﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="nota">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24622-7/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1996-1997</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>6K3612</ordernr>
    <vergjaar>1996-1997</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>24 622</nummer>
      <naam>Verzelfstandiging van Staatsbosbeheer (Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>7</nummer>
      <titel>NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG</titel>
      <datum>Ontvangen 13 november 1996 </datum>
      <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
        <tgroup align="left" charoff="75" cols="3" tgroupstyle="sdu1">
          <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="22mm"></colspec>
          <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="80.5mm"></colspec>
          <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="10mm"></colspec>
          <tbody valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0"> Paragraaf
1 </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Inleiding</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1 </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">Paragraaf 2 </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Waarom verzelfstandiging?</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">2</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">Paragraaf 3 </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Waarom externe verzelfstandiging?</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">3 </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Paragraaf
4 </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Mogelijkheden tot privatisering van Staatsbosbeheer</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">6 </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Paragraaf
5 </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">De ministeriële verantwoordelijkheid</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">10 </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Paragraaf
6 </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">De aansturingsrelatie tussen Staatsbosbeheer en de minister van LNV</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">13</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Paragraaf 7 </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">De invulling van de maatschappelijke participatie</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">17</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Paragraaf 8 </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">De beoogde efficiencywinst</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">19 </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Paragraaf
9 </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Het aan- en verkoopbeleid</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">21 </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Paragraaf 10 </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Financiële
bepalingen</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">24 </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Paragraaf 11 </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Tenslotte</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">24 </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Paragraaf
12 </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">De artikelsgewijze toelichting</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">26</entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 1. Inleiding</tuskop>
      <al>De ondergetekende is de leden van de verschillende fracties erkentelijk
voor hun schriftelijke inbreng bij de behandeling van het wetsvoorstel Verzelfstandiging
Staatsbosbeheer. Met genoegen constateert hij dat geen van de aan het woord
zijnde leden fundamentele bezwaren heeft tegen het in dit wetsvoorstel neergelegde
voornemen om Staatsbosbeheer te verzelfstandigen. Wel heeft een aantal leden
kanttekeningen geplaatst bij de vorm waarin wordt voorgesteld dit te doen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Veel vragen en opmerkingen, op verschillende plaatsen in het verslag,
zijn dan ook terug te voeren op de kernvraag; waarom is gekozen voor externe
verzelfstandiging van Staatsbosbeheer. Direct in samenhang daarmee zijn ook
veel vragen gesteld over de doelstelling van het wetsvoorstel, de mogelijkheden
om Staatsbosbeheer te privatiseren en over de verhouding die in de voorgestelde
constructie gaat ontstaan tussen Staatsbosbeheer en de particuliere natuurbeschermingsorganisaties.</al>
      <al>Verder bestaan er bij verschillende fracties vragen over de sturingsrelatie
tussen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en een verzelfstandigd
Staatsbosbeheer, alsmede over de ministeriële verantwoordelijkheid
in de situatie dat Staatsbosbeheer buiten het verband van het Ministerie van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is geplaatst.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het fundamentele karakter van de gestelde vragen over deze onderwerpen
geeft mij aanleiding om in de navolgende paragrafen nog eens ten gronde op
die thema's in te gaan. Verder wordt in deze nota een aparte paragraaf gewijd
aan de meer concrete invulling van het begrip maatschappelijke participatie,
aan de te verwachten efficiencywinst, aan het aan- en verkoopbeleid voor door
Staatsbosbeheer te beheren gronden en aan de financiële verhouding die
tussen een verzelfstandigd Staatsbosbeheer en het Ministerie van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij en de andere departementen zal ontstaan. De dan nog
resterende vragen zijn in paragraaf 11 beantwoord.</al>
      <al>Paragraaf 12 besluit deze nota met mijn reactie op de artikelsgewijze
opmerkingen. </al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 2. Waarom verzelfstandiging?</tuskop>
      <al>In de memorie van toelichting heb ik uiteengezet waarom ik heb gekozen
voor verzelfstandiging en niet voor privatisering van Staatsbosbeheer. Ik
hecht eraan om dit nog eens te benadrukken, omdat ik heb gemerkt dat er de
laatste tijd verwarring bestaat over de inhoud van deze begrippen. Dit, terwijl
er in mijn ogen sprake is van een fundamenteel verschil. Natuur valt niet
winstgevend te exploiteren. Reeds daarom valt privatisering af. De taken van
Staatsbosbeheer kunnen nooit geheel uit de markt gefinancierd worden. Derhalve
is structurele financiering uit de openbare middelen noodzakelijk. Ook het
feit dat ik in een beperkt aantal gevallen wel degelijk mogelijkheden zie
voor toepassing van het profijtbeginsel bij Staatsbosbeheer, doet hieraan
niet af. Bij structurele overheidsfinanciering van een groot gedeelte van
de kosten van Staatsbosbeheer, vind ik het gewenst dat Staatsbosbeheer een
overheidsinstelling blijft. Immers een overheidsorgaan biedt meer garanties
voor aanstuurbaarheid, openbaarheid, verantwoording en democratische controle.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Anders dan na privatisering, blijft een instelling na verzelfstandiging
dus overheidsorgaan. Dat geldt ook voor Staatsbosbeheer. Daarmee heb ik evenwel
nog niet nader toegelicht waarom ik Staatsbosbeheer wil verzelfstandigen.
Daarover nu het volgende. In de memorie van toelichting heb ik aangegeven
dat Staatsbosbeheer na verzelfstandiging in staat is een beter produkt tegen
lagere kosten voor de overheid te leveren. Zo ben ik ervan overtuigd dat Staatsbosbeheer
door verzelfstandiging beter zal gaan functioneren. Door verzelfstandiging
kan een overheidsorgaan namelijk meer bedrijfsmatig en daardoor efficiënter
gaan werken. Zo wordt het door verzelfstandiging bijvoorbeeld mogelijk om
over te stappen van het zogeheten verplichtingen/kasstelsel op het baten/lasten
stelsel. Een en ander maakt het beter mogelijk om op bedrijfseconomische basis
kostprijzen te calculeren, om afschrijvingen te plegen en te reserveren over
de jaargrens heen. De introductie van dit stelsel prikkelt het kostenbewustzijn
van de medewerkers. Dit alles is van groot belang voor een uitvoerende dienst
als Staatsbosbeheer. Ter illustratie wil ik één voorbeeld geven:
in een verplichtingen/kasstelsel wordt binnen Staatsbosbeheer gestuurd op
houtinkomsten en niet op houtopbrengsten. Dit leidt ertoe dat bij dalende
houtprijzen, teneinde toch de afgesproken inkomsten te halen, er eerder meer
dan minder hout wordt verkocht. Niet alleen is dit bedrijfseconomisch onverstandig,
maar ook is dit meerjarig gezien onvoordelig voor de schatkist en de belastingbetaler. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door verzelfstandiging krijgt Staatsbosbeheer dus meer flexibiliteit in
zijn bedrijfsvoering en wordt het tevens een aantrekkelijker partner voor
publiek-private samenwerking. </al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 3. Waarom externe verzelfstandiging?</tuskop>
      <al>Alhoewel met het voorgaande is toegelicht waarom ik Staatsbosbeheer wil
verzelfstandigen is daarmee nog geen keuze gemaakt voor de specifieke vorm
van verzelfstandiging. In beginsel staan twee vormen ter beschikking: interne
verzelfstandiging, ook wel agentschap genoemd, en externe verzelfstandiging,
welke laatste vorm ook wel wordt aangeduid als zelfstandig bestuursorgaan.</al>
      <al>Teneinde bedrijfsmatig te kunnen werken, zou ook met interne verzelfstandiging
kunnen worden volstaan. Waarom – zo vragen de leden van PvdA, VVD, CDA,
RPF, SGP en GPV – dan toch gekozen voor externe verzelfstandiging? Hier
kom ik bij de belangrijkste reden voor het onderhavige wetsvoorstel: de «vermaatschappelijking
van Staatsbosbeheer».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor ik nader inga op de noodzaak van deze vermaatschappelijking, wil
nog iets kwijt over het karakter van de externe verzelfstandiging. Staatsbosbeheer
beschikt voor de uitvoering van zijn taken niet over enige publiekrechtelijke
bevoegdheid. Daarmee is gegeven dat Staatsbosbeheer, anders dan langs privaatrechtelijke
weg, geen verplichtingen aan burgers op kan leggen. Het werkterrein van Staatsbosbeheer
kenmerkt zich bij de uitoefening van zijn publieke taak tot de uitvoering
van rijksbeleid. Daarbij gaat het om werkzaamheden van technisch-professionele
aard met een geringe politieke gevoeligheid. Wanneer ik spreek over de externe
verzelfstandiging van Staatsbosbeheer bedoel ik daarmee niet meer en niet
minder dan uitplaatsing van deze dienst uit het ministerie en positionering
ervan als apart overheidslichaam met een eigen identiteit en rechtspersoonlijkheid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nadere analyse van Staatsbosbeheer leert dat het werk van deze organisatie
niet alleen technisch uitvoerend van karakter is, maar ook dat Staatsbosbeheer
zich in de kern bezighoudt met publieke dienstverlening. Zulks ter onderscheiding
van overheidsdiensten als beleidsdirecties die primair ter ondersteuning van
de politiek werken. Opdrachtgever van Staatsbosbeheer is de politiek, maar
de klant is de burger. In deze zin is Staatsbosbeheer te vergelijken met uitvoeringsorganisaties
in de gezondheidszorg of met onderwijsinstellingen. Zoals bekend maken deze
doorgaans geen onderdeel uit van een ministerie en hebben ze een eigen rechtspersoonlijkheid
ten einde het publiek beter te kunnen bedienen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ondertussen brengt het ontbreken van publiekrechtelijke bevoegdheden bij
Staatsbosbeheer met zich mee, dat Staatsbosbeheer bij dienstverlening aan
het publiek zeer afhankelijk is van datzelfde publiek.</al>
      <al>Staatsbosbeheer moet het hebben van de steun en de tevredenheid van de
burger. Anders gezegd zonder die steun van het publiek kan Staatsbosbeheer
zijn werk niet naar behoren verrichten. Het terreinbeheer kan alleen effectief
worden gevoerd in wisselwerking met de omgeving. Draagvlak bij de bevolking
is daarbij onontbeerlijk. Ook in het recente verleden is dat weer overtuigend
gebleken, bijvoorbeeld op Terschelling en in het Mastbos bij Breda.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor een dienst als Staatsbosbeheer is maatschappelijk draagvlak dan ook
van het grootste belang.</al>
      <al>De betrokkenheid van de burger bij het werk van Staatsbosbeheer kan derhalve
niet groot genoeg zijn. In dit verband is het interessant een vergelijking
te trekken tussen de particuliere terreinbeherende organisaties
en Staatsbosbeheer. Wat dan opvalt is dat de maatschappelijke verankering
bij deze nonprofit organisaties sterker is ontwikkeld dan bij Staatsbosbeheer.
Daar staat weer tegenover dat de aansturingsmogelijkheden, waaronder begrepen
de verantwoording, openbaarheid en democratische controle, bij Staatsbosbeheer
weer sterker zijn. Reden voor mij om de maatschappelijke verankering bij Staatsbosbeheer
nadrukkelijk meer inhoud te geven. Zoals ik in het onderstaande nog nader
uiteen zal zetten is externe positionering van Staatsbosbeheer hierbij van
doorslaggevende betekenis.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Na het voorgaande moge duidelijk zijn dat een verdere maatschappelijke
verankering van Staatsbosbeheer noodzakelijk is voor een effectieve taakuitvoering
van deze organisatie. Meer algemeen gesteld acht ik deze maatschappelijke
verankering ook nodig voor de maatschappelijke legitimatie van het werk van
Staatsbosbeheer en de structurele toedeling van overheidsmiddelen hieraan.
In de nota Dynamiek en Vernieuwing heb ik aangegeven dat ik streef naar verbetering
van het draagvlak voor natuurbescherming. Dit kan enerzijds door meer verantwoordelijkheid
te geven aan de particuliere terreineigenaar, maar anderzijds door burgers,
veel meer dan voorheen, te betrekken bij het werk van Staatsbosbeheer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Allereerst wil ik nu nader aangeven hoe ik aan een vermaatschappelijking
bij Staatsbosbeheer inhoud denk te geven. Anders dan weleens wordt verondersteld
is het voor de maatschappelijke verankering van een organisatie niet noodzakelijk
dat deze in de vorm van een vereniging wordt gegoten. Ook bij een overheidsinstelling
kan heel goed een maatschappelijke inbedding tot stand worden gebracht.</al>
      <al>Sterker nog, juist bij Staatsbosbeheer acht ik de verenigingsvorm niet
passend, omdat daaraan een zekere exclusiviteit inherent is. Deze exclusiviteit
zou strijdig zijn met het publieke karakter van Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer
is nu eenmaal van iedereen en is er voor iedereen. En dat moet in de toekomst
zo blijven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor wat nu de vermaatschappelijking van Staatsbosbeheer betreft, acht
ik drie elementen van wezenlijke betekenis. Allereerst gaat het erom de burger
invloed te geven op wat ik de concrete invulling van het terreinbeheer zou
willen noemen. Het rijksbeleid laat meer dan voldoende ruimte om daaraan in
wisselwerking met de maatschappelijke omgeving nader inhoud te geven. Hierbij
gaat het dus om het betrekken van het publiek bij beslissingen die worden
genomen in het kader van het terreinbeheer. Dit kan voor wat betreft het concrete
beheer van objecten op objectniveau en voor wat betreft algemene vraagstukken
met betrekking tot het terreinbeheer, op landelijk niveau. Ten tweede meen
ik dat het omwille van het maatschappelijk draagvlak van belang is dat Staatsbosbeheer
meer dan thans het geval is, burgers inschakelt bij zijn taakuitvoering. Daarbij
denk ik aan het inschakelen van vrijwilligers zowel bij het feitelijk terreinbeheer,
als bij voorlichting en educatie-activiteiten. Ten derde moet Staatsbosbeheer
om maatschappelijk draagvlak te genereren kleur bekennen, dat wil zeggen laten
zien dat Staatsbosbeheer staat voor de belangen die aan de organisatie zijn
toevertrouwd. De appreciatie van de burger is namelijk mede afhankelijk van
de mate waarin Staatsbosbeheer opkomt voor die belangen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Maatschappelijke verankering in de hierboven uiteengezette zin zal slechts
werkelijk van de grond komen, indien de burger zich ook echt betrokken voelt
bij het werk van Staatsbosbeheer. Deze betrokkenheid ontstaat niet vanzelf.
Daarvoor mag in de eerste plaats van de organisatie en zijn medewerkers de
nodige inspanning verwacht worden. Ik denk daarbij aan zaken als voorlichtingsavonden,
publieksakties en open dagen, maar ook aan het inspelen op de wensen van het
publiek door nieuwe produkten en diensten te ontwikkelen. In dit
opzicht vind ik dat de organisatie op de goede weg is. Voor het welslagen
van de vermaatschappelijking van Staatsbosbeheer is echter meer nodig. Daarvoor
moet de organisatie optimaal worden toegerust en zodanig gepositioneerd dat
de afstand tot de burger zo klein mogelijk is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gezien het voorgaande kies ik voor externe verzelfstandiging, dat wil
zeggen voor uitplaatsing uit het ministerie en voor een aparte positionering
en een eigen identiteit voor Staatsbosbeheer. Een aparte positionering en
een eigen identiteit verhogen namelijk de herkenbaarheid en aantrekkingskracht
van Staatsbosbeheer, waardoor mensen zich beter kunnen vereenzelvigen met
de organisatie en zijn werk. Juist deze vereenzelviging vormt de basis van
betrokkenheid en draagvlak. Interne verzelfstandiging biedt in dit opzicht
veel minder mogelijkheden, aangezien agentschap of niet, in dat geval de betreffende
dienst gewoon een onderdeel van een ministerie blijft en voor wat betreft
zijn uitstraling daarvan dan ook afhankelijk is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hiervoor heb ik bovendien aangegeven dat het voor Staatsbosbeheer van
belang is dat het naar buiten toe een onversneden standpunt kan innemen dat
uitsluitend gebaseerd is op de belangen die aan de zorg van die organisatie
zijn toevertrouwd. Alleen al om verwarring te voorkomen acht ik het ongewenst
dat een onderdeel van een departement zulks zou doen. Departementsonderdelen
en hun ambtenaren worden geacht naar buiten toe een standpunt in te nemen
dat gebaseerd is op de bredere afweging van een departement van algemeen bestuur.
Ook om deze reden acht ik externe verzelfstandiging van Staatsbosbeheer de
aangewezen weg. Daarmee wordt helder gemaakt dat het standpunt van Staatsbosbeheer
uitsluitend gebaseerd is op de aan die organisatie toevertrouwde belangen
en dientengevolge niet noodzakelijkerwijs overeenkomt met dat van de minister
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, die uiteraard een bredere verantwoordelijkheid
heeft. In paragraaf 5, dat handelt over de ministeriële verantwoordelijkheid
jegens een extern verzelfstandigd Staatsbosbeheer, ga ik op dit aspect nog
nader in.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Volledigheidshalve voeg ik hier nog aan toe dat, zoals ik in de memorie
van toelichting heb uiteengezet, door externe verzelfstandiging het inkomstengenererend
vermogen van Staatsbosbeheer kan worden verhoogd. Een betere herkenbaarheid
en een grotere aantrekkingskracht bieden meer mogelijkheden voor toepassing
van het profijtbeginsel bij een aantal activiteiten van Staatsbosbeheer, alsook
voor het genereren van particuliere fondsen, zoals sponsorgelden en groen
beleggen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het bovenstaande betekent niet dat de twijfels die de laatste tijd wel
worden geuit omtrent externe verzelfstandiging mij zijn ontgaan. De leden
van de fracties van D66 en de SP stellen er ook expliciet vragen over. Integendeel,
ik heb daar goede nota van genomen. Wel vind ik dat ieder geval op z'n eigen
merites moet worden beoordeeld. Wellicht zijn in het verleden overheidstaken
extern verzelfstandigd, waarvan nu met de wijsheid van de terugblik geconstateerd
moet worden dat dit niet verstandig is geweest. We moeten er echter voor waken
om nu van de weeromstuit ieder voorstel voor externe verzelfstandiging op
voorhand af te wijzen. Toetssteen moet mijns inziens daarbij zijn hoe aan
de ministeriële verantwoordelijkheid inhoud is gegeven en of het primaat
van de politiek recht overeind blijft, zo niet wordt versterkt. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De gedachtevorming over de verzelfstandiging van Staatsbosbeheer is tevens
aanleiding geweest om de aansturingsmogelijkheden ten aanzien van Staatsbosbeheer
aanmerkelijk te versterken en de verantwoordingsinformatie van deze dienst
te verbeteren. Het resultaat hiervan is dat de sturingsmogelijkheden
met betrekking tot Staatsbosbeheer groter en meer doorzichtig zijn dan nu
het geval is. Hierdoor wordt verzekerd dat Staatsbosbeheer het door de politiek
vastgestelde beleid verifieerbaar uitvoert, en overigens op een meer bedrijfsmatige
wijze kan werken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Samenvattend wil ik nog het volgende over opmerken. Ook na verzelfstandiging
koopt Staatsbosbeheer niet zelf gronden aan, maar beheert slechts de gronden
die aan zijn zorg worden toevertrouwd. Met betrekking tot dit terreinbeheer
zijn prestatie-indicatoren ontwikkeld die het mogelijk maken met Staatsbosbeheer
harde en verifieerbare prestatie-afspraken te maken. Een genormeerd kostenstelsel
maakt het mogelijk om prestatiesubsidie te vervangen door prestatiebeloning.
Jaarlijks wordt over die prestaties verantwoording afgelegd. Ook met betrekking
tot de bedrijfsvoering van Staatsbosbeheer bestaan er inmiddels afdoende sturingsmogelijkheden.
In dit verband roep ik in herinnering dat ik juist met betrekking tot dit
aspect advies heb gevraagd aan de Rekenkamer en dat de door de Rekenkamer
aangedragen suggesties voor verbetering door mij zijn overgenomen.</al>
      <al>Tenslotte wijs ik erop dat de Wet Nationale Ombudsman en de Wet Openbaarheid
van Bestuur ook na verzelfstandiging van toepassing blijven, evenals het toezicht
van de Rekenkamer. Al met al meen ik dat ik hiermee na verzelfstandiging op
een betere wijze dan nu verantwoordelijkheid kan dragen voor Staatsbosbeheer,
en dat het primaat van de politiek op generlei wijze wordt ondergraven en
eerder wordt versterkt dan verzwakt. Op de aansturing van Staatsbosbeheer
ga ik in paragraaf 6 nog uitgebreid in. </al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 4. Mogelijkheden tot privatisering van Staatsbosbeheer</tuskop>
      <al>In paragraaf 2 heb ik al aangegeven dat ik privatisering van Staatsbosbeheer
een onbegaanbare weg acht. Met instemming constateer ik dan ook dat zowel
de leden van de PvdA-fractie als de leden van de GPV-fractie en van de SP-fractie –
zij het in verschillende bewoordingen – dat met mij eens zijn en ook
niet opteren voor het positioneren van Staatsbosbeheer als, onderscheidenlijk
het laten samengaan met, een particuliere terreinbeherende organisatie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie zien evenwel graag nader gemotiveerd waarom
privatisering van Staatsbosbeheer – onder strakke regulering en waarborging
van de continuïteit – niet tot de mogelijkheden behoort. De leden
van de VVD-fractie vragen zich daarnaast af of het niet mogelijk is Staatsbosbeheer
op te splitsen in een commerciële organisatie en een overheidsorganisatie.
De leden van de RPF-fractie zijn van mening dat een duidelijker keuze moet
worden gemaakt of de werkzaamheden van Staatsbosbeheer in grote lijnen als
overheidstaak dienen te worden aangemerkt, of dat deze werkzaamheden ook aan
de markt kunnen worden overgelaten. Verder vragen deze leden of deze stap
naar verzelfstandiging geen stap naar privatisering wordt. De leden van de
GPV-fractie vragen hoe de constatering dat privatisering geen begaanbare weg
is, zich verhoudt tot het feit dat het huidige aandeel particuliere financiering
in het natuurbeheer, internationaal gezien, tot één van de hoogste
behoort.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het privatiseren van Staatsbosbeheer, zoals de leden van de CDA-fractie
suggereren, biedt naar mijn stellige overtuiging onvoldoende garanties voor
een duurzame behartiging van de nu aan Staatsbosbeheer opgedragen publieke
taken. Natuurlijk leveren de particuliere terreinbeherende organisaties en
particulieren een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling en instandhouding
van natuur in Nederland. Deze bijdrage kan zeker ook verder worden gestimuleerd
door de inzet van fiscale en financiële instrumenten. Met
die inzet kan evenwel niet worden verzekerd, dat altijd en onder alle omstandigheden
overheidsbeleid wordt uitgevoerd. Het voortbestaan van een aparte overheidsorganisatie
die belast is met een publieke opdracht geeft de beste garantie dat de nationale
basisvoorziening op het gebied van natuur en recreatie wordt veilig gesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daar komt nog eens bij dat het een illusie is te denken dat Staatsbosbeheer
zou kunnen worden gefinancierd uit sponsorgelden en lidmaatschapsgelden, dit
mede gelet op de omvang van het beheersareaal. Zou Staatsbosbeheer worden
omgevormd tot een vereniging, dan is het niet goed voorstelbaar dat het zoveel
leden zou krijgen dat zijn taken, ook maar bij benadering, uit contributies
en/of sponsorgelden zouden kunnen worden gefinancierd. Omdat Staatsbosbeheer
in elke denkbare situatie voor het overgrote deel van zijn taken afhankelijk
zal blijven van overheidsfinanciering, acht ik ook alleen al om die reden
een privatisering van Staatsbosbeheer een onbegaanbare weg.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een opsplitsing van Staatsbosbeheer in een commerciële en een overheidsorganisatie,
op welke mogelijkheid de leden van de VVD-fractie wijzen, heb ik eveneens
als optie onderzocht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorzover Staatsbosbeheer thans commerciële activiteiten verricht,
geschieden deze in het kader van zijn publieke taakopdracht. Ze zijn als het
ware te beschouwen als een bijprodukt van het gevoerde beheer, denk bijvoorbeeld
aan houtverkoop. De opbrengsten drukken de kosten van dat beheer. Met het
oog daarop is het streven er ook op gericht Staatsbosbeheer meer inkomsten
te laten verwerven.</al>
      <al>Tussen de publieke taak van Staatsbosbeheer en zijn opereren in de markt
zie ik echter een onlosmakelijk verband. Deze zijn niet te scheiden. Zou ik
het voorstel van de leden van de VVD-fractie volgen dan zou dat bovendien
leiden tot een inefficiënte structuur van twee aparte organisaties waarvoor
aparte sturingsrelaties dienen te worden vastgelegd. Daarbij dient bedacht
te worden dat de inkomsten uit commerciële activiteiten weliswaar nog
kunnen stijgen, maar de met het beheer gemoeide kosten nooit – ook maar
bij benadering – zullen kunnen compenseren. Daarmee ontvalt de zin aan
het onderbrengen van de commerciële activiteiten in een aparte organisatie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de GPV-fractie menen dat de financiële positie van Staatsbosbeheer
niet kan worden losgezien van die van de particuliere natuurbeschermingsorganisaties.
Een verzelfstandigd Staatsbosbeheer vist, bij het aantrekken van sponsorgelden,
immers in de zelfde vijver als die andere organisaties. Krijgt Staatsbosbeheer
meer dan krijgen die andere organisatie automatisch minder, zo luidt hun redenering.
Per saldo kan dit er toe leiden dat het Rijk meer subsidie moet verstrekken
aan de particuliere natuurbeschermingsorganisaties. Deze leden menen bovendien
dat Staatsbosbeheer niet te zeer afhankelijk moet zijn van inkomsten van derden
aangezien de organisatie overheidstaken uitvoert.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gezien het toenemende natuur- en milieubewustzijn van burgers en bedrijven
en de toenemende bereidheid van met name laatstgenoemden om zich op dat terrein
meer te profileren, ga ik er voorshands van uit dat het hier eerder een groei-
dan een krimpmarkt betreft. Daarom ben ik voor het «vissen in dezelfde
vijver» ook niet bang. Met de opmerking van deze leden dat Staatsbosbeheer
niet zeer afhankelijk mag worden van externe financieringsbronnen ben ik het
overigens eens. Weliswaar wordt gestreefd naar een verhoging van de inkomsten
van Staatsbosbeheer, maar zoals gezegd blijft Staatsbosbeheer – gezien
zijn taakopdracht – te allen tijde afhankelijk van financiering door
het rijk. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uitgaande van externe verzelfstandiging zien de leden van de fractie van
D66 net als de leden van de RPF-fractie graag verduidelijkt hoe de verhouding
is van Staatsbosbeheer ten opzichte van de particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties.
Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie hoe de taakafbakening tussen
Staatsbosbeheer en andere beheerders wordt vormgegeven. Verder willen deze
leden graag weten waarom het IPO van opvatting is dat Staatsbosbeheer een
overheidsdienst dient te blijven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Staatsbosbeheer onderscheidt zich van de particuliere terreinbeherende
organisaties in die zin dat deze dienst te allen tijde gehouden is overheidsbeleid
uit te voeren. Staatsbosbeheer zal ook de voor beheerders minder aantrekkelijke
activiteiten verrichten, indien dit voor de verwezenlijking van het overheidsbeleid
noodzakelijk wordt geacht. Daarnaast heeft Staatsbosbeheer een rol bij de
te werkstelling van alternatief gestraften, de uitvoering van het leerlingenstelsel
en de inzet van WSW-ers. Aan Staatsbosbeheer kunnen nu eenmaal andere eisen
worden gesteld dan aan bedoelde organisaties. Laatstgenoemden hebben geen
andere relatie met de overheid dan via subsidies.</al>
      <al>Weliswaar kan via die weg invloed worden uitgeoefend op het beleid van
die organisaties, maar het staat hen natuurlijk te allen tijde vrij om van
subsidies af te zien. Daarmee ontvalt de overheid de mogelijkheid tot directe
sturing van die organisaties. Voor Staatsbosbeheer ligt die situatie anders
omdat die organisatie op grond van dit wetsvoorstel gehouden is het beleid
van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij uit te voeren. Voorzover
dat overigens in de vraagstelling besloten ligt, merk ik nog op dat een goede
taakuitoefening allerminst gebaat is met een monopolisering van taken door
één van de met het beheer belaste organisaties.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een ander verschil tussen Staatsbosbeheer en de particuliere organisaties
is gelegen in het feit dat Staatsbosbeheer de publieke opdracht heeft om waar
mogelijk een multifunctioneel beheer in terreinen te realiseren. Denk bijvoorbeeld
aan de opdracht die Staatsbosbeheer heeft inzake de houtproductie en om waar
mogelijk recreatief medegebruik te bevorderen. De particuliere natuurbeschermingorganisaties
hebben die opdracht niet en richten zich van oudsher meer op de bescherming
van bestaande natuurwaarden met een monumentaal karakter. Daarmee misken ik
niet – zo de leden van de CDA-fractie dit suggereren – dat particuliere
terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties geen meervoudige doelstelling
zouden kùnnen hebben. Uiteraard zullen ook deze organisaties zich bij
hun activiteiten niet altijd alleen maar richten op natuurwaarden.</al>
      <al>De inzet van deze organisaties hoeft daar evenwel – in tegenstelling
tot Staatsbosbeheer – niet per definitie op gericht te zijn. De in artikel
3, eerste lid van het wetsvoorstel genoemde taken kennen voor Staatsbosbeheer
een nevenschikkend karakter.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit artikel 3 vloeit ook de taakafbakening tussen Staatsbosbeheer en de
particuliere organisaties voort. In de praktijk wordt de taakverdeling tussen
Staatsbosbeheer, de provinciale landschapsstichtingen en de Vereniging tot
behoud van Natuurmonumenten bepaald, door een onder voorzitterschap van de
betrokken gedeputeerde op te stellen invloedssferenkaart. Gezamenlijk wordt
afgesproken op welke aan te kopen terreinen binnen de EHS elke organisatie
zich richt. Op basis van het Structuurschema Groene Ruimte is een verdeling
afgesproken waarbij Staatsbosbeheer 50% van de EHS-gronden verwerft en de
particuliere organisaties de overige 50%. Door deze afspraken wordt onder
andere prijsopdrijving door concurrentie tussen Staatsbosbeheer en de particuliere
organisaties voorkomen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van D66, waarom het
IPO vindt dat Staatsbosbeheer gewoon een overheidsdienst moet blijven, verwijs
ik naar het in paragraaf 2 gestelde over de positie van Staatsbosbeheer. Daarin
heb ik aangegeven dat ook een verzelfstandigd Staatsbosbeheer gewoon een overheidsinstelling
blijft die primair publieke taken uitoefent. Ik beschouw het standpunt van
het IPO dan ook als een ondersteuning van de door mij gemaakte keuze voor
externe verzelfstandiging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen om mijn stelling in de memorie van
toelichting ten aanzien van de omvang van het beheerde areaal van Staatsbosbeheer
in relatie tot de particuliere professionele terreinbeheerders nog eens te
onderbouwen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 1 januari 1996 had Staatsbosbeheer in totaal een areaal van circa 215 000
ha in bezit, waarvan 170 000 ha in beheer. Van het staatseigendom is
45 000 ha aan particulieren in gebruik gegeven. Voor ruim de helft (23 000
ha) in erfpacht met name aan provinciale landschappen, natuur- en recreatieschappen
en overige particuliere natuurbeschermingsorganisaties. Van de overige staatsgronden
is 15 000 ha in eenjarige en 8000 ha in meerjarige pacht uitgegeven en
ruim 3000 ha in eenmalige of natuurpacht. De Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten
had op 1  januari 1996 70 000 ha in beheer en de gezamenlijke provinciale
landschapsstichtingen ook 70 000 ha. De overige terreinbeheerders (waaronder
gemeenten, waterschappen, particuliere eigenaren en particuliere instellingen
inclusief institutionele beleggers) hadden op die datum in totaal ongeveer
60 000 ha in beheer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In verband met de voorgaande vraag vinden deze leden de aanduiding «de
nationale basisvoorziening voor natuur, bos, landschap en recreatie»
voor de terreinen van Staatsbosbeheer onduidelijk en aanmatigend. Zij vragen
zich af of er wellicht mee tot uitdrukking wordt gebracht dat burgers op deze
basisvoorziening een soort basisrecht kunnen doen gelden, dat elders niet
geldt. Doch ook dat betwijfelen zij onder verwijzing naar de terreinen waarvoor
fiscale of financiële steun wordt gegeven.</al>
      <al>Ook wijzen deze leden op de veelal met rijkssteun gerealiseerde openluchtrecreatieve
voorzieningen, die in beheer zijn bij gemeenten en provincies. Zijn dat –
zo vragen zij – geen basisvoorzieningen, die samen met de terreinen
van Staatsbosbeheer een nationale structuur vormen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uiteraard voorzien ook andere terreinbeheerders dan Staatsbosbeheer in
een stuk basisvoorziening op het terrein van natuur, bos, landschap en recreatie.
Met de door de leden van het CDA gewraakte passage heb ik de rol van die andere
tereinbeheerders dan ook beslist niet willen miskennen. Waar het hier om gaat
is dat Nederland in vergelijking met de ons omringende landen, ook relatief
gezien nog maar weinig bos en natuur heeft. Wat we nog hebben is ook vaak
erg kwetsbaar. Veel van die kwetsbare natuurwaarden, bijvoorbeeld met uitsterven
bedreigde plantensoorten, komen voor op de terreinen van Staatsbosbeheer.
Zo bevindt 84% van de in Nederland voorkomende zg. rode-lijstsoorten zich
op terreinen die Staatsbosbeheer beheert.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met basisvoorziening bedoel ik dan ook het staatseigendom dat aan de zorg
van Staatsbosbeheer is toevertrouwd en dat in principe van alle burgers van
dit land is. Er zijn – in tegenstelling tot de particuliere terreinen –
geen groepen die hierop exclusieve rechten kunnen doen gelden. Door een overheidsdienst
als Staatsbosbeheer met het beheer van die gronden te belasten is het beste
gegarandeerd dat het door regering en parlement vastgestelde beleid wordt
uitgevoerd. Het gaat daarbij niet alleen om het natuurbeleid
maar ook om bijvoorbeeld het bos- en jachtbeleid en het recreatiebeleid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van de PvdA wensen te benadrukken dat het inschakelen
van particulieren bij het beheer van minder ingewikkelde ecosystemen er niet
toe mag leiden dat bij Staatsbosbeheer kennis en ervaring gaat verdwijnen
en eigen bevindingen bij de beleidsrealisatie van het soortenbeleid niet meer
zouden kunnen worden teruggekoppeld naar de beleidsmakers.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze opmerking onderstreept nog eens het belang van de door mij voorgestane
wisselwerking tussen beleidsontwikkeling en beleidsrealisatie. Bij inschakeling
van de private sector door werkzaamheden uit te besteden blijft Staatsbosbeheer
te allen tijde verantwoordelijk voor de uitvoering. Afhankelijk van het soort
werkzaamheden kan worden gekozen voor uitbesteding. Daarnaast blijven werkzaamheden
door het eigen personeel van Staatsbosbeheer worden uitgevoerd. Het huidige
aanbestedingsbeleid, dat niet tot problemen leidt, zal na de verzelfstandiging
niet worden gewijzigd. Daardoor blijft onverminderd kennis aanwezig om de
door de PvdA voorgestane wisselwerking te verzekeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de RPF-fractie vragen mij op welke wijze ik er voor zal zorgen
dat de inkomsten uit nevenfuncties niet overheersend worden. In hoeverre –
zo luidt de vraag – is het gevaar aanwezig dat bij de verschillende
doeltypen de goedkoopste, maar niet de beste, oplossing wordt gekozen vanwege
het kostenplaatje? Loopt op deze manier het bereiken van de doelstellingen
geen gevaar?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Laat ik voorop stellen dat niet Staatsbosbeheer maar de Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij de (sub)doeltypen vaststelt. Staatsbosbeheer heeft
daarin een adviserende rol, maar kan nooit op eigen gezag besluiten het niveau
van doeltyperealisatie te wijzigen en zelfstandig kiezen voor een goedkoper
doeltype. Staatsbosbeheer voert datgene uit wat de minister hem opdraagt.
Overigens zullen de neveninkomsten van Staatsbosbeheer nooit zover oplopen
dat deze de met het beheer gemoeide kosten zullen dekken. Doordat vooraf precies
wordt vastgelegd wat wordt gedaan voor welke prijs, kan ik de door de RPF-fractie
uitgesproken vrees niet delen. </al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 5. De ministeriële verantwoordelijkheid</tuskop>
      <al>Een aantal leden heeft vragen gesteld over de verhouding die gaat ontstaan
tussen de minister en een extern verzelfstandigd Staatsbosbeheer. Hoe, zo
vragen zij, zit het in die situatie met de ministeriële verantwoordelijkheid?
Wordt die door de gekozen constructie niet te zeer ingeperkt waardoor het
primaat van de politiek, ook ten aanzien van Staatsbosbeheer, wordt aangetast?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de huidige situatie, waarin Staatsbosbeheer een integraal onderdeel
uitmaakt van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, is de
minister volledig verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van die dienst.
Dit geldt zowel voor de wijze waarop Staatsbosbeheer de hem opgedragen taken
ten aanzien van natuur, bos, landschap en recreatie uitvoert, alsmede voor
alle aspecten van de interne bedrijfsvoering van die dienst. Met name het
laatste aspect brengt een hoge mate van bemoeienis op detailniveau met zich,
die leidt tot hoge bestuurslasten voor het kerndepartement en de controlerende
functie van het parlement eerder bemoeilijkt dan vergemakkelijkt. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door de keuze voor externe verzelfstandiging wordt de aansturingsrelatie
tussen de minister en Staatsbosbeheer verduidelijkt en geconcretiseerd. In
de gekozen constructie is de minister in de eerste plaats verantwoordelijk
voor de beleidsvorming op het terrein van natuur, bos, landschap en recreatie.</al>
      <al>Hierop is de minister ten volle politiek aanspreekbaar. Vervolgens dient
dit beleid te worden uitgevoerd.</al>
      <al>Voor een effectieve, efficiënte en rechtmatige uitvoering daarvan
is de minister eveneens verantwoordelijk, en derhalve ook voor de keuze om
Staatsbosbeheer met die uitvoering te belasten.</al>
      <al>Door de horizontale aansturingsrelatie stuurt de minister op de output
van Staatsbosbeheer aan de hand van afspraken op basis van (sub)doeltypen
en normkosten. Door de verticale sturingsrelaties wordt de overige beleidsruimte
van Staatsbosbeheer ten opzichte van de minister aangegeven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aangezien Staatsbosbeheer in de voorgestelde verzelfstandigde situatie
niet meer hiërarchisch ondergeschikt zal zijn aan de minister, krijgt
Staatsbosbeheer meer armslag in zijn bedrijfsvoering. Ten einde de continuïteit
van Staatsbosbeheer te waarborgen heeft de minister een aantal bevoegdheden
om die bedrijfsvoering op hoofdlijnen te sturen. Hij zal zich tegenover het
parlement dienen te verantwoorden voor de wijze waarop hij invulling geeft
aan zijn horizontale en verticale aansturingsmogelijkheden. Door deze constructie
wordt de ministeriële zeggenschap meer gericht op de essentialia van
het beleid en de uitvoering daarvan, en kan het politieke debat ook beter
over die essentialia worden gevoerd. Van aantasting van het politieke primaat
is in die opzet, naar mijn overtuiging, dan ook geen sprake.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de PvdA-, VVD- en CDA-fracties spreken hun bevreemding uit
over het feit dat in de huidige situatie van volledige ministeriële verantwoordelijkheid
de grip op Staatsbosbeheer kennelijk onvoldoende wordt geacht. De leden van
de GPV- en de SGP-fracties vragen in dat verband of er een analyse is gemaakt
van de problemen die zich in de bestaande situatie ten aanzien van de ministeriële
verantwoordelijkheid en de aansturing voordoen. De GPV-fractie vraagt wat
wordt verstaan onder minder wezenlijke zaken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voordat in 1995 werd begonnen met de omschakeling op een systeem van outputsturing
en resultaatbeloning kenmerkte de aansturing van Staatsbosbeheer zich door
een minder zakelijk en gestructureerd karakter daarvan. Ten gevolge daarvan
was er onduidelijkheid over de kostentoedeling per met het beheer samenhangende
onderdelen. Outputsturing was in die relatie moeilijk te realiseren.</al>
      <al>Ik acht dit een gedateerde wijze van aansturing. De in het wetsvoorstel
neergelegde sturingsrelaties maken het de minister veel beter mogelijk om
op de output van Staatsbosbeheer te sturen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Onder de minder wezenlijke zaken versta ik die zaken die niet de kern
van de taakopdracht van Staatsbosbeheer raken en derhalve niet van wezenlijke
invloed zijn op de uit te voeren taakopdracht.</al>
      <al>Wezenlijk acht ik die zaken die in de beheersafspraken met Staatsbosbeheer
worden vastgelegd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de PvdA-fractie vragen of met de overweging dat de taken
van Staatsbosbeheer zich kenmerken door een stabiele beleidsomgeving en een
geringe politieke gevoeligheid, die bovendien een professioneel karakter hebben,
impliciet wordt aangegeven of ik ook voor de toekomst een stabiele beleidsomgeving
en een geringe politieke gevoeligheid verwacht. Deze leden verwijzen in dit
verband naar mogelijk op te leggen bezuinigingen. Zij vragen
of de toekomstige activiteiten van een extern verzelfstandigd Staatsbosbeheer
nog wel alle kunnen worden gezien als professioneeltechnisch en van een geringe
politieke gevoeligheid. Zou dat niet zo zijn dan achten zij een inperking
van de ministeriële verantwoordelijkheid misplaatst. De leden van de
GPV-fractie twijfelen of Staatsbosbeheer zich in de verzelfstandigde situatie
uitsluitend zal beperken tot uitvoerende werkzaamheden. Zij wijzen daarbij
op het risico van conflicten met het ministerie in geval Staatsbosbeheer zich
tevens zelfstandig met de beleidsvorming gaat bezig houden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door het extern verzelfstandigen van Staatsbosbeheer ontstaat geen wijziging
in de taakopdracht van die organisatie. Deze is expliciet vastgelegd in artikel
3 van het wetsvoorstel. Staatsbosbeheer zal zich niet met zelfstandige beleidsvorming
bezig houden. Dat kan Staatsbosbeheer ook niet, het beschikt immers niet over
publiekrechtelijke bevoegdheden. Zijn taakopdracht beperkt zich tot het uitvoeren
van door de minister en parlement vastgesteld beleid. Natuurlijk, dit beleid
kan politiek gevoelig zijn – denk aan mogelijke bezuinigingen –
maar Staatsbosbeheer is daarin volgend. Bezuinigingen op het voor Staatsbosbeheer
beschikbare budget zullen direct gevolgen hebben voor de beheersafspraken
die de minister met Staatsbosbeheer maakt. Door de expliciete taakopdracht
en de horizontale sturingsrelatie is verzekerd dat de beleidsomgeving voor
Staatsbosbeheer stabiel blijft en dat het primaat over de uitvoering van het
beleid gericht op natuur, bos, landschap en recreatie ligt waar dat hoort
te liggen, te weten bij de politiek.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Meer specifiek vragen de leden van de PvdA-fractie zich af of de verzelfstandiging
van Staatsbosbeheer ook met zich brengt dat Staatsbosbeheer naar het publiek
en daarmee naar het parlement een eigen van de minister afwijkende mening
in controversiële zaken mag ventileren en hoe dit zich verhoudt tot de
ministeriële verantwoordelijkheid. De fractieleden van de RPF vragen
in dit verband of de verzelfstandiging gevolgen heeft voor het optreden van
Staatsbosbeheer in geval van belangenbehartiging. De leden van het CDA vragen
daarnaast of Staatsbosbeheer bezwaar en beroep kan aantekenen tegen overheidsvoornemens,
ook indien de Minister van LNV of een ambtgenoot het met een dergelijk voornemen
eens is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aangezien Staatsbosbeheer in de verzelfstandigde situatie niet meer hiërarchisch
ondergeschikt zal zijn aan de minister zal het naar buiten toe zelfstandig
kunnen optreden. Dit alles uiteraard binnen zijn taakopdracht. Deze behelst
de uitvoering van beleid. Vanuit zijn beheersdeskundigheid oefent Staatsbosbeheer
natuurlijk wel invloed uit op dat beleid, maar die wisselwerking bestaat nu
ook al en komt de beleidsrealisering alleen maar ten goede.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals ik in paragraaf 2 al aangaf is één van de redenen
om te kiezen voor externe verzelfstandiging ook geweest dat Staatsbosbeheer
naar buiten toe een onversneden standpunt kan innemen. Het spreekt voor zich
dat het daarbij alleen kan gaan over de belangen die aan zijn zorg zijn toevertrouwd.</al>
      <al>Laat ik een voorbeeld geven. Indien het kabinet een tracé voor
een nieuwe spoorlijn vaststelt, waardoor beheersdoelstellingen van terreinen
van Staatsbosbeheer niet meer kunnen worden gehaald, mag laatstgenoemde zich
hierover publiekelijk uiten. Vanuit zijn beheersopdracht heeft Staatsbosbeheer
hierover immers een mening. Andere bij de totstandkoming van zo'n tracé
betrokken actoren hebben die mening ook en ventileren die ook vaak veelvuldig.
Deze opvattingen moeten ook gehoord worden om een verantwoord besluit te kunnen
nemen. Dit laat onverlet dat het kabinet, dat een bredere afweging heeft te
maken, uiteindelijk over de tracékeuze beslist. Voor de
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij betekent dit dat hij ten aanzien
van die terreinen met Staatsbosbeheer nieuwe afspraken moet maken. Dit betekent
dat Staatsbosbeheer zich alleen publiekelijk zal uiten over die zaken die
hem direct aangaan, namelijk het beheer van de aan zijn zorg toevertrouwde
terreinen en het beleid dat daarmee een rechtstreekse relatie heeft.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Indien Staatsbosbeheer is aan te merken als belanghebbende in de zin van
artikel 1.2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, staan hem uiteraard
de bezwaar- en beroepsmogelijkheden open die die wet biedt. Van die bevoegdheid
zal Staatsbosbeheer gebruik maken, indien voornemens van andere overheden
aan een goede taakuitoefening van Staatsbosbeheer in de weg staan. In de huidige
situatie waarin Staatsbosbeheer onderdeel uitmaakt van het Ministerie van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft hij deze bevoegdheden overigens ook
al. Door de verzelfstandiging wordt in die situatie dus geen wijziging aangebracht.
Een verzelfstandigd Staatsbosbeheer zou theoretisch ook kunnen procederen
tegen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De vraag is dan
in welke situaties dat denkbaar zou zijn. Immers, indien de minister zijn
beleid wijzigt is Staatsbosbeheer volgend. Ik kan mij dan ook praktisch geen
situatie voorstellen, waarin Staatsbosbeheer en de minister in een procedure
op grond van Algemene wet bestuursrecht tegenover elkaar zouden komen te staan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De CDA-fractieleden verzoeken om een bevestigend antwoord op de vraag
of Staatsbosbeheer als uitvoerende beheersorganisatie aanwijzingen van het
rijk en andere overheden zal volgen. Voorts vragen deze leden hoe gehandeld
zal worden in geval Staatsbosbeheer ten aanzien van het te voeren beheer in
strijd komt met het beleid van mede overheden in die regio. De leden van D66
zien graag meer concreet aangegeven welke rol de provincies zullen spelen
bij een verzelfstandigd Staatsbosbeheer en in het bijzonder welke bijdrage
zij kunnen leveren aan de controle op zijn activiteiten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals ik hierboven al aangaf en in paragraaf 6 nog nader zal toelichten
dient Staatsbosbeheer de opdrachten van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij uit te voeren. Andere ministers of overheden hebben geen directe
relatie met Staatsbosbeheer en hebben geen rechtstreekse bevoegdheid tot het
geven van aanwijzingen aan die organisatie. In de huidige situatie hebben
zij die bevoegdheid overigens evenmin. De minister formuleert het beleid dat
Staatsbosbeheer dient uit te voeren. Zoals al jaren in onze bestuurspraktijk
te doen gebruikelijk dient de minister er zorg voor te dragen dat zijn beleid
is afgestemd met dat van andere betrokken ministers of overheden. </al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 6. De aansturingsrelatie tussen Staatsbosbeheer
en de Minister van LNV</tuskop>
      <al>De leden van de PvdA-fractie, alsmede die van de VVD en het CDA, vragen
een nadere toelichting op het in de memorie van toelichting gestelde dat de
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij door de gekozen aansturingsrelatie
meer vat op de uitvoering van de aan Staatsbosbeheer opgedragen taken zal
hebben dan nu het geval is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderhavige wetsvoorstel gaat uit van twee soorten van aansturing:
de horizontale en de verticale aansturing. De horizontale aansturing betreft
de afspraken die de minister ieder jaar met Staatsbosbeheer zal maken ten
aanzien van het te voeren beheer. In dit systeem van (sub)doeltypen en normkosten
wordt vooraf vastgelegd wat in het betreffende jaar van Staatsbosbeheer aan
beheersoutput wordt verwacht. Hierdoor ontstaat een geobjectiveerd
systeem waarbij doelen en middelen op een concrete wijze worden gekoppeld.
Over de output wordt door Staatsbosbeheer jaarlijks voor een deel van de beheerde
terreinen verantwoording afgelegd aan de minister. Deze prestatieverantwoording
wordt tevens ter kennis van het parlement gebracht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De verticale sturing heeft betrekking op het toezicht dat de minister
na verzelfstandiging van Staatsbosbeheer uitoefent op de interne bedrijfsvoering
van deze organisatie. Bij de verzelfstandiging is uitgangspunt geweest, dat
Staatsbosbeheer een professioneel geleide organisatie moet zijn die op een
verantwoorde en meer bedrijfsmatige wijze publieke taken uitoefent. Met die
interne bedrijfsvoering heeft de minister dan ook geen speciale bemoeienis
meer. Ten einde de continuïteit te waarborgen zijn in het wetsvoorstel
de minister een aantal bevoegdheden verleend om die bedrijfsvoering op hoofdlijnen
te sturen. Het betreft hier bijvoorbeeld de bepalingen ten aanzien van de
planning en verslaglegging, het financiële toezicht, de reservevorming,
de inrichting van de bedrijfs- en financiële administratie, de bevoegdheden
in geval van taakverwaarlozing, de bevoegdheid tot het doen van voordrachten
voor de benoeming en het ontslag van leden van de raad van beheer, alsmede
de bevoegdheid tot het afgeven van een verklaring van geen bezwaar voor niet
rechtstreeks uit de taakopdracht voortvloeiende werkzaamheden en het oprichten
van rechtspersonen door Staatsbosbeheer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op deze plaats wil ik terzijde iets kwijt over de raad van beheer. In
het vervolg van deze nota beantwoord ik een aantal vragen dat betrekking heeft
op het karakter van de werkzaamheden van dit orgaan. Uit de vraagstelling
valt op te maken dat het wetsvoorstel en de memorie van toelichting onvoldoende
helder tot uitdrukking brengen welke taken de raad van beheer heeft, bijvoorbeeld
in relatie tot die van de directeur. Zoals ik daar nog zal aangegeven heeft
de raad van beheer dezelfde taken die een raad van commissarissen bij een
vennootschap heeft, te weten het toezicht houden op de bestuurder van die
vennootschap. Bij nader inzien brengt de term «raad van beheer»
deze taakopdracht onvoldoende tot uitdrukking. Daarom stel ik voor voor dit
orgaan een nieuwe naam te kiezen, die beter tot uitdrukking brengt dat het
vooral gaat om toezicht op de door de directeur te verrichten bestuurstaken.
Bij nota van wijziging, onderdeel 2, stel ik dan ook voor de term «raad
van beheer» te wijzigen in die van «raad van toezicht».
Deze term sluit ook beter aan op de benaming van soortgelijke organen bij
andere verzelfstandigde diensten, zoals het Kadaster. Waar ik in het onderstaande
dus nog spreek van «raad van beheer» dient «raad van toezicht»
gelezen te worden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de PvdA-fractie blijken zich evenals die van het CDA te kunnen
vinden in de uitwerking van de voorgestelde horizontale aansturingsrelatierelatie.
Zij vragen zich wel af of bij deze constructie toch niet het gevaar op de
loer ligt dat Staatsbosbeheer licht geneigd zal zijn om kleine gebieden of
onderdelen van gebieden die minder efficiënt zijn te beheren, hetzij
niet meer te verwerven hetzij af te stoten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De door deze leden uitgesproken vrees kan ik niet delen. Niet Staatsbosbeheer
maar de minister beslist over het aankopen of afstoten van terreinen. Door
de gekozen systematiek van afspraken over (sub)doeltypen en normkosten wordt
op objectieve wijze vooraf vastgesteld wat Staatsbosbeheer doet voor welke
prijs. Duidelijk is ook dat de prijs voor minder efficiënt te beheren
gronden hoger kan zijn dan die voor gronden waar dat wel mogelijk is. Blijkt
in de praktijk dat Staatsbosbeheer met de vastgestelde normkosten voor bepaalde
soorten gebieden niet uitkomt, dan zal die organisatie dit aangeven. Mocht
verschil van opvatting blijven bestaan over de met het beheer van bepaalde
doeltypen gemoeide kosten, dan kan aan de hand van een onafhankelijke
audit worden vastgesteld op welk kostenniveau beheer van dit soort gebieden
zou moeten liggen. De minister zal dan op basis van de uitkomsten van de audit
de normkosten voor het beheer van bepaalde (sub)doeltypen kunnen aanpassen.
Staatsbosbeheer heeft dus ook na verzelfstandiging geen zelfstandige bevoegdheid
tot het afstoten van objecten uit efficiencyoverwegingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van.de PvdA-fractie hebben in dit verband ook nog de vraag of
de door Staatsbosbeheer aan de minister af te leggen prestatieverantwoording
over 10% van het beheerde areaal, een verantwoording die ook aan de Tweede
Kamer zal worden gestuurd, aanleiding kan zijn om de activiteiten van Staatsbosbeheer
met de minister te bespreken. De PvdA-fractie meent van wel en vraagt of de
minister deze mening deelt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De prestatieverantwoording van Staatsbosbeheer over een deel van het beheerde
areaal maakt een cruciaal onderdeel uit van de horizontale sturingssystematiek.
Hieruit moet immers blijken of Staatsbosbeheer de gemaakte afspraken nakomt.
De uitkomsten van deze rapportage kunnen voor de minister aanleiding vormen
om de afspraken met Staatsbosbeheer voor de toekomst bij te stellen. De ratio
achter artikel 17, vierde lid, dat bepaalt dat de prestatieverantwoording
tevens aan de Tweede Kamer wordt toegezonden, is dat bij die gelegenheid de
Tweede Kamer de mogelijkheid krijgt om de minister op zijn verantwoordelijkheid
voor een goede aansturing van Staatsbosbeheer aan te spreken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nu gesteld wordt dat de sturingsproblematiek niet in de weg kan staan
aan mogelijke bezuinigingen, ligt het volgens de leden van de PvdA-fractie
in de rede de Kamer ook te betrekken bij de afspraken met betrekking tot welke,
dan wel tot welk niveau prestaties in het betreffende jaar niet meer behoeven
te worden geleverd. Waarom, zo luidt vervolgens de vraag, wordt eigenlijk
niet voorzien in een onafhankelijke controle door deskundigen met betrekking
tot de prestaties. Ten aanzien van financiële en bedrijfseconomische
aspecten vindt controle immers wel plaats. Of wordt hierin door de voorgestelde
audit voorzien? Het CDA vraagt wie de normkosten periodiek toetst en wie de
te leveren prestatie beoordeelt. Wie zo vragen deze leden, doet de onafhankelijke
audit waarvan sprake is?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Indien de noodzaak tot bezuinigingen zich aandient, dienen de minister
en Staatsbosbeheer opnieuw afspraken te maken over wat in die nieuwe situatie
van Staatsbosbeheer aan beheersoutput wordt verlangd. De minister zal deze
bezuinigingen dienen te verdedigen in het kader van de jaarlijkse begrotingsbehandeling
van het ministerie van LNV. Achteraf zal over de gewijzigde beheersafspraken
verantwoording worden afgelegd aan de Kamer bij de prestatieverantwoording.
In het kader van de horizontale en verticale sturingsrelaties is niet voorzien
in een aparte controle door deskundigen over het gevoerde beheer. De relatie
tussen de minister en Staatsbosbeheer is in de horizontale relatie te kenschetsen
als één van opdrachtgever en opdrachtnemer. Het is in eerste
aanleg een verantwoordelijkheid van de minister om te beoordelen of het gevoerde
beheer conform de afspraken is uitgevoerd. Een voorgeschreven controle door
deskundigen, acht ik dan ook niet nodig, wat niet uitsluit dat ik in voorkomende
gevallen deskundigen inschakel. De voorgestelde audit waaraan deze leden refereren
heeft een geheel ander karakter. Deze eens per vijf jaar te houden doorlichting
heeft het karakter van een advies van deskundigen. Op basis van dit advies
stelt de minister de normkosten voor de opvolgende periode vast. Hij houdt
daarbij rekening met de opvattingen van Staatsbosbeheer. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van de VVD vragen zich af waarom de minister enkel
bevoegd is maatregelen te nemen bij verwaarlozing van de in artikel 3, eerste
en tweede lid, aan Staatsbosbeheer opgedragen taken, en niet in het geval
van de werkzaamheden die hij uitoefent op grond van artikel 3, zesde lid.
In het verlengde daarvan vragen deze leden wie er verantwoordelijk is voor
deze werkzaamheden en wie maatregelen neemt bij eventuele nalatigheid en aansprakelijk
is bij eventuele schade. De leden van de VVD vragen mij te verzekeren dat
de mogelijkheden van concurrentievervalsing geheel zijn uit te sluiten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De kerntaken van Staatsbosbeheer zijn gelegen in de in artikel 3, eerste
en tweede lid, omschreven taakopdracht. Ten aanzien van die taken bestaat
er een directe relatie tussen Staatsbosbeheer en de minister. Daarnaast kan
die organisatie onder voorwaarden andere werkzaamheden verrichten, mits de
minister daarvoor vooraf een verklaring van geen bezwaar afgeeft. Ten aanzien
van die werkzaamheden bestaat er geen directe relatie tussen de minister en
Staatsbosbeheer. Voor uit die werkzaamheden voortvloeiende schade is Staatsbosbeheer
dan ook zelf aansprakelijk. Op grond van artikel 3, zesde lid, sub b, kan
de minister de verklaring van geen bezwaar pas afgeven, nadat hij zich er
van heeft verzekerd dat die werkzaamheden niet leiden tot concurrentievervalsing
ten opzichte van private aanbieders van vergelijkbare diensten. In dit verband
wijs ik ook op de mogelijkheid voor Staatsbosbeheer om voor dit soort werkzaamheden
aparte rechtspersonen op te richten. Deze zullen op gelijke voorwaarden met
andere aanbieders in de markt dienen te concurreren. Voor het oprichten van
zo'n rechtspersoon heeft Staatsbosbeheer vooraf mijn verklaring van geen bezwaar
nodig.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Refererend aan de systematiek van terreindoeltypen en normkosten vragen
de leden van de CDA-fractie of dit systeem op den duur ook de basis gaat vormen
voor de bijdrage aan de particuliere natuurterreinbeherende organisaties en
aan de overige particuliere eigenaren van bos en natuurterreinen. Kan, zo
vragen deze leden, op basis van de vingeroefeningen al worden aangeven wat
de normkosten zijn voor een aantal terreinen en hoe die kosten bij particuliere
organisaties liggen?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Outputsturing en prestatiebeloning vormen een belangrijke leidraad in
de Nota Dynamiek en Vernieuwing die vorig jaar met de Kamer is besproken.
Op dit moment wordt onderzocht in hoeverre deze principes ook kunnen gelden
voor de subsidiëring aan particuliere natuurterreinbeherende organisaties
en overige particuliere eigenaren van bos en natuurterreinen. Over de uitkomsten
van dat onderzoek zal ik de Kamer te gelegenertijd informeren. Met de in dit
wetsvoorstel gekozen systematiek van (sub)doeltypen en normkosten is in de
praktijk proefgedraaid. In april 1996 heeft Staatsbosbeheer aan de Minister
van LNV een offerte uitgebracht, waarin de produkten van Staatsbosbeheer met
de daarbij behorende prijs worden gespecificeerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Over de hoogte van de normkosten, in relatie tot de kosten die particuliere
organisaties maken voor hun terreinbeheer, merk ik op dat de normkosten voor
Staatsbosbeheer zich moeilijk laten vergelijken met de kosten van die particuliere
organisaties. Dit komt doordat laatstgenoemden (nog) niet werken met een vergelijkbaar
systeem van doeltypen. Mijn streven is er wel op gericht om meer eenduidigheid
te krijgen in de verschillende doeltypen die particuliere terreinbeheerders
realiseren en de kosten die daarmee samenhangen.  </al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 7. De invulling van de maatschappelijke participatie</tuskop>
      <al>De leden van de PvdA-fractie zijn het met mij eens dat de klantvriendelijkheid
ook binnen de overheid de nodige aandacht krijgt. Minder enthousiast zijn
zij echter indien de balans daardoor zou doorslaan, in die zin dat Staatsbosbeheer
«de oren zou laten hangen» naar het grote publiek en als het streven
naar maatschappelijke participatie zou leiden tot verminderde aandacht en
inzet ten aanzien van het groene erfgoed. Deze leden vragen mij daarnaast
aan te geven op welke wijze en in welke mate de lokale wensen en inzichten
van de gebruikers bepalend zijn voor een beslissing het beheer door anderen
dan Staatsbosbeheer zelf te laten uitvoeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook de leden van de CDA-fractie vragen wat precies wordt bedoeld met de
opmerking in de memorie van toelichting dat «in mijn visie van Staatsbosbeheer
verwacht moet en mag worden dat het er bij zijn taakuitvoering alles aan doet
om het grote publiek zoveel mogelijk naar de zin te maken». De leden
van de RPF-fractie vragen zich af of het wel mogelijk is verandering in inzicht
en relatieve waarde op de voet te volgen, en of – zo dit haalbaar is –
op die manier geen gevaar voor onevenwichtig beleid ontstaat.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het beheren van het nationale groene erfgoed is de hoofdtaak van Staatsbosbeheer.
Dat is steeds uitgangspunt voor zijn handelen. Ten einde die taak zo goed
mogelijk te kunnen vervullen, is een intensievere betrokkenheid van de gebruikers
van de gronden van Staatsbosbeheer onontbeerlijk.</al>
      <al>Natuurlijk kan een verbeterde inspraak van gebruikers er nooit zomaar
toe leiden dat daarmee de doelstellingen voor een bepaald gebied over boord
worden gezet. Maar dit laat onverlet dat de uit het rijksbeleid voortvloeiende
beheersdoelstellingen op zich voldoende ruimte laten voor een nadere invulling
in overleg met betrokkenen. Daar gaat het hen ook om, medebetrokkenheid bij
de invulling van de doelstellingen. In dat opzicht zal Staatsbosbeheer er
dus alles aan doen om het publiek zoveel mogelijk naar de zin te maken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de VVD-fractie vragen of met aan de praktijk gerelateerde
voorbeelden kan worden aangetoond dat externe verzelfstandiging van Staatsbosbeheer
ten eerste meer mogelijkheden biedt om het publiek op concrete wijze bij het
beheer te betrekken en ten tweede meer mogelijkheden biedt om aan het publiek
duidelijk te maken wat het te bieden heeft, waardoor beter op de wensen van
het publiek kan worden ingespeeld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op basis van ervaringen met tot nu toe ingestelde overleggroepen ten aanzien
van het beheer van specifieke objecten is gebleken dat het zeer wenselijk
is om inzicht in de gebruikerswensen te hebben.</al>
      <al>De gebruikers zelf reageren daarbij ook positief, omdat hen de achtergronden
van het beheer door Staatsbosbeheer duidelijker wordt gemaakt. Dit vergroot
het draagvlak en intensiveert de betrokkenheid. Deze betrokkenheid bestaat
nu slechts incidenteel op lokaal niveau. Met de instelling van een raad van
advies zal deze betrokkenheid op landelijk niveau worden geïnstitutionaliseerd.
Op dat niveau zullen algemene vraagstukken het beheer van Staatsbosbeheer
betreffende aan de orde komen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie twijfelen aan het nut daarvan en menen dat
de maatschappelijke participatie niet via landelijke advisering moet plaatsvinden.
Zij betwijfelen het nut van een landelijke raad van advies. Deze leden zien
meer in een bepaling waarin wordt gestipuleerd dat Staatsbosbeheer
zich maximaal openstelt voor zijn maatschappelijke omgeving en overleg zal
voeren met gebruikers en anderen over de uitvoering van het beheer. Daarbij
denken zij ook aan een rapportage in het jaarverslag.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op lokaal niveau wordt met een grotere maatschappelijke participatie geëxperimenteerd.
Daarbij is gebleken dat er nog een grote afstand bestaat tussen Staatsbosbeheer
en zijn klanten. Teneinde deze afstand te verkleinen bestaat het voornemen
de lokale inspraak verder uit te bouwen. Echter, een landelijk inzicht in
de gebruikerswensen wordt door deze meer op het feitelijke object gerichte
betrokkenheid niet verkregen. Om die reden is er voor gekozen om op centraal
niveau, door middel van een landelijke raad van advies, inzicht te krijgen
in de wensen van de klanten van Staatsbosbeheer. Door deze gekozen vorm stelt
Staatsbosbeheer zich juist volledig open voor zijn maatschappelijke omgeving.
Het karakter van die advisering is nauwkeurig omschreven en schept een duidelijker
kader dan de door het CDA voorgestelde intentieverklaring.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fracties van de PvdA en het CDA willen weten hoe de minister
een evenwichtige vertegenwoordiging van verschillende gebruikersdisciplines
in de raad van advies kan garanderen. De leden van de PvdA-fractie vragen
daarbij in het bijzonder de aandacht voor de behartiging van het natuurbelang.
De leden van de D66-fractie vragen of de raad van beheer met onderraden zal
gaan werken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hoewel ik hecht aan een evenwichtige samenstelling van de raad van advies,
ben ik niet voornemens daarop direct invloed uit te oefenen. Immers, anders
dan de raad van beheer, heeft de raad van advies uitsluitend een adviserende
taak. lk acht de raad van beheer voldoende in staat om voor een evenwichtige
samenstelling van de raad van advies zorg te dragen. De behartiging van het
natuurbelang ligt besloten in de taakopdracht van Staatsbosbeheer. Een aparte
voorziening dienaangaande is niet nodig. Bij de vraag van de leden van D66
ben ik er niet zeker van of zij niet bedoelen dat de raad van advies met onderraden
zal gaan werken. Dat is in ieder geval niet mijn voornemen. Maatschappelijke
participatie op gebiedsniveau zal, net zoals nu, op ad hoc basis plaatsvinden.
In de praktijk is daarbij van veelvormingheid sprake die ik niet in het wetsvoorstel
heb willen vastleggen. Voorzover deze leden toch de raad van beheer hebben
bedoeld moet ik ook ontkennend antwoorden. Het wetsvoorstel voorziet in één
raad van beheer, die het karakter heeft van een raad van commissarissen bij
een vennootschap. Deze kent geen onderraden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de GPV-fractie vrezen dat – gelet op het feit dat slechts
een relatief gering aantal gebruikers bij het beheer van de terreinen van
Staatsbosbeheer worden betrokken – de betekenis van de maatschappelijke
participatie en legitimatie gering is. De leden van de SGP-fractie vragen
of de «maatschappelijke participatie» niet meer betekent dan dat
bij het beheer iets meer rekening wordt gehouden met de wensen van de gebruikers.
Zij vragen in dit verband tevens om welke gebruikers het hier gaat. De leden
van de RPF-fractie vraagt zich af in hoeverre de verzelfstandiging de kennis
van het publiek over Staatsbosbeheer kan vergroten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het aantal bezoeken aan terreinen van Staatsbosbeheer wordt geschat op
100 miljoen per jaar.</al>
      <al>Gezien de publieksacties die Staatsbosbeheer voert neemt dit aantal nog
steeds toe. Daarbij gaat het om recreanten, maar ook om beoefenaren van uiteenlopende
takken van sport, wetenschap, jacht, scouting en agrarische gebruikers. Gezien
de sterk uiteenlopende soorten van gebruik, en de ook in absolute zin grote
aantallen gebruikers, acht ik een verbeterde participatie bij
het werk van Staatsbosbeheer de legitimiteit van zijn handelen wel degelijk
ten goede komen. Uit deze cijfers blijkt ook wel dat een groot aantal Nederlanders
Staatsbosbeheer ook nu reeds kent. Dat is echter slechts één
kant van de medaille. Maatschappelijke betrokkenheid wordt niet alleen bereikt
doordat de burgers Staatsbosbeheer kennen. Omgekeerd dient Staatsbosbeheer
ook zijn klanten en hun wensen beter te leren kennen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de RPF-fractie vragen mij nog of ik er aan hecht, dat de
educatieve en voorlichtingsfunctie toegankelijk blijft voor iedereen. Denkt
de minister niet – zo vragen deze leden – dat deze functie in
gevaar komt door marktconform te gaan werken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het geven van een goede publieksvoorlichting hangt in mijn visie ten nauwste
samen met de taakopdracht aan Staatsbosbeheer zoals geformuleerd in artikel
3, eerste en tweede lid. lk denk daarbij aan voorlichting in de meest ruime
zin van het woord. Niet alleen het verzorgen van informatie- en foldermateriaal
over de terreinen en activiteiten van Staatsbosbeheer, maar ook het opstellen
van lesmateriaal voor scholen. Verder krijgen de boswachters een nog belangrijkere
voorlichtingstaak in het kader van terreinbezoeken. Voorzover het gaat om
publieksvoorlichting in het kader van de algemene taakopdracht hoeft daarvoor
in beginsel niet betaald te worden. Wel kan ik mij voorstellen dat voor speciale
arrangementen die daarboven uitgaan of voor speciale uitgaven in de toekomst
wel betaald moet worden. lk acht het in eerste aanleg een verantwoordelijkheid
van Staatsbosbeheer zelf om dienaangaande beleid te ontwikkelen. </al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 8. De beoogde efficiencywinst</tuskop>
      <al>De leden van de SGP-fractie zijn niet op voorhand onder de indruk van
de geschatte efficiencywinst van enkele miljoenen. Zij zouden graag een onderbouwing
zien van deze globale schatting. Op welke onderdelen van de bedrijfsvoering
gaan zij terug. Levert de reorganisatie ook financiële besparingen op
en zo ja hoeveel. Zijn die besparingen niet van een andere aard, dan de besparingen
die met de verzelfstandiging worden beoogd? Zijn die bij een evaluatie van
de verzelfstandiging van elkaar te onderscheiden? Op welke diensten, produkten
of elementen van de bedrijfsvoering wordt efficiencywinst voorzien, zo vragen
zij.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Grote kansen voor efficiencywinst liggen bij een zakelijker interne bedrijfsvoering
en dan met name door de overschakeling op het baten/lastenstelsel. Door het
systeem van normkosten en (sub)doeltypen zal Staatsbosbeheer veel bedrijfsmatiger
gaan werken. Het proefdraaien met dit systeem geeft hoopvolle resultaten te
zien. Het beeld daarbij is ook dat de bestuurlijke lasten van het kerndepartement
ten aanzien van Staatsbosbeheer af gaan nemen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarnaast verwacht ik ook positieve effecten van de sterkere herkenbaarheid
en een verbeterd imago van een verzelfstandigd Staatsbosbeheer. Reeds thans
heeft Staatsbosbeheer ongeveer f 47 miljoen aan inkomsten. Ook een geringe
procentuele stijging van die inkomsten levert al snel enkele miljoenen guldens
op. Aangezien Staatsbosbeheer in de nieuwe constellatie de mogelijkheid wordt
geboden om sponsorgelden aan te trekken, het profijtbeginsel toe te passen
en overigens de mogelijkheid van groen beleggen uit te nutten, acht ik een
structurele toename van de inkomsten alleen al uit die activiteiten zonder
meer haalbaar. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de PvdA-fractie vragen – nu ook gedacht wordt aan het
aantrekken van particuliere fondsen – of daarbij ook gedacht wordt aan
vormen van groen beleggen. Op welke wijze kan een verzelfstandigd Staatsbosbeheer
van die mogelijkheden gebruik maken, mede gezien de voorgestelde bepaling
van artikel 18, vierde lid, zo vragen deze leden zich af.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor Staatsbosbeheer vind ik het van belang de mogelijkheden te bezien
om met behulp van het Groenfonds groen te beleggen. Hoe dit verder dient te
worden vormgegeven is nog onderwerp van studie. Als gevolg van de voorgestelde
bepaling van artikel 18, vijfde lid, mag Staatsbosbeheer immers zelf geen
leningen aangaan, anders dan ter overbrugging van tijdelijke kastekorten.
Daarom zal ik nagaan of er met behulp van groen beleggen, in relatie tot het
Groenfonds bedrijfsmatige voordelen kunnen worden behaald.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zowel de leden van de CDA-fractie als die van de RPF vragen een concretisering
met voorbeelden ten aanzien van de toepassing van het profijtbeginsel. De
leden van de RPF-fractie hebben vragen over de mogelijkheid voor een verzelfstandigd
Staatsbosbeheer om sponsorgelden aan te trekken. Hoever mag Staatsbosbeheer
van de minister vercommercialiseren, zo vragen zij zich af. Zijn er grenzen,
bijvoorbeeld met betrekking tot reclameuitingen?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik noem de volgende voorbeelden waarin sprake kan zijn van toepassing
van het profijtbeginsel: het heffen van entreegelden indien alleen onder begeleiding
van een medewerker van Staatsbosbeheer terreinen bezocht kunnen worden die
normaliter gesloten zijn, het heffen van parkeergelden, het vragen om een
vergoeding voor professionele fotoreportages in overigens afgesloten gebieden,
het heffen van entreegelden bij een bezoek aan door Staatsbosbeheer beheerde
buitenplaatsen en forten, het heffen van kampeergelden op door Staatsbosbeheer
beheerde natuurcampings, betaalde excursies en arrangementen en betaling voor
speciaal informatiemateriaal. Deze opsomming is niet uitputtend. De aanvaardbaarheid
van sponsorgelden zal sterk afhangen van de voorwaarden waaronder deze aan
Staatsbosbeheer ter beschikking worden gesteld. Een blauwdruk voor wat aanvaardbaar
is en wat niet, is op voorhand niet te geven. Het zelfde geldt voor reclame-uitingen
op terreinen van Staatsbosbeheer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van D66 welke gevolgen
de verzelfstandiging zal hebben voor de houtproduktie kan ik meedelen dat
deze neutraal zijn. Velling en dunning van houtopstanden maakt waar mogelijk
een integraal onderdeel uit van het beheer door Staatsbosbeheer, dit afhankelijk
van de beschreven (sub)doeltypen. Deze praktijk zal niet veranderen in geval
van een verzelfstandigd Staatsbosbeheer. Wel heb ik in paragraaf 2 al aangegeven
dat Staatsbosbeheer dat in de toekomst op een bedrijfseconomisch verantwoorder
wijze zal doen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nu steeds wordt uitgegaan van de doelstelling een beter produkt tegen
lagere kosten voor het Rijk, vragen de leden van de PvdA-fractie welke afspraken
aan het doel van deze besparing ten grondslag liggen. Waarom – zo vragen
zij – kan de te verwachten besparing niet worden ingezet voor bijvoorbeeld
nieuwe aankopen, indien gronden op een gunstig moment en op de goede plaats
te koop worden aangeboden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Jaarlijks zal de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij de
begrotingsbehandeling motiveren welk budget hij ten behoeve van Staatsbosbeheer
ter beschikking stelt. Bij die gelegenheid zal ook inzicht worden verschaft
in de door Staatsbosbeheer gegenereerde inkomsten. Indien als
gevolg van een hogere efficiency minder geld voor de taken van Staatsbosbeheer
benodigd is, kan dit voor andere doeleinden worden aangewend. Uiteraard is
het daarbij mogelijk dat deze worden aangewend voor de aankoop van nieuwe
gronden, maar een uitspraak daarover is op voorhand niet geven. </al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 9. Het aan- en verkoopbeleid van gronden</tuskop>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen verder of het aanvaarden van schenkingen,
legaten en erfstellingen niet tevens de goedkeuring van de raad van beheer
zou behoeven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij Staatsbosbeheer worden in dit verband twee schenkingen onderscheiden.
Enerzijds betreft het objecten die bij Staatsbosbeheer in beheer worden gegeven.
Anderzijds gaat het om schenkingen in zuiver financiële zin. Acceptatie
van de eerste categorie gebeurt op dezelfde wijze als een reguliere aankoop.
Dat betekent dat de minister bepaalt of deze schenking kan worden geaccepteerd.
Dit is nodig omdat voor die gronden systematisch beheersgelden ter beschikking
moeten worden gesteld, die drukken op de begroting van het Ministerie van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Bij het aanvaarden van schenkingen in
financiële zin is de directeur Staatsbosbeheer – net als nu –
gemandateerd om die schenkingen en de daarbij gestelde voorwaarden op hun
merites te kunnen beoordelen. Voor legaten en erfstellingen geldt hetzelfde.
Voor de raad van beheer zie ik in deze op voorhand geen taak weggelegd. In
het op te stellen regelement ten aanzien van de werkwijze van de raad van
beheer kan overigens anders worden bepaald.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de VVD-fractie vragen zich af hoe de voorgenomen verzelfstandiging
van Staatsbosbeheer zich kan verenigen met de toezegging van de minister tijdens
de behandeling van de begroting van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor
1996 dat hij bij de begroting voor 1997 een Plan van Aanpak voor verkoopmogelijkheden
van gronden in eigendom en beheer van Staatsbosbeheer zou geven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Nota Dynamiek en Vernieuwing heb ik aangegeven particulieren meer
bij het beheer van agrarische natuurterreinen te willen betrekken. Zoals ik
bij de begrotingsbehandeling voor 1996 reeds aangaf, bereid ik te dien aanzien
een verkoopbeleid voor. Dit beleid zal uiteraard ook gelden in de situatie
dat Staatsbosbeheer verzelfstandigd is. Het verkoopbeleid ten aanzien van
cultuurgronden in eigendom van de Staat is er op gericht om cultuurgronden
in bezit van Staatsbosbeheer, gelegen buiten de aangewezen reservaatgronden,
natuurontwikkelingsgebieden en rijksbufferzones die geen geïntegreerd
onderdeel uitmaken van een beheerseenheid, af te stoten. Daarnaast wordt in
het kader van het Programma Beheer verkend welke verdere mogelijkheden er
zijn om in een lange termijnperspectief graslandreservaten van Staatsbosbeheer
onder stringente voorwaarden in eigendom en beheer over te dragen aan de particuliere
sector.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij het verkoopbeleid blijft wel centraal staan dat de natuurdoelstellingen,
met het oog waarop deze gronden destijds zijn aangekocht, worden gerealiseerd.
Dit dient goed te worden gecontroleerd.</al>
      <al>Daarvoor dient een gedegen structuur te worden ontworpen die de beheersprestaties
toetsbaar maakt.</al>
      <al>Verder blijft uitgangspunt dat het particuliere beheer uiteindelijk niet
leidt tot hogere kosten voor de overheid. Eveneens dient een voorziening te
worden getroffen voor de mestproblematiek. Verkoop van gronden mag niet leiden
tot vergroting van het mestvraagstuk in Nederland. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de PvdA-fractie vragen of het de bedoeling is dat de toestemming
van de minister van Financiën vereist is bij elke vervreemding van onroerende
zaken en of niet een ondergrens moet worden geïntroduceerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit wetsvoorstel beoogt geen wijziging aan te brengen in de huidige praktijk
van overdracht van onroerende zaken van de Staat. Op grond van de Comptabiliteitswet
dient de Minister van Financiën een verzoek tot instemming van vervreemding
te worden voorgelegd. Hij toetst daarbij de overeengekomen prijs. Om pragmatische
redenen geldt reeds sinds 1986 een algemene machtiging voor verkopen met een
waarde tot f 100 000, onder de voorwaarde dat de betrokken regiodirecteur
van de Dienst der Domeinen instemt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van het CDA constateren dat in geen der gevallen
waarin sprake is van een door de Minister van LNV te geven goedkeuring of
een af te geven verklaring van geen bezwaar en bij vervreemding van onroerende
zaken de goedkeuring van de minister van Financiën een termijn is gesteld,
waarbinnen de ministers dienen te reageren. Deze leden vragen of dit niet
te overwegen is, ten einde slagvaardig handelen van Staatsbosbeheer mogelijk
te maken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tot het stellen van zo'n termijn is niet overgegaan, omdat ik op grond
van de bovenbeschreven praktijk niet zodanige vertragingen verwacht dat Staatsbosbeheer
daardoor in zijn slagvaardigheid wordt belemmerd. Goed overleg is hier geboden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door de leden van de fractie van D66 wordt gevraagd inzage te verschaffen
in de mate van samenhang van het wetsvoorstel met de uitvoering van het Structuurschema
Groene Ruimte, met name ook in financiële zin.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het Structuurschema Groene Ruimte geeft het financiële kader voor
de aankoop en het beheer van gronden die zijn gelegen in de Ecologische Hoofdstructuur.
Staatsbosbeheer speelt, net als de particuliere natuurbeschermingsorganisaties
en particulieren een belangrijke rol bij de uitvoering van dat structuurschema.
Een directe samenhang tussen de verzelfstandiging van Staatsbosbeheer en de
uitvoering van het Structuurschema Groene ruimte is niet aanwezig.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Onder verwijzing naar artikel 3, vierde lid, waarin is bepaald dat de
goedkeuring van de minister voor vervreemding van onroerende zaken niet is
vereist voor die objecten die zijn verworven met het oog op een doelmatig
beheer van een ander object en voor dat beheer niet meer nodig zijn, vragen
de leden van de VVD-fractie hoe dit valt te controleren. Wat zijn de criteria
die bepalen dat een object niet meer noodzakelijk is voor het doelmatig beheer
van een ander object. Kan dit niet leiden tot ongewenste vervreemding door
Staatsbosbeheer?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gronden die door Staatsbosbeheer zelfstandig worden aangekocht met het
oog op een doelmatiger beheer, worden in het vastgoedinformatiesysteem, als
zodanig, gelabeld. In de praktijk gaat het daarbij om enkele hectaren per
jaar. Als voorbeeld van een dergelijke verwerving noem ik een stuk tussenliggend
bouwland zonder natuurpotenties. Hoewel een achterliggend door Staatsbosbeheer
beheerd object ook via de weg bereikt zou kunnen worden, zal het aankopen
van dat stukje een besparing op de beheerslasten kunnen betekenen. Indien
deze reden later komt te vervallen (nieuwe weg, brug, aankoop ander perceel,
ruiling etc.), dan wordt het betreffende stuk weer verkocht. Deze praktijk,
die sporadisch voorkomt, leidt niet tot ongewenste vervreemding. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De eigendom van de terreinen wordt overgedragen aan Staatsbosbeheer. De
minister houdt zijn politieke verantwoordelijkheid voor vervreemding. De leden
van alle aan het woord zijnde fracties vragen in dat verband of daarmee ook
oneigenlijk gebruik van de terreinen (anders dan voor natuurbeheer) door (erf-)pacht
of verhuur wordt voorkomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Staatsbosbeheer kent een uitgiftebeleid voor de bij hem in beheer zijnde
objecten. Daarin zijn de diverse ingebruikgevingsmodaliteiten geregeld. Terreinen
van Staatsbosbeheer worden alleen in pacht of verhuur uitgeven indien dit
bijdraagt aan de de realisatie van de aan Staatsbosbeheer opgedragen taken.
Deze praktijk bestaat al bijna 100 jaar en heeft nooit tot noemenswaardige
problemen aanleiding gegeven. Gezien de staat van dienst van Staatsbosbeheer
kan ik de vrees voor oneigenlijk gebruik niet plaatsen, ook niet in het licht
van de voorgenomen verzelfstandiging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is de leden van alle aan het woord zijnde fracties niet geheel duidelijk
wat de taakafbakening is met het Bureau beheer Landbouwgronden als het gaat
om verwerving van gronden. Kan Staatsbosbeheer buiten het bureau om objecten
aankopen? En zo ja wat zijn dan de gevolgen voor het begrotingsartikel 13.02?
Welk budget heeft Staatsbosbeheer dan ter beschikking voor aankoop en is er
sprake van een overdracht van middelen van dit begrotingsartikel naar het
nieuw op te richten zelfstandig bestuursorgaan?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In artikel 3, eerste lid, is expliciet aangegeven dat Staatsbosbeheer
belast is met het verkrijgen van objecten ten behoeve van zijn taakopdracht.
Om zeker te stellen dat Staatsbosbeheer een titel heeft objecten in eigendom
te verkrijgen, is artikel 3 op deze wijze geredigeerd. Het Bureau beheer Landbouwgronden
blijft de makelaar voor de Minister van landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
Dat betekent dat dit bureau de aankoop in opdracht van de Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij geheel voorbereidt, waarna deze objecten aan Staatsbosbeheer
in eigendom worden overgedragen. In deze praktijk brengt de verzelfstandiging
geen wijziging. Uitsluitend in geval van doelmatigheidsaankopen kan Staatsbosbeheer
dit buiten het Bureau beheer Landbouwgronden om doen. Zoals al eerder gesteld
gaat het daarbij om hooguit enkele hectaren per jaar. De gevolgen voor het
begrotingsartikel 13.02 zijn derhalve nihil. Er is geen sprake van overdracht
van begrotingsmiddelen naar Staatsbosbeheer op een wijze zoals deze leden
suggereren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van de PvdA menen dat nu zo sterk het accent wordt
gelegd op het beheer van objecten de indruk wordt gewekt dat aankopen van
gebieden, waaronder de juist voor effectief beheer zo belangrijke afrondingsaankopen
minder prioriteit geniet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Staatsbosbeheer is het beheer van de aan hem over te dragen onroerende
zaken toevertrouwd. De beslissing dergelijke zaken aan te kopen wordt door
de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij genomen. Weliswaar wordt
in het wetsvoorstel ook aan Staatsbosbeheer de bevoegdheid verleend dergelijke
zaken te verkrijgen, doch dit is uitsluitend bedoeld om een titel te hebben
op basis waarvan de nieuwe rechtspersoon dergelijke objecten in eigendom kan
verwerven. Van een verlegging van beleidsprioriteit is geen sprake. De prioriteitsstelling
blijft onverminderd de bevoegdheid van de minister. lk onderken het belang
van met name de afrondingsaankopen.  </al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 10. Financiële bepalingen</tuskop>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen of het opnemen van tijdelijke kredieten
niet ook de goedkeuring van de raad van beheer behoeft.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Blijkens artikel 18, vijfde lid, mag Staatsbosbeheer alleen tijdelijke
kredieten in rekening-courant opnemen, ter overbrugging van tijdelijke kastekorten.
Een dergelijke vorm van geld lenen kenmerkt zich door eenvoud en is een normaal
onderdeel van de interne bedrijfsvoering. Verplichte goedkeuring door de raad
van beheer is niet op voorhand voorzien. In het op basis van artikel 8, eerste
lid, op te stellen reglement kan wel een limiet worden gesteld aan de hoogte
van de op te nemen tegoeden, waarboven de directeur de goedkeuring van de
raad van beheer behoeft.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het kader van de aan Staatsbosbeheer gegeven bevoegdheid tijdelijke
kredieten in rekening-courant op te nemen stellen de leden van de VVD-fractie
de vraag of de minister een maximum kan stellen aan dat door Staatsbosbeheer
op te nemen krediet. Staat de periode van 3 maanden vast? Wie houdt er toezicht
op dat het krediet binnen de gestelde termijn is afgelost en wat zijn de gevolgen
en procedures als dit niet mogelijk blijkt te zijn?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op basis van de jaarlijks tussen Staatsbosbeheer en de minister te maken
afspraken inzake de doelstellingsrealisatie en de daarvoor benodigde middelen,
alsmede op basis van de jaarlijks op te stellen en door de raad van beheer
goed te keuren begroting is exact bekend welke financiële middelen in
het betreffende jaar nodig zijn. Op basis van afspraken tussen de minister
en Staatsbosbeheer wordt de frequentie bepaald waarin de middelen door het
jaar heen aan Staatsbosbeheer ter beschikking worden gesteld. Hierdoor wordt
voorkomen dat Staatsbosbeheer een te hoog bedrag aan kredieten zou moeten
opnemen. Indien hier desondanks sprake van zou zijn van en daarmee de continuïteit
van Staatsbosbeheer in het geding zou komen, heb ik op basis van artikel 24
de bevoegdheid in te grijpen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de GPV-fractie vragen waarom niet is bepaald dat de begroting
van Staatsbosbeheer in de nieuwe constellatie de goedkeuring van de Minister
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij behoeft. De aanwijzingen inzake zelfstandige
bestuursorganen gaan hier immers wel van uit.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor die constructie is niet gekozen omdat ik die – gezien de voorgestelde
financieringsstructuur – overbodig vind. In de met Staatsbosbeheer te
maken afspraken over de realisatie van (sub)doeltypen tegen geobjectiveerde
normkosten wordt exact vastgelegd hoeveel Staatsbosbeheer van het rijk krijgt.</al>
      <al>Vervolgens stelt de directeur op basis van het gegeven bedrag een interne
begroting voor het komende jaar op, die hij ter kennis brengt van de de minister.
Na afloop van dat jaar stelt de raad van beheer een verslag over de uitgevoerde
werkzaamheden alsmede een financieel verslag vast. De laatste dient de minister
goed te keuren. In het uiterste geval kan de minister op grond van artikel
21, zesde lid, van het wetsvoorstel goedkeuring verlangen van de begroting
van Staatsbosbeheer. </al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 11. Tenslotte</tuskop>
      <al>Alle aan het woord zijnde fracties vragen daarnaast hoe de voorgestelde
verzelfstandiging zich verhoudt tot de criteria voor externe verzelfstandiging
in het kabinetsstandpunt inzake zelfstandige bestuursorganen. Zij wijzen
er in dit verband op dat in het kabinetsstandpunt bovendien staat dat niet
tot externe verzelfstandiging zal worden overgegaan om een verbetering van
de aansturingsrelatie te bewerkstelligen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor wat betreft de verhouding tussen dit wetsvoorstel en de zg ZBO-aanwijzingen
meen ik in het bovenstaande te hebben duidelijk gemaakt dat efficiencyoverwegingen
niet doorslaggevend zijn geweest voor de keuze tot externe verzelfstandiging.
Dat is de noodzaak tot een grotere maatschappelijke participatie geweest.
Bedoelde aanwijzingen achten de oprichting van een zelfstandig bestuursorgaan
toelaatbaar indien de participatie van maatschappelijke organisaties in verband
van de betrokken bestuurstaak aangewezen moet worden geacht. In het bovenstaande
meen ik voldoende te hebben gemotiveerd waarom dit het geval is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie refereren aan de langdurige voorbereiding
van het wetsvoorstel. Zij wijzen erop dat het personeel van Staatsbosbeheer
hierdoor reeds lange tijd in onzekerheid verkeert, hetgeen de motivatie van
het personeel en daarmee de effectiviteit van de organisatie onder druk zet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderhavige wetsvoorstel om Staatsbosbeheer te verzelfstandigen kent
inderdaad een lange voorgeschiedenis. Het voornemen om Staatsbosbeheer op
afstand van de Rijksoverheid te plaatsen dateert al uit de jaren '80. In 1993
heeft het vorige Kabinet besloten tot het het extern verzelfstandigen van
Staatsbosbeheer. Nadien is de uitwerking van dit besluit vertraagd doordat
het huidige Kabinet zich heeft herbezonnen op het primaat van de politiek
en de positie van zelfstandige bestuursorganen in ons bestuursmodel. Het personeel
van Staatsbosbeheer is in alle fasen van het verzelfstandigingsproces op de
hoogte gehouden van deze ontwikkelingen. Van een verminderde motivatie van
het personeel en een daarvan het gevolg zijnde verminderde effectiviteit van
die organisatie is mij niet gebleken. Belangrijke reden daarvan zal ook zijn
dat dit wetsvoorstel in de rechtpositie van het personeel van Staatsbosbeheer
geen wijzigingen aanbrengt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de PvdA en het CDA vragen in welke situatie een afwijkende
regeling van de arbeidsvoorwaarden voor rijksambtenaren wordt gekozen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De regeling van de rechtspositie van het personeel van Staatsbosbeheer
geschiedt op basis van artikel 16 van het wetsvoorstel. Zij ligt in lijn met
het Kabinetsbeleid, zoals neergelegd in de aanwijzingen inzake zelfstandige
bestuursorganen. Hierbij wordt als vuistregel gehanteerd, dat voor de regeling
van de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van een te verzelfstandigen dienst,
aansluiting wordt gezocht bij de sector waaruit de betreffende dienst afkomstig
is. Dit zal in vrijwel alle gevallen de sector rijk zijn. Met het oog op eventuele
toekomstige ontwikkelingen in het arbeidsvoorwaardenbeleid, die het functioneren
van zelfstandige bestuursorganen zouden kunnen belemmeren, is in de aanwijzingen
een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Deze is in het wetsvoorstel geregeld
in artikel 16, tweede lid. Vooralsnog zie ik echter geen aanleiding om van
de hoofdregel af te wijken. Een afzonderlijke CAO voor het personeel van Staatsbosbeheer
wordt dan ook niet overwogen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van D66 welke gevolgen
de verzelfstandiging heeft voor de ambtenaren van Staatsbosbeheer die nu ook
werkzaam zijn als onbezoldigd AID-ambtenaar, kan ik meedelen dat in de (rechts)positie
van bedoelde medewerkers geen wijziging wordt aangebracht. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van D66 merken terecht op dat in tegenspraak tot
hetgeen daarover in de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel staat
vermeld, de overgang van CRM naar LNV in 1982 heeft plaatsgevonden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen wie het bestuur is van Staatsbosbeheer
en wat wordt bedoeld met de omschrijving van de taak van de directeur als
degene die belast is met de dagelijkse leiding. De leden van deze fractie
doen daarbij de suggestie om in de taakomschrijving van de directeur tot uitdrukking
te brengen dat de directeur «bestuurt».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De directeur vormt het bestuur van de dienst. Hij verricht zijn handelingen
onder toezicht van de raad van beheer en met ondersteuning van een raad van
advies. Met «dagelijkse leiding» doel ik op de sturing van de
dagelijkse uitvoeringsactiviteiten van de organisatie. Het opnemen van de
term «besturen» in de taakomschrijving van de directeur brengt
naar mijn mening zijn taken en positie niet beter in beeld. In bestuurskundige
zin wordt onder «besturen» het bindend beslissen over beleid verstaan.
In het licht van deze interpretatie verdient de gesuggereerde taakomschrijving
geen voorkeur, aangezien aan de raad van beheer in het wetsvoorstel eveneens
de bevoegdheid wordt toegekend tot het nemen van een aantal bindende besluiten.
De taakomschrijving zoals die in artikel 13 van het wetsvoorstel is verwoord,
komt overigens overeen met de taakomschrijving van het bestuur in een aantal
instellingswetten van zelfstandige bestuursorganen die in de afgelopen periode
in werking zijn getreden. lk kan in dit verband als voorbeelden noemen de
Wet Luchtverkeer en de Wet Verzelfstandiging lnformatiseringsbank.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naar aanleiding van de vraag van de leden van CDA-fractie inzake de hoogte
van vergoeding van de leden van de raad van beheer, kan ik in dit stadium
meedelen dat daarbij zo veel mogelijk zal worden aangesloten bij hetgeen voor
het vervullen van het lidmaatschap van de raden van toezicht van met Staatsbosbeheer
vergelijkbare zelfstandige bestuursorganen gebruikelijk is. lk denk hierbij
in eerste aanleg aan de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers en
aan de Dienst Wegverkeer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Overigens kan ik naar aanleiding van een vraag van de leden van de CDA-fractie
nog meedelen dat Staatsbosbeheer onder de werking van de Wet Openbaarheid
van Bestuur en onder de competentie van de Nationale Ombudsman wordt gebracht.
De bijlage bij het Besluit Aanwijzing bestuurs-organen WOB en WNO wordt hiertoe
gewijzigd. Een wetswijziging is met het oog hierop niet nodig. </al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 12. De artikelsgewiize toelichting </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen waarom Driebergen als wettelijke vestigingsplaats
is genoemd en niet Den Haag.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Als wettelijke vestigingsplaats is Driebergen genoemd, omdat het hoofdkantoor
van Staatsbosbeheer daar is gevestigd. De opmerking van het CDA, dat in dat
geval de gemeentenaam moet worden vermeld, is juist. Bij nota van wijziging,
onderdeel 1, sub a, is deze omissie hersteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hoewel ik het juist acht in het wetsvoorstel de feitelijke vestigingsplaats
te vermelden heeft deze constructie het nadeel dat bij een eventueel noodzakelijke
verhuizing van Staatsbosbeheer naar een andere gemeente de wet zou moeten
worden gewijzigd. Daarom wordt voorgesteld artikel 2 zodanig te redigeren
dat de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, op voordracht
van de raad van beheer een andere vestigingsplaats kan aanwijzen. Deze wijziging
is neergelegd in onderdeel 1 , sub b van de nota van wijziging. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3, zesde lid, onderdeel b en c</tuskop>
      <al>De leden van het CDA vragen wat de bepalingen genoemd in artikel 3.6,
sub b en c betekenen voor de exploitatie van het huidige bezit van Staatsbosbeheer.
Worden bijvoorbeeld de natuurkampeerterreinen kostendekkend beheerd? En hoe
zit het met de exploitatie van openluchtrecreatieve voorzieningen? Zijn er
op dit moment aktiviteiten waarop deze bepalingen van toepassing zijn?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gezien de door deze leden gegeven voorbeelden versta ik hun vraag aldus,
dat gevraagd wordt of de huidige activiteiten ook kostendekkend worden verricht
en niet leiden tot concurrentievervalsing en marktverstoring. Bij het multifunctionele
beheer door Staatsbosbeheer hoort ook recreatief beheer als onderdeel van
de basisvoorziening die de organisatie dient te bieden. Daarbij zal het bedrijfseconomisch
element van ondergeschikt belang zijn. Pas als het aangeboden niveau van recreatieve
voorzieningen boven het niveau van de basisvoorziening uitstijgt, geldt het
profijtbeginsel, bijvoorbeeld bij natuurkampeerterreinen. Van een andere orde
zijn de in het kader van het beheer vrijkomende produkten en diensten. lk
noem de verkoop van hout en het ingebruik geven van gronden.</al>
      <al>Daarmee begeeft Staatsbosbeheer zich op de markt. Teneinde marktverstoring
tegen te gaan, worden deze produkten en diensten tegen marktconforme prijzen
aangeboden. </al>
      <tuskop letat="cur">De artikelen 9 tot en met 12</tuskop>
      <al>De leden van de GPV-fractie vragen hoe de instelling van een raad van
advies is te rijmen met de inkrimping van het aantal adviesorganen van de
overheid, in het kader van de herziening van het adviesstelsel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze herziening heeft geen betrekking op organen die uitsluitend advies
uitbrengen over de uitvoering van door de politiek verantwoordelijken vastgesteld
beleid. De instelling van een raad van advies staat derhalve niet op gespannen
voet met het streven het aantal adviesorganen van de regering terug te brengen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op de vraag van de GPV-fractie of er nog andere vormen zijn bekeken om
de maatschappelijke participatie gestalte te geven kan ik, zoals uit het voorgaande
mag blijken, bevestigend antwoorden.</al>
      <al>Na afweging van meerdere opties heb ik gekozen voor de in artikel 9, tweede
lid, verankerde taakopdracht van de raad van advies. Daarin komt – op
een mijns inziens evenwichtige wijze – tot uitdrukking, dat de uit te
brengen adviezen er toe moeten leiden dat de taakuitoefening door Staatsbosbeheer
aansluit bij de wensen en inzichten van de gebruikers van door hem beheerde
objecten. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 16</tuskop>
      <al>Voor de beantwoording van de vragen van de CDA-fractie over de rechtpositie
van het personeel verwijs ik naar paragraaf 10 van deze nota. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 33</tuskop>
      <al>Naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie merk ik op
dat beoogd wordt 1 januari 1998 de Wet tot verzelfstandiging van Staatsbosbeheer
in werking te laten treden. In dit verband merk ik nog op dat ik het bij nader
inzien wenselijk acht de mogelijkheid te hebben delen van de wet op verschillende
tijdstippen in werking te kunnen laten treden. Bij nota van wijziging, onderdeel
3, wordt voorgesteld in die mogelijkheid te voorzien.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,</functie>
        <naam>J. J. van Aartsen </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>