﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24565-7/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1997-1998</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="port1.1__2.4" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST29048</ordernr>
    <vergjaar>1997-1998</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>24 565</nummer>
      <naam>Elektronische snelwegen</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>7</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>'s-Gravenhage,  <datum>7 april 1998</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mede namens mijn collega's van Verkeer en Waterstaat, Justitie en Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretarissen
van Binnenlandse Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, doe ik u hierbij
de notitie «Boven-NAP – Herijking van het Nationaal Actieprogramma
Elektronische Snelwegen» toekomen. Tevens zijn hierbij gevoegd de samenvattingen
van vier benchmarkstudies die in de afgelopen periode zijn uitgevoerd.<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref></al>
      <al>Zowel de notitie als de benchmarkstudies zijn aangekondigd in mijn brief
van 17 oktober 1997 (Kamerstukken II, 1997/98, 24 565, nr. 6) waarin
ik u verslag deed van de voortgang van het Actieprogramma Elektronische Snelwegen.
Tevens maakte ik toen melding van de verschillende invalshoeken waarlangs
de herijking van het Actieprogramma werd vorm gegeven. Deze invalshoeken komen
in de vorm van vijf programmaclusters terug in de onderhavige notitie. Bij
de invulling van de programmaclusters is, naast de uitkomsten van de benchmarkstudies,
ook een aantal andere externe adviezen en studies meegenomen, zoals bijvoorbeeld
het advies van de Tijdelijke Commissie voor het Informatiebeleid en het advies
van de SER inzake ICT en Arbeid.</al>
      <al>Per programmacluster wordt aangegeven waarom het kabinet overheidshandelen
wenselijk acht en welke intensiveringen zij voor de komende periode, te besluiten
door het volgende kabinet, noodzakelijk vindt. Ook wordt aangegeven welke
aanzetten daartoe thans, binnen het beschikbare NAP-budget 1998 en binnen
de reguliere begrotingen, reeds worden gegeven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De notitie vormt daarmee tevens het overkoepelend kader voor aanpalende
initiatieven die in de afgelopen periode bekend zijn gemaakt, zoals de nota
«Wetgeving voor de Elektronische Snelweg», het «Twinning»-project
en het «Actieplan Electronic Commerce». </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Besluitvorming over de verdere intensiveringen, zowel wat betreft de inhoud
als wat betreft de omvang en de allocatie van financiële middelen, is
aan het volgend kabinet.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Economische Zaken,</functie>
        <naam>G. J. Wijers </naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">Herijking van het «Nationaal Actieprogramma Elektronische
Snelwegen» </tuskop>
      <tuskop letat="vet">1. Inleiding</tuskop>
      <al>Eind 1994 kondigde het kabinet het «Nationaal Actieprogramma Elektronische
Snelwegen» (NAP) aan. Inmiddels zijn er drie jaren verstreken en zijn
erop de in het NAP genoemde actielijnen belangrijke resultaten geboekt<voetref refid="v3.1" nr="1"></voetref>. Nederland staat echter niet alleen in de wereld. Het
kabinet acht het daarom wenselijk vast te stellen wat de positie van Nederland
is ten opzichte van andere landen om op grond daarvan mogelijke hoofdlijnen
uit te kunnen zetten voor het beleid in de toekomst. Voor 1998 legt het kabinet
een aantal actiepunten vast, daarbij anticiperend op keuzes die voor de periode
daarna gemaakt kunnen worden. Uiteraard vallen besluiten daarover onder de
verantwoordelijkheid van het komende kabinet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Om tot deze keuzes te komen wordt in paragraaf 2 een schets gegeven van
de rol die de overheid in de «informatiesamenleving» zou moeten
spelen en de uitdagingen die daar voor de komende tijd uit voortvloeien.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vervolgens wordt in paragraaf 3 bezien hoe de ontwikkelingen in Nederland
zich verhouden tot die in het buitenland. Daartoe zijn in 1997 in opdracht
van de overheid vier «benchmark-studies» verricht: een internationaal
vergelijkend onderzoek naar de positie van Nederland op het gebied van elektronische
diensten, een studie naar de kennisinfrastructuur op het gebied van ICT, een
studie naar de wijze waarop nationale overheden gebruik maken van de mogelijkheden
die de «informatiemaatschappij» biedt en een onderzoek naar de
telecommunicatie-infrastructuur in Nederland.<voetref refid="v3.2" nr="2"></voetref>
Daarbij wordt met name aandacht besteed aan de stand van zaken in relatie
tot het overheidsoptreden in de diverse landen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het NAP heeft het Nederlandse kabinet de ambitie uitgesproken dat Nederland
tot de Europese kopgroep op ICT-terrein zou gaan behoren. Uit de benchmark-studies
blijkt dat die ambitie op een aantal terreinen vooralsnog niet is waargemaakt
en dat verdere actie gewenst is. In paragraaf 4 worden vijf terreinen geschetst
waarop in het kader van een nieuw NAP gezamenlijke actie kan worden ondernomen,
dit met in achtneming van de in paragraaf 2 geschetste rol van de overheid
en met de kanttekening dat hier ook een beslissingsverantwoordelijkheid ligt
voor het volgend kabinet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In paragraaf 5 tenslotte wordt een voorstel gedaan om de besturing van
het nieuwe NAP zo in te richten dat maximale samenhang en synergie in het
beleid tot stand kan komen en wordt samengevat hoe het voor 1998 beschikbare
budget wordt ingezet. </al>
      <tuskop letat="vet">2. De overheid in de «informatiemaatschappij»</tuskop>
      <al>De «informatiemaatschappij» is de afgelopen jaren nadrukkelijk
zichtbaar geworden. De technologische ontwikkelingen schrijden voort. Informatietechnieken
en producten volgen elkaar in hoog tempo op of convergeren tot nieuwe media.
Het gebruik van informatie- en communicatietechnologie (ICT) voor besturing,
transacties en communicatie raakt algemeen verbreid. In zeer veel sectoren
van de samenleving is ICT doorgedrongen.</al>
      <al>Daardoor zijn er zo veel organisatorische, commerciële, sociale en
juridische innovaties opgetreden dat de samenleving is veranderd en in de
toekomst nog verder zal veranderen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze innovaties brengen voor het overheidsoptreden overigens geen radicale
breuken met het verleden mee.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Drie aspecten van de nieuwe elektronische omgeving vragen om een nadere
precisering van de rol van de overheid. Het eerste is het internationale karakter
van de elektronische snelweg, dat zich niet goed verhoudt met nationale wetgeving.
Transport, opslag en verwerking van elektronische informatie trekken zich
weinig aan van landsgrenzen.</al>
      <al>Economische en sociale ontwikkelingen zullen, meer nog dan in het verleden,
hun oorsprong vinden in bronnen die buiten het bereik van de nationale overheid
liggen. Het tweede is het proces van dematerialisering: in steeds sterkere
mate vormen kennis, diensten en informatie in niet-tastbare vorm de motor
van de economie. Ten derde is er de technologische turbulentie en de daarmee
verbonden dynamiek in markt en samenleving.</al>
      <al>De nog steeds snel voortschrijdende ontwikkeling van de techniek, de maatschappelijke
consequenties ervan en de daardoor opgeroepen sociale en juridische gevolgen
zijn zo onvoorspelbaar dat zij om een flexibele regulering vragen, waarbij
wel de nodige rechtszekerheid wordt geschapen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In beginsel dient de ontwikkeling van de «informatiemaatschappij»
aan de markt te worden overgelaten, maar het bevorderen van een evenwichtige
ontwikkeling van de samenleving en het verwerven van een internationaal sterke
positie zijn zo belangrijk dat de Nederlandse overheid niet afzijdig zou mogen
blijven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Sinds begin 1998 is de telecommunicatiemarkt in Europa geliberaliseerd.
De aanleg van infrastructuur voor telecommunicatie en het aanbieden van diensten
worden in beginsel aan het bedrijfsleven overgelaten. De verwachte voordelen
van meer marktwerking – meer en betere diensten, lagere prijzen –
beginnen zich af te tekenen, maar wij staan nog maar aan het begin van deze
ontwikkeling. Op de markt van mediadiensten is in sterke mate geliberaliseerd.
Op l september 1997 is het wetsvoorstel liberalisering Mediawet in werking
getreden. In de nieuwe wetgeving krijgt de kabelbeheerder grote vrijheden
voor het aanbieden van eigen omroepprogramma's en andere communicatiediensten.
Daarmee is in Nederland één van de meest open mediamarkten ontstaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook al zal de markt in beginsel het werk moeten doen, de specifieke kenmerken
van de informatiemaatschappij leiden ertoe dat de overheid een aantal taken
te vervullen heeft:</al>
      <al>– De overheid is verantwoordelijk voor het creëren van de juiste
(juridische en maatschappelijke) kaders voor de informatiemaatschappij door
het waarborgen van een aantal fundamentele normen en waarden van de democratische
rechtstaat in een elektronische omgeving. De overheid beschermt en regelt
grondrechten, verzekert de rechtshandhaving en biedt rechtszekerheid in het
digitale domein.</al>
      <al>– De overheid faciliteert het elektronische verkeer door marktwerking
te bevorderen, de betrouwbaarheid te vergroten, belemmeringen weg te nemen,
toezicht te houden op het gedrag van marktpartijen en ondersteunende voorzieningen
aan te bieden, zoals TTP's (Trusted Third Parties)<voetref refid="v4.3" nr="3"></voetref>.</al>
      <al>– De overheid kan ook stimulerend optreden. Zij bevordert innovatie
van elektronische diensten op de markt, versterkt de kennisinfrastructuur
voor ICT en stimuleert grootschalige ICT-projecten.</al>
      <al>– De overheid is verantwoordelijk voor de sociale inbedding van
de informatiemaatschappij. Zij dient er op toe te zien dat ook in de toekomst
zoveel mogelijk mensen kunnen profiteren van de mogelijk-heden
van ICT, dat niemand van essentiële voorzieningen wordt uitgesloten,
dat er geen belemmeringen zijn voor een goed functionerende arbeidsmarkt en
dat de structurele werkloosheid niet wordt vergroot.</al>
      <al>Scholing speelt daarbij een cruciale rol.</al>
      <al>– Als grote informatieverwerkende organisatie dient de overheid
bij de beleidsuitvoering zoveel mogelijk van ICT gebruik te maken om het overheidshandelen
effectiever, klantvriendelijker en efficiënter te maken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de afgelopen periode is relatief veel aandacht besteed aan het stimuleren
van de ontwikkeling van de noodzakelijke infrastructuur en daaraan gelieerde
aspecten, zoals liberalisatie van de telecommunicatiemarkt. Voor de komende
periode is het wenselijk de nadruk in het beleid te verschuiven naar de ontwikkeling
van diensten, informatie-inhoud en het gebruik van ICT, inclusief het gebruik
door de overheid, zonder dat de noodzaak van een adequate infrastructuur buiten
beeld verdwijnt. Kennis, scholing en brede toegankelijkheid spelen bij dit
alles een cruciale rol. Omdat technologische- en marktontwikkelingen zich
steeds sterker op wereldschaal afspelen en vraagstukken van regelgeving en
ordening inmiddels een sterke Europese en wereldwijde dimensie hebben gekregen,
is de speelruimte voor nationaal beleid beperkter – maar ook belangrijker –
geworden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Samengevat leidt dit tot de volgende uitgangspunten ten aanzien van de
rol van de overheid:</al>
      <al>– krachtige markt/krachtige overheid;</al>
      <al>– vergroten van kennis en toegankelijkheid;</al>
      <al>– diensten boven technologie;</al>
      <al>– hoogwaardige, integere infrastructuur.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In samenhang met deze notitie verschijnt er een aantal nota's waarin ofwel
aandachtsgebieden van deze nota nader worden uitgewerkt, ofwel acties in het
kader van het NAP worden voorgesteld. De Minister van Justitie heeft de nota
«Wetgeving voor de elektronische snelweg» uitgebracht die uitvoerig
ingaat op de rol die het wetgevingsinstrumentarium kan spelen bij de overgang
naar de informatiesamenleving. Voorts zal dezelfde minister, samen met de
staatssecretaris van PC&amp;W, de nota «Auteursrechten en nieuwe media»
uitbrengen. Het «Actieplan Electronic Commerce» van de Minister
van Economische Zaken geeft onder meer aandacht aan de voorwaarden die moeten
zijn vervuld voor het gebruik van netwerken als handelsmedium. In het «ICT-startersinitiatief»
van deze minister worden maatregelen aangekondigd die ondernemers moeten stimuleren
een onderneming in de ICT-sector te beginnen. De Ministers van Verkeer en
Waterstaat en Economische Zaken zullen een notitie uitbrengen over de randvoorwaarden
waarbinnen TTP's zullen gaan functioneren. Een samenhangend overzicht van
overheidsprojecten zal worden gepresenteerd in het actieplan «Electronic
Government» van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de uitvoering van al deze voornemens past de kanttekening dat het
kabinet de oplossing van het millenniumprobleem voor de komende periode als
dominant beschouwt. Voor de afzonderlijke projecten die in dit «Boven
NAP» worden aangekondigd zal dan ook een millenniumtoets moeten worden
uitgevoerd. Dit betekent dat de voorgenomen projecten niet eerder worden uitgevoerd
dan nadat de verantwoordelijke bewindspersoon heeft vastgesteld dat er, zowel
wat betreft de IT-capaciteit als de inzet van financiële middelen, geen
sprake is van belemmering van de oplossing van het millenniumprobleem.  </al>
      <tuskop letat="vet">3. Waar staat Nederland ten opzichte van andere landen?</tuskop>
      <al>De resultaten van de verrichte benchmark-studies geven aan wat de positie
van Nederland in de mondiale informatiesamenleving is en welke kansen en bedreigingen
er voor Nederland liggen. In de benchmark-studies zijn vergelijkingen gemaakt
tussen Nederland en Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Zweden,
de Verenigde Staten en Canada. </al>
      <tuskop letat="cur">Telecommunicatie–liberalisering</tuskop>
      <al>Nederland heeft inmiddels één van de meest geliberaliseerde
telecommunicatiemarkten in Europa. De effecten daarvan op de aanbodmarkt zijn
duidelijk waarneembaar: de tarieven in zowel het zakelijke als het particuliere
segment zijn relatief gunstig, de prijskwaliteitverhouding is zelfs zeer goed
te noemen en de verwachting is dat de tarieven nog wat verder zullen dalen
onder druk van de concurrentie. De vrije concurrentie op de vaste infrastructuur
is in Nederland een halfjaar eerder tot stand gekomen dan in de meeste EU-landen.
Op het gebied van «vaste spraak» is er concurrentie bij de lange
afstandsverbindingen en (grote) zakelijke klanten. In de «local loop»
(de aansluiting tot de huishoudens) is PTT-Telecom nog zeer dominant, maar
naar verwachting zullen de kabelmaatschappijen de komende jaren op dit gebied
ook een positie weten te verwerven.</al>
      <al>In het aanbod van mobiele (spraak)communicatie ligt Nederland achter op
landen als Duitsland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, maar die achterstand
zal zijn ingehaald met de gunning van de DCS 1800 licenties. De penetratie
van mobiele telefonie ligt in Nederland nu al hoger dan in Duitsland en Frankrijk
en de prijzen zijn de laagste van de onderzochte landen, op Zweden na.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Liberalisatie moet niet alleen zorgen voor meer concurrentie op de Nederlandse
markt, maar tevens voor een versterking van de Nederlandse telecom-operators
op de internationale markt. De allianties die daartoe tussen diverse partijen
zijn gesloten geven een complex beeld, maar niettemin komt uit onderlinge
vergelijking naar voren dat telecombedrijven uit het Verenigd Koninkrijk en
de VS het meest hebben geprofiteerd van het openstellen van de markten. PTT-Telecom
doet het overigens op de internationale markt niet slechter dan de Duitse,
Franse en Zweedse maatschappijen. </al>
      <tuskop letat="cur">Telecommunicatie–Infrastructurele aspecten</tuskop>
      <al>Nederland is met een penetratiegraad van 90% één van de
dichtst bekabelde landen ter wereld. Uit de onderzochte investeringsprogramma's
van Nederlandse kabelmaatschappijen blijkt dat de ambitie nog steeds groot
is om als alternatieve vaste infrastructuur voor diverse diensten een goede
positie te verwerven: er is inmiddels meer dan een miljard gulden geïnvesteerd
en tot het jaar 2000 volgt nog eens drie miljard. De top-15-kabelexploitanten,
samen goed voor 85% van de aansluitingen in Nederland, hebben naar verwachting
in 2000 hun kabelnetten praktisch volledig geschikt gemaakt voor digitaal
tweeweg-verkeer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De kabelexploitanten hebben zich in eerste instantie gericht op de investeringen
in de infrastructuur. Het (tweeweg) geschikt maken van de infrastructuur is
immers een noodzakelijke voorwaarde voor het aanbieden van nieuwe kabeldiensten.
Van de geplande investeringen in bijvoorbeeld Internet-toegang en videodiensten
(zoals Pay-per-View en Near Video on Demand) is nog slechts een relatief klein
deel gerealiseerd. De kabelsector staat hier aan het beginpunt.
Investeringen in Internet-toegang hebben eerste prioriteit bij kabelexploitanten
en dan pas telefonie en videodiensten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het telefoonnet van PTT-Telecom is bij internationale vergelijking van
zeer hoge kwaliteit (het bereikte bijvoorbeeld als eerste ter wereld een 100%
digitalisatie-graad). Snelle modemtechnieken (xDSL) kunnen een forse concurrentie
gaan betekenen voor de kabelmaatschappijen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In vergelijking met andere landen heeft Nederland een redelijk kwaliteitsniveau
voor wat betreft de infrastructuren voor Internet-toegang en -backbone. Duitsland
en Zweden doen het beter, terwijl Frankrijk duidelijk minder scoort op dit
terrein. Overal geldt dat de behoefte aan snellere verbindingen zeer snel
stijgt, maar dat betekent nog niet dat die vraag op dit ogenblik kosten-effectief
kan worden ingevuld. Nederland heeft na de VS en Zweden de hoogste penetratie
van Internet-hosts (computers zichtbaar op het net). Het aanbod van toegang
tot het Internet en met name de kwaliteit (bandbreedte in zowel «local
loop» als «backbone») ligt in ons land voor op Frankrijk,
maar loopt achter op landen als Duitsland, Zweden en de VS. Nederland scoort
ook goed met het aantal particuliere Internet-aansluitingen. Een aantal onderzoeken
heeft uitgewezen dat de particuliere Internet-penetratie in Nederland de hoogste
in Europa is. </al>
      <tuskop letat="cur">Elektronische diensten</tuskop>
      <al>De internationale markt voor elektronische diensten groeit sterk. De groei
zal naar verwachting de komende jaren voornamelijk uit de business-to-business
markt komen en stap voor stap ook een groter consumentenpubliek bereiken.
De kritische massa in de consumentenmarkt van de elektronische diensten wordt
tussen 5 en 10 jaar vanaf nu verwacht. De ontwikkeling van de Europese markt
loopt overigens achter op de ontwikkeling van de markt in VS. Dit geldt met
name voor Nederland dat nog slechts een kleine markt voor elektronische diensten
heeft. De bestedingen per capita aan elektronische diensten in 1997 waren
lager dan die van Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Zweden, Frankrijk en
de VS. Daar staat echter tegenover dat de groei van deze markt in Nederland
wel bijna het hoogst is. Nederland staat dus nog aan het begin van de ontwikkeling
van deze markt.</al>
      <al>Opvallende conclusie van de benchmark is dat de Nederlandse consument,
en met name het MKB, de kosten van computerapparatuur in vergelijking met
consumenten in andere landen als hoog en de complexiteit van bediening en
software eveneens relatief als groot percipieert. Deze percepties worden gezien
als een drempel voor verdere groei. </al>
      <plaatje file="kst-24565-7-1.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <al>De omvang van de Nederlandse markt lijkt een probleem voor aanbieders
van diensten.</al>
      <al>Aanbieders van elektronische diensten die – niet alleen vanwege
de taal, maar ook omdat ze daar van oudsher op opereren – zich specifiek
op de nationale markt richten, hebben grote moeite om in deze fase van de
ontwikkeling via Internet rendabele diensten op te zetten. Voor internationaal
georiënteerde aanbieders geldt dit uiteraard niet, zij het dat die natuurlijk
met Nederland ook over een kleine thuismarkt beschikken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een nog onvoldoende ontwikkeld ondernemersklimaat en onvoldoende investeringsbereidheid
met durfkapitaal wordt als probleem van de Nederlandse aanbodmarkt aangeduid.
Sommige segmenten in de markt worden nu al volledig gedomineerd door Amerikaanse
bedrijven. Voor Nederland liggen op de mondiale markt mogelijkheden op het
terrein van electronic commerce, electronic publishing, entertainment en ontsluiting
van databases.</al>
      <al>Nederlandse investeringsmaatschappijen investeren overigens wel degelijk
in de ICT-sector. In de VS gaat 70% van het risicodragend kapitaal naar ICT,
in Groot-Brittannië 40% en in Nederland 30%. De andere onderzochte landen
scoren lager. De Nederlandse venture capital firma's investeren echter relatief
weinig in <nadruk type="cur">startende</nadruk>ondernemingen. </al>
      <tuskop letat="cur">Kennisinfrastructuur</tuskop>
      <al>De benchmark naar de ICT-kennisinfrastructuur richtte zich op drie aspecten:</al>
      <al>onderzoeksinfrastructuur, kennisoverdracht en opleidingsaanbod voor de
arbeidsmarkt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De ICT-kennisbasis van Nederland staat op een relatief hoog peil. De uitgaven
aan onderzoek en ontwikkeling (zowel in wetenschap als bedrijfsleven) op ICT-gebied
zijn in vergelijking met andere Europese landen redelijk tot hoog. Wel zijn
de budgetten voor ICT-onderzoek in het bedrijfsleven sedert 1992 met ongeveer
10% teruggelopen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de wetenschappelijke publicaties op ICT-gebied scoort Nederland goed,
vooral waar het onderzoek op het terrein van software betreft. Op het terrein
van hardware en telecommunicatie loopt het aantal publicaties de laatste jaren
licht terug. Internationaal blijft het echter boven het gemiddelde. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De octrooien laten een minder rooskleurig beeld zien<voetref refid="v9.4" nr="4"></voetref>. Het universitair onderzoek is te theoretisch en het experimenteel
onderzoek aan de universiteiten (in het bijzonder ten behoeve van het ontwikkelen
van geavanceerde software) krijgt veel minder aandacht. De juiste faciliteiten,
bijvoorbeeld voor experimenten, ontbreken veelal.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Specialisatie op ICT-gebied is in Nederland geconcentreerd bij enkele
bedrijven, die een sterke positie hebben opgebouwd. Om deze positie te versterken
is veel menskracht nodig: in geen van de onderzochte landen is de discrepantie
tussen het aantal vacatures en het aantal werkzoekenden in de ICT-sector zo
groot als in Nederland. Overigens heeft Nederland met zijn omvangrijke elektronica-industrie
ook veel specialisten op hardwaregebied nodig.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De uitstroom uit het HBP en WP is op dit moment veel te laag om het groeiende
aantal vacatures op ICT-gebied op te vangen. Er is een groot tekort aan ICT-deskundigen,
zowel met een specialistische opleiding als met een gecombineerde opleiding
(bedrijfskunde en ICT bijvoorbeeld)<voetref refid="v9.5" nr="5"></voetref>. In de eerste
helft van de jaren '90 zijn de aanmeldingen voor de opleidingen technische
informatica bovendien nog fors gedaald. Het jaar 1997/1998 laat echter een
sterke stijging zien van het aantal eerstejaars studenten (25% in het WP en
18% in het HBP). Behalve de instroom laat ook het rendement van de opleidingen –
net als bij veel andere technische opleidingen – te wensen over. Veel
studenten haken voortijdig af.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het Nederlandse bedrijfsleven toont zich redelijk tevreden over het algemene
kennisniveau van de afgestudeerden. Voor de aanvullende opleiding van pas
afgestudeerde ICT-ers investeert het bedrijfsleven gemiddeld een bedrag in
de orde van 40 tot 55 duizend gulden, hetgeen in lijn lijkt te liggen met
hetgeen in andere landen gebruikelijk is. Het aanbod van commerciële
ICT-opleidingen is in Nederland relatief groot. Het contract-onderwijs op
het terrein van ICT, verzorgd door universiteiten en hogescholen voor (grote)
bedrijven, vertoont een duidelijke groei. Echter, zowel wetenschappelijke
onderzoekers als studenten nemen weinig initiatieven om onderzoeksuitkomsten
te commercialiseren of om hun kennis te gebruiken om een eigen bedrijf te
starten. De bescheiden aandacht voor ondernemersvaardigheden tijdens de opleiding
speelt daarbij wellicht een rol, evenals het gebrek aan ervaren financiers/coaches. </al>
      <tuskop letat="cur">De overheid en ICT</tuskop>
      <al>De overheid is ICT-grootgebruiker. ICT wordt ingezet voor de communicatie
met burgers en bedrijven en voor het verbeteren van processen binnen de overheid
zelf.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In alle onderzochte landen wordt ICT ingezet voor voorlichtingstaken en
elektronische dienstverlening aan burgers. Elektronische tweeweg-communicatie
tussen overheid en burgers (anders dan via de telefoon) is, behalve in Frankrijk
(Minitel), in alle landen pas grootschalig realiseerbaar geworden sinds het
Internet toegankelijk werd voor de gewone consument. In Nederland gingen begin
1995 de eerste overheids-websites van start. De VS was al wat eerder op het
net met «whitehouse.gov». Inmiddels is overal het aantal overheidswebsites
sterk toegenomen. Dit geldt ook voor Nederland waar thans ongeveer de helft
van alle overheidsorganisaties een eigen website heeft. Uit recentelijk onderzoek
blijkt overigens dat de kwaliteit in het algemeen nogal mager is<voetref refid="v9.6" nr="6"></voetref>. Nederland kent in tegenstelling tot andere onderzochte landen (Canada,
V.K., Zweden en de VS) geen centrale overheidswebsite. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daadwerkelijke transacties tussen overheid en burgers of bedrijven (zoals
belastingaangifte, vergunning-aanvragen of aanleveren van data aan statistische
autoriteiten) vinden nog vrijwel in geen enkel land plaats via het Internet,
onder meer vanwege de nog steeds bestaande problemen ten aanzien van de beveiliging.
Nederland loopt bij elektronische belastingaangifte via rechtstreekse modemverbinding
dan ook duidelijk voorop in de wereld. Dit geldt ook voor het gebruik van
EDI (Electronic Data Interchange) voor data-aanlevering aan het CBS.</al>
      <al>Geleidelijk aan wordt communicatie tussen overheid en burger via het Internet
een «normaal» gebeuren. Er komt daarom meer aandacht voor de vraag
naar toegankelijkheid: in hoeverre kunnen alle burgers wel van dit medium
gebruik maken? In alle onderzochte landen probeert men het Internet nu dichter
bij de mensen te brengen via Internet-terminals op openbaar toegankelijk plaatsen,
zoals gemeentehuizen en bibliotheken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In alle onderzochte landen wordt gewerkt aan kantoor-automatisering, berichtenverkeer
tussen departementen via e-mail, data-uitwisseling tussen instanties op gebieden
als gezondheidszorg en sociale zekerheid, elektronische aanbestedingen en
aanschaffingen, enzovoort. Wel zijn er tussen de benchmark-landen grote verschillen
in de wijze waarop het ICT-gebruik binnen de overheid wordt gemotiveerd. Ook
het soort ICT-gebruik waarop de nadruk ligt en de organisatie van het ICT-gebruik
binnen de overheid lopen uiteen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Zweden ligt de nadruk
op het vergroten van de efficiency van de overheid: de «bureaucratie»
moet goedkoper, kleiner, meer klantgericht en beter toegankelijk worden. Zweden
legt ook nadruk op verbetering van de dienstverlening. In Duitsland en Nederland
vormt het ICT-gebruik door de overheid onderdeel van een algemene nationale
ICT-strategie die mede de maatschappelijke acceptatie van de technologie zelf
tot doel heeft.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de VS ligt de nadruk vooral op front-office toepassingen (elektronische
loketten). In Zweden daarentegen gaat het juist om automatisering van het
back office: standaardisatie van bestandsgegevens ten behoeve van efficiënte
gegevensuitwisseling tussen instanties en elektronische aanbestedingen en
aanschaffingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor berichtenverkeer binnen de overheid bestaat er in een beperkt aantal
landen een «secure intranet». Nederland heeft alleen op het niveau
van de gemeenten een intranet: GEMnet. Wel is er een haalbaarheidsstudie naar
een rijksintranet gestart.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de meeste landen (waaronder Nederland) bestaat geen centrale organisatie
die de implementatie van ICT-projecten coördineert en ondersteunt en
die fungeert als een kenniscentrum voor de overheid. In Zweden en het V.K.
bestaan dergelijke organisaties wel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Al met al is Nederland goed op weg de overheidsdienstverlening aan burgers
en bedrijven via het Internet vorm te geven en kan zich spiegelen aan Zweden
en het Verenigd Koninkrijk. Wat betreft het intern ICT-gebruik binnen de overheid
scoort Nederland relatief minder goed, vooral bij het verbeteren van de interne
communicatie, de versterking van de back-office en de sturing van de gegevensuitwisseling
tussen verschillende sectoren. </al>
      <tuskop letat="cur">Samenvattend</tuskop>
      <al>Liberalisatie van de telecommunicatiemarkt heeft Nederland in een goede
positie gebracht. </al>
      <al>De effecten daarvan worden zichtbaar. De kwaliteit van de infrastructuur
in Nederland is in het algemeen goed, daarmee bestaat een goede uitgangspositie
om aan de toekomstige vraag van de markt te voldoen.</al>
      <al>De Nederlandse kennisinfrastructuur is in het algemeen goed, knelpunt
is echter dat het opleidingsvolume op het gebied van ICT achterblijft bij
de vraag. De informatievoorziening binnen de overheid zelf is moeilijk internationaal
te vergelijken maar behoeft op een aantal punten verbetering.</al>
      <al>De ontwikkeling van elektronische dienstverlening in Nederland bevindt
zich «in de startblokken». Hoewel de belangrijkste voorwaarde –
toegang tot netwerken voor een groot deel van de bevolking – in Nederland
beter vervuld lijkt dan in veel van de andere onderzochte landen, blijft de
ontwikkeling aan zowel vraag- als aanbodzijde in de markt achter bij de mogelijkheden.</al>
      <al>De conclusie luidt daarmee dat in de afgelopen periode de nodige voortgang
is geboekt maar dat er nog geen aanleiding is om tevreden achterover te leunen.
Op een aantal terreinen is en blijft gerichte actie door de overheid gewenst
teneinde een vooraanstaande positie van Nederland op de Elektronische Snelwegen
veilig te stellen. </al>
      <tuskop letat="vet">4. Vijf programmaclusters voor de komende jaren </tuskop>
      <tuskop letat="cur">4.0 Beleid voor de komende jaren: legitimatie en uitdagingen</tuskop>
      <al>In paragraaf 2 is op grond van de ontwikkelingen zoals die zich in het
fenomeen informatiemaatschappij manifesteren, de rolopvatting voor de overheid
geschetst.</al>
      <al>Geconfronteerd met de situatie waarin Nederland zich thans volgens de
benchmarkstudies bevindt, ontstaat een beeld waaruit blijkt dat overheidsactie
op een aantal terreinen gewenst is om de informatiemaatschappij in Nederland
optimaal te kunnen vormgeven, waarbij, zoals eerder gesteld, het oplossen
van het millenniumprobleem de hoogste prioriteit heeft. Actie is gewenst op
het terrein van de overheid als ICT-gebruiker. Voorts dient de overheid innovaties
op de markt voor elektronische diensten te stimuleren en electronic commerce
te faciliëren. Ook dient de overheid actie te ondernemen om de kennis-infrastructuur
te versterken en de toegankelijkheid van deze kennis te waarborgen.</al>
      <al>Ook al komt de Nederlandse kennis-infrastructuur uit de benchmark vrij
goed naar voren, gezien het essentiële karakter van kennis voor de ICT-economie
en de spanningen op de arbeidsmarkt zijn hier maatregelen noodzakelijk. Daaraan
voorafgaand dient de overheid als wet- en regelgever haar primaire taak te
vervullen door een aantal fundamentele waarden en normen in relatie tot het
elektronisch verkeer te waarborgen. Dit alles laat zich vertalen in vijf programmaclusters
voor toekomstig beleid<voetref refid="v11.7" nr="7"></voetref>:</al>
      <al>1. de overheid als wet- en regelgever;</al>
      <al>2. ICT en de overheid;</al>
      <al>3. kennis en toegankelijkheid;</al>
      <al>4. innovatie van ICT-ontwikkelingen in de marktsector;</al>
      <al>5. (tele)communicatie-infrastructuur.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze clusters worden in de volgende paragrafen nader uitgewerkt. Aangegeven
wordt waarom het kabinet overheidshandelen wenselijk acht en welke intensiveringen
zij voor de komende periode, te besluiten door het volgende kabinet, noodzakelijk
vindt. Tevens zal worden aangegeven welke aanzetten daartoe thans, binnen
het beschikbare NAP-budget 1998 en binnen de reguliere begrotingen, reeds
worden gegeven. Besluitvorming over de verdere intensiveringen, zowel wat
betreft de inhoud als wat betreft de omvang en allocatie van financiële
middelen, is aan het volgend kabinet. </al>
      <tuskop letat="cur">4.1 De overheid als wet- en regelgever</tuskop>
      <al>De overheid als wet- en regelgever heeft een aantal hoofdtaken op het
gebied van de informatie- en communicatietechnologie. Zij is verantwoordelijk
voor het waarborgen van een aantal fundamentele waarden en normen in de elektronische
omgeving, zoals: het beschermen en regelen van grondrechten, het verzekeren
van rechtshandhaving en het bieden van rechtszekerheid. Daarnaast faciliteert
de overheid het elektronisch verkeer door de marktwerking te bevorderen en
de mededinging te reguleren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op het gebied van ICT moet de rol van de overheid consistent, duidelijk
en vastomlijnd zijn. De overheid moet kaders scheppen voor de informatiesamenleving
door regelgeving en ordening – in een aantal gevallen moet zij daarmee
juist bewust terughoudend zijn. Dan weten burgers, bedrijfsleven en maatschappelijke
organisaties waar ze aan toe zijn en kunnen ze op basis daarvan hun koers
bepalen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de nota «Wetgeving voor de elektronische snelweg» wordt
een toetsingskader ontwikkeld voor wet- en regelgeving op dit terrein. Door
het wegnemen van belemmeringen in het bestaande juridische kader zal de overheid
wet- en regelgeving zo veel mogelijk toesnijden op de informatiesamenleving.
Op sommige terreinen zal overheidsregulering noodzakelijk zijn, op andere
zal een faciliërende, ordenende rol voldoende zijn. Belangrijke uitgangspunten
in dit verband zijn: een terughoudende opstelling van de wetgever, een belangrijke
plaats voor zelfregulering met ondersteuning of facilitering door de wetgever
en een streven naar wetgeving die technologie-onafhankelijk is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De actielijst voor de komende periode bestaat uit de volgende onderdelen:</al>
      <al>1. Uitvoering geven aan de nota «Wetgeving voor de elektronische
snelweg» en de daarop gebaseerde actielijst.</al>
      <al>2. Studie naar de implicaties van «electronic commerce» voor
de heffing van zowel directe als indirecte belastingen. Elektronische handel
trekt zich immers weinig aan van geografische grenzen. De Staatssecretaris
van Financiën heeft de «Adviesgroep Electronic Commerce en Belastingen»
ingesteld die in het voorjaar van 1998 zal rapporteren over mogelijke maatregelen. </al>
      <tuskop letat="cur">4.2 ICT en de overheid</tuskop>
      <al>De overheid moet zelf zo goed mogelijk gebruik maken van de mogelijkheden
die de informatietechnologie biedt. Zowel de dienstverlening aan burgers en
bedrijven als het interne functioneren van de overheid kunnen in dit opzicht
nog sterk worden verbeterd. Als «grootgebruiker» van ICT, kan
zij – door een hoge kwaliteit van dienstverlening en interne organisatie –
een voorbeeldfunctie vervullen voor burgers en bedrijfsleven en zo ontwikkelingen
stimuleren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zo kan de overheid zowel de kwaliteit van de dienstverlening aan burgers
en bedrijven als de efficiëntie en effectiviteit van haar interne functioneren
sterk verbeteren. Bovendien kan zij daardoor nieuwe vormen van dienstverlening
aanbieden. Uiteraard is de overheid gebonden aan de publieke taak en dus verplicht
tot een efficiënte besteding van middelen, tot transparantie van het
bestuur en tot een optimale dienstverlening aan burgers en bedrijfsleven.
Dit besef heeft op diverse plaatsen binnen de overheid al tot aansprekende
resultaten geleid. De Belastingdienst, Rijkswaterstaat en het CBS zijn voorbeelden
waarmee Nederland internationaal hoge ogen gooit. Tevens kan de overheid,
door actief gebruik te maken van nieuwe media, er toe bijdragen dat voor de
burger en voor bedrijven de drempel voor het gebruik van ICT
verlaagd wordt. Inzet van ICT biedt immers kansen om overheidsinformatie en
-diensten snel en toegespitst op de behoefte van burgers ter beschikking te
stellen. Voor het bedrijfsleven vormt overheidsinformatie een interessante
«grondstof» waarmee nieuwe commerciële producten en diensten
kunnen worden ontwikkeld.</al>
      <al>Alleen een goed georganiseerde back-office bij de overheid kan zorgen
voor optimale geïntegreerde dienstverlening en een adequaat aanbod van
overheidsinformatie. Deze infrastructuur moet aan de hoogste eisen voldoen,
zodat de communicatie op betrouwbare wijze verloopt en continuïteit gewaarborgd
is. Voor een geïntegreerde dienstverlening is uitwisseling van gegevens
tussen overheidsorganisaties noodzakelijk, uiteraard met waarborging van de
vereiste privacy. Daarvoor moet er inhoudelijke afstemming zijn, zodat stroomlijning
kan plaatsvinden. Dat levert positieve effecten op voor de efficiëntie
binnen de overheid, waardoor de administratieve lastendruk vermindert.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De actielijst voor de komende periode bestaat uit de volgende onderdelen:</al>
      <al>1. De ervaringen uit de periode 1994–1997 hebben geleerd dat meer
afstemming en meer samenhang nodig is om succes te boeken bij de realisatie
van overheidsprojecten, waarbij er tegelijkertijd voor moet worden gezorgd
dat de rijksdienst niet achterblijft bij de technologische ontwikkelingen.
Een samenhangende aanpak wordt gepresenteerd in de nota «Electronic
Government», waarin onder meer aan de volgende onderwerpen aandacht
zal worden besteed:</al>
      <al>– Verbeteren van de elektronische dienstverlening. Het gaat hierbij
om een groter en beter aanbod van overheidsinformatie en om de introductie
van transactiediensten.</al>
      <al>– Het op orde brengen van de back-office van de overheid, hieronder
wordt onder meer verstaan:</al>
      <al>– de stroomlijning van basisgegevens;</al>
      <al>– het opzetten van een overheidsintranet:</al>
      <al>– het (verder) ontwikkelen van TTP-diensten voor specifieke communicatie
tussen overheidsdiensten onderling en tussen de overheid aan de ene kant en
de burgers of het bedrijfsleven aan de andere kant.</al>
      <al>– De bundeling en het overheidsbreed toegankelijk maken van kennis
over de toepassing van ICT binnen de overheid, conform de situatie in het
Verenigd Koninkrijk waar sprake is van één centraal punt waar
overheidsorganisaties advies kunnen krijgen over de inzet van ICT.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De nota zal naar verwachting in oktober 1998 worden uitgebracht.</al>
      <al>2. In aansluiting hierop wordt in 1998 een eerste aanzet gegeven tot verbetering
van de back-office. Hierbij wordt vooral aandacht besteed aan overheids TTP-diensten
en het overheidsintranet. In het NAP-budget 1998 is hiervoor f 5 mln.
gereserveerd.</al>
      <al>3. Het kabinet is van mening dat de toepassing van ICT in de gezondheidszorg
en in de arbeidsvoorziening en sociale zekerheid van groot belang is om de
kwaliteit van de dienstverlening te vergroten en het dienstenaanbod te vernieuwen.
Daarom worden verkennende studies uitgevoerd naar «ICT in de gezondheidszorg»
en «ICT, Sociale Zekerheid en Arbeidsvoorziening». Hiervoor is
in het NAP-budget 1998 f 4 mln. vrijgemaakt. Het is de intentie dat de
studies nog in 1998 worden afgerond.</al>
      <al>4. Uitvoering van het project Communicatie Overheid – Burger dat
tot doel heeft verbreding van het aanbod van overheidsinformatie en de publieke
toegang daartoe (zie ook het cluster «Kennis en toegankelijkheid»;
hiervoor is in het NAP-budget 1998 f 20 mln. gereserveerd). Het project
heeft een looptijd van twee jaar (1998–2000).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De regering is zich er uiteraard van bewust dat het met name bij dit programmacluster
is dat de millenniumtoets de aandacht vraagt. Verdere ontwikkeling van het
gebruik van ICT door de overheid is belangrijk maar dit mag op geen enkele
wijze de oplossing van het millenniumprobleem doorkruisen. </al>
      <tuskop letat="cur">4.3 Kennis en toegankelijkheid</tuskop>
      <al>Kennis is de «brandstof» van de informatiemaatschappij. De
Nederlandse kennisinfrastructuur komt uit de benchmark relatief goed naar
voren, maar gezien het essentiële karakter van deze infrastructuur voor
een informatiemaatschappij zijn ook hier maatregelen gewenst.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Kennis en toegankelijkheid omvat een breed terrein. Het omvat onderwijs
en scholing, de ICT-onderzoekinfrastructuur, de toegankelijkheid van kennis
voor het bedrijfsleven en de toegankelijkheid van kennis en informatie voor
iedereen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Om volwaardig in de informatiesamenleving mee te doen, moet er bij de
beroepsbevolking voldoende kennis over ICT aanwezig zijn, vanaf de eenvoudige
kennis die bijna iedereen nodig heeft (zoals hoe met een tekstverwerkingsprogramma
om te gaan) tot aan de kennis die het management van bedrijven moet hebben
over mogelijkheden om ICT strategisch in te zetten in de bedrijfsvoering.
Op allerlei terrein zijn er mensen nodig met kennis van ICT. Behalve om gespecialiseerde
technici gaat het ook om mensen met specialistische kennis van de economische,
juridische en sociale aspecten van ICT. Ook op specifieke terreinen, zoals
«electronic commerce», «electronic publishing», management
van de informatievoorziening en van ICT en mobiliteit, is de behoefte aan
kennis op verschillende niveau's bijzonder groot. In Nederland overtreft de
vraag het aanbod aanzienlijk, ondanks diverse nieuwe opleidingsinitiatieven
in het regulier en particulier onderwijs. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>ICT is niet alleen onderwerp van onderwijs, maar ook middel om het onderwijs
te verbeteren. Het actieprogramma «Investeren in Voorsprong» beoogt
het gebruik van ICT volledig in te bedden in het onderwijs, waardoor een herontwerp
van het onderwijsproces tot stand zal komen. Een forse overheidsinvestering
is hiervoor wenselijk en noodzakelijk, hetgeen in lijn is met het advies van
de Tijdelijke Commissie voor het Informatiebeleid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met de recent (door NWP en bedrijfsleven) vastgestelde Nationale Onderzoeksagenda
Informatica wordt beoogd de kennisbasis met een aantal strategische zwaartepunten
te verstevigen. Een van die zwaartepunten is de kennisontsluiting. Naast de
vraag naar meer technologisch georiënteerd onderzoek is er behoefte aan
inzicht in de (toekomstige) maatschappelijke implicaties van ICT. Wat voor
gevolgen heeft ICT voor bijvoorbeeld de organisatie en inhoud van arbeid?
Om beleid op dit punt niet op impressies maar op harde gegevens te baseren
is extra onderzoeksinspanning noodzakelijk.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De toegankelijkheid van kennis verdient voortdurend de aandacht. De kennisinfrastructuur
moet het niet alleen mogelijk maken dat multidisciplinair onderzoek plaatsvindt,
maar ook dat de resultaten van dit onderzoek optimaal toegankelijk zijn. Kennis
trekt kennis aan, zeker als daarbij over geavanceerde ICT-netwerk-faciliteiten
kan worden beschikt. Zo ontstaan «netwerk-knooppunten» met een
sterke clustering van ICT-onderzoek, ICT-bedrijvigheid en communicatie-intensieve
bedrijvigheid. Nederland heeft een goede uitgangspositie om zo'n «brainport»
te worden, mits er sprake is van hoogwaardige opleidingen op ICT-gebied en
een hoogwaardige research-infrastructuur op ICT-gebied. In dit verband wordt
erop gewezen dat de behoefte aan dataverwerkings- en datatransportcapaciteit
in de wereld van hoger onderwijs en research voortdurend toeneemt. Initiatieven
voor vernieuwing en uitbreiding van de ICT-infrastructuur voor onderzoek verdienen
daarom actieve steun van de overheid. Constructies zoals die rond het Amerikaanse
«Internet 2» kunnen tot voorbeeld strekken.<voetref refid="v15.8" nr="8"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ondanks alle inspanningen om ICT-kennis in de informatiemaatschappij in
te bedden, is er toch het gevaar van een «kenniskloof» door ongelijke
toegangsmogelijkheden. Waar mensen in de samenleving – letterlijk en
figuurlijk – de aansluiting dreigen te missen, ligt er mede een taak
voor de overheid. Als traditionele media verdrongen gaan worden door op ICT
gebaseerde hulpmiddelen zullen degenen die de kennis missen om met die hulpmiddelen
om te gaan, in problemen komen. Dat geldt in het bijzonder voor delen van
de beroepsbevolking, maar ook voor andere groepen die nu al op een achterstand
staan, zoals ouderen of sommige minderheden<voetref refid="v15.9" nr="9"></voetref>.
Voorlopig denkt de regering dat stimuleren van universele <nadruk type="cur">toegang</nadruk> tot
netwerken (bijvoorbeeld openbaar toegankelijke plekken, zoals bibliotheken)
voldoende is. Ook het aanbieden van overheidsdiensten en -informatie via netwerken
kan het ICT-gebruik helpen bevorderen, en daarmee de diffusie van ICT-kennis
onder de bevolking.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De volgende concrete activiteiten zullen de komende periode in gang worden
gezet:</al>
      <al>1. Scholing</al>
      <al>– Ten behoeve van brede invoering van ICT in het primair, voortgezet
en beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie heeft het kabinet een begin
gemaakt met de uitvoering van het Actieprogramma «Investeren in Voorsprong»
en daarvoor in de begroting voor 1998 middelen vrijgemaakt. Over de vervolg-financiering
dient het volgend kabinet te besluiten.</al>
      <al>– Om op korte termijn te voldoen aan de enorme vraag naar personeel
op ICT-gebied en zeer sterk gevoelde knelpunten op de arbeidsmarkt weg te
nemen, zal worden onderzocht in welke mate beschikbare arbeidsvoorzieningsmiddelen
en de arbeidsvoorzieningsdienstverlening een impuls kunnen geven aan bijdragen
van sectoren t.b.v. de omscholing naar ICT beroepen. Dit initiatief leent
zich bij uitstek voor publiek-private samenwerking.</al>
      <al>– In aanvulling hierop zullen er, om te zorgen dat het bestaande
arbeidspotentieel «bij de tijd blijft», met de marktsector (werkgevers
en werknemers) afspraken worden gemaakt over de wijze waarop permanente bijscholing
op ICT-terrein kan worden gerealiseerd. Hiertoe kan de fiscale faciliteit
die sinds 1 januari 1998 bestaat t.b.v. scholing van werknemers mede worden
benut.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De twee laatste acties kunnen ook dienstig zijn om langdurig werklozen
en herintreders naar de arbeidsmarkt te geleiden.</al>
      <al>2. Opleidingen</al>
      <al>Om op korte termijn te voldoen aan de sterk groeiende behoefte aan specifieke
kennis over de toepassing van ICT zullen voorstellen worden ontwikkeld voor
het in publiek private samenwerking opzetten van één of twee
opleidingen, bijvoorbeeld voor electronic commerce en electronic publishing.
Binnen het NAP-budget is hier in 1998 f 9 mln. voor gereserveerd. </al>
      <al>3. Onderzoek</al>
      <al>Voor studies op het gebied van het NAP is in 1998 vanuit het NAP-budget
f 6 mln. beschikbaar. Hiervan is thans f 0,4 mln. gereserveerd voor
een voorstudie op het gebied van de maatschappelijke gevolgen van ICT. Deze
studie zal medio 1998 zijn afgerond waarna wordt besloten over het inrichten
van een (deel)programma.</al>
      <al>Verder wordt de uitvoering van de Nationale Onderzoeks Agenda Informatica
gestimuleerd, beginnende vanuit de reguliere middelen.</al>
      <al>Kennisontsluiting/cognitiewetenschappen wordt gezien als een prioritair
terrein.</al>
      <al>4. Toegankelijkheid van kennis en informatie</al>
      <al>De organisatie van de ICT-kennisinfrastructuur zal worden doorgelicht
op haar toegankelijkheid en transparantie voor het bedrijfsleven. Financiering
vindt plaats binnen bestaande kaders.</al>
      <al>Verder zal via Internet-aansluitingen in openbare bibliotheken een publieke
toegang worden geboden tot elektronische (overheids)informatie. Daarbij zullen
tevens een gebruiksvriendelijke interface en cursussen voor het publiek worden
ontwikkeld.</al>
      <al>Bovendien zal het aanbod aan overheidsinformatie sterk worden vergroot.
Deze activiteiten maken onderdeel uit van project Communicatie Overheid –
Burger, waaraan vanuit het NAP-budget 1998 f 20 mln. wordt bijgedragen.
In aanvulling hierop worden er voorzieningen getroffen om behalve overheidsinformatie
in engere zin ook de collecties van het cultureel en wetenschappelijk erfgoed
voor de burger gemakkelijk toegankelijk te maken. De eerste stappen op weg
naar een geïntegreerde aanpak zijn inmiddels gezet en worden gefinancierd
vanuit reguliere middelen. </al>
      <tuskop letat="cur">4.4 Innovatie van ICT-ontwikkelingen in de marktsector</tuskop>
      <al>Uit de diensten-benchmark blijkt dat met name de aanbodkant van de markt
van elektronische diensten stimulering behoeft, wil Nederland niet in een
ondergeschikte positie terecht komen. Ook aan de vraagkant zijn maatregelen
gewenst om de niet onaanzienlijke mogelijkheden die hier voor Nederland liggen
te grijpen; het absorptievermogen van de markt blijft achter bij de potentie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Terwijl het in het NAP vooral ging om het <nadruk type="cur">tot stand brengen</nadruk>van
«elektronische snelwegen», gaat het er in deze vervolgfase vooral
om het <nadruk type="cur">gebruik</nadruk> ervan door burgers, bedrijven en overheid te stimuleren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit het verrichte benchmark-onderzoek blijkt dat Nederland weliswaar goede
uitgangspunten kent, maar dat die onvoldoende worden omgezet in een grootschalige
markt voor elektronische diensten. De condities voor het gebruik zijn relatief
goed. In sectoren die zich toeleggen op het genereren en verspreiden van «content»
(bijvoorbeeld uitgeverijen en financiële dienstverlening) heeft Nederland
een relatief sterke positie. Het onderzoek constateert echter ook dat het
feitelijk gebruik en het feitelijk aanbod van dergelijke diensten in Nederland
nog op een laag niveau ligt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In een vorige fase richtte het beleid zich op de ontsluiting van de consumentenmarkt.
Op diverse punten is er een versnelling van de markt tot stand gebracht, in
infrastructureel opzicht en door het wegnemen van (juridische) belemmeringen.
In een komende periode verdient ook de markt van business-to-business diensten
extra aandacht. Verwacht wordt dat vooral de ontwikkeling van transactiediensten
(«electronic commerce») vèrreikende gevolgen zal hebben
in economische en financiële zin. Voor succes op het gebied van «electronic
commerce» zijn de belangrijkste voorwaarden dat er duidelijkheid wordt
geschapen over regels en gedragscodes en dat er afspraken worden gemaakt over
privacy en beveiligingsaspecten, alsmede over eenduidige betaalsystemen.
De overheid kan hier partijen bij elkaar brengen en eventuele belemmerende
factoren wegnemen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Om de innovatie van ICT-ontwikkelingen in de marktsector te stimuleren
zullen de komende periode de navolgende stappen worden gezet:</al>
      <al>1. lmplementatie van het Actieplan Electronic Commerce. In 1998 zal hieraan
f 5 mln. worden bijgedragen vanuit het NAP-budget.</al>
      <al>2. Voorlichting en communicatie over de (commerciële) mogelijkheden
van ICT in de richting van het MKB in samenwerking met het bedrijfsleven.
Hiervoor is f 2 mln. uitgetrokken in het NAP-budget 1998.</al>
      <al>3. De uitvoering van het «Twinning»-project dat van wezenlijk
belang is voor het bevorderen van kansrijke initiatieven in de marktsector.
Het project heeft tot doel het ontstaan en de groei van startende ondernemingen
op ICT-gebied (veelal spin-offs van onderzoek in universiteiten en onderzoeksinstituten)
te stimuleren. Door het «Twinning»-project worden samenwerkingsverbanden
tussen startende ondernemers en succesvolle gevestigde (inter)nationale ondernemers
bevorderd. In strategische allianties zullen zij kennis over productontwikkeling,
marketing en bedrijfsvoering aan elkaar ter beschikking stellen. Voor de eerste
fase van dit project is f 40 mln. gereserveerd, waarvan in 1998 vanuit
het NAP-budget een bijdrage van f 5 mln. wordt geleverd. Voor de tweede
fase van het project (extra centra en het «groeifonds») zal door
het komend kabinet een besluit moeten worden genomen.</al>
      <al>4. Voortzetten van de KREDO-regeling ter stimulering van nieuwe elektronische
diensten in de marktsector alsmede van kennisontwikkeling op dit gebied. Hiervoor
is in 1998 f 31 mln. gereserveerd in het NAP-budget. </al>
      <tuskop letat="cur">4.5 (tele)communicatie-infrastructuur</tuskop>
      <al>Het voorhanden zijn van een kwantitatief en kwalitatief hoogwaardige (tele)communicatie-infrastructuur
is een belangrijke voorwaarde voor een verdergaande ontwikkeling van (nieuwe)
multimedia- en telecommunicatie-diensten en een toenemend ICT-gebruik.</al>
      <al>Zowel de consument als de zakelijke gebruiker zijn in hun communicatiebehoeften
sterk afhankelijk van een (tele)communicatie-infrastructuur die efficiënt
werkt en goed is georganiseerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een van de instrumenten die in het voorgaande Nationaal Actieprogramma
werd ingezet, was de liberalisering van de telecommunicatiemarkt. Die is met
de totstandkoming van de nieuwe Telecommunicatiewet (inmiddels bij de Tweede
Kamer ter behandeling) grotendeels voltooid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vanwege het belang van de infrastructuur voor een verdere ontwikkeling
van diensten en gebruik blijft de kwaliteit en kwantiteit van de (tele)communicatie-infrastructuur
een punt van voortdurende aandacht van de overheid. De kwantiteit is in het
geding als de snelle toename van het elektronisch dienstenverkeer de capaciteit
van het netwerk te boven gaat.</al>
      <al>De kwaliteit is in het geding als consumenten onvoldoende vertrouwen hebben
in de veiligheid, integriteit en betrouwbaarheid van netwerken. Zo is de totstandkoming
van TTP's van essentieel belang om de betrouwbaarheid van elektronische berichten,
gegevens en transacties te kunnen garanderen. In het voorjaar van 1998 zal
een nota over dit onderwerp aan de Tweede Kamer worden aangeboden. De kwaliteit
is ook in het geding als standaarden in het netwerk niet «compatibel»
zijn met standaarden in de randapparatuur.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De actielijst voor de komende periode omvat de volgende thema's: </al>
      <al>1. Implicaties van convergentie in kaart brengen. De technologische ontwikkelingen
gaan in een richting waarin het onderscheid tussen verschillende vormen van
digitale informatie-overdracht, zoals spraak, data, beeld of video vervaagt
en het transport niet langer gebonden is aan één bepaald medium,
zoals glasvezel, kabel, telefoonlijn, satelliet of radio. Door convergentie
kunnen verschillende systemen in toenemende mate dezelfde diensten leveren.
De regering zal de problematiek van convergentie en de consequenties hiervan
voor het bedrijfsleven en de media in kaart brengen en een inhoudelijk standpunt
voorbereiden. Daartoe is een interdepartementale werkgroep geformeerd, die
in nauw overleg met het bedrijfsleven zal treden. De resultaten hiervan zullen
mede de basis vormen van de reactie die de regering zal formuleren op het
Groenboek Convergentie van de EU.</al>
      <al>2. Potentie kabelinfrastructuur benutten. Uit de benchmark-studie naar
de telecommunicatie-infrastructuur en uit andere onderzoeken blijkt dat de
Nederlandse kabel de potentie bezit om naast de overige netwerken een alternatieve
infrastructuur te vormen voor elektronische diensten. De versnippering in
de kabelsector is echter een van de factoren die ervoor zorgt dat die mogelijkheden
niet optimaal benut worden.</al>
      <al>Tegelijkertijd spelen in de kabelsector kwesties van internationalisatie
en schaalgrootte.</al>
      <al>De overheid wil op dit gebied een rol spelen door de problematiek nader
in kaart te brengen met betrokken partijen uit de kabelsector.</al>
      <al>3. Toepassing experimenteerregeling. In de nieuwe Telecommunicatiewet
is een experimenteerartikel opgenomen op basis waarvan het mogelijk is vergunning
te verlenen voor experimenten op het terrein van nieuwe technologieën
en diensten.</al>
      <al>Vanuit dit vertrekpunt is het voornemen om een grootschalig experiment
op het terrein van Digital Video Broadcasting (DVB) te ondernemen. De digitalisering
van de ether en de consequenties voor de dienstenleverancier en de consument
worden hiermee nader in kaart gebracht. Daarnaast bieden nieuwe toepassingen
als DAB (Digital Audio Broadcasting) en DVB ook goede mogelijkheden om via
experimenten ervaring op te doen op bijvoorbeeld het terrein van verkeer en
vervoer (verkeersmanagement). Voor 1998 is binnen het NAP-budget een bedrag
van f 3 mln. gereserveerd voor experimenten.</al>
      <al>4. Breedbandige internationale verbindingen. Kennisinstellingen, R&amp;D-instituten
en grote ondernemingen hebben voor geavanceerde toepassingen sterke behoefte
aan een elektronisch netwerk met een zeer grote bandbreedte en zeer hoge snelheid.
Dat moet niet alleen aangesloten zijn op het Europese achterland, maar ook
op transatlantische verbindingen en netwerken in de VS. Een dergelijk netwerk
(nieuwe generatie Internet) kan tevens gebruikt worden als «testbed»
voor experimenten met nieuwe toepassingen en producten. Tegelijkertijd creëert
het een eigen dynamiek; bedrijven en toeleveranciers zoeken vestigingsplaatsen
rond het netwerk op om te kunnen profiteren van innovatieve netwerktechnieken
en diensten. Dit alles is dan ook van wezenlijk belang om de internationale
knooppuntfunctie van Nederland verder te versterken vanwege de te verwachten
gunstige effecten op het gebied van vestigingsklimaat, werkgelegenheid, toegevoegde
waarde, kennis en innovatie om die reden vindt thans nader onderzoek plaats
naar de wijze van ondersteuning van onderzoeksnetwerken en naar de nadere
afbakening van de rol van de overheid en van de markt bij het opzetten van
internationale breedbandverbindingen. Een plan van aanpak wordt voorbereid
door V&amp;W, PC&amp;W en EZ.  </al>
      <tuskop letat="vet">5. De uitvoering van het programma</tuskop>
      <al>Voor de in de vorige paragraaf geschetste actiepunten zijn duidelijk eerstverantwoordelijke
ministeries aan te wijzen. De inhoud van de programmaclusters vereist bij
de uitvoering evenwel intensieve samenwerking tussen verschillende ministeries.
Er is sprake van veel onderlinge raakvlakken: deels gaat het om sector overstijgende
onderwerpen, deels om combinaties van onderling afhankelijke onderwerpen.
Bijna allemaal hebben ze belangrijk spin-off-effecten over de volle breedte
van het ICT-domein. Zo heeft bijvoorbeeld de invulling van juridische randvoorwaarden
een direct effect op electronic commerce, heeft goede dienstverlening vanuit
de overheid zijn uitwerking op het gebruik van 16% door burgers en bedrijven
en is een goede kennispositie essentieel voor het hele bedrijfsleven.</al>
      <al>Een samenhangend beleid op dit gebied vraagt – net als in het lopende
Actieprogramma – om goede onderlinge afstemming en coördinatie
tussen de betrokken ministeries. Wel tekent zich steeds duidelijker af dat
ICT-beleid meer en meer geïntegreerd wordt in het beleid en activiteiten
van de verschillende onderdelen van de Rijksoverheid. Het ligt daarom voor
de hand de verantwoordelijkheid voor concrete projecten en deelprogramma's
zo veel mogelijk bij de vakministeries te leggen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de komende periode wordt daarom de volgende structuur voorgesteld.
Een interdepartementale stuurgroep met vaste voorzitter en ondersteunend secretariaat
wordt verantwoordelijk voor het bewaken van de samenhang van het programma.
De stuurgroep wordt samengesteld uit portefeuillehouders die verantwoordelijk
zijn voor de uitwerking van hun deel van het actieprogramma. Deze stuurgroep
adviseert tevens het overleg van betrokken bewindslieden. De voortgang van
het programma wordt periodiek aan de Kamer schriftelijk gerapporteerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In 1998 wordt de financiering van de voorgestelde actiepunten voorzien
vanuit beschikbare departementale middelen en vanuit het structureel doorlopende
budget voor Elektronische Snelwegen. Dit laatste bedraagt voor 1998 f 90
mln., waarvan f 35 mln is gereserveerd voor het cluster kennis en toegankelijkheid,
namelijk voor: de impuls omscholing, het onderzoek-programma maatschappelijke
gevolgen ICT-ontwikkelingen en het gehele project Communicatie Overheid Burger.
Daarnaast is voor het cluster «Innovatie in de marktsector» f 43
mln gereserveerd, waaronder onder meer de KREDO-regeling valt. De resterende
middelen (f 12 mln) worden aangewend voor studies naar ICT toepassingen
binnen de overheid en experimenten met de (tele)communicatie-infrastructuur.</al>
      <al>Besluitvorming over de activiteiten na 1998 en de financiering daarvan
is, zoals reeds eerder aangegeven, aan het komende kabinet.  </al>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v3.1" nr="1">
    <al>Voortgangsbrief aan de Tweede Kamer van oktober 1997.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v3.2" nr="2">
    <al>Booz. Allen &amp; Hamilton: On-line services market benchmarking. Intercai:
Benchmarkstudie telecommunicatie – infrastructuur en diensten. B&amp;A
Groep: Zes maal een informatiemaatschappij.  TNO-STB: De ICT Kennisinfrastructuur
in Nederland. Tevens is gebruik gemaakt van een onderzoek naar de positie
van de kabelexploitanten in Nederland: Verdonck en Klooster &amp; Associates:
Kabelonderzoek. Bij deze samenvatting van de benchmark-studies en bij de programmavoorstellen
is ook – voor zover mogelijk – gebruik gemaakt van een aantal
recent uitgebrachte adviezen. Het betreft hier: het advies van de Tijdelijke
Commissie voor het Informatiebeleid inzake het Algemeen Bereik van Informatiediensten
(15 december 1997), het advies van de SER inzake ICT en Arbeid (19 september
1997) en het (concept) Advies van de AWT over de Structurele behoefte aan
informatie-technologen (januari 1998).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.3" nr="3">
    <al>Een Trusted Third Party levert diensten waarmee de authenticiteit, integriteit,
vertrouwelijkheid en/of onweerlegbaarheid van gegevens worden gewaarborgd.
Belangrijke diensten zijn de digitale handtekening, tijdstempelen en versleutelen
van gegevens, zodat de privacy kan worden beschermd.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v9.4" nr="4">
    <al>Ook de Verkenningscommissie Informatica (1996) komt tot dat oordeel. </al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v9.5" nr="5">
    <al>Ook de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) komt
tot deze conclusie.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v9.6" nr="6">
    <al>Onderzoek door VB Management Consultants «Achter de Internetsite»,
4 december 1997.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v11.7" nr="7">
    <al>Hierbij heeft het kabinet zich mede laten leiden door de eerder genoemde
adviezen van de Sociaal Economische Raad en de Tijdelijke Commissie voor het
Informatiebeleid.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v15.8" nr="8">
    <al>Zie hiervoor ook actiepunt 4 in paragraaf 4.5.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v15.9" nr="9">
    <al>Ook de Tijdelijke Commissie voor het Informatiebeleid vraagt overheidsbeleid
voor deze kwetsbare groepen. Deze wens wordt onderschreven in de motie van
het lid van de Tweede Kamer Varma.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>