﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24400-XIV-57/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1995-1996</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>6K2156</ordernr>
    <vergjaar>1995-1996</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>24 400 XIV</nummer>
      <naam>Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van
het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (XIV) voor het jaar
1996</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>57</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>'s-Gravenhage,  <datum>24 juni 1996</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tijdens het overleg van 1 februari jl. met de vaste commissies voor Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
(kamerstukken II 1995/96, 24 400 XI, nr. 63, blz. 12) heb ik de Kamer
een hoofdlijnennotitie toegezegd over de nadere invulling van het ontwerp-Besluit
biotechnologie bij dieren (hierna: het Besluit).</al>
      <al>In het navolgende geef ik een korte uiteenzetting van de stand van zaken
van het Besluit, van de ontwikkelingen na 1 februari jl., van de resterende
knelpunten en van mijn voornemens ten aanzien van het vervolgtraject. </al>
      <tuskop letat="vet">Ontwerp-Besluit biotechnologie bij dieren</tuskop>
      <al>In juli 1994 is het Besluit om advies gezonden naar de Raad voor dierenaangelegenheden
en de meest betrokken maatschappelijke organisaties. Het Besluit is in oktober
1994 voor advies aan de Raad van State voorgelegd, welk advies eind maart
1995 is ontvangen.Tijdens het opstellen van het nader rapport bereikte mij
vanuit verschillende maatschappelijke groeperingen kritiek op belangrijke
onderdelen van het door mij beoogde stelsel.</al>
      <al>De Nederlandse Vereniging tot bescherming van Dieren bood mij een rapport
aan over de EG-rechtelijke aspecten van een invoervergunning voor biotechnologisch
behandelde dieren en produkten daarvan. U bent bekend met dat rapport. Vanuit
de Kamer zijn mij in september 1995 daarover vragen gesteld.</al>
      <al>Voorts kwam er in toenemende mate kritiek uit de wetenschapswereld over
de invoering van het vergunningstelsel voor biotechnologische handelingen
bij dieren zoals voorgesteld in het Besluit. Deze kritiek is tot uitdrukking
gebracht in het U bekende rapport «Volksgezondheid en biotechnologie»
dat mij in november 1995 is aangeboden en in een gesprek dat ik begin 1996
met enkele vertegenwoordigers uit de biomedische onderzoekswereld heb gehad. </al>
      <al>Tijdens dit gesprek is mij gebleken dat de wetenschappers vooral vrezen
dat het biomedisch onderzoek in Nederland door het beoogde vergunningstelsel
geremd en geblokkeerd gaat worden. Hierdoor zou het huidige kwalitatief hoge
niveau van het onderzoek in Nederland in gevaar kunnen komen en ontstaat het
risico dat wetenschappelijk en maatschappelijk belangrijk onderzoek zich naar
het buitenland gaat verplaatsen. </al>
      <tuskop letat="vet">Invoervergunning</tuskop>
      <al>Zowel in antwoord op vragen van het lid Van den Bos (Handelingen II 1995/96,
nr. 13) als in de brief van 10 oktober 1995 (kenmerk J. 9513786) aan Uw commissie
ben ik uitvoerig ingegaan op de afweging die ik ten aanzien van de invoervergunning
heb gemaakt. Tijdens de begrotingsbehandeling voor het jaar 1996 heb ik u
mondeling daarop een nadere toelichting gegeven. Zoals bekend heeft dit geleid
tot het aannemen van de motie van het lid Van Middelkoop c.s. (Kamerstukken
II 1995/96, 24 400 XIV, nr. 28). Deze motie verzocht de Regering te bevorderen
dat ook in de relevante Europese regelgeving voor wat betreft biotechnologische
handelingen bij dieren het «nee-tenzij»-principe uit de Gezondheids-
en welzijnswet als uitgangspunt wordt opgenomen. In dat verband kan ik u mededelen
dat op dit moment een eerste aanzet tot Europese harmonisatie op het gebied
van biotechnologie wordt gegeven doorde Europese Commissie ingestelde Group
of Advisers on the ethical implications of biotechnology.</al>
      <al>Aan mijn eerdere overwegingen wil ik nog slechts het volgende toevoegen.
De wettelijk voorgeschreven toets van biotechnologische handelingen bij dieren
behelst in de eerste plaats het geven van een ethisch oordeel over dergelijke
handelingen. Dit ethisch oordeel moet – wil het die naam verdienen –
maatschappelijk gedragen worden. Om die reden heb ik in het Besluit voor de
behandeling van aanvragen voor een vergunning, gekozen voor een uitgebreide
openbare voorbereidingsprocedure als omschreven in afdeling 3.5 van de Algemene
wet bestuursrecht. Met een dergelijke procedure is naar mijn mening een brede
maatschappelijke inbreng verzekerd. Dit betekent een zware belasting voor
de uitvoering en brengt risico's met zich voor wat betreft de termijn van
besluitvorming.</al>
      <al>In dat kader acht ik het, mede gelet op de reeds eerder uiteengezette
EG-problemen met de invoervergunning, onwenselijk het toch al veeleisende
vergunningstelsel te verzwaren met een aparte vergunningsplicht voor alle
in het betreffende wetsartikel genoemde handelingen, te weten het vervaardigen,
vervoeren, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen, kopen,
verkopen, ten verkoop in voorraad hebben, zich ontdoen van en in Nederland
brengen van biotechnologisch behandelde dieren of daarvan afkomstige produkten.
Een dergelijke belasting voor overheid en burger acht ik niet verantwoord.
Ik wil eerst het beoogde stelsel nauwlettend in de praktijk volgen en zal
hieraan in de geplande evaluatie aandacht besteden. In het Besluit zal worden
vastgelegd dat na drie jaar een evaluatieverslag aan de Staten-Generaal wordt
gezonden. </al>
      <tuskop letat="vet">Biomedisch onderzoek</tuskop>
      <al>Het eerdergenoemde gesprek met enkele vertegenwoordigers uit de biomedische
onderzoekswereld was voor mij aanleiding op 9 mei jl. een bijeenkomst te organiseren
waarvoor vertegenwoordigers van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen
(KNAW), de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren, de beoogde Commissie
biotechnologie bij dieren, het bedrijfsleven, patiëntenorganisaties,
de Consumentenbond en enkele Kamerleden waren uitgenodigd. Doel van de bijeenkomst
was het bespreken op welke wijze de bezwaren tegen het voorgenomen
vergunningstelsel kunnen worden verminderd en op welke wijze dit stelsel optimaal
zou kunnen functioneren.</al>
      <al>Tijdens de bijeenkomst, waarvan u het verslag als bijlage aantreft<voetref refid="v3.1" nr="1"></voetref> , is met name aandacht besteed aan de werkwijze voor
de afhandeling van vergunningaanvragen in het kader van het Besluit. Mij is
gebleken dat de betrokken partijen zich, voor wat de initiële vergunningaanvraag
betreft, kunnen vinden in de in het Besluit neergelegde uitgebreide openbare
procedure.</al>
      <al>Daarbij is wel aangetekend dat het Besluit in de mogelijkheid moet voorzien
om onder voorwaarden een aanvraag voor een vergunning voor een cluster van
biotechnologische handelingen in te dienen en dat, in voorkomende gevallen,
toetsing van de gezondheid en het welzijn van dieren, tot de hoofdlijnen beperkt
kan blijven.</al>
      <al>Voorwaarde voor een dergelijke clustering zou zijn dat de afzonderlijke
handelingen voorwat betreft de wettelijke criteria – gezondheid en welzijn
van dieren en ethische aspecten gelijkwaardig dienen te zijn. Tijdens de bijeenkomst
is een dergelijke clustering van handelingen gedefinieërd als een «toetsbare
eenheid»; een in de tijd begrensde samenvoeging van een aantal biotechnologische
handelingen die een duidelijke samenhang vertonen, zodanig dat de ethische
implicaties van de handelingen vergelijkbaar zijn. Een dergelijk cluster van
samenhangende handelingen zal in het algemeen betrekking hebben op een onderzoeksprogramma.
Of een aanvraag aan de voorwaarde van gelijkwaardigheid voldoet, staat ter
beoordeling van de beoogde Commissie biotechnologie bij dieren. Indien deze
commissie van oordeel is dat de aanvraag niet toetsbaar is, zal de aanvrager
aanvullende informatie worden gevraagd of worden geïnformeerd dat de
onderscheiden handelingen apart zullen worden beoordeeld.</al>
      <al>Zoals bekend zijn op het terrein van de biotechnologie meerdere instanties
werkzaam, die, zij het vanuit een andere invalshoek, met een andere doelstelling
en met andere criteria, biotechnologische handelingen toetsen. Ik doel hier
onder meer op de dierexperimentencommissie (DEC) ingevolge de Wet op de dierproeven
waarop ik hieronder nader in zal gaan. Om dubbele toetsing te voorkomen, heb
ik het voornemen te bepalen dat bij een aanvraag voor een vergunning ook reeds
door andere instanties gegeven beoordelingen moet worden overlegd. Het belang
van een dergelijke bepaling erin is gelegen dat alsdan de Commissie biotechnologie
bij dieren in haar toetsing de reeds door andere instanties verrichtte toetsingen
kan laten meewegen.</al>
      <al>Daarnaast zal in onderling overleg tussen de verscheidene commissies wordt
getracht de werkzaamheden zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen.</al>
      <al>Ik ben van mening dat deze voorgestelde werkwijze een zinvolle bijdrage
kan leveren aan een efficiënte behandeling van de vergunningaanvragen
zonder dat dit ten koste gaat van de ethische toets van de beoogde Commissie
biotechnologie bij dieren. Het Besluit biedt hiervoor de ruimte.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de discussie van 9 mei jl. kwamen – in willekeurige volgorde
de volgende knelpunten naar voren:</al>
      <al>♦ de te volgen procedure in geval van wijzigingen van geringe aard
in een verleende vergunning;</al>
      <al>♦ de te volgen procedure in geval van twijfel – door bijvoorbeeld
tijdsverloop – over de reikwijdte van de verleende vergunning.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De achtergrond van het eerste knelpunt is dat de uitgebreide openbare
procedure niet geschikt wordt geacht voor het aanbrengen van wijzigingen van
geringe aard met betrekking tot een reeds verleende vergunning. Een dergelijke
zware procedure zou het lopende onderzoek belemmeren. Hierbij
moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het verlengen van de vergunningperiode
met drie maanden. Voor een dergelijke situatie, waarin het gaat om een wijziging
van geringe aard, ben ik voornemens een voorziening te treffen in het Besluit.
Ik denk hierbij aan een korte, efficiënte procedure die het lopende onderzoek
niet onnodig zal vertragen. Mij is bekend dat met de procedure die in het
kader van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen bij wijzigingen
van geringe aard wordt gehanteerd, positieve ervaringen zijn opgedaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het tweede knelpunt betreft het volgende. Niet uit te sluiten is dat gedurende
een onderzoek een moment aanbreekt waarop twijfel kan ontstaan of een voorgenomen
biotechnologische handeling nog wel onder de enige tijd eerder verleende vergunning
valt. Niet alle handelingen zullen al bij de aanvraag voor een vergunning
in detail beschreven kunnen worden.</al>
      <al>De meest voor de hand liggende weg is in dergelijke situaties dat de vergunninghouder
zich tot mij, de vergunningverlener, richt met de vraag of een voorgenomen
handeling nog onder de verleende vergunning valt. Ik zal dan, eventueel na
overleg met de voorgenomen Commissie biotechnologie bij dieren, onverwijld
berichten of de handeling binnen de vergunning valt of dat een nieuwe vergunning
moet worden aangevraagd.</al>
      <al>Naast deze weg is tijdens de bijeenkomst nog een oplossingsrichting besproken.
Zoals bekend, zal een vergunninghouder op basis van de voorgestelde wijziging
van de Wet op de dierproeven verplicht zijn om terzake van elke voorgenomen
dierproef advies aan een erkende dierexperimentencommissie (DEC) te vragen.
Een vergunninghouder moet derhalve, naast een vergunning op grond van de Gezondheids-
en welzijnswet voor dieren (GWW), terzake van elke dierproef beschikken over
een positief advies van een DEC. Alle biotechnologische handelingen, die tevens
aan de omschrijving van een dierproef in de zin van de WOD voldoen, worden
derhalve ook nog door een DEC beoordeeld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In dat kader is de vraag gesteld of een DEC, indien de dierproef mede
betrekking heeft op biotechnologische handelingen bij dieren, de vergunninghouder
tegelijk van advies zou kunnen dienen met betrekking tot de vraag of de te
verrichten biotechnologische handelingen binnen de reikwijdte van de in het
kader van de GWW verleende vergunning valt. In geval van een daartoe strekkende
aanbeveling zou de vergunninghouder op basis van de GWW een nieuwe vergunning
moeten aanvragen. Hiermee wordt voorkomen dat procedures elkaar overlappen
en lopend onderzoek onnodig wordt vertraagd. Zo'n stelsel kan op een groot
draagvlak bij alle betrokkenen rekenen en lijkt mij een praktische aanvulling
op het voorgenomen vergunningstelsel. Voor een positief antwoord op de vraag
of de DEC op deze wijze kan worden betrokken, is echter naast een positieve
benadering mijnerzijds ook de bereidheid tot medewerking van de dierexperimentencommissies
vereist. De dierexperimentencommissies zijn dan ook benaderd met het verzoek
hierbij op vrijwillige basis een rol te spelen. De geluiden die mij hierover
bereiken zijn positief.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het bovenomschreven stelsel getuigt van de inzet van betrokken partijen
om tot stroomlijning van de voorgeschreven procedures te komen. Ook in de
toekomst zullen de betrokken departementen alles in het werk stellen om binnen
de verschillende wettelijke kaders tot procedurele afstemming te komen. Hiertoe
zal overleg worden voortgezet. </al>
      <tuskop letat="vet">Conclusie</tuskop>
      <al>Gelet op het bovenstaande heb ik er vertrouwen in dat het Besluit in overeenstemming
met alle betrokken partijen tot stand kan worden gebracht. Ik acht dit van
groot belang omdat draagvlak voor dit besluit onmisbaar is.</al>
      <al>Zoals gezegd zal ik het Besluit na drie jaar evalueren. Op dat moment
zal wederom in overleg met alle betrokken partijen worden bezien of het Besluit
aan zijn doelstelling beantwoordt en of aanpassingen gewenst zijn. Het verslag
van deze evaluatie zal ik u doen toekomen. </al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,</functie>
        <naam>J. J. van Aartsen </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v3.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij de afdelnig Parlementaire Documentatie.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>