﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24556-20/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1995-1996</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>6K2094</ordernr>
    <vergjaar>1995-1996</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>24 556</nummer>
      <naam>Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 1996</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>20</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoetermeer,  <datum>18 juni 1996</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door middel van deze brief wil ik u, mede namens mijn ambtgenoot van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij, informeren over de stand van zaken bij het proces
van kwaliteit en studeerbaarheid in het hoger onderwijs. Ik kom daarmee de
toezegging na die ik bij diverse gelegenheden heb gedaan, laatstelijk tijdens
het plenaire debat over het wetsvoorstel Kwaliteit en Studeerbaarheid (Kamerstukken
II, 1995–1996, 24 619), om omstreeks 15 juni 1996 uw Kamer een
rapportage aan te bieden met mijn algemene indruk van de door de universiteiten
en hogescholen ingediende kwaliteitsmanagementplannen en projectvoorstellen
voor het studeerbaarheidsfonds. </al>
      <tuskop letat="vet">1. Procedure tot nu toe</tuskop>
      <al>Alle universiteiten en hogescholen hebben kwaliteitsmanagementplannen
en projectvoorstellen ingediend. Ik wil die constatering graag vergezeld laten
gaan van mijn waardering voor deze instellingen, omdat zij er met een aanzienlijke
krachtsinspanning in zijn geslaagd binnen korte tijd documenten op te stellen,
waarin een beeld wordt geschetst van de stand van zaken bij de kwaliteit van
het onderwijs en waarin een perspectief wordt geboden op de verdere verbetering
daarvan. Verderop in deze brief zal ik ingaan op de aard van de plannen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 1 april 1996 moesten de kwaliteitsmanagementplannen en projectvoorstellen
bij mij worden ingediend. Kort vóór die datum was slechts een
deel van de documenten ontvangen en hadden enkele universiteiten en hogescholen
om uitstel gevraagd. Die situatie heeft er begin april van dit jaar toe geleid,
dat ik in een brief aan universiteiten en hogescholen waarvan nog niets was
vernomen er op heb aangedrongen mij de gevraagde documenten uiterlijk 15 april
te doen toekomen. Instellingen die al om uitstel hadden gevraagd, hebben dat
gekregen, zij het dat op 1 mei in ieder geval de documenten bij mij moesten
zijn ingediend. Alle instellingen hebben hieraan voldaan. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de «procedurebrief» van 23 februari 1996, die als bijlage
bij de Nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Kwaliteit
en Studeerbaarheid is gevoegd<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref> , is de universiteiten
en hogescholen in aansluiting op het rapport van de stuurgroep meegedeeld,
dat zij elk intentioneel aanspraak kunnen maken op een deel van het studeerbaarheidsfonds,
dat wordt bepaald door de studentenaantallen op een bepaalde peildatum. Bij
een eerste analyse van de projectvoorstellen op mijn departement is gebleken,
dat bij een aantal instellingen zich de situatie voordoet, dat het totaal
van de middelen die benodigd zijn voor de projectvoorstellen het intentioneel
deel van die instelling overschrijdt. Soms is er sprake van een overschrijding
zonder meer. In een aantal andere gevallen blijkt dat de instellingen uit
eigen middelen, bijvoorbeeld een «centrale beleidsreserve», een
bijdrage willen leveren in het bestrijden van de kosten van de projecten,
maar dan is niet altijd duidelijk tot welk bedrag zij feitelijk een beroep
willen doen op het studeerbaarheidsfonds. Omdat vanaf het begin van het proces
van kwaliteit en studeerbaarheid het uitdrukkelijk de bedoeling is geweest
dat het resultaat van de projecten moet worden verantwoord tegen de achtergrond
van de toewijzing van overheidsgelden, heb ik zes universiteiten en 20 hogescholen
in de loop van de maand mei er in een brief op geattendeerd, dat ik mijn beslissing
op de projectvoorstellen mogelijk vergezeld zal laten gaan van het verzoek
een specificatie op te stellen, op basis waarvan tot toewijzing van middelen
kan worden overgegaan. Uit die specificatie zal dus moeten blijken op welke
manier zij de «overschrijding» ongedaan willen maken. Dat kan
doordat de desbetreffende instellingen alsnog tot een prioriteitstelling voor
het studeerbaarheidsfonds overgaan, of door aan te geven tot welk bedrag zij
uit eigen middelen willen bijdragen bij elk van de ingediende projecten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 7 juni jl. heeft de inspectie mij vertrouwelijk haar rapportage over
de kwaliteitsmanagementplannen doen toekomen. Bij drie universiteiten en acht
hogescholen is de inspectie tot het oordeel gekomen, dat de plannen op essentiële
punten niet voldoen aan de criteria (het «format») die in het
rapport van de Stuurgroep Kwaliteit en Studeerbaarheid zijn opgenomen. Bij
één hogeschool is er in feite naar het oordeel van de inspectie
geen sprake van een kwaliteitsmanagementplan. Tegelijk met het vertrouwelijk
uitbrengen van die rapportage aan mij heeft de inspectie de in het geding
zijnde universiteiten en hogescholen rechtstreeks benaderd.</al>
      <al>Bij elk van de afzonderlijke beoordelingen doet de inspectie ook de uitspraak
dat in de plannen positieve elementen zijn aangetroffen, waarvan de uitvoering
zeker de kwaliteit van de betrokken opleidingen kan verbeteren. In alle gevallen
heeft zij mij in overweging gegeven die instellingen in de gelegenheid te
stellen het kwaliteitsmanagementplan bij te stellen. Hoe ik hiermee overweeg
om te gaan, zal ik verderop in deze brief aangeven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De tweede belangrijke advieslijn loopt via de tijdelijke adviescommissie
«Beoordeling projectvoorstellen studeerbaarheidsfonds» onder voorzitterschap
van professor dr W.H.F.W. Wijnen. Tijdens het debat met uw Kamer over het
wetsvoorstel Kwaliteit en Studeerbaarheid op 29 mei jl. heb ik u laten weten,
dat mij dit advies omstreeks 15 juni zou bereiken. Ik verwacht het advies
binnenkort te ontvangen en zal het vervolgens betrekken in mijn oordeelsvorming
over de afzonderlijke projectvoorstellen. Uit de taakopdracht voor de commissie,
opgenomen in de instellingsbeschikking die ook als bijlage bij de Nota naar
aanleiding van het verslag bij meergenoemd wetsvoorstel is gevoegd, blijkt
dat zij de voorstellen primair beoordeelt naar de mate waarin het voldoet
aan de criteria in het rapport van de Stuurgroep Kwaliteit en Studeerbaarheid
(paragraaf 4.3). Zij zal de voorstellen tevens beoordelen tegen de achtergrond
van de kwaliteitsmanagementplannen en de daarin opgenomen diagnose
en prioriteitstelling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De commissie zal haar advies later dan de oorspronkelijk voorziene datum
van 1 juni uitbrengen. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat zij pas in
de loop van de maand april feitelijk met haar werkzaamheden kon beginnen.
Desondanks streef ik er naar mijn beslissingen omstreeks 1 juli 1996 te nemen. </al>
      <tuskop letat="vet">2. Inhoud van de kwaliteitsmanagementplannen en projectvoorstellen </tuskop>
      <al>Uitgangspunt van het rapport Kwaliteit en Studeerbaarheid is dat planvorming
ter verbetering van kwaliteit en studeerbaarheid primair moet plaatsvinden
op het instellingsniveau. Het instellingsniveau vormt immers het bestuurlijke
raamwerk waar, rekening houdend met de specifieke situatie binnen de instelling,
afwegingen worden gemaakt en prioriteiten worden gesteld over de versterking
van kwaliteit en studeerbaarheid. Hierdoor is voorkomen dat vanuit landelijk
niveau een te grote eenvormigheid is opgelegd aan de instellingen in de planvorming.
Dit wordt ook weerspiegeld in de ingediende plannen die elk een instellingsspecifiek
karakter hebben en uiteenlopen naar vorm en inhoudelijke aandachtsgebieden.
Elke instelling komt op basis van de analyse van het functioneren van de instelling
tot eigen keuzen om gesignaleerde knelpunten op te lossen. Essentieel is de
selectieve inzet van de middelen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit komt ook tot uiting in de looptijd van de ingediende projectvoorstellen.
Sommige projectvoorstellen richten zich op de meer korte termijn, andere hebben
een relatief lange looptijd (1996–1998). In de nu ingediende projectvoorstellen
ligt een zwaartepunt op langer lopende projecten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hoewel de plannen van universiteiten en hogescholen zoals gezegd ook naar
de inhoud uiteenlopen is wel een globaal beeld te geven van de aandachtsvelden
die in de plannen aan de orde komen. De commissie Wijnen zal in haar rapport
een nader beeld schetsen van de inhoud van de projectvoorstellen en de aantallen
projecten die zich op de diverse aandachtsgebieden richten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Veel projecten richten zich op het studeerbaar maken van het gehele onderwijsprogramma
of van onderdelen daarvan. Het gaat dan bijvoorbeeld om het uitwerken van
nieuwe onderwijsvormen en de onderwijsorganisatie. Ook het verbeteren van
aansluiting en afstemming van vakken en het vergroten van samenhang in het
onderwijsprogramma wordt bij veel projecten teruggevonden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wat opvalt is, dat de instellingen relatief veel aandacht besteden aan
de versterking van de informatietechnologie in het onderwijs. Dit is van groot
belang omdat het hoger onderwijs niet mag achterblijven bij de maatschappelijke
ontwikkelingen op dit terrein. Bovendien verschaft de informatietechnologie
mogelijkheden om het onderwijsproces te innoveren, bijvoorbeeld in de vorm
van Computer Ondersteund Onderwijs. Een relatief groot deel van de projectvoorstellen
richt zich hierop. Instellingen zien ook de mogelijkheden om massale onderwijsvormen
aan te passen met behulp van informatietechnologie. Het belang van informatie-
en communicatietechnologie vormde ook de reden om de versterking hiervan aan
te merken als landelijke prioriteit.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een constatering is dat de ingediende plannen in belangrijke mate investeringen
in de systemen van kwaliteitszorg laten zien. Dit is belangrijk
omdat deze investeringen ook op langere termijn effecten zullen hebben en
bij kunnen dragen aan structurele aandacht voor de handhaving en verbetering
van kwaliteit en studeerbaarheid.</al>
      <al>Een ander aandachtspunt dat in de plannen veelvuldig naar voren komt is
de studiebegeleiding. Projecten op dit gebied richten zich op de een of andere
manier op het verbeteren van de begeleiding van studenten. Dit kan zijn het
ontwikkelen van een goed begeleidingssysteem, invoering van een mentor- of
tutorstelsel of een betere advisering.</al>
      <al>Ook besteden veel instellingen in hun planvorming veel aandacht aan het
personeelsbeleid en de deskundigheidsbevordering. Het gaat daarbij bijvoorbeeld
om het vergroten van didactische vaardigheden van docenten, maar ook om docententraining
ten aanzien van nieuwe rollen bij zelfstandiger studeren, praktijkbegeleiding,
stages en coaching van leerprocessen. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan
het vertrouwd maken van docenten met informatie- en communicatietechnologie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals in paragraaf 1 van deze brief is aangegeven, is het definitieve
rapport van de commissie nog niet beschikbaar. Daarom kan op dit moment ook
nog geen exact beeld worden gegeven hoe de commissie de voorstellen beoordeelt.
Ik zal uw Kamer daarom meer gedetailleerd informeren nadat het advies van
de commissie en mijn daarop gebaseerde beslissingen over de afzonderlijke
projectvoorstellen openbaar zijn geworden. Dat zal begin juli 1996 het geval
zijn. </al>
      <tuskop letat="vet">3. Rapportage Inspectie over kwaliteitsmanagementplannen</tuskop>
      <al>Ik hecht er aan te benadrukken dat het oordeel van de inspectie de vraag
betreft of de plannen op alle essentiële punten tegemoet komen aan de
eisen die daaraan in het rapport van de stuurgroep Kwaliteit en Studeerbaarheid
zijn gesteld. Het oordeel waarin sprake is van een onvoldoende plan zegt evenwel
niets over de actuele kwaliteit van het onderwijs of over de inzet die verder
te verbeteren. Het is ook niet zo dat een als «onvoldoende» beoordeeld
plan geen waardevolle voorstellen kan bevatten. De inspectie geeft van geval
tot geval voorbeelden van het tegendeel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een dergelijk oordeel betekent wel dat het kwaliteitsmanagementplan niet
past binnen de definitie daarvan die in de stuurgroep weloverwogen is overeengekomen.
Daarmee is de vraag aan de orde hoe ik met dit gegeven zal omgaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Als algemene lijn wil ik hanteren, dat niet eerder tot uitkering van middelen
uit het studeerbaarheidsfonds zal worden overgegaan, dan nadat de desbetreffende
universiteit of hogeschool door middel van een aanpassing van het kwaliteitsmanagementplan
aan de punten van kritiek naar het (hernieuwde) oordeel van de inspectie tegemoet
is gekomen. Met andere woorden: de beslissing over de toewijzing van middelen
zal tot dat moment worden opgeschort.</al>
      <al>Overigens ga ik er van uit, dat de inspectie de bereidheid toont om, zo
concreet en gedetailleerd als nodig is, aan te geven op grond van welke overwegingen
zij tot haar oordeel is gekomen, zodat de instellingen in staat zijn hierop
adequaat in te spelen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Stuurgroep is afgesproken dat de aanwezigheid van een kwaliteitsmanagementplan –
in de definitie van haar rapport – een noodzakelijke voorwaarde is om
tot honorering van de projectvoorstellen over te gaan. Die afspraak is later
in het overleg met universiteiten, hogescholen en studentenorganisaties (in
HO-Kamer respectievelijk Studentenkamer) herbevestigd en tevens opgenomen
in de «procedurebrief» van 23 februari 1996. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor een succesvolle uitvoering van de voorstellen voor het studeerbaarheidsfonds
is het nodig dat er op instellingsniveau een goed kader – inclusief
diagnose en prioriteitstelling – bestaat waarbinnen een en ander plaatsvindt
en waarover binnen de organisatie ook bindende afspraken gemaakt zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een en ander betekent dat ik de instellingen in de gelegenheid wil stellen
reeds nu hun plannen aan te passen en hen niet te laten wachten tot de tweede
ronde van het studeerbaarheidsfonds in 1997. Daarmee volg ik het advies van
de inspectie ter zake. Ik acht dit reëel, omdat de instellingen alleen
dan in staat zijn snel een begin te maken met het uitvoeren van de projectvoorstellen
ter versterking van de kwaliteit en studeerbaarheid.</al>
      <al>Concreet zal ik de instellingen in de gelegenheid stellen mij hun aanpassingen
vóór 15 september 1996 aan te bieden. Na deze datum is afhandeling
in het kader van de eerste ronde van het studeerbaarheidsfonds niet meer mogelijk.
Die aanvulling op het kwaliteitsmanagementplan, waarbij de procedures ten
aanzien van de betrokkenheid van personeel en studenten in acht moeten worden
genomen, zoals geformuleerd in het rapport van de Stuurgroep Kwaliteit en
Studeerbaarheid, moet worden onderworpen aan een beoordeling door de inspectie.
Zij zal daarbij hetzelfde referentiekader hanteren als bij de eerste beoordeling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uiteraard is het aan de instellingen zelf om te bezien of de gewenste
aanpassing binnen het geschetste tijdsbestek op de voorgeschreven wijze kan
worden gerealiseerd. Indien een instelling van oordeel is dat dit voor haar
niet haalbaar is, kan er uiteraard geen sprake zijn van een toewijzing van
middelen uit het studeerbaarheidsfonds in 1996.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In samenhang met de advisering van de door de commissie-Wijnen betekent
dit, dat bij een positieve advisering en in de veronderstelling dat er geen
redenen zijn om daarvan af te wijken, de intentioneel toebedeelde middelen
wel voor de betreffende instelling zullen worden gereserveerd, maar nog niet
zullen worden uitgekeerd zolang er geen adequaat plan is. </al>
      <tuskop letat="vet">4. Beoordeling van projectvoorstellen voor het studeerbaarheidsfonds</tuskop>
      <al>In het bovenstaande is reeds aangegeven hoe ik om zal gaan met het oordeel
van de inspectie over de kwaliteitsmanagementplannen in relatie tot de projectvoorstellen
voor het studeerbaarheidsfonds. De projectvoorstellen zijn daarnaast beoordeeld
door de commissie-Wijnen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik zal het advies van de commissie – er van uitgaande dat dit ten
aanzien van de aanvragen een deugdelijke motivering zal bevatten – overnemen,
tenzij dit in strijd zou zijn met het algemene hoger onderwijsbeleid en/of
de financiële kaders voor het studeerbaarheidsfonds. Speciaal punt van
aandacht is de wijze waarop de landelijke prioriteiten in het besluitvormingsproces
zijn betrokken. De commissie is gevraagd in haar overwegingen het resultaat
van de besluitvorming over de landelijke prioriteiten te betrekken, zoals
bedoeld in het ontwerp-HOOP 1996 en verwoord in de brief aan uw Kamer van
31 januari 1996 (24 556, nr. 18). Ook voor dit onderdeel geldt, dat ik
mij zal laten leiden door het oordeel van de commissie, tenzij ik moet constateren,
dat een individuele instelling met haar plan onvoldoende recht heeft gedaan
aan de doelstelling van de landelijke prioriteiten.  </al>
      <tuskop letat="vet">5. Vervolgprocedure</tuskop>
      <al>Omstreeks 1 juli 1996 zal ik mijn beslissingen nemen over de door de instellingen
ingediende projectvoorstellen voor het studeerbaarheidsfonds. De instellingen
zullen daarover zo spoedig mogelijk, dat wil zeggen begin juli worden geïnformeerd.</al>
      <al>Ik zal uw Kamer, zoals reeds hiervoor toegezegd, over mijn beslissingen
informeren en haar daarbij tevens het rapport van de commissie toesturen. </al>
      <ondtek>
        <functie>De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,</functie>
        <naam>J. M. M. Ritzen </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie bij 24 619,
nr. 6.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>