﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24556-23/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1995-1996</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>6K2496</ordernr>
    <vergjaar>1995-1996</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>24 556</nummer>
      <naam>Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>23</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoetermeer,  <datum>27 augustus 1996</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 5 september a.s. vindt er een algemeen overleg plaats met de vaste
commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over een aantal HOOP-onderwerpen,
onder andere over <nadruk type="vet">het kunstvakonderwijs,</nadruk>waarover ik de Kamer op
14 juni jl. een voortgangsrapportage zond. Ten behoeve van dat overleg stuur
ik u nu de nadere informatie over de laatste stand van zaken, die anders conform
mijn eerdere toezegging aan uw Kamer bij de indiening van de begroting 1997
op Prinsjesdag zou worden aangeboden. Met deze brief beantwoord ik tevens
de schriftelijke vragen die door de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur
en Wetenschappen zijn gesteld over de tweede fase kunstonderwijs en over de
tweede fase muziekvakonderwijs (zie bijlage). </al>
      <tuskop letat="vet">Bestuurlijk overleg met HBO-Raad</tuskop>
      <al>Eerder overleg met de HBO-Raad over de voorstellen in het ontwerp-HOOP
voor het kunstvakonderwijs leidde tot de wederzijds onderschreven conclusie
dat een gezamenlijke werkgroep van departement en HBO-Raad concrete voorstellen
zou uitwerken. Naarmate het inzicht bij de instellingen groeide, dat de voorstellen
tamelijk ingrijpende repercussies voor afzonderlijke instellingen zouden kunnen
hebben, bleek een gezamenlijke aanpak minder mogelijk. In de fase van politieke
besluitvorming rond de vaststelling van het ontwerp-HOOP en de daaruit voortkomende
motie over de verdere reorganisatie van deze sector stelde de HBO-Raad zich
op het standpunt dat uitwerking van de motie primair een politieke verantwoordelijkheid
is; deze verantwoordelijkheid heb ik vervolgens ingebed in mijn brief van
14 juni jl. De HBO-Raad heeft hierop in een bestuurlijk overleg zijn grote
bezwaren geuit tegen de financiële randvoorwaarden van de verdere herstructurering.
Eventuele efficiency-winst wil de HBO-Raad onder verwijzing naar de budgetafspraken
in het HOOP binnen het kunstvakonderwijs of het overige hbo herbestemmen.
Ik acht dit echter onwenselijk, en ook niet nodig, mede gelet op de condities
waaronder het Kabinet de verdere reorganisatie wil laten plaatsvinden: </al>
      <witreg></witreg>
      <al>a. het is ongewenst dat de rijksvergoeding per student in het kunstonderwijs
nog hoger wordt ten opzichte van andere hbo-opleidingen. Het is bovendien
zo dat er door de budgettair neutrale taakreductie die momenteel wordt gerealiseerd,
grote prijsverschillen ontstaan tussen gelijksoortige kunstopleidingen, zonder
dat er een directe relatie bestaat met verschillen in kwaliteit tussen opleidingen.
Daardoor komt het voor dat opleidingen die vanwege hun reputatie een relatief
grote aantrekkingskracht op studenten hebben, over onvoldoende financiële
armslag beschikken en juist beperkt worden in de verdere kwaliteitsontwikkeling.
Deze feitelijke prijsontwikkelingen moeten – eerder dan is afgesproken
met de HBO-Raad – worden geëvalueerd en leiden tot een differentiatie
in de bekostiging die meer recht doet aan verschillen in feitelijke profilering
en resultaten van instellingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>b. het is onnodig dat de budgetten in deze sector worden herbestemd omdat</al>
      <al>– er voor de ontwikkeling van de kwaliteit van de kunstvakopleidingen
in de komende jaren extra investeringen worden gepleegd in de orde van grootte
van 20 miljoen gulden in het kader van Kwaliteit en Studeerbaarheid. Kunstopleidingen
profiteren hiervan ten volle mee, ondanks de extra middelen die deze opleidingen
al krijgen voor kwaliteitsverbetering onder de huidige budgetafspraken;</al>
      <al>– substitutie-effecten binnen het overige hbo, als gevolg van een
scherpere selectie van kunstvakstudenten zullen worden gecompenseerd;</al>
      <al>– het kabinet bereid is – voor een nader te bepalen en af
te bakenen bedrag – eventuele onvermijdbare reorganisatiekosten als
gevolg van deze voorstellen af te dekken, afhankelijk van de uitkomst van
het nog met de HBO-Raad en de instellingen voor kunstvakonderwijs te voeren
overleg.</al>
      <al>Eventuele compensatie vindt plaats buiten de sfeer van het wachtgeldakkoord.
Dat neemt niet weg dat de inspanningen erop gericht moeten zijn instroom in
het wachtgeld te voorkomen.</al>
      <al>In de komende periode zullen op basis van nadere analyses binnen het kunstvakonderwijs
sectoren worden aangewezen waar nadere volumemaatregelen nodig zijn. Concrete
formatieve gevolgen van de voorstellen zijn nu nog niet bekend. Zodra er zicht
komt op de effecten voor de werkgelegenheid voor het huidig personeel van
de opleidingen, zal nader technisch overleg met de HBO-Raad plaatsvinden over
de uitvoering van de afspraken m.b.t. wachtgelden en eventuele maatregelen
ter voorkoming daarvan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De voorstellen in mijn brief van 14 juni jl. betreffen nieuwe maatregelen
die niet zonder meer binnen de HOOP-afspraken vallen. Deze additionele maatregelen
impliceren namelijk een verdergaande taakreductie dan die waar het HOOP-akkoord
betrekking op heeft. Deze extra taakreductie gaat gepaard met extra besparingen,
die dan ook geen onderdeel uitmaken van het HOOP-akkoord. De financiële
opbrengst ligt met name in het verschil in bekostiging tussen kunst- en andere
studenten, en in de effecten van scherpere selectie en deelname-condities
van buitenlandse studenten. </al>
      <tuskop letat="vet">Inventarisatie van feiten en cijfers</tuskop>
      <al>Door de globale wijze van sturing en bekostiging van het hoger onderwijs
in het algemeen zijn er onvoldoende gespecificeerde gegevens over het kunstvakonderwijs
bekend. Door de globalisering van de formele indeling van de verschillende
kunstopleidingen is het zicht verdwenen op wat de afzonderlijke hogescholen
daadwerkelijk aan opleidingsvarianten en voor welke aantallen studenten verzorgen.
Deze gegevens zijn echter wel nodig voor een beter inzicht in de problemen
bij de taakuitvoering van de kunstopleidingen en voor een juiste
uitwerking van de voorgenomen maatregelen. Die gegevens zullen dus nog moeten
worden verzameld en geanalyseerd; daarbij is de medewerking van de hogescholen
onontbeerlijk. De HBO-Raad is het met mij eens dat over de gegevens, die de
basis vormen voor de maatregelen, geen discussie mag bestaan, wel over de
conclusies die daaraan worden verbonden. Ook de instellingen hebben behoefte
aan een beter inzicht in de ontwikkelingen in de kunstpraktijk en binnen de
verschillende opleidingen. Dan kan er worden ingezet op een adequate afstemming
naar soorten, maten en hoeveelheden tussen opleidingen en tussen opleiding
en praktijk.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik ga er van uit dat er in het komende politieke debat helderheid zal
worden verkregen over de gekozen uitgangspunten en de inzet, alsmede de gestelde
randvoorwaarden. Direct daarna zal ik het initiatief nemen voor een bestuurlijk
overleg met de betrokken instellingen over de verdere uitwerking. In dat gesprek
zullen met de HBO-Raad afspraken worden gemaakt over de inventarisatie van
beschikbare en nog benodigde gegevens en zal nader onderzoek worden geëntameerd.
Ook zullen afspraken worden gemaakt over de vervroeging van de evaluatie van
het huidige bekostigingsarrangement voor het kunstonderwijs. </al>
      <tuskop letat="vet">De «arbeidsmarkt»</tuskop>
      <al>Het kabinet heeft zich bij de voorstellen laten leiden door de zorg dat
afgestudeerden uit het kunstonderwijs zo goed mogelijk worden voorbereid op
de hoge eisen die aan kunstbeoefening worden gesteld en dat zij met die opleiding
in ieder geval voor een relevant deel in hun levensonderhoud kunnen voorzien.
Bijstandsgegevens en gegevens over inkomensvorming van kunstenaars geven aan
dat zeer velen daarin niet of onvoldoende slagen. Uiteraard vertaalt heel
veel van de totale artistieke activiteit zich niet in volledig betaalde banen.
Er is vraag naar kunstenaars en net als ondernemers, creëren kunstenaars
ook zelf werkgelegenheid. Maar geconstateerd moet worden dat er sprake is
van een discrepantie tussen het aanbod van afgestudeerden en de kans op werk
en inkomen. Het kabinet stelt zich ten doel om – uitgaande van de verschillende
kwalificaties die de kunstpraktijk in brede zin vraagt – een betere
balans te verkrijgen tussen vraag en aanbod, waarbij er in elk geval voldoende
ruimte moet zijn voor de ontwikkeling van kwaliteit op het hoogste niveau.
Het heeft mijn voorkeur om hierover via overleg tussen kunstopleidingen en
kunstenveld goede afspraken te maken. Ook hiervoor zijn eveneens meer gespecificeerde
gegevens noodzakelijk, bijvoorbeeld gegevens van welke opleiding kunstenaars
in de bijstand afkomstig zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de verbetering van de afstemming op de kunstpraktijk wil ik uitgaan
van een eigen verantwoordelijkheid van het kunstvakonderwijs. Daarin onderscheidt
het kunstonderwijs zich niet wezenlijk van het overige hoger beroepsonderwijs.
Als de doelstelling van een betere aansluiting in deze sector niet langs de
weg van overleg kan worden bereikt, dan staat mij bij structurele discrepanties
alleen het wettelijke instrument van de arbeidsmarktfixus ter beschikking.
In dat geval zal ik dit instrument als ultiem middel ook moeten gebruiken. </al>
      <tuskop letat="vet">Gefaseerde aanpak</tuskop>
      <al>Het kabinet heeft op basis van een probleemverkenning gekozen voor een
aanpak langs twee lijnen:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>1. voor de korte termijn moet een halt worden toegeroepen – met
consequenties voor bekostiging – aan allerlei niet of minder gewenste
varianten van pseudo-kunstopleidingen, zowel binnen als buiten het kunstonderwijs.
Deze pseudo-opleidingen richten zich op dezelfde markt als de daarvoor bedoelde
opleidingen en maken de spoeling voor kunstenaars onnodig dunner dan die al
is. Van sommige beroepsopleidingen die een bepaalde verwantschap met de strikte
kunstopleidingen hebben – de zogenaamde para-kunstopleidingen –
zal na een uitzuivering van ongewenste pseudo-opleidingen, nader worden bepaald
wat de positie en capaciteit moet zijn. Dit betreft onder meer de diverse
afstudeervarianten van leraren in kunstvakken binnen en buiten het kunstvakonderwijs,
managementopleidingen op het gebied van kunst en cultuur, opleidingen voor
therapeutische kunsttoepassingen en bijvoorbeeld de meer technologisch georiënteerde
opleidingen in het kunstonderwijs. De prioriteit die zal worden gegeven aan
de aanpak van pseudo-opleidingen heeft sterke raakvlakken met de hbo-brede
inventarisatie en regulering van voorgestructureerde samengestelde programma's.
Daarover zal een door de departementen van OCenW en LNV ingestelde commissie
(commissie-Koppelaars) volgens planning eind oktober een definitief advies
uitbrengen. Zo spoedig mogelijk zal dat tot besluitvorming leiden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De lerarenopleidingen voor de kunstvakken verdienen daarbij bijzondere
aandacht. Zeer recent is hier voor wat betreft de opleidingen voor dramadocenten
een interessante publicatie verschenen in het Kwartaalschrift voor Drama over
de toekomst van de opleidingen tot docent drama. Over dit thema wordt 5 september
een congres gehouden, waarbij ook een relatie wordt gelegd met de opleidingen
aan de voormalige academies voor expressie. In deze publicatie worden o.a.
aanbevelingen gedaan voor capaciteitsreductie. Over de voormalige academies
voor expressie is in de afgelopen maand juni ook een visitatierapport verschenen,
dat eveneens aanleiding kan geven voor herijking.</al>
      <al>De verdere ontwikkeling van de positie en capaciteit van de lerarenopleidingen
voor de kunstvakken heeft een sterke relatie met het lopende traject voor
de vitalisering van lerarenopleidingen in het algemeen. Deze relatie zal in
de reactie op het plan van aanpak van het Procesmanagement Lerarenopleidingen
aan de orde komen. Deze reactie zal het komend najaar worden uitgebracht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>2. voor de langere termijn wordt op basis van nadere arbeidsmarkt-analyses
de gewenste capaciteit van bepaalde probleem-opleidingen vastgesteld. In de
komende maanden zal onderzoek plaatsvinden naar de benodigde gegevensverzameling.
Hierop gebaseerde maatregelen zullen vanaf het jaar 2000 effectief worden.
Deze operatie is primair gericht op kwaliteitsverbetering; daarom is gekozen
voor een genuanceerde aanpak met de volgende elementen:</al>
      <al>– verbetering van het profiel van het kunstvakonderwijs;</al>
      <al>– aanvullende capaciteitsreductie bij de opleidingen waar dit mogelijk
en noodzakelijk is;</al>
      <al>– verbetering van de samenwerking tussen de instellingen voor kunstvakonderwijs.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met deze aanpak wordt recht gedaan aan de signalen die met regelmaat uit
de kunstpraktijk kwamen en komen om meer nadruk te leggen op de kwaliteit
van het onderwijs en op volume-reductie. De kunstpraktijk heeft meer dan eens
teleurgesteld gereageerd op de beperkte stappen die bij de herstructurering
van het kunstvakonderwijs konden worden gezet. Over de resultaten van visitatiescommissies
in deze onderwijssector is vanuit de praktijk nogal heftig gereageerd. Dat
was het geval bij de visitaties Dans en Drama en ik ontvang geluiden rond
de visitatie Beeldende kunst, waarover volgens plan medio september een rapport
wordt gepubliceerd, die mij zeker niet gerust stellen. Een grotere betrokkenheid
van de kunstpraktijk bij de verbetering van de aansluiting is
van grote betekenis. In de komende maanden zal ik een aantal ronde-tafelgesprekken
organiseren met vertegenwoordigers uit de kunstpraktijk teneinde de inventarisatie
van feiten en cijfers aan te vullen met relevante arbeidsmarktindicaties.
De gekozen aanpak biedt daartoe de ruimte en maakt het mogelijk om op een
verantwoorde wijze de aansluiting op de kunstpraktijk te optimaliseren, waarbij
tevens een financiële opbrengst wordt geleverd. </al>
      <tuskop letat="vet">2e fase muziekvakonderwijs</tuskop>
      <al>Over de toekenning van de tweede fase van het muziekvakonderwijs zijn
medio 1994 enkele principe-afspraken gemaakt. Amsterdam en Den Haag krijgen
een brede 2e fase van 150 studenten, en vier andere (clusters van samenwerkende)
instellingen, te weten Rotterdam, Utrecht, Oost-Nederland en Zuid-Nederland,
onder de voorwaarde van een nadere kwaliteitstoets, een tweede fase van 90
studenten. Deze opleidingen zouden in september 1998 van start gaan. Deze
toets is nu aan de orde. Deze afspraken zullen door mij bij positieve beoordeling
van de kwaliteit van de plannen en de potentie van de betrokken instellingen
gestand worden gedaan. De betrokken instellingen zijn inmiddels gevorderd
met hun planvorming. Ik ontvang signalen dat de instellingen problemen ondervinden
bij de voorbereidingen van de tweede-faseplannen. Deze stellen mij allerminst
gerust.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Na het algemeen overleg met de Kamer zal ik nog in de maand september
de beoogde kwaliteitstoets starten. Met het oog op een zo goed mogelijke afstemming
tussen de opleidingen en de muziekpraktijk, zal ik de Raad voor Cultuur vragen
deze toetsing te verrichten, waarbij recht wordt gedaan aan gebleken verschillen
in profilering tussen deze instellingen. Komend voorjaar zal dat moeten leiden
tot besluitvorming in het kader van de wettelijke registratie-procedure. Feitelijke
invoering kan dan per september 1998 volgens plan plaatsvinden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mocht deze toets negatief uitvallen dan ben ik genoodzaakt een alternatief
voorstel uit te werken. Ik denk daarbij aan het volgende model. Op twee plaatsen
wordt een geconcentreerde tweede fase muziek gevestigd met een meer landelijke
functie. De eerste fase opleidingen krijgen meer ruimte en zijn dan eindopleiding.
Dit model maakt het mogelijk om de opleiding voor excellente muziekstudenten
sterker te concentreren en het komt tevens tegemoet aan het bezwaar dat veel
muziekopleidingen een ononderbroken studie van meer dan vier jaar vergen.
Nader moet worden uitgewerkt welke betekenis deze tweede fase dan zou kunnen
hebben voor excellente afgestudeerden van de eindopleidingen elders. In dit
licht zou kunnen worden bezien of het samenwerkingsmodel dat door de conservatoria
te Den Haag en Groningen wordt uitgewerkt bredere navolging verdient. </al>
      <tuskop letat="vet">Overleg 2e fase kunstonderwijs</tuskop>
      <al>Het overleg over de tweede fase kunstonderwijs – met uitzondering
dus voor de sector muziek – is in eerste instantie afgerond. Onder de
oude afspraken zouden de nieuwe structuur en de inhoud van de verschillende
voorzieningen omstreeks 1998 worden geëvalueerd. Voor de bouwkunstopleidingen
was een eerdere evaluatie voorzien. De concrete opzet van de verschillende
tweede fase opleidingen ging niet zonder slag of stoot. Met name de relatie
met reeds bestaande soortgelijke voorzieningen en de noodzakelijke betrokkenheid
van de kunstpraktijk kent problematische kanten. Mij is gebleken dat een vroegere
brede evaluatie zeer wenselijk is. Door de betrokken opleidingen is daarom
ook gevraagd, gelet op enkele randvoorwaarden als de studiefinanciering. Ik
stel mij voor deze evaluatie te koppelen aan de voorgenomen nadere
analyses, waarbij ook de capaciteit meer in samenhang met zowel de eerste
fase als de reeds bestaande andere voorzieningen, zoals de Rijksacademie en
de Jan van Eyck Academie, opnieuw wordt bezien. </al>
      <tuskop letat="vet">Verdere procedure</tuskop>
      <al>In de voortgangsrapportage en deze brief zijn de elementen aangegeven
voor de verder ontwikkeling van het kunstvakonderwijs.</al>
      <al>Zo spoedig mogelijk na het algemeen overleg van 5 september zal er met
de betrokken instellingen bestuurlijk overleg worden gevoerd over de verdere
uitwerking. In dat gesprek zullen afspraken worden gemaakt over de inventarisatie
van beschikbare en nog benodigde gegevens en zal nader onderzoek worden geëntameerd.
Ook zullen afspraken worden gemaakt over de vervroeging van de evaluatie van
het huidige bekostigingsarrangement voor het kunstvakonderwijs.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarnaast zal ik een aantal ronde-tafelgesprekken organiseren met vertegenwoordigers
uit de kunstpraktijk teneinde de inventarisatie van feiten en cijfers aan
te vullen met relevante arbeidsmarktindicaties.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Kunstonderwijs is – ook institutioneel – ingebed in het hbo.
Dat betekent dat het voorgestelde reorganisatietraject voor het kunstonderwijs
niet op zichzelf staat. Er zijn relaties met lopende trajecten. Deze relaties
zullen nauwkeurig in kaart gebracht moeten worden om ongewenste interferenties
te voorkomen. Genoemd zijn reeds de raakvlakken met de hbo-brede inventarisatie
en regulering van voorgestructureerde samengestelde programma's en de relatie
met het lopende traject voor de vitalisering van lerarenopleidingen in het
algemeen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Recent is het visitatierapport Expressie door woord en gebaar uitgebracht.
Dit zal in relatie met de visitatie van de dramaopleidingen en de nog uit
te voeren evaluatie van de experimentele theateropleiding te Utrecht van belang
zijn bij de verdere ontwikkeling van deze deelsector. Medio september zal
het visitatierapport Beeldende kunst verschijnen. Ook het visitatietraject
Dans vraagt nog om bestuurlijke aandacht.</al>
      <al>Met de HBO-raad zullen afspraken gemaakt moeten worden hoe met deze resultaten
om te gaan gelet op eigen doelstellingen van visitaties in het kader van het
stelsel van kwaliteitszorg.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bovengenoemde stappen monden uit in een implementatieplan voor het eind
van dit jaar. In elk geval zal de aanpak van de pseudo-opleidingen daarin
concreet zijn uitgewerkt, inclusief de consequenties voor de bekostiging (mede
op basis van de voorstellen van de commissie Koppelaars, eind oktober). Vervolgacties
voor de lange-termijnmaat- regelen zullen in dit plan worden uitgewerkt en
in de tijd uitgezet. Tenslotte zal in dit plan de koppeling van de aangegeven
maatregelen met de gestelde besparingen voor de korte termijn (1998/1999)
en voor de langere termijn (2000/2001) worden aangegeven en zal worden ingegaan
op de concrete aanpassingen voor de regelgeving om deze taakstelling te realiseren.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,</functie>
        <naam>A. Nuis </naam>
      </ondtek>
      <bijlage>
        <titel>BIJLAGE</titel>
        <al>'s-Gravenhage, 27 juni 1996 </al>
        <witreg></witreg>
        <al>Aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,  de heer
Nuis</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De leden van de vaste commissie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief d.d. 14 juni 1996 inzake <nadruk type="vet">het kunstvakonderwijs.</nadruk></al>
        <witreg></witreg>
        <al>De commissie heeft besloten hierover met u een overleg te voeren en verzoekt
u tot die tijd geen onomkeerbare stappen te ondernemen.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Daarnaast wenst de commissie tijdig uw voorstellen te ontvangen inzake <nadruk type="vet">de tweede fase muziekvakonderwijs</nadruk> zodat deze voorstellen eveneens bij
het voorgenomen algemeen overleg betrokken kunnen worden.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,</al>
        <al>Roovers </al>
      </bijlage>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>