Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-199824095 nr. 15

24 095
Frequentiebeleid

nr. 15
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 21 januari 1998

De vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat1 heeft op 2 december 1997 overleg gevoerd met minister Jorritsma-Lebbink van Verkeer en Waterstaat over haar brief van 23 september 1997 inzake interim-rapportage onderzoek FM-omroepfrequenties (24 095, nr. 14).

Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Leers (CDA) ging allereerst in op het kort geding dat is aangespannen door de kleinere commerciële omroepen die bij de totstandkoming van de tijdelijke regeling buiten de verdeling zijn gebleven, zulks in relatie tot de frequenties voor de publieke lokale omroepen. In de uitspraak van de rechter in dat geding wordt de minister de kans geboden om haar verdeling te motiveren («gemotiveerd aangeven») en eventueel haar beoordelingsfout te herstellen. Wat gaat de minister doen met deze uitspraak? Wat vindt zij van het voorstel van de kleine omroepen inzake de door Nozema ontdekte onbenutte frequenties? Zijn deze er echt en zijn ze inzetbaar? Zo ja, zal de minister ingaan op het verzoek van de kleine omroepen en ze aan hen toewijzen?

De definitieve verdeling zal worden opgesteld aan de hand van het «zerobaseonderzoek», waarover de onderhavige interim-rapportage is opgesteld. Per 1 maart 1998 wordt de definitieve rapportage verwacht en in 2000 vinden de internationale frequentiecoördinatie en de veiling van frequenties plaats, waarna ingebruikname per 1 september 2000 volgt. Is de tijdsplanning van de minister nog wel actueel, temeer daar zij ook de efficiëntie van de AM-omroepband bij het onderzoek wil betrekken? Wordt voor de AM-band dezelfde methode gehanteerd als bij de FM-band?

De CDA-fractie heeft er moeite mee dat de minister wil tornen aan de huidige FM-frequentie voor Radio 1. Wat zullen daarvan de gevolgen zijn?

Een van de vijf onderdelen van het «zerobaseonderzoek» is de planningsnorm, waarmee een maatstaf wordt gecreëerd voor een minimale ontvangstkwaliteit. De minister wil deze norm invullen via de methodiek van de ontvangstbeleving van luisteraars, maar is deze norm niet erg arbitrair? Zijn er marges vastgesteld?

De minister ontkracht voorts haar uitspraak in de brief dat alle verplich-tingen jegens de publieke omroep zullen worden gerespecteerd. Zij wil bijvoorbeeld Radio 1 opnieuw tegen het licht houden. Ook wil zij voor de publieke omroep vooralsnog uitgaan van de huidige situatie. Waarom «vooralsnog» als het gaat om een wettelijke eis? En waarom zijn bij het onderzoek slechts drie van de vier bestaande pakketten meegenomen?

Ten slotte is het een groot probleem dat lokale publieke omroepen in grote steden over wel zes frequenties moeten uitzenden: luisteraars moeten steeds omschakelen en de omroepen raken op deze manier hun luisteraars kwijt. Hoe gaat de minister hiermee verder? Zij mag overigens wel onderscheid maken in de uitzending in de grote steden, die in hun aard en omvang verschillen.

De heer Kamp (VVD) had in maart 1996, bij de eerste bespreking van dit onderzoek, reeds op spoed aangedrongen: de veiling van beschikbare FM-frequenties voor commerciële omroepen dient gebaseerd te zijn op harde onderzoeksresultaten, maar ook mag de tijdelijke verdeling van frequenties niet langer duren dan strikt noodzakelijk. Het is wel duidelijk waarom de minister toewerkt naar de datum van 1 september 2000: de concessies voor de landelijke publieke omroepen lopen dan af, het biedt de minister ruimte voor een tussenoplossing en geeft haar de tijd voor de uitvoering van de politieke besluitvorming over het onderzoeksresultaat. Het grote nadeel van deze vertraging is dat diverse landelijke en regionale commerciële radiostations nog drie jaar lang geen gebruik kunnen maken van de frequenties die in principe voor hen beschikbaar zijn. Kan de minister aangeven welke extra frequenties momenteel beschikbaar zijn voor de commerciële radio? Op welke wijze kan hiermee een aantal stations tegemoetgekomen worden, mede om te voorkomen dat frequenties niet langer onbenut blijven?

De heer Kamp vond het verstandig dat de minister een referentieplanning heeft opgesteld waarbij zij alle opstelpunten als verplaatsbaar beschouwt, zodat duidelijk is wat in de toekomst het maximaal haalbare resultaat is van de FM-frequenties. Hij zette echter vraagtekens bij het streven naar vier 100% dekkende publieke landelijke netten en zeven 70% dekkende commerciële landelijke netten. Is het niet beter om in eerste instantie uit te gaan van ongeveer acht 100% dekkende netten, die later worden verdeeld in publiek en commercieel?

Voor de regionale verdeling heeft de minister gekozen voor één publieke omroep per provincie, maar twee voor Zuid-Holland. Voorts wil zij één commerciële omroep per 100 000-plusgemeente, maar voor Den Haag twee en voor Rotterdam en Amsterdam ieder drie. Er is echter ook een verdeling denkbaar waarbij tevens de plattelandsgebieden met regionale commerciële radio worden bediend.

Waarom stelt de minister 2010 voor als moment waarop de referentieplanning zou kunnen worden uitgevoerd? Ligt dit aan grote investeringen in zaken als antennes, en zo ja, hoe groot zijn die investeringen? Wordt in 2010 een volgende stap gezet, of betreft het de laatste stap in de referentieplanning?

De lokale omroep zal in de visie van de minister worden geconcentreerd op de lokaleomroepband 104.9 MHz tot 108 MHz, waarbij zij de mogelijkheid ziet dat de meeste lokale omroepen stereo gaan uitzenden. Bij welke gelegenheid is bepaald dat de lokale omroepen de laagste prioriteit hebben bij de verdeling van kwaliteit? Hoeveel ruimte wordt in beslag genomen van de regionale en landelijke omroepen als de lokale omroepen stereo gaan uitzenden? Zou het niet beter zijn als de minister voor een stad als Rotterdam, waar veel hoogbouw te vinden is, een andere uitzendnorm hanteert dan voor de rest van het land?

Voor de technische randvoorwaarden gaf de minister twee opties aan. De tweede optie houdt in dat alle antenneopstelpunten die tijdig te verplaatsen zijn, worden vrijgelaten en dat de overige opstelpunten voorlopig op hun huidige positie blijven staan. De heer Kamp achtte deze optie de beste.

Ten slotte zei hij, het verstandig te vinden dat de minister vijf scenario's wil laten uitwerken. Zij wil daarbij drie, vier of vijf landelijke netten als optie mee laten nemen bij het onderzoek. De VVD-fractie heeft voorkeur voor drie landelijke publieke radionetten waarmee, door het vervallen van één net, ruimte vrijkomt voor de commerciële radio.

Mevrouw Van Zuijlen (PvdA) herinnerde aan de fax van een groot aantal commerciële omroepen, die een beroep op de Kamer en de minister doen om recent gevonden frequenties alsnog aan hen ter beschikking te stellen. Naar de mening van de PvdA-fractie zijn er vier argumenten om op dit verzoek in te gaan.

1. Er zijn al eerder tussentijds gevonden frequenties ingezet.

2. De Kamer heeft uitgesproken dat de tussenoplossing weliswaar steun maar niet de schoonheidsprijs verdient.

3. De uitspraak van de rechter wordt door de diverse marktpartijen verschillend geïnterpreteerd. Kan de minister daar iets over zeggen? De «zerobaseanalyse» lijkt niet voldoende reden voor afwijzing van het verzoek van de commerciële omroepen. Bovendien heeft het College van beroep voor het bedrijfsleven erop gewezen dat beschikbare frequenties niet onbenut mogen blijven. Deelt de minister de mening van de commerciële omroepen dat het al vroeg in 1998 mogelijk is om de beschikbare frequenties werkelijk in gebruik te nemen?

4. De partijen kunnen rationeel beargumenteren waarom zij een «club» zijn: zij hebben zich alle aangemeld bij het ministerie, zij hebben alle via Nozema getracht extra ruimte te verwerven, ze zenden alle daadwerkelijk uit, alle partijen hebben de vereiste papieren.

Terzake van de onrust onder lokale omroepen over hun positie in het onderzoek, is het de vraag of in deze tijd stereo-uitzending niet als uitgangspunt moet worden genomen. Daarnaast worden de lokale omroepen «weggedrukt» op de 104.9–108 MHz-band. Blijft het bij een «quick scan» of komt hiernaar een echt «zerobaseonderzoek»? Vallen de 30 omroepen die nu buiten de band vallen, er daarna binnen? Hoe staat het met verzoeken van lokale omroepen die nu willen gaan uitzenden, terwijl hun nu wordt gezegd dat er geen plaats is voor hen? OLON heeft in dit kader gesuggereerd om bij het onderzoek niet meer uit te gaan van een raster, maar van de verzorgingsgebieden, waarbinnen de ontvangst zo goed mogelijk moet zijn.

Deelt de minister de opvatting van technici dat voor de stad Rotterdam de citiesnorm van ITU zou moeten gelden? Hierover dient helderheid te worden gegeven.

Naar de mening van de PvdA-fractie zou het voorkeursrecht voor de landelijke en lokale publieke omroepen gerespecteerd moeten worden. Is dit wel voldoende gewaarborgd? Wat is in dit kader de status van de klankbordgroep die bij de RDR werkt? Op welke wijze is gewaarborgd dat de commerciële omroepen daar niet te veel zeggenschap hebben? Worden er notulen gemaakt van de bijeenkomsten van de klankbordgroep en kunnen participanten zich daar later op beroepen? Hierover is nogal wat onrust ontstaan.

Het voorstel van de minister om de machtigingen voor de middengolf door te laten lopen tot 1 januari 2000 lijkt de PvdA-fractie een goed en logisch voorstel.

Hoe zijn de pakketten van vier publieke landelijke en zeven commerciële landelijke netten totstandgekomen? Is er overleg geweest met de markt? In hoeverre kan dit pakket later nog worden gewijzigd? Waarom is voor gelijke pakketten gekozen? Moet er nu al worden gekozen? De politieke besluitvorming hierover kan toch ook later plaatsvinden? Mevrouw Van Zuijlen wilde zich niet committeren aan de voorgestelde pakketten als het technisch niet noodzakelijk is om daarover nu te beslissen.

Het was de heer Poppe (SP) duidelijk wat de minister wil: meer zenders binnen één omroepfrequentie op elkaar persen. Is dat wel mogelijk zonder dat de zenders elkaar storen en kan de bestaande ontvangstapparatuur de zenders nog wel goed uit elkaar houden?

Is het de minister bekend dat de middengolf en de lange golf de grootste overlast veroorzaken voor de directe omwonenden? De norm die de minister hiervoor hanteert, geldt pas sinds 1 januari 1997, dus 90% van de ontvangstapparatuur voldoet niet aan deze norm.

De PTT wil bij Kootwijk een langegolfzender plaatsen waarvoor twee 320 meter lange zendmasten nodig zijn om commerciële popmuziek naar Engeland uit te zenden. Niet alleen het desbetreffende natuurgebied, maar ook radioapparatuur, computers en andere apparatuur van omwonenden zullen hierdoor worden gestoord. Het lijkt verstandiger om in te gaan op het verzoek van de provincie Utrecht om de nieuwe ruimte op de FM-band te gebruiken voor de overlast gevende middengolfzenders van Lopik en Montfoort.

Kan worden onderzocht of het in het algemeen mogelijk is om overlast gevende middengolfzenders naar beschikbare of nieuwe ruimte op de FM-band te verplaatsen? Dit houdt dus afbouw in van het gebruik van de middengolf en de lange golf. Het lijkt er nu op dat de minister meer commerciële zenders ruimte in de ether wil geven. De SP-fractie wil de waarborg dat de publieke omroepen, ook de lokale, niet worden weggedrukt.

Mevrouw Roethof (D66) was het beslist niet eens met de gedachtegang van de minister dat veel van hetgeen in dit dossier fout loopt, te wijten is aan het feit dat de Tweede Kamer niet bereid was frequenties te veilen voordat het «zerobaseonderzoek» was afgerond. De minister gaat te gemakkelijk met dit dossier om. De financiële en culturele belangen die hierbij een rol spelen, moeten op een verstandige manier tegen elkaar worden afgewogen. Daarnaast moet worden aangenomen dat het kabinet als geheel niet volstrekt onverschillig staat tegenover de inhoudelijke invulling van het nationale frequentiespectrum.

De fractie van D66 maakt een onderscheid tussen de infrastructuur op de kabel en de schaarse ether. Omdat de minister in het geheel geen plannen ontvouwt voor digitalisering van de ether, zal het nog lang duren voordat het zover is; tot die tijd blijft de ruimte schaars, terwijl er heel veel belangstelling voor bestaat. Het is verontrustend dat in het voortraject al een aantal politieke keuzes zijn gemaakt, waardoor de Kamer in de toekomst slechts een beperkte keuzemogelijkheid heeft.

Inmiddels zijn er internationale afspraken gemaakt en heeft de WRC plaatsgevonden. De commissie had aangegeven, graag op de hoogte te worden gehouden van dergelijke afspraken en van het Nederlandse standpunt daarover. Het verslag van de WRC, dat de minister ter vergadering toezegde, wordt met belangstelling tegemoetgezien, want de internationale afspraken vormen de basis voor het antwoord op de politieke vraag hoe met het totale frequentiespectrum moet worden omgegaan.

Het is goed dat het «zerobaseonderzoek» heeft plaatsgevonden, maar het is jammer dat het niet breder is opgezet en dat op deze manier geen goed inzicht wordt verkregen in het totale frequentiespectrum, dus inclusief de AM-frequenties, en dan niet alleen de frequenties ten behoeve van radio-uitzendingen, maar ook bijvoorbeeld ten behoeve van het doorgeven van data. De fractie van D66 acht dit van groot belang voor de lange termijn. Een ander nadeel van de wijze waarop dit onderzoek is opgezet, is dat geen antwoord kan worden gegeven op de vraag of de publieke lokale omroepen net zo goed of beter te ontvangen zijn als de commerciële lokale omroepen; de publieke lokale omroepen mogen niet de laagste prioriteit krijgen.

Het is verwarrend dat in de brief eerst wordt gesproken over 24 regionale zenders, later over 50 verzorgingsgebieden en vervolgens over 21 regionale vergunningen met een bereik van 100 000 luisteraars. Kan de minister hierover duidelijkheid verschaffen?

Kan de minister het besluit van de rechter om zeven radiostations frequenties toe te kennen en de overige verzoeken naast zich neer te leggen, beter onderbouwen? Mevrouw Roethof herhaalde in dit verband het verzoek om voor een aantal kleinere stations een overgangsfrequentie beschikbaar te stellen. Zij pleitte er dan ook voor, het optimaliseringsvoorstel van de commerciële omroepen serieus te overwegen.

Kan de minister regels opstellen voor het vinden van frequenties en het te gelde maken daarvan, evenals voor de toegang tot opstelpunten? Dit naar aanleiding van de privatisering van Nozema en de verwikkelingen tussen Broadcast Partners en Nozema.

De fractie van D66 is zeer terughoudend over een toename van het aantal masten en opstelpunten als die niet nodig is, hetgeen zeker geldt voor natuurgebieden.

Het antwoord van de regering

De minister meldde eerst een aantal zaken die nieuw zijn sinds de interim-rapportage van 23 september 1997. De initieel door TNO-FEL gepresenteerde planningsnorm is door metingen getoetst aan de praktijk. In het algemeen was sprake van overeenkomst van theorie en praktijk. Alleen voor stedelijke en beboste gebieden bleef de ontvangstkwaliteit beneden de maat. Om ook voor deze gebieden een goede ontvangst te realiseren, is de planningsnorm selectief aangescherpt. Met deze aangepaste planningsnorm wordt verder gewerkt in het «zerobaseonderzoek».

Een aantal uitgangspunten in de interim-rapportage is gebaseerd op conclusies uit een door TNO-STB verricht onderzoek, dat een integraal onderdeel vormt van het «zerobaseonderzoek», dat wordt uitgevoerd door TNO-FEL. In oktober jl. is de definitieve versie van het TNO-STB-rapport «Radio 2000» verschenen. Indien gewenst, kan dit rapport aan de Kamer worden overgelegd. Door middel van het «zerobaseonderzoek» wordt getracht, zoveel mogelijk FM-frequenties beschikbaar te krijgen op de locaties die door de publieke respectievelijk de commerciële omroep worden gewenst. De gewenste diepgang van het herplanningsproces, alsmede de politieke gevoeligheid van de materie, hebben geleid tot de in de interim-rapportage gepresenteerde tijdsplanning. In het jaar 2000 zullen de «zerobasefrequenties» door de begunstigde partijen in gebruik kunnen worden genomen via het voorziene verdelingsmechanisme. Het vorige efficiencyonderzoek binnen de FM-omroepband heeft ondertussen geresulteerd in een tijdelijke regeling voor de commerciële omroep, die op 1 januari 1998 van kracht zal worden.

Er zijn nog geen politieke keuzes gemaakt. Wel is voor de invulling een aantal scenario's opgesteld. Als referentiemodel is de huidige situatie gekozen. Het onderzoek van TNO geeft als streefwaarde voor landelijke commerciële stations een dekking van minimaal 70% van de Nederlandse bevolking. Voor landelijke adverteerders is de aantrekkelijkheid van radiostations als distributiekanaal voor reclameboodschappen aanmerkelijk groter indien een bepaald dekkingspercentage wordt overschreden. Daarnaast zijn in het planningsproces pakketten met 70% veel efficiënter ofwel met minder frequentieoverlap te plannen dan pakketten met hogere dekkingspercentages. De keuze is uiteindelijk aan de politiek. Dat is er ook de reden voor dat in het besluitvormingsproces tot november, december de ruimte is geboden om politieke keuzes te maken. Overigens zullen frequentietechnische beperkingen in het planningsproces automatisch leiden tot enige differentiatie in de dekkingsgraad van de diverse landelijke commerciële pakketten. Voor marktpartijen die bij de veiling van landelijke commerciële pakketten buiten de boot vallen, bieden niet-landelijke commerciële frequenties of combinaties daarvan een alternatief.

Het blijft een ingewikkelde procedure. Per 1 maart is het onderzoek klaar. Het ligt in de lijn der verwachting dat de tijd tot november, december nodig zal zijn om de politieke besluitvorming af te ronden. De bij het gekozen scenario behorende nieuwe frequenties, alsmede de aangepaste bestaande frequenties, moeten bovendien met het buitenland gecoördineerd worden. Geschat wordt dat dit proces eind 1999 afgerond kan zijn. Wellicht kan enige versnelling worden aangebracht, maar daarmee worden wel risico's gelopen. Na het overleg met de buurlanden moet er nog een ITU-stempel op gezet worden. Eventueel kan worden besloten, niet te wachten op dat stempel. Zodra de internationale frequentiecoördinatie is afgerond, kunnen de frequenties voor de commerciële omroepen worden geveild. Dat is voor eind 1999 gepland. Daarmee wordt een overgangsperiode gecreëerd alvorens de begunstigde partijen daadwerkelijk op de nieuwe «zerobasefrequenties» kunnen gaan uitzenden. Partijen die hun frequentie kwijtraken, krijgen een periode van afbouw. Uitgaand van een overgangsperiode van drie maanden kan de implementatie van «zero base» in de eerste helft van 2000 mogelijk zijn. In elk geval moet het uiterlijk per 1 september.

Er zijn aparte digitale frequenties. Het is niet mogelijk dat partijen hun frequenties zomaar omzetten. Overigens wordt verwacht dat het echt nog een groot aantal jaren zal duren, voordat een fatsoenlijk aandeel van digitale apparatuur aanwezig is.

Naar aanleiding van bezwaarschriften van de «kleine» commerciële omroepen wordt door een commissie bezien of het nodig is de huidige tijdelijke regeling te herzien. Vóór 1 januari 1998 zal de commissie hierover een uitspraak doen. Overigens heeft de rechter de tijdelijke regeling in abstracto in orde bevonden. Wel moeten de afwijzende beschikkingen beter gemotiveerd worden. Wat kan in de tussentijd worden gedaan voor degenen die buiten de boot zijn gevallen? Een aantal commerciële partijen heeft lijstjes met frequenties overgelegd die volgens hen op korte termijn gebruikt kunnen worden. Op het moment dat er een compleet overzicht is van frequenties waarvan de markt denkt dat zij vrij zijn, zal een en ander in een maand of twee worden nagetrokken. Geen enkele storing op de publieke en commerciële omroep mag optreden. Met de bestaande apparatuur moeten de zenders goed te ontvangen blijven. De overgebleven frequenties zullen met het buitenland worden gecoördineerd, hetgeen tussen de zes en twaalf maanden zal duren. Er zal hierbij gestreefd worden naar grote snelheid. Dat betekent dat nieuwe frequenties echt niet eerder dan de tweede helft van 1998 kunnen worden uitgegeven. In de tussentijd zal met de landsadvocaat worden nagegaan op welke wijze en aan wie de frequenties het best kunnen worden uitgegeven, met de beperking dat de frequenties bij de veiling weer vrij moeten zijn. Dit wordt een tamelijk ingewikkelde klus. Immers, alle partijen, ook die met een machtiging, zullen aanspraak maken op deze frequenties.

De lokale omroepen mogen niet de dupe worden. De lokale publieke omroep is bij het beschikbaar komen van het bovenste deel van de FM-band (104.9 MHz tot 108 MHz) noodgedwongen in mono gepland. In ongeveer de helft van de gevallen worden frequenties niet gebruikt, een fenomeen waar paal en perk aan zou moeten worden gesteld. Het is niet de bedoeling van «zero base» om veel meer frequenties toe te kennen aan de publieke omroep teneinde de huidige ontvangstkwaliteit te verbeteren. Het volledig doorvoeren van stereo-ontvangst voor alle lokale omroepen zou dit noodzakelijk maken. Immers, daarvoor is ten minste twee keer de frequentieruimte van de huidige lokale omroepband nodig. Bij de herplanning van de lokale omroepband zal wel rekening worden gehouden met de gemeentelijke herindeling. Bovendien wordt onderzocht of een meer op maat gesneden planning kan worden gemaakt, waardoor de mogelijkheden van stereo-ontvangst binnen de bestaande lokale omroepband kunnen toenemen. Als dat te realiseren is, zal de lokale omroep binnen «zero base» de enige publieke omroep zijn die een betere ontvangstkwaliteit krijgt. Voor lokale omroepen wordt het principe «gelijke monniken, gelijke kappen» gehanteerd. De enkele lokale omroepen die met het oog op de beschikbare ruimte in stereo kunnen uitzenden, zijn naar de rechter gestapt. Dat er geen gebruik van wordt gemaakt, mag echter geen reden zijn om de een beter te bedienen dan de ander. Het doel van het «zerobaseonderzoek» was meer frequentieruimte voor commerciële omroep en dezelfde kwaliteit voor de publieke omroep. Met een betere indeling kan de positie van de lokale omroep op een aantal plaatsen worden versterkt. Het is bepaald niet het uitgangspunt dat alle lokale omroepen frequenties krijgen voor stereo-uitzending. Als de Kamer voor de lokale omroep zoveel ruimte beschikbaar wil hebben dat in het hele land in stereo kan worden uitgezonden, zal een aantal dingen heel anders moeten worden gedaan. Als de Kamer de uiteindelijke uitkomst onvoldoende vindt, is sprake van een politiek feit. Daarover moet dan door worden gepraat.

Het plan van aanpak voor de herplanning van de lokale omroep wordt op dit moment vormgegeven. De feitelijke herplanning zal in maart 1998 van start gaan. Daarbij wordt alles in het werk gesteld om extra mogelijkheden vanwege niet-gebruikte omroepfrequenties ten goede te laten komen van de aanwezige lokale omroepen. Als de grens bereikt wordt, kunnen de resterende frequenties van de lokale omroep worden gebruikt voor andere doeleinden. Met name in de stedelijke gebieden wordt ook ruimte buiten de band gebruikt. Deze uitzondering is gemaakt vanwege frequentietechnische planningsproblemen in het verzorgingsgebied. Thans wordt geprobeerd, zoveel mogelijk in de band te persen, waar mogelijk in stereo.

Het huidige AM-onderzoek zal een vervolg krijgen, waarbij zal worden bezien of de momenteel gebruikte hoogvermogen-AM-zenders met behoud van de huidige verzorgingsgebieden te vervangen zijn door een netwerk van laagvermogen-AM-zenders. Deze vervanging kan een aanzienlijke reductie betekenen van de huidige EMC-problemen rond de AM-zenders. Als de overgang haalbaar blijkt, wordt overwogen om deze tegelijkertijd met het «zerobaseresultaat» te implementeren. Er is geen bereidheid om per direct de AM-band in te leveren voor heel veel FM-frequenties. TNO-FEL is tot de conclusie gekomen dat bij de AM-band sprake is van een efficiënt spectrumgebruik, afgezien van het feit dat een zevental kleinere middengolffrequenties op dit moment niet in gebruik is. De kwaliteit van de middengolfontvangst is op korte termijn, gebruikmakend van de huidige AM-consumentenontvangers, niet significant te verbeteren met nieuwe technieken. Uit de marktverkenning van TNO-STB blijkt dat middengolffrequenties voor veel omroepen een alternatief vormen voor FM-frequenties.

Een machtiging voor de zender bij Kootwijk kan door Verkeer en Waterstaat niet worden geweigerd. Op basis van het door Delta Radio voor de locatie Kootwijk ingediende EMC-plan kan worden geconcludeerd dat er weliswaar talrijke EMC-problemen zullen zijn, maar dat deze, zij het tegen zeer hoge kosten, oplosbaar zijn. Delta Radio mag de langegolfzender pas voor uitzending van programma's gebruiken, nadat alle EMC-problemen zijn opgelost. Indien de problemen niet afdoende zijn opgelost, zal de machtiging worden ingetrokken. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat deze enorme investeringen opwegen tegen het commerciële belang van uitzenden. Delta Radio onderzoekt inmiddels alternatieven, zoals plaatsing van een zender in de Noordzee. Tot op heden is overigens nog geen formele machtigingsaanvraag voor Kootwijk ingediend.

De klankbordgroep heeft geen formele status. Een formeel verslag van een klankbordgroep zou ook wat vreemd zijn. Overigens wordt er zeer aan gehecht dat goed met deze groep wordt gesproken.

De heer Smith (rijksdienst voor radiocommunicatie) wees erop dat een raster het voordeel heeft dat op voorhand kan worden gewerkt, voordat duidelijk is welke frequenties allemaal nodig zijn. Er wordt een extra beslag op het spectrum gelegd. In het vervolg van «zero base» wordt getracht te komen tot een zoveel mogelijk op maat gemaakte planning voor de gemeenten. Waar het raster niet nodig is, wordt gewoon het verzorgingsgebied gehanteerd.

Nadere gedachtewisseling

De heer Leers (CDA) onderstreepte nog eens het uitgangspunt van het «zerobaseonderzoek». Er wordt gezocht naar ruimte, maar in grote lijnen worden de huidige verhoudingen intact gelaten. De fractie van het CDA is tegen een ongeclausuleerde veiling zonder compartimenten. Met de uitkomsten van het «zerobaseonderzoek» is het probleem niet opgelost. De schaarse ruimte zal volgens een politieke keuze moeten worden verdeeld, waarbij de CDA-fractie veel waarde hecht aan de publieke omroep. Een min of meer gelijke verhouding tussen publiek en commercieel (4 maal 100% en 7 maal 70%) lijkt aanvaardbaar, afgezien van het dekkingsverschil. Het is wel de vraag of met de 7 maal 70% voldoende flexibiliteit wordt bereikt. Als eerst schaarste wordt gecreëerd, gaat de veiling in de toekomst extra geld opleveren.

In de reactie van de minister over de kleine commerciële omroep zit een opening. Zij staat open voor het herstellen van de fout. De rechter heeft uitgesproken dat de verdeling is gebaseerd op een te vroege peiling van de marktaandelen. Wordt de nieuwe oplossing gekozen op basis van de huidige marktaandelen?

Het is goed dat de lokale publieke omroep geen restpost zal worden. Er moet worden gezocht naar een betere indeling. In de helft van de gevallen blijkt de frequentie niet te worden gebruikt. Het is de vraag of men bereid is, deze ter beschikking te stellen. Welke criteria zullen worden gehanteerd voor het op de ene plek wel en op de andere plek niet toestaan van stereo-uitzending?

De heer Kamp (VVD) dankte de minister voor haar opstelling inzake Kootwijk. De hoop is gerechtvaardigd dat het probleem hiermee is opgelost.

De minister heeft een positieve opstelling gekozen ten opzichte van de restfrequenties die door de commerciële radio gebruikt kunnen worden. Er zal zo snel mogelijk internationaal worden gecoördineerd. In de tweede helft van 1998 kunnen de frequenties waarschijnlijk worden uitgegeven.

De uitleg op het punt van de lokale omroep is overtuigend. Het is goed om de lokale omroep in de ruimte tussen 104.9 MHz en 108 MHz in te passen.

De minister houdt vast aan de 7 maal 70%, maar ziet dit vooral als een technische kwestie. Er is ruimte om na het voltooien van het onderzoek toch te kiezen voor een andere verdeling. De VVD-fractie geeft er vooralsnog de voorkeur aan om de commerciële radio net als de publieke radio een landelijke dekking te geven.

De refentieplanning van de minister is pas op langere termijn helemaal uitvoerbaar. Wordt het jaar 2010 als einddatum of als tussenstap gezien?

Mevrouw Van Zuijlen (PvdA) was content met het optimaliseringsvoorstel van de minister. Het lijkt een goed idee om de landsadvocaat hiernaar te laten kijken, zeker als het voorstel van mevrouw Roethof wordt gevolgd om Q FM en Arrow Classic Rock in een eerder stadium frequenties toe te delen.

Het zou goed zijn om nog eens nader van gedachten te wisselen over de lokale publieke omroep, bijvoorbeeld over het punt van stereo-uitzending. Stereo-uitzending is een moeilijk punt, zeker als het wordt gerelateerd aan het niet-gebruik. Als de frequenties echter worden weggegeven, worden later opkomende publieke initiatieven weer gefrustreerd. Wellicht moet een termijn worden gehanteerd. Als het principe van «gelijke monniken, gelijke kappen» toch wordt verlaten, is het wat vreemd om de VSO-omroepen die al stereo gecoördineerd zijn, toch nog in mono te laten uitzenden.

De keuze voor 4 maal 100% voor de publieke omroep en 7 maal 70% voor de commerciële omroep is een referentiemodel, waaraan geen claims voor de toekomst kunnen worden ontleend.

De heer Poppe (SP) toonde zich tevreden over de uitspraken van de minister over Delta Radio. Het zou goed zijn als de brieven van de bewoners ter plaatse in dezelfde geest worden beantwoord. De minister doet er verstandig aan, in te gaan op de brief van de provincie Utrecht inzake Lopik en Montfoort. Vinex-locaties zouden overlast kunnen ondervinden. Immers, niet alle mensen beschikken over apparatuur die voldoet aan de nieuwe Europese normen. Voor alle locaties moeten dezelfde eisen worden gehanteerd.

Mevrouw Roethof (D66) vond dat de indeling van het frequentiespectrum niet geheel los gezien kan worden van de mediapolitiek. De minister onderzoekt de mogelijkheid van 4 maal 100% en 7 maal 70%. Dat kan leiden tot uniformiteit, terwijl het best denkbaar is om te kiezen voor 4 maal 80% tot 100%, 4 maal 60% tot 80% en 4 maal 40% tot 60%. Daarmee kan een variatie aan stations aan de veiling meedoen.

In de brief van de minister staat dat een feitelijke herplanning van de lokale omroep plaatsvindt na afronding van het «zerobaseonderzoek». De rapportage aan de Kamer zal medio 1998 plaatsvinden. De fractie van D66 wil de herplanning in het «zerobaseonderzoek» meenemen.

Bij niet-gebruik van lokale frequenties moet minimaal één verkiezing worden afgewacht. Een andere vraag is voor hoelang men een frequentie koopt. Als een frequentie voor vijf tot tien jaar wordt gekocht, moet rekening worden gehouden met digital audio broadcasting.

Is het juist dat de Nozema frequenties vindt door ze te coördineren en deze vervolgens voorhoudt aan lokale gegadigden? Mede gezien de privatisering van de Nozema lijkt het raadzaam om hieraan grenzen te stellen. Ook verdienen de ontwikkelingen rond Broadcast Partners de aandacht.

De minister herhaalde dat het «zerobaseonderzoek» een technisch onderzoek is, waarin een referentiemodel en scenario's worden gehanteerd die het mogelijk maken om straks politieke keuzes te maken. Dat debat moet dus nog worden gevoerd, net als het debat over 7 maal 70% en 4 maal 100%. Als 7 maal 70% een voor de markt interessante optie is, is het misschien niet zo'n gekke gedachte.

Het is vandaag niet het moment om het politieke besluit te nemen om meer frequenties toe te delen aan de lokale omroep. Het gaat erom, de bestaande frequenties beter te benutten. Dat kan betekenen dat op heel korte termijn lokale omroepen een betere kwaliteit kunnen leveren. In de herplanning moet worden bezien waar stereo-uitzending mogelijk is. Wat er bij niet-gebruik moet gebeuren, moet in dat kader worden bezien. Het lijkt een goed idee om een termijn te stellen binnen welke men de frequentie nog mag gaan gebruiken. Het is niet goed om ongebruikte frequenties eindeloos te laten liggen.

Het jaar 2010 heeft te maken met een totale reshuffling op basis van het optimum van het «zerobaseonderzoek». Of tot die totale herverdeling wordt gekomen, is weer een politieke keuze.

Met betrekking tot de situatie in Lopik, IJsselstein en dergelijke wordt bezien of iets kan worden bereikt met laagvermogenzenders. Voor het overige is de provincie probleemhouder. Als er plannen zijn om in de omgeving van zenders woningen te bouwen, hoort niet het Rijk met het probleem te worden opgezadeld. Er worden geen AM-frequenties ingeleverd om vervolgens minder FM-frequenties te kunnen gebruiken voor andere doeleinden.

De minister kondigde aan dat mét het verslag van de WRC de Kamer de instructie zal ontvangen, die tot op heden ten onrechte niet is verstrekt.

De Nozema zoekt in opdracht van klanten; de regering coördineert. Het probleem inzake de Nozema en Broadcast Partners ligt bij de rechter.

De gevolgde methode is door de rechter in abstracto correct bevonden. De gehanteerde peildatum van 1 juli 1996 is echter afgewezen, hetgeen overigens nauwelijks consequenties oplevert voor de huidige verdeling van de 24. Bij de uitgave van nieuwe frequenties zal in overleg met de landsadvocaat een nieuwe peildatum worden gekozen. De bezwaarschriften tegen de tijdelijke regeling zullen vóór 1 januari worden afgedaan.

De toekomst van digitale radio is niet geheel helder. Een tienjarenplan, waarna er geen analoge radio meer zou mogen zijn, gaat op dit moment te ver. Nederland kent een hoge graad van bekabeling. Daardoor is de noodzaak om van analoge radio af te stappen veel minder groot.

De voorzitter van de commissie,

Biesheuvel

De griffier van de commissie,

Roovers


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), ondervoorzitter, Van den Berg (SGP), Lilipaly (PvdA), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Reitsma (CDA), Versnel-Schmitz (D66), Van Gijzel (PvdA), Leers (CDA), Van Heemst (PvdA), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), Poppe (SP), Van 't Riet (D66), H. G. J. Kamp (VVD), Stellingwerf (RPF), Crone (PvdA), Roethof (D66), M. B. Vos (GroenLinks), Verkerk (AOV), Van Zuijlen (PvdA), Van Waning (D66), Keur (VVD), Assen (CDA), Ten Hoopen (CDA), Luchtenveld (VVD).

Plv. leden: Blauw (VVD), Schutte (GPV), Van Gelder (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Dankers (CDA), Jeekel (D66), Swildens-Rozendaal (PvdA), Terpstra (CDA), A. de Jong (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Hofstra (VVD), Hillen (CDA), Remkes (VVD), Leerkes (Unie 55+), Witteveen-Hevinga (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels), Valk (PvdA), Hoekema (D66), Klein Molekamp (VVD), Van der Linden (CDA), Meijer (CDA), Te Veldhuis (VVD).