900
– Overige uitgaven7 63511 2007 3002 000
– Automatisering16 42120 40015 50010 500
– Inhuur externe deskundigen– 2 472– 3 000– 2 300– 2 100
– Diversen– 4 082– 5 499– 10 800– 10 500
Totaal– 43 28520 122– 39 965– 7 115

Inboeking automatiseringsuitgaven

In de begroting 1996 is de taakstelling automatiseringsuitgaven verwerkt. Gewijzigd inzicht leidt tot een wijziging hierop.

Ontvlechting Geneeskundig Facilitair Bedrijf

De overheveling van de geneeskundige zorg taak uit de Koninklijke landmacht-organisatie naar het nieuw opgerichte Defensie Interservice Commando leidt tot deze mutatie.

Ontvlechting Geestelijke verzorging

De samenvoeging van de geestelijke verzorging bij het Defensie Interservice Commando leidt tot een overheveling van deze taken uit de Koninklijke landmacht.

Opleidingen

Als gevolg van de reductie van de leerstof is een daling van de niet beschikbaarheid wegens opleidingen van het militair personeelsbestand mogelijk.

Resttaakstelling

Deze taakstellende doelmatigheidskorting is verwerkt in de exploitatie-uitgaven van de Koninklijke landmacht.

Overheveling Koninklijke marechaussee

De ontvlechting van betaalmeester- en personeelstaken uit de Koninklijke landmacht-organisatie naar de Koninklijke marechaussee leidt tot een overheveling van de bij die taken behorende vte'n.

Uitbreiding geniecapaciteit

De deelname aan vredesoperaties leidt tot grote druk op de bestaande geniecapaciteit. Uit ervaringen is gebleken dat er een tekort is aan genie-personeel. Daarom wordt een extra genieconstructie compagnie voor het grootste deel paraat gesteld. Deze extra uitgaven worden door de Koninklijke landmacht zelf gefinancierd door maatregelen in de personele en materiële exploitatiesfeer.

Informatiesystemen

Bij informatiesystemen treedt een daling op, enerzijds doordat er prijsdalingen plaatsvinden van reguliere verbruiksartikelen en anderzijds doordat er verschuivingen en dalingen optreden ten aanzien van het verwachte software-onderhoud van diverse inlichtingensystemen.

Communicatiesystemen

Bij communicatiesystemen vinden er stijgingen plaats onder andere door vervanging van laadtoestellen.

Manoeuvre

Op het artikelonderdeel manoeuvre vinden onder meer aanpassingen plaats in de verplichtingensfeer door een grotere onderhoudsbehoefte voor het huidige YPR-bestand, dat in verband met het uitstel van de vervanging van 2001 tot 2004/5 langer in de bewapening zal blijven.

Artillerie en luchtdoelartillerie

Bij de artillerie zijn in 1997 voor de M109 de verwachte uitgaven voor het basisonderhoudsprogramma verminderd, omdat betalingen reeds in een eerder stadium hebben plaatsgevonden.

Munitie

Voor de munitie wordt een daling van uitgaven en verplichtingen voorzien doordat meer gebruik gemaakt zal worden van ombouw- en omruilmogelijkheden van ondermeer tankmunitie. Bovendien zal op korte termijn minder mortiermunitie worden verworven. De stijging van de verplichtingen in 1999 betreft het naar voren schuiven van de behoefte aan modulaire ladingen (munitie met een modulaire opbouw door middel van een kardoessysteem, waardoor bijna elke willekeurige schoots-afstand te realiseren is).

Algemene uitrusting

Ten aanzien van algemene uitrusting worden in 1997 extra uitgaven voorzien door uit te voeren aanpassingen aan veldmaterieel.

Geneeskundige dienst materiaal

De toepassing van de nieuwe verrekenbeschikking heeft bij het geneeskundige dienst materieel tot gevolg dat de uitgaven niet meer met de andere beleidsterreinen verrekend kunnen worden. Hiertegenover staat een budgettaire bijstelling van de uitgaven.

Inventarisgoederen en klein materieel

De inrichting van de nieuwe legeringsgebouwen voor met name het beroeps bepaalde tijd-personeel leidt tot een tijdelijke verhoging van de uitgaven voor het artikelonderdeel inventarisgoederen en klein materieel.

Onderhoud en herstel gebouwen

De uitgaven voor onderhoud en herstel van gebouwen zijn in de meerjarencijfers naar boven bijgesteld. Enerzijds is dit het gevolg van vertraging in de afstoting van objecten, waardoor toch onderhoud noodzakelijk is. Anderzijds was de uitgavenraming voor de meerjarencijfers te laag ingeschat.

Huisvestingskosten

Als gevolg van de eerdergenoemde vertraging in de afstoting van objecten is een tijdelijke verhoging van de meerjarencijfers voor de huisvestingskosten noodzakelijk.

Bureaukosten

Bij bureaukosten is een bijstelling van de meerjarencijfers noodzakelijk mede gelet op de gerealiseerde bedragen tot nu toe. De bijstelling is onder meer het gevolg van de vertraagde afstoting van objecten en door een te lage inschatting van de uitgaven voor de meerjarencijfers.

Specifieke uitgaven van operationele aard

De uitgaven voor het artikelonderdeel specifieke uitgaven van operationele aard zijn aangepast op basis van de huidige oefenbehoeften.

Overige uitgaven

De nieuwe verrekenbeschikking heeft voor het artikelonderdeel overige uitgaven geleid tot een verhoging van de uitgaven, daar de verrekening met de andere krijgsmachtdelen is vervallen onder gelijktijdige bijstelling van het uitgavenbudget.

Automatisering

Een verhoging van de uitgaven voor automatisering is noodzakelijk als gevolg van de herstructurering en de decentralisatie. De decentralisatie leidt onder andere tot de inrichting van de Koninklijke landmacht-organisatie in Resultaat verantwoordelijke eenheden, waardoor een groter aantal aansluitpunten en een grotere informatieuitwisseling zal plaatsvinden.

Inhuur externe deskundigen

De uitgaven voor het artikelonderdeel inhuur externe deskundigen zijn verlaagd naar aanleiding van het beleid, mede in het kader van het Regeerakkoord, om deze uitgaven zoveel als mogelijk is terug te dringen.

Diversen

Het artikelonderdeel diversen betreft een verzameling van een groot aantal kleine bedragen.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische- en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199519961997 199519961997 Econ. Funct.
Informatiesystemen 15 61021 03011 828 16 96017 61917 546 13 02.1
Communicatiesystemen 18 11244 71134 246 21 27923 34729 363 13 02.1
Manoeuvre 42 98751 09443 212 43 62451 14166 612 13 02.1
Wielvoertuigen en geniematerieel 24 40921 37619 151 28 28420 67324 356 13 02.1
Artillerie en luchtdoelartillerie 19 04330 31712 195 66 77155 07940 426 13 02.1
Munitie 43 56950 89623 667 37 36521 83833 034 13 02.1
Algemene uitrusting 45 91838 01233 336 37 02135 30341 995 13 02.1
Bosco 29 10042 56039 899 38 17242 50942 048 13 02.1
Geneeskundige dienst materieel 37 45835 7275 974 40 01537 6098 244 13 02.1
Inventarisgoederen en klein materieel 28 94427 44729 778 29 04629 44329 778 13 02.1
Onderhoud en herstel roerende zaken 13 60018 38316 104 13 72718 47516 104 13 02.1
Onderhoud en herstel gebouwen 199 816230 969153 117 174 500226 866185 529 13 02.1
Huisvestingskosten 126 006118 515115 315 125 987118 531115 315 12.1 02.1
Bureaukosten 58 85462 95456 461 58 81164 18856 461 12.1 02.1
Specifieke uitgaven van operationele aard 49 36740 40049 202 52 40040 76149 202 12.1 02.1
Overige uitgaven 54 84154 67251 211 56 80956 03751 211 12.1 02.1
Automatisering 97 73365 82774 011 75 02184 57275 709 12.1 02.1
Inhuur externe deskundigen 21 42411 14012 152 27 30016 74012 152 12.1 02.1
Totaal 926 791966 030780 859 943 092960 731895 085    

Informatiesystemen

In dit artikelonderdeel zijn met name de uitgaven opgenomen, die zijn gerelateerd aan informatiesystemen en wapensimulatoren. Ten opzichte van 1995 en 1996 blijven de uitgaven in 1997 op een stabiel niveau.

Communicatiesystemen

De stijging van de uitgaven heeft betrekking op de exploitatie van communicatie-apparatuur. Het betreft ondermeer de exploitatievoorzieningen voor Zodiac fase 3/4 en de nieuwe Combat Net Radio. In de begroting wordt ook rekening gehouden met verlenging van de levensduur van standaardshelters en aanschaf van laadtoestellen.

Manoeuvre

Dit artikelonderdeel heeft betrekking op uitgaven die samenhangen met de materiële exploitatie van tanks, rupsvoertuigen en bewapening. Naast de reguliere exploitatie worden onderhoudsprogramma's voorzien ten aanzien van diverse types YPR, waardoor de uitgaven in 1997 hoger zullen zijn. Ook zijn er binnen dit artikelonderdeel meer uitgaven te verwachten voor het toestandsafhankelijk onderhoud van de Leopard 2.

Wielvoertuigen en geniematerieel

In dit artikelonderdeel zijn de uitgaven opgenomen voor een grote diversiteit aan wielvoertuigen en geniematerieel. De uitgaven dalen ten opzichte van 1995 door de budgetoverheveling naar beleidsterrein 09. Defensie Interservice Commando, als gevolg van de oprichting van de Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie.

Artillerie en luchtdoelartillerie

Het betreft de uitgaven die verband houden met de materiële exploitatie op het gebied van de artillerie, luchtdoelartillerie en de afgeleide versies van de Leopard 1. Hieronder vallen onder andere de MLRS, de PRTL, en de M109. Ten aanzien van dit laatste wapensysteem loopt er een basisonderhoudsprogramma. In 1995 is ter zake een voorschotbetaling verricht. Door verrekening van dit voorschot zullen de uitgaven in 1997 lager uitvallen dan eerder geraamd.

Munitie

In dit artikelonderdeel zijn de uitgaven opgenomen voor diverse soorten munitie zoals anti-tank-, tank-, artillerie- en kleinkalibermunitie. Deze munitie is bestemd voor schietopleidingen. Ondermeer worden uitgaven voorzien aangaande anti-tankmunitie, mortiermunitie alsmede klein kaliber wapenmunitie. Eveneens zal oorlogsmunitie omgebouwd tot of zo mogelijk omgeruild worden met oefenmunitie. Ook wordt rekening gehouden met kosten voor het afstoten van munitie. Er is een stijging ten opzichte van 1996, omdat in 1997 uitgaven voor de ombouw van 25 mm munitie worden voorzien.

Algemene uitrusting

De uitgaven behorende bij dit artikelonderdeel hebben betrekking op tenten, serviesgoederen, kantoormachines, diverse uitrustingsstukken waaronder handgereedschappen en audiovisuele middelen. In 1997 worden extra uitgaven voorzien door uit te voeren aanpassingen aan veldmaterieel.

BOSCO

In dit artikelonderdeel zijn de uitgaven opgenomen voor brandstoffen, olie, smeermiddelen en chemische onderhoudsmiddelen (BOSCO). Ten opzichte van 1995 en 1996 blijven de uitgaven in 1997 op een stabiel niveau.

Geneeskundige dienst materieel

De overheveling van de geneeskundige zorg, met uitzondering van de eerstelijns geneeskundige zorg, uit de Koninklijke landmacht-organisatie naar het nieuw opgerichte Defensie Interservice Commando heeft ertoe geleid dat de uitgaven voor geneeskundige dienst materieel grotendeels verschuiven. Als gevolg van de overheveling van het grootste deel van deze budgetten naar het Defensie Interservice Commando is het niet zinvol om van dit artikelonderdeel ramingskengetallen te presenteren.

Inventarisgoederen en klein materieel

In dit artikelonderdeel zijn met name de uitgaven opgenomen die samenhangen met de aanschaf van meubilair en stoffering alsmede met de verwerving van klein materieel ten behoeve van de Topografische Dienst Nederland. Als gevolg van het inrichten van legeringsgebouwen voor het Beroeps Bepaalde Tijd-personeel is er sprake van een relatieve stijging van de uitgaven.

Ramingskengetallen

 
Omschrijving199519961997
personele sterkte (in vte'n)46 94737 78133 958
toegelicht bedrag (x f 1000,–)29 04629 44329 778
bedrag per vte (x f 1,–)619779877

Onderhoud en herstel roerende zaken

In dit artikelonderdeel zijn met name de uitgaven voor telecommunicatie en onderhoud van brandblusmateriaal opgenomen. De uitgaven dalen in 1997 als gevolg van de verkleining van de Koninklijke landmacht.

Onderhoud en herstel gebouwen

De in dit artikel onderdeel opgenomen uitgaven hebben betrekking op onderhoud en klein herstel aan gebouwen. In de ramingen is rekening gehouden met de verzelfstandiging van de DGW&T. De budgetoverheveling zoals deze heeft plaatsgevonden vanuit beleidsterrein 01. Algemeen, is in zijn totaliteit ondergebracht in artikel 04.05. De uitgaven in 1997 dalen ten opzichte van 1996, omdat in 1996 een extra onderhoudsinspanning wordt geleverd als gevolg van het grote aantal reorganisaties. Daarnaast is er een afname van het aantal objecten.

Ramingskengetallen

In onderstaande tabel is de procentuele verhouding aangegeven tussen nieuwbouw en onderhoud en herstel aan gebouwen. Voor de zuiverheid zijn binnen onderhoud en herstel aan gebouwen de apparaatskosten DGW&T afzonderlijk zichtbaar gemaakt (bedragen x f 1000):

 
Omschrijving1995%1996%1997%
Nieuwbouw en dergelijke115 13340186 28645211 67053
Onderhoud en herstel gebouwen174 50060145 26635121 22931
Apparaatskosten DGW&T  81 6002064 30016
Totalen289 633100413 152100397 199100

Huisvestingskosten

De uitgaven huisvestingskosten geven een dalende trend te zien.

Ramingskengetallen

Het totaal van zowel militair- als burgerpersoneel hebben tot de volgende gemiddelde uitgaven geleid.

 
Omschrijving199519961997
personele sterkte (in vte'n)46 94737 78133 958
toegelicht bedrag (x f 1000,–)125 987118 531115 315
bedrag per vte (x f 1,–)2 6843 1373 396

Hoewel de uitgaven dalen, stijgt het gemiddelde bedrag per persoon doordat de afname van het aantal complexen niet evenredig loopt met de afnemende personeelssterkte van de Koninklijke landmacht.

Bureaukosten

In dit artikelonderdeel zijn opgenomen de uitgaven voor druk- en bindwerk, frankeerkosten, kopieerapparatuur, onderdeelondersteuningsfondsen, e.d. De hier opgenomen uitgaven zijn veelal niet direct persoonsgebonden, maar hangen meer samen met het aantal lokaties waarover de Koninklijke landmacht beschikt. Zoals reeds bij de huisvestingskosten is toegelicht, is de voorziene afstoting van een aantal complexen niet doorgegaan, zodat de uitgaven in mindere mate dalen dan verwacht.

Ramingskengetallen

 
Omschrijving199519961997
personele sterkte (in vte'n)46 94737 78133 958
toegelicht bedrag (x f 1000,–)58 81164 18856 461
bedrag per vte (x f 1,–)1 2531 6991 663

De uitgaven op dit artikelonderdeel zijn niet volledig aan de totale personele sterkte te relateren. Er worden bijvoorbeeld uitgaven gedaan voor het vervaardigen van technische voorschriften en handleidingen.

Specifieke uitgaven van operationele aard

Dit artikelonderdeel betreft de uitgaven die samenhangen met het houden van oefeningen, zoals inhuur van oefenterreinen. De vervroegde afschaffing van de opkomstplicht voor het dienstplichtig personeel leidde in 1996 tot een aanzienlijke daling van deze uitgaven, doordat de eenheden minder personeel hadden. Door de instroom van nieuw personeel komen de eenheden weer op sterkte en kan het personeel geoefend worden.

Overige uitgaven

De overige uitgaven betreffen onder andere de uitgaven voor bedrijfsvoering en de machtigingen tot zelfstandige aanschaf en uitbesteding. De uitgaven dalen als gevolg van het beleid dat is gericht op het terugdringen van de uitgaven.

Automatisering

De herstructurering, de decentralisatie alsmede de toenemende mogelijkheden tot automatisering op diverse gebieden leiden ertoe dat op korte termijn geen daling van deze uitgaven is te verwachten. De uitgaven zijn benodigd voor de aanschaf van apparatuur, software en de betaling voor de diensten van het Defensie Computercentrum. De decentralisatie leidt tot een groter aantal aansluitpunten alsmede tot een grotere decentrale informatiebehoefte.

Inhuur externe deskundigen

In dit artikelonderdeel zijn uitgaven opgenomen voor de inhuur van organisatie-, informatie- en automatiseringspersoneel. Als gevolg van een restrictief beleid aangaande de inhuur is de raming op dit artikelonderdeel voor 1997 verlaagd.

04.06 Bouw, alsmede aankoop van gronden e.d.

De grondslag van dit artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd voor nieuwbouw en renovatie van kazernes, logistieke installaties, geneeskundige inrichtingen en mobilisatiecomplexen, alsmede de inrichting van oefenterreinen. Ook investeringen als gevolg van eisen die de milieuwetgeving stelt, zoals bodemsanering, het saneren van opslag van brandstof, olie en smeermiddelen, het aansluiten van objecten op de openbare riolering, het saneren van spuitplaatsen en dergelijke, zijn in dit artikel begrepen. Niet inbegrepen zijn de uitgaven van engineering door DGW&T. Deze zijn ondergebracht bij artikel 04.05. Materiële exploitatie, op het artikelonderdeel onderhoud en herstel gebouwen.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  287 614215 111355 941165 665282 330 
1e suppletore wet 1996  – 66 400– 27 400– 31 300– 33 900– 31 200 
Nieuwe mutaties  6 28697 060– 64 655124 652– 19 402 
Stand ontwerp-begroting 199756 526138 792227 500284 771259 986256 417231 728194 334

Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingenstand ontwerp-begroting 199756 526138 792227 500284 771259 986256 417231 728194 334Uitgaven stand ontwerp-begroting 1997
199546 66468 469      115 133
19969 86265 295111 129     186 286
1997 5 028100 271106 371    211 670
1998  11 100152 400112 486   275 986
1999  5 00018 600124 700118 617  266 917
2000   7 40017 500114 800115 728 255 428
2001    5 30016 80098 400106 034226 534
na 2001     6 20017 60088 300 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  241 778245 063318 322231 790247 093 
1e suppletore wet 1996  – 61 778– 27 400– 31 300– 33 900– 31 200 
Nieuwe mutaties  6 286– 5 993– 11 03669 02739 535 
Stand ontwerp-begroting 1997 115 133186 286211 670275 986266 917255 428226 534

De nieuwbouwbehoefte is vastgelegd in het bouwprogramma Koninklijke landmacht. Zowel de verplichtingen als de uitgaven wijzigen op de volgende projecten:–het project voeding/kantines betreft de omschakeling van bedienings-restaurants naar zelfbedieningsrestaurants;–het project bewaken/beveiligen betreft het herinrichten (compartimenteren) van kazerneterreinen;–het uitbreiden en aanpassen van de huidige sportfaciliteiten ten behoeve van de opwaardering van de basissportvoorzieningen.

Voor de jaren 1997 en 1998 is ter invulling van de bijdrage aan de algemene budgettaire problematiek van de rijksbegroting rekening gehouden met een neerwaartse bijstelling op dit artikel van respectievelijk f 14,1 en f 20,2 miljoen. De kortingen leiden in die jaren tot herfasering en versobering van een groot aantal bouwprojecten. Vanaf 1999 vindt mede als gevolg van het relatief lage investeringsniveau van de afgelopen jaren een inhaalslag plaats.

Ramingskengetallen

Bedragen x f 1000,–
Omschrijving1997%
Waarde vastgoed16 968 000 
Nieuwbouw211 6701,24
Onderhoud en herstel gebouwen121 2290,71
Apparaatskosten DWG&T64 3000,37

In bovenstaande tabel zijn de investeringen in «nieuwbouw en dergelijke», het «onderhoud en herstel aan gebouwen» en de «apparaatskosten DGW&T» uitgedrukt in een percentage van de waarde van het vastgoed. Deze waarde bedraagt f 16,968 miljard.

De economische en functionele codering is respectievelijk 13 en 02.1.

04.07 Overig groot materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd voor investeringen in groot materieel die niet onder een afzonderlijk artikel in de begroting van beleidsterrein 04. Koninklijke landmacht worden opgenomen.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp- begroting 1996  867 3441 341 2003 129 9001 407 300755 600 
1e suppletore wet 1996  110 956– 12 200– 5 400– 5 400– 5 400 
Nieuwe mutaties  22 862– 193 200– 465 900459 000– 285 600 
Stand ontwerp begroting 19971 424 484602 3351 001 1621 135 8002 658 6001 860 900464 6003 200 700

Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingen stand ontwerp-begroting 19971 424 484602 3351 001 1621 135 8002 658 6001 860 900464 6003 200 700Uitgaven stand ontwerp-begroting 1997
1995372 849167 335      540 184
1996236 496150 000182 529     569 025
1997197 419130 000255 63391 400    674 452
1998153 720120 000220 500186 680106 200   787 100
1999196 55235 000153 700247 900252 300120 900  1 006 352
2000136 117 85 800189 500346 500229 10080 800 1 067 817
200176 865 63 00054 000388 600227 300101 600103 0001  014 365
na 200154 466 40 000366 3201 565 0001 283 600282 2003 097  700 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  668 968630 403833 6831 076 5451 107 443 
1e suppletore wet 1996  – 107 072– 12 200– 5 40015 20046 900 
Nieuwe mutaties  7 12956 249– 41 183– 85 393– 86 526 
Stand ontwerp-begroting 1997 540 184569 025674 452787 1001 006 3521 067 8171 014 365

De nieuwe mutaties in zowel de verplichtingen- als ook bij de uitgavenopbouw zijn het gevolg van een ramingsbijstelling en hebben betrekking op verschuivingen van projecten en aangepaste behoeften. Dit betreft een veelheid aan projecten, waaronder het wissellaadsysteem, single channel radio access, target information communitions and control system, vervanging van getrokken vuursteun middelen, vervanging en/of verbetering van YPR-voertuigen, gevechtswaardeverbetering Leopard 2 (inclusief munitie), munitie ten behoeve van de MLRS, anti-tank wapens korte dracht alsmede vervanging van lichte wapensystemen.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische– en functionele codering*
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199519961997 199519961997 Econ. Funct.
Automatisering waaronder BIS/POL/KL en GGRS 28 60066 60093 800 17 90049 10040 800 13 02.1
Logistiek 173 017170 76282 500 180 856108 525108 033 13 02.1
Commandovoering, verbindingen en gevechtsinlichtingen 221 800250 100133 600 176 800203 400214 019 13 02.1
Elektronisch materieel waaronder de projecten «EOV fase 1» (complementaire voorzieningen) 34 30027 00038 700 33 50023 70026 500 13 02.1
Nucleair-, biologisch- en chemisch materieel 1 5002 30016 000 5 7003002 300 13 02.1
Luchtverdediging 400302 90039 000 23 50034 10043 600 13 02.1
Manoeuvre waaronder de projecten «Pantservoertuigen voor vredesoperaties»,Warmtebeeld handkijkers en Antitankwapen middelbare dracht 114 51872 700688 800 65 428124 800164 200 13 02.1
Vuursteun waaronder de projecten «VUIST fase 2» 8 20066 40030 000 22 50017 00039 700 13 02.1
Gevechtssteun 20 00042 40013 400 14 0008 10035 300 13 02.1
Totaal 602 3351 001 1621 135 800 540 184569 025674 452    

* De grote projecten (≥ 25 miljoen) waarvan de verplichtingen in 1997 worden aangegaan, zijn afzonderlijk bij de artikelonderdelen in dit overzicht vermeld.

Ontwikkelingen van de diverse projecten

In hoofdstuk 2.3.6 van het algemeen deel wordt nader ingegaan op de voortgang van grotere investeringsprojecten.

Automatisering

Onder dit artikelonderdeel zijn voornamelijk de investeringen voor bestuurlijke informatiesystemen (automatisering) opgenomen. Voorbereidingen worden getroffen voor de investeringen in informatie systemen in het kader van de projectgroep onderhoud en logistiek. Zo wordt ondermeer een systeem opgezet ten behoeve van het geautomatiseerd ondersteunen van de logistieke processen en om goederen te registreren met een Geautomatiseerd Goederen Registratie Systeem (GGRS). Ook zal het project «Ondersteuning behoeftebepalings- en vervullings traject (OBVT)» worden uitgevoerd en zullen bedrijfsbesturingsfaciliteiten worden ingevoerd. Op personeelsgebied vindt samenwerking met de Koninklijke luchtmacht plaats ten aanzien van de opzet van het Project «Informatievoorziening ter ondersteuning van de personeelsfunctie», waarmee de decentralisatie van de personeelsfunctie kan worden ondersteund.

Logistiek

Dit artikelonderdeel heeft betrekking op de investeringen in het kader van de logistieke ondersteuning van de Koninklijke landmacht. Hiertoe behoren de uitgaven voor reeds aangegane en nog aan te gane verplichtingen voor de projecten lichte vrachtauto's, modificatie van vrachtauto's en bedrijfsbenodigde middelen, alsmede de verwerving van investeringen op geneeskundig gebied, zoals het in 1995 verworven project mobiele geneeskundige installaties en het te verwerven zogenaamde fantoomlichaam ten behoeve van opleidingsdoeleinden. Er wordt eveneens rekening gehouden met investeringen voor het verkrijgen van vernietigingscapaciteit van munitie(restanten) en explosieveilige machines bij renovatie van munitie en verpakkingsmaterieel.

Commandovoering, verbindingen en gevechtsinlichtingen

De ramingen op dit artikelonderdeel hebben ondermeer betrekking op reeds aangegane verplichtingen voor de projecten Combat Net Radio, mobiele straalverbindingsstations (MSVSN) en uitgaven ten behoeve van het verbindingsinlichtingensysteem (VIS), de ontwikkeling van prototypen voor het project Single Channel Radio Access (SCRA), de behoefte aan nieuwe Hoog Frequent Enkel Zijband radio's (HF-EZB) inclusief de manpack-versie. In 1995 is de bestelling, van het Remotely Piloted Vehicle (RPV) voor het verkrijgen van inlichtingen op middelbare afstand, geplaatst. In 1996 zijn onder andere bestellingen voorzien voor de inlichtingensystemen Onbemande Grond Sensoren (OGS) en de vervanging van de gammacomputer voor het verbindingsinlichtingensysteem. Eveneens zijn uitgaven voorzien voor het voor de bedrijfsvoering noodzakelijke project «Koninklijke Landmacht Implementatie Middenlaag (KLIM)» en voor positiebepalende apparatuur (Global Positioning System-GPS). Vanaf 1997 is het interimsysteem voor satellietcommunicatie in de raming opgenomen. Teneinde na het jaar 2000 te kunnen beschikken over militaire satellietcommunicatie, waarbij internationaal zal worden samengewerkt, zijn reserveringen in de begroting opgenomen voor studie- en/of ontwikkelingskosten. Voorts worden uitgaven voorzien voor de instandhouding van telecommunicatiesystemen voor het Nationaal Commando. Voor ondermeer de toegang tot objecten van de Koninklijke landmacht wordt de multifunctionele smartcard ingevoerd. Teneinde de informatievoorziening tussen gebruikers van het legerkorps te optimaliseren, wordt het geïntegreerd stafinformatiesysteem (ISIS) ingevoerd.

Elektronisch materieel

De in 1997 geraamde uitgaven hebben betrekking op de, in samenwerking met de Duitse overheid, te verwerven middelen voor completering voor de eerste fase van het project «Elektronische oorlogsvoering», inbegrepen middelen voor het opsporen en storen van hoge frequenties.

Nucleair, biologisch en chemisch materieel (NBC)

De uitgaven hebben betrekking op diverse NBC-voorzieningen.

Luchtverdediging

De uitgaven die in 1997 worden voorzien, betreffen reeds aangegane verplichtingen voor het project Stinger-RMP. Op de lange termijn is voor dit project een reservering opgenomen voor technische wijzigingen die ondermeer zullen worden doorgevoerd in relatie tot verbetering van de effectiviteit van helicopterdreiging. Daarnaast worden er uitgaven geraamd voor de verwerving van de gevechtswaarde-instandhouding van de Pantserrups tegen Luchtdoelen (GWI-PRTL). Hierbij is inbegrepen de ontwikkeling van de aanpassing van delen van de PRTL om aansluiting te verkrijgen op het Target Information Communications en Control System. Het realiseren van het gevechtswaarde-instandhoudingsprogramma van de PRTL zal in samenwerking met Duitsland plaatsvinden.

Manoeuvre

Onder dit artikelonderdeel vallen alle manoeuvreprojecten. Er is rekening gehouden met uitgaven voor onderwijsmiddelen en simulatoren en met uitgaven voortvloeiende uit reeds aangegane verplichtingen voor ondermeer de verbetering van de Leopard 2 en de vervanging van klein kaliber wapens. In 1997 wordt voorzien dat er pantservoertuigen voor vredesoperaties zullen worden besteld. Gezien de inzet van deze voertuigen geniet dit project een zeer hoge prioriteit. In 1997 zal naar verwachting ook de beslissing worden genomen om het anti-tank wapen voor de middelbare afstand aan te schaffen. In CODEMA-verband loopt de ontwikkeling van warmtebeeld-handkijkers ter verbetering van de waarnemingsmogelijkheden. Dit geldt eveneens voor de Gevechtsveldcontroleradar. De ontwikkeling voor het project Licht Verkennings- en Bewakingsvoertuig (LVB) vordert en wordt in samenwerking met Duitsland uitgevoerd. Voor de serie zijn hiervoor vanaf 1998 financiële middelen gereserveerd.

Vuursteun

Op dit artikelonderdeel zijn de investeringen ten behoeve van de veldartillerie opgenomen. Er zijn ondermeer uitgaven geraamd voor aangegane verplichtingen en nog aan te gane verplichtingen voor fase 1 van het vuursteun-informatie-systeem (Vuist fase 1) inbegrepen de integratie met de nieuwe combat net radio, alsmede uitgaven voor artilleriemunitie.

Gevechtssteun

De voor 1997 voorziene uitgaven betreffen vooral betalingen op grond van nog aan te gane en aangegane verplichtingen ten behoeve van materieel voor de genie, zoals hijskranen en geniemunitie alsmede voor onderzoek naar middelen ten behoeve van ontmijningsoperaties. Op de langere termijn zullen voorzieningen worden getroffen voor het verkrijgen van de mijndoorbraakcapaciteit door middel van het mijndoorbraaksysteem, waarvoor Leopard 2 tanks zullen worden gebruikt en andere mijndoorbraakmiddelen.

04.09 Tankvervanging / verbetering Leopard 1

Ten laste van dit artikel werden voorheen de uitgaven geraamd en verantwoord van de projecten «Aanschaf Leopard 2» en «Verbetering Leopard 1». In 1995 is hierop nog een bedrag van f 2,184 miljoen gerealiseerd. Eventuele toekomstige uitgaven die samenhangen met deze projecten zullen worden verantwoord op het artikel 04.07 Overig groot materieel, artikelonderdeel manoeuvre.

05. Beleidsterrein Koninklijke luchtmacht

Algemeen

De uitgaven voor het actief regulier personeel zijn geraamd met behulp van het Systeem Nieuwe Integrale Personeelsbegroting (SNIP). De uitkomst is aangepast voor de categorieën personeel die niet in SNIP zijn opgenomen en voor ontwikkelingen in de komende jaren.

De ramingen zijn gebaseerd op het loon- en prijspeil van 1996.

05.01 Burgerpersoneel

De grondslag van het artikel en te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen onregelmatige diensten, overige toelagen, tijdelijk personeel op formatieplaatsen, alsmede het aandeel van de sociale lasten voor het burgerpersoneel van de Koninklijke luchtmacht. Het betreft hier personeel geplaatst bij algemeen beherende organisatie-eenheden, bijzondere organisatie-eenheden en operationele eenheden.

Conform het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit salarisartikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgave wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001 
Stand ontwerp-begroting 1996  130 894117 929111 326109 099109 059  
1e suppletore wet 1996  707991828738724  
Nieuwe mutaties   8 7278 0147 0857 148  
Stand ontwerp-begroting 1997 140 582131 601127 647120 168116 922116 931116 743 

In de begrote bedragen is voorts rekening gehouden met de structurele doorwerking van incidentele loonstijgingen en personele overhevelingen.

De in de Defensienota (Kamerstukken II, 1990/91, nr. 21 991 X) en in de Prioriteitennota (Kamerstukken II, 1992/93, 22 975 X, nrs. 1 en 2) gepresenteerde maatregelen inzake de herziening van het personeelsbeleid zijn verwerkt. De verdere reductie van het personeelsbestand en de herstructurering van de Koninklijke luchtmacht zijn als beleidsuitgangspunt voor de ramingen gehanteerd.

De nieuwe mutaties kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
– Overheveling wachtgelden– 2 222– 1 305– 535– 186
– Incidentele looncomponent713671652652
– Aanpassing raming10 2368 6486 9686 682
Totaal8 7278 0147 0857 148

Overheveling wachtgelden

De wachtgelden voor burgerpersoneel van de Koninklijke luchtmacht worden verantwoord op beleidsterrein 02. Pensioenen, wachtgelden en uitkeringen. Overschotten en tekorten, als gevolg van nieuwe inzichten in de in- en uitstroom, worden verrekend met de begroting van de Koninklijke luchtmacht.

Incidentele looncomponent

De incidentele looncomponent heeft betrekking op de verwachte stijging van het gemiddelde bruto-salaris als gevolg van de reguliere periodieke verhogingen en van de in- en uitstroom.

Aanpassing raming

De aanpassing van de raming hangt samen met de reorganisatie van de Koninklijke luchtmacht en de oprichting van het Defensie Interservice Commando (Dico). De kwalitatieve wijzigingen in het personeelsbestand hebben invloed op de raming van dit artikel.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 econ. funct.
Salarissen (inclusief vakantie-uitkering) 112 808106 476103 564 11.1 02.2
Overwerk en toeslagen onregelmatige diensten 3 3122 4542 094 11.1 02.2
Toelagen en uitkeringen 2 6062 7552 708 11.1 02.2
Aandeel in de sociale lasten 20 95419 23318 955 11.2 02.2
Tijdelijk personeel op formatieve-arbeidsplaatsen 902683326 12.1 02.2
Totaal 140 582131 601127 647    

Ramingskengetallen burgerpersoneel

 
 1995199619971998199920002001
Sterkte begroting 1996 2 1241 9411 8181 7901 789 
– Overheveling tussen beleidsterreinen 22211 
– Rectificatie BDOS –  87      
– Bijgestelde raming 1919192222  
– Apache & logistieke en operationele ondersteuning 161625   
– Oprichting Dico:       
* Defensie Verkeers- en Vervoers-organisatie – 26– 26– 26– 26– 26 
* Defensie-organisatie voor Werving en Selectie – 14– 14– 14– 14– 14 
* Geestelijke Verzorging Krijgsmacht  – 3– 3– 3– 3 
Sterkte ontwerpbegroting 19972 2482 0341 9351 8211 7701 7691 769
Gemiddeld salaris (x f 1,–)62 53664 70165 96765 99066 05866 10065 994

Maatregelen personeelsreductie

In de meerjarenraming is reeds rekening gehouden met een personeelsreductie voor burgerpersoneel bij de Koninklijke luchtmacht overeenkomstig de uitgangspunten van de Defensienota (kamerstukken II, 1990/91, 21 991 X, nr. 2 en 3). Ook de verdere reductie als gevolg van de maatregelen in de Prioriteitennota (Kamerstukken II, 1992/93, 22 975 X, nr. 1 en 2) en de gevolgen van de doelmatigheidoperatie zijn verwerkt.

Overhevelingen tussen beleidsterreinen

Het betreft hier een overheveling van één formatieplaats (tot 1999) van beleidsterrein Algemeen naar de Koninklijke luchtmacht in verband met werkzaamheden met betrekking tot het zoneringsprogramma dat door de Koninklijke luchtmacht wordt uitgevoerd en een overheveling van één formatieplaats naar de Koninklijke luchtmacht in het kader van de ontvlechting van de werkzaamheden van de Dienst Gebouwen, Werken & Terreinen.

Rectificatie «boven de organieke sterkte (BDOS)»

Mede door succesvol gebruik van SBK-instrumenten kan de overtolligheid in 1996 worden teruggebracht met 87 personen.

Bijgestelde raming

Door herverdeling van functiebestanden treden er wijzigingen op in het aantal functies en de verdeling hiervan. De voornaamste wijziging betreft het Diensten Centrum Automatisering. Hiervoor is jaarlijks een budget benodigd ten behoeve van de inhuur van externe expertise. Door inbesteding kan financiële doelmatigheid worden bereikt.

Interim-Apache en logistieke ondersteuning

Met de keuze voor de Apache-64D krijgt de Koninklijke luchtmacht begin 1997 de beschikking over lease Apache 64A helicopters, de zogenaamde interim oplossing. Hierdoor zijn eerder dan voorzien de betreffende functies nodig bij de Tactische Helicopter Groep (THG) en op het gebied van materieel-logistieke ondersteuning. In 1999 wordt de reorganisatie van de THG verder ongewijzigd voortgezet en bereikt het personeelsbestand weer het niveau van het daarvoor vastgestelde plafond.

Oprichting Defensie Interservice Commando (Dico)

De overhevelingen betreffen de oprichting van het Dico. Hierdoor wordt de personeelssterkte van de Koninklijke luchtmacht verlaagd. Het betreft functies bij de Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie en bij de Defensie-organisatie voor Werving en Selectie.

05.02 Militair personeel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen en uitkeringen, alsmede de sociale lasten voor het vrijwillig dienend en het dienstplichtig militair personeel van de Koninklijke luchtmacht. Het betreft militair personeel, geplaatst bij algemeen beherende organisatie-eenheden, bijzondere organisatie-eenheden, operationele eenheden en ondersteunende diensten en onderdelen.

Conform het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit salarisartikel het bedrag, dat als uitgave staat geraamd als verplichting opgenomen.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  871 190843 846814 634815 473803 063 
1e suppletore wet 1996  – 5 7578 8417 6787 5597 217 
Nieuwe mutaties  – 2569 360– 2 668– 4 519– 3 417 
Stand ontwerp-begroting 1997 874 036865 177862 047819 644818 513806 863795 873

In de begrote bedragen is voorts rekening gehouden met de structurele doorwerking van incidentele loonstijgingen en personele overhevelingen.

De in de Defensienota en in de Prioriteitennota gepresenteerde maatregelen inzake de herziening van het personeelsbeleid zijn verwerkt. De verdere reductie van het personeelsbestand en de herstructurering van de krijgsmacht zijn als beleidsuitgangspunten voor de ramingen gehanteerd.

De benodigde bedragen voor de jaren 1996 tot en met 2001 worden beïnvloed door wijzigingen van de begrotingssterkte, mede als gevolg van overhevelingen tussen de beleidsterreinen.

De nieuwe mutaties, inclusief doelmatigheidsbesparingen, kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Doelmatigheidsbesparingen:    
– Opleidingen– 3 534– 3 516– 3 527– 3 586
– Bewaking en Beveiliging – 864– 1 728– 1 728
– Militaire Inlichtingen Dienst100 400    
– Wetenschappelijk Onderzoek en Ontwikkeling   – 67
Totaal doelmatigheidsbesparingen– 3 534– 4 380– 5 155– 4 981
     
Overige mutaties:     
– Overheveling wachtgelden4 0275 2053 7513 786
– Incidentele looncomponent10 86310 40910 37310 253
– Overheveling Attachés Homogene groep internationale samenwerking– 10 792– 10 792– 10 792– 10 792
– Aanpassing raming15 2313 3253 7394 752
– Ontvlechting Geestelijke verzorging krijgsmacht– 6 462– 6 462– 6 462– 6 462
– Ontvlechting Geneeskundig Facilitair Bedrijf– 300– 300– 300– 300
– Reorganisatie verificatie- en betaalfunctie KL/KLu327327327327
Totaal9 360– 2 668– 4 519– 3 417

Opleidingen

Door intensieve scholingsmaatregelen wordt voorzien in een additionele beperking van 15 personen op de meerjarige overtolligheid. Voorts is door scholingsmaatregelen ten behoeve van BBT'ers de begrote instroom in de wachtgeldregeling met 10% gereduceerd. Bij de herberekening van de wachtgelden op beleidsterrein 02. Pensioenen, wachtgelden en uitkeringen is reeds meerjarig rekening gehouden met deze besparing.

Bewaking en beveiliging

De doelmatigheidsbesparingen op bewaking en beveiliging worden verwerkt op basis van een reductie van de formatie.

Militaire Inlichtingen Dienst

Voortschrijdend inzicht leidt tot een aanpassing van de eerder ingeboekte doelmatigheidsbesparing.

Wetenschappelijk Onderzoek en Ontwikkeling

De doelmatigheidsbesparingen op wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling worden verwerkt op basis van een reductie op de formatie.

Overheveling wachtgelden

De wachtgelden voor militair personeel van de Koninklijke luchtmacht worden verantwoord op beleidsterrein 02. Pensioenen, wachtgelden en uitkeringen. Overschotten en tekorten, als gevolg van nieuwe inzichten in de in- en uitstroom, worden verrekend met de begroting van de Koninklijke luchtmacht.

Incidenteel looncomponent

De incidentele looncomponent heeft betrekking op de verwachte stijging van het gemiddelde bruto-salaris als gevolg van de reguliere periodieke verhogingen en de in- en uitstroom.

Overheveling attachés Homogene Groep Internationale Samenwerking

De uitgaven die worden gedaan in het kader van de Nederlandse aanwezigheid op de Nederlandse Antillen en van de attachés worden binnen het ministerie van Defensie gebundeld op het artikel 08.04 Overige uitgaven internationale samenwerking.

Aanpassing raming

De aanpassing van de raming wordt veroorzaakt door een aantal aspecten die samenhangen met de reorganisatie van de Koninklijke luchtmacht en de oprichting van het Defensie Interservice Commando (Dico). Tevens hebben kwalitatieve wijzigingen in het personeelsbestand invloed op de raming van dit artikel. Voorts wordt door invulling van overtollig personeel in het reguliere bestand de BDOS neerwaarts bijgesteld.

Ontvlechting Geestelijke verzorging krijgsmacht

Deze mutatie betreft de overheveling van de budgetten voor de Geestelijke verzorging naar het Dico.

Ontvlechting Geneeskundig Facilitair Bedrijf

Deze mutatie betreft de overheveling van de budgetten voor het Geneeskundig Facilitair Bedrijf naar het Dico.

Reorganisatie verificatie- en betaalfunctie KL/KLu

De verificatie- en betaalfunctie wordt overgeheveld van de Koninklijke landmacht naar de Koninklijke luchtmacht in verband met het opheffen van de decentrale betalingsplaatsen.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

Vrijwillig dienend militair personeel

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 econ. funct.
Salarissen 751 886765 542762 474 11.1 02.2
Overwerk en toeslagen onregelmatige diensten 18 48616 31316 321 11.1 02.2
Toelagen en uitkeringen 50 54539 95641 904 11.1 02.2
Aandeel in de sociale lasten 44 83342 20241 348 11.2 02.2
Totaal 865 750864 013862 047    

Dienstplichtig personeel

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 econ. funct.
Salarissen 6 8141 060  11.1 02.2
Overwerk en toeslagen onregelmatige diensten 1762  11.1 02.2
Toelagen en uitkeringen 58   11.1 02.2
Aandeel in de sociale lasten 1 238102  11.2 02.2
Totaal 8 2861 164     

Totaal militair personeel

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199519961997 econ. funct.
Salarissen 758 700766 602762 474 11.1 02.2
Overwerk en toeslagen onregelmatige diensten 18 66216 31516 321 11.1 02.2
Toelagen en uitkeringen 50 60339 95641 904 11.1 02.2
Aandeel in de sociale lasten 46 07142 30441 348 11.2 02.2
Totaal 874 036865 177862 047    

Ramingskengetallen vrijwillig dienend militair personeel

 
 1995199619971998199920002001
Sterkte begroting 1996 12 71912 33111 85411 85211 692 
Doelmatigheidsbesparingen:       
– Militaire Inlichtingen Dienst    28  
– Wetenschappelijk Onderzoek en Ontwikkeling     – 1 
– Bewaking en Beveiliging   – 18– 36– 36 
Totaal doelmatigsheidsbesparingen   – 18– 34– 29 
Overige mutaties:        
– Oprichting Dico:       
* Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie – 116– 116– 116– 116– 116 
* Defensie-organisatie voor Werving en Selectie – 36– 36– 36– 36– 36 
* Geestelijke Verzorging Krijgsmacht  – 84– 84– 84– 84 
* Geneeskundig Facilitair Bedrijf  – 5– 5– 5– 5 
– Overhevelingen tussen beleidsterreinen 2222222222 
– Apache & logistieke en operationele ondersteuning 25726035   
– Bijstelling raming – 12359592423 
– Attachés Homogene Groep Internationale Samenwerking  – 62– 62– 62– 62 
– Rectificatie BDOS –320– 204– 85– 20– 15 
Sterkte ontwerpbegroting 199712 52712 40312 16511 56411 54111 39011 247
waarvan BOT 8 9838 8148 3858 4058 2578 117
waarvan BBT 3 4203 3513 1793 1363 1333 130
Gemiddeld salaris (x f 1,–)69 11169 75570 86370 87970 92270 84070 763

Ramingskengetallen dienstplichtig personeel

 
  1995199619971998199920002001 
Sterkte begroting 1996  45      
Generaal pardon  – 15      
Sterkte ontwerpbegroting 1997 35430      
Gemiddeld salaris (x f 1,–) 23 40738 800      

Algemene maatregelen personeelsbestand

In de meerjarenraming van de begroting 1996 is rekening gehouden met de reductie van het militair personeel van de Koninklijke luchtmacht. De maatregelen in verband met de Defensienota en de Prioriteitennota zijn in de ramingen verwerkt. Het bestand aan dienstplichtigen is afgebouwd. Ook de verdere reductie als gevolg van de doelmatigheidsoperatie is verwerkt.

Militaire Inlichtingen Dienst

De meerjarige toename betreft een functiewisseling tussen de Koninklijke landmacht en Koninklijke luchtmacht in het kader van de doelmatigheidsoperatie.

Wetenschappelijk Onderzoek en Ontwikkeling (WOO)

Doelmatigheidsbesparingen op WOO zijn begroot op basis van een reductie op de formatie.

Bewaking en beveiliging

De doelmatigheidsbesparingen worden verwerkt naar aanleiding van een gewijzigde opzet van de bewaking en beveiliging van een deel van de luchtmachtonderdelen. Dit leidt tot een reductie op de formatie.

Oprichting Defensie Interservice Commando (Dico)

De overhevelingen betreffen de oprichting van het Dico. Hierdoor wordt de formatie van de Koninklijke luchtmacht verlaagd. Het betreft functies bij de Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie, de Defensie-organisatie voor Werving en Selectie, de Geestelijke Verzorging en het Geneeskundig Facilitair Bedrijf.

Overhevelingen tussen beleidsterreinen

Deze overhevelingen bestaan uit:a.de overheveling van de Beheersorganisatie Militaire Salarissystemen (BMS). Van het beleidsterrein Algemeen zijn 18 vte'n overgeheveld naar de Koninklijke luchtmacht in verband met het opheffen van de centrale BMS (CBMS).b.de overheveling van de Militaire Inlichtingendienst. Eén vte van de Koninklijke luchtmacht is overgeheveld naar beleidsterrein Algemeen. c.de overheveling van de verificatie- en betaalfuncties. Vijf vte'n zijn overgeheveld van beleidsterrein Koninklijke landmacht naar de Koninklijke luchtmacht in verband met het opheffen van de decentrale betalingsplaatsen.

Interim-Apache en logistieke ondersteuning

Met de keuze voor de Apache-64D krijgt de Koninklijke luchtmacht begin 1997 de beschikking over Apache 64A helicopters op basis van een lease constructie, de zogenaamde interim oplossing. Hierdoor zijn eerder dan voorzien de betreffende functies nodig bij de Tactische Helicopter Groep en op het gebied van materieel-logistieke ondersteuning. In 1999 wordt de reorganisatie van de THG verder ongewijzigd voortgezet en bereikt het personeelsbestand weer het niveau van het daarvoor gestelde plafond.

Bijstelling raming

Door herschikking binnen het luchtmachtfunctiebestand treden enkele wijzigingen op in het aantal functies en de verdeling hiervan. Dit heeft tot gevolg, dat de begrotingssterkte in 1996 negatief en vanaf 1997 positief wordt bijgesteld. De aantallen zijn een resultante van een aantal kleine aanpassingen in de formatie van de organisatie-elementen.

Rectificatie personeelsaantal «boven de organieke sterkte (BDOS)»

Door de invoering van de interim-Apache ontstaat een ruimere mogelijkheid om overtollig personeel te herplaatsen dan was voorzien. Door de ervaringen met het SBK-instrumentarium in combinatie met gedetailleerd inzicht in de ontwikkeling van personeels- en funktiebestanden is het verantwoord de per saldo voorziene overtolligheid verder af te bouwen. Op grond hiervan wordt in 1997 een afname personeel BDOS verwacht. Deze afname ten opzichte van vorige ramingen zet zich in volgende jaren voort.

05.03 Overige personele exploitatie

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen de personeelsuitgaven anders dan salarissen voor het burger- en militair personeel.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  149 906176 901161 290162 066159 922 
1e suppletore wet 1996  26 806– 8 653– 8 652– 8 653– 8 653 
Nieuwe mutaties  3 47311 66026 54727 26928 466 
Stand ontwerp-begroting 199711 804248 696180 185179 908179 185180 682179 735182 353

Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingen stand ontwerp-begroting 199711 804248 696180 185179 908179 185180 682179 735182 353Uitgaven stand ontwerp-begroting 1997
19957 472205 867      213 339
19964 33232 355159 263     195 950
1997 10 47420 822147 807    179 103
1998  10032 101145 998   178 199
1999    32 987143 972  176 959
2000    10036 710143 257 180 067
2001    100 36 478146 571183 149
na 2001       35 782 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  162 827171 178169 166164 029163 234 
1e suppletore wet 1996  29 840– 8 653– 8 653– 8 653– 8 653 
Nieuwe mutaties  3 28316 57817 68621 58325 486183 149
Stand ontwerp-begroting 1997 213 339195 950179 103178 199176 959180 067183 149

De nieuwe mutaties in de verplichtingenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Onderwijs en opleiding– 2 74413 20119 68522 598
Overige onderdelen conform uitgaven14 40413 3467 5845 868
Totaal11 66026 54727 26928 466

De nieuwe verplichtingenmutaties hangen samen met de hierna opgenomen mutaties in de uitgaven. Uitzondering hierop vormt de vliegopleiding.

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw zijn, inclusief de doelmatigheidsbesparingen, als volgt te specificeren:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Doelmatigheidsbesparingen:    
– Opleidingen– 500– 500– 500– 500
– Militaire Inlichtingen Dienst  1664
– Wetenschappelijk Onderzoek en Ontwikkeling   – 8
– Bewaking en beveiliging – 132– 264– 264
Totaal doelmatigheidsbesparingen– 500– 632– 748–  708
     
Overige mutaties:     
– Kleding en uitrusting967– 194– 4 891– 4 893
– Voeding1 6041 6561 6571 682
– Reis en verblijfkosten– 2 764– 2 555– 2 556– 3 031
– Verplaatsingskosten6 2735 9256 0685 925
– Geneeskundige verzorging3 0113 1293 1423 183
– Onderwijs en opleiding3 2415 51913 87919 448
– Overige onderdelen4 7464 8385 0323 880
Totaal16 57817 68621 58325 486

Opleidingen

Om een verdere doelmatigheidsbesparing te bereiken worden meer eigen instructeurs ingezet voor vliegopleidingen. Hierdoor ontstaat de aangegeven besparing.

Militaire Inlichtingen Dienst

Voortschrijdend inzicht leidt tot een correctie op de eerder ingeboekte doelmatigheidsbesparing als gevolg van een dubbeltelling.

Wetenschappelijk Onderzoek en Ontwikkeling

De doelmatigheidsbesparingen op wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling leiden tot een reductie van de formatie.

Bewaking en beveiliging

De doelmatigheidsbesparingen op bewaking en beveiliging leiden tot een reductie van de formatie.

Kleding en uitrusting

De verhoging voor het jaar 1997 wordt deels bepaald door de aanschaf van camouflagekleding voor Out of Area operaties. Bij de geplande aanschaf van Persoonsgebonden Uitrusting (PGU) is rekening gehouden met de dalende begrotingssterkte.

Voeding

De nieuwe mutatie van de uitgaven wordt grotendeels bepaald door een herschikking op de verrekenbare ontvangsten, welke in de eerste suppletore begroting 1996 voor een te groot bedrag was ingeboekt op het artikelonderdeel voeding.

Reis- en verblijfkosten

De nieuwe uitgavenraming voor reis- en verblijfkosten is gebaseerd op de afnemende begrotingssterkte.

Verplaatsingskosten

Bijstellingen op verlofreizen, woon- werkverkeer en verhuiskosten ten gevolge van hogere kosten voor repatrianten inclusief gebruik van emolumenten. Voorts is er een toename van internationale plaatsingen en zijn de kosten voor openbaar vervoer gestegen.

Geneeskundige verzorging

In verband met de opschorting van de opkomstplicht van dienstplichtig personeel per 1 januari 1997 dalen de uitgaven voor de vrije geneeskundige verzorging voor dienstplichtigen, behoudens een geringe overloop uit 1996 tot nihil. Het geraamde bedrag voor 1997 en volgende jaren betreft alleen nog de bedrijfsgeneeskundige kosten voor het militair- en burgerpersoneel. Deze kosten vertonen een lichte stijging als gevolg van kostenstijgingen in de gezondheidszorg en daarmee ook in de Krijgsmacht Hospitaal Organisatie. Per saldo is op dit artikelonderdeel minder benodigd.

Onderwijs en opleiding

De invoering van nieuwe vliegtuigtypes leidt in combinatie met een toenemende aantrekkingskracht van de civiele luchtvaart in de komende jaren tot een toename van de instroombehoefte aan vliegers. In de raming zijn fondsen opgenomen om de daarmee samenhangende opleidingsinspanning te accommoderen.

Overige onderdelen

Dit betreft een groot aantal relatief kleine mutaties.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199519961997 199519961997 econ. funct.
Kleding en uitrusting 19 68322 12117 758 19 63620 65822 436 11.4 02.2
Voeding 16 78715 59714 400 16 79315 59714 400 11.4 02.2
Reis– en verblijfkosten 29 02127 89622 858 28 64127 89622 858 12.1 02.2
Verplaatsingskosten 39 15729 58629 008 39 15729 58629 008 12.1 02.2
Sport en ontspanning 3 2292 4681 911 3 2292 4741 911 12.1 02.2
Representatiekosten 675697645 673695645 12.1 02.2
Personeel op bovenformatieve arbeidsplaatsen 3 5662 5811 858 3 5882 6261 858 12.1 02.2
Sociale zorg 3 1232 4592 339 3 1232 4592 339 11.3 02.2
Voorziening woonruimte 11 4634 2103 264 11 4634 2103 264 12.1 02.2
Persoonsgebonden toelagen en uitkeringen 9 2548 9288 839 9 2718 9288 839 11.1 02.2
Werving 8 9997 073572 8 4037 073572 12.1 02.2
Geneeskundige verzorging 9 8827 2233 920 9 5707 2233 920 11.4 02.2
Onderwijs en opleiding 88 99844 42569 231 54 94961 60464 250 12.1 02.2
Arbeidsmarkt en opleidingsfonds voor de overheid A&O-projecten 39914  39914  11.1 02.2
Additionele jongerenbanen voor de overheid SAJO-projecten 1 611   1 611   11.1 02.2
Overige personele uitgaven 3 2094 0073 305 3 1934 0072 803 12.1 02.2
Totaal 248 696180 185179 908 213 339195 950179 103    

Kleding en uitrusting

In dit artikelonderdeel zijn de uitgaven opgenomen die zijn verbonden aan de Persoonsgebonden Uitrusting (PGU) van het personeel van de Koninklijke luchtmacht. De bedragen voor de jaren 1996 en 1997 worden deels bepaald door de aanschaf van camouflagekleding voor Out of Area operaties. Bij de geplande aanschaf van PGU is rekening gehouden met de dalende begrotingssterkte.

De ramingskengetallen zijn bepaald op basis van de sterkte van het militair personeel. Onderscheid is gemaakt in de personeelssterkte van vliegers en overig militair personeel:

 
Ramingskengetallen199519961997
Aantal vliegers491480459
Voortschrijdend begrotingsbedrag (x f 1000,–)3 6354 1674 202
Bedrag per vlieger (x f 1,–)7 4038 6819 155
    
Personele sterkte militairen (in vte'n)12 39011 95311 706
Toegelicht bedrag (x f 1000,–)15 24816 74316 115
Bedrag per vte (x f 1,–)1 2311 4011 377

De stijging in de gemiddelde bedragen wordt hoofdzakelijk veroorzaakt doordat vanaf 1996 meer geïnvesteerd wordt in camouflagekleding voor Out of Area operaties.

Voeding

Op dit artikelonderdeel zijn de uitgaven opgenomen voor voeding van het personeel van de Koninklijke luchtmacht in binnen- en buitenland. Deze uitgaven zijn gebaseerd op de begrotingssterkte.

De ramingskengetallen zijn bepaald op basis van de totale sterkte van zowel burger- als militair personeel.

 
Ramingskengetallen199519961997
Personele sterkte (in vte'n)15 12914 46714 100
Toegelicht bedrag (x f 1000,–)16 79315 59714 400
Bedrag per vte (x f 1,–)1 1101 0781 021

Reis- en verblijfkosten

De op dit artikelonderdeel betrekking hebbende uitgaven vloeien voort uit het met ingang van 1 april 1996 ingevoerde Besluit Dienstreizen Defensie (BDD). De ramingen zijn gebaseerd op de activiteiten binnen de Koninklijke luchtmacht.

De uitgaven worden grotendeels bepaald door de lopende en in ontwikkeling zijnde materieelprojekten. De belangrijkste in dit kader zijn de midlife update van het F-16 programma, luchttransport, bewapening, helikopters en trainingen.

Verplaatsingskosten

Op dit artikelonderdeel worden voornamelijk de uitgaven opgenomen die worden gedaan op grond van het verplaatsingskostenbesluit 1989, het verplaatsingskostenbesluit militairen en de bijbehorende regelingen. De uitgaven hebben betrekking op zowel militair- als burgerpersoneel. De tariefstijgingen van het openbaar vervoer en de wijziging in de personeelssterkte zijn van invloed op dit artikelonderdeel.

De ramingskengetallen zijn gebaseerd op basis van de totale sterkte van zowel burger- als militair personeel.

 
 
Ramingskengetallen199519961997
Personele sterkte (in vte'n)15 12914 46714 100
Toegelicht bedrag (x f 1000,–)39 15729 58629 008
Bedrag per vte (x f 1,–)2 5882 0452 057

Sport en ontspanning

De uitgaven hebben voornamelijk betrekking op het video-contract en de toelage voor de exploitatie van de Kapel van de Koninklijke luchtmacht.

Representatiekosten

De uitgaven van dit artikelonderdeel hebben betrekking op representatiekosten en jubileum- en afscheidsrecepties.

Personeel op bovenformatieve arbeidsplaatsen

De uitgaven die aan inhuur van bovenformatief personeel zijn verbonden, worden op dit artikelonderdeel verantwoord. Het personeel dat wordt ingehuurd bestaat onder andere uit gastdocenten, praktikanten en stagiaires.

Sociale zorg

De uitgaven van dit artikelonderdeel bestaan voornamelijk uit de uitgaven voor aanspraken in geval van langdurige ziekte van personeel en de uitgaven voor ouderschapsverlof.

Als ramingskengetallen zijn aangegeven het aantal langdurig zieken, het postactief personeel, de PAS-regeling en het ouderschapsverlof bij het burgerpersoneel.

 
Ramingskengetallen199519961997
Langdurig zieken464040
Post-actief personeel877 
PAS-regeling322
Ouderschapverlof1088
Toegelicht begrotingsbedrag (x f 1000,–)3 1232 4592 339

Voorziening woonruimte

In dit artikelonderdeel zijn de uitgaven opgenomen ten behoeve van het personeel en hun gezinnen. In de uitgaven wordt tevens rekening gehouden met kosten inzake de afkoop van meerjarige huurcontracten in Duitsland.

Als ramingskengetallen zijn gegeven het aantal gehuurde woningen.

 
Ramingskengetallen199519961997
Aantal woningen (huur)692219178
Aantal woningen (groot onderhoud)41313
Toegelicht begrotingsbedrag (x f 1000,–)11 4634 2103 264

Persoonsgebonden toelagen en uitkeringen

De uitgaven hebben betrekking op diverse persoonsgebonden toelagen en uitkeringen, die een directe relatie hebben met de gewijzigde personeelssterkte.

De ramingskengetallen zijn gebaseerd op de totale sterkte van zowel burger- als militair personeel.

 
Ramingskengetallen199519961997
Personele sterkte (in vte'n)15 12914 46714 100
Toegelicht bedrag (x f 1000,–)9 2718 9288 839
Bedrag per vte (x f 1,–)613617627

Werving

In verband met de oprichting van de Defensie-organisatie voor Werving en Selectie is het budget voor de werving ontvlochten.

Geneeskundige verzorging

In dit artikelonderdeel worden voornamelijk de uitgaven verantwoord voor medische keuringen burgerpersoneel, de medische kosten bij het Nationaal Lucht- en Ruimtevaart Geneeskundig Centrum voor militair personeel en een aantal andere specifieke regelingen. De daling van de uitgaven hangt samen met de gevolgen van de invoering van het nieuwe ziektekostenstelsel, waarbij de militair zelf premie betaalt.

Onderwijs en opleidingen

De invoering van nieuwe vliegtuigtypes leidt in combinatie met een toenemende aantrekkingskracht van de civiele luchtvaart in de komende jaren tot een toename van de instroombehoefte aan vliegers. In de raming zijn fondsen opgenomen om de daarmee samenhangende opleidingsinspanning te accommoderen. Tevens worden hier externe opleidingen alsmede opleidingen ten behoeve van wapensystemen verantwoord.

De ramingskengetallen zijn bepaald door het aantal vliegers en overig militair personeel. Onderscheid wordt gemaakt in de uitgaven voor vliegopleidingen en overige opleidingen.

 
Ramingskengetallen199519961997
Aantal vliegers491480459
Begrotingsbedrag (x f 1000,–)43 30046 75649 402
Bedrag per vlieger (x f 1,–)88 18797 408107 630
    
Personele sterkte (in vte'n)14 63813 98713 641
Toegelicht bedrag (x f 1000,–)11 64914 84814 878
Bedrag per vte (x f 1,–)7961 0621 091

De stijging van de gemiddelde uitgaven voor vliegers hangt nauw samen met een extra behoefte aan vliegers in opleiding.

Overige personele uitgaven

In dit artikelonderdeel zijn de personeelsuitgaven opgenomen die niet zijn onder te brengen bij een van de andere onderdelen van dit artikel, waaronder een bedrag voor kinderopvang.

Sociaal Beleidskader (SBK)

In het onderstaande overzicht zijn de uitgaven voor het Sociaal Beleidskader opgenomen, zoals die worden verwacht naar aanleiding van de herstructurering van de Koninklijke luchtmacht. De uitgaven hebben zowel betrekking op burgerpersoneel als op militair personeel. De verantwoording zal voor het betreffende deel geschieden op de artikelen 01, 02 en 03 van het beleidsterrein 05. Koninklijke luchtmacht alsmede op beleidsterrein 02. Pensioenen, wachtgelden en uitkeringen (bedragen x f 1 miljoen):

 
Hoofdcategoriet.l.v. art199619971998199920002001
Om/her/bijscholing en «outplacement»030,80,80,50,50,50,5
Verplaatsingskosten031,21,21,2   
Wachtgelden BP/UBM-O*7,36,45,33,62,21,0
Wachtgelden MP/UBM-O*7,68,27,36,64,44,7
BDOS plaatsingen militairen025,911,913,118,08,7 
BDOS plaatsingen burgers012,2     
Afwikkeling BV-LOM026,22,4    
Totaal 31,230,927,428,715,86,2

* Deze uitgaven komen ten laste van beleidsterrein 02.

Door de invoering van de interim-Apache ontstaat een ruimere mogelijkheid om overtollig personeel te herplaatsen dan was voorzien. Na een gedetailleerde vergelijking van functiebestanden en de actuele personeelsbestanden blijkt een substantieel deel van de overtolligen in de jaren 1997 en 1998, al dan niet na omscholing of bijscholing, voor herplaatsing in aanmerking te komen. Op grond hiervan wordt in 1997 een afname personeel BDOS verwacht. Deze afname ten opzichte van vorige ramingen zet zich in volgende jaren voort. Door de ervaringen met het SBK-instrumentarium in combinatie met gedetailleerd inzicht in de ontwikkeling van personeels- en funktiebestanden, is het verantwoord de per saldo voorziene overtolligheid desondanks verder af te bouwen.

De BV-LOM regeling is inmiddels afgeschaft. De opgenomen bedragen houden verband met de afwikkeling van deze regeling voor bestaande gevallen.

05.04 Materiële exploitatie

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden exploitatie-uitgaven geraamd anders dan personele uitgaven. Het betreft uitgaven van algemene en specifieke aard, de aankoop van inventarisgoederen en klein materieel, het onderhoud en herstel van infrastructuur en materieel, de aankoop van brandstoffen, olie en smeermiddelen, alsmede de uitgaven voor operationele trainingen en oefeningen.

De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  454 331550 816543 854717 327482 133 
1e suppletore wet 1996  109 114– 26 313– 26 993– 27 460– 27 760 
Nieuwe mutaties  9 06496 97824 89565 91131 264 
Stand ontwerp-begroting 1997413 968663 398572 509621 481541 756755 778485 637579 776
Relatie verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
 t/m 19941995199619971998199920002001 
Verplichtingen stand ontwerp-begroting 1997413 968663 398572 509621 481541 756755 778485 637579 776Uitgaven stand ontwerp-begroting 1997
1995197 170415 499      612 669
199683 547118 022393 588     595 157
199759 72763 598110 689390 250    624 264
199834 72039 59140 831120 382373 046   608 570
199928 0468 99716 79054 89595 198397 183  601 109
20008 5373 8555 47836 89136 471153 017377 728 621 977
20012 2213 1163 19617 72330 53269 33079 492417 091622 701
na 2001 10 7201 9371 3406 509136 24828 417162 685 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1995199619971998199920002001
Stand ontwerp-begroting 1996  537 777544 045558 858608 529612 753 
1e suppletore wet 1996  50 666– 26 313– 26 992– 27 460– 27 760 
Nieuwe mutaties  6 714106 53276 70420 04036 984 
Stand ontwerp-begroting 1997 612 669595 157624 264608 570601 109621 977622 701

Het materieelbeleid is wat betreft de exploitatie gericht op instandhouding van materieel, het ge- en verbruiken van goederen en het aanhouden van voldoende voorraden reservedelen, waarbij wordt gestreefd naar een efficiënte bedrijfsvoering. De herstructureringsplannen van de Koninklijke luchtmacht zijn met name gericht op een doeltreffende inzet, waarbij invulling wordt gegeven aan het meer zelfstandig optreden van de squadrons. Hieraan wordt vormgegeven door het aanhouden van kleine decentrale voorraden en een centrale voorraad in depots. De ramingen berusten op de geplande invoering en uitfasering van wapensystemen, vliegurenplanning en de oefenprogramma's. Hierbij is rekening gehouden met de instroom van nieuwe vliegtuigen en helikopters en de uitfasering van de Alouette III helikopters en de laatste F-27's.

De doelmatigheidsbesparingen kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Doelmatigheidsbesparingen:     
– Opleidingen– 1 000– 1 300– 1 300– 1 300
– Militaire Inlichtingen Dienst  624
– Wetenschappelijk Onderzoek en Ontwikkeling   –  3
– Verkeer en vervoer– 2 500– 2 500– 2 500– 2 500
– Bewaking en beveiliging – 54– 108– 108
– Correctie automatisering300– 2 800– 3 600– 4 700
Totaal doelmatigheidsbesparingen– 3 200– 6 654– 7 502– 8 587

De nieuwe mutaties in de verplichtingen, inclusief doelmatigheidsbesparingen, kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Aanschaf inventarisgoederen:     
– Velduitrusting2 950 11 550 
Vliegtuigen:     
– Follow on support19 130 50 123 
– Reservedelen F-1620 9043 723– 3 8331 438
– Uitbesteding onderhoud F-167983 93766018 404
– Onderhoud bewapende helikopter8 899– 13 582– 14 715– 4 901
Elektrisch en elektronisch materieel:     
– Exploitatie NAFIN – 2 424 3 280
– Onderhoud gebouwen, werken en terreinen10 9409 5111 803– 2 326
Brandstoffen, olie en smeermiddelen:     
– Vliegtuigbrandstof24 69025 27720 00820 268
Overige uitgaven:     
– Organisatie en automatiseringsadviezen 3 534  
– Publikaties/drukwerken4 6353 3032 3302 380
Overige onderdelen4 032– 8 384– 2 015– 7 279
Totaal96 97824 89565 91131 264

De verplichtingen hangen samen met de hierna vermelde mutaties in de uitgaven.

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw zijn per artikelonderdeel als volgt te specificeren:

 
(bedragen x f 1000)1997199819992000
Doelmatigheidsbesparing (zie de verplichtingenmutatie)– 3 200– 6 654– 7 502– 8 587
Correctie niet-verrekenbare ontvangsten5 0005 0004 0004 000
Aanschaf inventarisgoederen:     
– Veld uitrusting2 950– 50– 5011 550
Vliegtuigen:     
– Follow on support F-168 30821 0099 5965 418
– CLSSA F-166 3368662 055– 2 619
– Exploitatie bewapende Heli's31 8195 164– 7 851– 4 901
– Exploitatie Cat D3 3252 4502 5503 140
– Reservedelen F-164 2228 5265255 544
– Uitbesteding onderhoud F–163 4216 8973 2653 184
Brandstoffen, olie en smeermiddelen:     
– Vliegtuigbrandstof23 78125 14420 24820 268
Overige uitgaven:     
– Automatiseringsadviezen3 5113 5461 827934
– Publikaties en drukwerk4 4063 2872 3502 150
Overige mutaties12 6531 519– 10 973– 3 097
Totaal106 53276 70420 04036 984

Opleidingen

Door korting op de leerstof zal een reductie plaatsvinden op het verbruik van leermiddelen. Voorts wordt door de aanschaf van multimedia-apparatuur ten behoeve van opleidingen besparingen gevonden in hardware.

Militaire Inlichtingen Dienst

Nieuwe inzichten leiden tot een correctie op de eerder ingeboekte doelmatigsheidsbesparing.

Wetenschappelijk Onderzoek en Ontwikkeling

De doelmatigheidsbesparingen op wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling leiden tevens tot een reductie van de formatie.

Verkeer en vervoer

Door de instroom van de nieuwe luchttransportvloot wordt een reductie op externe inhuur van luchttransport bewerkstelligd.

Bewaking en beveiliging

De doelmatigheidsbesparingen op bewaking en beveiliging worden bereikt met een reductie van de formatie.

Automatisering

Nieuwe inzichten leiden tot een wijziging op de in de begroting 1996 ingeboekte taakstelling.

Correctie niet-verrekenbare ontvangsten

De lagere ontvangsten leiden niet aanwijsbaar tot lagere exploitatieuitgaven. Dit wordt ondermeer veroorzaakt doordat operationele dienstverlening (bijvoorbeeld luchttransport) aan andere beleidsterreinen niet meer wordt verrekend. Daarom dient de eerder ingeboekte budgetmutatie te worden bijgesteld.

Vliegtuigen (onderdelen en onderhoud)

Voor de F-16 wordt een verhoogde behoefte aan exploitatie-artikelen voorzien. De invoering van de interimoplossing van de bewapende helicopter (Apache 64A) leidt tot een versnelling van de aanschaf van reservedelen. De aanschaf van een Cat D vliegtuig (Gulfstream IV) leidt tot de bijbehorende exploitatie-uitgaven.

Brandstoffen, olie en smeermiddelen

De mutaties worden voornamelijk veroorzaakt door een gewijzigde methodiek van administratieve verwerking van de uitgaven en ontvangsten voor accijnzen. Vanaf 1996 worden de terugontvangen accijnzen niet meer geboekt ten gunste van de uitgaven, maar op de ontvangsten. Daarnaast stijgen de uitgaven door het toenemen van de vlieguren door de instroom van Cat D vliegtuigen en de interimoplossing van de bewapende helikopter.

Overige uitgaven

Door de herstructuring van de Koninklijke luchtmacht ontstaat een verhoogde behoefte aan nieuwe of gewijzigde informatiesystemen. Hierdoor neemt ook de behoefte aan automatiseringsadviezen toe. Door de invoering van een aantal nieuwe vliegtuigtypes wordt de behoefte verhoogd aan publikaties zoals onderhoudsvoorschriften. Hierdoor nemen de uitgaven voor drukwerken toe.

Overigen

Betreft een groot aantal relatief kleine mutaties.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen  Uitgaven Codering
  199519961997 199519961997 econ. funct.
Aanschaf inventarisgoederen 23 16619 09919 661 24 73120 23619 891 13 02.2
Vliegtuigen onderdelen en onderhoud 221 955128 441217 183 176 369149 897219 691 13 02.2
Vervoermiddelen 14 67113 84610 288 10 94216 26211 921 13 02.2
Elektrisch en elektronisch materieel 62 29262 46341 371 46 80246 82247 903 13 02.2
Bewapeningsmaterieel 24 66930 59418 482 25 51824 74721 260 13 02.2
Springstoffen en munitie 2 3712 1612 581 2 2134 4362 719 13 02.2
Onderhoud inventarisgoederen 708752579 687752579 13 02.2
Technische installaties  3 7744 1114 011 3 5414 1504 026 13 02.2
Inrichten van werkplaatsen en magazijnen 4 9547 5656 080 4 7977 4636 532 13 02.2
Onderhoud gebouwen, werken en terreinen 60 97774 69779 952 66 24881 10783 429 13 02.2
Brandstoffen, olie en smeermiddelen 95 78485 56489 131 82 88886 80288 222 12.1 02.2
Huisvestingskosten 25 55219 94719 445 25 73120 98919 513 12.1 02.2
Bureaukosten 12 76012 49011 540 12 58212 53411 540 12.1 02.2
Specifieke uitgaven van operationele aard 23 43611 5915 093 23 75710 4196 062 12.1 02.2
Schietvoorraad 2 1631 0451 847 1 5461 7071 847 12.1 02.2
Overige uitgaven 56 55975 62054 027 64 91773 64953 902 12.1 02.2
Geneeskundig materieel 3 2533 0191 073 4 1063 3281 433 12.1 02.2
Operationele trainingen en oefeningen 24 35419 50439 137 35 29429 85723 794 12.1 02.2
Totaal 663 398572 509621 481 612 669595 157624 264    

Aanschaf inventarisgoederen

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor de instandhouding van onder andere de velduitrusting, keukenmachines, serviesgoed, schoonmaakartikelen, bevoorrading van werkplaatsuitrustingen, meubilair en stoffering.

De ramingskengetallen zijn bepaald door middel van de sterkte van het totaal van zowel burger als militair personeel.

 
Ramingskengetallen199519961997
Personele sterkte (in vte'n)15 12914 46714 100
Toegelicht bedrag (x f 1000,–)24 73120 23619 891
Bedrag per vte (x f 1,–)1 6351 3991 411

Vliegtuigen (onderdelen en onderhoud)

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd, die verbonden zijn aan het onderhoud van het vliegend materieel. De benodigde bedragen worden in sterke mate bepaald door het onderhoud aan de F-16. Het betreft hier de aan te schaffen onderdelen en de uitbesteding van onderhoud. Door een toenemend aantal typen vliegtuigen (interim oplossing bewapende helikopter en Cat D) en de veroudering van de F-16, is het benodigde budget voor dit artikelonderdeel in 1997 gestegen.

Vervoermiddelen

De uitgaven voor het onderhoud van het voertuigenpark van de Koninklijke luchtmacht worden op dit artikelonderdeel geraamd. De raming is opgebouwd op grond van de aanwezige en de nog aan te schaffen voertuigen, alsmede de aanschaf van onderdelen en de uitbesteding van onderhoud.

Elektrisch en elektronisch materieel

De op dit artikelonderdeel geraamde uitgaven hebben betrekking op het onderhoud aan elektrische en elektronische systemen. Het betreft de aanschaf van onderdelen en verbruiksmaterialen en de uitbesteding van onderhoud met betrekking tot telecommunicatie-apparatuur. Tevens zijn de exploitatie-uitgaven voor het Duyverman Computercentrum en het project NAFIN opgenomen.

Bewapeningsmaterieel

De uitgaven op dit artikelonderdeel worden bepaald door onderhoud aan wapensystemen (Hawk, Patriot), trainingswapens en munitie. Herfaseringen en aanpassingen van diverse bewapeningsprojecten hebben geleid tot gewijzigde financiële niveaus.

Onderhoud inventarisgoederen

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor het onderhoud van onder andere de velduitrusting, keukenmachines, serviesgoed, schoonmaakartikelen, bevoorrading van werkplaatsuitrustingen, meubilair en stoffering.

De ramingskengetallen zijn bepaald door middel van de sterkte van het totaal van zowel burger als militair personeel.

 
Ramingskengetallen199519961997
Personele sterkte (in vte'n)15 12914 46714 100
Toegelicht bedrag (x f 1000,–)687752579
Bedrag per vte (x f 1,–)455241

Onderhoud van gebouwen, werken en terreinen

De uitvoering van onderhoudsprogramma's wordt op dit artikelonderdeel verantwoord. In de uitgaven is rekening gehouden met de herstructurering van de Koninklijke luchtmacht. In de ramingen is rekening gehouden met stijgende uitgaven als gevolg van de agentschapstatus van de DGW&T, waardoor deze vanaf 1996 voor de verrichte werkzaamheden rekeningen indient.

De volumegegevens:

 
Omschrijving1995%1996%1997%
Nieuwbouw en dergelijke111 23063201 43271137 53062
waarvan apparaatsuitgavennvt 17 300 15 500 
Onderhoud en herstel gebouwen66 2483781 1072983 42938
waarvan apparaatsuitgavennvt 26 400 25 100 
Totalen177 478100282 539100220 959100

Brandstoffen, olie en smeermiddelen

De geraamde uitgaven op dit artikelonderdeel worden voornamelijk bepaald door de aanschaf van vliegtuigbrandstoffen. De financiële omvang is gebaseerd op het verbruik per vlieguur, de prijs en het aantal geplande vlieguren. Vanaf 1996 worden de terugontvangen accijnzen niet meer geboekt op de uitgaven, maar op de ontvangsten.

Huisvestingskosten

De ramingskengetallen zijn bepaald door middel van de sterkte van het totaal van zowel burger en militair personeel.

 
 199519961997
Personele sterkte (in vte'n)15 12914 46714 100
Toegelicht bedrag (x f 1000,–)25 73120 98919 513
Bedrag per vte (x f 1,–)1 7011 451