﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="sg" publtype="meto">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24222-3/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>1/2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1994-1995</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>5K1733</ordernr>
    <vergjaar>1994-1995</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>24 222</nummer>
      <naam>Regels met betrekking tot de oprichting van de Stichting Uitvoeringsinstelling
Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs (Wet Stichting USZO)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>3</nummer>
      <titel>MEMORIE VAN TOELICHTING </titel>
      <tuskop letat="vet">I. ALGEMEEN </tuskop>
      <tuskop letat="vet">1. Inleiding</tuskop>
      <al>In het kader van de herziening van de uitvoering van de sociale zekerheid
bij de overheid, is besloten de bestaande uitvoeringsorganisaties samen te
voegen en te privatiseren. Het gaat hierbij om de Dienst Uitvoering Ontslaguitkeringsregelingen
(DUO) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, de Dienst Uitkeringen Onderwijs
(UO) van de thans verzelfstandigde Informatie Beheer Groep, de Dienst Sociale
Zekerheid Militairen (DSZM) van het Ministerie van Defensie en het Sociaal
Zekerheidsbedrijf (SZ-bedrijf) van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (ABP).</al>
      <al>Wat betreft de rechtsvorm gaat de voorkeur uit naar die van een stichting,
waarvan diensten worden ingehuurd door de toekomstige opdrachtgevers.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De achtergrond van het onderhavige voorstel ligt in een aantal beslissingen
dat het kabinet heeft genomen met betrekking tot het onder de werknemersverzekeringen
brengen van het overheidspersoneel, zoals verwoord in de brief van de Minister
van Binnenlandse Zaken van 15 juli 1993, nr. T.K. 22 800 VII, nr. 44,
gericht aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Hierbij
werd het voornemen bekendgemaakt dat het overheidspersoneel per 1 januari
1996 onder de werking van de werknemersverzekeringen wordt gebracht (de zogenaamde
«OOW-operatie»). Het betreft hierbij een systeemwijziging waarbij
de aanspraken van het overheidspersoneel in verband met werkloosheid, ziekte
en arbeidsongeschiktheid worden gescheiden in een wettelijk deel en een bovenwettelijk
deel. Het totale niveau van rechten en verplichtingen van het overheidspersoneel
in verband met werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid blijft door deze
operatie onaangetast. In aanvulling op de wettelijke verzekeringen zullen
bovenwettelijke regelingen tot stand gebracht moeten worden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Teneinde de uitvoering van bovenstaande ter hand te kunnen nemen heeft
de regering ingestemd met de totstandkoming van een nieuwe Uitvoeringsinstelling
Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs, verder afgekort
tot USZO. Deze organisatie zal worden samengesteld uit de vier bovengenoemde,
bestaande, uitvoeringsorganisaties. Gelet op het feit dat naar verwachting
per 1 januari 1996 de Algemene burgerlijke pensioenwet zal worden ingetrokken –
en daarmee de basis voor de uitvoering van een invaliditeitspensioen voor
ambtenaren komt te vervallen – dient deze organisatie per genoemde datum
operationeel te zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met het onderhavige voorstel van wet wordt beoogd de stap naar privatisering
van de vier samen te voegen onderdelen mogelijk te maken. Voor de privatisering
is op grond van artikel 29 van de Comptabiliteitswet een wettelijke machtiging
vereist. Naast een machtiging om de USZO op te richten, geeft het wetsvoorstel
regelingen voor de vermogensrechtelijke en personele gevolgen van de privatisering. </al>
      <tuskop letat="vet">2. Financiële aspecten</tuskop>
      <al>Tot het moment van privatisering vallen enkele samenstellende delen van
de op te richten Stichting USZO onder het regime van de Comptabiliteitswet,
te weten DUO, UO en DSZM. De uitgaven en ontvangsten van deze onderdelen maken
deel uit van de begrotingen van resp. het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Defensie. De uitgaven en ontvangsten
van het SZ-bedrijf maken deel uit van de ABP-begroting.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tussen de overheidswerkgevers en te zijner tijd de bedrijfsvereniging
aan de ene kant en de USZO aan de andere kant zullen één of
meerdere overeenkomsten worden gesloten. In deze overeenkomsten zullen ook
de financiële gevolgen van het uitbesteden van de uitvoering aan de orde
komen, zoals de wijze van doorberekening van de uitvoeringskosten aan de opdrachtgevers.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de start van de USZO zal sprake zijn van een gezonde financiële
structuur die een goede basis biedt voor de continuïteit van de Stichting.
Uitgangspunt is dat de USZO een zodanige vermogenspositie zal krijgen dat
deze in lijn is met de vermogenspositie van vergelijkbare instellingen. De
centrale computers van het ABP en de IB-Groep zullen niet worden overgedragen.
Voor het gebruik van deze computers zullen dienstverleningscontracten worden
afgesloten met de op te richten Stichting Pensioenfonds ABP en de IB-Groep.
Aan de USZO zullen, naast eerder genoemde roerende goederen, geen nadere voorzieningen
of reserves worden meegegeven.</al>
      <al>Voor alle activa geldt dat de waardering zal plaatsvinden op basis van
de actuele waarde op het moment van privatisering, vastgesteld door een door
Financiën aan te wijzen beëdigd taxateur.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Teneinde de Stichting in staat te stellen betalingen uit hoofde van programma-
en apparaatskosten te doen, heeft zij na datum van privatisering een nader
te bepalen werkkapitaal nodig.</al>
      <al>Op basis van de huidige apparaats- en programma-uitgaven, zijnde 7,7 mrd.,
zou, als gevolg van het ongelijktijdige moment van inning van de premies en
betaling van de uitkeringen, een liquiditeitsbehoefte kunnen ontstaan.</al>
      <al>Op grond van financieringsafspraken tussen het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds
(AAF), het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP)
en het ABP is de liquiditeitsbehoefte van één van de samenstellende
delen van de USZO, het SZ-bedrijf, gewaarborgd. Voor ongeveer 55% van bovengenoemde
uitgaven behoeven derhalve geen nadere maatregelen te worden getroffen voor
de financiering van de programma- en apparaatsuitgaven. </al>
      <al>Ten aanzien van de uitgaven van de overige samenstellende delen wordt
vastgesteld dat ter financiering van de uitkeringen en apparaatskosten met
ingang van 1996 tijdig iedere maand, voor zover dit noodzakelijk is, voorschotten
zullen worden verstrekt.</al>
      <al>Hiermede is de liquiditeitsbehoefte van deze samenstellende onderdelen
van de USZO gewaarborgd en behoeven derhalve geen nadere maatregelen te worden
genomen. Er dienen in dit verband met de opdrachtgevers afspraken te worden
gemaakt over de voorwaarden en omvang van de bevoorschotting.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De USZO zal alle vorderingen en verplichtingen, voortvloeiende uit het
cliëntenbestand en samenhangende met de apparaatsuitgaven van de samenstellende
delen van de USZO, overnemen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Als uitgangspunt bij de privatisering geldt ook dat de voorwaarden van
de arbeidsovereenkomst, de pensioenvoorziening hieronder begrepen, grosso
modo niet ongunstiger mogen zijn dan die welke golden vóór de
privatisering. Dit betekent dat op onderdelen van het arbeidsvoorwaardenpakket
verschillen kunnen optreden die echter per saldo niet mogen resulteren in
een verslechtering van het totale pakket. Dit houdt in dat op bepaalde punten
misschien overgangsregelingen moeten worden getroffen om te voorkomen dat
bepaalde categorieën personeel er op achteruitgaan. Het ligt in de lijn
der verwachtingen dat, indien de voorziene privatisering van het ABP op de
overgangsdatum zal zijn gerealiseerd, de pensioenen van de personeelsleden
van de USZO worden ondergebracht bij de Stichting Pensioenfonds ABP. De financiering
van onderhavige problematiek zal geschieden binnen de bestaande budgettaire
kaders.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De sociale aspecten van de privatisering zullen worden uitgewerkt in een
sociaal statuut. Vanzelfsprekend zullen hierbij ook de financiële consequenties
in de overwegingen worden betrokken en aan de opdrachtgevers worden doorberekend. </al>
      <tuskop letat="cur">Indicatieve openingsbalans</tuskop>
      <al>Het bovenstaande leidt tot de volgende indicatieve openingsbalans: </al>
      <tuskop letat="vet">(bedragen x f 1 miljoen) </tuskop>
      <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
        <tgroup align="left" charoff="75" cols="5" tgroupstyle="sdu1">
          <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="70mm"></colspec>
          <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="10mm"></colspec>
          <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="11mm"></colspec>
          <colspec colname="c4" colnum="4" colwidth="70mm"></colspec>
          <colspec colname="c5" colnum="5" colwidth="10mm"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">ACTIVA</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">PASSIVA</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">A. Vaste
activa</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">PM</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">C. Eigen vermogen</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">PM </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">* machines/installaties</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">* inventaris</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">* overige vaste activa </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">B.
Vlottende activa</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">PM</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">D. Kortlopende schulden</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">PM </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">*
debiteuren</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">* crediteuren</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">* vooruitbetaalde
kosten</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">* overige kortlopende verplichtingen</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">* vooruitontvangen</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <tuskop letat="cur">Gevolgen voor de rijksbegroting</tuskop>
      <al>Bij het bepalen van de gevolgen voor de rijksbegroting dient onderscheid
te worden gemaakt tussen de additionele kosten en de uitvoeringskosten ná
de privatiseringsdatum.</al>
      <al>In de dekking van de additionele kosten ten behoeve van de inrichting
van de USZO is/wordt als volgt voorzien. In het najaar van 1994 heeft het
kabinet besloten om de additionele kosten voor 1994 rijksbreed te financieren.
Ter dekking van de noodzakelijke uitgaven over 1995 is bij Voorjaarsnota 1995
een voorschotbedrag beschikbaar gesteld. Over de verrekening van
dit bedrag en de financiering van de additionele kosten voor de jaren 1996
tot en met 1998 vindt in het najaar van 1995 besluitvorming plaats.</al>
      <al>Na de privatiseringsdatum zullen de uitvoeringskosten van de dienstverlening
van de USZO op basis van contracten worden verrekend met de opdrachtgevers.</al>
      <al>Ten aanzien van de vraag wie opdrachtgever van de USZO is, moet onderscheid
gemaakt worden naar het tijdstip en naar het soort regeling. Voorafgaand aan
het moment van het van toepassing worden van de wettelijke werknemersverzekeringen
zijn opdrachtgevers voor het uitvoeren van regelingen respectievelijk:</al>
      <al>– het FAOP voor het WAO-conforme gedeelte;</al>
      <al>– de Stichting Pensioenfonds ABP voor het bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsgedeelte;</al>
      <al>– de wetgever voor de fictieve AAW-uitvoering;</al>
      <al>– de overheidswerkgevers voor wachtgelden en ziektekosten;</al>
      <al>– de Minister van Defensie voor regelingen met betrekking tot militair
personeel.</al>
      <al>Na het moment van het van toepassing worden van de nieuwe wettelijke regeling
met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en ziekte, is de
opdrachtgever de (nieuwe) Bedrijfsvereniging Overheid (de NBVO), of het orgaan
dat in de Organisatiewet sociale verzekeringen (OSV) als zodanig zal worden
aangewezen. De opdrachtgever voor het bovenwettelijke of sectorspecifieke
gedeelte zal respectievelijk zijn met betrekking tot:</al>
      <al>– het aanvullend invaliditeitspensioen (bovenwettelijke WAO) van
burgerambtenaren: het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP;</al>
      <al>– het aanvullend arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitspensioen
voor militairen: de Minister van Defensie;</al>
      <al>– de overige arbeidsongeschiktheids- en ziekte-aanspraken: de werkgever;</al>
      <al>– werkloosheid: de werkgever;</al>
      <al>– overige, sectorspecifieke zaken: de werkgever; (in de laatste
drie gevallen overigens tenzij door betrokken sociale partners anders wordt
beslist). </al>
      <tuskop letat="cur">Fiscale aspecten</tuskop>
      <al>Omtrent de fiscale gevolgen van de oprichting van de stichting USZO merk
ik het volgende op. </al>
      <tuskop letat="rom">Vennootschapsbelasting</tuskop>
      <al>Zoals in het voorgaande is uiteengezet, zullen enige diensten belast met
de uitvoering van de sociale zekerheid voor overheidspersoneel in het kader
van privatisering worden ingebracht in een nog op te richten Stichting USZO.
De stichting zal ingevolge artikel 2 van het wetsvoorstel worden belast met
de administratieve uitvoering van regelingen op het terrein van de sociale
zekerheid van actief en van gewezen overheids- en onderwijspersoneel.</al>
      <al>Volgens artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969 zijn stichtingen slechts belastingplichtig indien en voor zover zij een
onderneming drijven. Gezien de activiteiten van de stichting en de wijze van
financiering mag worden aangenomen dat bij de uitvoering van de sociale zekerheid
voor overheids- en onderwijspersoneel een winststreven zal ontbreken zodat
de stichting ook geen onderneming zal drijven. Naar verwachting zal uit dien
hoofde dan ook bij de uitvoering van de wettelijk omschreven taak geen belastingplicht
voortvloeien. Echter ook uit andere hoofde kan belastingplicht voortvloeien.
Stichtingen worden op grond van artikel 4, onderdeel a, van de
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geacht een onderneming te drijven, indien
zij in concurrentie treden met ondernemingen van natuurlijke personen dan
wel met nv's, bv's, coöperatieve verenigingen of onderlinge waarborgmaatschappijen.
Wat betreft dit concurrentie-criterium zij opgemerkt dat de activiteiten van
de stichting nog het meest overeenkomst vertonen met die van een erkende uitvoeringsinstelling
als bedoeld in de OSV. Dit lichaam is als publiekrechtelijk rechtspersoon
niet belastingplichting voor de vennootschapsbelasting. Ook krachtens dit
criterium zal dus naar verwachting voor de uitvoering van de wettelijk omschreven
taken geen belastingplicht voortvloeien.</al>
      <al>Mocht blijken dat de stichting voor de uitvoering van de wettelijk omschreven
taken toch een onderneming drijft, dan vloeit de belastingplicht al rechtstreeks
voort uit de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Hiermee is voldaan aan
het fiscale beleid voor de vennootschapsbelasting dat er in het algemeen op
is gericht het in het kader van de verzelfstandiging op te richten lichaam
zoveel mogelijk marktconform te behandelen.</al>
      <al>Zoals voorts uit artikel 2 van het wetsvoorstel blijkt, kan de Stichting
USZO tegen betaling ook andere werkzaamheden uitvoeren dan die welke rechtstreeks
voortvloeien uit de wettelijk omschreven taken. Indien dergelijke activiteiten
een zodanige omvang gaan aannemen dat sprake is van het drijven van een onderneming
dan zal de Stichting USZO voor die activiteiten in de heffing van de vennootschapsbelasting
worden betrokken. </al>
      <tuskop letat="rom">Omzetbelasting</tuskop>
      <al>Wat betreft de BTW-aspecten kan worden gesteld dat door privatisering
in de vorm van een stichting, de USZO zodanig los van de overheid komt te
staan dat de USZO als een ten opzichte van de overheid onafhankelijke derde
moet worden aangemerkt. Dit heeft tot gevolg dat de USZO voor haar werkzaamheden
optreedt als ondernemer voor de BTW.</al>
      <al>Gezien echter de wijze van samenwerking, de aard van de werkzaamheden
en er van uitgaande dat de USZO van degenen die in de USZO samenwerken slechts
terugbetaling vraagt van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, vallen de
diensten van de USZO ten behoeve van de samenwerkenden in de USZO onder de
BTW-vrijstelling voor samenwerkingsverbanden van vrijgestelde of niet-ondernemers
(artikel 11, eerste lid, onderdeel u, van de Wet op de omzetbelasting 1968).
Als samenwerkenden worden in dit verband aangemerkt de opdrachtgevers die
als zodanig hiervoor zijn genoemd in de paragraaf Gevolgen voor de rijksbegroting.</al>
      <al>Tegenover deze vrijstelling staat dat geen aftrek van voorbelasting zal
kunnen plaatsvinden voor de ten behoeve van de vrijgestelde prestaties gebezigde
goederen en diensten.</al>
      <al>De diensten die de USZO verricht jegens derden anderen dan degenen die
samenwerken in de USZO – vallen niet onder een BTW-vrijstelling. </al>
      <tuskop letat="rom">Overdrachtsbelasting</tuskop>
      <al>Bij privatiseringsoperaties is het gebruikelijk zo veel mogelijk incidenteel
fiscaal voor- en nadeel ten gevolge van de privatisering te voorkomen. Daarom
is in artikel 7 bepaald dat de heffing van overdrachtsbelasting achterwege
blijft. </al>
      <tuskop letat="vet">3. Personele aspecten</tuskop>
      <al>Door de privatisering verliest het personeel in dienst van de in de Stichting
USZO opgaande dienstonderdelen de ambtelijke status; personeelsleden zullen
geen ambtenaar meer zijn in de zin van de Ambtenarenwet. In beginsel zullen
de werknemers van de dienstonderdelen na de privatisering werkzaam
zijn bij de Stichting USZO op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
Het wetsvoorstel voorziet in een overgang van het personeel naar de Stichting
USZO van rechtswege indien het bevoegd gezag zodanig heeft beslist, tenzij
het personeelslid hiertegen bezwaar heeft. Voor de behandeling van bezwaren
wordt in artikel 5 van het voorstel een regeling getroffen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De beoogde bezwarenregeling zal uitgaan van een gelijke procedure voor
alle betrokkenen. Hierbij geldt het uitgangspunt dat, hoewel de basisorganisaties
zelfstandig over de bezwaren zullen beslissen, er sprake zal moeten zijn van
een uniforme behandeling daarvan. Wij gaan ervan uit dat de bezwarenregeling
zal voorzien in de instelling van een gezamenlijke bezwarencommissie die het
betreffende bevoegd gezag adviseert. </al>
      <tuskop letat="vet">4. Samenhang met andere wettelijke trajecten</tuskop>
      <al>De voorgenomen privatisering is geen los staande operatie. Er is een samenhang
met enerzijds de reeds eerder genoemde OOW-operatie, waarbij het overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen zal worden gebracht, en anderzijds de voorgenomen
privatisering van het ABP.</al>
      <al>Het voorstel van wet met betrekking tot de privatisering van het ABP en
het onderhavige voorstel van wet dienen op elkaar aan te sluiten. Hierbij
moet onderscheid worden gemaakt tussen de situaties waarin het voorstel van
wet met betrekking tot de privatisering van het ABP eerder is, gelijktijdig
wordt of later tot wet zal zijn verheven in vergelijking met het onderhavige
voorstel. Tijdens de eindfase van de behandeling van het voorstel door de
Tweede Kamer der Staten-Generaal bestaat hierop meer zicht. Zonodig zal het
wetsvoorstel dan worden aangepast. Zo zal bijvoorbeeld artikel 5 moeten worden
aangepast als er op de overgangsdatum tevens sprake zal zijn van privatisering
van het ABP. Er zou dan immers geen basisorganisatie meer zijn voor personeel
dat afkomstig is van het ABP, maar dat (nog) niet overgaat naar de Stichting
USZO. </al>
      <tuskop letat="vet">5. Informatieverstrekking aan de Minister van Binnenlandse
Zaken</tuskop>
      <al>Bij overeenkomst zal worden afgesproken dat de Stichting aan de Minister
van Binnenlandse Zaken de statistische informatie zal verstrekken, die de
Minister van Binnenlandse Zaken nodig heeft in verband met zijn bestuurlijke
verantwoordelijkheid voor het overheidspersoneelsbeleid. Over deze informatieverstrekking
worden door de Minister van Binnenlandse Zaken en de Stichting nadere afspraken
gemaakt. Deze afspraken zijn nodig omdat de Minister van Binnenlandse Zaken
in het kader van zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het overheidspersoneelsbeleid
moet kunnen beschikken over de nodige feitelijke gegevens ter zake van de
werknemersverzekeringen voor overheid en onderwijs.</al>
      <al>Bij overeenkomst zal tevens worden afgesproken dat de Stichting aan de
sectorwerkgevers en overige opdrachtgevers de informatie zal verstrekken die
zij nodig hebben in verband met hun beleidsmatige en bestuurlijke verantwoordelijkheid. </al>
      <tuskop letat="vet">6. De Algemene Rekenkamer</tuskop>
      <al>De Algemene Rekenkamer heeft thans controlerechten bij DUO, DSZM, UO en
het SZ-bedrijf van het ABP. Bij DUO en DSZM op grond van de artikelen 51 tot
en met 57 van de Comptabiliteitswet, bij UO op grond van artikel 59, eerste
lid, onder d, van de Comptabiliteitswet en bij het SZ-bedrijf van het ABP
op grond van artikel M5 van de ABP-wet. </al>
      <al>Hieronder wordt ingegaan op de gevolgen voor de taken en bevoegdheden
van de Algemene Rekenkamer zoals deze voortvloeien uit dit wetsvoorstel. Daarbij
wordt waar nodig de OSV betrokken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zodra de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de USZO heeft erkend
als uitvoeringsinstelling in de zin van artikel 51 van de OSV dient de USZO
de in de OSV geregelde taken uit te voeren. Voor de volledigheid wordt hier
vermeld dat besluitvorming van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
op dit punt zal plaatsvinden naar aanleiding van de uitkomsten van de Stuurgroep
ontvlechting bedrijfsverenigingen. De USZO zal dan via de NBVO worden gefinancierd
uit premie-opbrengsten, met andere woorden uit bij of krachtens de wet ingestelde
heffingen.</al>
      <al>In deze situatie voldoet de Stichting USZO derhalve aan de definitie van
artikel 59, eerste lid, onder d, van de Comptabiliteitswet. De Rekenkamer
zal dan dus dezelfde controlebevoegdheden hebben bij de USZO als bij de overige
uitvoeringsinstellingen in de zin van de OSV.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tot het moment waarop de NBVO als bedrijfsvereniging in de zin van de
OSV is erkend (mede afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van de voorziene
Wet OOW), heeft de Algemene Rekenkamer tengevolge van dit wetsvoorstel geen
taak met betrekking tot de USZO.</al>
      <al>Het eerder genoemde wetsvoorstel met betrekking tot de privatisering van
het ABP gaat er evenwel van uit dat de feitelijke werkzaamheden inzake de
overeenkomstige toepassing van de WAO in opdracht van het FAOP (als bedoeld
in artikel 21 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP)
door de USZO worden uitgevoerd.</al>
      <al>Indien het wetsvoorstel privatisering ABP zal voorzien in de wettelijke
verplichting voor het FAOP om de uitvoerende werkzaamheden inzake de WAO-conforme
uitkering te laten uitvoeren door de USZO, zal het zo zijn dat, gelet op het
gegeven dat de Stichting, zij het op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst,
deels zal worden bekostigd uit heffingen ingevolge artikel 23 Wet FVP/ABP,
de controlerende bevoegdheden van de Rekenkamer voor zover het de overeenkomstige
toepassing van de WAO betreft zich mede zullen uitstrekken tot de USZO. De
grondslag voor deze bevoegdheden van de Rekenkamer is in dat geval artikel
59, eerste lid, onder d, van de Comptabiliteitswet. </al>
      <tuskop letat="vet">II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Artikel 2</tuskop>
      <al>Het eerste lid bevat de machtiging die op grond van artikel 29 van de
Comptabiliteitswet is vereist om namens de Staat te kunnen overgaan tot (mede)
oprichting van een privaatrechtelijke rechtspersoon. Aan de oprichting van
deze Stichting zal te zijner tijd mede worden deelgenomen door het bestuur
van het ABP.</al>
      <al>Het tweede lid van dit artikel geeft aan wat de taken van de Stichting
USZO zullen behelzen. In het algemeen kan worden gesteld dat de hieruit voortvloeiende
werkzaamheden conform zijn aan die welke bij vergelijkbare uitvoeringsinstellingen
sociale zekerheid in de markt worden uitgevoerd. Een aansluiting bij de bedrijfstak
Sociale Zekerheid ligt dan ook in de rede, onder meer in de vorm van gezamenlijk
overleg binnen de kring van directeuren en het in deze kring gezamenlijk onderhandelen
over een (model-)CAO.</al>
      <al>De mogelijkheid wordt geschapen dat de Stichting USZO haar werkzaamheden
ook voor andere opdrachtgevers binnen deze bedrijfstak gaat uitvoeren.  </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 3</tuskop>
      <al>Het eerste lid bepaalt dat de vermogensbestanddelen (de rechten en verplichtingen,
waar onder schulden en vorderingen) die aan de deelnemende organisaties worden
toegerekend, onder algemene titel overgaan op de Stichting USZO. Door deze
bepaling worden voor de overgang geen nadere rechtshandelingen als (het doen
passeren van) akten of betekeningen gevorderd. Er wordt vermeden dat de vermogensbestanddelen
op de door het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven wijze door de deelnemende
publiekrechtelijke lichamen aan de Stichting USZO zouden moeten worden geleverd.</al>
      <al>De in het tweede lid opgenomen bepaling strekt ertoe dat, mede ten behoeve
van derden, conform artikel 94a, tweede lid van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek, door middel van de door een accountant op te stellen verklaring uitsluitsel
wordt verkregen omtrent de onder de overgang begrepen vermogensbestanddelen.
De desbetreffende verklaring moet met het oog op de kenbaarheid daarvan door
belanghebbenden, worden neergelegd op het kantoor van het handelsregister
van de plaats waar de rechtspersoon statutair zijn zetel heeft.</al>
      <al>In het derde lid is bepaald dat ten aanzien van onder de overgang begrepen
vermogensbestanddelen welke in openbare registers te boek zijn gesteld, verandering
van tenaamstelling in die registers moet plaatsvinden. Deze bepaling is nodig
omdat, zoals hiervoor werd aangegeven, in het kader van de overgang onder
algemene titel geen akten tot levering worden opgemaakt. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 4</tuskop>
      <al>In het eerste lid wordt, in overeenstemming met het systeem van artikel
3, als beginsel bepaald dat het personeel dat op de dag vóór
de overgangsdatum in dienst is van het Rijk, de IB-Groep dan wel het ABP en
is belast met de uitvoering van werkzaamheden die in vervolg door de Stichting
USZO zal plaatsvinden, van rechtswege in dienst treedt bij de Stichting USZO.</al>
      <al>Hierbij dient te worden vermeld dat «het Rijk» meer omvat
dan alleen de sector Rijk. Het gaat hier om de rijksdienst, dus inclusief
Defensie.</al>
      <al>De bepaling van het eerste lid laat ruimte om bijvoorbeeld in het sociaal
statuut te regelen dat bepaalde categorieën personeel van deze overgang
worden uitgezonderd. Te denken valt aan personeelsleden die op de overgangsdatum
minder dan een jaar verwijderd zouden zijn van pensionering of vervroegd uittreden
of waarvan op de dag voorafgaand aan de overgangsdatum evident is dat zij
blijvend arbeidsongeschikt zijn doch ten aanzien waarvan formeel nog geen
geneeskundige onderzoek heeft plaatsgevonden of verklaring is afgegeven. Zij
blijven dan in dienst van de basisorganisatie totdat aan hen ontslag is verleend
wegens pensionering of vervroegd uittreden, dan wel blijvende ongeschiktheid.</al>
      <al>Het wetsvoorstel legt in het tweede lid de verantwoordelijkheid voor het
doen van een aanbod van een arbeidsovereenkomst bij de Stichting. Op basis
van het aanbod komt op de overgangsdatum met de Stichting een arbeidsovereenkomst
tot stand.</al>
      <al>Het derde lid voorziet, in overeenstemming met het systeem van het eerste
lid, in een eervol ontslag van rechtswege uit de dienstbetrekking met het
Rijk, de IB-Groep dan wel het ABP. Hierdoor behoeven geen individuele ontslagbesluiten
te worden voorbereid.</al>
      <al>Voor de volledigheid zij in dit verband gewezen op de Regeling wachtgeld
en uitkering bij privatisering, ten gevolge waarvan de werkloosheidsaanspraken
op grond van de ambtelijke status een bepaalde periode en onder aanvullende
voorwaarden blijven gelden. Er zal naar worden gestreefd om in het sociaal
statuut te regelen dat deze regeling van (overeenkomstige) toepassing
is op alle personeelsleden die overgaan naar de Stichting USZO.</al>
      <al>Het vierde lid regelt de duur van de arbeidsovereenkomst. Gekozen is voor
een eenvoudig stelsel, waarin in alle gevallen een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd tot stand komt, tenzij het personeelslid was aangesteld in
tijdelijke dienst voor bepaalde tijd of werkzaam was op een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd. In die gevallen komt een arbeidsovereenkomst voor bepaalde
tijd tot stand, die geldt voor de niet verstreken tijd van de tijdelijke aanstelling
of de arbeidsovereenkomst.</al>
      <al>Het vijfde en zesde lid hebben betrekking op de inhoud van de functie
en het uitgangspunt voor de bepaling van de arbeidsvoorwaarden die na privatisering
zullen gelden. Daarbij worden rechtstreeks verplichtingen opgelegd aan de
Stichting USZO. Zoals hiervoor reeds uiteen is gezet, geldt als randvoorwaarde
dat ten aanzien van deze beide vitale aspecten van de arbeidsverhouding bij
de overgang geen substantiële wijzigingen ten nadele van het personeelslid
optreden. De regels waarop in het zesde lid wordt gedoeld betreffen het sociaal
statuut dat betrekking heeft op de rechtspositionele voorzieningen die in
verband met de overgang van het personeel door de uitplaatsende basisorganisatie
getroffen worden. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 5</tuskop>
      <al>Het eerste lid legt vast, dat een personeelslid bij zijn bevoegd gezag
bezwaar kan maken tegen de overgang van rechtswege. Daarvoor geldt een termijn
van zes weken nadat het aanbod van de arbeidsovereenkomst door de Stichting
is gedaan. De bezwaren zullen betrekking kunnen hebben op de nieuwe functie
of het geheel van de arbeidsvoorwaarden. Voorts wordt bepaald dat de Minister
van Binnenlandse Zaken in overeenstemming met de andere betrokken organen
c.q. organisaties nadere regels stelt met betrekking tot het onderzoek van
de bezwaren. Het gaat daarbij om een eenduidige regeling van de procedure
voor de gehele operatie. Het slot bepaalt dat de onderscheidenlijk bevoegde
gezagsorganen op de bezwaren beslissen.</al>
      <al>Het tweede en derde lid leggen de rechtsgevolgen vast ten aanzien van
een personeelslid op wiens bezwaren het bevoegd gezag voor de overgangsdatum
beslist. De beslissing kan inhouden dat het personeelslid niet overgaat naar
de Stichting òf dat aan het personeelslid een arbeidsovereenkomst wordt
aangeboden die tegemoet komt aan de bezwaren waarvan het bevoegde gezag de
gegrondheid heeft vastgesteld. In dit laatste geval zullen de financiële
gevolgen voor rekening komen van degene die de beslissing neemt. Wanneer een
personeelslid de bezwaren voor de overgangsdatum intrekt of indien de bezwaren
ongegrond worden verklaard, geldt uiteraard de hoofdregel van het eerste lid,
tenzij het personeelslid aangeeft nochtans geen arbeidsovereenkomst te willen.
Wanneer de bezwaren gegrond zijn verklaard en een personeelslid niet overgaat
naar de Stichting, dan wel indien hij geen arbeidsovereenkomst wenst met de
Stichting, blijft hij voorshands in dienst van de basisorganisatie. Alsdan
zal met toepassing van de aldaar geldende regels moeten worden bezien of herplaatsing
mogelijk is. Zijn er geen herplaatsingsmogelijkheden, dan zal niet te ontkomen
zijn aan ontslagverlening wegens opheffing van de betrekking, die immers bij
de basisorganisatie niet meer voorkomt. Bij de vraag of alsdan aanspraak bestaat
op een ontslaguitkering en zo ja in welke omvang kan van belang zijn of de
bij de Stichting aangeboden betrekking passend was.</al>
      <al>Het vierde lid geeft een uitzondering op de hoofdregel die in het eerste
lid is geformuleerd. Wanneer een personeelslid binnen de daarvoor gestelde
termijn bezwaren heeft gemaakt tegen de overgang van rechtswege doch op deze
bezwaren voor de overgangsdatum niet is beslist en het personeelslid deze
bezwaren niet heeft ingetrokken, komt op de overgangsdatum geen
arbeidsovereenkomst tot stand en blijft het oorspronkelijke dienstverband
vooralsnog in stand.</al>
      <al>Het vijfde en zesde lid hebben betrekking op de (rechts)gevolgen in dezelfde
situaties als die waarop het tweede en derde lid zien met echter dit verschil
dat deze zich in de eerst genoemde leden voordoen op een tijdstip gelegen
op of na de overgangsdatum.</al>
      <al>Indien het bevoegde gezag, op of na de overgangsdatum, de bezwaren ongegrond
verklaart, zal op grond van het zevende lid met het personeelslid alsnog (van
rechtswege) een arbeidsovereenkomst tot stand komen. Om administratieve redenen
is het wenselijk om in dit geval de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst
te stellen op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de minister
heeft beschikt op de bezwaren. Op grond van het vijfde lid geschiedt hetzelfde
ten aanzien van het personeelslid dat de ingediende bezwaren op of na de overgangsdatum
intrekt.</al>
      <al>Het achtste lid bepaalt dat er naar gestreefd moet worden om een personeelslid
dat als gevolg van de afhandeling van de bezwarenprocedure na de overgangsdatum
in dienst treedt bij de Stichting USZO, daarvan zo min mogelijk schade of
voordeel te laten ondervinden in vergelijking met de situatie waarin hij zou
hebben verkeerd indien hij op de overgangsdatum van rechtswege zou zijn ontslagen
en op diezelfde datum in dienst zou zijn getreden van de Stichting USZO. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 6</tuskop>
      <al>In het eerste en tweede lid wordt een regeling getroffen voor de pensioenaanspraken
van het personeel dat overgaat naar de Stichting USZO jegens een door de Stichting
USZO aan te wijzen pensioenfonds, ter zake van de ouderdoms- en nabestaandenpensioenvoorziening.
Met de in deze bepalingen neergelegde regeling wordt vermeden dat voor het
personeel door de overgang naar het door de Stichting USZO aangewezen pensioenfonds
een pensioenbreuk zal optreden.</al>
      <al>Het aanwijzen van het pensioenfonds door de Stichting USZO kan pas geschieden
indien met het pensioenfonds afspraken zijn gemaakt over de overgang.</al>
      <al>De aanspraken die een personeelslid verkrijgt jegens het pensioenfonds,
zullen gelijkwaardig zijn aan de wettelijke aanspraken die op de laatste dag
van de kalendermaand voorafgaand aan de overgangsdatum jegens het ABP bestonden.</al>
      <al>Dit wil zeggen dat op onderdelen een afwijkende regeling zal kunnen gelden
doch dat in totaliteit sprake zal zijn van gelijkwaardigheid.</al>
      <al>Het ligt overigens in de lijn der verwachtingen dat, indien de voorziene
privatisering van het ABP op de overgangsdatum zal zijn gerealiseerd, de pensioenen
van de personeelsleden van de USZO worden ondergebracht bij de Stichting Pensioenfonds
ABP. De Stichting Pensioenfonds ABP zal immers een instelling zijn als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Pensioen- en spaarfondsenwet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het derde lid regelt dat op de overgangsdatum alle aanspraken, die het
personeelslid dat overgaat naar de Stichting USZO krachtens de ABP-wet op
de dag voorafgaande aan de overgangsdatum toekomen, vervallen. Dit geldt echter
niet voor de aanspraken die voor de overgangsdatum geldend zijn gemaakt of
gemaakt hadden kunnen worden en voor de aanspraken op invaliditeitspensioen
van degenen die reeds voor de datum van overgang blijkens geneeskundig onderzoek
blijvend arbeidsongeschikt waren bevonden voor hun functie, doch waarover
het bestuur van het ABP nog geen beslissing had genomen.</al>
      <al>Het vijfde lid regelt de positie van personeelsleden die, in verband met
een ingediend bezwaar, op grond van artikel 5, derde tot en met het zevende
lid, in dienst zijn gebleven bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
In dat geval ontstaan, respectievelijk vervallen de bedoelde aanspraken met
ingang van de datum waarop de arbeidsovereenkomst met de Stichting USZO van
kracht wordt. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 7</tuskop>
      <al>Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar het Algemeen gedeelte
van deze memorie van toelichting, punt 2, paragraaf Fiscale aspecten. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 8</tuskop>
      <al>Het eerste lid betreft een aanpassing van de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank,
waarbij het mogelijk wordt gemaakt dat de Stichting USZO in opdracht van de
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de werkzaamheden voortvloeiende
uit het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, hoofdstuk II van de Tijdelijke
regeling WWV-vervangende uitkering, het Besluit werkloosheid onderwijs- en
onderzoekpersoneel en het Rijkswachtgeldbesluit 1959 voor zover het personeel
werkzaam in het onderwijs betreft, met uitzondering van het personeel in het
wetenschappelijk onderwijs en het personeel werkzaam bij een academisch ziekenhuis,
kan gaan uitvoeren.</al>
      <al>Het tweede lid heeft tot doel geen leemten te laten ontstaan in de afwikkeling
van lopende wettelijke procedures, alsmede bij het innen van vorderingen.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Binnenlandse Zaken,</functie>
        <naam>H. F. Dijkstal</naam>
        <functie>De Staatssecretaris van Defensie,</functie>
        <naam>J. C. Gmelich Meijling</naam>
        <functie>De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,</functie>
        <naam>J. M. M. Ritzen </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>