﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24400-XIV-51/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1995-1996</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>6K1456</ordernr>
    <vergjaar>1995-1996</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>24 400 XIV</nummer>
      <naam>Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van
het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (XIV) voor het jaar
1996</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>51</nummer>
      <titel>VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG</titel>
      <datum>Vastgesteld 7 mei 1996</datum>
      <al>De vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> heeft op 14 februari 1996 overleg gevoerd met minister Van Aartsen
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over de problematiek van de visquotering.
Het overleg werd gevoerd aan de hand van de evaluatie van de structuurnota
Zee- en kustvisserij («Vissen naar evenwicht») en van de reactie
van de minister op de brief van Beheergroep 3 van de Producentenorganisatie
van de Nederlandse vissersbond (LNV-96–35).</al>
      <al>Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag
uit. </al>
      <tuskop letat="vet">Vragen en opmerkingen uit de commissie</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Huys</nadruk> (PvdA) zei dat de beknopte evaluatie uitwijst
dat het beleid ter uitvoering van de structuurnota op een aantal punten op
schema loopt. Waar dit niet het geval is, wordt dit over het algemeen mede
veroorzaakt door Europees beleid.</al>
      <al>Naar aanleiding van beleidspunt 39 vroeg hij of er vraag is naar hangcultures.</al>
      <al>In aansluiting op de opmerkingen over het kwaliteitsbeleid door de primaire
en secundaire sector verwees hij naar de activiteiten die in Wieringen worden
ondernomen. Die verdienen aanbeveling en ondersteuning.</al>
      <al>Hij vroeg naar de stand van zaken in het Europees overleg over het vraagstuk
van de bijvangsten. Hoe staat het met het zogenaamde Noors model?</al>
      <al>Zijn er nog ontwikkelingen te melden over de elektrische visserij? Wat
heeft het onderzoek naar deze vangstmethode opgeleverd? Biedt deze methode
perspectief?</al>
      <al>De heer Huys merkte vervolgens op dat de opzet van de structuurnota kan
worden verklaard uit de problemen die zich destijds voordeden met de visfraude.
De grondslag van de nota is de redenering dat vissers zich niet achter een
quotumsysteem zullen scharen als zij ervaren dat er nog meer dan genoeg vis
rondzwemt; zij zullen daartoe pas bereid zijn als de quota zijn afgestemd
op het veilig geachte biologisch minimum, want dan is het eigen belang in
het geding. Bij deze gedachtengang worden echter in toenemende mate vraagtekens
geplaatst. Zo betwijfelen de heren Holden (oud-visserijmedewerker
van de Europese Commissie (EC), Corten (RIVO) en Lankester (Stichting natuur
en milieu) of het wijsheid is te vissen tot het biologisch minimum, vooral
ook omdat van dit minimum nogal eens iets door beleidsmakers wordt afgeknabbeld
om tot nog enigszins aanvaardbare quota te komen. Om dit quotum vol te vissen,
moeten de visserij-inspanningen vaak worden verhoogd. Daardoor stijgt de kostprijs
wat extra nadelige gevolgen heeft voor het overige visbestand in het ecosysteem.
Bovendien belemmeren jaarlijks sterk fluctuerende quota een efficiënt
gebruik van de visserijvloot. In sommige jaren is er sprake van een hoge onderbezetting
en in een periode van extra lage quota zal, het biologisch minimum ten spijt,
de druk om illegaal te vissen en aan te landen, toenemen. De heer Huys erkende
dat zijn fractie medeverantwoordelijk is voor dit beleid. Het is niet verantwoord
dit beleid zonder meer te veranderen. Een werkelijk duurzame visserij vraagt
een handelwijze overeenkomstig het voorzorgsprincipe, zoals onder meer opgenomen
in de jongste FAO-gedragsregels en de VN-overeenkomst over trekkende vissoorten.
Goede beheerplannen en -systemen leiden tot langere-termijnopbrengsten, weinig
tot geen overbevissing, herstel van de populatie en een redelijk constant
opbrengstniveau. Hoe denkt de minister over dit vraagstuk?</al>
      <al>Nu de quota voor 1996 sterk zijn verlaagd en de verwachtingen voor 1997
niet veel beter zijn, zullen veel bedrijven in de rode cijfers komen en zullen
velen hun baan verliezen, zo vervolgde de heer Huys. Naar schatting zal 20%
van de vloot in liquiditeitsproblemen komen en een zelfde deel in de gevarenzone.
Hij vond het positief dat de sector zelf saneringsvoorstellen heeft gedaan,
omdat hieruit blijkt dat de vissers een oplossing willen zoeken voor de overbevissing.
Aan een dergelijke regeling moeten echter wel harde voorwaarden worden gesteld:
de betreffende schepen moeten werkelijk uit de vaart worden genomen en een
«gesaneerde» ondernemer mag niet opnieuw beginnen. Hij pleitte
ervoor dat de licenties als het ware worden opgeslagen bij de overheid, zodat
zij (als dat mogelijk is) in andere, betere tijden opnieuw kunnen worden gebruikt.
De sector kan worden gevraagd een bijdrage te leveren aan dit proces. Verder
vroeg hij, om een beeld te krijgen van wat er nu feitelijk met de vissersvloot
gebeurt, een overzicht van het aantal schepen en pk's in de vaart en van het
aantal schepen en pk's dat in de afgelopen vijf à tien jaar is gesaneerd.
Omdat de saneringsregeling niet altijd even waterdicht lijkt, vroeg hij de
minister helderheid te verschaffen voordat hij de voorgenomen maatregelen
uitvoert. De sector vraagt niet weinig, maar er lijkt geen sprake van overvragen.
Kan de minister tegemoet komen aan de vraag om middelen en maatregelen?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Vos</nadruk> (GroenLinks) zei dat het misschien te vroeg is
voor een gedegen evaluatie, maar het is wel duidelijk dat het beleid op een
aantal punten moet worden aangepast. Ongeveer driekwart van alle vissoorten
wordt wereldwijd overbevist en op de Noordzee is de stand van een groot aantal
vissoorten al onder het veilig biologisch minimum gezakt. Het Nederlandse
beleid, maar ook de afspraken die de Europese Unie (EU) vorig jaar heeft gemaakt,
moeten in dit licht worden bezien. Het is duidelijk dat die afspraken voor
de Nederlandse vissersvloot ernstige gevolgen hebben. Het Landbouw economisch
instituut (LEI) heeft berekend dat er van de 380 Nederlandse vissersschepen
binnen een tot drie jaar 60 tot 130 in ernstige problemen komen en dat op
langere termijn de werkgelegenheid van 230 vissers op het spel staat. Zij
vond het opmerkelijk dat vissers en milieubeweging het erover eens zijn dat
het huidige EU-milieubeleid dat vangsthoeveelheden toewijst op basis van de
wetenschappelijk vastgestelde biologische minima, niet deugt. Niet alleen
omdat de visstanden zo onvoldoende worden beschermd, maar ook omdat de vissers
door de sterk fluctuerende vangsthoeveelheden aan het einde van het jaar in
grote onzekerheid verkeren. Mevrouw Vos maakte ernstig bezwaar
tegen dit beleid. De afspraken over de vangsthoeveelheden die in december
1995 in Brussel zijn gemaakt, schieten tekort. Zij verwees in dit verband
onder meer naar de VN-afspraken over trekkende vissoorten, het belang van
het voorzorgsbeginsel en naar de adviezen van het International council for
exploration of the sea die zijn gebaseerd op het dubieuze criterium van het
veilig biologisch minimum en uitgaan van veel lagere vangsthoeveelheden dan
nu zijn toegewezen.</al>
      <al>De vraag is nu hoe het verder moet met de noordzeevis en de visserijvloot.
In ieder geval moet worden gestreefd naar een duurzame situatie, zowel voor
de vis als voor de visserij, en dat betekent dat er gesaneerd moet worden.
Hoe verloopt de sanering van de Europese vissersvloot? Is het gelukt de structurele
overcapaciteit in 1996 met 15% tot 20% terug te dringen en, zo neen, welke
consequenties trekt de EC hieruit? Mevrouw Vos drong erop aan dat het gemeenschappelijk
visserijbeleid eerder dan 2001 wordt geëvalueerd. Tijdens de Visserijconferentie
van de Noordzeelanden dit jaar moet een eerste aanzet worden gegeven voor
herziening van het beleid. Is de regering bereid het Nederlandse voorzitterschap
van de EU aan te grijpen om het tijdstip van evaluatie te vervroegen? Die
evaluatie moet worden gebaseerd op het uitgangspunt van een duurzame visserij
die het risico op overbevissing zo laag mogelijk houdt en populaties die nu
teruglopen, de kans geeft zich te herstellen.</al>
      <al>Ook de sector vraagt om een beleid dat langer meegaat dan één
jaar. Volgens het saneringsplan van Produktschap vis is voor de sanering van
60 tot 100 schepen dit jaar een bedrag van 36 mln. nodig. Is dit saneringsplan
afdoende? Is het voldoende om de overcapaciteit terug te dringen? Is de minister
bereid dit als harde voorwaarde aan zijn medewerking te stellen?</al>
      <al>Zij herinnerde eraan dat eerder is toegezegd dat uiterlijk in 1994 voorstellen
zullen worden gedaan voor het terugdringen van de boomkorvisserij. Welke vorderingen
zijn geboekt in het onderzoek naar alternatieve vismethoden? Waarom kan er
nu nog geen einde worden gemaakt aan deze vorm van visserij? Kan de minister
ervoor zorgen dat dit op korte termijn wel gebeurt?</al>
      <al>Zij maakte bezwaar tegen de verwerving van additionele vangstmogelijkheden
in derde landen. Dergelijke visserijakkoorden zijn toch niet meer van deze
tijd? Hoe denkt de minister hierover?</al>
      <al>Ten slotte vroeg zij of de maatregelen die de minister wil nemen om de
aalscholverpopulaties in te perken, niet in strijd zijn met de Vogelwet, de
vogelrichtlijn of het structuurschema groene ruimte.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Smits</nadruk> (CDA) zei dat zowel de sector als de overheid
een forse inspanning moeten leveren om te voorkomen dat Nederland achter het
net vist na de uitbreiding van de EU met een aantal zuidelijke lidstaten.
Hij ging ervan uit dat de minister mee zal (blijven) werken aan oplossingen
die ertoe bijdragen dat Nederland ook nà 2002 ruimte heeft voor een
expanderende en innovatieve visserijsector.</al>
      <al>De heer Smits herinnerde eraan dat hij eerder heeft gevraagd wat de consequenties
zijn van wisselende quota in de komende jaren. Is inmiddels een begin gemaakt
met de ontwikkeling van de gevraagde scenario's? Bij die gelegenheid is ook
aandacht gevraagd voor de situatie nà 2002, wanneer het gemeenschappelijk
visserijbeleid opnieuw moet worden vastgesteld, mede in het licht van het
feit dat lidstaten als Portugal en Spanje ruimte krijgen in nu voor Nederland
en andere lidstaten gereserveerde visgebieden. Hoever zijn deze exercities
gevorderd? Hoeveel geld is er uit het Europese Landbouwfonds en uit de structuurfondsen
gereserveerd voor de vissectoren in Spanje en Portugal?</al>
      <al>De sector gaat ervan uit dat circa 1000 mensen hun baan zullen verliezen
als gevolg van de gereduceerde visquota. Deelt de minister de opvatting dat
de Biesheuvel-groepen onder druk komen te staan? Is het waar dat de algemene
inspectiedienst (AID) waarschuwt voor een toename van de illegaliteit?
Deelt de minister die vrees en, zo ja, wat denkt hij hieraan te doen? De heer
Smits stelde met klem dat alle partijen zich aan de gemaakte afspraken moeten
houden.</al>
      <al>Van diverse zijden wordt aangegeven dat er in de andere lidstaten geen
sprake is van een regelmatige controle op visserij-inspanningen. Hoe kan worden
bereikt dat een aan het Nederlandse systeem vergelijkbare controle wordt ingevoerd
in alle lidstaten van de EU? Die controle zou in ieder geval moeten worden
verscherpt en overigens onderdeel moeten uitmaken van het gemeenschappelijk
visserijbeleid. Bovendien spreekt het vanzelf dat die controles onaangekondigd
worden uitgevoerd.</al>
      <al>Ook hij wees erop dat ongeveer 20% van de schepen in de komende tijd in
ernstige liquiditeitsproblemen dreigt te komen, vooral de schepen die over
onvoldoende quota beschikken. Is het waar dat naar schatting 60 à 100
vaartuigen (35 000 à 55 000 pk) moeten worden onttrokken
aan de vloot? Waar ligt overigens het «break even point» voor
Nederland als het gaat om de omvang van de vloot in relatie tot een rendabele
visserij-inspanning?</al>
      <al>In het overleg met de visserijsector zal zeker zijn gesproken over de
wenselijkheid van een saneringsregeling, zo meende de heer Smits. Hij pleitte
nadrukkelijk voor financiële steun aan de sector. Welke bedragen wil
de regering in dit kader beschikbaar stellen? Deelt de minister de opvatting
dat in het kader van een wellicht positievere toekomst voor de visserijsector
niet al te veel PK-licenties voor de vloot verloren mogen gaan, maar in plaats
daarvan in portefeuille moeten worden gehouden?</al>
      <al>In het kader van het Besluit saneringsregeling 1994 is een regeling voor
opvarenden vastgesteld die nog steeds wacht op goedkeuring uit Brussel. Hoe
heeft de minister bevorderd dat die goedkeuring zo snel mogelijk wordt afgegeven,
mede gelet op het feit dat zo'n 50 tot 100 schepen uit de vaart zullen worden
genomen? De heer Smits pleitte overigens voor een regeling die ook voor nieuwe
gevallen geldt.</al>
      <al>Hoe kan de overheid de Nederlandse vissers stimuleren additionele vangstmogelijkheden
te zoeken buiten Europa? Naast deze experimenten verdienen ook de mogelijkheden
van de elektrische boomkorvisserij serieuze aandacht. Waarom is het experiment
naar deze vorm van vissen zo abrupt gestopt?</al>
      <al>Welke mogelijkheden zijn er voor een communautaire inzetbeperking van
de vloot? Hoe kan een dergelijke maatregel worden bevorderd? De heer Smits
vroeg in dit kader naar de stand van zaken bij de uitvoering van de motie
Vreugdenhil/Smits inzake de fiscale overdracht van visquota.</al>
      <al>Hij vroeg verder aandacht voor de voorbereiding van de conferentie van
de Noordzeeministers in april 1997 in Denemarken, waar de visserij en het
ecosysteem centraal zullen staan. Wat is de stand van zaken? Is de indruk
juist dat er sprake is van een trage start als gevolg van de uiteenlopende
aansturing van milieubeleid op de Noordzee? Formeel behoort de Nederlandse
minister van Verkeer en Waterstaat (VW) de voorbereiding van deze conferentie
aan te sturen, ook waar het het milieubeleid betreft, terwijl in de EC de
aansturing plaatsvindt via de voor de visserij verantwoordelijke Commissaris.
Is het waar dat het ministerie van VW al in maart wil komen tot een voorlopige
afronding van haar visie? Op welke wijze is het ministerie van LNV betrokken
bij die werkzaamheden? Heeft het ministerie van LNV een ecologisch en economisch
weerwoord op de belangen die het ministerie van VW nastreeft?</al>
      <al>De discussie over een communautaire zeedagenregeling verloopt moeizaam,
zo blijkt uit de evaluatie van beleidspunt 6. Waar doen zich problemen voor:
in de Visserijraad of op ambtelijk niveau? Wanneer zijn de opdrachten verstrekt
voor het onderzoek dat wordt genoemd onder beleidsaanbeveling 7? Wanneer kunnen
de eerste resultaten tegemoet worden gezien? Is de studie van het Produktschap
vis naar mogelijke structuurverbeteringen in de garnalensector (zoals genoemd
onder punt 42) werkelijk gesubsidieerd in het kader van de PESCA-regeling?
De heer Smits vroeg ten slotte naar de uitkomsten van het onderzoek
van het Produktschap vis naar de scholingsactiviteiten en -behoeften van de
sector.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van der Vlies</nadruk> (SGP) wees erop dat de stand van zaken
van de beleidspunten in de brief van 8 februari 1996 op onderdelen is ingehaald
door de nieuwe quota en de gevolgen daarvan. De structuurnota beoogt een lange-termijnbeleid
te bieden, maar het recent bepaalde quotabeleid dwingt tot een korte-termijnvisie.
De quota voor 1996 doen de sector op haar grondvesten schudden en niet alleen
de reders, eigenaren en exploitanten zullen hiervan ernstige schade ondervinden,
maar ook de opvarenden. Dat er iets moet gebeuren, daarvan zijn ook de vissers
overtuigd. De sector heeft vragen en voorstellen geformuleerd en intensief
overleg gevoerd en de minister verdient een compliment voor het feit dat hij
onmiddellijk «na Brussel» dat overleg is aangegaan. Uit de berichtgeving
in de media kan worden afgeleid dat afgelopen maandag is overeengekomen dat
de rijksoverheid 27,5 mln. beschikbaar zal stellen, «Brussel»
11,5 mln. en de sector een bedrag van 6 mln. à 8 mln. Is het reëel
onder deze omstandigheden een dergelijke bijdrage aan de sector te vragen?
Heeft de minister van Financiën ingestemd met de rijksbijdrage? Is in
de afspraken ook voorzien in een bevredigende regeling voor de opvarenden?</al>
      <al>De eerste bevindingen over het instrument «Biesheuvel-groepen»
zijn positief, ook de sector werkt coöperatief mee. Voor de verdere toekomst
van de zeevisserij is het van groot belang dat alle impulsen tot vernieuwing
krachtig worden gesteund. De sector moet zo goed mogelijk door deze moeilijke
periode heenkomen en moet ook in de toekomst kunnen functioneren. Naast nieuwe
visserijgebieden, verdienen ook nieuwe visserijmethoden aandacht. Wat is de
voortgang van het onderzoek naar de elektrische boomkorvisserij? De heer Van
der Vlies benadrukte dat iedere mogelijkheid tot «schone» visserij
met weinig of geen bijvangst moet worden omarmd. Waardoor wordt de stagnatie
in het onderzoek veroorzaakt?</al>
      <al>Hij vroeg vervolgens naar de mening van de minister over de gedachte vissersschepen
onder de Zeebrievenwet te brengen.</al>
      <al>Hij ging ervan uit dat de Kamer zal worden geïnformeerd als de contouren
van de heruitgifte van oesterpercelen (beleidspunt 34) zich nauwkeuriger aftekenen.</al>
      <al>Dat de Nederlandse visserij flinke klappen krijgt, is pijnlijk, maar zij
komen extra aan als blijkt dat de controle op de aanlanding in andere lidstaten
kennelijk soepeler verloopt dan in Nederland. Dit wil niet zeggen dat die
soepele werkwijze dan maar in Nederland moet worden overgenomen, integendeel,
het moet in de andere lidstaten anders. De minister heeft meer dan eens toegezegd
dat hij dit onderwerp in Europees verband aan de orde zal stellen en hij zal
dat ongetwijfeld ook doen, maar het is de vraag wat zijn inspanningen opleveren.
In zijn reactie op de brief van de Beheergroep 3 schrijft hij dat de handhaving
van het gemeenschappelijk visserijbeleid helder is: er is geen sprake van
een gedoogbeleid van overtredingen en er is onderzoek gaande naar steun die
de Franse overheid aan haar vissers zou geven. De heer Van der Vlies wees
erop dat in berichten in bijvoorbeeld The Financial Times van 20 januari jl.
en Fishing News van 20 oktober 1996 een volstrekt ander beeld wordt geschetst.
Eenderde van de vangst van het Verenigd Koninkrijk (V.K.) zou illegaal worden
aangeland. In die artikelen wordt verder geklaagd dat Nederland zo streng
toeziet op de scholvangst. Die berichten zijn bij navraag niet weersproken.
Waarom komt de EC niet in actie als zij dergelijke berichten leest? Waarom
zet de minister de Commissaris voor de visserij niet daartoe aan? Het is begrijpelijk
dat de Nederlandse vissers die ieder scholletje moeten verantwoorden, furieus
worden als zij met dergelijke praktijken worden geconfronteerd. De heer Van
der Vlies stelde met nadruk dat er een einde moet komen aan deze
situatie, zeker als er zoveel gezamenlijke inspanningen in een saneringsprogramma
worden gestoken. Als Nederland niet wil doen wat het moreel ook niet mag doen,
maar de andere lidstaten doen dat wel, dan is degelijker onderzoek nodig.
Hij zei dat zijn geduld opraakt nu bovendien verschillende beleidsdoelstellingen
als een meer flexibel TAC's- en quotumbeleid en een communautaire zeedagenregeling
door weinig voortgang op de dossiers niet uit de verf komen. Desgevraagd voegde
hij hieraan toe dat hij geen kritiek heeft op de vastgestelde quota, hoe teleurstellend
ze ook zijn, zolang ze biologisch zijn onderbouwd en verantwoord worden geacht.
Maar van de andere lidstaten mag, net als van Nederland, worden verwacht dat
zij zich aan die lagere quota houden. Er is geen hard bewijs dat zij dit niet
doen, maar de vermoedens die in de media worden geuit, stroken wel met de
ervaringen van de Nederlandse vissers.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Stellingwerf</nadruk> (RPF) zei dat het evaluatieverslag als
rapportage van de tussenstand van de uitvoering van het beleid, voorbijgaat
aan de huidige problematiek. Het is daarom verheugend dat de regering een
saneringsregeling in het leven heeft geroepen die een adequate oplossing biedt
voor de problemen die zich dit jaar voordoen. Daarnaast is een visie voor
de langere termijn echter dringend nodig, want ook al heeft de regering in
EU-verband een en ander maal gepleit voor structureel beleid, tot nu toe is
dit pleidooi niet gehonoreerd. Hij had er begrip voor dat van de sector wordt
gevraagd een bijdrage te leveren aan de saneringsregeling, maar het is de
vraag of met een dergelijke bijdrage in het verleden rekening is gehouden.
Omdat het er bovendien niet naar uit ziet dat de problemen na 1996 zijn afgelopen,
zou in overleg met de sector moeten worden nagegaan of er lange-termijnreserveringen
kunnen worden gemaakt.</al>
      <al>De heer Stellingwerf merkte vervolgens op dat meerjarige Europese quota
de sector meer stabiliteit zouden geven. Iedereen is gebaat bij het aftoppen
van pieken en dalen, niet in de laatste plaats de visverwerkende en aanverwante
industrie. Heeft de huidige situatie invloed op het beleid voor bijvoorbeeld
de veilingen?</al>
      <al>Hij veronderstelde dat de stilligregeling de komende jaren van betekenis
kan zijn. Hoe denkt de minister hierover?</al>
      <al>De schepen die uit de vaart worden genomen, moeten vooral de schepen zijn
met het laagste rendement, aldus de heer Stellingwerf. Verder drong hij erop
aan dat in gebieden waar de visserij de belangrijkste inkomensbron is, wordt
gevolgd welke consequenties de verlaagde quota hebben.</al>
      <al>Het is een positieve gedachte dat de sector verder wil gaan met de Biesheuvel-groepen,
al heeft hij daar overigens natuurlijk ook alle belang bij. De sector heeft
verder belang bij voortzetting van de controle. Hij sloot zich aan bij de
opmerkingen over de situatie in het buitenland. Is het mogelijk een systeem
van wederzijdse controles op te zetten?</al>
      <al>Het is begrijpelijk dat de vissers een oplossing zoeken in de experimentele
visserij op verre afstand. Zij mogen echter niet hun ogen sluiten voor de
gevolgen van die activiteiten voor het milieu. Waar mogelijk moeten zij hun
activiteiten baseren op onderzoeksgegevens.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Vos</nadruk> (VVD) maakte de minister een compliment voor zijn
positieve en actieve inzet tijdens de Visserijraad van 22 december jl. ook
al heeft de uitkomst van die Raad dramatische gevolgen voor de Nederlandse
vissersvloot en de visverwerkende industrie.</al>
      <al>De heer Vos herinnerde eraan dat hij eerder heeft gepleit voor een financiële
voorziening voor een sanering als de quota nog verder gereduceerd zouden worden.
Hij was verheugd dat de regering op korte termijn een pakket voorzieningen
heeft samengesteld. Hopelijk wordt die snelheid ook betracht bij het openstellen
van de mogelijkheid voor aanmelding om in aanmerking te komen
voor sanering. Ook hij vroeg of het reëel is van de sector een bedrag
van 6 mln. te vragen. Houdt de regering vast aan de regeling, ook als de sector
niet in staat blijkt dit bedrag bijeen te rapen?</al>
      <al>Hoe denkt de minister over de inspanningen van de sector om elders vangstmogelijkheden
te openen, zoals in Mauretanië? Deze nieuwe initiatieven laten zien dat
de sector nog springlevend is en verdienen daarom steun.</al>
      <al>Het aantal licenties mag niet te rigoureus worden teruggeschroefd. Als
de visstand zich weer herstelt, moet de vloot immers voldoende levenskracht
hebben om de continuïteit van de sector te behouden. </al>
      <al>De heer Vos had vernomen dat er diepte-onderzoek plaatsvindt naar de positie
van de visverwerkende industrie. Op korte termijn is arbeidstijdverkorting
onvermijdelijk. Is de minister bereid met de minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (SZW) in overleg te treden opdat spoed wordt betracht en de
totstandkoming van een regeling wordt bevorderd?</al>
      <al>De huidige regeling kan worden gezien als een investering in de beheergroepen;
hopelijk houden zij voldoende quotum over om de resterende schepen rendabel
te exploiteren. De 60 tot 100 schepen die voor sanering in aanmerking komen,
dragen immers slechts 3% van het quotum.</al>
      <al>De heer Vos was tevreden over de beknopte, zakelijke evaluatie van de
structuurnota. Hieruit blijkt dat Nederland in Europees verband pleit voor
een flexibeler TAC's- en quotumsysteem en aanstuurt op een zeedagenregeling
in communautair verband. Wat behelzen de voorstellen van de EC voor het TAC's-
en quotumsysteem? Hoe groot is de kans op succes van een Nederlands initiatief
om tot flexibelere TAC's te komen?</al>
      <al>Van diverse zijden komen berichten dat de controle op het motorvermogen
van de schepen die in de scholbox mogen varen, te wensen overlaat. De torsiemeter
zou een bijdrage kunnen leveren aan die controle. Hoe kan een snelle introductie
daarvan worden bevorderd?</al>
      <al>In 1997 kan Nederland als voorzitter van de EU de agenda van de Visserijraad
bepalen. De heer Vos deed daarvoor een aantal suggesties. Als eerste punt
noemde hij de onderlinge uitwisselbaarheid van vangstrechten. Het zou goed
zijn als de beheergroepen in die zin kunnen worden geëxploiteerd dat
ook in breder Europees verband begrip ontstaat voor en het voordeel wordt
gezien van de verhuurbaarheid van de geïndividualiseerde quota. Als tweede
agendapunt wees hij op de mogelijkheid van een zeedagenregeling in Europees
verband. Dat in de Ierse box voor Spanje in zekere zin een zeedagenregeling
geldt, kan wellicht als breekijzer dienen in die discussie. Als derde punt
noemde hij het gewicht en de aard van biologische adviezen. Het blijft moeilijk
vooruit prognoses te stellen en het is zelfs moeilijk ze achteraf vast te
stellen. De ontwikkeling van een onderzoek naar de visbestanden verdient daarom
alle aandacht. Een vierde agendapunt zou de verscherping van de controle in
Europees verband moeten zijn. Hij wees erop dat de vissersbond initiatieven
ontplooit om in buitenlandse havens de oog- en oorfunctie te bevorderen. Het
zou beter zijn als het niet zover hoeft te komen en in plaats daarvan rechtstreeks
door de EU wordt gecontroleerd. Wat is er voor nodig om die controle op gang
te krijgen? Een volgende agendapunt is de MOP-4-regeling. Wat zijn de contouren
van die regeling? Past de huidige sanering binnen dat kader? Als laatste punt
wees hij op het feit dat de grote Nederlandse vissersvloot de laatste jaren
effectief heeft gewerkt zonder overheidssteun. Ziet de minister kans dit economisch
perspectief als agendapunt op te voeren opdat in toekomstig Europees beleid
niet alleen naar het milieu wordt gekeken, maar in alle lidstaten gestreefd
wordt naar een economisch draagvlak voor de resterende vloot?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van Waning</nadruk> (D66) wees erop dat het uitgangspunt van
zijn fractie een verantwoorde visserij is, dat wil zeggen duurzaam met milieu-eisen verenigbare exploitatie van visbestanden en de toepassing
van vangst- en aquacultuurmethoden die niet schadelijk zijn voor de ecosystemen.
De Nederlandse vissersvloot bevat inmiddels dertien grote trawlers die op
verre afstand van Nederland vissen. Hij vreesde dat deze moderne schepen bijdragen
aan het probleem van de mondiale overbevissing en de doelstellingen van de
regering in het kader van de ontwikkelingssamenwerking verstoren. Volgt de
regering of de aanschaf van visrechten elders ten koste gaat van de regionale,
kleine visserij? </al>
      <al>Hij wees erop dat zijn fractie de natuur- en milieu-organisaties als haar
natuurlijke achterban beschouwt. Dat zij zich door die organisaties laat informeren,
betekent echter niet dat zij de visserijsector om zeep wil helpen. Integendeel,
door een nadrukkelijke aandacht voor duurzaamheid is er meer kans dat de Nederlandse
visserij in stand kan worden gehouden. Hij benadrukte dat de visserijsector
hem zeer dierbaar is, maar zonder visbestanden en een duurzaam marine-ecosysteem
heeft de visserij geen toekomst.</al>
      <al>Hij waardeerde het dat de heer Corten van het RIVO zijn bevindingen heeft
gepubliceerd ondanks bezwaren daartegen van het instituut. Met het achterhouden
van gegevens is immers niemand gebaat. De heer Corten gaat in een zogenaamde
Lesbrief in op het verschil tussen de oude, economisch-rationele manier van
vissen die een buffer hanteert tussen de gewenste vangsten en het biologisch
minimum, en de huidige manier die uitgaat van vissen tot het biologisch minimum.
Verder legt hij uit hoe de sterke fluctuaties ontstaan en wijst hij op het
risico dat de visserij onder het biologisch minimum doorschiet. Hoe denkt
de minister over deze bevindingen? Ziet hij het vissen tot het biologisch
minimum ook als het kernprobleem? De heer Waning vroeg om duidelijkheid op
dit punt om zodoende een goed afgewogen beslissing te kunnen nemen over de
evaluatie en de voorgestelde dekking van de sanering in verband met de verlaging
van de visquota. Hij stond positief tegenover de voorgestelde saneringsregeling
en sloot zich overigens aan bij het pleidooi dat er niet op enig moment sprake
mag zijn van uitvlaggen of een slimme uitruil van nieuw en groter tegen oud
en klein dan wel van zwevende licenties. Hij onderschreef het verzoek om een
rapportage van de sanering in de afgelopen tien jaar, omdat die sanering behoorlijk
«warm» lijkt te zijn verlopen. Het zou onverstandig zijn die werkwijze
te herhalen.</al>
      <al>De heer Van Waning gaf een kort overzicht van de terugloop in de visvangsten
sinds 1970. De probleemstelling is duidelijk, zo meende hij. Hij drong met
klem aan op Europese maatregelen om het totale marine-ecologisch systeem in
stand te houden, inclusief de visbestanden. Alleen op die manier kan de Nederlandse
visserij overleven. Is de minister bereid zich hiervoor in te zetten? </al>
      <tuskop letat="vet">Het antwoord van de minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij </tuskop>
      <al>De <nadruk type="vet">minister</nadruk> zei dat de vraag hoe tot een verantwoorde visserij
kan worden gekomen, een van de hoofdvragen van het beleid is en het thema
dat tot de opstelling van de structuurnota heeft geleid. De gedachtengang
van het gemeenschappelijk visserijbeleid dat een evenwicht moet worden gevonden
tussen de capaciteit en de mogelijkheden, vormt de basis van die nota. De
nota gaat verder uit van drie beleidslijnen: medeverantwoordelijkheid van
het bedrijfsleven voor het beheer van visbestanden, een aanpassing van het
gemeenschappelijk visserijbeleid als zodanig en het verminderen van de negatieve
bijeffecten van de visserij op het ecosysteem. De nota is uitvoerig met de
Kamer besproken en vormt de basis voor het beleid in de komende jaren, dat
wil zeggen in de periode van het gemeenschappelijk visserijbeleid tot 2002.
Ook de nota Dynamiek en vernieuwing refereert aan deze nota en aan de discussie
daarover met de Kamer. </al>
      <al>Het gemeenschappelijk visserijbeleid richt zich naast de weging van de
natuurwaarden, ook op de economische en sociale situatie van de visserijsector.
Die afweging is niet eenvoudig, maar ook de andere lidstaten geven duidelijk
te kennen dat zij hiervoor oog hebben. Verder betrekken zij de betreffende
elementen van het VN-Verdrag en de FAO-gedragsregels bij hun afwegingen. De
Europese Commissaris voor de visserij verenigt de belangen van de visserijsector
en het belang van een gezond marine-ecologisch systeem in zich. De gesprekken
die tot nu toe zijn gevoerd met de georganiseerde visserijsector en de vissers
wijzen uit dat zij het belang van de natuur- en omgevingswaarden absoluut
niet ontkennen. Op alle signalen over de visstand moet en zal alert worden
gereageerd.</al>
      <al>Met de voorbereiding van de discussie over het gemeenschappelijk visserijbeleid
na 2002 is een eerste begin gemaakt, want het is van groot belang dat tijdig
gedachten en ideeën worden geformuleerd. Het ministerie van LNV en DLO-RIVO
hebben eerste, verkennende gesprekken gevoerd. Het RIVO onderhoudt daarnaast
contacten met andere relevante onderzoeksinstituten in Europa. Uiteraard zal
gebruik worden gemaakt van alle gegevens die in dit kader ter beschikking
komen en rekening worden gehouden met de gedachtenvorming van de onderzoekers
zelf. In dit verband merkte de minister op dat de heer Corten als onderzoeker
grote waardering verdient; hij moet zich echter verre houden van opmerkingen
over het beleid. De bewindsman meende dat het vooralsnog de meest verstandige
weg is de komende jaren uit te gaan van de structuurnota; die heeft nog niets
aan actualiteit ingeboet.</al>
      <al>Over de basis van het beleid lijkt geen verschil van mening te bestaan,
maar het is duidelijk dat er correcties nodig zijn. Die zullen dan ook worden
doorgevoerd. Hij onderschreef de lijn van het gemeenschappelijk visserijbeleid
en zei dat hij het niet verstandig, maar ook niet noodzakelijk vindt daarvan
af te wijken.</al>
      <al>Hij merkte vervolgens op dat in de structuurnota wordt aangegeven dat
er nog steeds vraag bestaat naar hangcultures. De markt is overigens niet
zo groot; de vraag ontstaat vooral buiten het mosselseizoen.</al>
      <al>Naast het onderzoek naar meer selectieve vismethoden, wordt ook op andere
manieren geprobeerd de bijvangsten te verminderen. Zo zijn zeer recent de
kabeljauw- en wijtingdocumenten geïndividualiseerd. Dit betekent dat
ook boomkorvissers dergelijke documenten kunnen kopen en dat de vangsten niet
langer over boord hoeven te worden gezet, terwijl toch de quota worden nageleefd.
Het Noorse systeem behelst een verbod op het overboord zetten van vis, maar
de vis wordt natuurlijk wel gevangen. Het is niet bekend hoe dit systeem in
de praktijk functioneert. Hij zegde toe hiernaar te informeren.</al>
      <al>De minister achtte het bekend dat het RIVO in het verleden onderzoek heeft
gedaan naar de elektrische visserij. Dit onderzoek is in 1988 gestopt, mede
omdat er geen vergunning zou kunnen worden verstrekt voor deze vorm van visserij.
Nu echter duidelijk is dat de bijvangsten met deze vismethode kunnen worden
teruggedrongen, heeft het ministerie van EZ subsidie verleend voor verder
onderzoek en heeft het ministerie van LNV daaraan een bijdrage in natura geleverd.
De ontwikkelingen worden nauwgezet gevolgd, maar op dit moment kan nog niet
worden gezegd of een oplossing nabij is. De minister van LNV is aanspreekpunt
voor deze proefnemingen, die overigens een particulier initiatief zijn.</al>
      <al>Het Produktschap vis heeft eind januari jl. een notitie uitgebracht over
de gevolgen voor de sector van de door de Visserijraad vastgestelde TAC's
en quota. Daarin wordt ook ingegaan op het beleid dat de overheid volgens
het Produktschap in dit kader zou moeten voeren. De minister was het ermee
eens dat de sector niet heeft overvraagd. Daarom is in de gesprekken met het
Produktschap positief gereageerd op deze gedachten en voorstellen. In de bijdrage
van de rijksoverheid zal de nadruk liggen op het thema sanering; het grootste
deel van het bedrag zal daaraan worden besteed. Verder is met
het bedrijfsleven overeengekomen dat het verstandig is het bedrag over drie
in plaats van over twee jaar uit te smeren. Inclusief de middelen van de EU
is er 36,5 mln. beschikbaar voor de saneringsregeling, waarvan de uitbetaling
plaatsvindt in de jaren 1996, 1997 en 1998. Daarnaast zal er een opvarendenregeling
komen. De aanvraag van deze regeling ligt nog in Brussel, maar het antwoord
wordt ieder moment verwacht. Voor de experimentele visserij is in de komende
vier jaar een bedrag van 4 mln. beschikbaar. Voor sectoronderzoeken is in
de komende drie jaar een bedrag van 1,5 mln. ter beschikking. In totaal dus
een bedrag van 45 mln., inclusief een bijdrage van 11,5 mln. van de EU en
6 mln. van de sector.</al>
      <al>Afgelopen maandag is een dringend beroep gedaan op de sector om, gegeven
de positieve insteek van de overheid, zelf een bijdrage te leveren aan dit
proces, ook omdat in het overleg op andere beleidsterreinen, bijvoorbeeld
met de landbouworganisaties, vergelijkbare inspanningen worden gevraagd. De
bijdrage van de overheid wordt bekostigd uit de begroting van het ministerie
van LNV; de minister van Financiën gaat hiermee akkoord. Overigens is
het bedrag met de grootste moeite bijeen gebracht. De minister zei dat hij
zich die inspanning ook heeft getroost, omdat een bijdrage van de Nederlandse
overheid een bepaalde geldstroom van de EU zal genereren. Hij ging vooralsnog
niet in op de vraag wat er zal gebeuren als de sector onverhoopt niet in staat
blijkt de eigen bijdrage van 6 mln. bijeen te brengen. De voorzitter van het
Produktschap heeft zich bereid verklaard de gedachte van een bijdrage van
de sector te verdedigen. Het antwoord van het Produktschap wordt over twee
weken verwacht.</al>
      <al>Verder is afgesproken dat het accent zal worden gelegd op sanering en
niet op stilliggen, omdat premiëring van niets doen in dit kader geen
goed signaal is. Overigens zal moeten vaststaan dat er werkelijk sprake is
van sanering. Zwevende licenties zijn inmiddels van de markt: nu zullen mèt
de pk's ook de licenties verdwijnen.</al>
      <al>De minister zei dat hij een ondernemer die op de een of andere manier
kans ziet buiten Nederland aan licenties te komen, dat niet kan verhinderen.
Hij voegde hieraan toe dat de ontwikkelingssubsidie voor het varen op verre
kusten alleen wordt verstrekt voor experimentele visserij in dit kader en
niet voor de bouw van nieuwe schepen. Hij zegde toe die voorwaarde naar voren
te brengen in het overleg met het Produktschap. De EU heeft zich een totale
saneringstaak gesteld in het kader van MOP-3, maar de EU-sanering laat wel
enige ruimte voor lidstaten die aan hun doelstelling hebben voldaan en een
ondernemer die kans ziet daarvan gebruik te maken, kan niet worden tegengehouden.
Overigens betekent dit niet dat de totale capaciteit binnen de Unie toeneemt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Huys</nadruk> (PvdA) drong erop aan dat een schip dat wordt
gesaneerd, uit de vaart wordt genomen en nooit meer elders, waar ook ter wereld,
voor de visvangst terugkomt. Dat een ondernemer vervolgens in het buitenland
visrechten en een schip met een licentie koopt, kan niet worden voorkomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">minister</nadruk> bevestigde dat een schip dat wordt gesaneerd, moet
verdwijnen, maar dit betekent niet dat het niet buiten de Unie als vissersschip
mag worden gebruikt.</al>
      <al>Het visserijbeleid is voornamelijk Uniebeleid en in dit kader vindt ook
de discussie over de visbestanden plaats. De discussie over de visserij in
het kader van de Noordzeeconferentie gaat primair over het gebruik van visbestanden
en die discussie moet dan ook uiteraard in Brussel plaatsvinden. Het systeem
van de Biesheuvelgroepen is ontwikkeld als een nationaal systeem, maar past
binnen het gemeenschappelijk visserijbeleid. In het kader van de toekomst
van dit beleid wordt ervoor gepleit deze systematiek uit te werken in het
uniebeleid. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van Waning</nadruk> (D66) wees erop dat de minister in zijn
notitie schrijft dat hij van een rationale exploitatie wil overgaan naar een
beheer op basis van het biologisch minimum. Dat is een fundamentele koerswijziging.
Dan kan de minister toch niet volhouden dat er sinds 1993 niets is veranderd
en dat hij het gemeenschapsbeleid volgt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">minister</nadruk> zei dat de gedachtenlijn van het beleid uitgaat
van de systematiek van het biologisch minimum. Aan de hand van wetenschappelijke
gegevens wordt de «input» in de EU geleverd. Daarna ontstaat er
discussie over de TAC's en quota die voor het komende jaar moeten worden vastgesteld.
Daarbij komen ook andere aspecten aan de orde, zoals de sociale en economische
gegevens van de sector.</al>
      <al>Aan de commissarissen van de koningin in Friesland, Flevoland en Noord-Holland
is gevraagd of zij het overleg met de visserij en de natuur- en milieu-organisaties
in hun provincie over het terugdringen van de aalscholver willen openen. In
dit overleg moet uiteraard rekening worden gehouden met de Europese richtlijnen
en de Nederlandse wetgeving ter zake.</al>
      <al>De minister zegde toe schriftelijk een overzicht te verschaffen van de
EU-middelen die Spanje en Portugal voor hun visserijsector hebben ontvangen.</al>
      <al>Hij vond het een positieve ontwikkeling en een goed signaal dat 96% van
de visserijsector zich bereid heeft verklaard zich weer in Biesheuvel-groepen
te groeperen. Thans worden visplannen opgesteld.</al>
      <al>De sector heeft verder gevraagd de controle door de AID in ieder geval
op peil te houden en waar mogelijk te intensiveren. Ook dat zal gebeuren,
omdat er voor dit jaar in het kader van de visserijcontrole één
formatieplaats extra ter beschikking zal worden gesteld. Hij zei dat hij in
de Visserijraad regelmatig indringend aandacht vraagt voor het vraagstuk van
de controle. Die controle wordt nationaal uitgevoerd; de EU ziet op zijn beurt
toe op de nationale controle. Hij voegde hieraan toe dat hij ook in de gesprekken
in en rond de Visserijraad in december jl. nadrukkelijk de aandacht van de
Europese Commissaris voor de visserij voor dit onderwerp heeft gevraagd. Zij
heeft zeer alert gereageerd. Het probleem is echter dat er geen beroep kan
worden gedaan op het EU-toezicht op basis van geruchten, veronderstellingen
en kranteartikelen over de illegale aanlanding in andere lidstaten. Daarom
is het bedrijfsleven gevraagd harde bewijzen te leveren die in de EU kunnen
worden aangevoerd. Hij was ervan overtuigd dat de EC overigens bereid is de
nodige stappen te zetten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van der Vlies</nadruk> (SGP) vreesde dat het nog lang zal duren
voordat er harde bewijzen kunnen worden geleverd. In de tussentijd moet er
toch iets gebeuren. Waarom volgen de andere lidstaten niet het proces en de
werkwijze die in Nederland eerder zijn gevolgd?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">minister</nadruk> antwoordde dat de EU de nationale controle controleert.
Een systeem van wederzijdse controles achtte hij niet haalbaar. Hij voegde
hieraan toe dat hij in de Visserijraad tot de rand is gegaan door zeer indringend
aandacht voor dit probleem te vragen en verzekerde de Kamer dat hij alert
zal blijven.</al>
      <al>Met het ministerie van Financiën zijn inmiddels afspraken gemaakt
over de uitvoering van de motie Vreugdenhil/Smits, aldus de bewindsman. </al>
      <al>De ministeries van V&amp;W en van LNV werken gezamenlijk aan de voorbereiding
van de Noordzeeconferentie. Op dit moment wordt het totale veld in kaart gebracht.
Een groot deel van de coördinatie van de conferentie geschiedt vanuit
Brussel. Er is geen sprake van een trage start, noch van problemen bij de
voorbereiding.</al>
      <al>De opmerking in het voortgangsverslag dat het onderzoek naar de mogelijkheden
van structuurverbeteringen in de garnalensector is gesubsidieerd
in het kader van de PESCA-regeling, is niet juist. Het onderzoek wordt thans
voorbereid; het zal, naar het zich laat aanzien, wel worden betaald uit de
PESCA-regeling.</al>
      <al>De toewijzing van de oesterpercelen verkeert in de eindfase. Naar verwachting
zal de adviescommissie volgende week advies uitbrengen. De minister hoopte
de Kamer spoedig zijn reactie voor te leggen.</al>
      <al>Hij achtte een regeling voor arbeidstijdverkorting in de visverwerkende
industrie onvermijdelijk. Daartoe is inmiddels overleg met het ministerie
van SZW geopend.</al>
      <al>Het regime in de Ierse box heeft betrekking op de beheersing van de visserijactiviteiten
in de wateren ten westen van het VK en Ierland en is feitelijk bedoeld ter
beheersing van de inzet van de vloot van elke lidstaat die in deze wateren
mag vissen. De ervaringen met dit systeem zijn nog zeer beperkt; het systeem
is pas dit jaar in werking getreden. De EU is nog niet zover om dit regime
als het begin van een communautaire zeedagenregeling te beschouwen. Nederland
pleit regelmatig voor een dergelijke regeling. Zo is dit onderwerp ook aan
de orde gesteld in het in september 1995 in Nederland gevoerde overleg met
de Europees Commissaris.</al>
      <al>De ontwikkeling van een torsiemeter is complex, vooral omdat de meter
fraudebestendig moet zijn. Inmiddels is een testprotocol opgesteld. In overleg
met de leveranciers wordt gezocht naar een eenduidig ontwerpcriterium voor
een prototype voor deze meter. Het is onduidelijk wanneer kan worden begonnen
met het testen van het prototype.</al>
      <al>De minister zei dat de suggesties voor agendapunten voor de Visserijraad
ten tijde van het Nederlandse voorzitterschap een aantal thema's bevatten
die voor Nederland van vitaal belang zijn. In die periode moeten ook de eerste
stappen worden gezet naar een volgende saneringsronde: de MOP-4. Hij ging
ervan uit dat in de loop van het jaar nog afzonderlijk met de Kamer van gedachten
zal worden gewisseld over de thema's die van Nederlandse zijde aan de orde
zullen worden gesteld. </al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
        <naam>Blauw</naam>
        <functie>De griffier van de commissie,</functie>
        <naam>Nava   </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling: Leden: Van der Linden (CDA), Blauw (VVD), voorzitter, Van
der Vlies (SGP), ondervoorzitter, M.M.H. Kamp (VVD), Esselink (CDA), Smits
(CDA), Reitsma (CDA), Huys (PvdA), Swildens-Rozendaal (PvdA), Ter Veer (D66),
Van Zijl (PvdA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Aiking-van Wageningen (groep-Nijpels),
Woltjer (PvdA), Schuurman (CD), Augusteijn-Esser (D66), Van den Bos (D66),
Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Stellingwerf (RPF), Crone (PvdA), M.B. Vos
(GroenLinks), Van Waning (D66), Keur (VVD), O.P.G. Vos (VVD), Passtoors (VVD).</al>
    <al>Plv. leden: Bukman (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van Middelkoop
(GPV), Remkes (VVD), Beinema (CDA), Leers (CDA), Biesheuvel (CDA), Van Gijzel
(PvdA), Liemburg (PvdA), Hoekema (D66), M.M. van der Burg (PvdA), Verspaget
(PvdA), Verkerk (AOV), Dijksma (PvdA), Poppe (SP), Jorritsma-van Oosten (D66),
Gabor (CDA), Leerkes (Unie 55+), De Cloe (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks),
Doelman-Pel (CDA), Cornielje (VVD), Verbugt (VVD), H.G.J. Kamp (VVD).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>