﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24556-29/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1996-1997</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>7K1521</ordernr>
    <vergjaar>1996-1997</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>24 556</nummer>
      <naam>Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 1996</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>29</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoetermeer,  <datum>12 mei 1997</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naar aanleiding van het algemeen overleg met de Tweede Kamer op 3 oktober
1996 over de herstructurering van het kunstvakonderwijs heb ik uw Kamer een
kaderstellend beleidsplan voor het kunstvakonderwijs aangekondigd. Met deze
brief wil ik aan deze afspraak voldoen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In deze brief ligt de nadruk op de kwalitatieve aspecten van mijn beleidsvoornemens.
Kwantitatieve achtergrondgegevens en enkele specificaties voeg ik als afzonderlijke
bijlage bij.<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref></al>
      <tuskop letat="vet">1. Inleiding</tuskop>
      <al>De Tweede Kamer heeft op 3 oktober 1996 mijn voornemen ondersteund een
beleidsplan te maken voor het kunstvakonderwijs. De noodzaak van zo'n plan
werd breed gevoeld. Het gaat daarbij niet alleen om de kwaliteit en doelmatigheid
van dit onderwijs, maar ook om een betere aansluiting met de beroepspraktijk.
Bij motie had de Kamer in januari 1996 al bij mij aangedrongen op scherpere
instroomselectie, capaciteitsreductie en concentratie van expertise en middelen.
In het debat op 3 oktober 1996 is nog een aantal concrete wensen naar voren
gekomen: sanering van pseudo-opleidingen, een transparant onderwijsaanbod,
geografische spreiding naast intensieve samenwerking, en aandacht voor goede
vooropleidingen en een kwalitatief goede eerste fase.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Alhoewel de HBO-Raad en het ministerie elkaar in de afgelopen periode
goed hebben geïnformeerd, is het niet mogelijk geweest tot een gezamenlijk
beleidsplan te komen. Wel heb ik bij de voorbereiding van deze brief met de
HBO-Raad kunnen samenwerken rond het verzamelen van feiten en cijfers over
(deelname aan) kunstopleidingen in het hoger beroepsonderwijs. Meer samenwerking
was niet mogelijk. Ik heb niettemin bij individuele onderwijsinstellingen
en de beroepspraktijk van de kunstsector grote bereidheid ondervonden met
mij mee te denken over de toekomst van het kunstvakonderwijs.
Dat is mij op verschillende door mij belegde conferenties en tijdens overleggen
de afgelopen maanden gebleken. Ik ben niet alleen politiek verantwoordelijk
voor het kunstvakonderwijs, maar ook voor het kunstbeleid. Die gecombineerde
verantwoordelijkheid komt ook in deze beleidsbrief tot uiting.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Inmiddels heeft de HBO-Raad zijn eigen beleidsplan afgerond en is de afgelopen
week verschillende malen overlegd met de voorzitter van de HBO-Raad. De wederzijds
gedeelde conclusie van dit overleg is dat er een goede basis is voor vruchtbaar
overleg na de besluitvorming in de Kamer over mijn plan. Met uitzondering
van de financiële taakstelling, die verbonden is aan mijn plan en enkele
punten die meer liggen in de sfeer van precisering en uitwerking, is het aantal
echte, meer principiële geschilpunten namelijk beperkt tot een tweetal,
t.w. mijn voorstel voor kwantitatieve minimum-normen (zie 3 C) en mijn voorstel
voor een periodieke kwaliteitstoetsing (zie 3 F); de voorzitter zal u ook
zelf informeren over die punten.</al>
      <al>Bovendien zie ik ook zelf mogelijkheden om het voorstel van de HBO-Raad
bij mijn verdere planvorming te betrekken; dat plan vertoont op onderdelen –
met name in de sfeer van de herschikking van het kunstvakonderwijs –
parallellie met mijn voorstellen, maar vertoont een hoger concretiseringsgehalte;
het ligt daarom in de rede het voorziene procesmanagement te verzoeken bij
de verdere uitwerking van mijn plan ook die voorstellen te betrekken. Op grond
van het voorgaande is het mijn stellige verwachting dat het mogelijk is om
op basis van mijn plan tot uitwerking te komen. De geschilpunten die ik noemde
zijn en blijven een zaak van politieke afweging; in het te voeren overleg
wil ik nagaan òf het mogelijk is zodanige afspraken te maken dat de
instellingen respectievelijk de HBO-Raad het proces van planimplementatie
met vertrouwen tegemoet zien. Het spreekt vanzelf dat ik dat prefereer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In deze brief vat ik allereerst de problemen samen en geef ik een toekomstperspectief.
Daarna werk ik de verschillende onderdelen van dit perspectief uit: de sanering
van pseudo-kunstvakopleidingen, de specificatie van de tweefasenstructuur,
de opzet van een kwalificatiestelsel en kwantitatieve normeringen, de mogelijkheid
van periodieke toetsing en de nieuwe bekostigingssystematiek vanaf 2000. Als
vervolg beschrijf ik het instrumentarium van het veranderingsproces en tot
slot geef ik inzicht hoe ik de besparingen in het kunstvakonderwijs denk te
realiseren. </al>
      <tuskop letat="vet">2. Probleemstelling en toekomstperspectief</tuskop>
      <al>In de afgelopen jaren zijn met het kunstvakonderwijs afspraken gemaakt
over de herstructurering van deze sector. Instellingen werken elk naar vermogen
aan de noodzakelijke kwaliteitsverbetering. Zij verdienen daarvoor waardering.
Naar mijn mening doen zich evenwel kort samengevat de volgende knelpunten
voor in het kunstvakonderwijsbestel die de reikwijdte van afzonderlijke instellingen
te boven gaan. Allereerst is er sprake van een ondoorzichtig en zeer versnipperd
onderwijsaanbod. Ten tweede lijkt het onderwijsaanbod kwalitatief en kwantitatief
onvoldoende aan te sluiten op eisen van de beroepspraktijk. Tijdens de eerdergenoemde
conferenties en overleggen werd dit vanuit de kunstpraktijk duidelijk naar
voren gebracht. Maar ook het onevenredig hoog percentage kunstenaars dat een
beroep op de Bijstand doet en de relatief slechte inkomenspositie van kunstenaars
vormen hier indicaties van. Ten derde is er de noodzaak dat het kunstvakonderwijs
sneller en effectiever op nieuwe ontwikkelingen kan inspelen. Ten vierde worden
steeds meer onderwijsinstellingen geconfronteerd met een kritische ondergrens
van inhoudelijke en bedrijfsmatige doelmatigheid. Bij het oplossen van deze
problemen moet in aanmerking worden genomen dat in het jaar 2000 de termijn afloopt van de huidige bekostigingssystematiek van het kunstvakonderwijs.
Ik stel mij voor dat het kunstvakonderwijs in 2001 er als volgt uitziet. </al>
      <tuskop letat="cur">Toekomstperspectief: het kunstvakonderwijs in 2001</tuskop>
      <al>Het kunstvakonderwijs is adequaat gericht op de beroepspraktijk. In het
HBO en het wetenschappelijk onderwijs bestaan geen pseudo-kunstvakopleidingen
meer. Het onderscheid tussen eerste en tweede fase kunstonderwijs is in 2001
gespecificeerd in een vakopleiding, die opleidt tot startkwalificaties, en
een vervolgstudie waarin de volgende drie functies te onderscheiden zijn:
een voortgezette vakopleiding, faciliteiten voor uitzonderlijk talent en specifieke
bij- en nascholing, waarbij de twee laatstgenoemde functies geheel of gedeeltelijk
vraaggefinancierd zijn.</al>
      <al>Het totale aanbod van kunstvakonderwijs bestaat uit maximaal 25 soorten
opleidingen. Voor elke opleiding zijn er kwalificaties geformuleerd, die zijn
afgeleid van actuele startkwalificaties in de beroepspraktijk. Met behulp
van deze opleidingskwalificaties is een flink deel van de leerdoelen uniform
ingevuld. In het resterende deel worden instellingen geacht zich te profileren.
Alle studieprogramma's bestaan ten minste voor een vijfde deel uit praktijkcomponenten,
bijvoorbeeld in de vorm van stages en/of onderwijs-arbeidsovereenkomsten.</al>
      <al>De selectie op kwaliteit is scherp dankzij expliciete selectiecriteria,
openbare verantwoording van de procedure en onafhankelijke vertegenwoordiging
van de beroepspraktijk in selectiecommissies.</al>
      <al>Naast een landelijk kwalificatiestelsel bestaan er kwantitatieve minimumnormen
voor het aantal studenten dat deelneemt aan de 25 opleidingen. Het gaat om
landelijke normen per opleiding en om een verdeling van de opleidingsplaatsen
over vier tot zes regio's. Binnen een regio bestaan sterke samenwerkingsverbanden
met een centrale regie. Daarbinnen zijn opleidingsplaatsen verdeeld over locaties,
waarbij rekening is gehouden met vastgestelde inhoudelijke normen (ontleend
aan het kwalificatiestelsel) en bedrijfsvoeringscriteria. Kwaliteit van opleidingen
veronderstelt namelijk ook een zeker volume. Betrokken gemeenten onderhouden
een infrastructuur die voor het kunstvakonderwijs van belang is (bijvoorbeeld
muziekscholen). Op basis van de kwalificaties en kwantitatieve normen werken
de instellingen volgens beleidsplannen. Periodiek vindt een integrale toetsing
van het gevoerde beleid plaats door onafhankelijke deskundigen. Deze toetsing
kan gevolgen voor de financiering hebben. Binnen de nieuwe systematiek van
bekostiging zal gestreefd worden naar een zodanig doelmatige herverkaveling
van de middelen dat de eerste-fase-opleidingen op essentiële onderdelen
kan worden versterkt. De bekostiging van het kunstvakonderwijs is niet alleen
op studentenaantallen/capaciteitsafspraken gebaseerd, maar ook verbonden aan
de beoogde kwalitatieve toetsing.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit toekomstperspectief verwacht ik te realiseren door middel van o.a.
wetgeving en de instelling van een tijdelijk procesorgaan, dat voorstellen
moet doen voor sectorale en regionale samenwerkingsverbanden, het kwalificatiestelsel,
de onafhankelijke beoordeling en de bekostigingswijze. </al>
      <tuskop letat="vet">3. Uitwerking </tuskop>
      <tuskop letat="vet">A. Sanering </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Pseudo-kunstvakopleidingen</tuskop>
      <al>Om de kwaliteit van het kunstvakonderwijs effectief te kunnen verbeteren
en oneigenlijke concurrentie op de arbeidsmarkt tegen te gaan dient allereerst
uitgezuiverd te worden welke opleidingen niet bedoeld zijn om kunstenaars
op te leiden. Op de problematiek rond deze zogenaamde pseudo-kunstvakopleidingen
is de Commissie Koppelaars in haar advies Wissen en Witten ingegaan. Ik heb
de Kamer geïnformeerd over mijn voornemen over deze pseudo-kunstvakopleidingen
een besluit te nemen in samenhang met het beleidsplan voor het kunstvakonderwijs
(vgl. de brieven d.d. 18 november 1996 HBO/AS-96030035, 7 februari 1997 HBO/AS
97000593 en 25 februari 1997 HBO/AS-97004930). Bij het antwoord op de vraag
welke opleidingen als pseudo-kunstopleidingen en dus ongewenst moeten worden
aangemerkt, reken ik in ieder geval doublerende kunstopleidingen buiten het
kunstvakonderwijs gericht op de uitvoerende en toegepaste kunsten, zoals geïdentificeerd
in het rapport Wissen en Witten. De bekostiging van dergelijke samengestelde
programma's/opleidingen zal worden beëindigd. Een andere categorie betreft
doublerende opleidingsvarianten binnen het kunstvakonderwijs die niet via
het Centraal register opleidingen hoger onderwijs zijn geregistreerd. Hier
gaat het om op de autonome/toegepaste kunstbeoefening gerichte varianten van
eerste graad lerarenopleidingen beeldende kunst. Deze opleidingsvarianten
zullen als zodanig worden beëindigd. Voorstellen van de betrokken hogescholen
om dergelijke varianten als afstudeervariant te integreren in andere opleidingen
zullen op hun relevantie worden beoordeeld door het in het vervolg van deze
brief voorgestelde procesmanagement. Beëindiging van de bekostiging geldt
ook voor een deeltijd opleiding beeldende kunst aan een van de hogescholen
die ingaat tegen de eerdere onderwijsafspraken over de herstructurering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De uitkomsten van de met de HBO-Raad gehouden enquête over (deelname
aan) kunstopleidingen in het hoger beroepsonderwijs geven mij overigens aanleiding
te vermoeden, dat de Commissie Koppelaars niet over een compleet overzicht
heeft kunnen beschikken. Ik wil onderzoeken of de nieuwste gegevens aanleiding
zijn meer opleidingen als pseudo-kunstvakopleiding te typeren.</al>
      <al>Bovendien wil ik onderzoeken in hoeverre zogenoemde hybride opleidingen
(samengestelde opleidingen met andere beroepsperspectieven dan alleen kunstenaar
en kunstdocent, bijv. kunstmanagement of muziektherapie), volledig binnen
het kunstvakonderwijs thuis horen. Dit onderzoek wil ik eveneens baseren op
het rapport Wissen en Witten en de uitkomst van genoemde enquête. Onafhankelijk
van de uitkomst van deze enquête acht ik het alleszins redelijk dergelijke
opleidingen binnen het kunstvakonderwijs qua prijsniveau gelijk te schakelen
met het overige hbo. Voorzover dergelijke opleidingen ook buiten het kunstvakonderwijs
voorkomen ligt het in de reden dat instroomselectie ook tot die opleidingen
wordt verbreed. Ook in het wetenschappelijk onderwijs lijkt er sprake van
pseudo-kunstvakopleidingen. Over de precieze omvang en oriëntatie van
dergelijke opleidingen zal ik overleg voeren met het wetenschappelijk onderwijs
om te voorkomen dat het veranderingsproces van het HBO-kunstvakonderwijs leidt
tot pseudo-kunstvakopleidingen in het wetenschappelijk onderwijs. Het aanwijzingsbeleid
ten aanzien van particuliere kunstonderwijsinstellingen wil ik in overeenstemming
brengen met kwaliteitscriteria die ontwikkeld worden zoals ik elders in deze
brief uiteenzet. </al>
      <tuskop letat="cur">Niet-EU-studenten</tuskop>
      <al>Op basis van het beginsel dat de Nederlandse overheid primair verantwoordelijk
is voor de bekostiging van het onderwijs voor de eigen ingezetenen, moet ook
een beperking worden gesteld aan de financiële bijdrage die voor andere
studenten verstrekt wordt. In het HOOP 1996 is al aangekondigd, dat in het
geval van substantiële aantallen buitenlandse, betalende
studenten de bekostiging van studenten van buiten de Europese Unie afgeschaft
kan worden.</al>
      <al>Het percentage buitenlandse studenten in het kunstvakonderwijs rechtvaardigt
mij van deze mogelijkheid nu gebruik te maken. Het nationaliteitsvereiste
zoals ook gehanteerd in de Wet Studiefinanciering zal hier van toepassing
zijn, hetgeen betekent dat behalve studenten uit een EU-land ook Nederlandse
ingezetenen als tweede generatie allochtonen uit Turkije en Marokko niet onder
deze maatregel vallen. Teneinde onbedoelde effecten van voornoemde maatregel
gericht op niet-EU-studenten te voorkomen, ben ik voornemens om binnen het
voor het kunstvakonderwijs beschikbare financiële kader de mogelijkheden
voor een uitwisselingsprogramma voor geselecteerde niet-EU-studenten te onderzoeken
in overleg met mijn ambtgenoot van Ontwikkelingssamenwerking. </al>
      <tuskop letat="vet">B. Kwaliteitsverbetering</tuskop>
      <al>In het begin van deze brief heb ik een beeld geschetst hoe ik mij een
toekomstig kunstvakonderwijs voorstel dat hoge kwaliteit en doelmatigheid
waarborgt en dat de kansen van afgestudeerden op een succesvolle beroepspraktijk
groter maakt dan ze gemiddeld genomen nu zijn. Laat ik voorop stellen dat
er op dit vlak al het een en ander gebeurt: visitatiecommissies beoordelen
de kwaliteit van de opleidingen, die hun kwaliteitsbeheer daarop afstemmen,
en verschillende opleidingen werken samen met de beroepspraktijk. Bovendien
profiteert ook het kunstvakonderwijs van de projectgelden in het kader van
het Programma Kwaliteit en Studeerbaarheid, waarbij voor een periode van 3
jaar 20 miljoen gulden beschikbaar is. De meest recente onderzoekscijfers
over werk en inkomen van kunstenaars wijzen uit dat de beroepssituatie van
kunstenaars gemiddeld genomen nog steeds zorgwekkend is, ook al zijn er relatieve
verbeteringen opgetreden in vergelijking met enkele jaren geleden. Een nauwere
aansluiting en samenwerking tussen beroepspraktijk en het onderwijs vind ik
daarom essentieel om tot betere kwaliteit van het gehele kunstvakonderwijs
en een beter beroepsperspectief voor afgestudeerden te komen. </al>
      <tuskop letat="cur">Scherpere selectie</tuskop>
      <al>Scherpere selectie bij instroom in de kunstvakopleidingen helpt om de
kwaliteit van de opleidingen te verbeteren; bovendien kan het helpen te voorkomen
dat studenten worden toegelaten met als achterliggend doel aan het benodigde
aantal studenten voor bekostiging te komen. Selectie is ook van belang voor
een adequate inrichting van het onderwijs, omdat voor bepaalde opleidingen
eisen moeten worden gesteld aan een voldoende evenwichtige samenstelling van
de studentenpopulatie, bij voorbeeld om aan een conservatorium een evenwichtig
orkest- en ensemblepracticum te kunnen realiseren. Het belang hiervan neemt
alleen maar toe naarmate de capaciteit van instellingen afneemt. Instellingen
blijken zowel de criteria voor selectie, als de toepassing daarvan in termen
van kwaliteitseisen, objectivering en openbaarheid, onvoldoende te hebben
geëxpliciteerd, wat onduidelijkheid bij kandidaatstudenten en derden
oplevert. Om meer objectiviteit en een zekere normering bij de selectie te
bevorderen wil ik instellingen verplichten hun selectiecriteria per opleiding
en differentiatie vast te stellen evenals de selectieprocedure. Dat betreft
zowel de selectie voor de eerste als voor de tweede fase. Over de toepassing
daarvan moet jaarlijks in jaarverslagen gerapporteerd worden. In de selectie-commissies
moeten ook onafhankelijke vertegenwoordigers uit de beroepspraktijk zitting
hebben. Deze wijze van selecteren moet onderdeel worden van de kwaliteitszorg
van de instellingen en zal tevens aandachtspunt voor visitatiecommissies zijn. Denkbaar is dat de ervaringen met het geobjectiveerde selectiemechanisme
aanleiding zullen zijn voor instellingen een gedragscode op te stellen. </al>
      <al>Een aspect dat speciale aandacht eist, is de beschikbaarheid en kwaliteit
van vooropleidingen. Zowel het onderwijsveld als de beroepspraktijk geven
hier zorgelijke signalen over af. Ik wil onderzoeken op welke wijze de onderwijsinstellingen
de vooropleidingen hebben vormgegeven binnen de budgettaire ruimte die mede
voor dit doel bestemd was bij de introductie van de huidige bekostigingssystematiek.
Ik wil daarbij tevens onderzoeken welke knelpunten zich voordoen. Op basis
van de uitkomsten zal ik nadere actie overwegen. </al>
      <tuskop letat="cur">Versterking beroepspraktijk</tuskop>
      <al>Door de kunstpraktijk wordt sterk aangedrongen op verbetering van de vakopleiding.
Dit betreft primair de vaktechnische component (die ook in deze beroepsopleiding
voorop moet staan), maar in relatie daarmee ook de artistieke en de theoretische
component. Bij deze kwalitatieve versterking gaat het niet alleen of in eerste
instantie om het bereiken van de hoogst mogelijke niveaus van beroepsuitoefening.
Gegeven de beperkte opleidingsduur en het individuele rijpingsproces van studenten
wordt gewaarschuwd voor overtrokken eisen ten aanzien van de startcompetentie.
De pretentie dat men na de vierjarige vakopleiding voldoende gevormd is voor
het kunstenaarschap is dus onjuist. Wel is er brede consensus dat de vakopleidingen
in elk geval tot een relevante startkwalificatie moet leiden. De kunstpraktijk
wijst daarbij op allerlei ontwikkelingen en vernieuwingen binnen de beroepspraktijk
die om een andere oriëntatie van opleidingen vragen. Een voorbeeld daarvan
vormen vrije theaterproducties, musicals, popmuziek, amusement, etc. Kunstenaars
vervullen bovendien tijdens hun loopbaan gelijktijdig of achtereenvolgens
uiteenlopende functies in allerlei werkorganisaties. Daarop zouden de opleidingen
beter moeten voorbereiden.</al>
      <al>Onderdeel van de kwaliteitsversterking betreft de maatschappelijke toerusting
van studenten. Veel afgestudeerden ondervinden een enorme praktijkschok bij
het betreden van de arbeidsmarkt. Starters zijn onvoldoende vaardig in het
verwerven van opdrachten, opbouwen en onderhouden van werkcontacten en hebben
onvoldoende zakelijk inzicht. Dat is ook de brede klacht bij afgestudeerden
zelf, zoals is gebleken uit de Kunstenmonitor. De opleidingen stellen daar
tegenover dat studenten tijdens hun vakopleiding weinig interesse tonen voor
onderwijsaanbod op dat gebied. Dat neemt niet weg dat opleidingen ook dit
aspect een steviger plek in het onderwijsprogramma kunnen geven en studenten
via allerlei andere – meer praktische – vormen van beroepsvorming
kunnen stimuleren om hun startkansen te vergroten. Ik denk aan een minimumpercentage
van 20%.</al>
      <al>Een versterking van de beroepsvorming in het onderwijs zal voor opleidingen
het voordeel hebben meer wisselwerking met de regionale beroepspraktijk te
krijgen. Dit kan via versterking van de stage tijdens de vakopleiding, maar
ook via duale trajecten. </al>
      <tuskop letat="cur">Kwalificatiestelsel</tuskop>
      <al>Om het proces van verbeteringen op gang te helpen moet allereerst de inhoud
van het gewenste aanbod aan opleidingsvarianten gericht op de verschillende
segmenten van de kunstpraktijk opnieuw worden gedefinieerd. Versnippering
en onduidelijke naamgeving van de huidige opleidingen maakt het stelsel moeilijk
toegankelijk voor studenten en kunstpraktijk. Om helderheid te krijgen in
het noodzakelijke opleidingenaanbod gericht op de verschillende functies van
het kunstvakonderwijs (vakopleiding, na- en bijscholingsaanbod en eventueel
begeleiding van uitzonderlijk talent) zal er een landelijk kwalificatiestelsel
worden ingevoerd. In zo'n stelsel bepalen beroepspraktijk, opleidingen en
overheid gezamenlijk – ieder vanuit de eigen geëxpliciteerde verantwoordelijkheid –
aan welke opleidingen en op hoeveel plaatsen behoefte bestaat. Kern van dit
stelsel wordt gevormd door beroepsen opleidingsprofielen. Via een dergelijk
landelijk stelsel van opleidingskwalificaties kan permanent worden ingespeeld
op vernieuwing van de beroepspraktijk en wordt rekening gehouden met het feit
dat afgestudeerden tijdens hun loopbaan achtereenvolgens of zelfs gelijktijdig
uiteenlopende functies vervullen. Tegelijk wordt met zo'n stelsel transparantie,
samenhang, afbakening en kwaliteitsdifferentiatie mogelijk gemaakt. De opzet
van zo'n stelsel spoort met de bredere behoefte binnen het HBO om tot opleidingskwalificaties
te komen die voortvloeien uit de eisen van de beroepspraktijk.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gekoppeld aan een kwantitatieve normering gaat zo'n stelsel versnippering
tegen en is bundeling van expertise mogelijk. Momenteel is het opleidingenaanbod
van het kunstvakonderwijs – binnen het wettelijk opleidingsregister
(CROHO) – formeel op een te hoog aggregatieniveau geformuleerd zonder
dat er een aanvullend mechanisme bestaat dat leidt tot een relevant en evenwichtig
aanbod aan differentiaties en specialisaties. Het CROHO onderscheidt nu binnen
de sector Taal en Cultuur 3 brede kunstopleidingen (beeldende kunst&amp;vormgeving,
muziek en theater) en enkele voortgezette opleidingen, maar feitelijk kent
het kunstvakonderwijs wel zo'n 200 opleidingen. Het aantal opleidingsprofielen
zal op max. 25 worden gebracht. Met deze 25 opleidingsprofielen is ook een
zinvolle inhoudelijke samenwerking op landelijk niveau mogelijk. Het kwalificatiestelsel
zou een substantieel deel van de opleidingsdoelen moeten vastleggen, bijvoorbeeld
70% van de studielast. Met de overige ruimte kan de instelling invulling geven
aan specialisaties en inhoudelijke profilering. Om het kwalificatiestelsel
de nodige dynamiek te geven is een periodieke herijking van het opleidingsaanbod
aan actuele eisen van de beroepspraktijk noodzakelijk. </al>
      <tuskop letat="vet">C. Kaders voor samenwerking </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Minimum-normen</tuskop>
      <al>Zoals uit deze brief blijkt, kies ik bij de oplossing van de problemen
in het kunstvakonderwijs in eerste aanleg voor een kwaliteitstraject dat ook
effecten in kwantiteit zal krijgen. Samenwerking tussen opleidingen en overleg
met de kunstpraktijk moeten leiden tot een goede, gedifferentieerde kwalitatieve
en kwantitatieve aansluiting. Ik ben evenwel van mening dat alleen een stelsel
van opleidingskwalificaties, zoals hierboven beschreven, niet voldoende is
om tot concentratie van expertise en middelen te komen. In overleg met de
beroepspraktijk en het kunstvakonderwijs moeten landelijke normen uitgewerkt
worden voor de capaciteit en de spreiding van de 25 opleidingen in het kunstvakonderwijs.
Ik wil landelijke normen opstellen voor de ondergrens van – binnen een
hogeschool vaak als zelfstandige eenheden functionerende – kunstopleidingen,
zowel vanuit inhoudelijk, als bedrijfsmatig oogpunt. Ik acht de kwaliteit
van de verschillende soorten opleidingen gebaat bij het stellen van een minimum
getalsnorm. Daarbij denk ik aan een norm voor een conservatorium van minimaal
700 studenten, evenwichtig gespreid over de onderscheiden vakgebieden. Voor
elke andere kunstopleiding zal het aantal studenten minimaal 100 moeten zijn;
het spreekt vanzelf dat een dergelijke norm wel gerelateerd moet worden aan
het aantal en de samenhang van alle kunstopleidingen binnen een hogeschool
of een samenwerkingsverband. Aan de positie van zeer specialistische, unieke
opleidingen zal uiteraard aandacht moeten worden besteed. </al>
      <al>Om de verdeling van nader overeen te komen landelijke capaciteitsafspraken
per opleiding per hogeschool te kunnen vastleggen bereid ik momenteel een
verfijning van het wettelijk instrument van de arbeidsmarktfixus voor. Dit
instrument, dat ik in mijn brief van 14 juni 1996 nog prominent positioneerde,
houd ik meer op de achterhand. </al>
      <tuskop letat="cur">Samenwerking regionaal</tuskop>
      <al>De noodzaak van regionale samenwerking binnen het kunstvakonderwijs zal
de komende tijd groeien. In de afgelopen jaren is een beleid ontwikkeld dat
primair gericht is op kwaliteitsverbetering door reductie van de omvang van
instellingen, maar waarbij de spreiding van opleidingen veelal onder invloed
van cultuurpolitieke overwegingen (nagenoeg) onaangetast bleef. Opleidingen
vereisen evenwel vanuit zowel inhoudelijke als bedrijfsmatige overwegingen
een bepaalde kritische massa. Uit de feitelijke deelnameontwikkeling en spreiding
van studenten over instellingen en opleidingen kan worden vastgesteld dat
voor veel opleidingen een verantwoord zelfstandig functioneren niet of nauwelijks
meer mogelijk is, of binnen instellingen aanzienlijke budgetreallocaties vergen.
Enkele opleidingen hebben hieruit al de consequentie van een instellingsfusie
getrokken. Daarnaast valt ook te constateren dat een toenemend aantal instellingen
vormen van samenwerking zoekt. Te verwachten valt, dat de invoering van een
kwalificatiestelsel en een kwantitatieve minimum-normering dit proces zal
stimuleren. Van vergaande samenwerking binnen een regio lijkt de vorming van
een Kunsthogeschool Oost-Nederland een kansrijk voorbeeld dat bredere navolging
verdient. Een ander voorbeeld is de samenwerking in het Zuiden op het gebied
van muziekonderwijs, dat een perspectief biedt voor verbreding naar andere
vormen van kunstonderwijs in het Zuiden. Voor regionale samenwerking in Nederland
denk ik aan een aantal van 4 tot 6 regio's. In deze (multidisciplinaire) samenwerkingsverbanden
zijn de verschillende vormen van kunstonderwijs opgenomen; mijns inziens is
het voor de vorming van de student van belang dat deze geconfronteerd wordt
met een breed palet. Ik spreek hier nadrukkelijk van samenwerkingsverbanden,
maar ik ga ervan uit dat de opzet daarvan zodanig hecht is dat naast één
financiële/personele strategie ook gekomen wordt tot effectieve taakverdeling
op het gebied van de opleidingen zelf. Dit veronderstelt vergaande bestuurlijke
en institutionele integratie. </al>
      <tuskop letat="cur">Samenwerking bovenregionaal</tuskop>
      <al>Alhoewel ik het primaat in institutioneel opzicht leg op het regio-niveau
zie ik ook mogelijkheden voor inhoudelijke samenwerking binnen het kunstvakonderwijs
op bovenregionaal niveau en ook landelijk per discipline. Wat dit laatste
betreft, ligt in het nieuwe stelsel een sterkere bundeling van kennis en expertise
voor de hand. De samenwerking op landelijk niveau met de beroepspraktijk rond
het stelsel van opleidingskwalificaties en de invulling van het uniform geformuleerde
deel van de opleidingsdoelen vormen daar de stimulans voor. Maar er liggen
ook mogelijkheden voor specialisatie en profilering in het effectiever gebruik
van netwerken van kennis. </al>
      <tuskop letat="cur">Samenwerking internationaal</tuskop>
      <al>Bij samenwerkingsmogelijkheden moet verder gekeken worden dan de Nederlandse
grenzen. Kunstvakopleidingen hebben allerlei vormen van internationale samenwerking
ontwikkeld. Samenwerking met de belangrijke kunstopleidingscentra in de wereld
kan van groot belang zijn voor de kwaliteitsverbetering van opleidingen. Op
het terrein van internationale samenwerking zouden Nederlandse instellingen
hun activiteiten onderling beter kunnen afstemmen en selectief
moeten opereren. Voor zover structurele samenwerkingsverbanden met zusterinstellingen
over de grens bijdragen tot kwaliteitsverbetering zijn deze zinvol, bijvoorbeeld
om tot afspraken te komen over het onderwijsaanbod in de grensregio. Voor
vruchtbare internationale samenwerking is een zo hoog mogelijke kwaliteit
van de Nederlandse opleidingen echter van groot belang. </al>
      <tuskop letat="cur">Samenwerking met wetenschappelijk onderwijs</tuskop>
      <al>Door de beroepspraktijk en visitatiecommissies is gesignaleerd dat de
theoretische (intellectuele, conceptuele, historische) component in de kunstvakopleiding
onder de maat is. Samenwerking met instellingen van wetenschappelijk onderwijs
en onderzoek zou in deze leemte kunnen voorzien. Incidenteel komen al interessante
samenwerkingsprojecten voor. Voor het wetenschappelijk onderwijs zouden daarbij
interessante mogelijkheden voor praktijkstudie ontstaan. Voor het kunstvakonderwijs
lijkt mij deze samenwerking van betekenis uit een oogpunt van kwaliteitsversterking.
Om al deze redenen wil ik bevorderen dat ook het wetenschappelijk onderwijs
participeert in de eerder genoemde kennisnetwerken. Deze samenwerking zou
zich niet hoeven te beperken tot het initiële onderwijs, maar zou ook
tot interessante vormen van post-academiaal opleidingsaanbod kunnen leiden.
Voor opleidingen op het gebied van dramaturgie liggen hier interessante kansen.
De theaterpraktijk heeft hiervoor al belangstelling uitgesproken, niet alleen
voor de dramasector, maar ook voor de danssector.</al>
      <al>Het moge duidelijk zijn dat hier wordt gedoeld op vormen van inhoudelijke
samenwerking tussen wo- en kunstopleidingen, die leiden tot een meerwaarde,
en niet tot overname of het dupliceren van elkaars opleidingsvarianten. </al>
      <tuskop letat="cur">Samenwerking met beroepspraktijk</tuskop>
      <al>De samenwerking tussen onderwijs en beroepspraktijk is een rode draad
in deze brief.</al>
      <al>Op verschillende vormen waarin die samenwerking gestalte zal krijgen,
ben ik al ingegaan: een kwalificatiestelsel, kwantitatieve normering, verplichte
stage in het studieprogramma en onafhankelijke vertegenwoordiging van de beroepspraktijk
in selectiecommissies. Ter aanvulling hierop wil ik nog noemen dat ik samen
met de kunstvakinstellingen wil onderzoeken wat de obstakels zijn om via een
flexibel personeelsbeleid praktijkdocenten uit de beroepspraktijk op ruimere
schaal in te schakelen en zittend personeel bij te scholen. Voor zover de
oplossing van deze problemen ligt op het vlak van arbeidsvoorwaarden zal er
in eerste instantie een taak weggelegd zijn voor het overleg tussen werkgevers
en werknemers in het kunstvakonderwijs. </al>
      <tuskop letat="vet">D. De tweefasenstructuur </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Algemeen</tuskop>
      <al>Het huidige onderscheid tussen de eerste en tweede fase in het kunstvakonderwijs
roept bij talrijke betrokkenen vragen op. Zonder nu na de korte tijd waarin
deze structuur bestaat c.q. nog in opbouw is, haar alweer te willen verlaten,
vind ik het zinvol te bezien op welke punten specificering mogelijk is die
de kwaliteit en doelmatigheid ten goede komen.</al>
      <al>De eerste vraag die in het onderwijs en de kunstensector te beluisteren
valt is de onduidelijkheid over de precieze functie van de tweede-fase-opleiding:
is het alleen een voortgezette vakopleiding of moet het ook een voorziening
voor toptalent zijn? Een illustratie van het onduidelijke onderscheid geeft
de Raad voor Cultuur in zijn advies over de tweede fase muziekvakonderwijs.
Daarin concludeert de Raad in de plannen van de conservatoria geen wezenlijk
verschil te zien tussen de eerste en tweede fase muziek. De tweede vraag betreft
het belang van de eerste fase opleiding: sommige betrokkenen wekken de indruk
dat de tweede fase belangrijker is dan de eerste fase. Ik onderschrijf die
opvatting niet. Integendeel, ik deel op dit punt de gevoelens in de Tweede
Kamer ten aanzien van het grote belang van goede vakopleidingen, en dat invoering
van de tweede fase niet tot gevolg mag hebben dat de eerste-fase-opleidingen
aan kwaliteit verliezen!</al>
      <al>Ik stel voor dat de komende jaren het onderscheid tussen eerste en tweede
fase op de volgende wijze gespecificeerd wordt. Mede op basis van een door
onderwijsveld en beroepspraktijk te ontwikkelen stelsel van opleidingskwalificaties
zal er een vakopleiding gedefinieerd worden die opleidt tot startkwalificaties
van beroepen. Als vervolg op de vakopleiding zullen dan verschillende functies
te onderscheiden zijn: de voortgezette opleiding (voor specifieke beroepen)
en een faciliteit voor toptalent.</al>
      <al>Een dergelijke specificatie van functies zal vermoedelijk ook naar voren
komen uit evaluaties van de tweede-fase-opleidingen. Overigens zal ik binnenkort
de evaluatie van de tweede fase beeldende kunst, bouwkunst en theater ter
hand nemen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een derde functie die in zekere zin in de tweede fase te onderscheiden
is, is die van specifieke bij- en nascholing. Het kan zowel om vakbekwaamheden
gaan als om bijvoorbeeld specifieke zakelijke vaardigheden. De behoefte aan
dit soort vervolgonderwijs blijkt groot te zijn, zo is o.a. uit de Kunstenmonitor
gebleken. Ik stel me bij het uitwerken van de tweede en derde functie ook
een vraaggestuurde financiering voor, waarbij financiële drempels voor
kunstenaars verlaagd kunnen worden met behulp van onder andere stipendiaregelingen
die nu bij de kunstenfondsen van het ministerie zijn ondergebracht. Ook het
flankerend beleid in het kader van de Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars
(zie mijn brief aan de Kamer van 30 september 1996, K/P 96.3507) is hierbij
relevant.</al>
      <al>Bij een nadere specificatie van de tweede fase is ook een heldere samenhang
nodig met instellingen die (mede) gefinancierd worden vanuit het kunstbeleid:
Ateliers, Berlage Instituut, Dasarts, Maurits Bingerinstituut en de Rijksacademie
in Amsterdam, de Jan van Eyck Academie in Maastricht en het Europees Keramisch
Werkcentrum in Den Bosch. Ook de theaterwerkplaatsen zijn hier van belang.
De vraag moet beantwoord worden of zij een rol binnen het tweede fase kunstvakonderwijs
gaan vervullen of als werkplaats gaan of blijven functioneren, bekostigd als
kunstinstelling. </al>
      <tuskop letat="cur">Tweede fase muziek</tuskop>
      <al>In deze beleidsbrief schets ik een kader voor het toekomstig kunstvakonderwijs;
voor de sector muziekvakonderwijs moeten echter nu enkele concrete besluiten
worden genomen als consequentie van de invoering van de tweefasenstructuur,
te weten over de toekenning van de tweede fase opleiding muziekvakonderwijs
die moet starten per  1 september 1998. Mede gelet op het advies van de Raad
voor Cultuur bij de toekenningsvraag, zie ik ook goede mogelijkheden het besluit
van toekenning in samenhang te brengen met het beleidskader in deze brief.</al>
      <al>De Raad voor Cultuur adviseert om aan alle 6 (clusters van) conservatoria
een tweede fase toe te kennen, maar gaat daarbij wel uit van een verdere profilering
van conservatoria op basis van sterkten en zwakten: op basis van een verdeling
van specialisaties moeten omvang en budgetten per tweede-fase-voorziening
worden toegekend. De Raad vraagt speciale aandacht voor een voorziening voor
het uitzonderlijke talent dat kan excelleren en functioneren
op internationaal niveau. De Raad stelt vast dat met toekenning van 6 tweede-fase-opleidingen –
en wanneer de samenwerkingsverbanden ook formeel structureel zijn gemaakt –
het aantal conservatoria binnenkort tot 6 à 7 zal teruglopen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit onderscheid in functies van de tweede fase – verlengde vakopleiding
en opvang van toptalent – acht ik essentieel voor de verdere ontwikkeling
van de tweefasenstructuur in deze sector. Voor wat betreft de eerstgenoemde
functie heb ik geen principiële bezwaren tegen toewijzing van verlengde
vakopleidingen aan de zes (clusters van) conservatoria. Maar vastgesteld moet
eerst nog worden voor welke (instrumentale/vocale) opleidingsvarianten dit
ook noodzakelijk is en welke inhoudelijke condities daarbij gelden voor een
evenwichtige toewijzing van de dan gespecificeerde voortgezette opleidingen
aan de diverse (clusters van) conservatoria. Dit zal binnen het beoogde kwalificatiestelsel
nader uitgewerkt moeten worden. De concrete toewijzing van deze voortgezette
opleidingen zal worden gebaseerd op de feitelijke profilering van de verschillende
opleidingsclusters, zoals blijkt uit bijvoorbeeld de inmiddels verkregen cijfers
over de spreiding van studenten over de verschillende conservatoria naar vakgebied,
genre en instrument, zodat deze voortgezette opleidingen voldoende worden
geschraagd door de kwaliteit van de initiële opleidingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De tweede functie van de tweede fase – de opvang en begeleiding
van het uitzonderlijke talent – is echter gebaat bij een zo groot mogelijke
concentratie van talent, expertise en de benodigde middelen op hooguit een
of twee locaties. Voor een op zichzelf heel gering aantal excellerende studenten
zijn aanvullende faciliteiten nodig voor de opvang, verwijzing en begeleiding
binnen de tweede fase, maar zo mogelijk al tijdens de eerste fase. Zo'n voorziening
zie ik als een flexibel stelsel van aanvullende faciliteiten binnen de tweefasenstructuur
en niet daarbuiten of daar bovenop en zeker niet als apart topinstituut. Een
faciliteit kan bijvoorbeeld bestaan uit begeleiding tijdens de introductie
in de kunstpraktijk in het verlengde van de eerste en de tweede fase. In andere
gevallen gaat het om het organiseren van een aanvullende studie of stage in
het buitenland. In weer andere gevallen betekent het plaatsing onder de hoede
van een bepaalde docent of orkest of ensemble. Gelet op deze doelen moet deze
faciliteit georganiseerd worden binnen de gekoppelde netwerken van opleidingen
en kunstpraktijk. Het ligt voor de hand een voortrekkersrol te geven aan instellingen
waar de meeste expertise ontwikkeld is, te weten de conservatoria van Amsterdam
en Den Haag. Maar ik wil openhouden dat ook andere conservatoria op basis
van hun specifieke expertise betrokken kunnen worden bij deze faciliteit.
De gezamenlijke verantwoordelijkheid van opleiding en kunstpraktijk voor de
maximale ontplooiing van het uitzonderlijke talent breng ik tot uitdrukking
via een voldoende instellingsonafhankelijk selectie- en verwijzingsmechanisme
bij de inzet van middelen en de selectie van studenten. Voor de tweede fase
muziekvakonderwijs zijn binnen de huidige budgetten voor het kunstvakonderwijs
middelen gereserveerd; binnen deze reservering zal ik voor de opvang van het
uitzonderlijke talent een budget vrijmaken in de orde van grootte van 1 miljoen
gulden; aangezien het hier gaat om een additionele faciliteit voor een kleine
talentvolle groep lijkt mij dit voorshands voldoende. Verder ga ik uit van
een gecombineerde inzet van alle daartoe beschikbare expertise en middelen,
zowel binnen het kunstvakonderwijs als daarbuiten.  </al>
      <tuskop letat="vet">E. Lerarenopleidingen</tuskop>
      <al>In het kunstvakonderwijs bestaan lerarenopleidingen, zowel voor de kunstvakken
in het reguliere onderwijs (voortgezet onderwijs e.d.) als voor het brede
veld van kunsteducatieve activiteiten. Ook buiten het kunstvakonderwijs bestaan
lerarenopleidingen voor kunstvakken (bijvoorbeeld de tweede graads lerarenopleidingen
tekenen, handvaardigheid en textiele werkvormen binnen de sector hoger pedagogisch
onderwijs, en voor drama aan de voormalige akademies voor expressie door woord
en gebaar). De vernieuwing van lerarenopleidingen wordt ondersteund door het
Procesmanagement Lerarenopleidingen (PML). De vernieuwing van de lerarenopleidingen
binnen het kunstvakonderwijs is nog onvoldoende in dit traject verankerd.
Ik neem mij voor om voor de herinrichting van het kunstvakonderwijs een eigen
procesmanagement in te richten, dat ook de ontwikkeling van de lerarenopleidingen
in het kunstvakonderwijs binnen de kaders van deze beleidsbrief zal afstemmen
met de activiteiten van het PML. De huidige versnippering van de soms zeer
gering aantallen studenten over de verschillende vakken en opleidingslocaties
maakt daarvan onderdeel uit.</al>
      <al>Bij een goede inhoudelijke afstemming en samenwerking tussen de verschillende
lerarenopleiding zie ik geen reden voor een taakverdeling in de zin van een
institutionele herordening tussen de verschillende typen van lerarenopleidingen.</al>
      <al>Door scherpere selectie van studenten bij lerarenopleidingen kunstvakken
buiten het kunstvakonderwijs zullen studenten die andere ambities hebben dan
het docentschap in de kunstvakken, worden geweerd. Dit zal de druk op pseudo-kunstopleidingen
doen afnemen. Voor wat betreft de positie van de opleidingen docent drama
binnen de voormalige akademies voor expressie door woord en gebaar, in relatie
tot de opleidingen drama binnen het kunstvakonderwijs zal ik een standpunt
innemen na ontvangst van de bestuurlijke reactie van de HBO-Raad en de evaluatie
van de visitatie door de onderwijsinspectie naar aanleiding van het in 1996
verschenen visitatierapport. Hierover vindt te zijner tijd afstemming met
het procesmanagement kunstvakonderwijs en PML plaats. Het ligt in de rede
om de capaciteit en de bekostiging van deze opleidingen buiten het kunstvakonderwijs
nader te bezien in relatie tot het capaciteits- en bekostigingsbeleid voor
het kunstvakonderwijs. </al>
      <tuskop letat="vet">F. Periodieke toetsing</tuskop>
      <al>De opzet van een stelsel van opleidingskwalificaties, kwantitatieve normering,
een meer geobjectiveerd selectiemechanisme en een gespecificeerde tweefasenstructuur
leidt er naar mijn oordeel toe dat het onderwijsaanbod periodiek op kwaliteit
moet worden getoetst. In aanvulling op het algemeen stelsel van kwaliteitszorg
in het hoger beroepsonderwijs, waarin de visitatiecommissies een belangrijke
rol vervullen, wil ik frequenter en op hetzelfde moment over geobjectiveerde
informatie beschikken ten aanzien van het presteren van hogescholen, op inhoudelijke
punten, maar ook op het terrein van de bedrijfsvoering. Deze wens is mede
ingegeven door mijn gecombineerde politieke verantwoordelijkheid voor het
kunstbeleid en het beleid voor het kunstvakonderwijs. Zo'n toetsing –
eens in de ±vier jaar – zou mede moeten plaatsvinden aan de hand
van meerjarige beleidsplannen van opleidingen. De toetsing zou een koppeling
moeten krijgen met de bekostiging van de instellingen. </al>
      <tuskop letat="vet">G. Bekostiging vanaf 2000</tuskop>
      <al>De huidige manier van bekostiging van het kunstvakonderwijs is bedoeld
om de instellingen aan te zetten tot vermindering van hun instroom door scherpere
selectie. Budgetten bleven stabiel opdat de instellingen de reorganisatie
konden invoeren. Voor zover niet gehinderd door autonome daling van het aantal
aanmeldingen, gaan instellingen hier heel bewust mee om. Dit systeem is gebaseerd
op vrijwilligheid; het kan dus voorkomen dat instellingen minder reduceren
dan financieel toegestaan, ja zelfs hun instroom – onbekostigd –
vergroten.</al>
      <al>In het jaar 2000 zal de tweefasenstructuur in het kunstvakonderwijs volledig
zijn ingevoerd en ontvalt de grond aan de specifieke bekostiging van het kunstvakonderwijs.
Dit is ook wettelijk zo geregeld. Tijdig zal er een nieuwe bekostigingswijze
voor het kunstvakonderwijs moeten worden bepaald die de actuele beleidsdoelen
ondersteunt en die rekening houdt met de feitelijke realisatie van de vrijwillige
reductieafspraken door de afzonderlijke instellingen in relatie tot de daarmee
beoogde verbetering van de kwaliteit van de vooropleiding en de eerste fase.
Bij de evaluatie van de huidige bekostiging zal een belangrijke graadmeter
zijn in welke mate instellingen er in zijn geslaagd hun afgestudeerden succesvol
op de kunstpraktijk voor te bereiden. Er zal een relatie worden gelegd met
de manier waarop instellingen hun opleidingenaanbod hebben geprofileerd. Nader
zal worden geanalyseerd hoe de reductie binnen de instellingen over dure en
goedkopere opleidingen is verdeeld en hoe dat evenwichtig in de nieuwe manier
van bekostiging kan worden vertaald. Een aandachtspunt van andere orde is
hoe de instellingen de nu lopende capaciteitsreductie in personele zin hebben
doorgevoerd. De wijze van inbedding van de samenwerkingsrelaties zal in de
bekostiging worden meegewogen. Dit leidt tot een legitimatie van differentiatie
binnen de kostenstructuur van instellingen en opleidingen en een dito bekostiging.
Op grond van het beoogde kwalificatiestelsel zullen met de afzonderlijke hogescholen
specifieke afspraken gemaakt worden over de door hen te verzorgen opleidingen.
Daarbij zullen mede oordelen over de kwaliteit van de onderscheiden instellingen
en opleidingen betrokken worden (zie F.). Met andere woorden, in de nieuwe
manier van bekostigen zal worden uitgegaan van verschillen in zowel afgesproken
prestaties (taken), als de geleverde (artistieke) kwaliteit van die prestaties. </al>
      <tuskop letat="vet">H. Instrumentarium</tuskop>
      <al>In deze brief heb ik een beeld geschetst van zowel het gewenste einddoel
als de weg er naar toe. Kort samengevat is er sprake van een tweedeling in
dit instrumentarium: sturing van het proces via randvoorwaarden door mijzelf
via wet- en regelgeving en sturing van de concrete invulling van de herschikking
van opleidingen via opdrachtverlening aan een extern, onafhankelijk procesmanagement. </al>
      <tuskop letat="cur">Wet- en regelgeving</tuskop>
      <al>Via het instrument van wet- en regelgeving wil ik op korte termijn een
aantal voorwaarden voor de kwaliteitsversterking van deze sector creëren.
Daarnaast is een aantal aanpassingen in de regelgeving nodig om de beoogde
besparingen te instrumenteren.</al>
      <al>– aanpak van pseudo-kunstvakopleidingen</al>
      <al>– verscherping selectie en openbare verantwoording</al>
      <al>– aanpassing bekostingssystematiek in verband met niet-EU-studenten</al>
      <al>– toewijzing 2e fase muziek</al>
      <al>– aanpassing aanwijzingssystematiek</al>
      <al>– verfijning instrument arbeidsmarktfixus</al>
      <al>– herdefiniëring opleidingenaanbod in CROHO</al>
      <al>– landelijke kwantitatieve normering instandhouding opleidingen</al>
      <al>– verankering kwalificatiestelsel en kwaliteitsbeoordelingssystematiek</al>
      <al>– herziening van de tijdelijke bekostigingssystematiek </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor een aantal onderdelen is wet- en regelgeving onvermijdelijk. Gelet
op de bestuurlijke verhoudingen blijft mijn streven, uiteraard, gericht op
sobere regelgeving. Ik sluit niet uit dat op onderdelen bestuurlijke afspraken
afdoende zijn. Bovendien heb ik het voornemen het wettelijk noodzakelijke
instrument ten behoeve van de arbeidsmarktfixus pas toe te passen als dat
niet anders kan. </al>
      <tuskop letat="cur">Procesmanagement</tuskop>
      <al>Op korte termijn dient een aantal bestuurlijk complexe activiteiten in
samenhang door onderwijs en beroepspraktijk in gang te worden gezet. Dat veronderstelt
een gezaghebbende centrale regie. In verband met de verwevenheid van inhoudelijke,
de bestuurlijke en politieke aspecten van het beoogde veranderingstraject
wil ik die regie in handen geven van een onafhankelijk, tijdelijk en in omvang
beperkt procesmanagement dat uiterlijk op 1 december 1997 op grond van een
door mij vastgestelde taakopdracht een plan van aanpak voor overleg met het
onderwijs- en beroepenveld aan mij aanbiedt. Dit procesmanagement zal door
mijzelf als opdrachtgever worden aangestuurd. De opdracht aan het procesmanagement
betreft onder meer het totstandbrengen van geregeld overleg tussen opleidingen
en beroepspraktijk, in eerste instantie voor het formuleren van beroepsprofielen
vanuit de behoefte in de kunstpraktijk in brede zin, daar van af te leiden
opleidingsprofielen en landelijke opleidingskwalificaties. Een en ander uit
te werken in een kwalificatiestelsel, waar aangekoppeld een systeem van periodieke
kwaliteitscontrole.</al>
      <al>Verder zal dit procesmanagement door regionale samenwerking de tot standkoming
van bestuurlijk en institutioneel geïntegreerde samenwerkingsverbanden
stimuleren en beïnstrumenteren, waardoor zowel de kwaliteit als de doelmatigheid
van het kunstvakonderwijs verbetert. De invulling van deze opdracht en de
samenstelling van het procesmanagement kan deel uitmaken van het overleg dat
ik aangaf in het begin van deze brief.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In deze beleidsbrief is het kader voor dit procesmanagement aangeduid.
Gelet op de complexiteit zal het procesmanagement de nodige ruimte moeten
worden gelaten. Zonder ankerpunten kan zo'n proces echter niet binnen een
redelijke termijn tot resultaten leiden. Daarom krijgt het procesmanagement
een kader mee waarin ook kwantitatieve normeringen voor sectorale en regionale
versterking zijn opgenomen, zoals</al>
      <al>– maximum aantal van 25 opleidingsprofielen</al>
      <al>– minimumomvangsnormen voor opleidingen van 700 voor een volledig
conservatorium of cluster van conservatoria en 100 voor overige opleidingen.</al>
      <al>– maximum indeling in regio's van 4 tot 6</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de tijd gezien zal het veranderingstraject als volgt verlopen.</al>
      <al>1. Na instemming van de Tweede Kamer voor deze benadering zal het procesmanagement
worden ingericht en worden gevraagd voor  1 december 1997 een plan van aanpak
te leveren.</al>
      <al>2. Over dit plan van aanpak zal ik overleg voeren met de HBO-Raad. Over
de resultaten zal ik de Tweede Kamer informeren.</al>
      <al>3. Gedurende het eerste halfjaar van 1998 zal het procesmanagement overleg
initiëren met de opleidingen en de beroepspraktijk over soorten, aantallen
en minimumomvang van opleidingen en zullen de verschillende mogelijkheden
van regionale samenwerking worden verkend. Hierover zal het procesmanagement
medio 1998 aan mij rapporteren. Vervolgens zal ik hierover een bestuurlijk
overleg met de HBO-Raad voeren en de Kamer over de voortgang informeren.</al>
      <al>4. Op basis hiervan zal ik het procesmanagement nadere aanwijzingen geven
over de condities voor de verdere uitwerking. </al>
      <al>5. Begin 1999 verwacht ik een eindrapportage van het procesmanagement
op grond waarvan na bestuurlijk overleg met de HBO-Raad en overleg met de
Tweede Kamer de feitelijke formalisering kan worden gerealiseerd.</al>
      <al>6. Medio 1999 zal de nieuwe bekostigingssystematiek zijn uitgewerkt, voorzover
in dit stadium te overzien, gespecificeerd en gedifferentieerd naar herverkavelde
taken en budgetten per hogeschool c.q. samenwerkingsverband. Inwerkingtreding
van dit nieuw bekostigingsarrangement is voorzien per 1 januari 2000. </al>
      <tuskop letat="vet">I. Besparingen</tuskop>
      <al>Het voorgenomen traject van kwaliteitsverbetering maakt het mogelijk om
binnen de kunstopleidingen in het hbo een besparing te genereren Het budgettaire
kader voor het kunstonderwijs voor de komende jaren wordt gevormd door de
huidige budgetreeks in de rijksbegroting waarop een financiële bijstelling
plaatsvindt van f 4 miljoen in 1998, oplopend tot f 25 miljoen in
2001. In deze brief is aangegeven hoe deze besparing zal worden gerealiseerd.
Op twee – meer technische – maatregelen wordt hieronder nog ingegaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>– In 1998 vindt voor het gehele hbo een verhoging van het collegegeld
plaats met f 175, – onder gelijke vermindering van de bekostiging
per student. Het kunstvakonderwijs kent meer bekostigde studenten dan het
reële aantal collegegeld betalende studenten. In voorgaande jaren is
hiermee rekening gehouden. In 1998 zal evenwel het volle effect van de collegegeldverhoging
worden verrekend in de bekostigingsniveaus van het kunstvakonderwijs. De opbrengst
hiervan bedraagt structureel Mf 1 met ingang van 1998.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>– Geleidelijke invoering bekostiging tweede fase muziek vanaf 1998 </al>
      <al>Invoering van de tweejarige curricula binnen de tweede fase muziek per
1998 leidt pas vanaf 1999/2000 tot het structurele bekostigingsniveau. Hiervoor
is in 1999 Mf 5 minder nodig dan gereserveerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hieronder geef ik een overzicht van de maatregelen met de geraamde opbrengsten. </al>
      <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
        <tgroup align="left" charoff="75" cols="7" tgroupstyle="sdu1">
          <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="16.0714285714286mm"></colspec>
          <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="16.0714285714286mm"></colspec>
          <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="16.0714285714286mm"></colspec>
          <colspec colname="c4" colnum="4" colwidth="16.0714285714286mm"></colspec>
          <colspec colname="c5" colnum="5" colwidth="16.0714285714286mm"></colspec>
          <colspec colname="c6" colnum="6" colwidth="16.0714285714286mm"></colspec>
          <colspec colname="c7" colnum="7" colwidth="16.0714285714286mm"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"> bedragen *Mf 1</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">1998</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">1999</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">2000</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">2 001</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">2 002</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">2 003
evj </entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">pseudo kunstopleid.</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">2.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">2.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">3.0</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">niet-EU studenten</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">2.0 </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">4.0 </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">5.0 </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">5.0 </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">5.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">5.0</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">alg. collegegeldeffect</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1.0</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">Invoering 2e fase muziek</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">5.0 </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">hybride opleidingen</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">3.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">3.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">3.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">3.0</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">herordening</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">8.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">14.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">14.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">13.0</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">totaal</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">4.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">11.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">18.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">25.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">25.0</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">25.0</entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <tuskop letat="cur">Flankerend beleid/reorganisatiekosten</tuskop>
      <al>Om het instellingen mogelijk te maken reorganisaties door te voeren, fricties
op te lossen en overgangssituaties te creëren wil ik een flankerend beleid
voeren. Het kabinet heeft voor de dekking van dergelijke kosten een budget
van maximaal Mf 50 beschikbaar gesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met de instellingen c.q. de HBO-Raad en de vakcentrales zal worden overlegd
over de wijze waarop en de condities waaronder additionele middelen t.b.v.
flankerend beleid kunnen worden ingezet. Ik geef er de voorkeur aan om hierover
in tripartite samenstelling te overleggen. Allereerst geldt uiteraard
voor alle betrokken partijen een inspanningsverplichting om een extra beslag
op de wachtgelduitgaven ten gevolge van de herstructurering zoveel mogelijk
te voorkomen. De bovengenoemde additionele middelen zijn bedoeld voor de opvang
van resterende – onvermijdbare – extra uitgaven in de personele
sfeer als gevolg van in dit kader noodzakelijke reorganisaties. </al>
      <ondtek>
        <functie>De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,</functie>
        <naam>A. Nuis </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>