﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24556-21-h1/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1995-1996</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>6K2995</ordernr>
    <vergjaar>1995-1996</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>24 556</nummer>
      <naam>Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 1996</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>21 HERDRUK<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref></nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoetermeer,  <datum>10 juli 1996</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>In vervolg op mijn brief van 18 juni 1996 (24 556, nr. 20) informeer
ik u hierbij, mede namens mijn ambtgenoot van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
over de beslissingen die ik heb genomen inzake de toekenningen van de door
de instellingen ingediende projektvoorstellen voor het studeerbaarheidsfonds.
Tevens stuur ik u hierbij het rapport van de commissie Beoordeling Projectvoorstellen
studeerbaarheid en de advisering van de inspectie inzake de kwaliteitsmanagementplannen.<voetref refid="v1.2" nr="2"></voetref></al>
      <al>Ik kom daarmee mijn toezegging na om omstreeks 1 juli Uw Kamer te informeren
over de vervolg-procedure in het proces ter verbetering van de kwaliteit en
studeerbaarheid in het hoger onderwijs.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In deze brief geef ik u een algemene impressie over het oordeel dat ik
heb over de ingediende projektvoorstellen en de advisering van de tijdelijke
adviescommissie Beoordeling Projectvoorstellen Studeerbaarheidsfonds. Tevens
zal ik u toelichten via welke stappen ik tot een beoordeling en toekenning
ben gekomen van de ingediende projektvoorstellen. Hierbij ga ik specifiek
in op de toekenning van de middelen voor de landelijke prioriteit lerarenopleidingen.
Tenslotte geef ik u aan op welke wijze het proces ter verbetering van de kwaliteit
en studeerbaarheid zal worden voortgezet. </al>
      <tuskop letat="vet">1. Algemene impressie</tuskop>
      <al>Zoals ik u in mijn brief van 18 juni meedeelde, hebben alle universiteiten
en hogescholen kwaliteitsmanagementplannen en projectvoorstellen ingediend.
Op 28 juni 1996, precies een jaar nadat de stuurgroep Kwaliteit en Studeerbaarheid
haar rapport vaststelde, stelde de tijdelijke advies commissie Beoordeling
Projectvoorstellen Studeerbaarheid haar beoordeling van de ingediende projektvoorstellen
vast.</al>
      <al>Het rapport van de commissie bevestigt mijn indruk dat er in een jaar
tijd een goede impuls is gegeven aan de verbetering van de kwaliteit en studeerbaarheid
in het hoger onderwijs. Het feit dat veel projecten een meerjarig
karakter hebben en het relatief hoge percentage van goedgekeurde projecten
sterken mij in de opvatting die ik eerder in Uw Kamer uitsprak, namelijk dat
de instellingen op decentraal niveau klaar staan om concreet invulling te
geven aan de verbetering van de kwaliteit en de studeerbaarheid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het advies van de commissie is voorgesteld om bijna 80% van de voorstellen
in het Hoger beroepsonderwijs te honoreren en iets meer dan 73% van de voorstellen
in het Wetenschappelijk Onderwijs. De commissie spreekt in haar rapport van
een grote diversiteit in aanpak, zowel wat betreft de inhoud van de voorstellen,
de wijze van aanpak als de manier waarop men de inspraak van studenten en
personeel heeft georganiseerd. Dit past naar mijn mening bij de beoogde variëteit
en diversiteit in het hoger onderwijs. Tevens geeft de beoordeling van de
commissie aan dat het proces van kwaliteit en studeerbaarheid gelukkig niet –
zoals door sommigen werd gevreesd – is geëindigd in centralisatie,
uniformering en bureaucratisering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De beoordeling van de commissie is een kritische. Niet alle voorstellen
van de instellingen zijn als positief aangemerkt. Ruim 20% van de voorstellen
in het hoger beroepsonderwijs en zo'n 27% van de voorstellen in het wetenschappelijk
onderwijs zijn niet goedgekeurd. De commissie heeft hierbij veelal voor de
formulering gekozen: «geen oordeel». Ik heb respect voor deze
formulering omdat het uitdrukking geeft aan de mening van de commissie dat
we met definitieve afwijzingen instellingen niet vooruit helpen. Ik deel deze
mening van de commissie van harte. In haar beoordeling heeft de commissie
dan ook terecht suggesties aangereikt hoe de verbeteringen vorm kunnen krijgen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In mijn beslissing over de projectvoorstellen heb ik in grote lijnen het
advies van de commissie kunnen volgen. Dit betekent dat er in een omvang van
240 miljoen gulden te besteden is door de instellingen aan verbetertrajecten
kwaliteit en studeerbaarheid. Dit zijn de middelen waarmee de instellingen
de komende jaren de aktiviteiten kunnen opzetten. Voor dit jaar stel ik een
bedrag van 66 miljoen beschikbaar. Hoewel in de oorspronkelijke financiële
reeksen – zichtbaar bij de begroting van 1996 – pas geld beschikbaar
zou zijn in het jaar 1998, tot en met 2000, ben ik in staat om de instellingen
in de gelegenheid te stellen nu reeds een aanvang te maken met de uitvoering
van de goedgekeurde projecten. Bij de verdeling van de 66 miljoen heb ik als
verdeelsleutel het relatieve aandeel in de 240 miljoen gehanteerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De commissie is positief over de wijze waarop de instellingen zijn omgegaan
met de landelijke prioriteiten zoals ik die in het HOOP heb geformuleerd en
de criteria die door het ISO in dat verband zijn aangereikt. De commissie
stelt dit ook ten aanzien van de voorstellen inzake de vernieuwing van de
lerarenopleidingen. Zij stelt daarnaast echter vast dat sommige projectvoorstellen
in het kader van de aanpak van het procesmanagement lerarenopleidingen waren
geplaatst en dus nog niet volledig uitgewerkt kunnen zijn, omdat het plan
van aanpak van het procesmanagement pas op 22 juli a.s. verschijnt. In Uw
Kamer heb ik uitgebreid gesproken over het belang van het plan van aanpak
van dit procesmanagement. Onder punt 2.c. van deze brief licht ik u derhalve
toe waarom ik heb gemeend om op het punt van de landelijke prioriteit lerarenopleidingen
een afwijkende procedure te moeten volgen.  </al>
      <tuskop letat="vet">2. Toekenning projekten</tuskop>
      <al>Ik heb de instellingen op 5 juli jl. per brief geïnformeerd over
de projekten die zij als gehonoreerd mogen beschouwen. In deze brief heb ik
aangegeven waar ik het advies van de commissie heb gevolgd en in welke gevallen
ik hier vanaf ben geweken. Dit laatste heb ik gemotiveerd toegelicht in de
bijlage met het overzicht van de ingediende projektvoorstellen. Zoals ik u
hierboven meedeelde, heb ik het advies van de commissie in het merendeel van
de gevallen overgenomen. In deze brief heb ik de instellingen ook aangegeven
wat hun exacte zogenaamde intentionele deel is (dat wil zeggen het deel waar
de instellingen recht op hebben op basis van de studentenaantallen, vastgesteld
bij de procedurebrief van 23 februari jl. Tenslotte staan in de brief de middelen
vermeld die de instellingen dit jaar nog ter beschikking krijgen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik wil u gaarne toelichten op welke wijze en in welke volgorde ik tot
mijn beoordeling ben gekomen. Zoals ik ook bij de behandeling van het wetsvoorstel
Kwaliteit en studeerbaarheid in de Eerste Kamer heb toegelicht, zijn de volgende
stappen gehanteerd:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>a: beoordeling van het kwaliteitsmanagementplan door de inspectie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals u bekend heeft de inspectie mij geadviseerd over de kwaliteitsmanagementplannen
en heb ik besloten op basis van dit advies bij die instellingen die in de
ogen van de inspectie nog geen adequaat plan hebben, vooralsnog niet over
te gaan tot honorering van de projectvoorstellen. Een toelichting hierop heb
ik gegeven in mijn brief aan Uw Kamer van 18 juni jl. Deze instellingen heb
ik in de gelegenheid gesteld om voor 15 september – op aanwijzing van
de inspectie – een aanvulling op het kwaliteitsmanagementplan in te
dienen, met de volgende formulering in een brief aan de betreffende instellingen:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>«Op 7 juni 1996 heeft de inspectie mij haar rapportage over de kwaliteitsmanagementplannen
doen toekomen. Bij uw hogeschool/universiteit is de inspectie tot het oordeel
gekomen, dat uw plan op essentiële punten niet voldoet aan de criteria
(het «format») die in het rapport van de Stuurgroep Kwaliteit
en Studeerbaarheid zijn opgenomen. Dit oordeel betekent dat de inspectie meent
dat het kwaliteitsmanagementplan niet past binnen de definitie daarvan die
in de stuurgroep weloverwogen is overeengekomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Stuurgroep is afgesproken dat de aanwezigheid van een kwaliteitsmanagementplan –
in de definitie van haar rapport – een noodzakelijke voorwaarde is om
tot honorering van de projectvoorstellen over te gaan. Die afspraak is later
in het overleg met universiteiten, hogescholen en studentenorganisaties (in
de HO-Kamer respectievelijk Studentenkamer) herbevestigd en tevens opgenomen
in de «procedurebrief» van 23 februari 1996.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Als algemene lijn hanteer ik, dat niet eerder tot uitkering van middelen
uit het studeerbaarheidsfonds zal worden overgegaan, dan nadat de desbetreffende
universiteit of hogeschool door middel van een aanpassing van het kwaliteitsmanagementplan
aan de punten van kritiek naar het (hernieuwde) oordeel van de inspectie tegemoet
is gekomen. Met andere woorden: de beslissing over de toewijzing van middelen
zal tot dat moment worden opgeschort.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik wil u in de gelegenheid stellen reeds nu uw plannen aan te passen en
u niet laten wachten tot de tweede ronde van het studeerbaarheidsfonds in
1997. Daarmee volg ik het advies van de inspectie ter zake. Ik acht dit reëel, omdat u dan in staat bent een begin te maken met het uitvoeren
van de projectvoorstellen ter versterking van de kwaliteit en studeerbaarheid.</al>
      <al>Concreet wil ik u in de gelegenheid stellen mij uw aanpassingen voor 15 september
1996 aan te bieden. Na deze datum is afhandeling in het kader van de eerste
ronde van het studeerbaarheidsfonds niet meer mogelijk. Die aanvulling op
het kwaliteitsmanagementplan, waarbij de procedures ten aanzien van de betrokkenheid
van personeel en studenten in acht moeten worden genomen, zoals geformuleerd
in het rapport van de Stuurgroep Kwaliteit en Studeerbaarheid, zal vervolgens
door de inspectie worden beoordeeld met hetzelfde referentiekader als bij
de eerste beoordeling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uiteraard is het aan u om te bezien of de gewenste aanpassing binnen het
geschetste tijdsbestek op de voorgeschreven wijze kan worden gerealiseerd.
Indien u van oordeel bent, dat dit voor u niet haalbaar is, kan er uiteraard
geen sprake zijn van een toewijzing van middelen uit het studeerbaarheidsfonds
in 1996.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In samenhang met de advisering van de commissie-Wijnen betekent dit, dat
de intentioneel toebedeelde middelen voor uw instelling zullen worden gereserveerd,
maar nog niet zullen worden uitgekeerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tevens is aan deze instellingen gemeld hoe ik met de adviezen van de commissie
om zal gaan in afwachting van een door de inspectie van een positief oordeel
voorzien kwaliteitsmanagementplan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals ik u in mijn brief van 18 juni meedeelde, is de inspectie bij drie
universiteiten en negen hogescholen tot het oordeel gekomen dat de plannen
op essentiële punten niet voldoen aan het criteria (het format) die in
het rapport van de commissie kwaliteit en studeerbaarheid zijn opgenomen.
Eveneens heb ik u meegedeeld dat het oordeel van de inspectie evenwel niets
zegt over de actuele kwaliteit van het onderwijs of over de inzet die verder
te verbeteren. Het is ook zeker niet zo dat een als onvoldoende beoordeeld
plan geen waardevolle voorstellen kan bevatten. De inspectie geeft van geval
tot geval voorbeelden van het tegendeel. Daarom is het mogelijk dat de instellingen
in relatief korte tijd, inclusief de zomermaanden, met een aangepast, verbeterd
kwaliteitsmanagementplan kunnen komen. Ik hanteer bij deze zogenaamde «tussentranche»
dezelfde procedure, dus inclusief de inspraak van studenten en docenten, als
bij de indiening van de kwaliteitsmanagementplannen voor 1 april jl. Vrijwel
alle dit betreffende instellingen hebben inmiddels laten weten met aanpassingen
te zullen komen. Uiteraard is het zo dat indien een instelling geen aanvulling
op het afgekeurde kwaliteitsmanagementplan levert, dan wel dat deze nogmaals
door de inspectie negatief wordt beoordeeld, er deze ronde geen middelen uit
het studeerbaarheidsfonds aan deze instelling zal worden toegekend.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>b: het oordeel van de commissie-Wijnen</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In mijn beoordeling heb ik in het merendeel van de gevallen de commissie
gevolgd. Dit houdt in dat indien de commissie een negatief oordeel heeft over
een van de ingediende projekten dit leidde tot afwijzing van de middelen voor
het betreffende project.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een positief oordeel van de commissie leidde in principe tot een positieve
beoordeling en toekenning van de aangevraagde middelen. Hierbij heeft een
precisering c.q. nadere beoordeling plaats gevonden op grond van de volgende
vragen: </al>
      <witreg></witreg>
      <al>– is er sprake van overschrijding van het zogenaamde intentionele
deel. Indien dit het geval is dan is de betreffende instelling gevraagd om
een prioritering aan te brengen dan wel te laten weten of zij eigen middelen
zal toevoegen. Ze dient dit voor 15 september a.s. mee te delen. De betreffende
instellingen treffen in de brief de volgende passage aan:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>«Omdat het totaal van de gevraagde middelen voor de in de bijlage
genoemde projecten het voor uw instelling vastgestelde intentionele bedrag
overschrijdt, wordt u het intentioneel budget beschikbaar gesteld.</al>
      <al>Ik verzoek u:</al>
      <al>– ofwel in de bovenstaande projecten een prioritering aan te brengen, </al>
      <al>– ofwel – onder handhaving van alle bovenstaande projecten –
de eigen bijdrage van uw instelling te verhogen zodanig dat uw resterende
beroep op het studeerbaarheidsfonds uw intentioneel budget niet overschrijdt.</al>
      <al>Ik verzoek u mij daarover uiterlijk 15 september 1996 te informeren.»</al>
      <witreg></witreg>
      <al>– zijn er formele gronden voor het niet toekennen van middelen,
bijvoorbeeld te late indiening of een onhanteerbare begroting. In deze gevallen
heeft geen toewijzing van middelen plaats gevonden, dan wel is gevraagd om
nadere toelichting, dan wel is sprake van opschorting. Hierover is geen passage
in de brief opgenomen, maar wordt daar in de bijlage met de toelichting per
projectvoorstel bij het betreffendeprojectvoorstel om verzocht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>c: afwijkende procedure inzake de projecten lerarenopleidingen</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uw Kamer weet dat ik zeer grote waarde hecht aan de prioriteit van de
lerarenopleidingen, waarbij ik als referentiekader de nota Vitale lerarenopleiding
hanteer. Op basis hiervan stelt het procesmanagement lerarenopleidingen thans
een plan van aanpak op. Mede naar aanleiding van de eerder vermelde opmerking
van de commissie ten aanzien van de ontbrekende afstemming op dit plan van
aanpak van de ingediende projectvoorstellen, heb ik gemeend dat het op dit
moment nog niet verstandig is om de goedgekeurde projectplannen ten aanzien
van de lerarenopleidingen volledig te honoreren. Het is voor de verdere ontwikkeling
van de landelijke aanpak lerarenopleiding – met ook door Uw Kamer erkende
elementen als het gezamelijk te ontwikkelen curriculum, de regionale samenwerking
van de lerarenopleiding, de professionalisering van de docenten en de samenwerking
bij de invoering van de informatietechnologie – noodzakelijk middelen
te reserveren. Uit het studeerbaarheidsfonds reserveer ik hiervoor 58 miljoen.
Dit is het intentionele deelbudget voor de lerarenopleidingen op basis van
de studentenaantallen. Tevens wijk ik, zoals ik hierboven heb aangegeven,
in de procedure van de toewijzing van de goedgekeurde projecten lerarenopleidingen
af van de procedure voor de overige projecten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Immers pas na het verschijnen van het plan van aanpak van het procesmanagement
op 22 juli a.s evenals pas na de publicatie van het definitieve rapport van
de internationale adviescommissie COMMITT over de invoering van de informatietechnologie
binnen de lerarenopleidingen in november 1996, kunnen de instellingen met
afgestemde projectvoorstellen komen. Ik honoreer daarom niet alle ingediende
en goedgekeurde projecten maar reserveer een deel van deze middelen opdat
aanpassing aan het plan van aanpak kan plaats vinden.</al>
      <al>Anderzijds heb ik de start van de aktiviteiten van de instellingen met
goedgekeurde projectplannen niet willen belemmeren. Vanwege dit laatste punt
heb ik er voor gekozen dat deel van de middelen toe te kennen voor de lerarenopleidingen
dat past binnen het in dit begrotingsjaar beschikbare bedrag van 66 miljoen.
Hiermee stel ik een bedrag ter beschikking van 6.9 miljoen voor de lerarenopleidingen.
De overige middelen van 51,1 miljoen heb ik gereserveerd voor
de tweede en derde tranche. In de brief aan de hogescholen met een lerarenopleiding
heb ik gemeld dat ik er vanuit ga dat zij hun intentionele deelbudget aan
de lerarenopleiding daadwerkelijk zullen besteden. Een voorbeeld van de uitgebreide
passage over de lerarenopleidingen zoals die in de betreffende brieven is
opgenomen is als bijlage bij deze brief gevoegd.<voetref refid="v6.1" nr="1"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>d. ICT: landelijke afstemming</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het ontwerp-HOOP 1996 heb ik in het landelijk kader voor het studeerbaarheidsfonds
als prioriteit voor het wetenschappelijk onderwijs de informatietechnologie
aangemerkt. Daarbij heb ik opgemerkt dat in het hoger onderwijs steeds intensiever
gebruik zal worden gemaakt van nieuwe veelal interactieve media als middel
in het onderwijsproces. In het rapport van de Stuurgroep Kwaliteit en Studeerbaarheid
is voor dit onderwerp aandacht gevraagd.</al>
      <al>Uit de projectvoorstellen blijkt dat universiteiten regelmatig ingaan
op de mogelijkheden om het onderwijs verder te innoveren via informatie en
communicatietechnologie. Bij de toewijzingen in dit kader heb ik de universiteiten
verzocht na te gaan of hierbij projecten zijn met een potentieel landelijke
uitstraling, waarbij afstemming met soortgelijke projecten van andere instellingen
mogelijk is. Ik heb de universiteiten verzocht hierover in de verslaglegging
te rapporteren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>e. overige punten</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de brief aan de instellingen heb ik tenslotte aandacht gegeven aan:</al>
      <al>– een toelichting op de subsidievoorwaarden waarin de noodzaak van
een goede evaluatie wordt benadrukt. U treft de subsidie voorwaarden als bijlage
aan;</al>
      <al>– de domeinuitspraken. In haar advies heeft de commissie aangegeven
op welke onderdelen zij projectvoorstellen buiten de reikwijdte van het studeerbaarheidsfonds
vindt vallen. Deze onderdelen betreffen vooral aanvragen op het gebied van
materiële en facilitaire investeringen. Ik heb het advies van de commissie
op deze punten gevolgd. In de volgende ronde zal ik opnieuw bezien hoe ik
met deze projectaanvragen zal omgaan.</al>
      <al>– de looptijd van de projekten, waarbij ik de termijn van de beschikbaarheid
van het studeerbaarheidsfonds heb gehanteerd. Als bijlage heeft elke instelling
een overzicht van de goedgekeurde projektvoorstellen ontvangen. </al>
      <tuskop letat="vet">3. Vervolg-procedure</tuskop>
      <al>Ik ben de tijdelijke adviescommissie zeer erkentelijk voor haar rapport.
De samenstelling van de commissie stond garant voor verschillende invalshoeken
wat blijkt uit enerzijds de eenstemmigheid van de commissie en anderzijds
de nuances die zijn aangebracht.</al>
      <al>Met de toekenning van de middelen voor deze eerste tranche is een eerste
belangrijke stap gezet in het proces ter verbetering van de kwaliteit en studeerbaarheid.
Met de indiening van projektvoorstellen voor de tweede en derde tranche, waarvoor
dezelfde cyclus zal worden gevolgd, zal hieraan in 1997 een vervolg worden
gegeven. Het «echte werk» zal uiteraard plaats vinden binnen de
instellingen, die naar mijn stellige overtuiging hieraan zeer gemotiveerd
uitvoering zullen blijven geven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met de inzet van zeer velen – studenten, instellingen, inspectie,
de tijdelijke adviescommissie, VSNU en HBO-raad en anderen – is het
mogelijk gebleken een praktische vertaling te geven aan het regeerakkoord
met betrekking tot het hoger onderwijs. De basis van de kwaliteitsslag
zal uiteraard blijvend gevonden moeten worden binnen de beschikbare middelen
voor de lump-sum. Maar mijn overtuiging is dat de middelen uit het studeerbaarheidsfonds
op dit moment een noodzakelijke extra impuls zijn om deze kwaliteitsslag concreet
te kunnen invullen. Het gaat mij daarbij vooral om de verwachting die ik heb
over de te bereiken output in termen van kansen en van het benutten van talenten.
Uiteraard zal ik uw kamer gaarne blijven informeren over de vorderingen van
verbetering van de kwaliteit en studeerbaarheid in het hoger onderwijs. Ik
zal dat doen naar aanleiding van de macro-rapportage die de inspectie uitbrengt
in augustus 1996 waarin zij in algemene termen spreekt over de verbetering
van de kwaliteit en de studeerbaarheid. Deze rapportage zal verschijnen in
de begroting 1997 aangevuld met informatie over de aard en de inhoud van de
gehonoreerde verbeteringsplannen. In deze begroting is tevens de collegegeldverhoging
tranche 1997 opgenomen. Uiteraard spreek ik hierover met Uw Kamer tijdens
de behandeling van de onderwijsbegroting 1997. Ik meen u met het bovenstaande
in lijn met mijn toezeggingen in Uw Kamer geïnformeerd te hebben. </al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,</functie>
        <naam>J. M. M. Ritzen </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>I.v.m. alsnog ter inzage leggen van een bijlage.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.2" nr="2">
    <al>Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v6.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>