﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="rapport">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-23669-8/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1994-1995</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prodrg__1.11" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>5K0294</ordernr>
    <vergjaar>1994-1995</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>23 669</nummer>
      <naam>Toezicht van de Verzekeringskamer, onder meer op de N.V. Levensverzekering
Maatschappij Vie d'Or</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>8</nummer>
      <titel>RAPPORT </titel>
      <tuskop letat="vet">Inhoudsopgave</tuskop>
      <al>1. Inleiding 1</al>
      <al>2. Uitgangspunten van het onderzoek 2</al>
      <al>3. Beschrijving van de juridische impasse 3</al>
      <al>4. Het instrument van wetgeving 6</al>
      <al>5. Onderzoeksmodaliteiten 7</al>
      <al>6. Conclusies en aanbevelingen 11</al>
      <al>Bijlagen 13</al>
      <tuskop letat="vet">1. Inleiding</tuskop>
      <al>In haar vergadering van 10 maart 1994 besloot de vaste Commissie voor
Financiën de procedure in gang te zetten om de Algemene Rekenkamer te
verzoeken een onderzoek in te stellen, als bedoeld in artikel 58 van de Comptabiliteitswet,
naar de wijze van toezichtuitoefening door de Verzekeringskamer inzake de
N.V. Levensverzekering Maatschappij Vie d'Or. Na een positief advies van de
commissie voor de Rijksuitgaven, stemde de Tweede Kamer op 14 april 1994 in
met het doen van een verzoek aan de Algemene Rekenkamer om dit onderzoek uit
te voeren. Reeds bij de aanvang van het onderzoek rezen er evenwel juridische
problemen over de verhouding tussen de bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer,
zoals deze onder meer zijn neergelegd in de Comptabiliteitswet enerzijds,
en de geheimdhoudingsbepalingen in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
in combinatie met de Derde Levensrichtlijn anderzijds. Als gevolg daarvan
wees de Verzekeringskamer – daarin gesteund door de minister van Financiën –
een ongeclausuleerde toegang van de Algemene Rekenkamer tot individuele toezichtsdossiers
af.</al>
      <al>Naar aanleiding van de brieven van de minister van Financiën en de
Algemene Rekenkamer, beide gedateerd 20 december 1994 (Kamerstuk 23 669,
nrs. 5 en 6), besloten de vaste Commissie voor Financiën en de algemene
Commissie voor de Rijksuitgaven op 21 december 1994 een werkgroep in te stellen.
Deze kreeg als taak om kort na het kerstreces van de Kamer een advies aan
de beide commissies voor te leggen in de vorm van een procedurevoorstel. Het
advies moest een inventarisatie van de onderzoeksvragen en onderzoeksmogelijkheden
bevatten. Tot lid van de werkgroep werden benoemd de leden Van
Rey (VVD), Smits (CDA), Ybema (D66) en Witteveen-Hevinga (PvdA). Het lid Ybema
werd tot voorzitter gekozen. De werkgroep werd, naast de griffier, ambtelijk
bijgestaan door drs. J. P. Lingen, stafmedewerker van de algemene Commissie
voor de Rijksuitgaven, en drs. R. H. van Luyk, assistent-griffier. De werkgroep
kwam in totaal 7 maal bijeen. Zij voerde gesprekken met de Stichting Vie d'Or,
met de Algemene Rekenkamer, met de Verzekeringskamer en met de minister van
Financiën. Ook ontving zij een accountant van KPMG voor een toelichting
op een door KPMG in opdracht van de Stichting Vie d'Or uitgevoerd onderzoek.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In dit rapport wordt eerst ingegaan op de uitgangspunten die de Kamer
zou dienen te hanteren bij het nemen van beslissingen over een mogelijk vervolg.
Vervolgens worden de juridische knelpunten belicht. In een volgende paragraaf
worden de mogelijkheden van wetswijziging in beeld gebracht. Paragraaf 5 brengt
de door de werkgroep onderzochte onderzoeksmogelijkheden met hun voor- en
nadelen in kaart. In de laatste paragraaf trekt de werkgroep daaruit conclusies
en doet zij de beide commissies aanbevelingen. Bij het rapport is een bijlage
gevoegd van de stukken die de werkgroep voor het uitvoeren van haar opdracht
heeft gebruikt (bijlage 1). </al>
      <tuskop letat="vet">2. Uitgangspunten van het onderzoek</tuskop>
      <al>De werkgroep hecht groot belang aan een goed functionerend toezicht op
het verzekeringswezen. Dat is een voorwaarde voor het bestaan van een rotsvast
vertrouwen in het verzekeringsbedrijf, waarmee zowel de belangen van polishouders
als van verzekeraars worden gediend. Het is vanuit dit algemeen maatschappelijk
belang dat de werkgroep haar opdracht heeft trachten uit te voeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De eerste vraag die de werkgroep zich stelde, was of er nog steeds behoefte
bestaat aan een antwoord op de drie onderzoeksvragen, zoals neergelegd in
het voorstel tot het reeds genoemde verzoek aan de Algemene Rekenkamer (Kamerstuk
23 699, nr. 1). De onderzoeksvragen luiden:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>– Was het toezichtbeleid van de Verzekeringskamer in overeenstemming
met de ter zake geldende wettelijke regelingen?</al>
      <al>– Hoe werkte dit toezichtbeleid in het bijzonder ten aanzien van
de sector levensverzekeringsbedrijven?</al>
      <al>– Hoe was de uitvoering ten aanzien van Vie d'Or gedurende de periode
1985–1993?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De werkgroep is tot de conclusie gekomen dat zij een antwoord op deze
vragen nog steeds relevant en opportuun vindt. Zij wordt daarin gesteund door
de minister van Financiën, de Algemene Rekenkamer en de stichting Vie
d'Or, die alle in de gesprekken met de werkgroep te kennen hebben gegeven
een onderzoek zoals door de Kamer gewenst nog steeds nuttig en zinvol te achten.
Alleen de Verzekeringskamer is een afwijkende opvatting toegedaan. Met betrekking
tot de derde vraag adviseert de werkgroep om voor de volledigheid het einde
van de te onderzoeken periode open te laten, ten einde ook de afwikkeling
van Vie d'Or onder de noodregeling in het onderzoek te kunnen betrekken. De
derde vraag komt dan te luiden:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>– Hoe was de uitvoering ten aanzien van Vie d'Or vanaf 1985?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De werkgroep ziet in de opbouw van deze vragenreeks – van algemeen
naar concreet – nog steeds een goede aanzet om niet alleen de concrete zaak Vie d'Or te kunnen onderzoeken, maar tevens om tot een evenwichtig
oordeel te kunnen komen over het toezichtsbeleid van de Verzekeringskamer
in het algemeen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De werkgroep heeft bij het inventariseren en toetsen van mogelijke onderzoeksvarianten
drie uitgangspunten gehanteerd. In de eerste plaats moet het onderzoek onafhankelijk
zijn. Dat houdt in dat de onderzoekende instantie onafhankelijk van het ministerie
en van de Verzekeringskamer haar werk moet kunnen doen. De reden daarvoor
is primair gelegen in de staatsrechtelijke positie van de Kamer in het Nederlandse
staatsbestel. De Kamer moet zich vanuit haar controlerende taak een geheel
onafhankelijk oordeel kunnen vormen over het regeringsbeleid, met inbegrip
van de uitvoering van wettelijke taken door instanties die daartoe door de
regering zijn aangewezen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de tweede plaats moet het onderzoek op korte termijn kunnen beginnen.
Er is sedert het verzoek aan de Algemene Rekenkamer al een vertraging van
bijna een jaar opgetreden. Dat is buitengewoon onwenselijk, met name voor
de positie van de Kamer die dit onderzoek immers al sedert een jaar noodzakelijk
urgent acht. Dat maakt een snelle start tot een belangrijk uitgangspunt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de derde plaats moet het onderzoek in korte tijd kunnen worden afgerond.
Eerdere ervaringen hebben geleerd dat, naarmate meer tijd verstrijkt voordat
een dergelijk onderzoek plaatsvindt, zaken minder scherp kunnen worden vastgesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De vormen van onderzoek, die in paragraaf 5 aan de orde zullen komen,
zijn getoetst aan de hand van deze drie uitgangspunten: onafhankelijkheid,
snelle start en korte onderzoeksduur. </al>
      <tuskop letat="vet">3. Beschrijving van de juridische impasse </tuskop>
      <tuskop letat="cur">3.1 Inleiding</tuskop>
      <al>De Algemene Rekenkamer acht het voor een antwoord op de haar voorgelegde
onderzoeksvragen noodzakelijk kennis te kunnen nemen van de inhoud van bij
de Verzekeringskamer berustende toezichtsdossiers over individuele verzekeraars,
in het bijzonder dat over Vie d'Or. Die onbeperkte toegang is nodig om de
onafhankelijkheid van het onderzoek door de Algemene Rekenkamer te waarborgen.
Toegang tot andere individuele dossiers dan dat over Vie d'Or is nodig om
het beeld van het algemene toezichtsbeleid aan de hand van de concrete uitoefening
ervan te kunnen toetsen. De Verzekeringskamer is evenwel van oordeel dat zowel
de Europese Richtlijnbepalingen als de geheimhoudingsbepalingen in de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 haar verbieden de Algemene Rekenkamer ongeclausuleerd
toegang tot individuele toezichtsdossiers te verlenen. De minister van Financiën
deelt dat standpunt. Over de juridische geschilpunten is door verschillende
personen advies uitgebracht. Ook de juridische adviseurs blijken met elkaar
van mening te verschillen. De antwoorden van de Europese Commissie is op de
aan haar door de minister van Financiën voorgelegde vragen hebben er
evenmin toe geleid dat alle betrokken instanties zich in één
uitleg van de richtlijnbepalingen konden vinden. De minister van Financiën
heeft op 13 januari 1995 de Raad van State om advies gevraagd over de interpretatie
van de diverse richtlijn- en wettelijke bepalingen (zie bijlage 2 voor een
afschrift van de adviesaanvraag). Het is denkbaar dat dit advies èn
duidelijkheid schept èn toegang van de Algemene Rekenkamer tot individuele
toezichtsdossiers ten principale mogelijk maakt. In het geval evenwel dat
de Raad tot een andere conclusie komt, blijft de patstelling bestaan. Het geheime karakter van de toezichtsinformatie belemmert op dit moment
niet alleen een onderzoek door de Algemene Rekenkamer, maar kan ook een barrière
vormen voor onderzoek door of in opdracht van de minister en voor een onderzoek
door de Tweede Kamer. In deze paragraaf gaat de werkgroep meer in het algemeen
in op de juridische onduidelijkheden. In paragraaf 5 heeft de werkgroep de
juridische problematiek rond verschillende onderzoeksopties in kaart gebracht. </al>
      <tuskop letat="cur">3.2 De EG-richtlijnbepalingen</tuskop>
      <al>De Verzekeringskamer beroept zich op de Derde richtlijn levensverzekering
(92/96/EEG) en de (voor zover relevant gelijkluidende bepalingen van de) Derde
richtlijn schadeverzekering (92/94/EEG) voor haar stelling dat het haar op
grond van de Europese regelgeving verboden is toezichtsinformatie aan derden
(niet-toezichthouders) te verschaffen.</al>
      <al>De belangrijkste oogmerken van de Derde Levensrichtlijn waren de invoering
van het beginsel van toezicht door de lidstaat van herkomst van een verzekeringonderneming
(home country control) en, in samenhang daarmee, de wederzijdse erkenning
van afgegeven vergunningen (single licence). Voorwaarde voor wederzijdse erkenning
van vergunningen en van toezichtstelsels is onder meer dat de bevoegde autoriteiten
(toezichthouders) de beschikking hebben over voldoende controlemiddelen om
te garanderen dat een verzekeringsonderneming overal in de Europese Unie haar
werkzaamheden op regelmatige wijze uitoefent, zoals in overweging 10 van de
Richtlijn tot uitdrukking komt. Informatie-uitwisseling tussen de bevoegde
autoriteiten speelt daarin uiteraard een wezenlijke rol. Die informatie-uitwisseling
kan slechts functioneren, indien is gegarandeerd dat de informatie alleen
voor toezichtsdoeleinden kan worden gebruikt (gesloten systeem). De geheimhoudingsbepaling
uit de Richtlijn moeten mede vanuit die gezichtshoek worden gelezen.</al>
      <al>Het zesde lid van artikel 15 van de Derde levensrichtlijn (zie bijlage
3) biedt de mogelijkheid om op grond van wettelijke bepalingen bepaalde gegevens
mee te delen aan andere centrale overheidsdiensten, die bevoegd zijn ter zake
van de wetgeving inzake het toezicht op onder meer verzekeringsondernemingen,
alsmede aan inspecteurs die in opdracht van deze overheidsdiensten optreden,
een en ander voor zover het ter wille van een prudentieel toezicht nodig blijkt.
Dit artikellid wordt door de minister van Financiën zo uitgelegd, dat
de Verzekeringskamer in ieder geval aan hem bepaalde gegevens mag mededelen,
zij het dat de Nederlandse wetgeving dat momenteel nog verhindert. Naar de
minister meedeelde, wordt deze uitleg door de Verzekeringskamer gedeeld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Europese Commissie heeft desgevraagd als haar opvatting te kennen gegeven
dat de richtlijnbepalingen niet de nationale omstandigheden regelen voor controle
op de toezichthouder, en evenmin het recht van parlementaire enquêtecommissies
aantasten om volgens grondwettelijke bepalingen toegang te krijgen tot vertrouwelijke
toezichtsinformatie. In de opvatting van de Algemene Rekenkamer mag uit de
uitleg van de Europese Commissie worden afgeleid dat er geen fundamentele
(Europees-rechtelijke) belemmeringen bestaan voor een door haar uit te voeren
onderzoek. De minister van Financiën gaat er evenwel van uit dat, waar
de Europese Commissie expliciet van «parlementaire enquêtecommissies»
spreekt, de toegang tot toezichtgegevens slechts aan een dergelijke commissie
is voorbehouden.</al>
      <al>Daarbij past de kanttekening dat de functie en de positie van een Algemene
Rekenkamer in de lidstaten nogal verschillend zijn. Wat in de ene lidstaat
een constitutioneel onafhankelijk orgaan is, is in een andere lidstaat een
parlementair orgaan. In het laatste geval zou een «Algemene Rekenkamer»-onderzoek
samenvallen met een onderzoek van een parlementaire commissie, en derhalve
in de interpretatie van de minister van Financiën niet op
bezwaren stuiten; in het eerste geval – zoals in Nederland – wel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kernprobleem voor een Algemene Rekenkameronderzoek heeft derhalve
betrekking op de vraag of de desbetreffende richtlijnbepalingen verhinderen
dat de Algemene Rekenkamer, in het kader van haar grondwettelijke taak, toegang
heft tot individuele toezichtsdossiers, in beschouwing nemend dat in het algemeen
controle op toezichthoudende instanties ook volgens de EG-richtlijnen mogelijk
moet zijn. Over deze vraag is de Raad van State om advies gevraagd; uiteindelijk
is het Hof van Justitie van de EG in Luxemburg de beslissende instantie. De
werkgroep is van oordeel dat de meest wenselijke situatie zou zijn dat de
Algemene Rekenkamer niet op Europees-rechtelijke belemmeringen zou stuiten
bij het uitvoeren van een onderzoek zoals door de Kamer gevraagd. Indien duidelijk
zou worden dat de EG-richtlijnbepalingen die ruimte niet bieden, dan acht
de werkgroep het gewenst dat de regering zich inzet om de desbetreffende bepalingen
te wijzigen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een onderzoek door of in opdracht van de minister zou niet op Europeesrechtelijke
bezwaren stuiten, en een parlementair onderzoek evenmin. Dat laatste wordt
evenwel door de Verzekeringskamer betwist. </al>
      <tuskop letat="cur">3.3 Geheimhoudingsbepalingen Wet toezicht verzekeringbedrijf
1993 (artikelen 182–183)</tuskop>
      <al>De geheimhoudingsbepalingen in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
(zie bijlage 4) zijn zo dwingend geformuleerd dat in de opvatting van de minister
van Financiën en van de Verzekeringskamer inzage door de minister van
Financiën in de individuele toezichtsdossiers van de Verzekeringskamer
onder geen enkel beding mogelijk is. De geheimhoudingsbepalingen in de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 gaan dus verder dan de Richtlijn voorschrijft.
Ook de Algemene Rekenkamer heeft op grond van de geheimhoudingsbepalingen
in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 geen toegang tot de toezichtsdossiers.</al>
      <al>In het overleg met de minister van Financiën is het de werkgroep
gebleken, dat hij van oordeel is dat zijn wettelijke bevoegdheden ten aanzien
van de Verzekeringskamer op dit moment niet voldoende zijn om reëel inhoud
te kunnen geven aan de ministeriële verantwoordelijkheid voor een adequate
uitoefening van het toezicht. De minister heeft dan ook aangekondigd met een
voorstel te zullen komen om de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 te wijzigen
ten einde het hem mogelijk te maken de ruimte te gebruiken die de richtlijnbepalingen
op dit punt bieden. De werkgroep kan zich in deze redenering van de minister
van Financiën geheel vinden. De werkgroep tekent daarbij nog aan, dat
zij de ratio van de geheimhoudingsbepaling, het mogelijk maken van een effectief
toezicht, geheel onderschrijft. De geheimhoudingsbepaling mag echter, juist
gelet op die ratio, niet worden ingeroepen om controle op het functioneren
van de toezichthouder onmogelijk te maken. </al>
      <tuskop letat="cur">3.4 Comptabiliteitswet</tuskop>
      <al>De controlebevoegdheid van de Algemene Rekenkamer is gebaseerd op artikel
59, eerste lid, sub d van de Comptabiliteitswet. Die bevoegdheid wordt op
zich niet betwist. De reikwijdte van de onderzoeksbevoegdheid van de Algemene
Rekenkamer blijft in de opvatting van de Verzekeringskamer echter beperkt
tot die van het financieel beheer. De bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer
moeten naar het oordeel van de werkgroep evenwel worden gezien tegen de achtergrond
van de uitoefening van wettelijk geregelde taken door de Verzekeringskamer.
De Algemene Rekenkamer heeft dan ook de bevoegdheid te onderzoeken of een instantie als de Verzekeringskamer haar wettelijke taken naar behoren
uitoefent. Dat was voor de verzelfstandiging van de Verzekeringskamer niet
anders dan erna. De werkgroep wijst er in dit verband op dat de Tweede Kamer
als onderdeel van de wetgevende macht over haar opvatting terzake geen onduidelijkheid
heeft laten bestaan. Op 14 april 1994, toen het verzoek aan de Algemene Rekenkamer
aan de orde was om een onderzoek in te stellen, werd door de voorzitter van
de commissie voor de Rijksuitgaven gesteld dat «het de intentie van
de wetgever is geweest om de Rekenkamer zonder voorbehoud de bevoegdheid te
geven om onderzoek te doen als het gaat om de uitoefening van publiekrechtelijke
taken, ook in concrete gevallen» (Handelingen Tweede Kamer, blz. 70–5151).
De werkgroep brengt in herinnering, dat de minister van Financiën in
de memorie van toelichting op de eerste wijziging van de Comptabiliteitswet
over de reikwijdte van de controlebevoegdheid van de Algemene Rekenkamer bij
rechtspersonen buiten de rijksoverheid (krachtens artikel 59 van de Comptabiliteitswet)
heeft gesteld dat deze zich, net als bij het rijk, ook uitstrekt tot de doelmatigheid
van een rechtspersoon, met inbegrip van oordeelsvorming over het gevoerde
beleid (Kamerstuk 19 062, nr. 3, blz. 20). </al>
      <tuskop letat="vet">4. Het instrument van wetgeving</tuskop>
      <al>In het voorgaande is een beschrijving gegeven van de juridische impasse
aangaande de vraag of de Algemene Rekenkamer een ongeclausuleerde toegang
heeft tot de individuele toezichtsdossiers bij de Verzekeringskamer. Daarnaast
kwam de vraag aan de orde welke bevoegdheden de minister van Financiën
toekomen om inhoud te geven aan zijn ministeriële verantwoordelijkheid
met betrekking tot het goed functioneren van het toezicht. Daaruit werd duidelijk
dat, ook indien de Europese richtlijnbepalingen ruimte bieden voor kennisneming
van individuele dossiers door de minister en/of de Algemene Rekenkamer, het
twijfelachtig is of van die ruimte gebruik kan worden gemaakt zonder wetswijziging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De werkgroep is nagegaan welke wegen mogelijk zijn voor een eventuele
wetswijziging. Eén van die mogelijkheden was aanvulling van de zesde
wijziging van de Comptabiliteitswet, waarvan de behandeling door de Tweede
Kamer inmiddels is afgerond. Een andere mogelijkheid is het initiëren
van nieuwe wetgeving, waarin het geheel van wetgevende bepalingen over toezicht
en controle, mede in verband met geheimhoudingsbepalingen, opnieuw wordt geredigeerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een aanvulling van de zesde wijziging van de Comptabiliteitswet was denkbaar
door middel van amendering of door inzending van een nota van wijziging. Omdat
deze werkwijze als groot bezwaar had dat een dergelijke aanvulling als gelegenheidswetgeving
is aan te merken, heeft de werkgroep ervan afgezien daartoe een voorstel te
doen. Daarbij moet worden bedacht dat een dergelijke aanvulling van zodanige
aard moet worden geacht, dat ook de Raad van State hierover zou dienen te
adviseren. Dat zou ernstige gevolgen hebben gehad voor de inwerkingtreding
van de zesde wijziging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een tweede mogelijkheid is gelegen in nieuw te initiëren wetgeving,
waarin alle bepalingen over toezicht, geheimhouding en controle door de Algemene
Rekenkamer op elkaar worden afgestemd, in zowel de afzonderlijke toezichtswetten
als in de Comptabiliteitswet, zodanig dat geen enkele onduidelijkheid blijft
bestaan. Deze wetgevende arbeid zal geruime tijd in beslag nemen. Tegenover
dit bezwaar staat als voordeel dat wetswijziging met de nodige zorgvuldigheid
kan worden voorbereid. </al>
      <al>De werkgroep ziet deze wetgevende arbeid als de meest wenselijke, doch
hoofdzakelijk in het licht van de toekomst. Ten aanzien van de wenselijkheid
antwoord te krijgen op de reeds geformuleerde vragen over het toezichtsbeleid
van de Verzekeringskamer, meent zij dat het instrument van wetgeving in dezen
in het algemeen niet het geëigende middel is om te voldoen aan haar eerder
uitgesproken uitgangspunten. Alleen in het geval het aan de Raad van State
gevraagde advies daartoe de ruimte zou bieden, kan een op de concrete situatie
van de Verzekeringskamer toegesneden wetswijziging soulaas bieden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals aan de orde kwam in de voorgaande paragraaf, is door de minister
van Financiën aangekondigd dat hij overweegt een wetsvoorstel in te dienen
gericht op het scheppen van de mogelijkheid om beter inhoud te kunnen geven
aan zijn verantwoordelijkheid voor het goed functioneren van de Verzekeringskamer.
Daardoor zou ook de Kamer de minister van Financiën in meer materiële
zijn kunnen aanspreken op die verantwoordelijkheid. De werkgroep stelt vast
dat zulks ook zou gelden voor de andere financiële toezichthouders. </al>
      <tuskop letat="vet">5. Onderzoeksmodaliteiten</tuskop>
      <al>Ten einde een begaanbare onderzoeksweg te vinden heeft de werkgroep getracht
zo systematisch mogelijk de verschillende varianten voor een onderzoek naar
de uitoefening van het toezicht aan een analyse te onderwerpen. Die analyse
had primair tot doel te toetsen in hoeverre aan de hiervoor beschreven uitgangspunten
voor het onderzoek zou kunnen worden voldaan. Daarbij kon tevens worden vastgesteld
in hoeverre zich problemen van juridische aard voordoen, die belemmerend kunnen
werken op de uitvoering van een onderzoek. </al>
      <tuskop letat="cur">5.1 Parlementaire Enquête (PE) (hoofdvariant 1)</tuskop>
      <al>De bevoegdheden krachtens de Wet op de Parlementaire Enquête geven
de Tweede Kamer een sterk instrument om informatie te verkrijgen van instanties
of personen die geen deel uitmaken van de rijksoverheid of onder gezag staan
van een minister. Het is daarmee op voorhand één van de onderzoeksmogelijkheden
die de werkgroep aan een beschouwing diende te onderwerpen. Bij het instellen
van een parlementaire enquêtecommissie zijn twee situaties denkbaar:
de Verzekeringskamer beroept zich op het verschoningsrecht op grond van artikel
19 van de Wet op de Parlementaire Enquête, dan wel de Verzekeringskamer
ziet daarvan af. </al>
      <tuskop letat="rom">Beroep op verschoningsrecht (variant 1a)</tuskop>
      <al>De Verzekeringskamer heeft publiekelijk aangekondigd zich te zullen beroepen
op het verschoningsrecht van artikel 19 van de Wet op de Parlementaire Enquête.
Zij heeft dat in het gesprek met de werkgroep herhaald. Hoewel het de vraag
is of een dergelijk beroep uiteindelijk zal slagen, en een dergelijk beroep
ook niet in zijn algemeenheid kan worden gedaan, betekent het wel dat een
procedure voor de rechtbank aanhangig moet worden gemaakt om deze te laten
oordelen wat in een concreet geval zwaarder moet wegen, (het belang van) de
geheimhoudingsplicht van de Verzekeringskamer, of het belang van de enquête
(waarheidsvinding, uitoefening parlementaire controletaak). Aangezien de Verzekeringskamer
zich op het standpunt stelt dat de geheimhoudingsplicht niet alleen in de
Nederlandse wetgeving is vastgelegd (Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993),
maar ook voortvloeit uit de desbetreffende EG-richtlijnen, moet rekening worden
gehouden met de mogelijkheid dat de Nederlandse rechter prejudiciële
vragen aan het Hof van Justitie van de EG in Luxemburg zal voorleggen. Alvorens
een onherroepelijke rechterlijke uitspraak over een beroep op
het verschoningsrecht beschikbaar is, zal naar schatting een periode van minstens
twee jaar verstreken zijn. In deze situatie betekent een parlementaire enquête
dat het feitelijke onderzoek op zijn vroegst over twee jaar kan beginnen.
Bovendien is, naar het oordeel van de werkgroep, beschadiging van het imago
van de Kamer en/of van de Verzekeringskamer niet uitgesloten. </al>
      <tuskop letat="rom">Geen beroep op verschoningsrecht (variant 1b)</tuskop>
      <al>In de tweede situatie ziet de Verzekeringskamer ervan af een beroep te
doen op het verschoningsrecht. Hierin wordt derhalve verondersteld dat de
Verzekeringskamer alsnog wordt overreed van haar voornemen af te zien. Daarvoor
ziet de werkgroep nog enige ruimte. Uit het gesprek met de minister van Financiën
is het haar gebleken dat hij geen Europees-rechtelijke belemmeringen ziet,
maar alleen mogelijke Nederlandse wettelijke belemmeringen, te weten artikel
19 van de Wet op de Parlementaire Enquête. De werkgroep stelt vast dat
deze interpretatie van consistentie getuigt, want de minister van Financiën
is mede verantwoordelijk voor de verklaring in de Raadsnotulen (zie Kamerstuk
23 669, nr. 3, blz. 7), waarin expliciet de rechten van parlementaire
onderzoekscommissies worden gevrijwaard tegen toepassing van de geheimhoudingsplicht.
Dat betekent tevens dat de minister van Financiën in beginsel ten volle
de bevoegdheid van een parlementaire enquête in dezen erkent. De belemmeringen,
die door het verschoningsrecht van artikel 19 Wet op de Parlementaire Enquête
worden opgeworpen, zijn immers niet absoluut. Zoals in de literatuur, jurisprudentie
en adviezen daaromtrent is vermeld, gaat het ten principale om een belangenafweging
door de rechter. Daarbij staat aan de ene kant het belang dat met geheimhouding
wordt gediend (het maatschappelijke belang van een goed functionerend toezicht),
en aan de andere kant het maatschappelijk belang dat zulk een toezicht kan
worden onderworpen aan een parlementair onderzoek, waarbij in aanmerking moet
worden genomen dat gewaarborgd is dat een parlementaire enquêtecommissie
vertrouwelijke informatie als zodanig behandelt, en dat het maatschappelijk
belang van een goed functionerend toezicht zeer wel gediend kan zijn met een
parlementaire controle. De werkgroep gaat ervan uit dat het belang van parlementaire
enquête in ons staatsbestel van een zodanig gewicht is, dat de daarvoor
een ander maatschappelijk belang, althans het belang van strikte geheimhouding
ten behoeve van de uitoefening van toezichtstaken, moet wijken. Hoewel het
niet geheel uitgesloten is dat de Verzekeringskamer in een enkel geval terecht
een beroep op het verschoningsrecht zal kunnen doen, verwacht de werkgroep
niet dat een parlementaire enquête daardoor wordt gefrustreerd. De werkgroep
heeft vastgesteld dat de minister van Financiën zich op het standpunt
stelt dat een parlementaire enquêtecommissie in dezen nauwelijks op
belemmeringen zal stuiten. De minister gaat ervan uit dat een parlementaire
enquêtecommissie dezelfde mogelijkheden voor inzage in gegevens heeft
als, na de door hem aangekondigde wetswijziging, inspecteurs in zijn opdracht.
De minister van Financiën verklaarde zich bereid zijn opvattingen ter
zake met de nodige klem aan de Verzekeringskamer over te brengen. Naar het
oordeel van de werkgroep zal dat voldoende kunnen zijn om de Verzekeringskamer
te overtuigen, en is het niet noodzakelijk dat de minister daarvoor gebruik
hoeft te maken van zijn wettelijke bevoegdheden ten aanzien van de Verzekeringskamer. </al>
      <tuskop letat="cur">5.2 «Vreugd en Rust»-modaliteit gevolgd door
derde-onderzoek (hoofdvariant 2)</tuskop>
      <al>De minister van Financiën heeft in het eerste gesprek dat de werkgroep
met hem voerde het voorstel gedaan om in ieder geval te beginnen met een onderzoek langs de lijnen van de Vreugd en Rust-modaliteit, dat
wil zeggen: op basis van alle nu beschikbare informatie schriftelijke vragen
voorleggen aan de Verzekeringskamer en vooralsnog genoegen nemen met de antwoorden
die de Verzekeringskamer met inachtneming van de geheimhoudingsplicht, volgens
eigen interpretatie, daarop geeft. Tegelijkertijd zou de procedure in gang
kunnen worden gezet om de Europees-rechtelijke ruimte voor toegang van de
minister van Financiën of inspecteurs in zijn opdracht tot bepaalde geheime
gegevens in de Nederlandse wet vast te leggen. Het Vreugd en Rust-onderzoek
kan vervolgens worden aangevuld en beoordeeld aan de hand van de geheime informatie,
die met behulp van de nieuwe wettelijke mogelijkheid kan worden onderzocht.
Daarbij heeft de minister aangeboden de Kamer te betrekken bij vraagstelling
en opdrachtverlening, en de onderzoekers ook direct aan de Kamer te laten
rapporteren, een en ander als ware het een onderzoek in opdracht van de Kamer.</al>
      <al>De voordelen van deze modaliteit zijn dat snel met een onderzoek kan worden
begonnen, terwijl op de wat langere termijn (de termijn die nodig is voor
de voorbereiding en behandeling van de wetswijziging) verzekerd is dat geheime
informatie ter beschikking van de onderzoekers komt. Een nadeel is dat van
onafhankelijkheid in strikte zin geen sprake is. Het kan enigszins verstorend
werken op de uitoefening van de controletaak van de Kamer ten opzichte van
de minister als het «feitenonderzoek» niet door de Kamer, of in
opdracht van de Kamer, wordt verricht, maar in opdracht van de minister. Ook
is niet op voorhand zeker gesteld dat de onderzoekers toegang zullen hebben
tot alle voor de beantwoording van de onderzoeksvragen relevante informatie.
Dat hangt immers af van de uitleg van het begrip «bepaalde» in
het zesde lid van artikel 15 van de Derde Levensrichtlijn, en van het antwoord
op de vraag wie dat bepaalt: de wetgever of de Verzekeringskamer. </al>
      <tuskop letat="cur">5.3 Onderzoek Algemene Rekenkamer (hoofdvariant 3)</tuskop>
      <al>In de opvatting van de Verzekeringskamer en, vooralsnog, ook van de minister
van Financiën laten de EG-richtlijnen een onderzoek door de Algemene
Rekenkamer, waarbij deze ongeclausuleerd toegang heeft tot individuele toezichtsdossiers,
niet toe. Indien deze uitleg juist zou zijn, zou wetswijziging in Nederland
het probleem ook niet oplossen, omdat de desbetreffende wettelijke bepaling
in strijd zou zijn met de richtlijnbepalingen, en door de rechter nietig kan
worden verklaard. Met de adviesaanvraag aan de Raad van State laat de minister
van Financiën de mogelijkheid open dat zijn uitleg van de EG-richtlijn
onjuist is; mocht het advies van de Raad van State in dezen de uitleg van
de Algemene Rekenkamer volgen, dan is vervolgens wetswijziging nodig om deze
bevoegdheid duidelijk in de Nederlandse wetgeving te verankeren. Op zichzelf
beschouwd is daarmee nog niet gegarandeerd dat deze alsdan wettelijk vastgelegde
bevoegdheid zal worden gerespecteerd door de Verzekeringskamer, omdat niet
de Raad van State, doch alleen het Hof van Justitie van de EG de instantie
is die daarover een beslissende uitspraak kan doen. De Verzekeringskamer zou
kunnen weigeren de Algemene Rekenkamer toegang te verschaffen, en in een juridisch
geschil het Luxemburgse Hof om een uitspraak (laten) vragen. Het is echter
de vraag of de Verzekeringskamer zich in dat geval tegen de uitdrukkelijke
wens van de wetgever, daarin gesteund door de Raad van State, zal willen en
durven verzetten. Mocht dit de uitkomst van het advies van de Raad zijn, dan
is na het uitbrengen van het advies en na wetswijziging (die betrekkelijk
snel tot stand kan komen, omdat de Raad van State dan over het principiële
punt reeds heeft geadviseerd) alsnog uitvoering van het onderzoek door de
Algemene Rekenkamer zelf mogelijk (variant 3a). In het geval de Raad van State
twijfel laat bestaan over de vraag of de Algemene Rekenkamer onder de huidige
EG-richtlijnbepalingen de bevoegdheid toekomt individuele toezichtsdossiers
in te zien, dan is allereerst zekerheid nodig over de juiste uitleg. Bezien
moet worden hoe Nederland dan een uitspraak van de bevoegde instantie (het
Hof) kan uitlokken. Als onderzoeksvariant valt deze af, omdat het te lang
gaat duren en de uitkomst onzeker is (variant 3b). Indien het Hof uiteindelijk
tot het oordeel zou komen dat de geheimhoudingsbepaling een onderzoek door
de Algemene Rekenkamer niet in de weg staat, is waarschijnlijk geen wetswijziging
meer nodig voor de werkelijke uitvoering van een onderzoek.</al>
      <al>Indien de Raad van State ondubbelzinnig de lezing van de Verzekeringskamer
en van de minister van Financiën zou delen, dan is voor nu en voor de
toekomst geen Rekenkameronderzoek mogelijk. De vraag die dan voorligt is of
Nederland zich moet inspannen de richtlijnbepalingen in die zin gewijzigd
te krijgen dat deze ruimte laten voor onderzoek door de Algemene Rekenkamer.
De werkgroep beantwoordt die vraag positief. Een onderzoek door de Algemene
Rekenkamer is dan in ieder geval geen reële mogelijkheid, tenzij wordt
teruggevallen op het Vreugd en Rust-model, dat echter door de Rekenkamer is
afgewezen. Deze varianten zijn vanwege hun gebleken onuitvoerbaarheid niet
in het schematisch overzicht verwerkt. </al>
      <tuskop letat="cur">5.4 Vooronderzoek volgens Vreugd en Rust-formule, gevolgd
door ARK-onderzoek of Parlementaire Enquête (hoofdvariant 4)</tuskop>
      <al>Combinatie van onderdelen van de voorgaande varianten laten nog twee subvarianten
open, die gemeen hebben dat zij op dezelfde wijze kunnen worden aangevangen.
Het gaat om de variant waarbij de Kamer een parlementair onderzoek start in
afwachting van het advies van de Raad van State. Dat onderzoek zou zich primair
moeten richten op het verzamelen, ordenen en analyseren van informatie die
voor een beantwoording van de drie onderzoeksvragen noodzakelijk is. Afhankelijk
van de inhoud van dat advies zou vervolgens ofwel de Algemene Rekenkamer –
na wijziging van de wet – mede op basis van het voorwerk dat de parlementaire
onderzoekscommissie dan zal hebben verricht het onderzoek kunnen aanvullen
en afronden (variant 4a), dan wel een parlementaire enquêtecommissie
moeten worden ingesteld om het parlementaire onderzoek over te nemen (variant
4b). De werkgroep is van oordeel dat, gelet op de noodzaak informatie te verkrijgen
van personen en instanties die niet tot de rijksoverheid behoren of onder
gezag staan van een minister, enquêtebevoegdheden niet kunnen worden
gemist. Daarom ziet zij onvoldoende mogelijkheden voor afronding van het onderzoek
door een tijdelijke commissie, die deze bevoegdheden mist. </al>
      <tuskop letat="cur">5.5 Naar een afweging</tuskop>
      <al>In onderstaande tabel is schematisch weergegeven wat de «scores»
van de verschillende onderzoeksvarianten op de uitgangspunten zijn, of wetswijziging
nodig is, of de variant afhankelijk is van het advies van de Raad van State
en of een positief resultaat afhankelijk is van nader overleg met de minister
van Financiën of tussen de minister van Financiën en de Verzekeringskamer.  </al>
      <tuskop letat="vet">Schematisch overzicht onderzoeksvarianten </tuskop>
      <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
        <tgroup align="left" charoff="75" cols="8" tgroupstyle="sdu1">
          <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="14.0625mm"></colspec>
          <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="14.0625mm"></colspec>
          <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="14.0625mm"></colspec>
          <colspec colname="c4" colnum="4" colwidth="14.0625mm"></colspec>
          <colspec colname="c5" colnum="5" colwidth="14.0625mm"></colspec>
          <colspec colname="c6" colnum="6" colwidth="14.0625mm"></colspec>
          <colspec colname="c7" colnum="7" colwidth="14.0625mm"></colspec>
          <colspec colname="c8" colnum="8" colwidth="14.0625mm"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">1a</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">1b</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">2</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">3a</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">3b</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">4a</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">4b</entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">snelle start</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">++</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">++</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">++</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">+/-</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">--</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">++</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">++</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">korte duur</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">--</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">++</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">+/-</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">+</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">--</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">+</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">+ </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">onafhankelijk</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">++</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">++</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">+/-</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">++</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">++</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">++</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">++</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">toegang dossiers</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">nee</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">deels</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">ja</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">wetswijz. nodig</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">nee</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">nee</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">?</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">nee</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">afhank. advies RvS</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">nee</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">nee</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">nee</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">nee</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">afh. overleg TK-Fin</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">nee</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">nee</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">nee</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">nee</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">afh. overleg Fin-VK</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">nee</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">?</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">nee</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">nee</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">ja</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">resultaat</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">--</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">++</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">+/-</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">++</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">--</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">++</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">++</entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <al>varianten  </al>
      <al>1a Parlementaire enquête, Verzekeringskamer beroept zich op verschoningsrecht
 </al>
      <al>1b Parlementaire enquête, Verzekeringskamer beroept zich niet op
verschoningsrecht  </al>
      <al>2 Vreugd en Rust-formule, gevolgd door derde-onderzoek in opdracht van
Financiën, in nauw overleg met Kamer  </al>
      <al>3a Rekenkamer-onderzoek, na positief advies Raad van State en wetswijziging
 </al>
      <al>3b Rekenkamer-onderzoek, na neutraal advies Raad van State, uitspraak
Hof en eventueel wetswijziging  </al>
      <al>4a Vreugd en Rust-formule, uitgevoerd door Tweede Kamer, gevolgd door
een Rekenkamer-onderzoek  </al>
      <al>4b Vreugd en Rust-formule, uitgevoerd door Tweede Kamer, gevolgd door
een Parlementaire Enquête </al>
      <al>rangorde: ++ + +/- -/+ - --</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hoewel de werkgroep zich realiseert dat over de toekenning van plussen
en minnen discussie mogelijk is, leidt zij uit dit overzicht af, dat vier
varianten tot een door de Kamer gewenst resultaat kunnen leiden, terwijl één
variant in de richting kan komen van wat de Kamer wil. Uitgaande van de aanvankelijke
wens van de Kamer om het onderzoek door de Algemene Rekenkamer te laten verrichten
zouden naar het oordeel van de werkgroep de varianten 3a en 4a de eerste voorkeur
moeten genieten. De tweede voorkeur gaat uit naar de varianten 1b en 4b, terwijl
de werkgroep variant 2 het minst aantrekkelijk lijkt. </al>
      <al>Voor de variant 3a en 4a is een voor de bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer
gunstig luidend advies nodig van de Raad van State, alsmede wetswijziging.
Een vraag die de werkgroep tussentijds moest beantwoorden was of het zinvol
en verantwoord is het advies van de Raad van State af te wachten alvorens
een advies aan de beide commissies voor te leggen. De werkgroep heeft deze
vraag tegelijkertijd bevestigend en ontkennend beantwoord: wel zinvol, maar
niet verantwoord. Zij meent dat de tijd tot het uitbrengen van genoemd advies
niet onbenut mag blijven. Daarom kiest zij voor hoofdvariant 4, waarbij afhankelijk
van de inhoud van het advies van de Raad van State ofwel de Algemene Rekenkamer
alsnog het onderzoek zal kunnen uitvoeren, of het onderzoek moet worden afgerond
door een parlementaire enquêtecommissie.</al>
      <al>De werkgroep stelt derhalve voor, dat de Kamer een tijdelijke commissie
belast met het feitenonderzoek zoals beschreven onder hoofdvariant 4. Ook
stelt zij voor, gelet op de hier beschreven samenhang, de minister van Financiën
te vragen om ten spoedigste de voorbereiding van een wetswijziging ter hand
te nemen. </al>
      <tuskop letat="vet">6. Conclusies en aanbevelingen</tuskop>
      <al>De werkgroep heeft als uitgangspunt genomen de wens van de Kamer om antwoord
te krijgen op drie vragen over de wijze waarop de Verzekeringskamer toezicht
uitoefent op verzekeringsmaatschappijen in het algemeen en op levensverzekeringsmaatschappijen
in het bijzonder, en toezicht heeft uitgeoefend op de verzekeringsmaatschappij
Vie d'Or. Ten aanzien van de uitvoering heeft de Kamer besloten de Algemene
Rekenkamer te verzoeken dit onderzoek ter hand te nemen, gelet op haar grondwettelijk
vastgelegde bevoegdheden en onafhankelijke positie. Omdat de bevoegdheid van
de Algemene Rekenkamer tot inzage in individuele toezichtsdossiers in deze
wordt bestreden door zowel de Verzekeringskamer als de minister van Financiën,
meent de werkgroep dat het nodig is de regeling van de bevoegdheden van de
Algemene Rekenkamer nadrukkelijk wettelijk vast te leggen. Deze wetgevende
arbeid zal enige tijd vergen en derhalve, behoudens één uitzondering,
slechts uitkomst bieden voor de toekomstige tijd. Die uitzondering heeft betrekking
op de mogelijkheid dat de Raad van State in zijn advies geen Europees-rechtelijke
belemmeringen ziet voor de onderzoeksbevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.
Dan zou al op betrekkelijk korte termijn de bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer
wettelijk kunnen worden verankerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De werkgroep beveelt aan volgens de lijn van de door haar beschreven onderzoeksvariant
4 op zo kort mogelijke termijn met een parlementair onderzoek aan te vangen,
en daar een op voet van artikel 18 van het Reglement van Orde in te stellen
tijdelijke commissie mee te belasten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze commissie ware te belasten met de volgende opdracht:</al>
      <al>* Het ten behoeve van beantwoording van de onderstaande onderzoeksvragen
verzamelen, ordenen, en analyseren van reeds beschikbare en nog op te vragen
informatie.</al>
      <al>– Was het toezichtbeleid van de Verzekeringskamer in overeenstemming
met de ter zake geldende wettelijke regelingen?</al>
      <al>– Hoe werkte dit toezichtbeleid in het bijzonder ten aanzien van
de sector levensverzekeringsbedrijven?</al>
      <al>– Hoe was de uitvoering ten aanzien van Vie d'Or vanaf 1985?</al>
      <al>* Het daartoe benodigde onderzoek zodanig in te richten dat een overdracht
van de geanalyseerde informatie op een later moment aan de Algemene Rekenkamer
of aan een parlementaire enquêtecommissie vergemakkelijkt wordt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De werkgroep adviseert de omvang van de commissie beperkt te houden. Het
spreekt voor zich dat de in te stellen commissie adequate ondersteuning behoeft.
De werkgroep zou zich kunnen voorstellen dat de tijdelijke commissie wordt
gevraagd binnen vier weken na ontvangst van het advies van de Raad van State
aan de Kamer te rapporteren over de wijze van voortzetting van het onderzoek.  </al>
      <bijlage>
        <titel>BIJLAGE 1</titel>
        <al>
          <nadruk type="vet">Belangrijkste door de werkgroep geraadpleegde stukken</nadruk>
        </al>
        <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
          <tgroup align="left" charoff="75" cols="2" tgroupstyle="sdu1">
            <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="30mm"></colspec>
            <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="82.5mm"></colspec>
            <tbody valign="bottom">
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"> F–94–127</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Brief
van de Verzekeringskamer aan de vaste Commissie voor Financiën en de
Commissie voor de Rijksuitgaven, dd. 11 april 1994, met memorandum betreffende
de geheimhoudingsplicht. </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">F–94–148</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Brief van de Algemene
Rekenkamer aan de vaste Commissie voor Financiën en de Commissie voor
de Rijksuitgaven, dd. 8 april 1994, met het advies Trenité Van Doorne.</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">F–94–0068</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Brief van de minister van Financiën
aan de vaste Commissie voor Financiën, dd. 20 juni 1994, met adviezen
Landsadvocaat en Nauta Dutilh </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">F–94–0152</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Brief van de
minister van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, dd. 2 september
1994, gedrukt onder kamerstuknummer 23 669, nr. 2 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">–</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Brief
van de Algemene Rekenkamer aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, dd. 2 september
1994, gedrukt onder kamerstuknummer 23 669, nr. 3 met onder meer de aan
de Europese Commissie voorgelegde vragen. </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">F–94–0217</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Brief
van de minister van Financiën aan de vaste Commissie voor Financiën,
dd. 14 oktober 1994, met de antwoorden van de Europese Commissie op de voorgelegde
vragen en met nieuwe aan deze Commissie voorgelegde vragen. </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">F–94–0295</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Brief
van de Algemene Rekenkamer aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, dd. 4 november
1994, met afschrift brief Algemene Rekenkamer aan de minister van Financiën
en advies Trenité Van Doorne. </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">F–94–0338</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Brief
van de minister van Financiën aan de vaste Commissie voor Financiën,
dd. 28 november 1994, met de antwoorden van de Europese Commissie op de nadere
vragen, gedrukt onder kamerstuknummer 23 669, nr. 4. </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">F–94–0379</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Brief
van de minister van Financiën aan de vaste Commissie voor Financiën,
dd. 20 december 1994, gedrukt onder kamerstuknummer 23 669, nr. 5. </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">–</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Brief
van de Algemene Rekenkamer aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, dd. 20 december
1994, met adviezen Trenité Van Doorne en Ministerie van Binnenlandse
Zaken, gedrukt onder kamerstuknummer 23 669, nr. 6. </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">–</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Brief
van de minister van Financiën aan de vaste Commissie voor Financiën
en de algemene commissie voor de Rijksuitgaven, dd. 5 januari 1995, met afschriften
van alle correspondentie met de Verzekeringskamer inzake de geheimhoudingsbepalingen
in de financiële toezichtswetten. </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">F–95–12</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Brief
van de minister van Financiën aan de vaste Commissie voor Financiën
en de algemene commissie voor de Rijksuitgaven, dd. 17 januari 1995, met afschrift
van de adviesaanvraag aan de Raad van State.</entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <titel>BIJLAGE 2</titel>
        <al>Hierbij bied ik u een afschrift aan van het adviesverzoek aan de Raad
van State zoals heden door de Koningin aan de Raad van State verzonden.</al>
        <ondtek>
          <functie>De Minister van Financiën,</functie>
          <naam>G. Zalm </naam>
        </ondtek>
        <tuskop letat="vet">Adviesaanvraag aan de Raad van State inzake de geheimhoudingsbepalingen
in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en daaraan ten grondslag liggende
EG-richtlijnen</tuskop>
        <al>Op 14 april 1994 heeft de Tweede Kamer der Staten-Generaal de Algemene
Rekenkamer verzocht een onderzoek uit te voeren, waarin de volgende vragen
beantwoord zouden moeten worden:</al>
        <witreg></witreg>
        <al>– was het toezichtbeleid van de Verzekeringskamer in overeenstemming
met de ter zake geldende wettelijke regelingen;</al>
        <al>– hoe werkte dit toezichtbeleid in het bijzonder ten aanzien van
de sector levensverzekeringsbedrijven;</al>
        <al>– hoe was de uitvoering ten aanzien van Vie d'Or gedurende de periode
1985–1993.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De onderzoeksmogelijkheden van de Algemene Rekenkamer blijken evenwel
begrensd te worden door de geheimhoudingsbepalingen in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf
1993. De inhoud van deze geheimhoudingsbepalingen is voortgevloeid uit de
implementatie van de geheimhoudingsbepalingen in toepasselijke Europese richtlijnen.</al>
        <al>Deze richtlijnen laten naar mijn mening niet toe dat de Algemene Rekenkamer
toegang zou hebben tot gegevens die onder de geheimhoudingsplicht van de Verzekeringskamer
vallen.</al>
        <al>De Algemene Rekenkamer is enerzijds van mening dat de relevante Europese
richtlijnen op zichzelf geen belemmeringen opwerpen tegen onderzoeksbevoegdheden
van de Algemene Rekenkamer bij de Verzekeringskamer, zoals neergelegd in de
Comptabiliteitswet. Door de geheimhoudingsbepalingen in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf
1993 kunnen naar het oordeel van de Algemene Rekenkamer echter anderzijds
haar onderzoeksbevoegdheden niet worden uitgeoefend omdat ongeclausuleerde
toegang tot informatie uit individuele toezichtsdossiers niet is verzekerd.
De Algemene Rekenkamer beveelt dat ook, gelet op haar in de Grondwet verankerde
positie, wijziging van de Comptabiliteitswet aan.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De Raad van State wordt, met toepassing van artikel 15, tweede lid, van
de Wet op de Raad van State, om advies verzocht over de vraag welke mogelijkheden
de Algemene Rekenkamer heeft respectievelijk na wijziging van de toepasselijke
regelgeving behoort te hebben, om bij de Verzekeringskamer een onderzoek in
te stellen. In het bijzonder betreft dit de derde EG-richtlijn schadeverzekering,
de derde EG-richtlijn levensverzekering, de Wet toezicht verzekeringsbedrijf
1993 en de Comptabiliteitswet. Het adviesverzoek gaat vergezeld van de achterliggende
bijlagen.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De algemene commissie voor de Rijksuitgaven en de vaste Commissie voor
Financiën uit de Tweede Kamer hebben de Minister van Financiën gevraagd
er op aan te dringen dat de Raad van State zijn advies op de kortst mogelijke
termijn uitbrengt.  </al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <titel>BIJLAGE 3</titel>
        <al> Art. 15. – 1. De Lid-Staten bepalen dat alle personen die werkzaam
zijn of zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten, alsmede accountants of
deskundigen die in opdracht van de bevoegde autoriteiten handelen, aan het
beroepsgeheim gebonden zijn. Dit houdt in dat de vertrouwelijke gegevens waarvan
zij beroepshalve kennis krijgen, aan geen enkele persoon of autoriteit bekend
mogen worden gemaakt, behalve in een samengevatte of geaggregeerde vorm, zodat
individuele verzekeringsondernemingen niet kunnen worden geïdentificeerd,
zulks onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen.</al>
        <al> Indien een verzekeringsonderneming failliet is verklaard of op grond
van een rechterlijke beslissing in liquidatie verkeert, mogen evenwel vertrouwelijke
gegevens die geen betrekking hebben op derden welke betrokken zijn bij pogingen
om de onderneming te redden, in het kader van civiele of handelsrechtelijke
procedures openbaar worden gemaakt.</al>
        <al> – 2. Lid 1 belet niet dat tussen de bevoegde autoriteiten van de
verschillende Lid-Staten uitwisseling van gegevens plaatsvindt als bedoeld
in de richtlijnen die van toepassing zijn op verzekeringsondernemingen. Deze
gegevens vallen onder het in lid 1 bedoelde beroepsgeheim.</al>
        <al> – 3. De Lid-Staten kunnen met de bevoegde autoriteiten van derde
landen alleen dan samenwerkingsovereenkomsten voor de uitwisseling van gegevens
sluiten, als met betrekking tot de medegedeelde gegevens ten minste gelijkwaardige
waarborgen inzake het beroepsgeheim gelden als de in dit artikel bedoelde.</al>
        <al> – 4. De bevoegde autoriteiten die overeenkomstig de leden 1 of
2 vertrouwelijke gegevens ontvangen, mogen deze slechts gebruiken voor de
uitoefening van hun taken:</al>
        <al> – voor het onderzoek van de voorwaarden voor de toegang tot het
verzekeringsbedrijf en voor het vergemakkelijken van de controle op de voorwaarden
waaronder de werkzaamheden worden uitgeoefend, in het bijzonder ten aanzien
van het toezicht op de technische voorzieningen, de solvabiliteitsmarge, de
administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle, of</al>
        <al> – voor het opleggen van sancties, of</al>
        <al> – in het kader van een administratief beroep tegen een besluit
van de bevoegde autoriteiten, of</al>
        <al> – in rechtszaken die aanhangig zijn gemaakt overeenkomstig artikel
50 of bijzondere bepalingen van de richtlijnen betreffende verzekeringsondernemingen.</al>
        <al> – 5. De leden 1 en 4 staan niet in de weg aan de uitwisseling van
gegevens binnen een zelfde Lid-Staat, wanneer er verscheidene bevoegde autoriteiten
zijn, of, tussen Lid-Staten, tussen de bevoegde autoriteiten en:</al>
        <al> – de autoriteiten aan wie van overheidswege het toezicht op de
kredietinstellingen en de andere financiële instellingen is opgedragen,
alsmede de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële
markten.</al>
        <al> – de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement
van verzekeringsondernemingen en andere soortgelijke procedures, en</al>
        <al> – de met de wettelijke controle van de jaarrekening van verzekeringsondernemingen
en andere financiële instellingen belaste personen, voor de vervulling
van hun toezichthoudende taak, en vormen evenmin een belemmering voor de mededeling
aan de instanties die belast zijn met de (gedwongen) liquidatie of het beheer
van het garantiefonds, van de gegevens die nodig zijn voor de vervulling van
hun taak. De door deze autoriteiten, instanties en personen ontvangen gegevens
vallen onder het in lid 1 bedoelde beroepsgeheim.</al>
        <al> – 6. Voorts mogen de Lid-Staten, niettegenstaande de leden 1 en
4, op grond van wettelijke bepalingen de mededeling van bepaalde gegevens
toestaan aan andere centrale overheidsdiensten die bevoegd zijn ter zake van
de wetgeving inzake het toezicht op kredietinstellingen, financiële instellingen, beleggingsdiensten en verzekeringsondernemingen, alsmede
aan de inspecteurs die in opdracht van deze overheidsdiensten optreden. </al>
        <witreg></witreg>
        <al>Deze gegevens mogen echter alleen worden verstrekt wanneer zulks ter wille
van het prudentieel toezicht nodig blijkt.</al>
        <al>De Lid-Staten bepalen evenwel dat de gegevens die op grond van de leden
2 en 5 zijn ontvangen, en die welke zijn verkregen naar aanleiding van de
in artikel 16 van Richtlijn 79/267/EEG bedoelde verificaties ter plaatse,
in geen enkel geval op grond van dit lid mogen worden medegedeeld, tenzij
met uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens
hebben verstrekt of van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten waar de
verificatie ter plaatse is verricht. </al>
        <tuskop letat="vet">Artikel 182</tuskop>
        <al>1. Gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze wet
bepaalde omtrent afzonderlijke verzekeraars zijn verstrekt of zijn verkregen
en gegevens en inlichtingen die van een instantie als bedoeld in artikel 183,
eerste lid, zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.</al>
        <al>2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet
of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van
gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of van een instantie
als bedoeld in artikel 183, eerste lid, ontvangen, of van gegevens of inlichtingen,
bij het onderzoek van boeken, zakelijke bescheiden of andere informatiedragers
verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid
te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.</al>
        <al>3. Het eerste en tweede lid laten, ten aanzien van degene op wie het tweede
lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van
het Wetboek van Strafvordering welke betrekking hebben op het als getuige
of deskundige in strafzaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of
inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen
taak.</al>
        <al>4. Het eerste en tweede lid laten evenzo, ten aanzien van degene op wie
het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering welke betrekking hebben op
het als getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als deskundige
in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen
verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voor
zover het gaat om gegevens of inlichtingen omtrent een verzekeraar die in
staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak
is ontbonden. Het in de vorige volzin bepaalde geldt niet voor gegevens of
inlichtingen die betrekking hebben op verzekeraars die betrokken zijn of zijn
geweest bij een poging de desbetreffende verzekeraars in staat te stellen
zijn bedrijf voort te zetten.</al>
        <al>5. De Verzekeringskamer is, in afwijking van het eerste en tweede lid,
bevoegd met gebruikmaking van gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling
van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak, mededelingen te doen mits
deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke verzekeraars. </al>
        <tuskop letat="vet">Artikel 183</tuskop>
        <al>1. De Verzekeringskamer kan, in afwijking van artikel 182, eerste en tweede
lid, gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge
deze wet opgedragen taak, verstrekken aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties
dan wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties
die belast zijn met het toezicht op financiële markten of
op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn,
tenzij:</al>
        <al>a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt
onvoldoende bepaald is;</al>
        <al>b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het
kader van het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen
en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn;</al>
        <al>c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen
met de Nederlandse wet of de openbare orde;</al>
        <al>d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende
mate is gewaarborgd;</al>
        <al>e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd
is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen;
of</al>
        <al>f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen
worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.</al>
        <al>2. Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste lid aan
degene die de gegevens of inlichtingen op grond van dat lid heeft verstrekt,
verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander
doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, mag dat verzoek slechts worden ingewilligd:</al>
        <al>a. voor zover het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste lid;
dan wel</al>
        <al>b. voor zover die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in deze
wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor geldende procedures
voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou
kunnen verkrijgen; alsmede</al>
        <al>c. pas na overleg met Onze Minister van Justitie indien het in de aanhef
bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten. </al>
      </bijlage>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>