﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24556-28/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1996-1997</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>6K3673</ordernr>
    <vergjaar>1996-1997</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>24 556</nummer>
      <naam>Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 1996</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>28</nummer>
      <titel>VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG</titel>
      <datum>Vastgesteld 24 oktober 1996</datum>
      <al>De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> heeft op 3 oktober 1996 overleg gevoerd met minister Ritzen
en staatssecretaris Nuis van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over:</al>
      <al>– het <nadruk type="vet">kunstvakonderwijs</nadruk> (OCW-96–717, 879 en 919
en Kamerstuk 24 556, nr. 23);</al>
      <al>– de <nadruk type="vet">letterenfaculteiten</nadruk> (Kamerstuk 24 556, nr.
22);</al>
      <al>– de <nadruk type="vet">differentiatie in het hoger onderwijs</nadruk> (aanbiedingsbrief
notitie Differentiatie universitaire studies (Kamerstuk 24 556, nr. 19),
aanbiedingsbrief notitie Plan van aanpak verblijfsduurdifferentiatie HBO (OCW-96–716)
en brieven inzake commissie Toelating numerusfixusopleidingen (OCW-96–913
en 916)).</al>
      <al>Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag
uit. </al>
      <tuskop letat="vet">Kunstvakonderwijs</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van Gelder</nadruk> (PvdA) vond het van groot belang dat de
staatssecretaris zich actief wil bezighouden met de herstructurering van het
kunstvakonderwijs om voor de korte en de lange termijn een duidelijker profilering
en onderlinge afstemming en dergelijke te realiseren. Immers, het aanbod is
te versnipperd. Bij de uitwerking van de door hem geschetste aanpak mag de
staatssecretaris zich niet beperken tot het HBO, maar moet hij ook kijken
naar aanpalende studievelden in het WO en naar particuliere opleidingen.</al>
      <al>De belangrijkste reden voor herstructurering is de wens de kwaliteit te
verbeteren. De heer Van Gelder hechtte er belang aan dat men zich over de
kwaliteit in de eerste fase van het kunstvakonderwijs net zo druk maakt als
over de kwaliteit in de tweede fase. Immers, de eerste fase moet de deelnemers
aan de tweede fase leveren, buitenlandse studenten uitgezonderd. De staatssecretaris
dient dan ook extra aandacht te besteden aan de wijze waarop vooral in de
eerstefaseopleidingen kwaliteitsverhoging kan worden bereikt. De heer Van
Gelder vroeg zich af of de noodzaak van een uitstroomreductie op basis van
een arbeidsmarktfixusbeleid nog zo groot is als in juni ten departemente werd
verondersteld. In samenspraak met de HBO-raad en de instellingen zullen de
knelpunten in kaart moeten worden gebracht. Helder moet zijn welke opleidingen
waar gegeven worden, wie daaraan deelnemen en hoe de resultaten in de praktijk
zijn. Het leek hem niet verstandig om in dit geval puur vraag en aanbod als
uitgangspunt te hanteren. Op vele andere terreinen gebeurt dat ook niet. Het
maakt nogal wat uit of iemand bijvoorbeeld muziekleraar of orkestlid wil worden
of beeldend kunstenaar.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer Van Gelder vond het vreemd dat er nu weer een discussie ontstaat
over de tweede fase muziekvakonderwijs. Amsterdam en Den Haag zijn en worden
merkwaardig genoeg buiten de discussie gehouden, terwijl daarvoor toch ook
de kwaliteitstoets gehanteerd had kunnen worden. Enerzijds zal de Raad voor
cultuur gevraagd worden om de kwaliteitstoetsing te verrichten, anderzijds
dekt de staatssecretaris zich in de brief van 27 augustus (Kamerstuk 24 556,
nr. 23) een beetje in door te reppen van een andere aanpak. Omdat er al zoveel
over is gediscussieerd, zou het verstandig zijn om met de tweede fase muziekvakonderwijs
door te gaan op de afgesproken manier, al kan het in het kader van de herstructurering
als geheel nuttig zijn om tot samenwerkingspatronen te komen zoals die tussen
Groningen en Den Haag. De visitatiecommissies onderbouwen de noodzaak van
specialisatie, profilering enz. Speciaal aandachtspunt in het geheel zal de
vormgeving van de lerarenopleiding moeten zijn.</al>
      <al>De heer Van Gelder vond het niet verstandig van de staatssecretaris om
van het begin af aan het voortouw te willen nemen in deze operatie. Vanwege
onder meer het regionale aspect dat een rol zal gaan spelen in de discussie,
leek het hem verstandiger om eerst een aantal wijze mensen/deskundigen in
te schakelen om enige afstand tot de zaak houdend, erover te oordelen. De
heer Van Gelder pleitte niet voor een procescoördinator à la Bunnik
in het middelbaar beroepsonderwijs.</al>
      <al>De belangrijkste vraag is hoe zo goed mogelijk gestalte kan worden gegeven
aan de noodzakelijke discussie over de wijze waarop een betere aanpak van
het kunstvakonderwijs kan worden bereikt. Het is zijns inziens onjuist om
deze discussie a priori te belasten met een bezuiniging van 25 mln., terwijl
er bij de voorbereiding van het HOOP nogal forse afspraken zijn gemaakt met
HBO en WO over beperking van uitgaven, dus bezuinigingen. Hij pleitte ervoor
de in de meerjarenraming opgenomen bezuiniging van 25 mln. tussen haken te
plaatsen en eerst het traject goed in te gaan. Dit zal ongetwijfeld bezuinigingen
opleveren. Te zijner tijd kan dan worden bekeken of de 25 mln. zijn gehaald.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Rabbae</nadruk> (GroenLinks) constateerde dat ook op het gebied
van het kunstonderwijs de marktfilosofie haar intrede heeft gedaan en dat,
wanneer men niet oppast, «paars» overal de markt haar werk zal
laten doen. Hij betwijfelde of de markt op dit terrein haar dictaat mag opleggen.
Natuurlijk moet worden voorkomen dat mensen worden opgeleid voor werkloosheid,
maar iets anders is, ervan uit te gaan dat de vraag het aanbod moet bepalen.
Als dit in het verleden was gebeurd, zou Nederland volgens hem niet zo'n groot
aanzien op cultureel gebied hebben gekregen. Al begreep de heer Rabbae dat
het kabinet deze bezuiniging koppelt aan financiële ruimte ten behoeve
van de wachtgeldproblematiek en de onderwijs-CAO, toch was hij ertegen en
verbaasde het hem dat uitgerekend de heer Nuis, een geprononceerd man op het
gebied van kunst en cultuur, de markt een rol wil laten spelen.</al>
      <al>Het is wel goed dat de staatssecretaris een herverkaveling nastreeft in
verband met de versnippering, de modieuze opleidingen – welke zijn dat? –
en de pseudo-kunstopleidingen. Maar iets anders is het om, zoals het vorige
kabinet heeft gedaan en ook dit kabinet doet, te stellen dat door bezuinigingen
de kwaliteit van het onderwijs zal worden verbeterd. Het is logischer om als
uitgangspunt te nemen het saneren van versnippering en pseudo-opleidingen
en het verhogen van de kwaliteit in de sector en daarbij te stellen dat als
de operatie geld oplevert, dit weer door het Rijk zal worden gebruikt in deze
of een andere sector. Een dergelijke reorganisatie zal waarschijnlijk
breed gedragen worden door de sector en de studentenwereld. De heer Rabbae
pleitte ervoor deze weg te volgen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Jorritsma-van Oosten</nadruk> (D66) constateerde dat de staatssecretaris
uitvoering gaat geven aan de motie-De Vries c.s. (Kamerstuk 24 556, nr.
10) over knelpunten in het kunstvakonderwijs. Dat er afspraken zullen worden
gemaakt tussen de instellingen over taak en differentiatie van de opleidingen,
is in lijn met het visitatierapport over beeldende kunst en vormgeving. Zij
vond ook sectorale en regionale samenwerking belangrijk, met name omdat in
de regio's buiten de Randstad vaak culturele netwerken bestaan waarin instellingen
voor kunstvakonderwijs een belangrijke rol spelen. Bij alle maatregelen die
worden genomen, moet erop worden gelet dat die netwerken niet worden vernield.</al>
      <al>Bij het aanpakken van de lerarenopleidingen zal zowel de vitalisering
van de lerarenopleiding als de kunstzinnige kwaliteit in het oog gehouden
moeten worden. Voorgesteld wordt om bij de instroomselectie professionals
uit de beroepssector te betrekken. Dat is een goede zaak, maar het zal wel
in overleg met de instellingen moeten gebeuren, omdat ook recht moet worden
gedaan aan de eigen cultuur van die instellingen. </al>
      <al>Het mag niet zo zijn dat buitenlandse studenten worden toegelaten om een
tekort aan binnenlandse studenten teniet te doen. Studenten uit andere EU-landen
zullen aan dezelfde toetsingseisen moeten voldoen als de Nederlandse studenten.
Men mag overigens aannemen dat buitenlandse studenten die naar een Nederlandse
instelling komen, al een selectie achter de rug hebben. Het kostendekkend
tarief voor studenten van buiten de EU wordt al gehanteerd bij alle mogelijke
opleidingen in het hoger onderwijs, behalve als het gaat om studenten uit
ontwikkelingslanden die veelal agrarische opleidingen volgen.</al>
      <al>Bij de aanpak van de pseudo- en de parakunstopleidingen moet worden voorkomen
dat studenten doorschuiven naar aanverwante opleidingen in het wetenschappelijk
onderwijs.</al>
      <al>Inhoudelijk achtte mevrouw Jorritsma de insteek van de staatssecretaris
inzake de kwaliteitsverbetering, de capaciteitsreductie en de sanering en
de bijbehorende financiën zinnig, zij het onder een aantal randvoorwaarden.
Allereerst moet er worden uitgegaan van goede kwaliteit van de opleidingen
en van de opgeleiden. De opgeleiden zullen ook enigerlei beroepsperspectief
moeten hebben. Er is een zekere sanering van de opleidingen nodig, waarbij
rekening moet worden gehouden met de culturele uitstraling van verschillende
instellingen in de omringende culturele netwerken. Bij profilering, differentiatie
en sanering dienen de gewenste inhoudelijke veranderingen uitgangspunt te
zijn en niet de bezuiniging.</al>
      <al>De indruk is gewekt dat degenen die het meest hebben gereduceerd, het
hardst worden gestraft. De reductie bij de diverse opleidingen verschilt nogal.
Is daar een verklaring voor? Als het aantal studenten aan kunstvakopleidingen
vermindert doordat potentiële kunststudenten uiteindelijk voor een andere
HBO-opleiding kiezen, dan zou dat geld opleveren omdat studenten aan die andere
opleidingen minder kosten per jaar. Is dat een mogelijkheid om geld te «verdienen»
zonder dat de instellingen daarvoor moeten bezuinigen? In hoeverre is dit
te rijmen met eerder gemaakte afspraken? Als er op deze manier geld vrijkwam,
zou het prachtig zijn als dit, desnoods voor een deel, binnen de sector zou
worden gebruikt, bijvoorbeeld voor de bekostiging van het kunstenplan, dat
ook weer werkgelegenheid zal opleveren, aldus mevrouw Jorritsma.</al>
      <al>Er zijn allerlei gegevens over het beroepsperspectief van uitstromers
uit de kunstvakopleidingen, maar die zorgen niet voor helderheid. Is het niet
nodig om er meer onderzoek naar te doen? Waarom is dat nog niet gedaan? Kan
de Kamer een rol spelen bij een betere onderbouwing van arbeidsmarkt- of andere
beroepsperspectieven van de afgestudeerden? Van een echte arbeidsmarktfixus
is haar fractie nooit voorstander geweest.</al>
      <al>Twee opleidingen hebben de tweede fase muziekvakonderwijs toegekend gekregen.
Vier andere instellingen moeten nog een toets ondergaan. Die toetsing dient
zo snel mogelijk te geschieden om de onzekerheid voor die instellingen zo
kort mogelijk te laten duren. Zijn er al criteria bekend aan de hand waarvan
die toetsing zal gebeuren? Het zou goed zijn als bij de toetsing ook rekening
werd gehouden met de specialisatie die in zo'n tweede fase optreedt. Als dat
kan samenvallen met inbedding in een regionaal cultureel netwerk, dan zou
dat prachtig zijn, aldus mevrouw Jorritsma.</al>
      <al>Het door de staatssecretaris opgevoerde alternatief in geval dat de toets
negatief uitvalt, ziet er niet slecht uit. Ook hierbij moet aandacht worden
geschonken aan de regio. Het is belangrijk dat er geen uitholling van de eerste
fase van het muziekvakonderwijs plaatsvindt in het geval dat de betrokken
instelling niet voor de tweede fase in aanmerking komt. Mevrouw Jorritsma
pleitte ervoor om studenten die eerste fase van het muziekvakonderwijs volgen
en excellent blijken te zijn, de mogelijkheid te geven tweede fase muziekvakonderwijs
te volgen aan een andere instelling.</al>
      <al>Ten aanzien van de tweede fase van het overige kunstonderwijs worden suggesties
gedaan waarbij de Rijksacademie en de Jan van Eyck Academie een rol spelen.
Kan dit worden toegelicht?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Beinema</nadruk> (CDA) betoogde dat de uurwerken van de budgettaire
«tijdbommen» in de brieven van 14 juni en 27 augustus in feite
aan het slot van de brief van 14 juni weer onklaar zijn gemaakt, omdat daar
staat dat het voor een behoorlijke en afgewogen besluitvorming noodzakelijk
is te beschikken over analyses van het veld van de arbeidsmarktperspectieven
per opleiding en van de spreiding van de verschillende opleidingen over het
land. En die noodzakelijke gegevens zijn nog niet voorhanden. De heer Beinema
leidde hieruit af dat de staatssecretaris toegeeft dat het kortingsbesluit
van het kabinet ad 25 mln. niet afgewogen is en derhalve heroverwogen dient
te worden.</al>
      <al>In de brief van 27 augustus (24 556, nr. 23) staat: «De financiële
opbrengst ligt met name in het verschil in bekostiging tussen kunst- en andere
studenten, en in de effecten van scherpere selectie en deelnamecondities van
buitenlandse studenten.». Wat betekent «met name» in dit
verband: alleen maar of voornamelijk? De heer Beinema vroeg of die maatregelen
op termijn wel kunnen leiden tot een besparing van 25 mln. Hij deelde de mening
van de staatssecretaris dat de voorgenomen maatregelen nieuwe maatregelen
zijn die niet zonder meer binnen de HOOP-afspraken vallen. Dat betekent dat
er ruimte is voor verschillende interpretaties.</al>
      <al>Herbestemming van eventuele efficiencywinst in deze sector is volgens
de staatssecretaris niet nodig, onder meer omdat de kunstopleidingen ten volle
profiteren van extra investeringen in het kader van Kwaliteit en studeerbaarheid.
Die extra investeringen gelden evenwel maar voor drie jaar, terwijl de efficiencybesparingen
structureel zullen zijn.</al>
      <al>De wachtgeldeffecten zijn vooralsnog volstrekt onzeker. Zolang die onzekerheid
bestaat, stemde de heer Beinema niet in met reorganisatiemaatregelen.</al>
      <al>Gegeven de bestaande ondoorzichtigheid van de arbeidsmarkt voor kunstenaars
kan zijns inziens het ultimum remedium van de arbeidsmarktfixus vooralsnog
niet worden gehanteerd. Hij wees in dit verband ook op de gegevens die de
HBO-monitor heeft opgeleverd en die toch bij de overwegingen zullen moeten
worden betrokken.</al>
      <al>De heer Beinema stemde in principe van harte in met het een halt toeroepen
aan allerlei varianten van pseudo-kunstopleidingen. Over de precieze invulling
van die maatregel zal eerst overleg tussen Kamer en kabinet mogelijk
zijn als de commissie-Koppelaars advies heeft uitgebracht en, wat de beeldende
kunst betreft, het recente visitatierapport is bestudeerd en verwerkt.</al>
      <al>Ook kon de heer Beinema instemmen met het vervroegen van de evaluatie
van de al ingevoerde tweede fases kunstonderwijs, zij het dat zijns inziens
het hierbij betrekken van de capaciteit van de Rijksacademie en de Jan van
Eyck Academie in zoverre oneigenlijk is, dat deze instellingen wel bijdragen
aan de kwaliteit, maar niet aan de kwantiteit van de uitstroom naar de arbeidsmarkt.</al>
      <al>Met wie zijn er, zoals wordt gesteld, over de toekenning van de tweede
fase muziekvakonderwijs medio 1994 enkele principeafspraken gemaakt over onder
meer de studentenaantallen? Er is destijds een overleg geweest van de commissie
met de toenmalige staatssecretaris, maar die heeft daarna, demissionair zijnde,
nog een brief gestuurd met de mededeling dat erop teruggekomen zou worden
na overleg met diverse betrokkenen. Dat is niet eerder gebeurd. De heer Beinema
nam aan dat het hele complex van de tweede fase, inclusief de positie van
de conservatoria in Amsterdam en Den Haag, in definitieve zin zal worden besproken
in het overleg dat Kamer en staatssecretaris te zijner tijd zullen voeren
over de resultaten van de kwaliteitstoetsing van de plannen voor de tweede
fase. Van wie heeft de staatssecretaris de weinig geruststellende signalen
ontvangen dat de instellingen problemen ondervinden bij de voorbereiding van
de plannen voor de tweede fase en wat houden die signalen in? Het stemde de
heer Beinema allerminst gerust dat de staatssecretaris preludeert op het negatief
uitvallen van de kwaliteitstoets. Hoopt de staatssecretaris dat de door hem
geschetste mogelijkheid werkelijkheid wordt en dat hij een alternatief voorstel
mag uitwerken? Wil de staatssecretaris al voor het alternatief kiezen als
een van de vier andere instellingen of clusters uitvalt? De heer Beinema sprak
de verwachting uit dat er vier stel plannen voor de tweede fase ingediend
zullen worden die een niet-vooringenomen adviescommissie zullen overtuigen.</al>
      <al>Hij memoreerde dat de staatssecretaris een implementatieplan voor het
kunstonderwijs voorziet voor het eind van dit jaar. De heer Beinema verwachtte
dat dit in de Kamer zal worden besproken. Ook naar zijn oordeel zou het van
wijsheid getuigen als de staatssecretaris bij het overleg dat hij voorafgaand
aan dat plan zal voeren met de betrokken instellingen en de HBO-raad, niet
uitging van een bezuiniging van 25 mln.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">J. M. de Vries</nadruk> (VVD) merkte in verband met de mogelijke
invoering van een arbeidsmarktfixusbeleid op, dat de in de nota in dat kader
genoemde percentages veel hoger zijn dan die van de HBO-monitor. Bovendien
achtte zij het niet gewenst om alle studierichtingen in deze sector over één
kam te scheren. Wat de toegepaste kunst betreft, is er weinig verschil met
overige vakopleidingen in het HBO. Deze afgestudeerden vinden hun weg naar
de arbeidsmarkt. Het is natuurlijk onmogelijk te spreken over een arbeidsmarkt
voor autonome kunstenaars. Immers, een kunstenaar kweekt zijn eigen markt.
Bovendien is het hebben van meerdere deeltijdbanen, zoals voor musici nogal
eens het geval is, niet direct ten nadele van de beroepsgroep en dus geen
reden voor een arbeidsmarktfixus.</al>
      <al>De kunstopleidingen in Nederland hebben gemiddeld genomen een heel behoorlijk
niveau. Het niveau van de kunstpraktijk ligt nog steeds hoger en stijgt nog
steeds. Wil het kabinet een uitstroomreductie, dan moet het eerste criterium
worden gevormd door het kwalitatieve niveau dat de afgestudeerden in de verschillende
sectoren behoren te hebben. Niet kwantiteit, maar kwaliteit moet in de eerste
plaats het criterium zijn. Daarnaast speelt het absorptievermogen van de markt
uiteraard ook een zekere rol.</al>
      <al>Mevrouw De Vries had er bezwaar tegen dat de herstructurering bovendien
nog 25 mln. moet opleveren, omdat dit haaks staat op de gemaakte
afspraken en bestuurlijk gezien niet netjes is. Daar waar de Kamer bij de
aanvaarding van de onder meer door haar ingediende motie (24 556, nr.
10) een herstructurering voorstond om de kwaliteit van de sector te versterken
en daarnaast de broodnodige duidelijkheid te verschaffen, gebruikt de staatssecretaris
de motie om 25 mln. binnen te halen. Het moge duidelijk zijn dat de indieners
van de motie dat niet in gedachten hadden in januari.</al>
      <al>Bij eventuele onvermijdbare reorganisatiekosten zal compensatie buiten
de sfeer van het wachtgeldakkoord plaatsvinden. Waar komt het geld dan vandaan?</al>
      <al>De tweede en derde voorgestelde maatregel behelzen kort samengevat de
transparantie van de opleidingen in de kunstsector. In het recente verleden
zijn zowel in het HBO als in het WO talrijke opleidingen ontstaan die een
relatie hebben met het kunstvakonderwijs, maar niet in de ware zin van het
woord onder die sector vallen. Dit betekent dat studenten die zijn afgewezen
voor een «klassieke» opleiding in het kunstvakonderwijs zonder
selectie kunnen uitwijken naar een opleiding die elementen uit het kunstvakonderwijs
bevat. Deze studenten bewegen zich dan na verloop van tijd op dezelfde arbeidsmarkt
en maken daar de spoeling derhalve dunner. Het leek mevrouw De Vries dan ook
gewenst om aan deze praktijk paal en perk te stellen. Daar waar in het kunstvakonderwijs
een budgetfinanciering wordt gehanteerd, kan het niet zo zijn dat instellingen
die een studentgebonden financiering hebben en derhalve gebaat zijn met het
inschrijven van zoveel mogelijk studenten, het aanbod van afgestudeerden via
een omweg vergroten en de transparantie van de gehele sector in de waagschaal
stellen. Blijkbaar willen de universiteiten thans ook voorstellen om in een
periode van vijf jaar te komen tot een reductie van het aanbod aan opleidingen
van 272 tot 86. Een soortgelijke operatie is bij het HBO reeds in gang gezet.
Dat geeft hoop op een duidelijker aanbod. Mevrouw De Vries zou het op prijs
stellen, wanneer de staatssecretaris in zijn beantwoording op dit punt wilde
ingaan. In hoeverre wordt door deze sanering in het opleidingenaanbod een
oplossing geboden voor de genoemde problematiek? Binnen dat aanbod moet ook
haars inziens de positie van de lerarenopleiding speciale aandacht krijgen.
Binnen het muziekvakonderwijs is dat min of meer duidelijk geregeld. In het
visitatierapport betreffende de beeldende kunst en vormgeving wordt voorgesteld
om als uitgangspunt te nemen, dat een leraar in de eerste plaats een vak beheerst
en vervolgens didactisch wordt geschoold voor het leraarsvak. Mevrouw De Vries
meende dat dit niet in een extra jaar behoeft te gebeuren, maar geheel of
gedeeltelijk kan worden geïntegreerd in de laatste fase van de opleiding.</al>
      <al>Zij brak een lans voor het belang van uitmuntende kwaliteit van leraren
in het kunstvakonderwijs. De goede muziek- of tekenleraar herkent, stimuleert
en coacht talent. Het is een feit dat zowel in de muziek en de beeldende kunst
als in de toneelsector vaak relatief veel studenten van één
bepaalde leraar, muziekschool, school of jeugdtheaterschool afkomstig zijn.</al>
      <al>Een volgende maatregel die de staatssecretaris wil uitwerken, is bedoeld
om versnippering tegen te gaan en om regionale en sectorale samenwerking te
bevorderen. Het recentelijk gepubliceerde visitatierapport over de beeldende
kunst signaleert in feite wat de staatssecretaris wil aanpakken: het opleidingenniveau
kan de toets der kritiek doorstaan, maar er is overal te veel van hetzelfde.
Het zou goed zijn als de sector zelf op korte termijn zijn doelstellingen
herdefinieerde, opdat er sprake zal zijn van differentiatie. Opleidingen moeten
zich van elkaar onderscheiden. Er moet sprake zijn van profilering en niet
overal behoeft alles te zijn. Voorkomen wordt dan, dat een regio helemaal
niets heeft. Dit geldt evenzeer voor de conservatoria die thans redelijk over
het land verspreid zijn. Talent komt overal voor en musici gaan vaak al relatief
jong naar de vooropleiding. Een te grote afstand zou dan een belemmering kunnen vormen. Wel moet de kwaliteit van elk conservatorium dusdanig zijn,
dat de opleiding voor de daarvoor geschikte studenten aansluit bij beroepspraktijk
en tweede fase. De cijfers in de brief van het Contactorgaan van de Nederlandse
orkesten duiden op een te grote discrepantie en betekenen dat zowel de instroom
(selectie) in de conservatoria als de uitstroom aan een nadere beschouwing
moet worden onderworpen. Sectorale samenwerking is in dezen van groot belang,
omdat overal in den lande talent de kans moet krijgen om zich te ontwikkelen.
In de stukken wordt gesteld dat het samenwerkingsmodel tussen Den Haag en
Groningen navolging verdient.</al>
      <al>Ook bij de tweede fase muziekvakonderwijs moet nog duidelijkheid worden
geschapen. In 1994 is aan twee conservatoria definitief een tweede fase toegekend.
Voor het voorjaar van 1997 zullen de voorwaardelijk toegekende tweede fasen
door de Raad voor cultuur of een andere commissie worden beoordeeld. Wanneer
valt de beslissing? Is een totaal van 660 studenten voor de tweede fase muziekvakonderwijs
niet aan de hoge kant? Verwijzend naar de brief van 27 juni 1995 vroeg mevrouw
De Vries wanneer het definitieve standpunt mag worden verwacht met betrekking
tot de tweede fase opera en sonologie. Ten aanzien van de tweede fase beeldende
kunst zal ook worden gekeken naar de relatie met de Rijksacademie, Ateliers
en de Jan van Eyck Academie. Volgens haar zijn dit geen opleidingen, al worden
kunstenaars er wel gecoacht en ook wel beoordeeld. Deze «opleidingen»
zullen het betreuren als de overgang van WVC naar OCW ertoe leidt dat zij
ineens onder Onderwijs komen te vallen. Bovendien is de Rijksacademie bij
wet apart ingesteld en is de aparte positie van deze instelling in 1985 nog
eens in de Kamer bevestigd.</al>
      <al>Het kunstvakonderwijs heeft wat de budgetfinanciering betreft een voorlopersrol.
Eerder heeft de VVD-fractie in het kader van het gehele hoger onderwijs gepleit
voor een dergelijke financiering in plaats van de studentgebonden financiering,
omdat die leidt tot ongewenste neveneffecten én omdat instellingen
gebaat zijn met een zekere budgettaire rust. Studentenaantallen wisselen,
zeker in deze sector waarin het aanbod van talent niet ieder jaar even groot
is en soms aan bepaalde trends onderhevig is. Dat brengt met zich dat de prijs
per student van jaar tot jaar kan verschillen. Het is van tweeën één:
óf een vast budgettair kader óf ieder jaar inspelen op een veranderend
budget met alle problemen van dien, ook in het kader van de wachtgelden. Dat
laat onverlet, aldus mevrouw De Vries, dat een eenmaal vastgesteld budget
natuurlijk niet altijd gelijk blijft. Ook voor de universiteiten had haar
fractie het gewenst geacht om het budget eenmaal per vier jaar te bekijken
en eventueel opnieuw vast te stellen. Dit moet ook binnen deze sector mogelijk
zijn. Daarbij zal niet het studentenaantal in eerste instantie maatgevend
moeten zijn, maar de kwaliteit van de opleiding.</al>
      <al>Wat de instroom van buitenlandse studenten betreft, wees mevrouw De Vries
erop dat de kunstsector bij uitstek een internationaal gebeuren is: Nederlandse
studenten studeren korter of langer in het buitenland en buitenlandse studenten
studeren hier. Nederland biedt in bepaalde sectoren unieke opleidingen die
studenten van over de gehele wereld trekken. Daar waar kwaliteit de norm is,
is er geen aanleiding om een extra rem te zetten op het aannemen van buitenlandse
studenten. Een kostendekkend collegegeld zou abrupt een eind maken aan het
feit dat hier thans veel studenten uit Oost-Europa komen studeren. Juist voor
de voormalige communistische landen waarin zich nu een vrij kunstklimaat ontwikkelt,
is het contact met een land als Nederland belangrijk. Ook zijn opleidingen
een goed exportartikel. Het is dan ook verstandig om de gulden middenweg te
zoeken. Als buitenlandse studenten met onvoldoende kennis, vooropleiding of
talent dienen om een instelling in stand te houden, is dat niet de schuld
van de studenten, maar dan moet de instelling aan een nader oordeel worden
onderworpen. </al>
      <al>De objectivering van de instroomselectie is een goede gedachte, al is
het de vraag of in alle gevallen het inschakelen van externe deskundigen geschikt
is. Een eindniveau beoordelen is niet hetzelfde als een aankomend talent beoordelen.
Niettemin moeten instellingen niet bang zijn om in hun keuken te laten kijken.
Het kan kwaliteitverhogend werken als men docenten aan een verwante opleiding
vraagt zitting te nemen in de toelatingscommissie. Het al genoemde samenwerkingsmodel
van twee conservatoria verdient ook in deze sectoren navolging, aldus mevrouw
De Vries.</al>
      <al>Afrondend merkte zij op dat om te komen tot een goed functionerend kunstvakonderwijs
grote aandacht zal moeten worden besteed aan de kwaliteit van de opleiding
en aan de selectie van de studenten. Vooropleidingen kunnen daarbij van grote
waarde zijn, omdat zij beter voorbereiden op de eisen die worden gesteld en
daarnaast de functie van zelfselectie kunnen hebben. Versnippering moet worden
tegengegaan en de transparantie moet groter worden. Hoe gaat de staatssecretaris
dit allemaal doen en wanneer komen er eindelijk resultaten?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">staatssecretaris</nadruk> benadrukte dat in het kunstvakonderwijs
in de eerste plaats een probleem van inhoudelijke aard moet worden opgelost
en dat pas daarna de financiële kwestie aan de orde komt. De kwaliteit
van de kunstvakopleidingen, de positie van kunstenaars in materiële zin
en de aansluiting tussen opleiding en praktijk vormen dat op te lossen fundamentele
probleem. Blijkens de laatste cijfers van de HBO-raad is het probleem inderdaad
minder groot dan werd gedacht, maar het is er nog wel. De gunstiger cijfers
weerspiegelen de tendens van verminderde werkloosheid in álle sectoren
van het HBO, maar in de kunstopleidingen is het probleem nog steeds twee keer
zo groot als in de andere sectoren. De cijfers tonen ook een groot verschil
tussen de verschillende sectoren aan. Het is een teken aan de wand dat meer
dan de helft van de beeldende kunstenaars werkzaam in de «ondernemerskunst»
(de autonome kunst, veelal beeldende kunst) daaruit een negatief inkomen verwerft.
Vele beeldende kunstenaars zitten in de bijstand. In de sfeer van de «banenkunst»
(podiumkunst) wordt geklaagd dat weinigen van de afgestudeerden te gebruiken
zijn, wat duidt op een kloof tussen opleiding en praktijk, waardoor orkesten
nogal eens in het buitenland musici werven. Ook als de meesten wel hun weg
vinden, dan nog blijft het kwalitatieve probleem overeind. De verschillende
visitaties bevestigen dat beeld. Ook vertegenwoordigers van kunstvakonderwijsinstellingen
zelf wijzen op dit probleem.</al>
      <al>Er is wel gereduceerd, maar grofmazig, zodat er thans een fijnmazige maatregel
nodig is. Bij het systeem van de toegepaste reductie is een fout gemaakt.
Instelling A, die goed is en ook door studenten en veld als goed wordt ervaren,
krijgt veel aanvragen van goede studenten, moet daarvan een aantal afwijzen,
maar kan niet reduceren en krijgt dus minder geld per student, terwijl instelling
B, die niet goed is, minder studenten en dus meer geld per student krijgt.
Naarmate wordt geprobeerd meer te reduceren en beter te selecteren, wordt
de instroom bij pseudo-opleidingen groter. Omdat daar geen selectie wordt
toegepast, worden ook minder-goede studenten aangenomen. Aangezien die na
hun opleiding ook op de markt terechtkomen, verminderen daardoor de kansen
van goede kunstenaars. Er zijn goede vakopleidingen in de verschillende kunstdisciplines
nodig en kunstenaarsopleidingen waarin het scheppend vermogen wordt gestimuleerd.
Misschien moeten beide opleidingen worden gecombineerd. Er zijn aanzetten
in die richting gegeven die nu moeten worden uitgewerkt. Daarvoor is instemming
van de Kamer nodig.</al>
      <al>Het project Tweede fase muziekvakonderwijs moet thans worden afgerond.
In het overleg in 1994 is aangekondigd dat zes clusters van opleidingen tweede
fase zouden worden onderzocht, dat die de tijd zouden krijgen
om van de grond te komen en dat daaraan een kwaliteitstoets zou worden aangelegd.
Die toets zou ook voor Amsterdam en Den Haag gelden, al was het maar als controle.
Als de toets aantoont dat de regeling perspectief biedt in de zes clusters,
dan zal men op de ingeslagen weg voortgaan. Het wetgevingsproces moet dan
zo worden geregeld, dat met ingang van het studiejaar 1998 daarmee voortgegaan
kan worden.</al>
      <al>Bij de toetsing zal zeker ook moeten worden gekeken naar de kwaliteit
van de eerste fase. De staatssecretaris had uit gesprekken met mensen uit
het veld de indruk gekregen dat het ontwikkelen van de tweede fase wel eens
ten koste gaat van de eerste fase. Het leek hem zinnig om voor het geval dat
uit de toetsing blijkt dat het niet de goede weg is, al na te denken over
wat er dan moet gebeuren. Vandaar dat er een schets is gegeven van een mogelijk
alternatief. Immers, Groningen heeft door zich als het ware aan Den Haag te
hechten, de mogelijkheid verzekerd dat zijn exceptionele studenten kunnen
doorgaan naar de top. De eerstefaseopleidingen moeten blijven opleiden tot
goed vakmanschap. Er is een grote behoefte aan mensen die goed zijn opgeleid
in een artistiek vak en een kleine behoefte aan mensen die de kans hebben
gekregen om hun uitzonderlijke talent uit te werken. Desgevraagd zei de staatssecretaris
zich niet aan het eerder aangegeven tijdpad te hebben gehouden, omdat het
tweedefaseproces meer tijd nodig had. Als de Kamer in dit overleg met zijn
suggesties instemt, zal de toetsingscommissie zo snel mogelijk worden benoemd.
Hij moest toegeven dat nog niet alle instellingen hun tweedefaseplan hebben
ingediend, ook al hebben zij daar twee jaar de tijd voor gehad. Toch zal er
nu moeten worden getoetst.</al>
      <al>Al zou uit de brief iets anders afgeleid kunnen worden, uiteraard zal
een slecht toetsingsresultaat van één van de muziekopleidingen
tweede fase geen gevolg hebben voor de andere instellingen als die wel een
goed resultaat hebben.</al>
      <al>De staatssecretaris was blij met de steun inzake het aanpakken van pseudo-opleidingen,
niet alleen in het HBO, maar ook in het WO en als het om particuliere opleidingen
gaat. Een aantal particuliere opleidingen vervult een nuttige rol. Particuliere
opleidingen kunnen niet zo maar verboden worden, wel zal bij het aanwijzingenbeleid
grote zorgvuldigheid moeten worden betracht.</al>
      <al>De arbeidsmarktfixus is geen uitgangspunt, maar een middel achter de hand
om te kunnen ingrijpen als selectie aan de poort onvoldoende resultaat heeft.</al>
      <al>De Kamer zal binnenkort een aparte brief ontvangen over de lerarenopleidingen.
Daarbij zal ook het traject vitale lerarenopleidingen aan de orde komen.</al>
      <al>De staatssecretaris was voornemens deskundigen van buiten aan te trekken
bij het oplossen van de problematiek van deze sector, maar wilde eerst precies
nagaan waar de problemen zitten, zodat per onderdeel gerichte vragen kunnen
worden gesteld aan specifieke deskundigen.</al>
      <al>Hij was het ermee eens dat kunstvakopleidingen niet een precies op de
markt afgepast aantal kunstenaars moeten leveren, mede omdat een aantal kunstenaars
hun weg vinden in het buitenland. Hij richtte zich daarom niet specifiek op
de arbeidsmarkt, maar hij vond het wel zorglijk dat vele kunstenaars grote
moeite hebben om de touwtjes aan elkaar te knopen en dat kunststudenten hoop
koesteren hun brood te kunnen verdienen met het vak waarin zij opgeleid worden.
Daarom moet aanstaande studenten op hun geringe toekomstmogelijkheden worden
gewezen.</al>
      <al>Het komende plan zal volumereductie en vooral efficiencyverhoging mogelijk
moeten maken, wat betekent dat sommige opleidingen niet door moeten gaan.
Dat roept ter plaatse grote weerstanden op, mede omdat die opleidingen vaak
van grote betekenis zijn voor het culturele leven in zo'n stad. Daarmee zal
dan ook rekening moeten worden gehouden, uitgaande van het beginsel: niet
alles hoeft overal. Het is niet juist om te denken dat zonder
tweede fase de eerste fase niets meer waard is. Immers, niet iedereen kan
de top halen. De indruk bestaat dat buitenlandse studenten hier en daar gemakkelijker
het kunstvakonderwijs binnen kunnen komen dan Nederlandse studenten. Dat is
natuurlijk niet de bedoeling. Potentiële buitenlandse studenten moeten
net zo goed kwalitatief worden getoetst als potentiële Nederlandse studenten.
Goed geselecteerde buitenlandse studenten zijn een verrijking voor het Nederlandse
kunstleven en zorgen voor goede internationale culturele betrekkingen, wanneer
zij in hun thuisland hun beeld van Nederland uitdragen.</al>
      <al>Voor de bekostiging van de studie van studenten uit de Derde wereld bestaan
andere fondsen. Dat zou ook voor studenten uit Oost-Europa moeten gelden.
In Oost-Europa is het kunstvakonderwijs overigens vaak voorbeeldig.</al>
      <al>De staatssecretaris zei te staan achter de doelstelling van de Rijksacademie
en de Jan van Eyck Academie om kunstenaars die zich in de praktijk hebben
bewezen, een soort van bijscholing te geven. Deze nuttige functie moet worden
gehandhaafd. Er dreigt nu een onduidelijkheid te ontstaan doordat bij de tweede
fase kunstvakonderwijs soms de neiging bestaat om afgestudeerden van de eerste
fase eerst een poosje in de praktijk te willen laten werken en doordat beide
genoemde academies soms de neiging hebben om ook veelbelovende afgestudeerden
van de eerste fase meteen op te nemen. Vandaar dat er zijns inziens bij de
evaluatie ook naar deze taakafbakening moet worden gekeken.</al>
      <al>De overheid is zo op afstand van de instellingen gaan staan, dat zij thans
alleen nog maar over globale cumulatieve cijfers beschikt en niet over de
benodigde cijfers betreffende studentenaantallen en dergelijke per opleiding.
Die cijfers zijn niet simpel te verkrijgen. Vandaar dat de staatssecretaris
de instellingen, al dan niet via de HBO-raad, wilde vragen om op korte termijn
mede te delen wie waar wat studeert. Daarnaast wilde hij nagaan wat afgestudeerden
zijn gaan doen. Dergelijke gegevens moeten ook worden verzameld ten aanzien
van de pseudo- en paraopleidingen. Op basis van die gegevens zal dan een plan
worden gemaakt. Uiteraard moet daarbij rekening worden gehouden met andere
bewegingen op dit gebied.</al>
      <al>In de door de heer Beinema geciteerde zin staat «met name»
voor: voornamelijk.</al>
      <al>De staatssecretaris zei er prijs op te stellen elke stap in de verschillende
fasen van het proces dat nu ingegaan wordt, zorgvuldig met de Kamer te bespreken.
Hij was blij dat mevrouw De Vries de opvatting deelt dat objectivering van
de instroomselectie nodig is.</al>
      <al>De vraag over sonologie en opera zal schriftelijk worden beantwoord.</al>
      <al>Een serieuze aanpak van het aan de orde zijnde probleem zal leiden tot
verdere reductie van het volume van het kunstvakonderwijs en dus ook tot een
taakreductie en efficiencywinst. Dat de HBO-raad zegt het vrijkomende geld
zelf te willen gebruiken, houdt impliciet in dat de raad vermoedt dat de operatie
geld zal opleveren. Wie zo'n beweging in gang zet, moet zichzelf en anderen
een taak durven te stellen, ook kwantitatief. Het van 4 mln. naar 25 mln.
oplopende bedrag leek de staatssecretaris een redelijke taakstelling in dezen,
waarbij de kwaliteit ook nog zal worden verbeterd. In wezen beloofde hij de
Kamer te zullen komen met een goed plan, waarin kwaliteit vooropstaat, de
inkomenspositie van de kunstenaars van belang wordt geacht en zo doelmatig
mogelijk met geld van de overheid omgegaan wordt. Onder bepaalde condities
zal zo'n plan dan die 25 mln. opleveren. Als alles goed gaat en er een taakreductie
in het HBO plaatsvindt, zal er in de praktijk sprake zijn van een besparing
en niet van een bezuiniging. Daarom is het redelijk dat die 25 mln. door het
kabinet in het kader van de bezuinigingstaakstelling van 200 mln. voor OCW
in de meerjarenraming is opgenomen. De staatssecretaris had de indruk dat
de Kamer wil afwachten of hij waarmaakt wat hij heeft gezegd. Als de heer Van Gelder dit bedoelt met het «tussen haken zetten»,
dan is dat nu gebeurd. Het kunstvakonderwijs staat de komende jaren een geweldige
omslag te wachten om tot een zodanige situatie te komen dat met minder geld
kan worden volstaan. Er kunnen wel wachtgeldproblemen ontstaan. Deze wachtgelden
komen niet uit de wachtgeldafspraken. De vernieuwingskosten ten bedrage van
50 mln. kunnen ingezet worden wanneer dat het nodig is, namelijk op het moment
dat met de vernieuwing wordt begonnen. De opbrengst loopt als het lukt gelijk
op met het tempo van uitvoering. Mocht de kwaliteit dat vereisen, dan kan
de opbrengst wel een of twee jaar achterlopen. In het kader van het project
Kwaliteit en studeerbaarheid wordt in het kunstvakonderwijs 20 mln. geïnvesteerd.</al>
      <al>Bij interruptie werd gevraagd of er door het kabinet een koppeling is
gelegd tussen de 25 mln. en de CAO-afspraken met de minister van OCW. De staatssecretaris
wees erop dat zoals gebruikelijk bij de begrotingsvoorbereiding de zogenaamde
lijst van vreugde en verdriet van de minister van Financiën is doorgesproken
en dat er in die zin sprake is van een koppeling van alles wat in de begroting
staat. Die 25 mln. is niet het resultaat van een gedetailleerd plan dat van
onderaf is opgebouwd, al zou dat wel de ideale situatie zijn. Ook als de bezuinigingstaakstelling
niet was opgelegd, zou deze operatie pas geslaagd kunnen worden genoemd met
zo'n financiële opbrengst. Immers, bij alle voorgaande reorganisaties
van het kunstvakonderwijs is al het vrijkomende geld in deze sector gebleven
met als gevolg dat de prijs per student aanzienlijk is toegenomen, maar zonder
dat de kwaliteit is verbeterd. Vandaar dat er nu in het kader van het op te
stellen kwalitatief goede plan vooraf financiële randvoorwaarden worden
gesteld, uitgaande van wat haalbaar lijkt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van Gelder</nadruk> (PvdA) had begrepen dat de procedure inzake
de tweede fase muziekvakonderwijs conform de afspraak zal verlopen.</al>
      <al>Na alle moeizame discussies rond de bezuinigingen op het hoger onderwijs
is in het kader van het HOOP een aantal afspraken richting het veld gemaakt.
Men moet wel van erg goede huize komen, wil men hierop terugkomen en extra
bezuinigingen vragen. De heer Van Gelder was er wel van overtuigd dat een
goed verlopende operatie, gericht op kwalitatieve verbetering van de institutionele
structuur en het aanbod in het kunstvakonderwijs, zal leiden tot een overschot.
Het is in het belang van de kwaliteit van het onderwijs dat er nu echt eens
wordt «gewied» in de sector. Maar het was in de ogen van de heer
Van Gelder overdreven om zich nu al vast te leggen op hoe de begroting er
in 2001 uit moet zien. Vandaar zijn pleidooi om die 25 mln. op de meerjarenbegroting
tussen haken te plaatsen. Bij de komende begrotingsbehandeling zal wel blijken
of de voor 1998 opgevoerde 4 mln. kan worden geaccordeerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Rabbae</nadruk> (GroenLinks) sloot zich aan bij de woorden van
de heer Van Gelder.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Jorritsma-van Oosten</nadruk> (D66) vond het verheugend dat
de arbeidsmarktfixus slechts als laatste middel achter de hand wordt gehouden.
Zij steunde derhalve de staatssecretaris in zijn voornemen om een plan op
te stellen.</al>
      <al>Wat de besparingstaakstelling betreft, sloot ook zij zich aan bij de woorden
van de heer Van Gelder.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Beinema</nadruk> (CDA) benadrukte het eens te zijn met de op
14 april 1994 gemaakte principeafspraak om te streven naar minimaal twee en
maximaal vier opleidingen tweede fase muziekvakonderwijs in de Randstad en
twee in de regio's daarbuiten. In de daarna verschenen brief van de toenmalige
staatssecretaris van OCW was ook sprake van aantallen studenten voor de tweede
fases en die vallen niet onder de in april 1994 gemaakte afspraken.
Ook de heer Beinema steunde het streven naar kwaliteitsverbetering, waar mogelijk
en rekening houdend met andere factoren.</al>
      <al>Naar aanleiding van het voorbeeld met de instellingen A en B wees hij
erop dat naamsbekendheid niet per definitie hetzelfde is als kwaliteit. </al>
      <al>Hij vond het jammer dat de staatssecretaris de financiële taakstelling
niet verder motiveert. Ook hij sloot op dat punt aan bij de woorden van de
heer Van Gelder.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">De Vries</nadruk> (VVD) deed dat ook. Zij kon zich vinden in
de uitgangspunten voor het plan: kwaliteit voorop en rekening houden met marktabsorptie.
Dat de staatssecretaris bij voorbaat de opbrengst voor de overheid als dwangmiddel
wil hanteren, wringt. Het is belangrijk ten spoedigste met een plan te komen
en dat uit te voeren.</al>
      <al>Zij wees erop dat er nog geen antwoord is gekomen op de vraag of 660 studenten
niet wat veel zijn voor de tweede fase muziekvakonderwijs.</al>
      <al>Omdat nog niet alle instellingen hun plan voor de tweede fase hebben ingeleverd,
hoewel zij wisten dat die plannen deze zomer moesten worden getoetst, maakte
mevrouw De Vries zich zorgen over hoe een en ander in de toekomst zal functioneren.
Het is goed dat er duidelijkheid komt over de opera en de sonologie waarvoor
in juni 1995 al een bijna afgerond plan bestond.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">staatssecretaris</nadruk> kon zich vinden in de woorden van de heer
Van Gelder over de meerjarenraming en in diens bij interruptie gegeven aanvulling,
dat een kwalitatief goed plan centraal moet staan, dat de bewindsman daarnaast
verantwoordelijk is voor de (invulling van de) meerjarenraming en dat, als
er sprake blijkt te zijn van een spanningsveld tussen beide, de Kamer medeverantwoordelijk
zal zijn voor de invulling van de begroting.</al>
      <al>De staatssecretaris zette uiteen waarop het bedrag van 25 mln. is gebaseerd.
Hij trok uit het voorgaande de conclusie dat de Kamer hem op pad stuurt om
de geformuleerde gedachten in een goed plan neer te leggen. Hij had al op
zich genomen om te zorgen dat dit leidt tot de genoemde opbrengst voor de
schatkist, uitgaande van de gememoreerde mogelijkheden voor het veld.</al>
      <al>Er is inderdaad geen afspraak met de Kamer gemaakt over de aantallen,
ook niet over die 660. Dat zal nog moeten gebeuren. </al>
      <tuskop letat="vet">Letterenfaculteiten</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Beinema</nadruk> (CDA) had met waardering de brief en met name
de bijlage gelezen. Hij beaamde dat binnen het bredere terrein van de geesteswetenschappen
de problematiek van de letteren het meest urgent is. Hij was daarom blij met
de afspraak tussen vijf van de klassieke universiteiten dat zij elk de voorzieningen
voor een samenhangend aanbod van basisopleidingen in stand zullen houden en
dat zij de specialismen zo op elkaar zullen afstemmen, dat landelijk een breed
en stabiel aanbod gecoördineerd blijft. Hij verzocht de minister de Kamer
van de gang van zaken op de hoogte te houden, bijvoorbeeld door toezending
van de jaarlijkse rapportages.</al>
      <al>De heer Beinema betreurde het dat het college van bestuur van de Vrije
Universiteit zich heeft onttrokken aan deze bundeling van zwakke draden tot
een sterk snoer. Behoud van het principe «soevereiniteit in eigen kring»
behoeft – en mag – zijns inziens samenwerking ter versterking
van het geheel niet in de weg te staan. Hij sprak de hoop uit dat het team
van de klassieke universiteiten in de toekomst compleet zal worden gemaakt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">De Vries</nadruk> (VVD) stelde vast dat ook deze brief voortvloeit
uit de eerder genoemde motie. Zij vond het verheugend dat vijf universiteiten met de staatssecretaris afspraken hebben gemaakt over de toekomst
van de letteren. Ook mevrouw De Vries verzocht om toezending van de resultaten
van de afspraken. Kan worden ingegaan op het feit dat de VU geen behoefte
had aan nadere afspraken?</al>
      <al>In het kader van het verschijnsel vergrijzing zijn additionele gelden
beschikbaar gesteld om jonge hoogleraren aan te trekken. Wanneer kunnen die
worden ingezet? Wie bepaalt waar zij zullen worden ingezet? Om hoeveel plaatsen
zal het gaan?</al>
      <al>Als de huidige hoogleraar paleografie aan de Leidse universiteit met emeritaat
gaat, zal naar verluidt de enige leerstoel paleografie in Nederland verdwijnen
zodat er geen paleografen meer zullen worden opgeleid. Anderzijds komen er
steeds meer facsimile-uitgaven in Nederland uit. Daarvoor is het van belang
om de oorspronkelijke teksten te kennen en de handschriften te kunnen ontcijferen.
Daarom wilde mevrouw De Vries weten of de paleografie inderdaad niet in het
totaalplaatje is opgenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">staatssecretaris</nadruk> vond het logisch om de jaarrapportages
aan de Kamer toe te zenden. De eerste jaarrapportage zal in november verschijnen
en dan toegezonden worden.</al>
      <al>Ook het kabinet betreurt het dat de VU eerder om formele dan om inhoudelijke
redenen niet meedoet. Het zal zijn uiterste best doen om te bereiken dat de
VU zich alsnog bij de overige vijf voegt.</al>
      <al>In 1997 kan op daartoe ingediende verzoeken worden begonnen met het aanstellen
van jonge hoogleraren. De NWO is in dezen de verantwoordelijke instantie.</al>
      <al>De vraag over paleografie zal schriftelijk worden beantwoord. </al>
      <tuskop letat="vet">Differentiatie hoger onderwijs</tuskop>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">De Vries</nadruk> (VVD) merkte op dat er studies in het HBO
zijn waarvoor de vooropleiding weinig relevantie heeft, bijvoorbeeld het kunstvakonderwijs,
logopedie en fysiotherapie. Dergelijke studies die geen pendant kennen in
het MBO en ook niet zoveel relaties hebben met HAVO en VWO zullen beperktere
mogelijkheden tot vrijstelling kennen. Het allerbelangrijkste is dat het eindniveau
van het HBO door de differentiatie van de verblijfsduur niet onder druk komt
te staan.</al>
      <al>Een tweede belangrijk punt is met name de overgang van MBO naar HBO. Voor
veel jongeren is deze leerroute de weg naar een diploma met een hoge beroepskwalificatie.
Er moet een zo efficiënt mogelijke leerweg worden bewandeld; doublures
in de opleiding moeten worden voorkomen. Maar het resultaat is belangrijker
dan de snelheid. Het HBO spant zich behoorlijk in om waar mogelijk de overgang
tussen MBO en HBO zo soepel en efficiënt mogelijk te laten verlopen.
In de aanvang zullen de gelden die daarvoor ter beschikking staan, namelijk
om studenten indien noodzakelijk of gewenst een persoonlijk traject aan te
bieden, wel voldoende zijn. Mocht blijken dat het structurele bedrag van 15
mln. in de volgende eeuw niet toereikend blijft, dan moet hierover te praten
zijn. Mevrouw De Vries maakte zich ook al zorgen over de voorgenomen maatregelen
met betrekking tot de studiefinanciering in het MBO.</al>
      <al>Zij herinnerde eraan dat zij al in januari haar scepsis heeft laten blijken
over het voornemen tot differentiatie van de verblijfsduur in het wetenschappelijk
onderwijs. De uiteindelijke uitwerking van het voornemen heeft haar niet gerustgesteld.
Er komt een soort tweede keus academische studie met de titel baccalaureus;
dezelfde titel als in het HBO kan worden verkregen. Dat is hoogst ongelukkig
en in strijd met wat er in de brief staat: «Daarnaast moet differentiatie
in het WO blijven resulteren in opleidingen met een wetenschappelijk gehalte,
waarvan de afgestudeerden zich herkenbaar onderscheiden van het HBO». </al>
      <al>Iedere student die zo'n driejarige opleiding volgt, kan aansluitend nog
opgaan voor het doctoraal, mits betrokkene dat tijdig bedenkt. Dit houdt in
dat deze studie gelijk oploopt met het reguliere traject of dat reguliere
opleidingen worden aangepast aan het driejarige traject. Het eerste is overbodig
en het tweede is niet de bedoeling. De arbeidsmarktrelevantie van de baccalaureaatsopleiding
is tot nu toe niet aangetoond. Welke toetsingscriteria zal de ACO hanteren
met betrekking tot de arbeidsmarktrelevantie, waar de arbeidsmarkt er zelf
niets in ziet? Dat studenten de universiteit voortijdig verlaten of iets heel
anders gaan doen dan waarvoor zij zijn opgeleid, is geen goed argument voor
het nu voorgestelde. Een groter gevaar schuilt in het feit dat universiteiten
een ruilhandel moeten gaan plegen als zij in bijzondere gevallen een vijfjarige
studie willen of moeten aanbieden. Immers, een vijfjarige opleiding kan en
mag, maar moet worden gefinancierd uit de driejarige opleiding. Tot nu toe
is er geen enkel veelbelovend voorbeeld van een driejarige opleiding. Ook
het Utrechtse plan voor een «Oxford onder de Dom» impliceert eerder
een doorgaan dan een stoppen.</al>
      <al>De driejarige opleiding moet veel te veel doelen tegelijk dienen: rechtstreekse
toegang tot de arbeidsmarkt als zelfstandig en toetsbaar geheel en daarnaast
voorbereiding op één- of meerjarige vervolgtrajecten, leidend
tot het doctoraal. Indien een vervolgtraject van meer dan een jaar gewenst
is, moet de instelling dat dus in feite financieren uit de studiefinanciering
waarop geen beroep wordt gedaan door de studenten die na drie jaar de universiteit
verlaten. Betwijfeld moet worden of dat kan, omdat de kans groot is dat studenten
dat jaar studiefinanciering niet zullen opgeven. Bovendien speelt een rol
dat wie een jaar langer doorgaat, dan meer in huis heeft.</al>
      <al>Ten aanzien van de koppeling van het gedifferentieerde model met de verschillende
vervolgtrajecten wordt gesteld, dat wisseling van instelling of opleiding
alleen onder nader te bepalen instroomvoorwaarden mogelijk is. Het was mevrouw
De Vries niet meer duidelijk wat het kabinet precies voor ogen staat.</al>
      <al>Indien men ruimte wil scheppen voor een andere indeling van de academische
studies, waarbij een soort afsluiting van de academische basiskennis plaatsvindt –
het gaat in feite om het institutionaliseren van het basisdoctoraal met een
officieel papier en een blijvende status – waarna men zich concentreert
op onderzoek, beroepspraktijk, leraarschap of een combinatie van leren en
werken, dan is een plan daartoe op zich zelf het uitwerken waard. Men moet
zich wel goed realiseren dat die afsluiting na drie jaar niet het equivalent
is van een afgeronde academische studie, maar een soort kandidaats. Het leek
mevrouw De Vries niet nodig om daaraan een titel te verbinden. Indien die
afsluiting een blijvende waarde moet hebben – wat het kandidaats in
het verleden op zich had – dan zou dit tot de mogelijkheden kunnen behoren
bij bijvoorbeeld studies in rechten en letteren, omdat de basiskennis van
die studies niet zo aan techniek of tijd onderhevig is. In de technische wetenschappen
gaan de ontwikkelingen zo snel dat de waarde van de eerste drie jaar snel
zal dalen, zodat men zich moet afvragen of het wel gewenst is om in die sector
een knip in de studie aan te brengen.</al>
      <al>In januari heeft mevrouw De Vries al aangegeven dat haar fractie experimenten
in dit kader op vrijwillige basis niet in de weg zal staan. Wanneer deze notitie
met deze uitgangspunten uitmondt in wetgeving, zal de fractie zich zeer terughoudend
opstellen om te voorkomen dat in de wet zaken worden vastgelegd waarvan noodzaak
en nut volstrekt niet aantoonbaar zijn, maar die wel verlammend en kwaliteitsverlagend
zullen werken. Haars inziens mag de differentiatie pas als universitair traject
in de wet worden vastgelegd na gedegen evaluatie van inhoud, arbeidsmarktrelevantie,
academisch gehalte en behoefte.</al>
      <al>Mevrouw De Vries memoreerde de wijze waarop de commissie-Drenth tot stand
is gekomen die op 1 maart 1997 advies zal uitbrengen over het lotingsysteem.
Gegeven alles wat er de laatste tijd is gebeurd, leek het haar ongewenst dat
de procedure van gewogen loting onverkort wordt gehanteerd voor het volgende
studiejaar. De bijzondere procedure die de Erasmus Universiteit heeft toegepast
in het geval-Vernooy (in dienst nemen en onder meer als taak opdragen het
lopen van colleges) heeft een precedentwerking, wat ongewenst is. Meer studenten
zullen zich gaan beraden op de mogelijkheid om via contacten op de universiteit
uitloting te voorkomen. Dat zal ertoe leiden dat de slimmeriken, brutalen
en mensen met relaties hun weg wel zullen vinden, terwijl de anderen het nakijken
hebben. Alle selectiemogelijkheden die elders en alhier worden gehanteerd,
zijn inmiddels al in de pers gepubliceerd. De commissie-Drenth moet daaruit
de mogelijkheid met het minste nadeel kiezen en daarop hoeft toch niet negen
maanden te worden gewacht. Wat het bezwaar betreft van de lange procedure
die voor wetswijziging nodig is, stelde mevrouw De Vries dat ministerie en
Kamer als dat nodig is binnen enkele weken een wetswijziging tot stand kunnen
brengen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van de Camp</nadruk> (CDA) had op zich zelf geen bezwaar tegen
differentiatie tussen universitaire studies. Al vele jaren is bekend dat niet
alle academische opleidingen in eenzelfde tijdsbestek kunnen worden afgerond.
Tamelijk recente, door de Kamer geaccordeerde voorstellen inzake de vijfjarige
cursusduur voor de technische studies bevestigen het beeld dat afwijkingen,
vooral in bovenwaartse richting, mogelijk en soms noodzakelijk zijn. De notitie
handelt echter over een element dat in het kader van de in het regeerakkoord
1994 voorgenomen stelselwijziging geen instemming van de CDA-fractie kon verkrijgen:
de invoering – nu overigens naar vrije keuze – van een driejarige
baccalaureaatstudie.</al>
      <al>Instellingen, bedrijven en studenten hebben destijds terecht forse bezwaren
geuit tegen deze ontacademisering van de studies. De bewindslieden lijken
tegen beter weten in hun zin te willen doordrijven. De heer Van de Camp nam
daarom afstand van deze voorstellen, ook al gaat het om een vrijwillige keuze
voor instellingen.</al>
      <al>De bewindslieden zijn kennelijk ook niet zo zeker van hun zaak, want in
paragraaf 2 van de notitie schetsen zij (in summier bestek) enkele randvoorwaarden,
zoals dat het wetenschappelijk gehalte moet worden gewaarborgd. Hoe dan? Verder
moet de selectiviteit van het wetenschappelijk onderwijs overeind blijven.
Ook hier is de vraag: hoe? Deze vraag geldt zeker in relatie tot de vierjarige
HBO-opleiding. De differentiatie mag ook niet tot hogere uitgaven leiden,
terwijl op voorhand vaststaat dat meerkosten kunnen ontstaan, zeker wanneer
een groot deel van de studenten kiest voor voortzetting van de studie na de
driejarige opleiding. Bij een werkbezoek aan Denemarken is de vaste commissie
gebleken dat daar veelal voor voortzetting wordt gekozen. Is met de stapeling
HBO-WO niet voldoende leergeld betaald?</al>
      <al>Het kabinet geeft aan dat in het gedifferentieerde model de nieuwe baccalaureaatstudie
onderdeel kan zijn van een langere opleidingsroute met zelfs drie verschillende
keuzemodellen. Als regel zijn de voorgestelde leerwegen ook gekoppeld. De
vraag dringt zich op wat het nut is van deze door weinig instellingen en ook
niet door de arbeidsmarkt gewilde optie. Het lijkt erop dat het gelijk uit
het regeerakkoord moet worden gehaald. De vervolgopleidingen zullen, zeker
als het om onderzoekers gaat, langer dan een jaar duren. Dat is winst ten
opzichte van de huidige beklemming van vier jaar, maar consistentie is wat
anders, aldus de heer Van de Camp.</al>
      <al>De notitie geeft ook geen inzicht in mogelijke financiële consequenties.
Het kabinet kan wel zeggen dat het niet meer geld mag kosten, maar uitgaande
van de diverse uitstroommogelijkheden, directe stapeling en vervolgopleidingen,
moet een beeld kunnen worden gegeven, al was het maar tentatief, van de verwachte
financiële effecten. Dat is niet gebeurd. Kan dat beeld alsnog worden
gegeven voorzien van de verschillende uitstroompercentages? De kosten in het
geval dat het behalen van het baccalaureaat het vertrek naar
de arbeidsmarkt betekent, moeten dan worden vergeleken met die bij voortzetting
van de studie.</al>
      <al>De heer Van de Camp merkte op dit punt concluderend op, weinig te zien
in de voorstellen inzake differentiatie van universitaire studies. Waar van
vrijwilligheid sprake is, zou het voordeel van de twijfel kunnen worden gegeven,
ware het niet dat is gebleken dat vrijwel niemand op deze differentiatie zit
te wachten en dat er nog zoveel ander werk aan de winkel is, zoals de implementatie
van studeerbaarheid en kwaliteit en de prestatiebeurs. Zijn fractie vraagt
zich af of experimenten een goede investering zijn, gezien de beleidskeuzen
die het afgelopen jaar zijn gemaakt.</al>
      <al>Vervolgens ging de heer Van de Camp in op het plan van aanpak inzake de
verblijfsduurdifferentiatie in het HBO. Uit de bij de behandeling van het
ontwerp-HOOP door zijn fractiegenoot Lansink mede namens andere fracties over
deze kwestie ingediende motie (24 556, nr. 6), die overigens verworpen
is, blijkt de scepsis van zijn fractie inzake de studieduurdifferentiatie.
Het veld is een aantal proefprojecten gestart, die over het algemeen goed
ontvangen zijn, maar waarbij er grote nadruk is gelegd op de doorstroming
van HAVO naar HBO. Er is evenwel al eerder afgesproken dat voor havisten de
HBO-studie vier jaar blijft duren. Het is de vraag in hoeverre de kabinetsideeën
over MBO-HBO worden opgepakt. Welke kwantitatieve ontwikkeling stelt het kabinet
zich voor? Wanneer moet het proces MBO-HBO in dat opzicht afgerond zijn?</al>
      <al>Hoe kan enerzijds worden gepleit voor het verkorten van de MBO-studie
en anderzijds worden getracht voor die groep de duale leerweg te bevorderen?
In het plan van aanpak is gewezen op het studiefonds. Hoe groot is dit? Wanneer
kan eruit worden geput? Houdt de omvang van het fonds gelijke tred met de
kwantitatieve ontwikkeling van de verkorting van de route MBO-HBO?</al>
      <al>Tot slot ging de heer Van de Camp in op de commissie-Drenth. Hij achtte
de keuze van de commissieleden verstandig, evenals de voor advisering uitgetrokken
tijd. Hij vond het jammer dat er niet meer aandacht is besteed aan het feit
dat Nederland een gewogen loting kent, waarbij rekening wordt gehouden met
de studieprestaties van leerlingen in het voortgezet onderwijs. Bij interruptie
werd tegengeworpen dat de weging weinig voorstelt, omdat ook wie bij wijze
van spreken met een gemiddelde van 11 van het gymnasium komt, bij een hoog
lotingsnummer weinig kans maakt op een plaats. De heer Van der Camp had gehoord
dat voor iedere plaats medicijnen zich vier kandidaten aanmelden die aan uiterst
hoge kwalitatieve normen voldoen. Zijns inziens dienen artsen overigens ook
over sociaal gevoel te beschikken. Het had hem verbaasd dat in de commissie-Drenth
geen decanen zitting hebben, terwijl de Kamer wel uitvoerig met staatssecretaris
Netelenbos heeft gesproken over versterking van de tweede fase van het voortgezet
onderwijs door het inbouwen van de profielstructuur om de doorstroming naar
de universiteit te verbeteren. De heer Van de Camp hoopte dat alsnog een vertegenwoordiger
van de goede verenigingen van leerlingbegeleiders en decanen een plaats krijgt
in de commissie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van Gelder</nadruk> (PvdA) vond het opvallend dat zoveel zware
woorden zijn gewijd aan het voorstel tot differentiatie van universitaire
studies, omdat al sinds de Tweede Wereldoorlog gepraat wordt over het basisprincipe
dat de een naar de universiteit gaat om een beroepsopleiding te volgen en
de ander om zich wetenschappelijk te vormen en in de wetenschap verder te
gaan. Hij vond het van belang op dit stuk eindelijk een doorbraak te forceren.
De politiek moet een aantal uitspraken doen om na te gaan of de universiteiten
bereid zijn om ter wille van de studenten te komen tot een ander en beter
aanbod van studiewegen, die wel moeten leiden tot dezelfde soort resultaten
als men nu heeft. </al>
      <al>De heer Van Gelder was dan ook blij met het voorstel om in principe uit
te gaan van vierjarige opleidingen, maar de mogelijkheid te bieden om het
laatste jaar, dat een toespitsing op de academische opleiding zou kunnen zijn,
op verschillende manieren in te vullen, rekening houdend met het feit dat
sommige jongeren bewust kiezen voor de onderzoekswereld en anderen de universitaire
opleiding zien als een «beroepsopleidingstraject». In de vormgeving
van de curricula zou daarmee rekening gehouden kunnen worden. Om daarvoor
ruimte te laten, zullen in de wet voorzieningen moeten worden getroffen. Het
gevaar van de nu geschetste aanpak is, dat te veel nadruk wordt gelegd op
het element dat in het regeerakkoord centraal stond: de driejarige opleiding
als zelfstandige eenheid. Het kabinet opereert tweeslachtig door aan de ene
kant openingen te bieden naar verschillende soorten vervolgopleidingen en
aan de andere kant de driejarige opleiding aan een arbeidsmarkttoets te willen
onderwerpen. Daarmee wordt aangegeven dat de opleiding een zelfstandige functie
heeft waarnaar de ACO moet kijken. De heer Van Gelder vond dat het van tweeën
één is: óf er wordt gekozen voor een traject van vierjarige
opleidingen met daarbinnen gradaties en variaties waardoor studenten een ander
aanbod kan worden gedaan, óf er wordt gekozen voor het systeem van
driejarige opleidingen plus. Hij verzocht het kabinet om dat ene model effectiever
uit te werken en na te gaan wat de minimale randvoorwaarden zijn die wettelijk
moeten worden geschapen om daaraan te kunnen voldoen. Het leek hem mogelijk
dat men een eind komt met een eenvoudig experimenteerartikel in de WHW.</al>
      <al>Een andere vraag is hoe de bekostiging dan zal worden geregeld. De terughoudendheid
van de universiteiten is mede op die vraag terug te voeren. De vrees bestaat
dat een instelling om onderzoekersopleidingen mogelijk te maken, zal worden
gedwongen na drie jaar x% van de studenten de studie te laten beëindigen,
omdat anders die onderzoekersopleidingen niet kunnen worden betaald. Als er
geen speelruimte komt, zal er geen oplossing komen voor het genoemde vraagstuk,
dat al sinds de Tweede Wereldoorlog om een oplossing vraagt. De heer Van Gelder
ging ervan uit dat bij een goed aanbod een aantal studenten, net als in het
HBO het geval is, het laatste jaar wel een duaal traject zullen willen doen.
Er zal evenwel niet vooraf kunnen worden gezegd om hoeveel procent studenten
het zal gaan. Ter wille van de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs
zal dan ook soepeler met de meerjarenramingen omgegaan moeten worden.</al>
      <al>De vaste commissie heeft ook een werkbezoek gebracht aan de technische
universiteit Hamburg-Harburg die zich heeft afgevraagd of de studiestructuur
niet moet worden veranderd om het mogelijk te maken dat studenten hun opleiding
afmaken in een werkendlerentraject dan wel nog eens later effectiever terugkomen.
De Hamburgse Fachhochschule had daar ook geen problemen mee.</al>
      <al>Dat de geneigdheid in de universitaire wereld om tot vernieuwingen te
komen niet zo groot is, blijkt uit het feit dat het niet lukt om binnen de
Open universiteit of een reguliere universiteit een traject voor «op
afstand leren» op te zetten voor een daarvoor bij uitstek geschikte
studie, namelijk theologie. Het bezwaar is dat het om een kleine groep studenten
gaat en dat het een grote investering vergt. Indien dat het vertrekpunt gaat
worden, is het de vraag hoe de vernieuwing in het onderwijs tot stand moet
komen als het niet om grote groepen gaat. Graag zou de heer Van Gelder zien
dat dit traject via een experiment of anderszins in gang werd gezet. Zou daarvoor
wetswijziging nodig zijn?</al>
      <al>Desgevraagd zei hij geen zelfstandige driejarige baccalaureaatsopleiding
te wensen, maar een opleiding tot een bepaald niveau, waarbij het mogelijk
is om na die drie jaar een paar jaar iets anders te doen en dan op dezelfde
of een andere universiteit verder te gaan. Volgens hem moet het bijvoorbeeld
mogelijk zijn dat iemand drie jaar naar een technische universiteit
gaat en dan nog elders een jaar bedrijfskunde doet. Dergelijke mogelijkheden
zouden binnen de vierjarige studieduur moeten bestaan.</al>
      <al>Bij interruptie werd verondersteld dat niemand van zo'n mogelijkheid gebruik
zal maken, als bij hervatting van de studie het nog bestaande jaar recht op
studiefinanciering is vervallen omdat men dan 27 jaar of ouder is. De heer
Van Gelder zou zich kunnen voorstellen dat bepaalde bedrijven, banken, advocatenkantoren
en dergelijke een academische vorming van drie jaar voldoende vinden, omdat
de specifieke voor de functie benodigde kennis op kantoor kan worden verworven
of via programma's die met de universiteiten zijn afgesproken. Hij verwachtte
dat er op dergelijke terreinen een differentiatie in aanbod móét
komen, omdat de universiteiten zien dat het reguliere aanbod terugloopt. Het
zou goed zijn als de universiteiten daar tijdig op inspeelden.</al>
      <al>Uitgaande van het oorspronkelijke vertrekpunt waarbij star op basis van
bezuinigingen moest worden bekeken hoe MBO-jongeren het HBO in drie jaar konden
doorlopen, is wat nu in de HBO-notitie is vastgelegd iets waarover op een
reële manier kan worden gepraat, aldus de heer Van Gelder, die vervolgens
de hoop uitsprak dat de instellingen voor HBO en MBO er goede afspraken over
kunnen maken. Het is jammer dat recentelijk in het kader van de WEB is afgesproken
dat het MBO per definitie een dubbelkwalificerende opleiding dient te zijn,
terwijl in de vroegere constellatie een driejarige MBO-opleiding goed geïntegreerd
kon worden gecombineerd met een vierjarige HBO-opleiding. Hij vroeg of kan
worden bezien of via dat kanaal niet een betere integratie MBO-HBO mogelijk
wordt, waarbij het HBO zich verantwoordelijk voelt voor de kwalificatie van
een MBO'er die na een jaar het HBO verlaat. De studenten zullen hier uiteindelijk
mee gediend zijn. De heer Van Gelder sprak de hoop uit dat de minister zich
verantwoordelijk zal voelen voor de vulling van het studiefonds als mocht
blijken dat de nieuwe regeling moeilijker is en dat MBO'ers het HBO niet in
drie jaar kunnen doorlopen. De minister dient waar te maken wat in de bekende
motie in dezen stond.</al>
      <al>Het is opvallend dat bij de overschakeling van de inserviceopleidingen
van VWS naar OCW al het geld in de richting van het MBO gaat, terwijl er ook
opleidingen bij zijn die onder het HBO vallen.</al>
      <al>De heer Van Gelder sloot zich aan bij de opmerking van de heer Van de
Camp over het ontbreken van de decanen in de commissie inzake de lotingsprocedure,
maar begreep niet waarom de commissie zoveel tijd nodig heeft voor een advies.
Een nieuw systeem zal wel rechtvaardiger moeten zijn dan het huidige. Of dat
mogelijk is, betwijfelde de heer Van Gelder.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Rabbae</nadruk> (GroenLinks) vond het een goede zaak dat de
minister van Onderwijs bezig is met een kennisdebat, toegespitst op de toekomst.
Hij had verwacht dat de minister de Kamer zou informeren over wat Nederland
over een jaar of tien aan kennis in huis moet hebben, wil het op technologisch,
sociaal en cultureel gebied op peil blijven. De heer Rabbae had in dat verband
graag willen weten of er op het gebied van het hoger onderwijs meer zal moeten
worden geïnvesteerd in middenkaders – na twee à drie jaar
opleiding de arbeidsmarkt op en dan via inservicetraining verder – dan
wel in de hoger wetenschappelijke niveaus. Op basis van die gegevens had hij
dan willen bekijken wat er moet gebeuren op het terrein van de differentiatie
van het hoger onderwijs. Het is duidelijk dat het kabinet zich hierin vastbijt
in de hoop dat het wat kan worden. Aan de ene kant – het kunstvakonderwijs –
wil het kabinet de markt wel enigszins laten doorwerken bij het reorganiseren
en verbeteren van de kwaliteit, maar aan de andere kant wil het kabinet op
dit terrein tegen de wens van de markt ingaan. De heer Rabbae maakte zich
daar grote zorgen over, omdat er in zijn ogen sprake is van een soort van
harakiri-experiment.</al>
      <al>Als het kabinet met een enkele instelling zou willen experimenteren kan
de Kamer dat niet verbieden, maar het resultaat van dit experiment zal wel bekend moeten zijn alvorens de Kamer over het wettelijk vastleggen
van deze weg beslist.</al>
      <al>Ook de heer Rabbae vroeg naar de wijze waarop de bekostiging zal plaatsvinden.
Hij vreesde dat straks alleen kinderen van rijke ouders in staat zullen zijn
om het laatste jaar van een eventueel tweejaarlijkse voortzetting van de opleiding
te volgen. Wordt er geen concurrentie met de HBO-opleidingen gecreëerd?
Desgevraagd sprak hij zich uit voor de vierjarige opleiding.</al>
      <al>De heer Rabbae heeft altijd grote waardering gehad voor de bedoeling van
de minister om jongeren uit kansarme milieus de mogelijkheid te geven, zich
sociaal te emanciperen via het onderwijs. Hij maakte zich in dat kader zorgen
over het differentiëren van de HBO-studieduur, omdat deze categorie studenten
vaak iets meer tijd nodig heeft. Het leek hem toe dat studenten uit deze milieus
niet de kans moet worden ontnomen dit diploma te verwerven.</al>
      <al>Ook de heer Rabbae vroeg zich af of er wel een beter systeem te ontwikkelen
is dan het huidige systeem van gewogen loting.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Jorritsma-van Oosten</nadruk> (D66) was wat de differentiatie
van het hoger onderwijs betreft van oordeel dat ervan uit moet worden gegaan
dat opleidingen in principe vier jaar duren en dat er niet in plaats van vierjarige
opleidingen driejarige moeten worden gecreëerd waarin dezelfde hoeveelheid
stof moet worden verwerkt. Zij had overigens niet de indruk dat dit de bedoeling
van het kabinet is. Haars inziens dient er wel een mogelijkheid te komen om
de verstarring van vier jaar – afgezien van de uitzonderingen daarop –
te doorbreken. Zij was derhalve positief gestemd over de in de notitie geboden
differentiatiemogelijkheden. Het voorgestelde levert een grote vrijheid op
voor de instellingen, maar kan ook onzekerheid opleveren voor studenten die
willen beginnen aan zo'n nieuwe opleiding.</al>
      <al>Mevrouw Jorritsma meende dat er wel degelijk een mogelijkheid moet worden
geschapen voor een wetenschappelijke opleiding van drie jaar. Dan is men uiteraard
geen volleerd onderzoeker, maar dan heeft men wel een wetenschappelijke benadering
van de problemen aangeleerd. Het moet dan ook mogelijk zijn met die opleiding
op de arbeidsmarkt in te stromen. De instellingen moeten de mogelijkheden
daartoe onderzoeken, alvorens een bepaalde driejarige opleiding te starten,
opdat de student een zekere mate van zekerheid heeft over wat hij met die
opleiding kan gaan doen. Een traject van leren en werken na de driejarige
opleiding is haars inziens een verantwoordelijkheid van de afgestudeerde zelf,
in combinatie met zijn werkgever. Misschien zijn sommige bedrijven wat huiverig
voor het geven van interne gespecialiseerde opleidingen, omdat het hun geld
kost en zij daarvoor moeite moeten doen, maar er zijn ook nogal wat bedrijven
die bepaalde eisen stellen aan nieuwe werknemers en het is de vraag wat er
beter is dan dat die bedrijven voor een gedeelte er zelf voor kunnen zorgen
dat die mensen aan deze eisen gaan voldoen. Een en ander zal in overleg tussen
instellingen en bedrijven ontwikkeld moeten worden. Mevrouw Jorritsma hoopte
en verwachtte dat er een proces op gang zal komen met een positief resultaat.
Mocht dat niet het geval zijn, dan zullen kabinet en Kamer de discussie moeten
voortzetten.</al>
      <al>Waar een instelling ook de mogelijkheid kan bieden van een driejarige
plus een eenjarige opleiding, ofte wel van een doctoraal opleiding, lijken
er nu twee toegangswegen tot hetzelfde doctoraal te komen. Hoe zit dat? Het
moet de student duidelijk zijn dat er binnen dezelfde of een andere gelijksoortige
instelling mogelijkheden zijn voor een vervolgopleiding, die kan leiden tot
beroepsuitoefening of tot onderzoekswerk. In het laatste geval lijkt er sprake
van een verlengde opleiding die als het ware inschuift in een AIO-opleiding.
Er moet geen groot grijs gebied komen waardoor de beginnende student weinig
idee heeft over hoe zijn opleiding in de toekomst zal verlopen. </al>
      <al>Op zichzelf had mevrouw Jorritsma in dit kader geen problemen met selectie
van studenten voor de toelating tot een onderzoekersopleiding, eventueel uitmondend
in een AIO-plaats. Die selectie moet wel plaatsvinden op basis van de capaciteiten
en mogelijkheden van de student en niet op financiële gronden. In de
huidige formulering van de voorstellen betaalt het kortere het langere. Daarom
wilde zij instellingen, studenten en bedrijven laten bezien of er een mooie
oplossing te vinden is, als het kan ook macro-doelmatig. Die gedachten zullen
meegenomen moeten worden bij de capaciteitsbekostiging en ook bij een eventuele
aanvulling van het studiefonds van een instelling. Het mag natuurlijk niet
zo zijn dat instellingen studies gaan verkorten om aan geld te komen.</al>
      <al>Het moge duidelijk zijn, aldus mevrouw Jorritsma, dat de fractie van D66
nooit een voorstander is geweest van het systeem van gewogen loting. Zij was
ervan overtuigd dat het niet gemakkelijk is een nieuw systeem te verzinnen
en dat de commissie-Drenth derhalve tijd nodig heeft. Wel zou zij graag zien
dat in het cursusjaar 1998–1999 een nieuwe methode zou kunnen worden
gehanteerd.</al>
      <al>Mevrouw Jorritsma vond het belangrijk dat het MBO een beroepskwalificerende
opleiding blijft en sprak dan ook de hoop uit dat MBO'ers die na enige tijd
met het HBO stoppen, toch over een beroepskwalificerend diploma zullen kunnen
beschikken. Het leek haar prima dat er in het kader van studiefondsen extra
gelden beschikbaar zullen worden gesteld voor studenten die gezien hun achterstand
meer tijd nodig hebben om de opleiding af te ronden. Hoe wordt dat bepaald?
Komt er een soort gewichtengeld?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van der Vlies</nadruk> (SGP) wilde als fungerend voorzitter
niet als woordvoerder optreden, maar deelde voor de volledigheid wel mee dat
hij zich wat de differentiatie van de studieduur en de driejarige opleiding
betreft het beste kon vinden in een combinatie van de beelden, geschetst door
mevrouw De Vries en de heer Van de Camp.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">staatssecretaris</nadruk> noemde de kern van het probleem de lang
volgehouden fictie dat elke studie vier jaar duurt. Gezocht wordt naar wegen
om daar waar dat wringt ruimte te scheppen. Het verheugde hem dat hij bij
de meerderheid van de Kamer de (geclausuleerde) bereidheid had geconstateerd
tot experimenten in dat opzicht. Omdat de behoeften van studenten verschillend
zijn, de behoefte van de arbeidsmarkt wisselt en de directe band tussen een
bepaalde opleiding en een bepaald beroep de afgelopen jaren losser is geworden,
is differentiatie nodig. De gedachte dat er iets moet worden gedaan, is de
afgelopen twee jaar belast geraakt door de koppeling aan een grote bezuiniging
en doordat men die gedachte te snel als een blauwdruk is gaan beschouwen.
Gelukkig is er niet langer sprake van een koppeling met die bezuiniging en
van blauwdrukdenken, aldus de staatssecretaris, die wel vasthield aan het
basisidee dat er enige ruimte moet kunnen worden geschapen. In het HOOP is
getracht dat te doen, maar dat is kennelijk niet geheel gelukt.</al>
      <al>Blijkbaar bestaat er onduidelijkheid over, dat vier jaar het uitgangspunt
en de maat der dingen blijft voor de studie. Iedere student krijgt een vierjarige
studiefinanciering. Een student die een driejarige studie volgt, krijgt de
mogelijkheid van een vervolgopleiding van een jaar om op hetzelfde niveau
te komen als studenten die een vierjarige opleiding hebben gevolgd. Een instelling
die zo'n driejarige studie organiseert, moet dus ook die vervolgstudie regelen.</al>
      <al>Het kabinet wil bereiken dat iemand die nog niet precies weet of hij onderzoeker
wil worden of niet, de mogelijkheid krijgt om tot een bepaald punt een traject
te volgen. Dat zou inderdaad als basisdoctoraal kunnen worden aangeduid. De
staatssecretaris neigde tot de term «kandidaat», die ook in Denemarken
wordt gebruikt. Dat de arbeidsmarkt en de studenten ertegen zijn, komt doordat
zij denken dat het systeem wordt veranderd. Die suggestie is
wel door het kabinet gewekt, maar ten onrechte. Het VNO acht zo'n driejarige
opleiding voor technische vakken niet mogelijk, maar voor sommige andere vakken
wel. Als een instelling een bepaalde opleiding wil beginnen, dan zou die kunnen
polsen of voor bepaalde sectoren van het bedrijfsleven trainees met die opleiding
interessant zijn. Gepoogd is uitwerking te geven aan de wens te komen tot
meer differentiatie in de inhoud van de opleidingen. In zekere zin is er sprake
van een experiment. De ene instelling zal een driejarige opleiding willen
hebben om mensen verschillende mogelijkheden te kunnen bieden. De andere instelling
zal willen onderzoeken of er voor een bepaald type opleiding uitstroom mogelijk
is. De instellingen zullen moeten aantonen dat de driejarige opleiding een
wetenschappelijk karakter heeft en dat de student er iets mee kan doen. De
ene opleiding zal zich meer op de arbeidsmarkt kunnen richten dan de andere.</al>
      <al>De staatssecretaris wist niet hoeveel procent van de studenten het opleidingstraject
moet volgen om het experiment een succes te doen zijn. Als er in enkele opleidingen
iets blijkt te ontstaan, wat er vroeger niet was, dan is het experiment gelukt.
Ieder experiment dat succes heeft, leidt tot navolging. Of het experiment
een succes is, zal pas na enkele jaren blijken. Er zal een (wettelijke) vorm
gezocht moeten worden, om dit experiment mogelijk te maken.</al>
      <al>Daarbij zal moeten worden voorkomen dat het kortere het langere betaalt.
Dat leek hem niet zo moeilijk, omdat de student het recht heeft op een vierjarige
opleiding. De vraag hoe langere opleidingen bekostigd moeten worden, moet
nog afzonderlijk worden beantwoord.</al>
      <al>Naar aanleiding van een interruptie stelde de staatssecretaris dat het
kabinet zal proberen om de uitvoering mogelijk te maken van positieve ideeën
van de instellingen op dit stuk. Dan is men terug bij het algemeen onderschreven
uitgangspunt, dat differentiatie, mits zinnig toegepast, nuttig en nodig is.</al>
      <al>Na dit laatste overleg over het HOOP zal een wetsvoorstel worden voorbereid
om een aantal in deze notitie genoemde zaken te regelen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">minister</nadruk> noemde de differentiatie in het hoger beroepsonderwijs
op een aantal punten eenvoudiger en natuurlijker dan die in het wetenschappelijk
onderwijs, omdat in het hoger beroepsonderwijs nu al drie verschillende soorten
studenten bijeenkomen, waarmee de instellingen zelf de afgelopen jaren al
min of meer rekening hebben gehouden en die zij in een systematiek hebben
verwerkt. Al vereist dat in onderwijskundig opzicht nogal wat, tegenwoordig
hebben vele HBO-instellingen aparte MBO-, VWO- en HAVO-klassen tot tevredenheid
van de studenten.</al>
      <al>De minister zei de notities, in het bijzonder die van 6 juni, als stevige
basis te beschouwen en getroffen te zijn door de bereidheid van de HBO-raad
en het middelbaar beroepsonderwijs om de notities gezamenlijk tot stand te
brengen. In eerste instantie bestond er een zekere natuurlijke weerstand tegen
de veranderingen, maar dankzij de krachtige inzet van de medewerkers is er
in tweede instanties een perfect draaiboek voor onderwijskundige vernieuwing
totstandgekomen. De visie op het hoger beroepsonderwijs en de toeleiding daar
naartoe heeft zich gewijzigd, maar in feite sterk impliciet. In 1990 is het
HAVO in de Kamer aangemerkt als de koninklijke weg naar het HBO. Toen is het
middelbaar beroepsonderwijs noch het VWO in dat kader genoemd. Vervolgens
is er een impliciete ontwikkeling van onderop geweest in de vorm van een aanzienlijk
grotere doorstroming vanuit verwante opleidingen, maar ook, zoals pas enkele
jaren geleden bleek, vanuit niet-verwante opleidingen. Die ontwikkeling heeft
een aantal gunstige aspecten, bijvoorbeeld een belangrijke emancipatiefunctie.
De minister wilde deze lijn stabiliseren wat de aantallen betreft en versterken
wat de positie betreft in de vorm van een betere aansluiting over en weer.
Bij het opstellen van de tweede generatie eindtermen is het hoger beroepsonderwijs
al enigszins betrokken. Het hoger beroepsonderwijs is medebepalend
voor de derde generatie eindtermen voor het middelbaar beroepsonderwijs, inclusief
leerlingwezen. Geleidelijk aan zijn garanties geschapen om op termijn het
hoger beroepsonderwijs beter te laten aansluiten op het gebodene door het
middelbaar beroepsonderwijs. Dat vereist een betere doordenking wat de nietverwante
opleidingen betreft. Tot 2000 is gegarandeerd dat de niet-verwante doorstroom
in stand kan blijven, zij het dat de instellingen er verstandig mee moeten
omgaan. Het rendement in het hoger beroepsonderwijs bij doorstroming uit verwante
en niet-verwante opleidingen is enorm verschillend. Doorstroming uit niet-verwante
opleidingen vergt gemiddeld een jaar langer en het rendement is veel ongunstiger.
Het is de bedoeling in 2000 te komen tot een doorstroomkwalificatie voor niet-verwante
opleidingen en om geleidelijk aan de term «niet-verwant» te schrappen.</al>
      <al>Bij interruptie werd gevraagd waarom niet als uitgangspunt mag worden
genomen dat – zoals destijds bij de SVM – iemand zeven jaar mag
doen over MBO en HBO samen, zodat iemand die z'n MBO in drie jaar haalt nog
vier jaar mag doen over het HBO. De minister stelde dat niet uitgesloten mag
worden dat er ook de komende jaren nog enige uitval in het hoger beroepsonderwijs
zal blijven bestaan. Wie vroeger de sterklas volgde en niet slaagde in het
HBO, had géén diploma. In het veld werd het daarom voor de hand
liggend geacht om de studietijd zo in te richten dat iemand die van het MBO
komt een volledig diploma heeft, zodat er geen problemen ontstaan als een
daarop volgende HBO-studie niet lukt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van Gelder</nadruk> (PvdA) stelde bij interruptie dat hij bij
de behandeling van de ontwerp-WEB anders zou hebben gesproken als hij had
geweten dat een jaar later deze discussie over de verwante doorstroming zou
worden gevoerd. Toen vond iedereen dat het MBO dubbel kwalificerend moest
zijn en nu wordt gesteld dat verwante doorstromers het HBO in drie jaar moeten
doen. Zijns inziens kan met het HBO worden afgesproken dat dit er verantwoordelijk
voor is dat iemand die na drie jaar MBO probeert door te stromen en het niet
redt, toch alsnog het MBO-niveau haalt. De bottleneck is vaak dat die jongeren
het jaar stage niet hebben gedaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Volgens de heer <nadruk type="vet">Van de Camp</nadruk> (CDA) gaan er alleen nog MBO'ers
naar het HBO die hun diploma hebben gehaald.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">minister</nadruk> betoogde dat al bij de SVM de door de heer Van
Gelder gevraagde mogelijkheid was uitgesloten. Hij herhaalde dat het hoger
beroepsonderwijs meer dan ooit bij de vormgeving van middelbaar beroepsonderwijs
en leerlingwezen is betrokken. Er zijn in de regio's samenwerkingsprojecten
MBO-HBO. In zekere zin maakt het dan niet uit waar het laatste jaar vervalt,
maar het ligt zijns inziens voor de hand om eerst een compleet afgeronde opleiding
te volgen, die overigens niet per se vier jaar behoeft te zijn. Dit leek hem
in overeenstemming met de WEB. Wel is er een financieel probleem bij de niet-verwante
doorstroom. Een halfjaar geleden bevatten de financiële omstandigheden,
waarvoor de HBO-raad ook zelf gekozen had, een aantal risico's. Vanwege de
concurrentiepositie van het hoger beroepsonderwijs ten opzichte van het wetenschappelijk
onderwijs heeft de HBO-raad zich fel verzet tegen de gedachte van het kabinet
om VWO'ers het HBO in drie jaar te laten doorlopen. Het kabinet heeft zich
door de HBO-raad laten overtuigen. Het had de minister wel verrast dat vervolgens
die financiële risico's werden gezien als een probleem met betrekking
tot de 15 mln. in 2002 waarvoor het kabinet ruimte had geboden, terwijl die
risico's sterk waren beperkt door de stap van het kabinet om ook de duale
leerwegen fiscaal te faciliteren. Als iedereen zich maximaal heeft ingespannen
conform de letter van de overeenkomst, dan zal het kabinet daaruit conclusies
moeten trekken als het bedrag hoger zou moeten zijn. Waarschijnlijk
zal een klein deel van die 15 mln. naar voren moeten worden gehaald om in
2001 degenen die nog een vierjarige opleiding hebben, omdat ze een niet-verwante
vooropleiding hebben, daartoe ook de kans te geven.</al>
      <al>Bij interruptie werd opgemerkt dat de besparingen op de studiefinanciering
door een kortere studieduur bij het HBO ten goede komen aan de instellingen
zelf. Gevraagd werd of dan niet het risico bestaat dat HBO-instellingen daarop
bij de toelating anticiperen ten nadele van de havisten, die er in principe
vier jaar over doen. De minister wees erop dat er niet aan de poort mag worden
geselecteerd. Hij voorzag geen problemen op dit stuk, omdat de inhoudelijke
benadering goed verloopt wat de dualisering van het onderwijs betreft. Er
is onder de VWO'ers grote belangstelling voor de duale leerweg. Het HBO zal
hiermee uiteindelijk waarschijnlijk goed mee af zijn, ook gegeven de fiscale
faciliteiten. Daar zal men ook zelf de vruchten van moeten kunnen plukken.</al>
      <al>Desgevraagd zei de minister in het kader van het inverdienen dat het een
complex geheel is geworden. De eerste gedachte was om MBO'ers en VWO'ers allemaal
nog drie jaar studiefinanciering te geven. De einduitkomst was dat voor de
VWO'ers de bestaande studiefinanciering is gehandhaafd en dat MBO'ers die
naar het HBO doorstromen in de verwante opleiding tot 2000 drie jaar studiefinanciering
krijgen en in de niet-verwante opleidingen vier jaar. Na 2000 is er sprake
van drie jaar studiefinanciering plus nog een tijd, afhankelijk van het niveau
van de instroom. Bij die afspraak werd de budgettaire taakstelling, die oorspronkelijk
verbonden was aan de differentiatie op dit punt, niet gerealiseerd. De HBO-raad
heeft besloten om die 78 mln. structureel voor zijn rekening te nemen, uitgaande
van de verwachting dit intern terug te kunnen verdienen door duale trajecten
voor in het bijzonder VWO'ers of door andere maatregelen van de instellingen
om te bevorderen dat VWO'ers in minder dan vier jaar hun HBO-studie voltooien.
Dat bedrag is in mindering gebracht op het budget voor het HBO, maar de inverdieneffecten
worden toegerekend aan de HBO-instellingen zelf.</al>
      <al>Bij de voorbereiding en het uitbrengen van het HOOP is een specifiek punt
gemaakt van de loting. Voor medicijnen alleen al willen jaarlijks zo'n 6000
mensen in aanmerking komen, terwijl er zo'n 1500 plaatsen zijn. Van de afgewezenen
stuurt bijna de helft een brief naar het ministerie om van hun ongenoegen
blijk te geven. Daarom is in eerste instantie nagedacht over verbetering van
de procedure, omdat het kabinet niet wil uitlokken tot het voor de tweede,
derde of vierde keer deelnemen aan de loting en het zoeken naar een parkeerstudie.
In dat systeem zijn de kansen van kinderen van rijkere ouders als het ware
groter. In het HOOP werd gerept van de wijze waarop ervaring in het beroepsveld
moet worden meegeteld bij een volgende loting. De instelling van de toen aangekondigde
commissie heeft wat langer geduurd, omdat het kabinet enige tijd nodig had
om een standpunt te ontwikkelen inzake de loting. Dat heeft te maken met het
geleidelijk gegroeide inzicht dat alle vier de personen die zich voor één
plaats medicijnen aanmelden, gekwalificeerd blijken te zijn. Van de medicijnenstudenten
behaalt 85% in het eerste jaar zijn propedeuse, terwijl van de rechtenstudenten
bijvoorbeeld slechts 40% z'n propedeuse na één jaar haalt en
slechts 60% na drie jaar. Gemiddeld wordt de medische studieduur met slechts
0,2 jaar overschreden. Ook de ervaring met de afgestudeerde artsen leert niet
dat het lotingsysteem vanuit die invalshoek gezien niet werkt. Het systeem
werkt echter niet wat de verwachtingen van de jongeren betreft. Loten, zelfs
gewogen loten, wordt in de huidige Nederlandse samenleving niet echt meer
geaccepteerd. De protesterende briefschrijvers vragen om afschaffing van het
lotingsysteem, veronderstellend dat de minister wel weet hoe het wél
moet, wat in dit geval niet zo is.</al>
      <al>Omdat de voorstellen voor een ander systeem die hem onder ogen zijn gekomen
óf van onjuiste cijfers uitgaan óf ook allerlei bezwaren opleveren, pleitte de minister ervoor de commissie-Drenth de tijd
te geven voor het zoeken naar een betere oplossing die dan ook geruime tijd
moet kunnen functioneren. Hij had de commissie wel gevraagd sneller te werken,
maar had daarop nog geen antwoord gekregen. Wanneer de commissie klaar is
met haar werk, zal hij snel met een reactie daarop komen en bevorderen dat
die in wetgeving neerslaat, waarna de Raad van State aan zet is, die gemiddeld
drie, vier maanden voor een advies nodig heeft, en vervolgens de Tweede Kamer
die haar eigen agenda bepaalt. Er zijn nu al aspecten bij de loting die aanleiding
geven tot vragen, zoals hoe wordt omgegaan met vakkenpakketten en deficiënties,
waarvan veelal sprake is bij de 15% medicijnenstudenten die de propedeuse
niet binnen het jaar halen. Los van het onderzoek door de commissie-Drenth
zal worden bekeken of op dat punt op zo kort mogelijke termijn rechtvaardigheid
kan worden betracht. Het genoemde Rotterdamse geval is exceptioneel, omdat
betrokkene al een tijd voor de universiteit had gewerkt. Er kan dan ook niet
worden gesproken van een speciaal gecreëerde situatie.</al>
      <al>In de commissie-Drenth heeft mevrouw Buys zitting, die geacht mag worden
mede het voortgezet onderwijs te vertegenwoordigen. De commissie is overigens
nadrukkelijk gevraagd vooral te gaan werken met hoorzittingen. </al>
      <ondtek>
        <functie>De ondervoorzitter van de commissie,</functie>
        <naam>Van Gelder</naam>
        <functie>De griffier van de commissie,</functie>
        <naam>Roovers </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling: Leden: Beinema (CDA), Van der Vlies (SGP), Van Nieuwenhoven
(PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), voorzitter, De Cloe (PvdA), Janmaat (CD), Van
Gelder (PvdA), ondervoorzitter, Van de Camp (CDA), Mulder-van Dam (CDA), Hendriks,
Rabbae (GroenLinks), Jorritsma-van Oosten (D66), De Koning (D66), Koekkoek
(CDA), J.M. de Vries (VVD), Liemburg (PvdA), Stellingwerf (RPF), Lambrechts
(D66), Rijpstra (VVD), Cornielje (VVD), Cherribi (VVD), Dijksma (PvdA), Sterk
(PvdA), Van Vliet (D66) en Bremmer (CDA).</al>
    <al>Plv. leden: Reitsma (CDA), Schutte (GPV), Lilipaly (PvdA), Klein Molekamp
(VVD), Valk (PvdA), Poppe (SP), Duivesteijn (PvdA), Ten Hoopen (CDA), Van
der Hoeven (CDA), Verkerk (AOV), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Bakker
(D66), Van 't Riet (D66), Deetman (CDA), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD),
Van der Ploeg (PvdA), Leerkes (Unie 55+), Versnel-Schmitz (D66), Essers (VVD),
Korthals (VVD), Passtoors (VVD), Huys (PvdA), Van Zuijlen (PvdA), Verhagen
(CDA) en Lansink (CDA).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>