﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24128-3/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1994-1995</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="OPmt1__2.1" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>5K2099</ordernr>
    <vergjaar>1994-1995</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>24 128</nummer>
      <naam>Het gemeenschappelijk Europees buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>3</nummer>
      <titel>VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG</titel>
      <datum>Vastgesteld 3 augustus 1995</datum>
      <al>De algemene commissie voor Europese Zaken<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref>
heeft op 28 juni 1995 algemeen overleg gevoerd met minister Van Mierlo en
staatssecretaris Patijn van Buitenlandse Zaken over de nota <nadruk type="vet">Het gemeenschappelijk
Europees buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid: naar een krachtiger
extern optreden van de Europese Unie</nadruk> (24 128, nr. 1).</al>
      <al>Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag
uit. </al>
      <tuskop letat="vet">Vragen en opmerkingen uit de commissie</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van den Bos</nadruk> (D66) constateerde dat het GBVB tot nu
toe weinig succesvol is gebleken. Thans staat de vraag centraal in hoeverre
via een wijziging van het Verdrag van Maastricht kan worden gekomen tot een
betere samenwerking. De oorzaken van het relatief geringe succes zijn immers
vooral van politieke aard. Kennelijk worden bedreigingen nog onvoldoende gemeenschappelijk
ervaren. Bovendien hebben die bedreigingen een nogal confuus karakter en vragen
ze veel offers in de zin van mensen en geld. Daarover ontstaan nu eenmaal
zeer snel grote meningsverschillen. Verder is er na de koude oorlog meer ruimte
gekomen voor profilering van nationale staten, hetgeen zich vooral uit in
een eigen buitenlandse politiek. Ten slotte worden de gemeenschappelijke economische
belangen nog onvoldoende vertaald in de behoefte aan een gemeenschappelijke
politieke stem.</al>
      <al>Het kabinet stelt terecht dat Europa een grotere verantwoordelijkheid
moet nemen. Er is dus alle reden om na te gaan hoe de besluitvormingskaders
kunnen worden verbeterd. In ieder geval is duidelijk dat besluitvorming bij
consensus verlammend werkt. Duitsland heeft geopperd om met gekwalificeerde
meerderheden te werken, maar daaraan zitten nogal wat haken en ogen. Het neemt
de oorzaken van het slecht functioneren niet weg, maar bovendien zal het democratisch
gat worden vergroot als ook niet het EP voldoende zeggenschap wordt gegeven.
Verder is het weinig zinvol los van de communautaire structuur over te gaan
tot een systeem van gekwalificeerde besluitvorming. Hoe oordeelt de minister
over het Duitse standpunt en hoeveel waarde moet daaraan worden gehecht?</al>
      <al>De heer Van den Bos gaf de voorkeur aan een consensus-minus-één-constructie,
waarbij de tegenstemmer moet aangeven welke vitale nationale belangen in het
geding zijn. Hij stemde in met de suggestie van het kabinet om een analyse-eenheid
in het leven te roepen die de verschillen in kaart brengt en nadere voorstellen
formuleert. Die eenheid zou dan moeten worden samengesteld uit vertegenwoordigers
van de Commissie, het Raadssecretariaat en het voorzitterschap.</al>
      <al>De WEU zal op termijn inderdaad onderdeel moeten gaan uitmaken van de
EU. Hoe ziet het kabinet de toekomst van de Europese defensie? De fractie
van D66 ziet op termijn een Europees leger als een belangrijke doelstelling,
maar het zal duidelijk zijn dat ook hieraan veel haken en ogen zitten. Zo
zou de tegenstelling tussen NAVO en EU kunnen worden vergroot en zou afscheid
moeten worden genomen van de CJTF. Bovendien zou een Europees leger veel extra
kosten met zich meebrengen. De heer Van den Bos meende dat stap voor stap
de weg moet worden opgegaan naar een grotere mate van zelfstandigheid van
de Europese defensie in nauwe verbondenheid met de Atlantische bondgenoot.</al>
      <al>Hoe staat het overigens met het CJTF-model? Is het waar dat de onderhandelingen
hierover volkomen vastzitten?</al>
      <al>De discussie over het «Kopgroep-model» begint merkwaardige
trekjes te vertonen. Nederland kan niet beslissen dat er een kopgroep komt
en kan evenmin iets zeggen over de samenstelling ervan. Zo'n kopgroep ontstaat
of ontstaat niet. De heer Van den Bos meende overigens dat een dergelijke
kopgroep ongetwijfeld op min of meer informele wijze zal worden gevormd. Nederland
kan natuurlijk wel proberen zo goed mogelijke relaties te onderhouden met
Frankrijk en Duitsland, maar het heeft weinig zin om een verklaring uit te
geven waarin staat dat Nederland zich bij de as Frankrijk-Duitsland moet aansluiten.
Daarvoor heeft Nederland te veel uiteenlopende belangen, terwijl het weinig
in de melk te brokkelen heeft als Duitsland en Frankrijk het eens zijn. Wellicht
verdient het de voorkeur meer aandacht te geven aan nauwere samenwerking in
het kader van de Benelux.</al>
      <al>Het GBVB-concept zal ongetwijfeld op de helling moeten als een EU met
25 tot 30 lidstaten in het geding is. Het is ondenkbaar dat besluiten worden
genomen waar landen als Letland en Malta voor zijn en bijvoorbeeld Frankrijk
en Duitsland tegen. Het nemen van besluiten met gekwalificeerde meerderheid
kan dan niet aan de orde zijn. Als het al zo moeilijk is om vijftien landen
gemeenschappelijke standpunten te laten formuleren, zal het voor een uitgebreide
EU nog veel moeilijker zijn. Daarom moet worden gedacht aan andere concepties,
zoals het flexibele engagement. Daarbij worden alleen landen bij de besluitvorming
betrokken die willen meedoen aan een bepaalde actie. Probleem hierbij is of
landen die niet meedoen verplicht kunnen worden mee te betalen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Verhagen</nadruk> (CDA) betoogde dat een doeltreffend en slagvaardig
GBVB essentieel is om een effectief antwoord te kunnen geven op de actuele
buitenlandse en veiligheidspolitieke vraagstukken en uitdagingen die de krachten
van de afzonderlijke lidstaten te boven gaan. Hij onderschreef de inzet van
het kabinet in dezen, maar stelde vast dat in de nota welhaast sprake is van
een «zwarte maandag-syndroom» waardoor af en toe doelstellingen
met betrekking tot een GBVB al te zeer worden bepaald door (pessimistische)
verwachtingen. </al>
      <al>Het huidige GBVB stelt teleur. Klaarblijkelijk bestaat er naast de institutionele
manco's van het Verdrag van Maastricht binnen de EU geen gemeenschappelijk
beeld van de veiligheidsbelangen en buitenlandse politiek. Frankrijk en het
Verenigd Koninkrijk maken vaak een onderscheid tussen eigenbelang en gemeenschappelijk
belang en zien er soms ook een tegenstelling in. De heer Verhagen stemde in
met het door het kabinet geopperde idee van een analyse-eenheid komt die de
overeenkomsten en verschillen in belangen van de lidstaten in
kaart brengt. Daarmee zou kunnen worden aangetoond dat het in het belang is
van de lidstaten zelf om een gemeenschappelijk beleid te formuleren. De GBVB-eenheid
ter voorbereiding en analyse van gemeenschappelijke besluitvorming zou overigens
beter gelieerd kunnen worden aan de Commissie in plaats van aan de Raad omdat
op die manier de formulering van gemeenschappelijk beleid meer kansen heeft.</al>
      <al>In de nota wordt verder gepleit voor relativering van de consensusregel
en de toepassing ervan bij vaststelling van gemeenschappelijk optreden te
beperken door de introductie van de consensus-minus-één-constructie.
Deze lijn wordt gekozen zonder dat sprake is van normale parlementaire bevoegdheden
voor het EP, die in de nota overigens nogal rozig worden voorgesteld. Tegelijkertijd
vragen de bewindslieden zich af of de voorgestelde veranderingen op besluitvormingsterrein
in een grotere EU wel het nodige soelaas zullen bieden. Deze benadering vond
de heer Verhagen wat aan de magere kant. Het EP dient volwaardige bevoegdheden
te krijgen als gekozen wordt voor meerderheidsbesluitvorming. Zolang het EP
die bevoegdheden niet heeft en er geen sprake is van het vereiste van parlementaire
instemming, moet de nationale parlementaire controle volledig kunnen functioneren
en is bindende meerderheidsbesluitvorming onaanvaardbaar.</al>
      <al>De heer Verhagen pleitte verder voor het optimaler benutten van de mogelijkheden
van het Verdrag van Maastricht en refereerde in dit verband met name aan artikel
J.2.</al>
      <al>Uitvoeringsbesluiten conform artikel J.3.2 dienen onderdeel uit te maken
van de verantwoordingsplicht van de communautaire structuur: controle door
het EP van bindende meerderheidsbesluitvorming. Voorts dient een interinstitutioneel
akkoord met het EP te worden gesloten om volwaardige invulling te kunnen geven
aan artikel J.7 en de budgetcontrole van de EU-begroting. Om het dilemma van
voldoende slagvaardigheid versus democratische controle te doorbreken en om
te voorkomen dat besluitvorming inzake het GBVB wordt getroffen door een veto
van een enkele lidstaat, dient een andere besluitvormingsconstructie te worden
geïntroduceerd. De CDA-fractie meent dat gekozen moet worden voor de
constructie waarbij de besluitvorming niet kan worden geblokkeerd door een
minderheid terwijl anderzijds geen lidstaat tegen zijn wil kan worden verplicht
mee te doen aan gemeenschappelijke besluitvorming. Het moet met andere woorden
mogelijk zijn te komen tot meerderheidsbesluitvorming, inclusief EU-financiering,
ook al nemen niet alle lidstaten daaraan deel. De minderheid mag niet worden
gedwongen om tegen de wens van het nationale parlement in deel te nemen.</al>
      <al>Voordat er sprake kan zijn van integratie de WEU in de EU dient versterking
plaats te vinden van het CJTF-concept.</al>
      <al>Ten slotte vroeg de heer Verhagen of de rijksministerraad is gekend in
deze nota.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Sipkes</nadruk> (GroenLinks) stelde vast dat al werkendeweg
een aantal opties met betrekking tot versterking van het GBVB worden gepresenteerd,
maar dat nog niet helder is welke lijn het kabinet wenst te volgen. Zal die
lijn worden aangegeven in de herijkingsnota of komt er in het najaar nog een
totaalbeeld voordat de IGC van start gaat?</al>
      <al>De tekortkomingen van het huidige GBVB zijn evident. Als het erop aankomt
(Joegoslavië, Rwanda enz.) blijken de mooie idealen zo dun te zijn als
vloeipapier. Het is echter nog maar de vraag of elke nieuwe besluitvormingsconstructie
soelaas zal bieden zolang de politieke wil om de nodige veranderingen aan
te brengen ontbreekt. De in de nota geformuleerde voorstellen moeten worden
beschouwd als het maximaal haalbare. Zolang het EP niet over de vereiste controlebevoegdheden
beschikt, moet meerderheidsbesluitvorming worden afgewezen, terwijl tegelijkertijd
sprake moet kunnen zijn van een opting out-constructie. </al>
      <al>De fractie van GroenLinks spreekt zich uit tegen een opwaardering van
de WEU. Besluitvorming op Europees niveau dient een nationale invloed te blijven
behouden, terwijl daarnaast een gemeenschappelijke dienst planning en analyse
zou kunnen gaan functioneren. Bovendien vindt internationaal optreden meestal
toch plaats onder VN-auspiciën en is er dus alles voor te zeggen het
WEU-verdrag gewoon te verlengen in 1998. De verschillende samenwerkingsverbanden
kunnen ook worden gecoördineerd door bedoelde gezamenlijke dienst. Aan
vergroting van de politieke zelfstandigheid van de EU moet voorrang worden
gegeven boven vergroting van de militaire zelfstandigheid.</al>
      <al>Wat betreft NAVO en WEU getuigt de nota van weinig creativiteit. Europa
ziet in dat het zelfstandiger moet en kan opereren, maar durft nog steeds
niet de hand van grote broer Verenigde Staten los te laten. Er wordt gehinkt
op twee gedachten: een krachtiger en zelfstandiger Europees defensiebeleid
en tegelijkertijd het hoog houden van de Atlantische gedachte. Desgevraagd
verklaarde mevrouw Sipkes dat haar fractie kiest voor optreden in VN-verband.</al>
      <al>De OVSE komt er wel heel bekaaid af in de nota. Deze organisatie heeft
met betrekking tot de crisis in voormalig Joegoslavië inderdaad geen
wezenlijke taken gekregen, maar ook dat heeft alles te maken met het ontbreken
van politieke wil. Waarom wordt niet gekozen voor meer vredesbewarende taken
voor de OVSE in plaats van voor de WEU?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Rehwinkel</nadruk> (PvdA) zei dat het hem tijdens een bezoek
van de commissie aan Londen is opgevallen dat de Britten zich jegens de EU
veel minder afhoudend opstellen dan weleens wordt gesuggereerd. Er is niets
op tegen om te spreken over het communautaire perspectief van het GBVB, maar
het zou een ontkenning zijn van de werkelijkheid te zeggen dat dat perspectief
niet veraf meer is. Het intergouvernementele karakter van GBVB-samenwerking
zal voorlopig nog wel de boventoon voeren. In die zin reageren de Britten
niet anders dan vele andere lidstaten.</al>
      <al>De nota biedt een aantal waardevolle suggesties voor een effectiever GBVB.
Gesteld wordt dat het verdrag een meer dwingende verplichting tot coördinatie
moeten bevatten voor de lidstaten die permanent lid zijn van de Veiligheidsraad
ten opzichte van de lidstaten die dat niet zijn. Hoe kan aan deze goede gedachte
gestalte worden gegeven? De ervaringen op dit punt met de Engelsen en de Fransen
in de contactgroep stemmen in ieder geval weinig optimistisch, terwijl de
Fransen de andere lidstaten voor voldongen feiten hebben geplaatst waar het
gaat om hervatting van de kernproeven.</al>
      <al>Ook de heer Rehwinkel hechtte aan een GBVB-analyse-eenheid, maar drong
erop aan te voorkomen dat nieuwe bureaucratische instellingen worden gecreëerd.
De rol van de Commissie, die al een mede-initiatiefrecht op het terrein van
de buitenlandse politiek heeft, zou in dezen explicieter moeten worden geformuleerd.
Hoe oordelen de bewindslieden hierover? Wat te denken van de uitspraak van
prof. Friedman dat de Commissie daartoe niet capabel en ook niet geëquipeerd
is?</al>
      <al>Ingaande op de suggesties van het kabinet met betrekking tot de besluitvorming
in EU-verband merkte de heer Rehwinkel op dat het begrip «vitale belangen»
op grond waarvan consensusbesluitvorming vereist is iets nauwkeuriger zou
moeten worden gedefinieerd. In ieder geval zal minder consensusbesluitvorming
de controle van nationale parlementen op het GBVB bemoeilijken. Het kabinet
is somber over de mogelijkheid van uitbreiding van de invloed van het EP en
wordt aldus ten volle geconfronteerd met de vraag hoe het democratische gat
kan worden opgevuld. Van dat antwoord valt in de nota te weinig terug te vinden.</al>
      <al>De heer Rehwinkel zei vervolgens voorstander te zijn van integratie van
de WEU in de EU, maar vroeg zich af waarom een volledige integratie op korte termijn niet realiseerbaar is. Wordt het realiteitsgehalte van
deze gedachte door de lidstaten verschillend ingeschat?</al>
      <al>Wat zijn de gevolgen van een Frans-Duitse kopgroep voor het democratisch
gehalte van de EU-instellingen? De heer Rehwinkel had vooralsnog de indruk
dat een dergelijke kopgroep het functioneren van de EU-instellingen kan belemmeren.
De optie van meerdere snelheden mag nooit een doel worden, doch dient slechts
als een middel te worden beschouwd.</al>
      <al>Denkt het kabinet dat met een voorzitterschap voor alleen het GBVB de
belangen van de kleinere landen voldoende worden gediend? Ook zou de EU bij
de multi- en bilaterale contacten minder dan nu het geval is met vijftien
plus één stem moeten spreken.</al>
      <al>Ten slotte refereerde de heer Rehwinkel aan de EP-resolutie met de strekking
dat de drie pijlers worden opgeheven waardoor het GBVB een communautair karakter
zou krijgen. Hoe oordeelt het kabinet hierover?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Hessing</nadruk> (VVD) betoogde dat de politieke situatie in
Europa sinds de val van de Berlijnse muur drastisch is gewijzigd. De Midden-
en Oosteuropese landen staan voor de enorme opgave om gelijktijdig een democratie
op te bouwen en over te schakelen naar een markteconomie. Dat gaat gepaard
met grote onzekerheden en instabiliteit. Het is van essentieel belang dat
het EU-buitenlandse beleid daar het primaat legt. Zo is de relatie met de
Russische Federatie van groot belang en aan de dialoog met dit land moet veel
meer inhoud worden gegeven in het GBVB. Hetzelfde geldt voor Oekraine en landen
als Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije. Op de terreinen politiek,
economie, ecologie en bestuur zal op korte termijn heel wat werk moeten worden
verzet. Kan het kabinet de Kamer op relatief korte termijn informeren over
de inhoudelijke samenwerking met deze landen? De heer Hessing refereerde in
dit verband aan het OVSE-proces, de wapenbeheersing, non-proliferatie en de
economische aspecten van de veiligheid. De voorliggende nota gaat voornamelijk
in op de procedurele aspecten, maar hij meende dat het gewenst is dat de Kamer
op de hoogte wordt gesteld van de voortgang in deze meer inhoudelijke dossiers.
Hopelijk zal nog voor de begrotingsbehandeling aan de hand van die informatie
door het kabinet een algemeen overleg kunnen worden gehouden.</al>
      <al>De bewindslieden geven te kennen dat de evaluatie op een wat vroeg moment
komt omdat er nog te weinig ervaring is opgedaan. Zij laten echter na om in
te gaan op de politieke en institutionele oorzaken van een en ander. Dat maakt
het moeilijk om een oordeel te vellen en daarom is het van essentieel belang
dat al in dit stadium meer aandacht wordt besteed aan de inhoud en de regie
van het GBVB. Hoe oordeelt de minister over het gelijkluidende oordeel van
de Adviesraad voor vrede en veiligheid op dit punt?</al>
      <al>De echte problemen zijn de volgende: de politieke wil bij de lidstaten
ontbreekt; de sturende capaciteit (de regie-functie) van de Algemene Raad
schiet tekort en hetzelfde geldt voor de organisatorische kwaliteit van de
GBVB-eenheid. Aan al deze zaken kan nu al iets worden gedaan. Het is gewenst
om de bestaande mogelijkheden van het GBVB beter te benutten. Het spel moet
worden gespeeld en daarbij kan best iets minder aandacht worden besteed aan
de spelregels! Te veel nadruk op zoiets als integratie van de WEU in de EU
maakt de komende IGC erg kwetsbaar met alle gevolgen voor de verdere ontwikkeling
van de EU vandien. Er is nog veel mogelijk in het kader van de EU en daarop
kan de energie beter worden gericht. Het leek de heer Hessing beter om door
te gaan op de ingeslagen weg met betrekking tot de WEU, de NAVO en het CJTF-concept;
deze tactische route zal hoogstwaarschijnlijk de gestelde doelen eerder naderbij
brengen dan een geforceerd streven naar integratie van de WEU in de EU. </al>
      <al>De heer Hessing stemde in met het voorstel met betrekking tot een analyse-eenheid.
Het wisselend voorzitterschap van de EU gaat immers ten koste van de continuïteit
en consistentie van het GBVB. Dat kan worden opgelost door het raadssecretariaat
wat minder strak te binden aan de voorzitter. Aldus kan binnen de Raad het
intergouvernementele karakter van het GBVB worden benadrukt en tegelijkertijd
is er de mogelijkheid om de betrokkenheid van de Commissie te vergroten. Voor
tenuitvoerlegging van deze constructie is overigens geen IGC nodig. Dit voorstel
is dus iets anders dan het instellen van een nieuw lichaam dat ergens tussen
Raad en Commissie in hangt.</al>
      <al>De consensus-minus-één-constructie is inderdaad een mogelijkheid
om een notoire dwarsligger te elimineren. Het voorstel ter zake is dan ook
voor de VVD-fractie bespreekbaar. Meerderheidsbesluitvorming dient voorlopig
te worden afgewezen; dat zou tekort doen aan de kracht van unanimiteit en
aan de inhoudelijke discussie.</al>
      <al>Sinds het Verdrag van Maastricht is de rol van de WEU versterkt waar het
gaat om humanitaire en vredesbewarende taken. Het overleg met de NAVO over
het CJTF-concept is een goede ontwikkeling en hetzelfde geldt voor de zogenaamde
«coalitions of the willing». De kernvraag blijft hoe kan worden
voorzien in een flexibele samenwerking tussen de nationale krijgsmachten –
onder controle van de nationale parlementen – met als doel het GBVB
zo effectief mogelijk te doen zijn. Alles afwegende leek het de heer Hessing
voorlopig het beste de WEU te laten voortbestaan als zelfstandige organisatie
met nauwe banden met de EU. Daarbij zou de WEU zich dan met name moeten concentreren
op de «Petersberg-taken». Welke stappen tot integratie in de EU
stelt het kabinet zich overigens voor? Hoe oordelen de bewindslieden over
de suggestie om de samenwerking tussen de EU en de WEU te versterken en ervoor
te zorgen dat ieder EU-lid WEU-lid wordt en dat ieder EU-lid op termijn NAVO-lid
wordt?</al>
      <al>Bij dit alles is de CJTF-optie cruciaal, maar het is nog maar de vraag
of dit lukt. Wat vindt de minister van de opstelling van de Fransen in dezen?</al>
      <al>De heer Hessing twijfelde aan de meerwaarde van het door de bewindslieden
gesuggereerde Atlantische contract.</al>
      <al>Enkele suggesties ter verbetering van de effectiviteit van het GBVB zijn
een betere interne organisatie van het GBVB, de Commissie meer gebruik laten
maken van het initiatiefrecht en een verbetering van de samenwerking tussen
Raad, de Commissie, het comité politique, Coreper en het EP op het
terrein van het GBVB. Er schort veel aan deze samenwerking en vaak ligt dat
aan de bereidheid of competentie van een enkele persoon in de organisatie.</al>
      <al>De intergouvernementele aansturing van het GBVB is een gegeven en het
komt dan ook niet vertrouwenwekkend over om in de nota via de achterdeur allerlei
semi-communautaire voorstellen te blijven doen. Het is van groot belang het
bestaande intergouvernementele instrumentarium beter te gebruiken. Het is
zinvol om in de aanloop naar de IGC bilateraal overleg te blijven voeren met
Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Waarop stoelt de minister
toch zijn grote liefde voor Frankrijk gezien de opstelling van dit land in
bijvoorbeeld het drugsdossier, de kernproeven en de CJTF? De heer Hessing
was niet onder de indruk van allerlei bevlogen woorden over het aanhangen
van zoiets abstracts als de as Frankrijk–Duitsland. Het is beter relaties
te onderhouden met werkelijke entiteiten.</al>
      <al>Een nuchtere en zakelijke benadering blijft gewenst, waarbij accent moet
worden gelegd op de inhoud; de schijn dat er allerlei open einden in het Verdrag
van Maastricht worden gebracht moet worden vermeden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van Middelkoop</nadruk> (GPV) waardeerde de heldere nota positief.
Deze nota maakt een goede dialoog met de Kamer mogelijk. Het was hem overigens
opgevallen dat het communautaire perspectief leidraad blijft in de nota en
dat getracht wordt angstvallig binnen de kaders van het Verdrag
van Maastricht te blijven. Voorts bevat de nota te weinig informatie over
de al bestaande samenwerkingsverbanden binnen Europa op militair en veiligheidspolitiek
terrein. Verder was het hem opgevallen dat eerst de nota is verschenen en
pas daarna het advies van de Adviesraad voor vrede en veiligheid. Dat had
natuurlijk net andersom moeten zijn. Bedoeld advies heeft overigens een buitensporig
breed karakter, maar de typisch Nederlandse obsessieve betrokkenheid bij allerlei
institutionele problemen had hier zeker kunnen worden gemist als kiespijn.</al>
      <al>Is het werkelijk nodig om vast te houden aan een GBVB-pijler conform het
Verdrag van Maastricht? De afgelopen decennia is op veiligheidsgebied uitstekend
samengewerkt binnen de NAVO, terwijl de ledenlanden op politiek terrein vaak
verschillende kanten opgingen. Dat gaat kennelijk samen als een vitaal belang
als de veiligheid van het verdragsgebied in het geding is.</al>
      <al>Het is natuurlijk goed dat er na de val van de muur geen vijand meer is,
maar dat betekent wel dat het doel, dat grotendeels de samenwerking structureerde,
teloor is gegaan. Het ligt daarom voor de hand eerst eens te analyseren wat
de veiligheidspolitieke en veiligheidsbedreigende vraagstukken zijn van deze
tijd om daarop een samenwerkingsstructuur te baseren. Een dergelijke analyse
is natuurlijk niet zo eenvoudig te maken, maar toch mag het niet te lang duren.
In een rapport dat op verzoek van de Europese Commissie is uitgebracht staat
dat voortdurende twijfels het vermogen van de EU ondermijnen om goed in te
spelen op bedreigingen als individualisme en korte-termijndenken in de lidstaten
en een bijdrage kunnen leveren aan de culturele, etnische en religieuze gistingen
in landen ten zuiden en oosten van het EU-gebied.</al>
      <al>Is het realistisch en verstandig om een GBVB te ontwikkelen als een instrument
ter bevestiging van een EU-identiteit? De heer Van Middelkoop betoogde dat
veiligheids- en defensiebeleid een kernonderdeel is van elk staatsbeleid en
dat daaraan een zekere homogeniteit ten grondslag moet liggen. Van dat laatste
is echter geen sprake in Europa en daarom is het onverstandig en zelfs gevaarlijk
te streven naar een volledig gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.
Vooral defensiebeleid zal ook op de langere termijn een zaak van nationale
beschikkingsmacht moeten blijven. Het is ondenkbaar dat landen daarvan zullen
afzien en die vaststelling moet een integraal onderdeel van de analyse zijn.
Bovendien is het kennelijk mogelijk een gezamenlijk buitenlands beleid te
ontkoppelen van een gezamenlijk veiligheids- en defensiebeleid.</al>
      <al>De EU voert haar buitenlands beleid vooral met morele en economische middelen
en een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor vrede en veiligheid moet
dan ook niet in de eerste plaats in EU-verband gestalte worden gegeven. Het
moet worden beschouwd als een uitdaging om verder te denken over samenwerking
op veiligheids- en defensiegebied buiten het kader van de EU en dus het Verdrag
van Maastricht. Het zal echt niet lukken om een veiligheidspolitieke identiteit
van de EU te realiseren.</al>
      <al>Een eerste vereiste is dat veel meer wordt geïnvesteerd in multi-
en bilaterale militaire samenwerking. In die zin is het CJTF-concept van groot
belang en hetzelfde geldt voor de Nederlands-Engelse samenwerking, het Eurokorps
en de versterkte operationele rol van de WEU. Het belang van een dergelijke
samenwerking is dat re-nationalisatie van krijgsmachten in Europa wordt voorkomen.
«La classe politique» denkt nationaal, maar «la classe militaire»
moet zoveel mogelijk worden getraind om veel met andere krijgsmachten samen
te werken, ook al blijft zij vanzelfsprekend ondergeschikt aan de politieke
leiding.</al>
      <al>De heer Van Middelkoop wees erop dat het door hem verwoorde standpunt
ook terug te vinden is in het Franse defensiewitboek van 1994 waarin de nadruk
wordt gelegd op de Engels-Franse samenwerking, de NAVO als hoofdgarantie van
de veiligheid en de WEU als een uitdrukking van de Europese verantwoordelijkheid
op veiligheidsgebied. Hetzelfde valt met zoveel woorden terug te vinden in
een memorandum van de Engelse regering van maart 1995 waarin staat dat een
GBVB wel kan worden vergeten en dat het niet mogelijk zal zijn een rol van
betekenis te creëren op dit terrein voor Europese Commissie en EP. Ook
in dit memorandum wordt gepleit voor de WEU als drager van de veiligheidspolitieke
identiteit van Europa. Dan zijn er geen problemen met kopgroepen of met institutionele
verankering in het Verdrag van Maastricht en behoeft geen beroep te worden
gedaan op communautaire middelen. </al>
      <tuskop letat="vet">Het antwoord van de regering</tuskop>
      <al>De <nadruk type="vet">minister</nadruk> merkte op dat er sprake is van een paradox in die
zin dat getracht wordt een Europese identiteit te creëren met middelen
die eigenlijk alleen maar effectief kunnen zijn als die identiteit verkregen
is. Zolang daarvan geen sprake is, zal per definitie zoiets als defensie-aangelegenheden
een meer nationaal karakter hebben. Toch meende de minister dat op den duur
die Europese identiteit tot stand moet worden gebracht. Hij benadrukte dat
er een functioneel verband is tussen de buitenlandse politiek en de defensie-politiek.
Op beide terreinen doemen immers min of meer praktische machtsvragen op. Bedoelde
paradox dient te worden opgelost door haar in te bouwen in het proces; het
is immers niet goed mogelijk de buitenlandse politiek gestalte te geven in
EU-verband en voor de defensie-politiek andere verbanden te zoeken.</al>
      <al>De ontwikkeling van het CJTF-concept is momenteel vastgelopen; er zal
ongetwijfeld een oplossing worden gevonden maar de stugheid van deze materie
heeft alles van doen met de verwevenheid van politieke en defensie-aspecten.</al>
      <al>Aan het adres van de heer Hessing merkte de minister op er niet van overtuigd
te zijn dat de EU succesvol zal kunnen opereren zonder een gemeenschappelijk
defensiebeleid. Politieke integratie vraagt uiteindelijk ook om defensie-integratie.
Gezamenlijke verdediging is altijd al een essentieel onderdeel geweest van
gemeenschapsvorming. Helaas is de politieke en defensie-integratie ver achter
gebleven bij de economische integratie. Dat heeft ongetwijfeld ook te maken
met de dominantie van de Verenigde Staten tijdens de koude oorlog, die ertoe
leidde dat Europa niet alleen in defensie-technisch opzicht geen zelfstandigheid
heeft verworven, maar ook niet geleerd heeft te denken in termen van een gezamenlijke
buitenlands-politieke verantwoordelijkheid.</al>
      <al>Het grootste goed van het Europese integratieproces is wellicht gelegen
in de relativering van het nationale politieke gelijk. Dat proces is op de
punten waar defensie en buitenlandse politiek bij elkaar komen van doorslaggevende
betekenis. Vandaar ook dat de regering van mening is dat de WEU uiteindelijk
moet worden geïntegreerd in de EU, die op den duur de Europese pilaar
moet worden in het gebouw van het Atlantisch bondgenootschap. Daartoe zou
de weg kunnen worden gevolgd die ook bij de EMU is bewandeld. Dat houdt in
dat tijdens de IGC het eindpunt van die weg moet worden geformuleerd, maar
de minister ging ervan uit dat dat nog niet mogelijk zal blijken te zijn.
De WEU zal derhalve hoogstwaarschijnlijk voorlopig onafhankelijk blijven functioneren,
waarbij zij hopelijk stapsgewijs zal toegroeien naar de EU.</al>
      <al>Een van die stappen zou kunnen zijn het creëren van een relatie tussen
de ministers van defensie en de secretaris-generaal van de WEU aan de ene
kant en de Algemene Raad aan de andere kant. Ook kan worden gedacht aan de
integratie van ambtelijke werkgroepen van de WEU en de EU en aan gezamenlijke
bijeenkomsten van de permanente raad van de WEU en het comité politique.
Verder valt te denken aan een organisatorische link tussen de voorgestelde
GBVG-analyse-eenheid en de planning cel van de WEU, aan een synchronisatie
van de voorzitterschappen van de WEU en de EU en uiteindelijk
aan een gemeenschappelijke financiering. Al deze stappen – niet per
se in de genoemde volgorde – kunnen leiden tot een grotere verstrengeling
tussen EU en WEU. Het kabinet volgt echter een low key-benadering, want alleen
al het aangeven van de stappen zal stof te over geven voor disputen in EU-verband.
Verschillende landen hebben overigens belangstelling getoond voor dergelijk
stappen, maar een land als het Verenigd Koninkrijk wil niet veel meer dan
back-to-back-vergaderingen van een Eurotop, die af en toe een WEU-top kan
worden.</al>
      <al>De minister zei desgevraagd begrip te hebben voor het standpunt dat bij
een Westeuropese defensie een eigen Westeuropese inlichtingen-eenheid hoort,
ook al is dit voorshands geen kabinetsbeleid.</al>
      <al>Vergroting van de analysecapaciteit van de EU kan worden bereikt door
een ambtelijke versterking van het raadssecretariaat om tot een betere beleidsvoorbereiding
te komen. Het kan ook door de GBVB-beleidsvoorbereiding te voorzien van een
eigen secretaris-generaal, iets waar de voorkeur van het kabinet naar uitgaat.
Deze functionaris zou dan echter niet het initiatiefrecht moeten krijgen,
omdat dat ten koste zou kunnen gaan van het initiatiefrecht dat de Commissie
al heeft in het kader van de tweede pijler. De minister zei voorstander te
zijn van volwaardige participatie van de Commissie in de GBVB-werkzaamheden.
Essentieel is echter dat de analysecapaciteit wordt vergroot om de beleidsvoorbereiding
te verbeteren.</al>
      <al>Vooral in het perspectief van de uitbreiding van de EU is meer ruimte
voor meerderheidsbesluitvorming zeer wenselijk. Het is immers welhaast ondoenlijk
om in een gemeenschap van 25–30 landen telkenmale tot overeenstemming
op basis van consensus te komen. De veronderstelling dat het eigen nationale
standpunt het minst gevaar loopt bij intergouvernementele besluitvorming berust
overigens niet op de feiten. Integendeel, dit soort besluitvorming zou wel
eens veel verder van het nationale standpunt kunnen liggen dan wenselijk wordt
geacht. De regel dat meerderheidsbesluitvorming voor een omschreven categorie
uitvoeringsbesluiten mogelijk is, is min of meer een dode letter, maar wellicht
is deze dode letter het begin van een nieuw alfabet. Het verdient in ieder
geval overweging na te gaan of bedoelde regel kan gelden voor alle uitvoeringsbesluiten
en het comité de réflexion een rubriek te laten opstellen van
gemeenschappelijke activiteiten en posities die vatbaar zijn voor besluitvorming
op basis van gekwalificeerde meerderheden. De bewindsman erkende overigens
dat het erg lastig zal zijn zo'n rubriek op te stellen, maar vond een poging
in die richting – samen met Duitsland, België, Luxemburg en enkele
andere gelijkgestemde landen – toch de moeite waard.</al>
      <al>Het verschijnsel van kopgroepen en meerdere snelheden wordt door de regering
gezien als het afvalprodukt van een mislukte poging om een voor iedereen aanvaardbare
oplossing te bereiken. Voor een IGC in de ware zin van het woord mag niet
als uitgangspunt gelden dat tot kopgroepen of meerdere snelheden moet worden
gekomen. Het mag in ieder geval nooit een doel op zich zijn. Ook Frankrijk
en Duitsland zijn zich ervan bewust dat een Frans-Duitse as niet het kenmerk
van een kopgroep mag hebben. Het bestaan van die as kan in ieder geval niet
worden ontkend. Als die as goed functioneert – en hierbij kan de Benelux
zijn invloed aanwenden – kan Europa ervan profiteren. Het Verenigd Koninkrijk
is zich bewust van de positie die de Benelux ten opzichte van de Frans-Duitse
as inneemt.</al>
      <al>In het begin van het nieuwe parlementaire jaar zal hoogstwaarschijnlijk
de afsluitende vierde nota gereed zijn en ter behandeling aan de Kamer kunnen
worden aangeboden, zodat nog dit kalenderjaar in overleg met de Kamer de Nederlandse
positie tijdens de IGC zal kunnen worden bepaald. Het is dienstig dat in deze
nota rekening kan worden gehouden met de bevindingen van het comité
de réflexion. Het comité is gehouden te rapporteren aan de Algemene
Raad in Madrid, die medio december zal plaatsvinden. </al>
      <al>Het leek de bewindsman dat het voorstel van de heer Verhagen met betrekking
tot de besluitvorming een receptuur is voor een Europa à la carte.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Verhagen</nadruk> (CDA) betoogde dat zijn voorstel moet voorkomen
dat een grote lidstaat blijft vasthouden aan zijn veto-recht. Het voorstel
kan worden beschouwd als een operationalisering van de gedachte van een «coalition
of the willing».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">minister</nadruk> zei dan de voorkeur te willen geven aan de meer
structurele consensus-minus-éénconstructie. Bovendien wordt
een belangrijke wissel getrokken op de communautaire financiering waar ook
nog heel weinig van terecht is gekomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Hessing</nadruk> (VVD) wilde graag weten welke standpunten het
kabinet zal inbrengen in het comité de réflexion.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Rehwinkel</nadruk> (PvdA) merkte op er behoefte aan te hebben
om nog voor de Algemene Raad in Madrid met de bewindslieden van gedachten
te wisselen over de standpunten die zij daar wensen te vertolken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Sipkes</nadruk> (GroenLinks) sloot zich daarbij aan en herinnerde
nog aan de toezegging van de staatssecretaris om maandelijks te rapporteren
over de voortgang in het comité de réflexion.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">minister</nadruk> ging ervan uit dat het comité de réflexion
nog voor de Algemene Raad in Madrid met een rapport zal komen. De regering
zal dat rapport van commentaar voorzien en aan de hand daarvan zal dan overleg
met de Kamer kunnen worden gevoerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">staatssecretaris</nadruk> stelde vast dat in het Verdrag van Maastricht
is vastgelegd dat de tweede pijler een intergouvernementeel karakter draagt
en dat elk pleidooi om de analyse-eenheid (inclusief initiatiefrecht) exclusief
onder te brengen bij de Commissie betekent dat de lidstaten weer terug zijn
bij af. Er is alles voor te zeggen om de tweede pijler beter te laten functioneren,
maar daarbij moeten zeer nadrukkelijk de politieke voorwaarden in het oog
worden gehouden zoals die zijn neergelegd in het Verdrag van Maastricht. Er
moet inderdaad tegen worden gewaakt dat de secretaris-generaal, die dan leiding
zou moeten geven aan de versterkte analyse-eenheid, in de bevoegdheden van
de Commissie treedt. Het is van groot belang dat het GBVB met inachtneming
van wederzijdse bevoegdheden en het karakter van eerste en tweede pijler beter
gaat functioneren. Het kabinet heeft er dus geen enkele behoefte aan het intergouvernementele
karakter van de tweede pijler te wijzigen.</al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
        <naam>Ter Veer</naam>
        <functie>De griffier van de commissie,</functie>
        <naam>Teunissen </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling:  Leden: Van der Linden (CDA), Blauw (VVD), Van Nieuwenhoven
(PvdA), Weisglas (VVD), Terpstra (CDA), Verspaget (PvdA), De Hoop Scheffer
(CDA), Ter Veer (D66), voorzitter, Ybema (D66), Van Middelkoop (GPV), Leers
(CDA), Sipkes (GroenLinks), Van Rooy (CDA), Woltjer (PvdA), ondervoorzitter,
Hendriks, Voûte-Droste (VVD), Schuurman (CD), Hessing (VVD), Van den
Bos (D66), Van Oven (PvdA), Hoogervorst (VVD), Rouvoet (RPF), Van Waning (D66),
Houda (PvdA) en Rehwinkel (PvdA).  Plv. leden: Bukman (CDA), De Korte (VVD),
Van Traa (PvdA), Blaauw (VVD), Verhagen (CDA), Van der Ploeg (PvdA), De Jong
(CDA), Deetman (CDA), De Graaf (D66), Van den Berg (SGP), Van der Hoeven (CDA),
M. B. Vos (GroenLinks), Hillen (CDA), Sterk (PvdA), Boogaard (AOV), O. P.
G. Vos (VVD), Poppe (SP), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), Roethof (D66),
Crone (PvdA), Verbugt (VVD), Leerkes (Unie 55+), Hoekema (D66), Adelmund (PvdA)
en Lilipaly (PvdA).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>