Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal1996-199724760 nr. 6

24 760
Voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten)

nr. 6
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 19 september 1996

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «de jonggehandicapte» vervangen door: de persoon.

b. In het tweede lid wordt «De jonggehandicapte» vervangen door: De persoon.

c. In het vijfde en zesde lid wordt «de jonggehandicapte» vervangen door: de betrokkene.

B

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid, onderdeel b, wordt vervangen door:

b. na de in onderdeel a bedoelde dag arbeidsongeschikt wordt en in het jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

b. Het tweede lid, onderdeel d, wordt vervangen door:

d. voor wie de verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag ontvangt op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van die wet.

C

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid wordt vervangen door:

1. De jonggehandicapte heeft recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering zodra hij onafgebroken 52 weken, onmiddellijk volgend op de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b bedoelde dag, arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van dat tijdvak nog arbeidsongeschikt is.

b. Het derde lid vervalt, onder vernummering van het vierde, vijfde en zesde lid in het derde, vierde en vijfde lid.

D

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, wordt vervangen door:

b. wanneer de arbeidsongeschiktheid is geëindigd, of beneden 25% is gedaald, met ingang van de dag, aangegeven in de daartoe strekkende beschikking van de bedrijfsvereniging;

c. met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte zich buiten Nederland heeft gevestigd.

E

Na artikel 17 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 17a. Herleving van het recht op uitkering

Indien het recht op uitkering op grond van artikel 17, eerste lid, onderdeel c, is geëindigd en de jonggehandicapte zich vervolgens weer in Nederland vestigt, herleeft het recht op uitkering met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij zich weer in Nederland heeft gevestigd.

F

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid wordt vervangen door:

2. De bedrijfsvereniging kan de jonggehandicapte en de ingezetene die de leeftijd van 17 jaar nog niet heeft bereikt in aanmerking brengen voor vervoersvoorzieningen strekkend tot verbetering van zijn leefomstandigheden indien deze voorzieningen deel uitmaken van, dan wel rechtstreeks samenhangen met voorzieningen waarvoor hij op grond van het eerste lid in aanmerking is of wordt gebracht.

b. In het derde lid vervalt de tweede zin.

c. Na het derde lid wordt een nieuw vierde lid ingevoegd, luidende:

4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld omtrent de verstrekking van een voorziening op grond van dit artikel, indien de jonggehandicapte tevens verzekerde is op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen dan wel op grond van enige andere wettelijke regeling in aanmerking komt voor de toekenning van een voorziening die naar aard en strekking overeenkomt met een voorziening als bedoeld in dit artikel.

G

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste en tweede lid wordt «vijf maanden» vervangen door: dertien weken.

b. In het eerste lid wordt de zinsnede «of na het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid» vervangen door: dan wel binnen dertien weken na de in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, bedoelde dag.

H

Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid wordt vervangen door:

1. Herziening dan wel heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt op aanvraag of ambtshalve plaats.

b. Het derde lid vervalt.

I

In artikel 30, derde lid, vervalt de zinsnede «, doch niet later dan drie maanden na de aanzegging van de herziening door de bedrijfsvereniging».

J

In artikel 32, eerste lid, onderdeel c en d, wordt de zinsnede «ten aanzien van wie voorzieningen als bedoeld in artikel 23 worden getroffen of overwogen of aan wie een toelage of vergoeding als bedoeld in artikel 25 is verleend» vervangen door: ten aanzien van wie voorzieningen als bedoeld in artikel 23 dan wel een toelage of vergoeding als bedoeld in artikel 25 worden getroffen of overwogen.

K

In artikel 39, eerste lid, wordt de zinsnede «niet binnen de door de bedrijfsvereniging daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen» vervangen door: niet of niet behoorlijk is nagekomen.

L

In artikel 49, vierde lid wordt de zinsnede «vermeerderd met het bedrag aan premies dat de werkgever bij uitbetaling daarover verschuldigd zou zijn» vervangen door: vermeerderd met het bedrag aan premies dat de bedrijfsvereniging bij uitbetaling daarover op grond van enige wet verschuldigd zou zijn en dat niet op de uitkeringen in mindering kan worden gebracht.

M

Artikel 50 wordt vervangen door:

Artikel 50. Samenloop met WAO-uitkering en andere uitkeringen

1. Indien zowel recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald, voor zover deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft.

2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien ter zake van arbeidsongeschiktheid recht ontstaat op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en in verband daarmee geen herziening op grond van artikel 12 plaatsvindt van de voordien toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering.

3. Indien ter zake van arbeidsongeschiktheid met ingang van dezelfde dag zowel recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de artikelen 11 tot en met 16 als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald voor zover deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft, doch in ieder geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening.

4. Indien na toepassing van het derde lid zowel de arbeidsongeschiktheidsuitkering als de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen als gevolg van toe- of afneming van de arbeidsongeschiktheid wordt herzien, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering, in afwijking van het eerste lid, uitbetaald voor zover deze het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft, doch in elk geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening als bedoeld in het derde lid.

5. Indien ter zake van arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met de artikelen 36 tot en met 40 van die wet of op herziening op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen in verband met de artikelen 12 tot en met 16 van die wet als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover deze de herziene arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft.

6. Voor de toepassing van het eerste tot en met het vijfde lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering en arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen tevens verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van die arbeidsongeschiktheidsuitkeringen recht bestaat, voor zover die vakantie-uitkeringen over dezelfde periode zijn berekend.

7. Het eerste tot en met het zesde lid zijn niet van toepassing op degene die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt op grond van de vrijwillige verzekering als bedoeld in hoofdstuk VI van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld:

a. met betrekking tot het eerste lid;

b. ter voorkoming of beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van andere wetten.

9. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkering ingevolge de sociale wetgeving van de Nederlandse Antillen, Aruba of van een andere Mogendheid.

N

In artikel 61, tweede lid, wordt de zinsnede «ten aanzien van wie voorzieningen als bedoeld in artikel 23 worden getroffen of overwogen of aan wie een toelage of vergoeding als bedoeld in artikel 25 is verleend» vervangen door: ten aanzien van wie voorzieningen als bedoeld in artikel 23 dan wel een toelage of vergoeding als bedoeld in artikel 25 worden getroffen of overwogen.

O

Artikel 65 wordt vervangen door:

Artikel 65. Uitvoering door de bedrijfsvereniging

1. In de uitvoering van de in deze wet geregelde voorziening wordt voorzien door de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging tenzij in dit artikel anders is bepaald.

2. Indien de jonggehandicapte in geval van arbeidsongeschiktheid met ingang van dezelfde dag tevens aanspraak heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, geschiedt de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering door de bedrijfsvereniging tegenover welke hij die aanspraak heeft.

3. Indien de jonggehandicapte recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen die is toegekend met ingang van een dag, gelegen vóór de dag waarop hij recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend door de bedrijfsvereniging die de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen heeft toegekend.

4. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming kan regels stellen waarbij een bevoegde bedrijfsvereniging wordt aangewezen in geval van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkeringen op grond van andere wettelijke regelingen in gevallen, anders dan bedoeld in het tweede en derde lid.

5. De bedrijfsvereniging die bevoegd is tot toekenning, herziening of heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is tevens bevoegd met betrekking tot de uitvoering van artikel 23.

P

Voor de tekst van artikel 69 wordt een 1. geplaatst, waarna een tweede lid wordt toegevoegd, luidende:

2. Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een besluit waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt, beslist de bedrijfsvereniging binnen zeventien weken of, indien zij advies vraagt aan een deskundige die niet onder haar verantwoordelijkheid werkzaam is binnen een en twintig weken, na ontvangst van het bezwaarschrift.

Toelichting

A, G, onder b, H, J en N

In het onderdeel «Artikelsgewijze toelichting» van de nota naar aanleiding van het verslag zijn de wijzigingen van de artikelen 2, 26, eerste lid (onderdeel G, onder b), 29, 32, eerste lid, onderdeel c en d, en 61, tweede lid, aan de orde gekomen.

B en C

Onder het regime van de AAW hoeft men om voor een AAW-uitkering in aanmerking te komen, niet studerende te zijn op de dag waarop de arbeidsongeschiktheid intreedt, als men maar in het jaar, onmiddellijk voorafgaande aan die dag gedurende ten minste zes maanden studerende was. Op grond van het thans voorgestelde artikel 5, eerste lid, onderdeel b, wordt, naast de ingezetene die op de dag waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, ook als jonggehandicapte aangemerkt de ingezetene, die na die dag arbeidsongeschikt wordt op een dag waarop hij studerende is.

Op dit punt is in de Wajong echter geen inhoudelijke wijziging beoogd. Met de aanpassing van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, wordt het AAW-regime doorgetrokken naar de Wajong. In verband hiermee kan artikel 6, derde lid, vervallen, alsmede de verwijzing naar dat lid in het eerste lid van dat artikel.

Voorts is de redactie van onderdeel d van het tweede lid van artikel 5 aangepast, omdat ook andere personen dan ouders de kinderbijslag kunnen ontvangen.

D, E en I

De wijziging van artikel 17, eerste lid, onderdeel b, en artikel 30, derde lid, komt overeen met de wijziging van de artikelen 19, eerste lid, onderdeel b, en 37, derde lid, van de WAZ. Deze laatste wijziging is aan de orde gekomen in paragraaf 2.3.1 van de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

Behoudens bijzondere situaties moet de jonggehandicapte van zijn 11e tot zijn 17e jaar in Nederland hebben gewoond om in aanmerking te komen voor een uitkering (artikelen 2, vierde lid, en 10, tweede lid, Wajong).

Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen kan worden afgeleid dat dit vereiste aan jonggehandicapten die tijdens hun 11e tot en met 16e jaar in een EU-Lid-Staat hebben gewoond niet lijkt te kunnen worden gesteld in het licht van het Gemeenschapsrecht. Dit heeft tot gevolg dat deze categorie jonggehandicapten in weerwil van de artikelen 2, vierde lid, en 10, tweede lid, toch in aanmerking kan komen voor een Wajong-uitkering.

Het gevaar bestaat dat het niet meer kunnnen toepassen van de 6-jaren eis op deze categorie jonggehandicapten calculerend gedrag in de hand werkt. Het kan aantrekkelijk worden voor ouders met een jonggehandicapt kind, om tijdelijk in Nederland te komen werken, om nadat de uitkering aan het kind is toegekend, vervolgens met medeneming van de uitkering weer naar het land van herkomst terug te keren.

Het kabinet is van mening dat de meest gerede oplossing om dit tegen te gaan is de opneming van een bepaling die de export van Wajong-uitkeringen verhindert. Een dergelijke bepaling wordt door het toepasselijke Gemeenschapsrecht gerespecteerd, wanneer het gaat om belastinggefinancierde regelingen. Doordat de Wajong niet meer uit premies maar uit rijksbijdragen wordt gefinancierd, heeft de regeling meer het karakter van een inkomensvoorziening gekregen dan van een inkomensdervingsverzekering. Dergelijke regelingen worden door de meeste landen niet geëxporteerd.

Daarnaast is een dergelijk verbod geheel in lijn met het voornemen van het kabinet om in alle sociale verzekeringswetten een exportverbod op te nemen1.

Het gevolg van deze maatregel is dat een jonggehandicapte die voor zijn vestiging in een EU-Lidstaat woonde, onmiddellijk na vestiging in Nederland in aanmerking kan komen voor een uitkering, maar deze uitkering na verhuizing naar het buitenland niet kan exporteren. In verband hiermee wordt in artikel 17, eerste lid, onderdeel c, bepaald, dat wanneer een Wajong-gerechtigde zich in het buitenland vestigt, het recht op uitkering wordt beëindigd.

Dit recht kan overigens herleven op het moment dat hij zich weer in Nederland vestigt. Anders dan bij de WW is de herleving in de Wajong niet aan een termijn gebonden. Deze herleving is geregeld in onderdeel E.

F

De wijziging onder a houdt verband met de beslissing van het kabinet om de verstrekking van de blindengeleidehond geheel bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) onder te brengen.

Tot deze keuze is gekomen omdat het bij nader inzien wenselijk werd geacht dat een dergelijke specifieke voorziening vanwege één instantie wordt verstrekt. Bij deze keuze heeft voorts een rol gespeeld dat de verhouding tussen honden die uitsluitend voor de werksituatie en werk/leefsituatie worden gebruikt, en honden die uitsluitend voor de leefsituatie worden gebruikt, wordt geschat op een verhouding van 20% tot 80%.

Deze keuze houdt in dat – in tegenstelling tot het aanvankelijke voorstel – de gecombineerde werk/leefvoorziening blindengeleidehond niet op grond van de sociale verzekeringswetgeving zal plaatsvinden. Ten behoeve van de verstrekking van blindengeleidehonden, zowel voor de gecombineerde leef/werk-situatie als voor de zuivere leefsituatie, zal door de Minister van VWS aan de Ziekenfondsraad worden verzocht een subsidieregeling op te stellen die gebaseerd zal zijn op artikel 39 van de Wet financiering volksverzekeringen.

Voor een toelichting op de wijzigingen onder b en c moge worden verwezen naar de toelichting op onderdeel F, onder b en c, van de nota van wijziging op het wetsvoorstel arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, die bij de nota naar aanleiding van het verslag bij dat wetsvoorstel is gevoegd.

G, onder a

De aanpassing van artikel 26, eerste en tweede lid (onderdeel G, onder a) komt overeen met de aanpassing van artikel 32, eerste en tweede lid, van de WAZ, die in paragraaf 2.4 van de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen is toegelicht.

K

De wijziging van artikel 39, eerste lid, behelst een overeenkomstige wijziging als die van artikel 47 van de WAZ die bij het onderdeel «Artikelsgewijze toelichting» van de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen is toegelicht.

L

De wijziging van artikel 49, vierde lid, vloeit voort uit door het Tica geconstateerde onduidelijkheden in dat artikellid. Allereerst betreft dat het begrip «werkgever». Aangezien het hierbij om de bedrijfsvereniging gaat, ligt het voor de hand die instantie met name te noemen. Voorts dient duidelijk te zijn dat het hier alleen gaat om de werkgeversdelen van de premies sociale verzekeringswetten. De nieuwe formulering in artikel 49, vierde lid, strekt ertoe een en ander met zoveel woorden in de wet vast te leggen.

M

De redactie van het thans voorgestelde artikel 50 stemt in grote lijnen overeen met die van artikel 58 van het wetsvoorstel arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, zoals dat na de daarin bij nota van wijziging aangebrachte wijzigingen is komen te luiden.

Voor de goede orde wordt er nog op gewezen, dat waar in het eerste lid sprake is van samenloop van een Wajong-uitkering met een WAO- of WAZ-uitkering, daaronder mede wordt verstaan een samenloop van een Wajong-uitkering met een WAO- én een WAZ-uitkering. In die gevallen wordt de Wajong-uitkering slechts uitbetaald voor zover deze uitkering meer bedraagt dan de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO en de WAZ tezamen.

O

In het voorgestelde nieuwe artikel 65 wordt geregeld welke bedrijfsvereniging bevoegd is tot toekenning van de Wajong-uitkering. In het tweede en derde lid is geregeld welke bedrijfsvereniging bevoegd is ingeval van samenloop van een Wajong-uitkering met een WAO- of een WAZ-uitkering. Een soortgelijke regeling is opgenomen in artikel 68 van de WAO en artikel 82 van de WAZ. Het samenstel van deze regels leidt ertoe dat de bedrijfsvereniging die als eerste een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft toegekend, bevoegd is tot toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van een andere regeling. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat overdracht van dossiers plaats zou moeten vinden bij hernieuwde arbeidsongeschiktheid uit hoofde van een andere regeling. Met andere woorden, in de situatie (bijvoorbeeld) waar een Wajong-gerechtigde voor zijn resterende verdiencapaciteit werkzaamheden als werknemer gaat verrichten en vervolgens (toegenomen) arbeidsongeschikt wordt, is op grond van artikel 68 van de WAO ter zake van de toekenning van de WAO-uitkering bevoegd, de bedrijfsvereniging die de Wajong-uitkering heeft toegekend.

In het bij nota van wijziging op het wetsvoorstel arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen vooorgestelde vijfde lid van artikel 82 van de WAZ is voorgesteld het Tica de bevoegdheid te geven tot aanwijzing van een bevoegde bedrijfsvereniging in andere samenloopsituaties dan in dat artikel bedoeld. Het is denkbaar dat zich ook bij de Wajong andere samenloopsituaties kunnen voordoen dan in het tweede en derde lid van artikel 65 bedoeld. In verband daarmee is in het vierde lid van artikel 65 van de Wajong een overeenkomstige bepaling opgenomen.

Mede naar aanleiding van het aanvullend commentaar van het Tica op de WAZ is in het vijfde lid van artikel 65 Wajong aangegeven, welke bedrijfsvereniging bevoegd is ten aanzien van de voorzieningen. In dit lid wordt aangegeven dat de bevoegde bedrijfsvereniging met betrekking tot de voorzieningen de bedrijfsvereniging is die uit hoofde van het eerste tot en met het vierde lid verantwoordelijk is voor de toekenning, herziening of heropening van de uitkering. Met deze wijziging wordt tevens bereikt dat in gevallen van samenloop een bevoegde bedrijfsvereniging kan worden aangewezen voor de toekenning van voorzieningen.

P

Thans geldt voor het gehele terrein van de sociale verzekeringen een termijn van dertien weken voor het nemen van een beslissing op bezwaar. Invoering van de medische bezwaarschriftprocedure zal er toe leiden dat in bezwaar ook medische of arbeidskundige herbeoordelingen plaatsvinden. Gegeven het feit dat de uitvoeringsinstellingen zich thans al tot het uiterste moeten inspannen om de geldende beslistermijn te halen, is een verlenging van deze termijn bij de medische bezwaarschriftprocedure onontbeerlijk. Om die reden wordt voorgesteld de beslistermijn in die gevallen te bepalen op zeventien weken. Indien de medische of arbeidskundige herbeoordeling niet door de uitvoeringsinstelling zelf wordt verricht, maar door een extern deskundige wordt deze termijn met vier weken verlengd. De wijziging van artikel 69 strekt daartoe.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave

Concordantietabel Wajong-AAW

Wajong-artikelAAW-artikelonderwerp
11algemene begrippen
25begrip arbeidsongeschiktheid
32ingezetene
43woonplaats
5jonggehandicapte
66recht op ao-uitkering
710grondslag uitkering
812% ao-uitkering
913verhoging ao-uitkering
1021/22buiten aanmerking laten ao
1126/32, lid 4herziening ao-uitkering
1227herziening bij < 45% ao
1328herziening bij 45% of meer ao
1429herz. uitk. zonder wachttijd
1529aherz. bij toename ao < 5 jaar
1626aoverige gronden herz./intr
1740/32einde recht ao-uitkering
17aherleving recht op uitkering
1832atoek. uitk. < 5 jaar na intr./niet-toek.
1937heropening uitkering
2052recht op vakantie-uitkering
2153hoogte vakantie-uitkering
2255vak.uitk. over overlijdensuitk.
2357voorzieningen
2426aovereenk. toepassing art. 16
2558toelage en vergoeding
2665melding gedurende wachttijd
2724toekenning ao-uitkering
2825ingangsdatum uitkering
2930aanvraag/ambtshalve
3031ingangsdatum herz./herop. uitkering
3153toek. andere uitk. op aanvraag/ambtshalve
3214oproep/onderzoek bv
3317vergoeding kosten + tijdverlies
3415voorschriften med./admin. aard
3518controlevoorschriften
3616gevolgen weigeren onderzoek
3719gevolgen niet-naleven voorschriften
3820afstemming maatregel op ernst gedraging
3920aboete bij niet-nakoming inlichtingenverpl.
4020bvoorschriften rond voorg. boete-oplegging
4120cvoorschriften rond boetebesluit
4220dniet-oplegging boete
4320etermijnstelling boete
4420fafwijking Awb
4520gboetebesluit executoriale titel
4641betaalbaarstelling
4741ainhouding vereveningsbijdrage
4845betaling aan instellingen
4933inkomsten uit arbeid tijdens uitkering
50(36a)/43samenloop uitkeringen
5153betaling vakantie-uitkering
5244 (tekst 1-1-1997)overlijdensuitkering
5347verjaringstermijn
5448terugvordering
5548aterugv.besluit executoriale titel
5648bnadere regels
5750onvervreemdbaarheid verstrekkingen
5813/44/57niet voor beslag vatbare verstrekkingen
5982samenloop aanspraken
60regresrecht
6178inlichtingenverplichting
62ao-fonds jonggehandicapten
63middelen tot dekking uitgaven
64uitgaven tlv ao-fonds jonggehand.
6560uitvoering door bv
6669verlening toelagen
673abegrip belanghebbende
683bbeslistermijnen
6979beslistermijn bv bij bezwaarschrift
70medische bezwaarschriftprocedure
7180beroep in cassatie
7286strafbepaling
7387verval recht strafvordering
7488overtredingen
75overgangsbepaling studerende
7699buiten toepassingverkl. Alg. termijnenwet

XNoot
1

Brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 20 februari 1996 betreffende de notitie «Handhaving over de grens bij export van uitkeringen», kamerstukken 1995/96, 17 050, nr. 199.